Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede

Geldend van 01-05-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede

De raad van de gemeente Enschede,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 december 2020, nummer 2000093478;

Gelet op:

de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet;

artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet;

artikel 12 en 15 van de Monumentenwet BES;

de wet wijziging Monumentenwet 1988 en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken;

artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Overwegende dat:

de Omgevingswet naar verwachting in werking treedt op 1 januari 2022;

het doel van de Omgevingswet is: 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit';

dit wordt vertaald in twee maatschappelijke doelen:

a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand

houden;

b. de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke

behoeften mee te vervullen;

- deze ‘tijdelijke’ Verordening kwaliteit leefomgeving Enschede door een bundeling van verschillende verordeningen en beleids-, nadere en algemene regels bijdraagt aan deze maatschappelijke doelen

door:

1. het stellen van regels voor een doelmatig beheer en gebruik van de openbare ruimte,

2. het beperken van hinder en overlast voor de fysieke leefomgeving en

3. het beperken van hinder en overlast voor een gezonde leefomgeving;

- het voornemen is om deze verordening te zijner tijd op te nemen in het nog vast te stellen omgevingsplan Enschede;

- met deze verordening en de daarop gebaseerde regels een kwalitatief goede omgevingskwaliteit wordt nagestreefd.

B E S L U I T:

vast te stellen de navolgende

Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede

Hoofdstuk 1 Activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Toepassingsbereik

Deze verordening gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 1.2 Begripsbepalingen
  • 1. Bijlage 1.2 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

  • 2. Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1. van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn na inwerkingtreding van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing op deze verordening, tenzij in bijlage 1.2 daarvan in aanvulling op en voor zo ver nodig voor een goede normstelling en uitvoering van deze verordening is afgeweken.

Artikel 1.3 Normadressaat

Dit hoofdstuk is van toepassing op diegene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald.[ vanaf 1-1-2022: Artikel 5.37 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing ].

Artikel 1.4 Algemene beoordelingsregels
  • 1. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in deze verordening, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels uit deze verordening kan worden uitgevoerd, kan nochtans een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      Er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk in verband met het oog op een van de doelen, bedoeld in artikel 1.13;

    • b.

      De activiteit levert een bijdrage aan het bereiken van een of meer omgevingsdoelen of omgevingswaarden en leidt niet tot een onevenredig nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving;

    • c.

      Het met de weigering van de omgevingsvergunning of met handhaving van de algemene regel te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het oogmerk van de activiteit.

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid weegt het college de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingswaarden of omgevingsdoelen af voor zo ver niet uit een instructieregel [na 1-1-2022: Besluit kwaliteit leefomgeving of de provinciale Omgevingsverordening of het omgevingsplan] of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.

Artikel 1.5 Voorbescherming
  • 1. In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 5 kunnen geen omgevingsvergunningen voor het slopen of bouwen van een gemeentelijk monument worden verleend in het gebied dat in een geografisch informatieobject – als het Kadaster - is opgenomen.

  • 2. [ Gereserveerd. ]

Artikel 1.6 Activiteiten

De in deze verordening genoemde activiteiten gaan over activiteiten die gebruik maken van de bestaande fysieke leefomgeving, waaronder bouwwerken, terreinen, bodem, ondergrond, water en infrastructuur en voor zo ver deze activiteiten niet (uitputtend) hier zijn opgenomen op andere wettelijke voorschriften m.b.t. de fysieke leefomgeving.

Artikel 1.7 Oogmerk

De in deze verordening opgenomen regels zijn gesteld met het oog op de belangen die voortvloeien uit:

  • a.

    een of meer van de doelen zoals die zijn opgenomen in artikel 1.13;

  • b.

    de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zoals opgenomen in artikel 1.3 van de Omgevingswet;

  • c.

    het beschermen van het gebruik overeenkomstig de toegekende functie(s).

Artikel 1.8 Specifieke zorgplicht
  • 1. Degene die een activiteit als bedoeld in deze verordening verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.7 is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 1.9 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
  • 1. [ Gereserveerd, voor het geval het wenselijk is om bij specifieke onderwerpen naast de algemene bepalingen ook de mogelijkheid te creëren om maatwerkvoorschriften te stellen ].

  • 2. Een maatwerkvoorschrift kan niet worden gesteld over een onderwerp waarvoor een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

Artikel 1.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning en meldingsplicht
  • 1. Een omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de in artikel 1.7 vermelde belangen.

  • 2. Bij een melding kunnen alleen maatwerkvoorschriften worden gesteld ter bescherming van de in artikel 1.7 vermelde belangen.

Artikel 1.11 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere -, algemene - of beleidsregels afwijken voor zover de toepassing daarvan gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen.

Artikel 1.12 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning [ Gereserveerd ]

Afdeling 1.2

Gemeentelijke omgevingsdoelen

Artikel 1.13 Gemeentelijke omgevingsdoelen
  • 1. Deze verordening is onder meer gericht op:

    • a.

      Het waarborgen van de veiligheid;

    • b.

      Het beschermen van de gezondheid;

    • c.

      Het beschermen van het milieu;

    • d.

      Het duurzaam veilig stellen van de openbare drinkwatervoorziening;

    • e.

      Het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

    • f.

      Het behoud van cultureel erfgoed en de uitzonderlijke waarde van werelderfgoed;

    • g.

      De natuurbescherming;

    • h.

      Het tegengaan van klimaatverandering;

    • i.

      De kwaliteit van bouwwerken;

    • j.

      Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

    • k.

      Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

    • l.

      Het beheer van infrastructuur;

    • m.

      Het beheer van watersystemen;

    • n.

      Het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen

    • o.

      Het beheer van natuurlijke hulpbronnen;

    • p.

      Het beheer van natuurgebieden;

    • q.

      Het gebruik van bouwwerken;

    • r.

      Het beschermen van de luchtkwaliteit;

    • s.

      Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

  • 2. Deze verordening is ook gericht op de instandhouding van het bosareaal van de gemeente.

Artikel 1.14 Doelen voor bijzondere gebieden of thema’s [ gereserveerd ]

Nader in te vullen als er sprake is van gebieden of bepaalde thema’s waarvoor het gewenst is specifieke of gerichte doelen te stellen (als concretisering van de in artikel 1.7 geformuleerde doelen).

Hoofdstuk 2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten en sloopactiviteiten

Artikel 2.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 2 gaat over de niet-technische regels die gelden voor het bouwen, het slopen en het aanleggen van (bouw)werken en hebben geen betrekking op het technische deel [ waarvoor regels zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en na inwerkingtreding ervan in het Besluit bouwwerken leefomgeving].

Artikel 2.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening >

Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 2.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 2.5 Beoordelingsregels activiteit

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen en gebruik van antenne-installaties zendamateurs (zie bijlage 2.10).

Artikel 2.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

Artikel 2.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 2.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

- het oprichten van een antenne-installatie van hoger dan 5 meter

Artikel 2.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Antenne-installaties zendamateurs

Artikel 2.10 Antenne-installaties zendamateurs

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een antenne-installatie hoger dan 5 meter op te richten, te plaatsen of geplaatst te houden. Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien:

a. er sprake is van een positief welstandsadvies;

  • b.

    de antenne-installatie wordt gebruikt voor zenden of ontvangen van radiosignalen in het kader van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM);

  • c.

    per woning en/of perceel slechts sprake is van één antenne-installatie. Aan een antenne-installatie mogen meerdere antennes worden opgehangen;

  • d.

    de aanvrager beschikt over een Radio Amateur Radio Station Licence;

  • e.

    geen sprake is van plaatsing van een antenne-installatie in bij of aan een beschermd monument of beschermd stads- en dorpsgezicht;

  • f.

    in de woonmilieus “villa’s in het groen”, “bedrijfsmilieus” en “landelijke milieus”(groene gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10) zijn vrijstaande antenne-installaties met een hoogte van maximaal 15 meter toegestaan. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de hoogste antenne. In deze woonmilieus zijn antenne-installaties bevestigd aan de gevel of het dak van de woning mogelijk, als de totale hoogte daarvan maximaal 15 meter is. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de antenne;

  • g.

    binnen de woonmilieus “groene woonwijken” en “dorps milieu” (oranje gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10) worden vrijstaande antenne-installaties met een hoogte van maximaal 15 meter mogelijk gemaakt. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de hoogste antenne. Plaatsing is hier alleen mogelijk op woonpercelen die aan 2 of meer zijden grenzen aan de openbare ruimte, uitsluitend op een afstand van maximaal 2 meter van de achter- of zijgevel van de woning en op een afstand van minimaal 5 meter uit de erfgrens (met de buren). In deze woonmilieus zijn ook antenne-installaties bevestigd aan de gevel of het dak van deze hoekwoningen mogelijk. De totale hoogte daarvan is maximaal 15 meter (gerekend vanaf maaiveld tot aan de top van de antenne);

  • h.

    in de overige woonmilieus (“centrum stedelijk”, “stedelijk compact”, “stedelijke villa’s “, “suburbaan wonen” en “wijkcentrum wonen”) (rode gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10 ) worden (vrijstaande) antenne-installaties niet mogelijk gemaakt (tenzij vergunningvrij).

Artikel 2.11 [ gereserveerd ]

Artikel 2.12 [ gereserveerd ]

Hoofdstuk 3 Aantasting en ontsiering van de leefomgeving

Artikel 3.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 3 gaat over activiteiten die de leefomgeving kunnen ontsieren, over autowrakken, het parkeren van onder meer (grote) voertuigen, het parkeren van (brom)fietsen, reclamevoertuigen en crossterreinen.

Artikel 3.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening>

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 3.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 3.5 Beoordelingsregels activiteit

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van crossterreinen in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.

Artikel 3.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

Artikel 3.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 3.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

Het als autobedrijf parkeren van voertuigen op de weg (3.11), het te koop aanbieden van voertuigen op aangewezen wegen of weggedeelten (3.12), het berijden of parkeren met voertuigen in groenvoorzieningen (3.15), het parkeren van kampeervoertuigen e.d. op de weg langer dan 3 dagen (3.16), parkeren van reclamevoertuigen (3.17), parkeren van grote voertuigen (3.18) en het zich met een motorvoertuig of (brom)fietsen bevinden in aangewezen natuurgebieden of parken e.d.

Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Ontsiering en overlast door auto’s, wrakken, grote voertuigen e.d.

Artikel 3.10 Ontsiering en overlast leefomgeving door auto’s, autowrakken, motoren, (brom)fietsen, grote voertuigen, opslag voorwerpen, e.d.
  • 1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, of buiten de weg gelegen plaatsen een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, mogen uitsluitend zijn gebaseerd op het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid.

  • 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale milieuverordening Overijssel van toepassing is[ en na inwerkingtreding: de Omgevingswet ].

Artikel 3.11 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
  • 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college een bedrijf of nevenbedrijf uit te oefenen of er een gewoonte van te maken om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen waarbij:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg worden geparkeerd binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken;

  • 1. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan 1 uur vergen, gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon;

  • 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3.12 Te koop aanbieden van voertuigen
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op de door hen aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3.13 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 3.14 Voertuigwrakken

Het is verboden een voertuig dat rij-technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer [en na inwerkingtreding: de Omgevingswet]

Artikel 3.15 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing:

    • op de weg;

    • op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Plaatsen van caravans en campers

Artikel 3.16 Caravans e.d.
  • 1. Het is verboden zonder een vergunning van het college een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd, langer dan op 3 achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Reclamevoertuigen en grote voertuigen

Artikel 3.17 Parkeren van reclamevoertuigen
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3.18 Parkeren van grote voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente (link naar Besluit parkeren grote voertuigen).

