Nota Horecabeleid 2016-2020

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Intitulé

Nota Horecabeleid 2016-2020

Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Barneveld ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;

gelet op de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld;

besluit:

vast te stellen de Nota Horecabeleid 2016–2020

Lijst met afkortingen

APV Barneveld: Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld

Bibob: Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

DHW: Drank- en Horecawet

BOA: Buitengewone Opsporingsambtenaren

IVA: Instructie Verantwoord Alcoholschenken

KHN: Koninklijke Horeca Nederland

NVWA: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

OddV: Omgevingsdienst de Vallei

SVH: Verklaring Sociale Hygiëne

VGGM: Veiligheid- en Gezondheidsregio Gelderland Midden

Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

1. Inleiding

De gemeente Barneveld is een levendige en toeristisch aantrekkelijke gemeente met verschillende dorpskernen. Er is een groot culturereel aanbod voor zowel de bewoners als voor de bezoekers. Zij zijn het die volop gebruik maken van hetgeen de verschillende kernen hen te bieden hebben. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Een gemeente als Barneveld kan niet zonder vermaak en een bloeiend uitgaansleven. Een gemeente waar men graag verblijft is ten slotte ook een gemeente die bewoners, ondernemers en bezoekers aan zich bindt.

Voor bewoners staat de leefbaarheid centraal. Aan de ene kant betreft dit een aantrekkelijk horecaaanbod, aan de andere kant dient de balans tussen levendigheid en overlastgevende situaties bewaakt te worden en te blijven. Ter bevordering van deze balans tussen horeca en leefbaarheid worden verantwoordelijkheden helder neergezet voor alle inspannende partijen, worden controles gericht ingezet en geldt een duidelijk nalevingsbeleid.

Met de voor u liggende nota horecabeleid (2016–2020) willen wij de horeca binnen onze gemeente stimuleren en ondersteunen binnen de mogelijkheden die wij hebben als gemeentelijke overheid. Het doel van deze nota horecabeleid is om de visie en de wettelijke kaders in de gemeente te beschrijven en hiermee een bijdrage te leveren aan het bereiken van een goede balans tussen de belangrijke economische en recreatieve functie van horeca en het bewaken van de woon- en leefsituatie en gezondheid. Daarmee willen we perspectief en duidelijkheid scheppen voor ondernemersorganisaties, ondernemers, burgers en betrokken diensten.

Wat vooraf ging

De voorliggende nota is opgesteld met een looptijd van vier jaar. Aanleiding om te komen tot een nieuwe nota is onder andere het gegeven dat de vorige horecanota dateert uit 2006. Sinds die tijd is er met betrekking tot drank en horecawetgeving landelijk veel gewijzigd. Zo is in 2008 het rookverbod 1 in de horeca ingevoerd, geldt sinds 2012 het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de brandveiligheidseisen, zijn sinds 2013 gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Drank- Horecawet en is per 1 januari 2014 de leeftijdsgrens voor alcohol verschoven van 16 naar 18 jaar. Lokaal is verder in 2015 de APV inhoudelijk gewijzigd en daarbij heeft een vernummering plaatsgevonden. Als gevolg van de gewijzigde wet- en regelgeving bestaat er aanleiding om het horecabeleid aan te passen. Het beleid ziet dus enerzijds op actualisatie van wetgeving. Anderzijds zijn, naar aanleiding van de praktijk en de behoefte vanuit de ondernemers na intern en extern overleg, wijzigingen opgenomen in het beleid omtrent enkele onderwerpen.

Totstandkoming van deze nota

Voorafgaand aan de vaststelling van het aangepaste beleid is ervoor gekozen om de horecaondernemers, omwonenden, en andere betrokken, waaronder politie en Koninklijke Horeca Nederland (KHN), in overleggen op de hoogte te stellen van de actualisatie en de mogelijkheid te bieden om opmerkingen en/of suggesties ten aanzien van het beleid kenbaar te maken.

Deze nota is tot stand gekomen vanuit de discipline Veiligheid, Vergunningen & Toezicht na interne afstemming met de disciplines Economische Zaken, Juridische Zaken, Stedenbouw & Omgevingsbeleid en Verkeer. Verder is deze nota afgestemd met de Barneveldse Middenstand Vereniging, de Brandweer (VGGM), Koninklijke Horeca Nederland, de Omgevingsdienst de Vallei, de ondernemersvereniging Voorthuizen en de politie (eenheid Oost Nederland, basisteam Veluwe Vallei-Noord).

Het resultaat is een leesbaar en actueel beleidsstuk dat voor de ondernemers als handleiding dient bij allerlei vraagstukken waar ze tegenaan kunnen lopen. Het beleid bevat een kader van de landelijke en lokale wet- en regelgeving en beschrijft het proces van aanvraag tot verlening van alle te verstrekken vergunningen en ontheffingen. In het geval een ander beleidsstuk regels voorschrijft met betrekking tot horeca aangelegenheden wordt in deze nota verwezen naar deze beleidsstukken. 2

Leeswijzer

Allereerst worden de algemene doelstellingen van het horecabeleid weergegeven in hoofdstuk twee. Aan de orde komt de economische ambitie, veiligheid als gezamenlijke doelstelling en het in 2015 gestarte horeca-convenant. In hoofdstuk drie wordt een landelijk wettelijk kader neergezet met alle wetgeving waarmee ondernemers te maken krijgen bij het exploiteren van een horecagelegenheid. In hoofdstuk vier worden vervolgens, daar waar lokale invulling mogelijk is, het beleid en de regels op lokaal niveau beschreven per onderwerp. In hoofdstuk vijf wordt uitgebreid uitgelegd op welke manier het proces van vergunningverlening in de gemeente is vormgegeven. In hoofdstuk zes zijn tot slot enkele bepalingen opgenomen met betrekking tot de evaluatie en de inwerkingtreding van deze nota horecabeleid.