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte, met uitzondering van werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur (zie bijlage 3.18).

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3.19 Parkeren van uitzicht-belemmerende voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, zodanig op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Overlast door geparkeerde voertuigen

Artikel 3.20 Parkeren van voertuigen met stank-verspreidende stoffen

Het is verboden een voertuig met stank-verspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

Artikel 3.21 Parkeren van voertuigen met ontsierende zichtbare lading

Het is verboden voertuigen met aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken of tweedehands voorwerpen of andere ontsierende lading op of aan wegen te parkeren behalve op werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

Overlast en hinder door fietsen en bromfietsen e.d.

Artikel 3.22 Overlast en hinder van fiets of bromfiets
  • 1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

  • 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rij-technisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

  • 4. Het is verboden zonder noodzaak met een motorvoertuig of een bromfiets hinder te veroorzaken of zonder noodzaak de motor van een motorvoertuig in werking te hebben.

  • 5. Het is verboden een motorvoertuig op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor zonder noodzaak hinder wordt veroorzaakt.

Crossterreinen

Artikel 3.23 Crossterreinen
  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.

  • 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren van toepassing is [ na inwerkingtreding: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten].

Verkeer in natuurgebieden

Artikel 3.24 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Ter voorkoming van overlast en/of schade aan milieuwaarden is het verboden op door het college aangewezen en voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, te rijden met een motorvoertuig, een (brom)fiets of een paard.

  • 2. Het is zonder vergunning van het college verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen:

    • a.

      zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel

    • b.

      zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van Politie, Brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de Minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie op door het college aangewezen plaatsen;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 4 Activiteiten op of bij wegen of water in beheer bij de gemeente

Artikel 4.1 Activiteiten
  • Dit hoofdstuk 4 gaat over activiteiten die plaatsvinden op of bij openbare wegen en wateren en betreft onder meer de volgende activiteiten: uitwegen, plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte, reclame-uitingen zichtbaar vanaf de weg, terrassen bij horecabedrijven in de openbare ruimte en vissen in gemeentelijke vijvers.

  • Dit hoofdstuk gaat niet over het parkeren van voertuigen.

Artikel 4.2 Oogmerken [ gereserveerd ]
  • 1. De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • 2. a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening>

  • 3. [ gereserveerd ]

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 4.4 Algemene regels

Voor het uitstallen in de openbare ruimte , het aanleggen en veranderen van een uitweg , het voeren van handelsreclame en het exploiteren van terrassen bij horecabedrijven gelden door het college respectievelijk de door de burgemeester vastgestelde nadere – of algemene regels waaraan moet worden voldaan.

Artikel 4.5 Beoordelingsregels activiteit [ gereserveerd ]

Artikel 4.6 Meldingsplicht

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte (4.10 lid 1)

Artikel 4.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 4.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

  • het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte (4.10 lid 2),

  • het aanleggen of veranderen van een weg (4.11),

  • het maken of veranderen van een uitweg (4.12),

  • het voeren van handelsreclame (4.13) en

  • het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf (4.14)

Artikel 4.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte

Artikel 4.10 Het plaatsen van voorwerpen in de publieke ruimte in strijd met de publieke functie ervan
  • 1. Het is verboden om zonder melding aan het college, de openbare ruimte anders te gebruiken dan in overeenstemming met de publieke functie daarvan. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      het beoogde gebruik mag geen schade toebrengen aan de openbare ruimte of de bruikbaarheid van de openbare ruimte nadelig beïnvloeden.

    • b.

      het beoogde gebruik mag geen invloed hebben op het veilig gebruik van de openbare ruimte, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • c.

      het beoogde gebruik mag geen hinder, overlast of gevaarzetting veroorzaken voor derden.

    • d.

      het beoogde gebruik mag niet langer plaatsvinden dan voor het doel waarvoor het voorwerp/object wordt geplaatst en in ieder geval niet langer dan 1 jaar.

  • 2. Het is verboden om zonder vergunning van het college, de openbare ruimte anders te gebruiken dan in overeenstemming met de publieke functie daarvan, indien een voorwerp geplaatst wordt:

    • a.

      op een fietspad;

    • b.

      op de rijbaan;

    • c.

      op of in de onmiddellijke nabijheid van een kruising van wegen

    • d.

      op of in de onmiddellijke nabijheid van een uitweg;

    • e.

      op of in de onmiddellijke nabijheid van een busbaan of busroute;

    • f.

      op of in de onmiddellijke nabijheid van brandkranen

    • g.

      in de onmiddellijke nabijheid van boven de grond gelegen kabels/leidingen;

    • h.

      op calamiteitenroutes

    • i.

      op een kroonprojectie van een boom.

    • j.

      in het stadserf van Enschede

      foto

  • 3. Een vergunning kan worden geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden in het eerste lid.

  • 4. Het verbod in het eerste en het tweede lid geldt niet voor evenementen indien het te plaatsen voorwerp onderdeel uitmaakt van het evenement.

  • 5. Het verbod in het eerste en het tweede lid geldt niet voor uitstallingen als bedoeld in de beleidsregels ‘Uitstallingen in de openbare ruimte

  • 6. De melding of de aanvraag voor een vergunning dient tenminste 15 werkdagen voor aanvang van te worden gedaan via het digitale loket (op de website) van de gemeente Enschede.

  • 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Aanleg wegen en uitwege

Artikel 4.11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4.12 Maken, veranderen van een uitweg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg aan te leggen, tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels.

  • 2. Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen van een uitweg.

  • 3. Het college kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de nadere regels.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Handelsreclame

Artikel 4.13 Het voeren van handelsreclame
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een roerende of een onroerende zaak (handels)reclame te maken, te voeren of toe te staan door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels voeren handelsreclame bij, op of aan (on)roerende zaken in Enschede

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Monumentenwet [ na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet ] .

  • 3. Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van handelsreclame.

  • 4. Het college kan bij vergunning afwijken van het verbod in het eerste lid en van de Nadere regels als bedoeld in het derde lid.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Exploiteren van terrassen bij horecabedrijven

Artikel 4.14 Het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf
  • 1. Het is verboden een terras in te richten, in gebruik te nemen en te houden, tenzij wordt voldaan aan de door de burgemeester vastgestelde Nadere regels terrassen bij horecabedrijven.

  • 2. De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar terrassen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van terrassen.

  • 3. De burgemeester kan een vergunning verlenen in afwijking van het verbod in het eerste lid en van de Nadere regels als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. De burgemeester kan op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde en veiligheid locaties aanwijzen waar het verboden is om een terras in te richten, in gebruik te nemen of te exploiteren.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Vissen in gemeentelijke vijvers

Artikel 4.15 Vissen in gemeentelijke vijvers
  • 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden te vissen in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere dergelijke waterpartij.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien het vissen geschiedt op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan.

Artikel 4.16 [ Gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed

Artikel 5.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 5 gaat over activiteiten die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en cultureel erfgoed.

Artikel 5.2 Oogmerk [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening

Artikel 5.3 Specifieke zorgplicht

Diegene die eigenaar is van een gemeentelijk monument is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor het monument te voorkomen.

Artikel 5.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 5.5 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.22 en 5.23 kan in aanvulling op de in artikel 1.4 opgenomen beoordelingsregels worden geweigerd indien:

  • niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden opgericht;

  • geen sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning bouwen.

Artikel 5.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

Artikel 5.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 5.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

• het slopen of anderszins wijzigen van een gemeentelijk monument (5.21) en

• het slopen of anderszins wijzigen van een bouwwerk in een beschermd stads- en dorpsgezicht (5.25).

Artikel 5.9 Gegevens en bescheiden

Ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.21 en 5.25 worden de navolgende gegevens door de aanvrager verstrekt:

  • Tekeningen van de bestaande en de nieuwe toestand; (situatie, plattegronden, gevelaanzichten, langs- en dwarsdoorsneden, details);

  • Foto's van het monument (bij ingrepen interieur ook foto's van het interieur);

  • Foto's van de directe omgeving van het monument;

  • Duidelijk werkomschrijving;

  • Beschrijving van de toe te passen materialen.

Ter beoordeling en op verzoek van het college worden de navolgende gegevens verstrekt:

  • Bestek;

  • Kleurhistorisch / tuinhistorisch /, interieurhistorisch onderzoek in de vorm van een quick scan;

  • Schriftelijke toelichting met (bouw)historisch onderzoek met waardenstelling (conform de Richtlijn bouwhistorisch onderzoek);

  • Inspectierapport Monumentenwacht of ander inspectierapport;

  • Fotomateriaal van vroegere situaties;

  • Monsters van toe te passen materialen en kleuren

  • De opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan.

Erfgoedregister

Artikel 5.10 Gemeentelijk erfgoedregister
  • 1. Het college houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed.

  • 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzameling

Artikel 5.11 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling
  • 1. Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed.

  • 2. Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van cultuurgoederen, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermde gemeentelijke verzameling.

  • 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.

  • 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor, vraagt het college advies aan de betreffende gemeentelijke adviescommissie.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • b.

      cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 5.12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling
  • 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het vorige artikel, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken.

  • 2. Op het bepaalde in het eerste lid is het vorige artikel, vierde lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • b.

      beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

  • 4. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Aanwijzing gemeentelijk monument

Artikel 5.13 Aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1. Het college kan – al dan niet op aanvraag - besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. De beoordeling van de monumentwaardigheid op basis van de criteria in lid 1 van dit artikel wordt getoetst op basis van de door het college vast te stellen nadere regels en/of selectiecriteria

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten;

    • b.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 5.14 Voornemen tot aanwijzing

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5.13 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 5.15 Voorbescherming
  • 1. De bescherming van artikel 5.20 en 5.21 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5.14 is bekendgemaakt.

  • 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 5.16 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
  • 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 5.17 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving
  • 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 5.18 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
  • 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 5.26 wordt in dat geval aan de betreffende gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5.13.

  • 3. Artikelen 5.20 en 5.21 zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 5.26 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 5.19 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
  • 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 5.13 tot en met 5.18 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is teniet gegaan.

  • 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 5.20 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 5.21 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of

    • b.

      inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

  • 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vergunning, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Kerkelijk monument

Artikel 5.22 Kerkelijk monument

Het college neemt geen besluit tot aanwijzing van een kerkelijk monument anders dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zo ver daarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het aan te wijzen monument in het geding zijn.

Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Artikel 5.23 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht
  • 1. De gemeenteraad kan – op voorstel van het college - stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  • 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 5.26. Tegelijkertijd wordt mededeling gedaan van het voorstel om een stads- en dorpsgezicht als beschermd stads- en dorpsgezicht aan te wijzen aan alle zakelijk gerechtigden op een onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 3. De voorbescherming van artikel 5.15 juncto 5.20 en 5.21 is van overeenkomstige toepassing. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

  • 4. De beoordeling van de beschermwaardigheid van een stads- en dorpsgezicht vindt plaats op basis van de door het college vast te stellen nadere regels en/of selectiecriteria.

  • 5. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 6. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening [na inwerkingtreding Omgevingswet: een omgevingsplan vast ]. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 7. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen[ na inwerkingtreding van de Omgevingswet: in hoeverre het omgevingsplan] als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen [ kan ] worden aangemerkt, dan wel of een beheerverordening kan worden vastgesteld.

  • 8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen door de betreffende Minister of op basis van een provinciale Erfgoedverordening.

Artikel 5.24 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht
  • 1. De gemeenteraad kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, wijzigen of intrekken. Het tweede lid van dat artikel is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      beschermd stads- en dorpsgezicht op basis van een besluit door de betreffende Minister, of

    • b.

      beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale Erfgoedverordening.

  • 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Slopen in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

Artikel 5.25 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning
  • 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk al dan niet gedeeltelijk te slopen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Gemeentelijke adviescommissie over erfgoed

Artikel 5.26 Gemeentelijke adviescommissie
  • 1. Er is een gemeentelijke adviescommissie die het college gevraagd of ongevraagd adviseert over onderwerpen die het gemeentelijk erfgoed aangaan of op dat erfgoed van invloed zijn.

  • 2. In ieder geval vraagt het college deze commissie om advies bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen of veranderen van een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument.

  • 3. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het aanwijzen als gemeentelijk monument advies aan deze commissie.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen betreffende:

    • a.

      de samenstelling van deze commissie;

    • b.

      de vorm en wijze van advisering door deze commissie;

    • c.

      de termijn van advisering door deze commissie;

    • d.

      de openbaarheid van de vergadering van deze commissie.

Artikel 5.27 [gereserveerd]

Hoofdstuk 6 Activiteiten met betrekking tot bomen, planten en dieren

Artikel 6.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 6 gaat over activiteiten die betrekking hebben op het kappen van bomen en snoeien van houtopstanden en over het beperken van overlast door dieren.

Artikel 6.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening

Artikel 6.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 6.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 6.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]

Artikel 6.6 Meldingsplicht

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

het vellen van een houtopstand, waaronder het kappen van bomen (6.14 lid 2), als aangegeven in de tabel in 6.14 lid 5

Artikel 6.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 6.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

het vellen van een houtopstand, waaronder het kappen van bomen (6.14 lid 1), als aangegeven in de tabel in 6.14 lid 5

Artikel 6.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Overlast door dieren

Artikel 6.10 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of trap veld of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • c.

      in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere waterpartij, tenzij deze door het college is aangewezen als hondenzwemplaats;

    • d.

      op de weg of openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. Het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet in gebieden die door het college zijn aangewezen als losloopgebieden.

  • 3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond.

Artikel 6.11 Geluidhinder door dieren

Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 6.12 Verontreiniging door honden
  • 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet binnen de bebouwde kom op een openbare plaats.

  • 2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven:

    • a.

      indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd;

    • b.

      op plaatsen die door het college aangewezen zijn als honden uitlaatplekken (hups);

    • c.

      in gebieden die krachtens artikel 2:57 lid 2, door het college zijn aangewezen als losloopgebieden.

  • 3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond een deugdelijk hulpmiddel bij zich heeft, dat gezien de vorm en constructie als zodanig geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen.

  • 4. De verplichtingen genoemd in het eerste en het derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond.

Artikel 6.13 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben; of

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

  • 2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, onder b, mogen uitsluitend zijn gebaseerd op het voorkomen of opheffen van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of gevaar voor verstoring van de openbare orde.

  • 3. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is aangegeven.

  • 4. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5. Indien het aanwezig hebben van een of meer dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid, kan het college degene die het dier of de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of verstoring van de openbare orde.

  • 6. Het bepaalde in dit artikel geldt niet:

    • a.

      voor het in de gemeente optreden van een circus waarvoor de Burgemeester overeenkomstig artikel 2:25 Algemene Plaatselijke Verordening vergunning heeft verleend;

    • b.

      voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is [ na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet].

Kappen van bomen en houtopstanden

Artikel 6.14 Kapverbod
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen in de gevallen, zoals aangegeven in de in lid 5 opgenomen tabel.

  • 2. Het is verboden zonder melding aan het college een houtopstand te vellen of te doen vellen in de gevallen, zoals aangegeven in de in lid 5 opgenomen tabel.

  • 3. Het college stelt de criteria voor en het overzicht (kaart) met beschermwaardige bomen vast.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 5. Tabel van vergunningplichtige en meldingsplichtige houtopstanden als bedoeld in het eerste en het tweede lid:

 Omschrijving

Vergunning vereist voor het vellen van een houtopstand

Melding vereist voor het vellen van een houtopstand

Binnen de bebouwde kom

 Houtopstand als opgenomen op het overzicht beschermwaardige bomen, waarbij de bomen een stamomtrek hebben van minimaal 100 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld, behalve de in deze tabel hieronder genoemde uitzonderingen.

 

 

JA

 

Nee

Bomen met een stamomtrek van meer dan 100 centimeter op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld, die niet zijn opgenomen op het overzicht beschermwaardige bomen.

 

Nee

 

JA

 

Buiten de bebouwde kom en niet vallend onder de bescherming van hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming

 Alle beschermwaardige bomen, behalve de in de tabel hieronder genoemde uitzonderingen. 

 JA

 

Nee

Het vellen van een houtwal/ houtsingel of een bosperceel. Ook als deze geen beschermwaardige bomen bevat, behalve de in de tabel hieronder genoemde uitzonderingen.

 

JA

 

Nee

Uitzonderingen buiten de bebouwde kom

 Populieren en/ of wilgen, die als wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden zijn toegepast.

 

Nee

Nee

Vruchtbomen en windschermen om boomgaarden

 

Nee

Nee

Kweekgoed

zoals kerstbomen, coniferen e.a.

 

Nee

Nee

Houtwallen en houtsingels en bospercelen:

 

Afzetten van een houtwal/ houtsingel

Toelichting: Het afzetten van beschermwaardige bomen in een houtwal/ houtsingel is dus wel vergunningplichtig.

 

 

 

Nee

 

 

 

 

 

Nee

 

 

 

Reguliere dunningswerkzaamheden (bestendig beheer) bedoelt als verzorgingsmaatregel ter instandhouding of groei van het betreffende bos of boomgebied.

 

Nee

Nee

Uitzonderingen zowel binnen als buiten de bebouwde kom

Het vellen van een houtopstand op grond van de Plantenziektewet of na een aanschrijving van het college.

 

Nee

Nee

Als er direct gevaar ontstaat voor de veiligheid en de burgemeester toestemming geeft tot direct vellen.

 

Nee

Nee

Houtopstanden die zijn aangeplant vanuit een herplantplicht. Ook als deze bestaat uit bomen met een omtrek van minder dan 100 cm.

 

Ja

Nee

Het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud (bestendig beheer).

Nee

Nee

Artikel 6.15 Toetsingsgronden vergunning
  • 1. Het college kan nadere eisen stellen aan de gegevens en documenten, die de rechthebbende bij een aanvraag van een vergunning tot het kappen van een boom / houtopstand moet indienen.

  • 2. Het college kan in nadere regels toetsingscriteria vaststellen aan de hand waarvan zij beoordeelt of vergunning kan worden verleend

  • 3. Het college kan aan een vergunning voorschriften of beperkingen verbinden, zoals:

    • a.

      het opleggen van een herplantplicht

    • b.

      aanvullende voorwaarden om in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna te beschermen in het kader van de natuurwetgeving.

Artikel 6.16 Herplantplicht
  • 1. Het college kan aan de rechthebbende een verplichting opleggen tot herplant, of tot het betalen van een vergoeding:

    • a.

      als aanvullend voorschrift bij het verlenen van een vergunning;

    • b.

      als een beschermwaardige houtopstand zonder vergunning is geveld.

  • 2. Het college kan aan de rechthebbende:

    • a.

      voorschriften stellen ten aanzien van het aantal, de soort en locatie van de herplant;

    • b.

      voorschriften stellen aan de termijn waarbinnen de herplant moet zijn uitgevoerd en waarbinnen niet aangeslagen beplanting vanuit de herplantplicht moet zijn vervangen;

    • c.

      een verplichting opleggen tot het betalen van een, door het college aan de hand van de boomwaarde te bepalen, vergoeding en deze te laten storten op de rekening van de gemeente, indien herplant in ruimtelijke zin niet mogelijk is of als herplant de waarde van de gevelde houtopstand naar redelijkheid onvoldoende compenseert.

Vergunning en melding

Artikel 6.17 Vervaltermijn vergunning

De vergunning vervalt een jaar na de inwerkingtreding als deze niet of niet volledig is gebruikt.

Artikel 6.18 Verrichten van een melding
  • 1. De rechthebbende moet de melding minimaal 15 werkdagen voor het vellen van het houtopstand indienen via het digitale loket (op de website) van de gemeente Enschede.

Bescherming van bomen en houtopstanden

Artikel 6.19 Bescherming bomen / houtopstanden
  • 1. Het is verboden om houtopstanden die zijn gelegen in de openbare ruimte:

    • a.

      te beschadigen, te bekladden of te beplakken

    • b.

      daaraan snoeiwerk te verrichten, behalve als het gaat om snoeiwerk door of in opdracht van het college.

  • 2. Het aanbrengen of bevestigen van één of meer voorwerpen in, op of aan een houtopstand in de openbare ruimte is verboden, tenzij hiervoor toestemming is verleend door het college.

  • 3. Bij (ernstige) bedreiging van het voortbestaan van een beschermwaardige houtopstand, of boom gelegen in de openbare ruimte, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om deze bedreiging weg te nemen. Het college kan daarbij een termijn opleggen waarbinnen de bedreiging moet zijn weggenomen en maatregelen opleggen over de wijze waarop de bedreiging moet worden weggenomen.

Artikel 6.20 [ gereserveerd ]

Hoofdstuk 7 Activiteiten met betrekking tot markten en standplaatsen

Artikel 7.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 7 gaat over activiteiten die betrekking hebben op het innemen van standplaatsen, het organiseren van markten en openingstijden van winkels.

Artikel 7.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening)

Artikel 7.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 7.4 Algemene regels

Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar standplaatsen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van standplaatsen en ten aanzien van warenmarkten.

Artikel 7.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]

Artikel 7.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

Artikel 7.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 7.8 Omgevingsvergunning [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

het innemen van een marktplaats (7.12) en van een dagplaats op een warenmarkt (7.19)

Artikel 7.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Innemen van een standplaats

Artikel 7.10 Standplaatsen in de openbare ruimte
  • 1. Het is verboden een standplaats in te nemen tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde Nadere regels standplaatsen gemeente Enschede.

  • 2. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar standplaatsen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van standplaatsen.

Algemene warenmarkten

Artikel 7.11 Inrichtingsplan

Burgemeester en wethouders stellen voor elke algemene warenmarkt een inrichtingsplan vast. Dit inrichtingsplan geeft in ieder geval de fysieke grenzen van de warenmarkt aan, welke delen van de warenmarkt bestemd zijn voor welke marktactiviteiten en de dagen en tijdstippen waarop warenmarkten plaatsvinden (‘Brancheringsbesluit’).

Artikel 7.12 Vergunningen voor een marktplaats
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een plaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen of om goederen uit te stallen dan wel te koop aan te bieden op de markt.

  • 2. Een vaste marktplaatsvergunning geldt voor onbepaalde tijd en voor de op de vergunning vermelde locatie.

  • 3. Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag voor een specifieke warenmarkt.

  • 4. Aan een vergunning kunnen burgemeester en wethouders nadere voorschriften en beperkingen verbinden.

  • 5. Op de aanvraag om een vaste marktplaatsvergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.13 Weigeringsgronden vergunning marktplaats

Burgemeester en wethouders kunnen een aanvraag voor een marktplaatsvergunning in ieder geval weigeren indien:

  • 1. het aan te bieden assortiment niet past binnen het brancheringsbesluit van de betreffende warenmarkt.

  • 2. de aanvrager niet is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

  • 3. het bij de aanvrager niet gaat om een natuurlijk persoon.