2. Horeca in Barneveld, visie en ambitie

Economische ambitie

Recreatie en toerisme is de derde pijler van de Barneveldse economie. In directe zin biedt draagt deze sector bij aan de werkgelegenheid in de gemeente Barneveld. Bij recreatie en toerisme gaat het per definitie om een samengesteld product; mensen willen wat te doen hebben, mensen willen ergens verblijven en mensen willen tegelijkertijd wat kunnen eten. Horeca speelt in de zin van de ontwikkeling van recreatie en toerisme een belangrijke rol. Daarnaast zien we de functie van centra veranderen van winkelgebied naar verblijfsgebied, ook hier speelt de ontwikkeling van horeca een belangrijke rol. Kortom: de horeca moet goed aansluiten bij de belevingswensen van de consument. Daarom wil de gemeente ondernemerschap en innovatieve mogelijkheden stimuleren. Dat betekent dat de gemeente Barneveld, met inachtneming van haar publiekrechtelijke rol, regels stelt waar nodig en vrijheden biedt waar mogelijk. De ambitie is het realiseren van een aantrekkelijk, gevarieerd en bruisend horeca-aanbod dat aansluit op de wensen van de bezoekers, op de zakelijke markt en een belangrijke bijdrage levert aan een aantrekkelijk woonmilieu voor bewoners.

Horecaconvenant

In 2015 is met de horecaondernemers, politie en KHN het horecaconvenant 2015–2106 overeengekomen. Het convenant bevat de afspraken tussen horecaondernemers, Koninklijke Horeca Nederland, de politie en de gemeente, met als doel de kwaliteit van het uitgaan in de gemeente te bevorderen en daarnaast de veiligheid in brede zin te optimaliseren. Het convenant vormt de basis van de samenwerking tussen genoemde partners voor de periode van juli 2015 tot juli 2016.

Het convenant zal door de betrokken partijen regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden geactualiseerd. Tijdens de looptijd van het convenant zal met de partners, omwonenden en jongeren worden gesproken over de resultaten van de gemaakte afspraken. Op basis van de gesprekken en de resultaten over de resultaten van de gemaakte afspraken volgt eventuele aanpassing van het convenant. In de zomer van 2016 zal een evaluatie volgen van het convenant en het is de bedoeling dat er dan een document ligt dat afgestemd is op de lokale behoefte en de praktijk. Dit (nieuwe) document zal de basis zijn voor de samenwerking in de komende jaren.

Veiligheid als gedeelde verantwoordelijkheid

Veilig en verantwoord uitgaan is een belangrijk uitgangspunt van het horecabeleid. Dit is van belang voor klanten, bewoners, ondernemers en de handhavingsdiensten. Goede afspraken, duidelijke communicatie, heldere regelgeving en waar nodig handhaving dragen hier in belangrijke mate aan bij. In het horeca-convenant is reeds gestart met het uiteenzetten van verantwoordelijkheden per onderwerp. Alle bij de horeca betrokken partners hebben een eigen taak om veiligheid te bevorderen.

Horecaondernemers zijn als eerste verantwoordelijk voor de gang van zaken binnen hun bedrijf en in de directe omgeving daarvan. Van hen mag daarom worden verwacht dat ze afspraken maken over het veiligheidsbeleid in en om hun bedrijven, dat ze toezien op een verantwoorde drankverstrekking, alert zijn op drugs en wapens en zorg dragen voor het schoonhouden van de omgeving.

Gemeente, politie en Openbaar Ministerie spelen een belangrijke rol waar het gaat om toezicht op en handhaving van de openbare orde en het garanderen van de veiligheid. Als uitgangspunt voor deze partners geldt het in maart 2015 vastgestelde integraal gemeentelijk veiligheidsplan Barneveld 2015–2018. De politie heeft tot taak in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Zij zijn aanwezig in de openbare ruimte om zo problemen en overlast vroegtijdig te signaleren. De gemeente is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de bescherming van het woon-en leefklimaat. De Bijzondere Opsporingsambtenaren (BOA's) van de gemeente houden zich bezig met laagdrempelig toezicht. Het accent van toezicht en handhaving in de openbare ruimte door BOA's ligt op leefbaarheid en overlast.

Omdat veiligheid een belangrijke basisvoorwaarde is voor gezellig uitgaan zijn er standaard overlegstructuren over dit aspect met alle betrokken partners. Als zaken daartoe aanleiding geven, worden maatregelen gezamenlijk genomen of gezamenlijk afspraken gemaakt.

3. Juridische context, landelijk

Samenvatting

Horecaondernemers hebben te maken met een breed pakket aan wet- en regelgeving op zowel landelijk als lokaal niveau. Dit heeft te maken met het feit dat horeca diverse maatschappelijke aspecten raakt: onder andere volksgezondheid (alcohol- en rookbeleid), brandveiligheid, openbare orde, milieu en geluid. Hiervoor zijn door de rijksoverheid diverse soorten wet- en regelgeving ingesteld, al dan niet specifiek bedoeld voor de horecasector. De gemeente is een belangrijke rol toebedeeld in het uitvoeren van deze wet- en regelgeving. In dit hoofdstuk en het volgende wordt uitleg gegeven over respectievelijk de landelijke en de lokale wet- en regelgeving, voor zover die relevant zijn voor de horecasector. Eerst worden een aantal relevante landelijke wetten toegelicht en vervolgens zullen, daar waar lokale invulling mogelijk is, het beleid en de regels op lokaal niveau beschreven worden per onderwerp.

3.1. Drank- en Horecawet

De Drank- en Horecawet (DHW) is een van de belangrijkste wetten voor de horeca, omdat deze wet de bedrijfsmatige (of anders dan om niet) verstrekking van alcoholhoudende dranken regelt. Indien de ondernemer voornemens is zwak- en/of sterk alcoholische drank te verstrekken, dan is altijd een dranken horecavergunning vereist. In deze nota horecabeleid zullen we beschrijven welke eisen gelden ten aanzien van de persoon van de ondernemer en ten aanzien van het pand. Voor overige bepalingen, bijvoorbeeld over proeverijen en kleinhandel in de horeca wordt verwezen naar de Drank- en Horecawet.

In artikel 8 tot en met 10 van de Drank- en Horecawet staan de eisen voor het verkrijgen van een vergunning. Indien niet wordt voldaan aan deze eisen moet de vergunning worden geweigerd. De weigeringsgronden (imperatief) zijn geregeld in artikel 27 van de Drank- en Horecawet.

Leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen:

  • a)

    zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

  • b)

    zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  • c)

    zij mogen niet onder curatele staan.

Verder dienen leidinggevenden te beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne. Het hierbij behorende bewijsstuk is een Verklaring Sociale Hygiëne (SVH). 3

Alle leidinggevenden moeten vermeld staan op de vergunning. De wet bepaalt tevens dat tijdens de openingstijden van een horecabedrijf er altijd een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig dient te zijn in de inrichting. Zijn er veranderingen met betrekking tot de leidinggevende(n), dan dient dit vooraf gemeld te worden bij de gemeente. Voor paracommerciële horeca is een afwijkende regeling opgenomen in de Drank- en Horecawet. Op een drank- en horecavergunning voor paracommerciële horeca moeten minimaal twee leidinggevenden met SVH staan (dit mogen de bestuurders van de stichting/vereniging zijn, maar dat hoeft niet). Zij hebben echter geen aanwezigheidsplicht als de horeca geopend is. Wel moet er altijd minimaal één barvrijwilliger aanwezig zijn die een voorlichtingsinstructie heeft ontvangen op het gebied van sociale hygiëne, de Instructie Verantwoord Alcoholschenken (IVA).

De vergunning kent geen bepaalde tijdsduur. De Drank- en Horecavergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Als het bedrijf wordt overgenomen of als de rechtsvorm van de het bedrijf wijzigt zal de ondernemer een nieuwe drank- en horecavergunning moeten aanvragen. Als er een leidinggevende wordt vervangen, moet de nieuwe leidinggevende worden bijgeschreven op het aanhangsel bij de vergunning. De vergunninghouder heeft de plicht wijzigingen door te geven.

Tot slot kent de Drank- en horecawet sinds 2013 het verbod om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Daarmee wordt eveneens bedoeld het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Naast eisen aan de persoon van de ondernemer stelt de Drank - en Horecawet eisen aan het pand waarbinnen een horecabedrijf wordt uitgeoefend. Allereest gelden de regels van het Bouwbesluit 2012 dat van toepassing is op alle bouwwerken in Nederland. Daarnaast zijn ingevolge artikel 10 van de Drank- en horecawet eisen gesteld in het belang van de sociale hygiëne. Deze eisen zijn opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. De belangrijkste eisen uit dit besluit betreffen de oppervlakte van de horecalokaliteit (één lokaliteit ten minste 35 m²), de hoogte (ten minste 2,40 meter vanaf de vloer), de toiletgelegenheden (ten minste twee volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden, die niet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit de ruimte waar wordt gegeten of gedronken) en een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande goed werkende mechanische ventilatieinrichting. Het Bouwbesluit 2012, dat in de volgende paragraaf aan bod komt, en het besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet kennen allebei technische voorschriften waaraan een pand moet voldoen. Bij behandeling van een aanvraag voor een Drank- en Horecavergunning wordt door op door medewerker van de gemeente gecontroleerd of een inrichting aan de eisen voldoet. In het geval de inrichting niet voldoet aan de eisen, mag de vergunning niet worden verleend.

Indien de inrichting zodanig verandert dat zij niet langer in overeenstemming is met het vermelde op de vergunning (bijvoorbeeld bij een verbouwing), dan is de vergunninghouder verplicht om binnen één maand de burgemeester hiervan op de hoogte te stellen. De vergunning kan in een dergelijke situatie worden ingetrokken of geschorst. De gevallen waarin dit mogelijk is zijn genoemd in artikel 31 en 32 van de Drank- en Horecawet.

3.2. Bouwbesluit 2012

Voor het gebruik van panden met een hoog bezoekersaantal (meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig) gelden de regels die zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. In dit besluit zijn landelijk uniforme regels vastgelegd over het brandveilig gebruik van bouwwerken en gebouwen. Voor het gebruik van panden met een hoog bezoekersaantal was in het verleden altijd een gebruiksvergunning vereist. Deze werd door de gemeente beoordeeld op de brandveiligheidsregelgeving die was opgenomen in hun bouwverordening. Met ingang van 1 november 2008 is deze procedure voor de meeste gevallen komen te vervallen. Op 1 november 2008 is het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit) in werking getreden. Dit besluit is later opgegaan in het Bouwbesluit 2012. Sinds de inwerkingtreding van het eerste besluit is de gebruiksvergunning nog maar in een beperkt aantal gevallen vereist, met name voor hotels, pensions, scholen, kinderopvang en zorginstellingen. De meeste horecagelegenheden hebben sindsdien niet langer een gebruiksvergunning nodig. Wel zijn zij, indien er meer dan vijftig personen gelijktijdig aanwezig kunnen zijn, verplicht een zogenaamde gebruiksmelding te doen.