  • 4. de aanvrager reeds in het bezit is van een geldige marktvergunning voor de betreffende warenmarkt waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

  • 5. de aanvrager een betalingsachterstand heeft in de betaling van het marktgeld.

  • 6. de aanvrager zich in het verleden op de Enschedese warenmarkten schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog.

  • 7. er geen marktplaats kan worden toegewezen wegens ruimtegebrek op de betreffende warenmarkt.

  • 8. er geen marktplaats kan worden toegewezen wegens het ontbreken van een voorziening voor het gebruik van elektriciteit op de betreffende warenmarkt.

Vaste marktplaatsvergunningen

Artikel 7.14 Vrijgekomen marktplaats
  • 1. Indien een marktplaats vrijkomt die werd ingenomen door een houder van een vaste marktplaatsvergunning, kan deze op verzoek door burgemeester en wethouders worden verleend aan de hoogstgeplaatste op de anciënniteitslijst in volgorde van de datum waarop hem voor het eerst een vaste marktplaatsvergunning werd verleend. Indien de plaats bestemd is voor het verhandelen van een specifieke groep artikelen of voor een specifieke branche, zoals aangegeven in het inrichtingsplan van de betreffende markt, komen alleen degenen die handelen in goederen van desbetreffende branche in aanmerking.

  • 2. Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing indien de hoogst geplaatste op de anciënniteitslijst een achterstand heeft bij de betaling van het marktgeld.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de te volgen werkwijze in lid 1 en lid 2 indien sprake is van een zwaarwegend belang voor de betreffende warenmarkt.

  • 4. Op het moment dat aan een vergunninghouder op grond van lid 1 of lid 3 een marktplaats wordt toegewezen, vervalt de eerder verkregen anciënniteit van die vergunninghouder voor een periode van één jaar. Na deze periode verkrijgt de vergunninghouder zijn oorspronkelijke anciënniteit.

Artikel 7.15 Selectiecommissie voor concurrerende aanvragen

Burgemeester en wethouders stellen een selectiecommissie in. Bij concurrerende aanvragen voor de verlening van een vaste marktplaatsvergunningen kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren door deze selectiecommissie.

Artikel 7.16 Overschrijving vaste marktplaatsvergunning
  • 1. Indien de houder van een vaste marktplaatsvergunning is overleden, blijvend arbeidsongeschikt verklaard, onder curatele gesteld of hij heeft zijn bedrijf op de Enschedese markt beëindigd, dan kunnen burgemeester en wethouders zijn vergunning overschrijven op naam van een opvolger.

  • 2. De vergunninghouder of diens wettelijke vertegenwoordiger dient bij Burgemeester en wethouders schriftelijk een verzoek in voor overschrijving van de vergunning. Overschrijving van de vergunning kan alleen plaatsvinden binnen dezelfde branche waarin de vergunninghouder als bedoeld in het voorgaande lid werkzaam was.

  • 3. Bij overschrijving behoudt degene aan wie de vergunning wordt overgeschreven zijn eventueel opgebouwde anciënniteit zoals bedoeld in artikel 7.14 .

  • 4. Overschrijving kan niet plaatsvinden aan een bestaande vergunninghouder op dezelfde warenmarkt waarvoor het verzoek tot overschrijving is gedaan.

  • 5. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden, de blijvende arbeidsongeschiktheidsverklaring, de ondercuratelestelling of de bedrijfsbeëindiging. Indien binnen deze termijn geen aanvraag tot overschrijving wordt ontvangen treedt de procedure conform artikel 7.14 in werking.

  • 6. Overschrijving kan niet plaatsvinden indien degene die het verzoek tot overschrijving doet of degene aan wie de vergunning zou worden overschreven een achterstand heeft in de betaling van de marktgelden.

Artikel 7.17 Intrekking vaste marktplaatsvergunning
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste marktplaatsvergunning intrekken:

    • a.

      op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder;

    • b.

      na ondercuratelestelling of overlijden van de vergunninghouder, tenzij de vergunning wordt overgeschreven met toepassing van artikel 7.16;

    • c.

      indien de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;

    • d.

      bij ziekte van de vergunninghouder of diens vervanger, indien de vergunninghouder of diens vervanger langer dan een periode van 12 maanden zijn marktplaats niet heeft ingenomen. Bij ziekte dient de vergunninghouder dit schriftelijk aan te geven. Indien de vergunninghouder langdurig ziek is dient deze na zes maanden nadat hij heeft aangegeven ziek te zijn, contact op te nemen met de gemeente om de voortgang van het herstel te bespreken.

    • e.

      indien de vergunninghouder of zijn vervanger niet tenminste tienmaal per kwartaal zijn marktplaats inneemt. Bij vakantie dient de vergunninghouder schriftelijk aan te geven dat hij zijn marktplaats tijdelijk niet zal innemen;

    • f.

      indien de houder van deze vergunning gedurende een periode van 2 betaaltermijnen geen marktgeld heeft betaald, ondanks aanmaning daartoe.

    • g.

      indien de verkoopwagen of marktkraam in onvoldoende staat van onderhoud verkeert, waarbij sprake is van onvoldoende beeldkwaliteit ten opzichte van de overige verkoopwagens/marktkramen op de betreffende warenmarkt, of wanneer er sprake is van gevaarzetting.

    • h.

      indien de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die in loondienst is van de vergunninghouder, zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag, bedrog of bij of krachtens deze verordening gestelde bepalingen heeft overtreden.

    • i.

      indien in het geval zoals aangegeven de termijn genoemd in artikel 7.16 lid 5 wordt overschreden.

Artikel 7.18 Persoonlijk innemen marktplaats; vervanging
  • 1. De houder van een vaste marktplaatsvergunning neemt de hem toegewezen marktplaats persoonlijk in of stelt een vervanger aan. De vergunninghouder dient deze vervanger schriftelijk aan te melden bij Burgemeester en wethouders. In geval van vakantie of bijzondere omstandigheden dient de vergunninghouder het verzoek tot vervanging zo spoedig mogelijk in te dienen bij Burgemeester en wethouders.

  • 2. Indien de vergunninghouder of zijn vervanger de marktplaats niet uiterlijk om 08.00 uur van de betreffende marktdag heeft ingenomen, vervalt het recht om de marktplaats in te nemen voor die dag. Dit geldt niet indien de vergunninghouder overmacht kan aantonen. Dit ter beoordeling van de marktmeester.

  • 3. De vergunninghouder neemt de op de vergunning vermelde meters daadwerkelijk in. Een verzoek tot wijziging van het aantal vergunde meters, kan slechts worden ingediend indien een periode van een jaar na toekenning van de marktplaatsvergunning is verstreken.

  • 4. De rechten en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op diens vervanger, dan wel op personen die de vergunninghouder in loondienst heeft.

Dagplaatsen en demonstratieplaatsen

Artikel 7.19 Dagplaatsvergunning
  • 1. Indien een marktplaats bestemd voor de houder van een vaste marktplaatsvergunning om 08.00 uur nog niet door de vergunninghouder is ingenomen, kan daarvoor door de marktmeester een dagplaatsvergunning worden afgegeven.

  • 2. Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een marktplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt, op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vaste marktplaatsvergunning, omdat de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is voorzien in vervanging overeenkomstig artikel 7.18.

  • 3. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen.

Artikel 7.20 Demonstratieplaatsen
  • 1. Voor de invulling van de zogenaamde. “demonstratieplaatsen” stellen Burgemeester en wethouders een aantal plaatsen per markt beschikbaar waar demonstrateurs hun waren kunnen aanprijzen en verkopen.

  • 2. De demonstratieplaats mag een afmeting hebben van ten hoogste negen vierkante meter.

Algemene bepalingen voor vergunninghouders

Artikel 7.21 Diverse verboden en verplichtingen
  • 1. Het is een vergunninghouder verboden meer dan 3 uren voor aanvang en meer dan 2 uren na afloop van de markt ruimte in te nemen of te laten innemen op het marktterrein, met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren.

  • 2. Een vergunninghouder neemt zijn marktplaats in tot sluitingstijd van de markt. Burgemeester en wethouders kunnen in uitzonderlijke gevallen besluiten de sluitingstijd van de markt te wijzigen.

  • 3. Een vergunninghouder laat zijn marktplaats en de directe omgeving daarvan geveegd schoon achter.

Artikel 7.22 Onmiddellijke verwijdering
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder, zijn of haar vervanger of iemand die hem bijstaat gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien deze:

    • a.

      het bij of krachtens deze verordening bepaalde in grove mate overtreedt;

    • b.

      zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog.

Artikel 7.23 Overige sanctiemiddelen

Burgemeester en wethouders kunnen andere dan de hierboven genoemde bestuursrechtelijke sanctiemiddelen hanteren, indien de vergunninghouder voorschriften van de aan hem verstrekte vergunning dan wel voorschriften bij of krachtens deze verordening overtreedt (‘Sanctiestrategie’).

Artikel 7.24 Nadere regels

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen betreffende het bepaalde in dit hoofdstuk (‘Nadere regels met betrekking tot warenmarkten’).

Hoofdstuk 8 Activiteiten met betrekking tot havens en ligplaatsen

Artikel 8.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 8.1 is van toepassing op de havens en het gemeentelijk vaarwater van de gemeente Enschede, die op een kaart (bijlage 8.1) als zodanig zijn aangewezen.

Artikel 8.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening >

Artikel 8.3 Specifieke zorgplicht
  • 1. Een ieder die met zijn vaartuig in de havens of op het gemeentelijk vaarwater verblijft, is verplicht het aan boord van zijn vaartuig aanwezige huisvuil te deponeren in de daarvoor bestemde door of vanwege de gemeente geplaatste containers.

  • 2. De ligplaatshouder, dan wel de schipper, is verplicht:

    • a.

      zodanige maatregelen te nemen dat het te water geraken van (vloei)stoffen en voorwerpen, die tot nadelige gevolgen voor het milieu kunnen leiden, wordt voorkomen;

    • b.

      onmiddellijk na het te water geraken van de in sub a genoemde (vloei)stoffen en voorwerpen, daarvan mede kennis te geven aan de havenmeester en er zorg voor te dragen, dat deze vloeistoffen en voorwerpen onmiddellijk, of binnen de door de havenmeester te bepalen tijd, uit het water worden verwijderd.

  • 3. Degene aan wie een vergunning is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft.

Artikel 8.4 Algemene regels
  • 1. Het college kan nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over:

    • a.

      de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen;

    • b.

      de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, moet plaatsvinden;

    • c.

      de wijze waarop een aanvraag van een vergunning moet plaatsvinden;

    • d.

      de voorwaarden waaronder schepen zich in een door het college aangewezen gebied mogen bevinden, die betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen;

    • e.

      de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 8.12 en 8.24;

    • f.

      de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats.

  • 2. Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen.

  • 3. Het college kan een ligplaatsenoverzicht vaststellen, dat in elk geval bevat een kaart van de haven met daarop aangegeven:

    • a.

      de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen;

    • b.

      indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor bepaalde categorieën schepen;

    • c.

      indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor ligplaatsvergunninghouders.

  • 4. Het college kan stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken aanwijzen waarvoor nader bepaalde aanvullende risicobeheersende maatregelen getroffen dienen te worden.

Artikel 8.5 Beoordelingsregels activiteit

Het college kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als:

  • a.

    dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is;

  • b.

    de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • c.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening daarvan, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist;

  • d.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • e.

    hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • f.

    de houder dit verzoekt.