De gebruiksmelding kan online ingediend worden via www.omgevingsloket.nl. In de gebruiksmelding wordt aan de gemeente aangegeven dat het pand in gebruik zal worden genomen, voor hoeveel personen en op welke wijze dit zal geschieden. Bij de melding moeten duidelijke tekeningen worden toegevoegd, die voldoen aan de inrichtingseisen. De gemeente heeft na de melding vier weken de tijd om te reageren op de gebruiksmelding. In die tijd kan zij bijvoorbeeld controleren in hoeverre aan de eisen wordt voldaan. Ook na het verloop van deze vier weken blijft de gemeente bevoegd dergelijke controles uit te oefenen. Ook is de gemeente bevoegd de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 rechtstreeks te handhaven en om nadere voorwaarden op te leggen aan het gebruik, indien zij meent dat dit uit het oogpunt van de brandveiligheid noodzakelijk is. Dergelijke (beperkende) voorwaarden kunnen ook na de termijn van vier weken nog worden opgelegd.

3.3. Wet Bibob

De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) beoogt te voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert door onbewust vergunningen te verstrekken voor illegale praktijken. Indien een vergunning wordt aangevraagd bij de gemeente zal deze een Bibobtoets uitvoeren om er zeker van te zijn dat er geen relatie bestaat met de onderwereld. Op grond van deze wet hebben gemeenten meer bevoegdheden om vergunningen te weigeren of in te trekken wanneer sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking (mede) gebruikt zal worden ten behoeve van criminele activiteiten of voor het plegen van een strafbaar feit. Bestuursorganen kunnen advies inwinnen bij het Landelijk Bureau Bibob dat integriteitscreenings uitvoert aan de hand van de Wet Bibob. Dit bureau heeft inzage in nagenoeg alle registers.

Hoe er in de praktijk door het bestuur wordt omgegaan met de in de Wet Bibob verleende intrekkingsen wijzigingsbevoegdheden is vastgelegd in de 'Beleidsregels Wet Bibob gemeente Barneveld 2012'. Dit beleid zal nader wordt toegelicht bij de lokale regelgeving.

3.4. Wet Milieubeheer

Toename van het gebruikelijke niveau van geluid in een omgeving is inherent aan de aanwezigheid van min of meer geconcentreerd aanwezige horecabedrijven. Voor een belangrijk deel wordt dit geluid veroorzaakt door muziek uit de inrichtingen en komende en vertrekkende bezoekers en hun vervoermiddelen. Bewoners en winkeliers in uitgaansgebieden weten weliswaar dat het wonen en werken in een uitgaansgebied een zekere mate van tolerantie vraagt. Echter, de overheid heeft de taak om de overlast in het uitgaansgebied binnen redelijke proporties te houden. Het is dan ook een inspanningsverplichting van alle betrokken partners een balans te vinden tussen het bedrijfsbelang van de horecaondernemer en een goed woon- en leefklimaat.

Het Activiteitenbesluit milieubeheer, wat onderdeel uitmaakt van de Wet Milieubeheer, biedt bescherming tegen geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen. Zowel bestaande als nieuwe horecabedrijven moeten zich in beginsel houden aan de standaard geluidsnormen. Hierbij gaat het om al het geluid dat veroorzaakt wordt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen en de werkzaamheden die in de inrichting worden verricht. Stemgeluid van bezoekers op een terras is niet in de beoordeling van bovenstaande geluidsnormen meegenomen. De hoofdregel is dat het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, bij het bepalen van het geluidsniveau buiten beschouwing wordt gelaten.

3.5. Wet op de kansspelen

In verschillende horeca-instellingen zijn speelautomaten geplaatst. Er kan daarbij een onderscheid gemaakt worden tussen kansspelautomaten (spelers kunnen geen invloed uitoefenen op het spel, zoals gokkasten) en behendigheidsautomaten (het spelresultaat kan uitsluitend leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen, zoals flipperkast).

Met name de plaatsing van kansspelautomaten is aan regelgeving gebonden. De Wet op de kansspelen maakt voor plaatsing van kansspelautomaten onderscheid tussen hoogdrempelige en laagdrempelige instellingen (artikel 30 Wet op de kansspelen). Van een hoogdrempelige horeca- instelling is sprake als:

  • de ruimte als café of restaurant wordt gebruikt en men daarvoor een drank– en horecavergunning heeft;

  • het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat en er geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend;

  • de activiteiten in belangrijke mate zijn gericht op jongeren ouder dan 18 jaar.

Wanneer niet aan deze randvoorwaarden wordt voldaan, dan is er sprake van laagdrempelige inrichtingen.

Het onderscheid tussen hoog- en laagdrempelig is bepalend voor de vraag of er al dan niet kansspelautomaten mogen worden opgesteld. De inrichting en de activiteiten die daar worden aangeboden en plaatsvinden gecombineerd met de doelgroep waarop de activiteiten zijn gericht zijn bepalend voor de vraag of een horeca-instelling als hoog- of laagdrempelig wordt gekenmerkt. Een speciale categorie, afgeleid van de begrippen hoog- en laagdrempelig, is de zogenoemde ‘samengestelde inrichting’ (artikel 30c lid 4 en 5 Wet op de kansspelen). In de praktijk komt dit nog wel eens voor, bijvoorbeeld bij een restaurant met een afhaalgedeelte. Wanneer deze activiteiten in verschillende ruimtes plaatsvinden kan, onder omstandigheden, sprake zijn van een hoogdrempelig gedeelte. Dit is het geval wanneer:

  • de ruimte waar hoogdrempelige activiteiten plaatsvinden, voldoende afgescheiden is van de laagdrempelige ruimte(s);

  • deze ruimte als café of als restaurant dient, en de ondernemer daarvoor een geldige horecavergunning heeft;

  • het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat, en er geen andere activiteiten plaatsvinden, waar een zelfstandige betekenis aan kan worden toegekend;

  • de activiteiten die in de inrichting plaatsvinden, gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

Op basis van de Wet op de kansspelen is het verboden om zonder aanwezigheidsvergunning van de burgemeester een of meer kansspelautomaten aanwezig te hebben in het bedrijf (artikel 30b Wet op de kansspelen). Een ondernemer die een of meer kansspelautomaten in zijn bedrijf wil plaatsen zal derhalve een aanwezigheidsvergunning moeten aanvragen bij de gemeente.