Artikel 8.6 Meldingsplicht

Voor het verrichten van de volgende activiteiten of gebeurtenissen is een melding vereist:

  • het plaatsen van een steiger, meerpaal of ander voorwerp in gemeentelijk vaarwater (8.16 lid 2),

  • het gebruik maken van een anker e.d. (8.25 lid 4)

  • bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving

  • indien een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt,

De meldingen vinden plaats bij de havenmeester per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail..

Artikel 8.7 Maatwerkvoorschriften
  • 1. Het college kan stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken aanwijzen waarvoor nader bepaalde aanvullende risico beheersende maatregelen getroffen dienen te worden.

  • 2. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    • a.

      de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan;

    • b.

      geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen;

    • c.

      de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen;

    • d.

      de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;

    • e.

      het meedelen van het tarief van de kosten die in rekening worden gebracht aan schepen die scheepsafvalstoffen afgeven;

    • f.

      melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent;

    • g.

      de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent, of;

    • h.

      het afleveren van de ontvangen stoffen.

Artikel 8.8 Omgevingsvergunning
  • 1. Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een (omgevings)vergunning vereist:

    • het innemen van een ligplaats (8.11),

    • het langer dan 7 x 24 uur achtereen met een schip verblijven in de haven (8.12)

    • het plaatsen van constructies in gemeentelijk vaarwater (8.16 lid 3),

    • het gebruiken van verkeersobjecten in gemeentelijk vaarwater (8.18),

    • het gebruiken van een generator door een binnenschip in de haven (8.19)

    • het zwemmen of duiken in gemeentelijk vaarwater (8.22),

    • het (laten of hebben) liggen van voorwerpen in gemeentelijk vaarwater (8.23),

    • het gebruiken van voorstuwers (8.24)

    • het gebruik van een anker e.d. (8.25),

    • het laden en lossen van een ondeugdelijk afgemeerd schip (8.26),

    • het zich voortbewegen op een zeilplank, jetski e.d. in gemeentelijk vaarwater (8.28),

    • het in werking hebben van de hoofdmotor van een afgemeerd schip (8.29),

    • het verrichten van werkzaamheden i.v.m. de bedrijfsgereedheid of herstel van een schip (8.31)

    • het ontsmetten van een schip of lading met gassen en stoffen (8.32),

    • het laten ontsnappen van hinder veroorzakende stoffen (8.35)

    • het in ontvangst nemen van afvalstoffen van een zeeschip (8.37)

    • het niet binnen 24 uren na beëindiging van werkzaamheden reinigen van de kaden e.d. (8.39).

  • 2. Tenzij bij of op grond van dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt een vergunning verleend voor de duur van 1 jaar.

  • 3. Een vergunning voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, op voorwaarde dat de vergunning voor maximaal zes maanden wordt verleend.

  • 4. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning op basis van dit hoofdstuk binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 5. Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 8 weken verlengen.

Artikel 8.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Artikel 8.10 Normadressaat

1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van deze verordening.

2. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van deze verordening.

Innemen van een ligplaats

Artikel 8.11 Innemen van een ligplaats
  • 1. Het is verboden zich met een schip te bevinden op een plaats die:

    • a.

      daartoe niet is bestemd;

    • b.

      is bestemd voor schepen van een andere categorie,

    • c.

      is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders.

  • 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als dit gebeurt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein.

  • 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders.

Algemene bepalingen

Artikel 8.12 Verblijfsduur in de haven
  • 1. Het is verboden met een schip langer dan 7 x 24 uur achtereen te verblijven in het havengebied.

  • 2. Als een schip terugkeert in de haven zonder dat er sprake is geweest van bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, wordt de looptijd of overschrijding van de periode, bedoeld in het eerste lid, geacht niet te zijn onderbroken of beëindigd.

  • 3. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.13 Aanwijzingen
  • 1. Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden onder de door het college nader te bepalen voorwaarden.

  • 2. Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.

  • 3. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is verplicht de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.

Artikel 8.14 Aanwijzing van een havenmeester

Het college van Enschede wijst een havenmeester aan.

Ordening in en gebruik van de havens en gemeentelijk vaarwater

Artikel 8.15 Overlast aan vaartuigen

Tenzij bij of op grond van deze verordening anders bepaald is het anderen dan de eigenaar of schipper van een schip niet toegestaan, zonder goedkeuring van de eigenaar of schipper dat schip vast te houden, zich daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken.

Artikel 8.16 Voorwerpen in, op en boven gemeentelijk vaarwater
  • 1. Het is verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen.

  • 3. Het college kan van het in het eerste lid vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.17 Bereikbaarheid van afgemeerde vaartuigen
  • 1. Een afgemeerd schip beschikt over een toegang die geen gevaar of schade aan personen kan opleveren.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor schepen indien:

    • a.

      tijdens laad- en/of loshandelingen een veilige toegang niet gegarandeerd kan worden; of

    • b.

      het afmeren slechts van korte duur is.

Artikel 8.18 Gebruik van (verkeers)objecten en verkeerstekens
  • 1. Voor zover hierin niet door het Binnenvaartpolitiereglement wordt voorzien, is het verboden, meerboeien en tonnen in gemeentelijk vaarwater, alsmede tekens, lantaarnpalen, bomen, beschoeiingen, railingen, werken, kadeterreinen, loswallen, taluds, oevers, steigers, trappen, bruggen, sluizen en daarmee vergelijkbare kunstwerken, meergelegenheden, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven, los- en laadplaatsen, bouwwerken of daarmee vergelijkbare objecten op of langs de openbare weg voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor deze zijn bestemd.

  • 2. Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen.

  • 3. Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.19 Gebruik van generatoren door binnenschepen
  • 1. Het is verboden om aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken.

  • 2. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.20 Maximumvaarsnelheid

Het college kan een maximumvaarsnelheid in stellen onder de door het college nadere te bepalen voorwaarden.

Artikel 8.21 Breken van ijs

Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wil innemen of verlaten, of een aanwijzing van het college daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken.

Artikel 8 .22 Verbod tot baden en duiken
  • 1. Het verboden om in de havens en het gemeentelijk vaarwater of op een andere dan een bij openbare kennisgeving door het college aangegeven openbare zwemplaats te baden of te zwemmen of duikwerkzaamheden uit te voeren.

  • 2. Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.23 Onbeheerd drijvende vaartuigen en drijvende voorwerpen
  • 1. Het college is bevoegd onbeheerd drijvende vaartuigen die in de havens of het gemeentelijk vaarwater worden aangetroffen, te meren, te verhalen en in bewaring te nemen voor rekening en risico van de rechthebbende(n) van het vaartuig.

  • 2. Het is verboden om houtvlotten, balken, bomen, planken, visbunnen of daarmee vergelijkbare voorwerpen in de havens en het gemeentelijk vaarwater te deponeren.

  • 3. Het college kan in afwijking van het verbod in het tweede lid vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Gebruik van voorstuwers, ankers

Artikel 8.24 Gebruik van voorstuwers
  • 1. Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip:

    • a.

      aan de grond zit;

    • b.

      is afgemeerd, ten anker of op spudpalen ligt, of

    • c.

      ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren.

  • 2. Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien om schade te voorkomen.

  • 4. Het college kan in afwijking van het eerste lid vergunning verlenen.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.25 Gebruik van ankers
  • 1. Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij:

    • a.

      ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats, of

    • b.

      dit gebeurt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld.

  • 2. De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail.

  • 3. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.26 Deugdelijk afmeren
  • 1. Het is verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd.

  • 2. Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden.

  • 3. Het college kan in afwijking van het in dit artikel bepaalde vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.27 Hond aan boord

Ligplaatshouders die (een) hond(en) aan boord van hun vaartuig hebben, zijn, indien ambtenaren die belast zijn met de zorg voor de nakoming van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften dit verlangen, verplicht om deze hond(en) bij het betreden van het vaartuig door die ambtenaren en gedurende hun verblijf aan boord vast te leggen en vastgelegd te houden.

Artikel 8.28 Zeilplanken e.d.
  • 1. Het is een ieder verboden om zich in de havens en het gemeentelijk vaarwater met een zeilplank, een jetski, hovercraft, waterscooter of daarmee vergelijkbaar vaartuig dan wel zich met waterski’s of daarmee vergelijkbare voorwerpen voort te bewegen.

  • 2. Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen.

  • 3. Het college kan nadere voorschriften en beperkingen verbinden aan de ontheffing bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.29 Verbod gebruik hoofdmotor
  • 1. Het is verboden in de haven op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, met uitzondering van direct voor vertrek van het schip.

  • 2. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.30 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe in de omgeving van de havens en het gemeentelijk vaarwater aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Werkzaamheden aan schepen en ontsmetten

Artikel 8.31 Werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij:

    • a.

      het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, of

    • b.

      per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en:

  • I . als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden;

  • II. dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, en

  • III. de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal.

  • 2. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.32 Ontsmetten van schepen
  • 1. Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met los gestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de Wet gewasbescherming en biociden, en voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen.

  • 3. Het college kan in afwijking van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden vergunning verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Bunkeren

Artikel 8.33 Bunkeren
  • 1. Het is verboden om een binnenschip te bunkeren, tenzij:

    • a.

      de daarbij betrokken schepen beschikken over een bunkercontrolelijst die volledig, positief en naar waarheid is ingevuld;

    • b.

      deze bunkerlijst is ondertekend door de voor het bunkeren verantwoordelijke personen;

    • c.

      tijdens het bunkeren het daarover in de bunkercontrolelijst gestelde wordt nageleefd.

  • 2. De bunkercontrolelijst wordt tijdens en tot vierentwintig uur na het einde van de bunkering aan boord van de daarbij betrokken schepen gehouden.

  • 3. Als meer dan één bunkerlichter betrokken is bij de aanlevering van een partij bunkerolie vult iedere bunkerlichter voor zich een afzonderlijke bunkercontrolelijst in, die wordt ondertekend door bij de bunkering betrokken partijen.

Artikel 8.34 Stuwadoorsmaterieel en garneren van goederen
  • 1. Het is verboden om zonder toestemming van de havenmeester na afloop van de laad- en loswerkzaamheden stuwadoorsmaterieel op of bij gemeentelijke werken en wegen achter te laten.

  • 2. Het is verboden om goederen, die met vorkhefwagens moeten worden verwerkt, op of bij gemeentelijke werken en wegen anders op te slaan dan met gebruikmaking van houten onderliggers van voldoende dikte om bij het onderschuiven van de vork beschadiging aan het oppervlak van de gemeentelijke werken en wegen te voorkomen.

Veiligheid en milieu

Artikel 8.35 Milieuschade en hinder veroorzakende stoffen
  • 1. Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.

  • 2. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

Artikel 8.36 Gebruik afvalverbrandingsoven

Het is verboden aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben.

Artikel 8. 37 Vergunning ontvangstvoorzieningen
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen die rechtstreeks afkomstig zijn van schepen die de haven aandoen in ontvangst te nemen.

  • 2. Onverminderd artikel 8.7 lid 2 kan het college voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    • a.

      de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan;

    • b.

      geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen;

    • c.

      de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen;

    • d.

      de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;

    • e.

      melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent;

    • f.

      de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent, of;

    • g.

      het afleveren van de ontvangen stoffen.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 8.38 Verplaatsen van schepen
  • 1. Het college kan een exploitant of schipper schriftelijk opdragen een schip te verplaatsen of te laten verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is.

  • 2. Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verplaatsen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verplaatsen.

  • 3. In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verplaatsen.