Tot slot is het aantal kansspelautomaten gelimiteerd. In hoogdrempelige inrichtingen zijn op basis van artikel 30c lid 2 van de Wet op de kansspelen maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. In laagdrempelige inrichtingen zijn ingevolge artikel 30b van de Wet op de kansspelen geen kansspelautomaten toegestaan. Voldoet een samengestelde inrichting aan de eisen van artikel 30c lid 4 van de Wet op de kansspelen, dan mogen in het hoogdrempelige gedeelte van de samengestelde inrichting twee kansspelautomaten geplaatst worden.

4. Lokale regelgeving

4.1. Exploitatievergunning

Wettelijk gezien zijn er een aantal eisen en randvoorwaarden gesteld aan horeca-inrichtingen. Om dit te kunnen regelen, kent de gemeente Barneveld de exploitatievergunning, artikel 23 Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Barneveld. 4 Met de exploitatieregeling worden de exploitatievorm, de openingstijden en het eventuele terras geregeld. Voor het verlenen van een exploitatievergunning ten behoeve van een horecabedrijf is de eerste vraag of de activiteit past binnen het bestemmingsplan van de desbetreffende locatie. Het bestemmingsplan geeft aan welke functie ter plaatse is toegestaan. Het is belangrijk om na te gaan of de betreffende locatie een horecabestemming heeft en zo ja, welk type horeca op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. 5 Wanneer sprake is van overname zal in de meeste gevallen sprake zijn van een bestaande horecabestemming. Wanneer een nieuwe horecaonderneming wordt gestart op een locatie die een andere bestemming heeft, zal een omgevingsvergunning tot afwijking of herziening van het bestemmingsplan aangevraagd moeten worden. Het gemeentebestuur neemt daar het besluit over. De omgevingsvergunning is geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een aanvraag voor deze vergunning wordt getoetst aan bestemmingsplan, bouwbesluit, welstand en bouwverordening. Tevens wordt getoetst of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan de parkeerbehoefte.

Er is geen exploitatievergunning vereist voor een openbare inrichting 6 die zich bevindt in:

  • een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkteltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  • een zorginstelling;

  • een museum;

  • een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.

Voor het uitoefenen van een horecabedrijf is naast de exploitatievergunning een drank– en horecavergunning vereist in het geval alcohol verstrekt zal worden. Met deze vergunningverlening wordt de gemeente in staat gesteld om regulerend op te treden uit het oogpunt van drankverstrekking, veiligheid en openbare orde. De hiervoor beschreven Drank– en Horecawet is hiervoor de wettelijke basis.

Zoals in het landelijk wettelijk kader is vermeld stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer algemene regels aan horecabedrijven om overlast door bijvoorbeeld muziek en het komen en gaan van bezoekers zoveel mogelijk te beperken. In de meeste gevallen is het niet nodig om een omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een milieu-inrichting aan te vragen, maar kan volstaan worden met een melding. De milieumelding kan digitaal worden gedaan via de website http://aimonline.nl.

De verplichte melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit milieubeheer) moet, als de activiteiten waarvoor een melding wordt gedaan samenlopen met de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd, tegelijkertijd met de aanvraag van een omgevingsvergunning worden gedaan. Indien een ondernemer bijvoorbeeld gaat (ver)bouwen, dan moet de milieumelding eerder dan of gelijktijdig met de aanvraag voor de omgevingsvergunning worden gedaan.

In een aantal gevallen dient een horecaonderneming op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een akoestisch rapport bij de onderhavige melding gevoegd te zijn. In het kader van milieuwetgeving en de akoestische normen die daarin zijn opgenomen heeft de gemeente een aantal mogelijkheden om eventuele geluidsoverlast te beperken. Wanneer uit het rapport blijkt dat de inrichting niet kan voldoen aan de van toepassing zijnde geluidsnormen, kunnen er zogenoemde maatwerkvoorschriften opgelegd worden teneinde aan die normen te kunnen voldoen. Tegen het opleggen van een maatwerkvoorschrift kan een ondernemer een bezwaarschrift indienen. Een maatwerkvoorschrift is pandgebonden en vervalt dan ook niet met de verkoop van een zaak. Ook een nieuwe exploitant is dan ook in beginsel gehouden aan een dergelijk maatwerkvoorschrift.

4.1.1. Algemene bepalingen op basis van de APV

Het bevoegde bestuursorgaan beslist over een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn ten hoogste met acht weken verdagen.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens de APV een vergunning of ontheffing is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en/of beperkingen na te komen.

Bij overname van een horecabedrijf door een nieuwe ondernemer, moet door hem of haar een nieuwe vergunning worden aangevraagd. Een verleende exploitatievergunning is namelijk persoonsgeboden en is niet overdraagbaar. In afwachting van de vergunning hanteert de gemeente de mogelijkheid van tussentijds doordraaien op de oude vergunning. Indien binnen vier weken na de overdacht van het bedrijf een aanvraag tot vergunning ingediend wordt blijft, behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten, de oude vergunning van kracht totdat op de aanvraag een besluit is genomen. Indien binnen vier weken na de overdracht van het bedrijf geen aanvraag tot vergunning wordt ingediend bij de gemeente vervalt de oude vergunning.

De exploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd. Zolang geen beëindiging of wijziging wordt doorgegeven door de ondernemer of paracommerciële rechtspersoon en zolang de vergunning niet wordt ingetrokken op grond van de wet– en regelgeving blijft de verleende vergunning geldig.

4.1.2. Algemene weigerings- en intrekkingsgronden op basis van de APV

Een vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

  • openbare orde;

  • de openbare veiligheid;

  • volksgezondheid;

  • de bescherming van het milieu.

De vergunning of ontheffing kan worden geschorst, ingetrokken of gewijzigd:

  • indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; of - indien de houder dit verzoekt.

Het beginsel 'Lex silencio positivo', waarmee een vergunning van rechtswege wordt verleend indien het bevoegde orgaan bij een aanvraag te laat of niet reageert, is bij de exploitatievergunning openbare inrichting niet van toepassing. 7

4.1.3. Bepalingen in verband met het toezicht op openbare inrichtingen op basis van de APV

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning. Deze vergunning wordt geweigerd indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan (ruimtelijk aspect).

Voor het verkrijgen van een exploitatievergunning worden aan de leidinggevenden dezelfde eisen gesteld als in de Drank- en Horecawet, zij moeten voldoen aan de volgende eisen:

  • zij mogen niet onder curatele staan;

  • zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

  • zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt.

Naast de eerder genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Wanneer de houder van een exploitatievergunning zijn of haar horecabedrijf wil beëindigen of wil overdragen, dient de houder van de exploitatievergunning dit direct schriftelijk mee te delen aan de burgemeester.

De duur van de exploitatievergunning loopt voort zolang deze niet vervalt naar aanleiding van een beëindiging, een overdacht, het geen gebruik maken van de vergunning voor de duur van zes maanden na onherroepelijk worden van de vergunning, het geen gebruik maken van de vergunning gedurende een jaar wegens overmacht of het geheel intrekken door de burgemeester in verband met de ontoelaatbare woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of nadelige beïnvloeding op ontoelaatbare wijze van de openbare orde.

4.2. Opening en sluiting horecagelegenheden

4.2.1. Sluitingsuur

De gemeente hanteert sluitingstijden waarbuiten horecagelegenheden zonder vergunning niet geopend mogen zijn. Deze tijden zijn ingesteld om (mogelijke) overlast in de nachtelijke uren te voorkomen. Op deze tijdstippen is met name geluidsoverlast hinderlijk voor de omgeving. In de gemeente Barneveld is in de APV opgenomen dat tussen 24.00 uur en 06.00 uur horecabedrijven niet geopend mogen zijn. Ondernemers kunnen een aanvraag indienen voor openstelling tot, afhankelijk van het soort horecagelegenheid en de dag van de week, 01:00, 02:00 of 03:00 uur. Deze vergunning geldt niet voor een eventueel bij de openbare inrichting behorend gebouwd of ongebouwd terras, deze mag altijd geopend zijn tot uiterlijk 24:00 uur.

Voor verruiming van de sluitingstijden dient de ondernemer een vergunning verruiming sluitingstijd aan te vragen. Hier gelden verschillen tussen commerciële en paracommerciële instellingen. In de nadere regels bij artikel 26 APV is met betrekking tot de vergunning verlening sluitingsuur het volgende opgenomen voor openbare inrichtingen:

  • Cafés kunnen voor de zaterdag en de zondag 8 vergunning krijgen voor openstelling tot 02.00 uur en voor de andere dagen van de week tot 01.00 uur.

  • restaurants, gemeenschapshuizen (buurt– en dorpshuizen), broodjeszaken en cafetaria's kunnen voor alle dagen van de week vergunning krijgen om tot 01.00 uur geopend te zijn.

  • kantines op campings kunnen gedurende het vakantieseizoen, de periode van 1 april tot 1 oktober, vergunning krijgen om alle dagen van de week tot 01.00 uur geopend te zijn.

  • sportkantines moeten om 24.00 uur gesloten zijn. Sportkantines kunnen onder opgaaf van redenen maximaal 2 keer per jaar vergunning krijgen om tot 02.00 uur geopend te zijn.

  • aan horecaondernemers kan in bijzondere gevallen vergunning worden verleend voor openstelling na 02.00 uur. Bijzondere gevallen zijn bijvoorbeeld de nieuwjaarsnacht.

Op basis van artikel 26 lid 5 van de APV kunnen openbare inrichtingen voor de periode van één jaar een vergunning aanvragen voor openstelling tot 03:00 uur op zaterdag en zondag. In de volgende paragraaf zal worden toegelicht wat de achterliggende gedachte van deze bepaling is en in welke gevallen deze vergunning kan worden aangevraagd.

De algemene bepalingen, algemene weigerings- en intrekkingsgronden en bepalingen in verband met het toezicht op openbare inrichtingen op basis van de APV zoals opgenomen bij de exploitatievergunning zijn dienovereenkomstig ook van toepassing op de vergunning verruiming sluitingstijd.

4.2.2. Pilot verruimde openingstijden

Om het uitgaansleven in de gemeente Barneveld aantrekkelijk te maken en te houden is het van belang om mee te bewegen met de wereld om ons heen. Het economisch belang van de horecaondernemer is groot en hij of zij is er bij gebaat dat de kernen van de gemeente goed bezocht worden. Vanuit de horecaondernemers kwamen steeds meer signalen dat de openingstijden in de gemeente Barneveld vaak te beperkt zijn en dat horecabezoekers regelmatig naar naburige gemeenten gaan om daar de horecagelegenheden te bezoeken.