Artikel 8.39 Reinigen van openbare kaden, terreinen en wegen
  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente zijn de gebruikers van de gemeentelijke werken en wegen, verplicht er op toe te zien dat, indien ten gevolge van door hen of op hun last verrichte werkzaamheden, waaronder transporten mede zijn begrepen, restanten lading, emballage, garnering, vuilnis, puin, gruis, kalk, sintels, kolen, aarde, olieproducten of afvallen daarvan, smeer of daarmee vergelijkbare (vloei)stoffen op de gemeentelijke werken en wegen na afloop van de werkzaamheden achterblijven, behoorlijk, zulks ter beoordeling van de havenmeester, te reinigen binnen 24 uren na beëindiging van de werkzaamheden, en indien die werkzaamheden langer dan een dag duren, ten minste één (1) maal per etmaal.

  • 2. Indien de gebruikers aan de in het vorige bedoelde verplichting niet of niet tijdig voldoen, kan het college besluiten de schoonmaakwerkzaamheden op kosten van degenen, die het reinigen hebben nagelaten, te laten verrichten.

  • 3. Het college kan in afwijking van de in het eerste lid opgenomen verplichting vergunning verlenen.

Plezier- en zeilvaart in de haven

Artikel 8.40 Plezier- en zeilvaart in de haven
  • 1. Het is verboden zich met een pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, tenzij:

    • a.

      het schip ligplaats heeft genomen in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen of met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein, of

    • b.

      het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar een in de haven gelegen ligplaats waar het in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen of met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein ligplaats zal nemen.

  • 2. Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Handhaving en toezicht

Artikel 8.41 Toezicht
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of op grond van deze verordening bepaalde is belast de havenmeester.

  • 2. Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 8.42 Binnentreden woning op vaartuig

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of op grond van deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Overgangsrecht

Artikel 8.43 Overgangsrecht
  • 1. Op aanvragen om een vergunning of ontheffing die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn gedaan en waarop door het college op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden de desbetreffende bepalingen van deze verordening toegepast.

  • 2. De intrekking van de "Havenverordening Enschede 2018" heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover deze besluiten niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Hoofdstuk 9 Activiteiten met betrekking tot het maken van geluid

Artikel 9.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 9 gaat over activiteiten die betrekking hebben op het veroorzaken van geluidsoverlast.

Artikel 9.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening>

Artikel 9.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 9.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 9.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]

Artikel 9.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

Artikel 9.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 9.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

het veroorzaken van geluid op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt (9.13).

Artikel 9.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Geluidhinder bij collectieve en incidentele festiviteiten

Artikel 9.10 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Besluit) [ en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ] en artikel 9.12 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende (stads)delen noord, zuid, centrum, oost en west exclusief het gebied buiten de bebouwde kom.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door activiteiten, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut.

  • 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 9.12 van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Dit tijdstip is met één uur verlengd indien de dag volgend op de festiviteit een zaterdag of zondag betreft dan wel de volgende dag:

    • a.

      valt binnen de basisschoolvakanties;

    • b.

      Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag of Tweede Pinksterdag is.

Artikel 9.11 Kennisgeving incidentele festiviteiten
  • 1. Het is degene die een activiteit verricht waarbij geluid wordt gemaakt toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit [ en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ] en artikel 9.10 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  • 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut.

  • 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 9.12 van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Dit tijdstip is met één uur verlengd indien de dag volgend op de festiviteit een zaterdag of zondag betreft dan wel de volgende dag:

    • a.

      valt binnen de basisschoolvakanties;

    • b.

      Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag of Tweede Pinksterdag is.

Onversterkte muziek

Artikel 9.12 Onversterkte muziek
  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen [ na inwerkingtreding van de Omgevingswet: Besluit kwaliteit leefomgeving of overige op de Omgevingswet gebaseerde regelgeving ] is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    • e.

      Tabel

 

7.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 7.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

  • 2. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

  • 3. Het eerste lid geldt niet indien artikel 9.10 of artikel 9.11 van deze verordening van toepassing is.

Overige geluidhinder

Artikel 9.13 Overige geluidhinder
  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer toestellen of geluidsapparaten [ en na inwerkingtreding ervan: bij een activiteit als bedoeld in de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ] in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan in afwijking van het verbod vergunning verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening [na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ].

  • 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 9.14 [ gereserveerd]

Hoofdstuk 10 Activiteiten met betrekking tot inzamelen en verbranden van afvalstoffen

Artikel 10.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 10 gaat over activiteiten die betrekking hebben op de inzameling en verbranding van afvalstoffen en beat regels die zijn gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In bijlage 10.1.is in het kader van dit hoofdstuk de begrenzing van de Binnenstad aangegeven.

Artikel 10.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in deze Afdeling zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening >

Artikel 10.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 10.4 Algemene regels

Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van flora & fauna nadere regels vaststellen:

  • a.

    voor het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting in de zin van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer [en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet : als activiteit in de zin van de Omgevingswet] of anderszins vuur aanleggen of stoken ;

  • b.

    over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen ;

  • c.

    voor categorieën van ter inzameling aanbieden of achterlaten van bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.16;

  • d.

    voor categorieën van percelen m.b.t. de wijze en plaats van aanbieding van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.18;

  • e.

    voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 10.21.

Artikel 10.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]

Artikel 10.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

het branden van een paasvuur als bedoeld in artikel 6 in bijlage 10.10 (Nadere regels verbranden afval en stoken van vuur)

Artikel 10.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 10.8 Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

het in afwijking van de algemene regels verbranden van afvalstoffen en het stoken van een vuur (10.10 lid 5) en het buiten een daartoe bestemde voorziening storten van afvalstoffen (10.22).

Artikel 10.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Verbranden van afvalstoffen en stoken

Artikel 10.10 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1. Het is verboden afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer [ en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ] of anderszins in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken, in stand te houden of te hebben.

  • 2. Het verbod als bedoeld in lid 1 geldt niet indien sprake is van:

    • verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven (indien geen afvalstoffen worden verbrand);

    • vuur voor koken, bakken en braden en geen gevaar, overlast of hinder wordt veroorzaakt voor de omgeving.

  • 3. Het verbod als bedoeld in lid 1 geldt niet indien wordt voldaan aan de door het college vastgestelde Nadere regels als bedoeld in lid 4.

  • 4. Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van flora & fauna nadere regels vaststellen voor het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting in de zin van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer [ en na inwerkingtreding ervan de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten] of anderszins vuur aanleggen of stoken.

  • 5. Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid en van de nadere regels als bedoeld in het vierde lid vergunning verlenen.

  • 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  • 7. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 10.11 Aanwijzing van de inzameldienst
  • 1.

    Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

  • 2.

    Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) is niet van toepassing.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen (‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Enschede’)

Artikel 10.12 Regulering van andere inzamelaars
  • 1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar:

    • a.

      daartoe is aangewezen door het college;

    • b.

      bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of

    • c.

      verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer [en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten].

  • 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 10.11, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.13 Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Artikel 10.14 Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:

  • ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 10.11, eerste lid;

  • over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 10.12, eerste lid; of

  • achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13.

Artikel 10.15 Afvalscheiding
  • 1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

  • 2. In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:

    • a.

      groente-, fruit- en tuinafval;

    • b.

      papier en karton;

    • c.

      glas;

    • d.

      textiel;

    • e.

      verpakkingen van plastic, metaal of drankenkartons;

    • f.

      elektrische of elektronische apparatuur;

    • g.

      klein chemisch afval.

  • 3. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten.

Artikel 10.16 Gescheiden aanbieding
  • 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 10.15, anders dan afzonderlijk:

    • ter inzameling aan te bieden;

    • achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13

  • 2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10.17 Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 10.18 Wijze en plaats van aanbieding
  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over:

    • a.

      het gebruik van inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

    • b.

      het gebruik van inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel;

    • c.

      het aanbieden van afvalstoffen bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13.

  • 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 10.17 , buiten een perceel te laten staan.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Bedrijfsafvalstoffen

Artikel 10.19 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 10.11 in gevallen waarin de voor deze inzameling bij of krachtens de vastgestelde en geldende verordening regelende de heffing en invordering van reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan.

Artikel 10.20 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 10.19 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13 achter te laten.

Artikel 10.21 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
  • 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 10.19 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst (‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Enschede’). Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

Zwerfafval en overige

Artikel 10.22 Dumpingsverbod
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;

    • b.

      het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

    • c.

      het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • d.

      handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit [ en na inwerking er: van de Omgevingswet of daarop gebaseerde besluiten] .

  • 4. Indien de in strijd met dit artikel aangetroffen stof of stoffen worden herleid tot één persoon of meer personen, worden zij aangemerkt als overtreder(s), waarop artikel 10.28 van toepassing is.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 10.23 Zwerfafval in de openbare ruimte
  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

  • 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

  • 3. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.

Artikel 10.24 Zwerfafval rondom inrichtingen [na i.w.t. Omgevingswet: bij het verrichten van activiteiten]
  • 1. Degene die een inrichting drijft [ na i.w.t. Omgevingswet: die een activiteit verricht ] waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

  • 2. Degene die de inrichting drijft [na i.w.t. Omgevingswet: die een activiteit verricht als bedoeld in lid 1 ] verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.

  • 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer [ na het in werking treden Omgevingswet: Besluit activiteiten leefomgeving ].

Artikel 10.25 Afval en verontreiniging op de weg
  • 1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

  • 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 10.26 Geen opslag van afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer [ na inwerkingtreding Omgevingswet: als activiteit als bedoeld in de Omgevingswet ] op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 10.11 tot en met 10.18 van deze verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 10.27 Ontdoen van autowrakken

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken [ na i.w.t. Omgevingswet: als activiteit in de zin van de Omgevingswet c.q. Besluit activiteiten leefomgeving ].

Overgangsrecht

Artikel 10.28 Overgangsrecht
  • 1. Vergunningen en ontheffingen welke zijn verleend op grond van bepalingen overeenkomstig de ingetrokken Afvalstoffenverordening 2017 blijven - indien en voor zover het gebod of het verbod waarop de vergunning betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening – van kracht totdat deze zijn vervallen of ingetrokken.

  • 2. Voorschriften en beperkingen opgelegd op grond van bepalingen overeenkomstig de ingetrokken Afvalstoffenverordening 2017 blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge die voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening – van kracht totdat deze zijn vervallen of ingetrokken.

  • 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning op grond van de Afvalstoffenverordening 2017 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.

  • 4. Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid, en voorschriften en beperkingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen in de zin van deze verordening te zijn.

  • 5. In afwijking op het eerste lid, blijft een vergunning of ontheffing van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.

Hoofdstuk 11 Activiteiten m.b.t. de bodem

Artikel 11.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 11 gaat over activiteiten die betrekking hebben op de bodem ……

Artikel 11.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening >

Artikel 11.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 11.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 11.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]

Artikel 11.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

Artikel 11.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 11.8 Omgevingsvergunning [gereserveerd]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

Artikel 11.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Artikel 11.10

Gelet op de lopende discussie, mede in de raadscommissie Omgevingsbeleid, over een nieuwe visie op de bodem en ondergrond (Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur) wordt dit hoofdstuk voor activiteiten m.b.t. de bodem gereserveerd.

Hoofdstuk 12 Overige (milieubelastende) activiteiten

Artikel 12.1 Activiteiten

Dit hoofdstuk 12 gaat over activiteiten die betrekking hebben op het kamperen buiten aangewezen kampeerterreinen, ontsteken van vuurwerk en carbidschieten.

Artikel 12.2 Oogmerken [ gereserveerd ]

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening >

Artikel 12.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ]

Artikel 12.4 Algemene regels [ gereserveerd ]

Artikel 12.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]

Artikel 12.6 Meldingsplicht

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist:

het in overeenstemming met de algemene regels kamperen voor recreatief (nacht) verblijf buiten een kampeerterrein (12.10 lid 6).