In het voorjaar van 2015 is ingestemd een proef te houden waarbij de openingstijden in de nacht van vrijdag op zaterdag alsmede de nacht van zaterdag op zondag een uur verruimd worden. De gemeenteraad is tot deze beslissing gekomen, omdat het wenselijk wordt geacht dat jongeren in hun eigen kern uitgaan; dit vanwege de verkeersveiligheid, de sociale controle en de verwachting dat ruimere openingstijden leiden tot een meer gefaseerde uitstroom van bezoekers en dus een geringere kans op escalatie en/of overlast. Tevens wordt met deze beslissing voldaan aan de wens van de horeca en wordt oneerlijke concurrentie, met horeca in buurgemeenten, tegen gegaan.

In de APV en in het horecaconvenant is opgenomen dat onder voorwaarden, voor een proefperiode van één jaar, horecabedrijven een vergunning kunnen aanvragen om op zaterdag en zondag tot 03:00 open te blijven. De gemeenteraad heeft tevens besloten dat in de gemeente een uiterlijke instaptijd van 01:30 uur gehanteerd wordt. Hiervoor is gekozen omdat verwacht wordt dat de uitstroom van het uitgaanspubliek hierdoor meer verspreid zal plaatsvinden. Hiermee wordt de kans dat de overlast zal afnemen vergroot. De deelnemende horecaondernemers die hiervoor in aanmerking komen en die zijn aangesloten bij het horecaconvenant zijn de zogenoemde ‘natte horeca’: alle horecabedrijven waarin uitsluitend of in de hoofdzaak bedrijfsmatig alcoholhoudende drank voor directe consumptie ter plaatse wordt verstrekt (cafés, bars en dergelijke). De verruiming van de sluitingstijden geldt voor de proefperiode van één jaar en is gestart in juli 2015.

Ter ondersteuning van de besluitvorming is aan de gemeenteraad een evaluatie van de pilotperiode aangeboden. Deze bestaat uit de verslaglegging van de horeca overleggen (met horecaondernemers, politie, Buitengewone Opsporingsambtenaren, KHN en de betrokken medewerkers bij de gemeente) en een onderzoek ‘uitgaan in Barneveld’ dat is uitgevoerd door een extern bedrijf in opdracht van de gemeente. Het onderzoek bevat een gedragen en een onderbouwde conclusie over de effecten en veranderingen die het convenant met zich meebrengt. Hiervoor zijn horecaondernemers, omwonenden en het uitgaanspubliek door middel van enquêtes vragen gesteld over het uitgaan in Barneveld. De onderwerpen van de evaluatie zijn gebaseerd op de gemelde overlast en op de door de gemeenteraad besloten wijzigingen met betrekking tot het uitgaan in Barneveld.

In juli 2016 zal de gemeenteraad beslissen over de structurele verruiming van de sluitingstijden. Aangezien dit horecabeleid is opgesteld ten tijde van de looptijd van de pilot en nog niet is besloten over een vervolg, wordt in dit beleid uitgegaan van de APV en nadere regels zoals op het moment van vaststelling van dit beleid gelden.

4.3. Terrassen en gevelzitplaatsen

Naar aanleiding van aanvragen, spontane opstellingen van stoeltjes en vragen over het beleid omtrent de terrassen is het opnieuw definiëren van het inrichtingsplan voor terrassen een logisch punt dat in het horecabeleid wordt meegenomen. De actualiteit speelt hierbij tevens een rol: de scherpe grens tussen functies als horeca, detailhandel, ambacht, vermaak en andere soorten publieke dienstverlening vervaagt. De gemeentelijke wens om verder te dereguleren vertaalt zich in het opstellen van dit plan, om zo meer terrassen in de gemeente mogelijk te maken naar gelang de behoefte van de individuele ondernemer.

Vanuit een economisch- en toeristisch- economisch perspectief is het de ambitie een aantrekkelijk en levendig straatbeeld te creëren. Terrassen kunnen hier in belangrijke mate aan bijdragen. De aanwezigheid van terrassen wordt daarom in beginsel positief beoordeeld. Dit neemt niet weg dat het noodzakelijk is om aan de inrichting van terrassen beperkingen te stellen in het belang van de doorgang van het verkeer, het voorkomen c.q. beperken van overlast voor de omgeving en het milieu.

De gemeente heeft regels opgesteld voor terrassen zodat de openbare ruimte aantrekkelijk blijft, zijn openbare karakter behoudt en hinder en overlast zoveel mogelijk worden voorkomen.

Een belangrijke wijziging ten aanzien van het vorige horecabeleid is dat het exploiteren van een terras niet langer uitsluitend is voorbehouden aan horecabedrijven. Met dit nieuwe beleid is het mogelijk dat detailhandel zaken, waar sprake kan zijn van aan de hoofdfunctie ondersteunende horeca-activiteiten, ook onder voorwaarden gevelzitplaatsen kunnen creëren waar mensen een versnapering of drankje kunnen nuttigen. Daarmee wil de gemeente de levendigheid in de centra bevorderen.

Voor alle duidelijkheid: in het vervolg van de tekst zullen de termen 'terrassen' en 'gevelzitplaatsen' worden gehanteerd. Deze twee termen moeten niet met elkaar verward worden. De definities van beide termen komen in de volgende paragraaf aan de orde.

4.3.1 Terrassen en gevelzitplaatsen

Voor zaken met horecabestemming

In de gemeente Barneveld is voor de verkoop van eten en drinken een exploitatievergunning nodig indien bezoekers direct in de zaak of op het terras eten of drinken consumeren. Dat geldt niet alleen voor cafés of restaurants, maar ook voor een jongerencentrum of een sportvereniging met kantine. De vergunning voor zowel binnen als buiten de zaak wordt geregeld met de exploitatievergunning (artikel 23 APV). De definitie van het terras is als volgt:

Het buiten de besloten ruimte gelegen deel van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse mogen worden verstrekt.