Artikel 12.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]

Artikel 12.8 Omgevingsvergunning [ gereserveerd ]

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

  • het in afwijking van de algemene regels kamperen voor recreatief (nacht) verblijf buiten een kampeerterrein (12.10 lid 5),

  • het in afwijking van de regels bezigen van consumentenvuurwerk (12.11) en

  • het in afwijking van de regels schieten met carbid (12.16).

Artikel 12.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ]

Kamperen buiten aangewezen kampeerterreinen

Artikel 12.10 Kamperen
  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief (nacht)verblijf één of meer kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een regulier kampeerterrein.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het verbod geldt niet voor kamperen dat een directe relatie heeft met evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemeen Plaatselijke Verordening.

  • 4. Het verbod geldt niet voor het kamperen door een groep, uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve, sportieve of wetenschappelijke aard en mits aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      De landschaps- en natuurwaarden niet worden aangetast door het kamperen;

    • b.

      Het kamperen veilig gebeurt, voor zowel personen als goederen;

    • c.

      Het kamperen zedelijk en hygiënisch gebeurt;

    • d.

      Het kamperen geen overlast veroorzaakt voor de directe omgeving;

    • e.

      Er niet wordt gekampeerd in een gebied dat valt onder Natuur Netwerk Nederland;

    • f.

      Er voorafgaand aan het kamperen een melding wordt gedaan op de wijze als aangegeven in lid 6;

    • g.

      Er wordt gekampeerd met maximaal 150 personen.

  • 6. Het college kan een vergunning verlenen in afwijking van het verbod in het eerste lid.

  • 7. De melding dient tenminste 5 werkdagen voordat er daadwerkelijk wordt gekampeerd via info@brandweertwente.nl, postbus20@enschede.nl of via Postbus 20, 7500 AA Enschede te worden ingediend.

  • 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Vuurwerk

Artikel 12.11 Bezigen van vuurwerk
  • 1. Het is verboden consumentvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

  • 4. Het college kan vergunning verlenen in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Carbid schieten

Artikel 12.12 Verbod carbidschieten

Carbidschieten in de openlucht is verboden.

Artikel 12.13 Vrijstelling verbod
  • 1. Het verbod gesteld in het vorige artikel geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur, mits:

    • a.

      daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 1 liter;

    • b.

      daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt het verbod gesteld in artikel 12.12 eveneens niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur buiten de bebouwde kom, mits:

    • a.

      daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 50 liter;

    • b.

      daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving;

    • c.

      degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten;

    • d.

      de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen:

  • op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing;

  • op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg;

  • op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;

  • op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied.

  • e. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen;

  • f. het vrije schootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen;

  • g. er geen bus deksels of andere gevaar zettende voorwerpen worden weggeschoten;

  • h. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt;

  • i. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal;

  • j. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbid-schieten aanwezig worden gehouden;

  • k. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen;

  • l. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;

  • m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;

  • n. het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.

Artikel 12.14 Bij zich hebben van carbid
  • 1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

Artikel 12.15 Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling

Het gestelde in artikel 12.13 is niet van toepassing op door het bevoegde bestuursorgaan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming aangewezen gedeelten van de gemeente of plaatsen.

Artikel 12.16 Vergunning in afwijking van het verbod
  • 1. Het college kan in afwijking van het in het artikel 12.12 gestelde verbod een vergunning verlenen.

  • 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 13 Overgangsrecht algemeen

Artikel 13.1 Overgangsrecht

De op basis van de

  • Marktverordening,

  • Algemene Plaatselijke Verordening,

  • Afvalstoffenverordening,

  • Havenverordening,

  • Monumentenverordening

verleende vergunningen en ontheffingen gelden als vergunningen, ontheffingen en toestemmingen krachtens deze Verordening kwaliteit leefomgeving.

Hoofdstuk 14 Strafbaarstelling en slotbepalingen

Artikel 14.1 Strafbepaling

  • Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 2.4, 3.4, 4.4, 5.4, 6.4, 7.4, 8.4, 9.4, 10.4, 11.4 en 12.4, 3.7, 4.7, 5.7, 6.7, 7.7, 8.7, 9.7, 10.7, 11.7 en 12.7 gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • Overtreding van het bij of krachtens deze verordening kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens:

  • de artikelen 4.10 (objecten op de openbare weg) als sprake is van een omgevingsvergunning verplichte activiteit,

  • artikel 6.14 (kapverbod) en

  • de artikelen 10.12 (afvalinzamelaars), 10.14 (algemene verboden afval), 10.16 tot en met 10.18 (aanbieden van afvalstoffen) en 10.20 tot en met 10.27 (bedrijfsafvalstoffen en zwerfafval) .

Artikel 14.2 Bestuurlijke boete
  • 1. Overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete:

  • 3.10, 3.12 tot en met 3.22, 3.23, 3.24,

  • 4.10, 4.11, 4.12, 4.14, 4.15,

  • 6.10 tot en met 6.19

  • 7.10,

  • 9.10 tot en met 9.13,

  • 10.10, 10.12, 10.14, 10.16 tot en met 10.18 en 10.20 tot en met 10.27

  • 12.10 tot en met 12.16.

  • 2. Bij overtreding door een natuurlijke persoon van de artikelen als genoemd in lid 1, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het desbetreffende artikel(lid) (zie bijlage 14.2).

  • 3. Bij overtreding door een rechtspersoon van de artikelen als genoemd in lid 1, wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor een natuurlijke persoon vermenigvuldigd met de factor vijf.

  • 4. Indien het boetebedrag bedoeld in het derde lid, hoger is dan het wettelijk maximum boetebedrag bedoeld in artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet, geldt het wettelijk maximum boetebedrag.

Artikel 14.3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2021 onder gelijktijdige intrekking van:

  • a.

    de Marktverordening 2016

  • b.

    de Monumentenverordening 2010

  • c.

    de Havenverordening 2021

  • d.

    de Afvalstoffenverordening 2017

  • e.

    de navolgende artikelen van de Algemene Plaatselijke Verordening 2009:

artikelen 2.10, 2.11 tot met 2.12.2, 2.28, 2.53, 2.57, 2.58, 2.60 en 2.61, 2.71 tot en met 2.73, 2.78 tot en met 2.83, 4.1 tot en met 4.6b, 4.9, 4.10 tot en met 4.11.6, 4.13, 4.15 en 4.16, 4.17 en 4.18, 5.1 tot en met 5.12, 5.18, 5.32, 5.33 en 5.34.

Artikel 14.4 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening kwaliteit leefomgeving 2021.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van Enschede op 1 februari 2021,

de griffier, de voorzitter,

R.M. Jongedijk drs. H.J. Meijer

Bijlage 1.2 Begrippenlijst als bedoeld in artikel 1.2

Algemeen

College het college van burgemeester en wethouders van Enschede

  • openbare weg hetgeen daaronder verstaan wordt in de Wegenwet, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort

Uitweg de uitweg als bedoeld in artikel 14, lid 3 onder III Wegenwet, te weten iedere rechtstreekse ontsluitingsmogelijkheid van een perceel naar de openbare weg, waaronder worden verstaan de begrippen inrit en uitrit

Houder inrichting degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft [ na inwerkingtreding Omgevingswet: diegene die de activiteit verricht ]

Geografisch informatieobject een object dat in een informatiesysteem waarin (ruimtelijke) gegevens of informatie over geografische objecten, ook wel geo-informatie genoemd, kan worden bekeken ('viewen'), opgeslagen, beheerd, bewerkt ('editen'), geanalyseerd, verrijkt, geïntegreerd en gepresenteerd

Kappen, vellen en snoeien

Boom een houtachtig, overblijvend gewas met een omtrek van de stam van minimaal 15 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. In het geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam

Houtopstand één of meer bomen, hakhout, houtwal of houtsingel

Hakhout één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen

Houtwal/houtsingel Lijnvormige begroeiing hoofdzakelijk bestaande uit inheemse struiken en boomvormers, die een afscheiding in het landschap vormt;

Bosperceel houtopstand die een zelfstandige eenheid vormt en een oppervlak heeft van 10 are (1000 m²) of minder. Het gaat hierbij om bospercelen die niet vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming.

Beschermwaardige boom Binnen de bebouwde kom: een boom als opgenomen op het overzicht beschermwaardige bomen, met een stamomtrek van minimaal 100 centimeter op 130 centimeter hoogt boven het maaiveld.

Buiten de bebouwde kom: alle bomen met een stamomtrek van minimaal 100 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld

Beschermwaardige houtopstand Houtopstand waarvoor het aanvragen van een vergunning verplicht is

Beschermwaardig boomgebied Gebied dat aangegeven is op het overzicht beschermwaardige bomen, waarbinnen het voor alle houtopstanden, waarbij de bomen een stamomtrek hebben van minimaal 100 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld, verplicht is een vergunning aan te vragen

Meldingsplichtige houtopstand Houtopstand waarvoor geen vergunning nodig is, maar waarvoor wel een melding moet worden gedaan

Rooien het verwijderen van een houtopstand, boom of bomen inclusief het wortelgestel

Vellen rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand, boom of bomen tot gevolg kunnen hebben

Kappen rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een boom tot gevolg kunnen hebben

Dunnen kappen als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van een houtopstand

Afzetten afzagen tot op de stronk waarna de houtopstand opnieuw uitloopt

Kandelaberen/knotten het inkorten van de hoofdtakken, waardoor een stam met takstompen ontstaat.

Her(be)planten door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand

Boomwaarde de boomwaarde wordt bepaald door toepassing van de Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (Rekenmodel N.V.T.B.).

Bebouwde kom bij kappen e.d. de bebouwde kom van de gemeente, als bedoeld in artikel 4.1, onder a van de Wet natuurbescherming

Geluid

Collectieve festiviteit festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal activiteiten is verbonden

Incidentele festiviteit festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal activiteiten

Geluidsgevoelig gebouw woningen en gebouwen die worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende activiteit

Geluidsgevoelig terrein terreinen die moeten worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende activiteit

Markten en standplaatsen

Dag marktplaats de tijdelijke marktplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld omdat deze niet als vaste marktplaats is toegewezen of ingenomen

Vaste marktplaats de marktplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder

Markt de algemene warenmarkt die plaatsvindt op een door het college vastgestelde dag, plaats en tijd.

Demonstrateur (markt)ondernemer die uitsluitend één product ter verkoop aanbiedt op een markt door een aansprekende uiteenzetting over de werking van het product.

Anciënniteitslijst overzicht van de houders van een vaste marktplaatsvergunning met vermelding van de datum waarop hen voor het eerst een vaste marktplaatsvergunning werd verleend voor die betreffende markt. Op deze lijst wordt tevens vermeld welke artikelen voornoemde vaste marktplaatshouders verhandelen, voor welke markt anciënniteit wordt opgebouwd en de branche waartoe zij behoren.

Branchegerelateerde producten producten uitsluitend gerelateerd aan de hoofdgroep en subgroep van het brancheringsbesluit waarvoor een marktvergunning is verkregen.

Standplaats vanaf een vaste locatie te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel

Havens en gemeentelijk vaarwater

Binnenvaartschip schip, niet zijnde een zeeschip.

Bunkercontrolelijst bunkercontrolelijst waarin uitsluitend de onderdelen zijn overgenomen zoals die staan in de Bunkering Safety Checklist van de International Safety Guide for Oil Tankers and Terminals (ISGOTT).

Bunkeren overslag van brandstofolie of smeerolie van een tankschip naar een binnenschip.

Exploitant eigenaar, beheerder of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip.

Gevaarlijke stoffen stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code), de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) en het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN), met uitzondering van eetbare oliën.

Haven wateren die in het beheer zijn van de gemeente en die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen.

Ladingresiduen de restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na laden of lossen en morsingen.

Ontvangstvoorziening voorziening geschikt voor de ontvangst van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen.

Schip elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.

Kegelschip een schip dat gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert en volgens wettelijk voorschrift overdag één of meer blauwe kegels moet voeren.

Pleziervaartuig een vaartuig dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding.

Tankschip schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten.

Scheepsafval afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels, en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels, alsmede lading gebonden afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de lading als afval overblijft, met inbegrip van stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden, verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad en stalen banden.

Schipper degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert.

Havenmeester degene die door Burgemeester en wethouders de zorg voor de naleving van de bepalingen van deze verordening en de regeling van het verkeer in de havens en op de voor scheepvaart openstaande wateren opgedragen is.

Spudpaal een verticale buizenconstructie, waarmee schepen zichzelf kunnen vastleggen.

Afval(stoffen)

Huishoudelijke afvalstoffen afvalstoffen, afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen

Bedrijfsafvalstoffen afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen

Gevaarlijke afvalstoffen bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake voor Nederland verbindende verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties

ter inzameling aanbieden de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats

inzamelmiddel een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden

inzameldienst de krachtens artikel 10.11 aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

andere inzamelaars de krachtens artikel 10.12 aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen

straatafval huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel

zwerfafval straatafval dat niet in de daartoe bestemde inzamelbakken is gedeponeerd maar elders in de openbare ruimte is terecht gekomen

minicontainer een container voorzien van deksel en een inhoud van 140 of 240 liter, bestemd als bewaarmiddel voor afval, waarin de afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden

rolcontainer een verrijdbare container voorzien van vier wielen en afsluitbaar deksel met een inhoud groter dan 360 liter, bestemd als bewaarmiddel voor afval, waarin bedrijfsafvalstoffen ter inzameling worden aangeboden

binnenstad het gebied van het stadshart van Enschede, begrensd door de Oldenzaalsestraat, Parallelweg, Stationsplein, Nijverheidsstraat, Boulevard 1945 en Mooienhof, en zoals weergegeven in de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte bijlage 10.1

A-hout Onbehandelde planken, balken of spaanplaten

B-hout Geverfde planken, balken of spaanplaten

C-hout Bielzen, geïmpregneerd hout en gecreosoteerd hout

Cultureel erfgoed

cultureel erfgoed monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet

gemeentelijk cultureel erfgoed de door het college aangewezen cultuurgoederen, monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten

stads- en dorpsgezichten groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.

gemeentelijk monument monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister en/of monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven.

normaal onderhoud noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde.

Restauratie werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel.

Parkeren

Motorvoertuig motorvoertuig als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving

Parkeren parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Voertuigen voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Overige milieubelastende activiteiten

Carbidbus een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp

Carbidschieten het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calcium-acetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen

Vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 2021

Bijlage 2.10 Woonmilieukaart antenne-installaties

Het volledige beleid antenne-installatie zendamateurs (2013) is te vinden via de navolgende link:

Beleid antenne-installatie zendamateurs (2013)

foto

Opnieuw vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 2021

Bijlage 8.1 Overzicht gemeentelijk vaarwater

foto

Vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 2021

Bijlage 10.1 Begrenzing binnenstad inzameling afval

De binnenstad van Enschede wordt in het kader van Afdeling 10.10 gedefinieerd als het gebied begrensd door de Oldenzaalsestraat, Parallelweg, Stationsplein, Nijverheidsstraat, Boulevard 1945 en Mooienhof en is als zodanig gearceerd op onderstaande kaart.

foto

Vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 2021

Bijlage 14.2 Hoogte van de bedragen / bestuurlijke boete

Artikel

Onderwerp

Boetebedrag

3.10

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

€120

3.11

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

€120

3.12

Te koop aanbieden van voertuigen

€190

3.13

Defecte voertuigen

€95

3.14

Voertuigwrakken

€390 (BBOOR)

3.15

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Motorvoertuigen op (meer dan) twee wielen €140 (BBOOR)

Brom- en snorfietsers €95 (BBOOR)

Fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen en overige weggebruikers €55 (BBOOR)

3.16

Caravans e.d.

€95

3.17

Parkeren van reclamevoertuigen

€190

3.18

Parkeren van grote voertuigen

€95

3.19

Parkeren van uitzicht-belemmerende voertuigen

€95

3.20

Parkeren van voertuigen met stank-verspreidende stoffen

€90

3.21

Parkeren van voertuigen met ontsierende zichtbare lading

€140

3.22

Overlast van fiets of bromfiets

€45

3.23

Crossterreinen

€240

3.24

Beperking verkeer in natuurgebieden

Motorvoertuigen op (meer dan) twee wielen €140 (BBOOR)

Brom- en snorfietsers €95 (BBOOR)

Fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen en overige weggebruikers €55 (BBOOR)

4.10

Het plaatsen van voorwerpen in de publieke ruimte in strijd met de publieke functie ervan

€240 (BBOOR)

4.11

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

€240 (BBOOR)

4.12

Maken, veranderen van een uitweg

€300

4.14

Exploitatie terrassen horecabedrijf

€240 (BBOOR)

4.15

Vissen in gemeentelijke vijvers

€95

6.10, lid 1, sub a

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

€95 (BBOOR)

6.10, lid 1, sub b

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

€140 (BBOOR)

6.10, lid 1, sub c

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

€95 (BBOOR)

6.10, lid 1, sub d

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

€95 (BBOOR)

6.11

Geluidhinder door dieren

€140 (BBOOR)

6.12

Verontreiniging door honden

€140 (BBOOR)

6.13

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

€140

6.14

Kapverbod

€390

6.19

Bescherming houtopstanden

€240

7.10

Standplaatsen in de openbare ruimte

€140 (BBOOR)

9.10 tot en met 9.13

Geluid bij festiviteiten en overige geluidhinder

€140 (BBOOR)

10.10

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

€280 (BBOOR)

10.12

Regulering van andere inzamelaars

€140 (BBOOR)

10.14

Algemene verboden

€95 (BBOOR)

10.16

Gescheiden aanbieding

€95 (BBOOR)

10.17

Tijdstip van aanbieding

€95 (BBOOR)

10.18

Wijze en plaats van aanbieding

€95 (BBOOR)

10.20

Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

€95 (BBOOR)

10.21

Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

€95 (BBOOR)

10.22

Dumpingsverbod

€390 (BBOOR)

10.23

Zwerfafval in de openbare ruimte

€140 (BBOOR)

10.24

Zwerfafval rondom inrichtingen

€140

10.25

Afval en verontreiniging op de weg

€140 (BBOOR)

10.26

Geen opslag van afval in open lucht

€240 (BBOOR)

10.27

Ontdoen van autowrakken

€390

12.10

Kamperen buiten aangewezen kampeerterreinen

€140 (BBOOR)

12.11

Bezigen van vuurwerk

€100 (BBOOR)

12.12 tot en met 12.16

Carbid schieten

€100

Vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 2021

Toelichting op de Verordening kwaliteit leefomgeving

Grondslag voor deze verordening

De grondslag voor deze verordening is het bepaalde in de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, artikel 12 en 15 van de Monumentenwet BES, de wet wijziging Monumentenwet 1988 , Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De overwegingen die ten grondslag liggen aan deze verordening zijn dat:

  • de Omgevingswet naar verwachting in werking treedt op 1 januari 2022;

  • het doel van de Omgevingswet is: 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit';

  • dit wordt vertaald in twee maatschappelijke doelen:

a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden;

b. de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen;

  • deze ‘tijdelijke’ Verordening kwaliteit leefomgeving Enschede door een bundeling van verschillende verordeningen bijdraagt aan deze maatschappelijke doelen door:

1. het stellen van regels voor een doelmatig beheer en gebruik van de openbare ruimte,

2. het beperken van hinder en overlast voor de fysieke leefomgeving en

3. het beperken van hinder en overlast voor een gezonde leefomgeving;

  • het voornemen is om deze verordening te zijner tijd op te nemen in het nog vast te stellen Omgevingsplan Enschede;

  • met deze verordening en de daarop gebaseerde regels een kwalitatief goede omgevingskwaliteit wordt nagestreefd.

Door de gemeenteraad vastgestelde bijlagen

Bijlagen maken -op termijn - een integraal onderdeel uit van het omgevingsplan. Om ook de bijlagen van deze verordening en in latere instantie van het omgevingsplan overzichtelijk te houden zou een goede praktijk zijn dat een bijlage is genummerd volgens het artikelnummer waar het op is gebaseerd of bij hoort. Op deze wijze kan een nieuwe bijlage altijd in de lopende volgorde worden ingevoegd, zonder dat met a-nummers hoeft te worden gewerkt. Dat komt de duidelijkheid ten goede.

Bijlage 1.2 hoort bij artikel 1.2, zoals bijlage 14.2 hoort bij artikel 14.2. De door de raad vastgestelde bijlagen zijn hierna opgenomen. Het betreft:

Bijlage 1.2 Begrippenlijst als bedoeld in artikel 1.2 van de Verordening kwaliteit leefomgeving

Bijlage 2.10 Woonmilieukaart antenne-installaties

Bijlage 8.1 Overzicht gemeentelijk vaarwater

Bijlage 10.1 Begrenzing binnenstad inzameling afval

Bijlage 14.2 Bestuurlijke boete / hoogte van de bedragen

Links naar door het college of de burgemeester vastgestelde Nadere (beleids-) regels of uitvoeringsregels

In de tekst is bij bepaalde artikelen - waar het college of de burgemeester bevoegd zijn verklaard om nadere regels of aanwijzingen vast te stellen – een link aangebracht die rechtstreeks doorverwijst naar deze aanvullende regels. Dat vergemakkelijkt het gebruiksgemak, hoewel deze nadere regels zelfstandig zijn vastgesteld en ook als zodanig worden bekend gemaakt.

Deze beleidsregels zijn – na vaststelling van deze Verordening kwaliteit leefomgeving door de gemeenteraad, op dezelfde datum door het college c.q. de burgemeester opnieuw vastgesteld, maar dan op basis van het desbetreffende artikel uit deze verordening.

Het gaat daarbij om de – tijdens de vaststelling van deze verordening bestaande - navolgende Nadere regels:

Naam

Gebaseerd op

a. Besluit parkeren grote voertuigen

artikel 3.18

b. Beleidsregel uitstallingen in de openbare ruimte

artikel 4.10

c. Nadere regels aanleggen van uitwegen

artikel 4.12

d. Nadere regels voeren van handelsreclame

artikel 4.13

e. Nadere regels voor terrassen bij horecabedrijven

artikel 4.14

f. Selectiecriteria aanwijzing beschermd stads- en dorpsgezicht

artikel 5.23

g. Selectiecriteria aanwijzing beschermd gemeentelijk monument

artikel 5.13

h. Overzicht beschermde bomen

artikel 6.14

i. Nadere regels bomen(bescherming) /toetsingscriteria

artikel 6.15

j. Besluit uitlaatgebied honden

artikel 6.10

k. Nadere regels standplaatsen

artikel 7.10

l. Brancheringsbesluit warenmarkt

artikel 7.11

m. Sanctiestrategie warenmarkt

artikel 7.23

n. Nadere regels m.b.t. warenmarkten

artikel 7.24

o. Nadere regels Verbranding Afvalstoffen en Stoken

artikel 10.10

p. Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Enschede 2021

artikel 10.11/10.21