Met de exploitatievergunning is het schenken van alcoholische dranken niet toegestaan. Hiervoor dient men altijd over een drank- en horecavergunning te beschikken. De exploitatievergunning voor het onderdeel terras kan worden ingetrokken als door exploitatie van het terras de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

In het geval terrassen op gemeentelijke grond komen te staan wordt op grond van privaatrechtelijke afspraken een gebruiksvergoeding in rekening gebracht. De gemeente Barneveld hanteert ten tijde van het vaststellen van deze nota (2016) een tarief van € 32,95 per m2 per jaar (12 maanden). Indien een ondernemer uitsluitend gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om het terras te exploiteren in het zomerseizoen (8 maanden) geldt een tarief van € 21,95. Voor 2017 en volgende jaren bestaat het voornemen om de tarieven voor het gebruik van de gemeentelijke grond te differentiëren naar aard van het terras (soort overkapping). Bij wijziging zal voor volledig overkapte terrassen een hoger tarief gaan gelden.

Voor zaken met bestemming detailhandel

Barneveld biedt een groot aantal bedrijven, waar de horeca ondergeschikt is aan de primaire detailhandel functie en waar het exploiteren van horeca een minimale weerslag heeft op de omgeving, de mogelijkheid om een gedeelte horeca te exploiteren in de vorm van gevelzitplaatsen. Dit betreft bijvoorbeeld een bakkerij of een slager. De APV Barneveld voorziet in de mogelijkheid om nadere regels te stellen. Op basis van die mogelijkheid wil de gemeente met dit beleid gevelzitplaatsen graag mogelijk maken. De juridische grondslag om dit te doen bevindt zich in artikel 14 lid 3 van de APV waarin staat aangeven dat het college nadere regels kan stellen ten aanzien van (onder meer) uitstallingen. Op basis van dit artikel kan aan de individuele ondernemer een ontheffing worden verleend voor het creëren van gevelzitplaatsen.

Gevelzitplaatsen

Met de ingang van het horecabeleid 2016–2020 wordt de mogelijkheid gecreëerd om gevelplaatsen bij detailhandel te creëren. Deze nieuwe term ‘gevelzitplaatsen’ wordt als volgt omschreven:

Het bieden van zitgelegenheid bij een winkel of dienstverlenend bedrijf door het plaatsen van los staande tafels, stoelen en/of banken.

Zoals aangegeven wordt dit geregeld door middel van een ontheffing op basis van artikel 14 APV. In de ontheffing zullen de voorschriften voor gebruik van de gevelzitplaatsen worden opgenomen. Nadere regels op grond van artikel 14 lid 3 APV zorgen ervoor dat door de gevelzitplaatsen de openbare orde en de woon- en leefsituatie in de omgeving van deze gevelzitplaatsen niet nadelig worden beïnvloed. Is er toch sprake van overlast of andersoortige overtreding dan zal handhavend worden opgetreden en kan de ontheffing worden ingetrokken.

Voor de gevelzitplaatsen worden de volgende nadere regels vastgesteld:

  • 1.

    Het plaatsen van gevelzitplaatsen is uitsluitend toegestaan gedurende de openingstijden van de winkel (hierop is de Winkeltijdenwet van toepassing). De gevelzitplaatsen worden dagelijks bij sluitingstijd van de winkel van het openbare gebied verwijderd. 9

  • 2.

    De gevelzitplaatsen mogen geen zelfstandig karakter krijgen, in die zin dat het ondergeschikt moet zijn aan de hoofdfunctie. Dat betekent dat het geen zelfstandige bezoekersstroom mag aantrekken, dat er geen bediening mag plaatsvinden bij de gevelzitplaatsen en dat er geen reclame wordt gemaakt voor deze gevelzitplaatsen.

  • 3.

    Er mogen geen consumpties worden verstrekt tegen betaling anders dan behorende tot het assortiment van de winkel. Op deze regel wordt uitsluitend uitzondering gemaakt voor koffie, thee en frisdranken.

  • 4.

    Schenken van alcoholhoudende drank aan gebruikers van de gevelzitplaatsen is nimmer toegestaan.

  • 5.

    De uitstalling van gevelzitplaatsen mag niet verder reiken dan de breedte van de gevel (aan de voorzijde) van het pand en de afstand uit de gevel mag niet meer dan 1,25 meter bedragen.

  • 6.

    Een gevelzitplaats is volledig open en vrij van overkappingen, parasols, (wind)schermen, terrasverwarmers en dergelijke.

  • 7.

    (Nood)uitgangen mogen niet worden belemmerd.

  • 8.

    Er moet te allen tijde een vrije doorgang voor voetgangers en minder validen gewaarborgd zijn. Derhalve dient er, bij plaatsing van gevelzitplaatsen op het trottoir, te allen tijde minimaal 1,50 meter vrije ruimte over te blijven tussen de gevelzitplaatsen en de rand van trottoir.

  • 9.

    Er moet te allen tijde een onbelemmerde doorgang mogelijk zijn voor de hulpverleningsdiensten. Dit betekent dat er een rijstrook van minimaal 3,5 meter en een doorrijhoogte van minimaal 4,2 meter beschikbaar moet zijn. Er mogen geen objecten op de rijbaan geplaatst worden.

Een toelichting op het tweede en derde voorschrift: In de gemeente willen we een beperkte overlap van horeca en detailhandel mogelijk maken. Die overlap kan een goede bijdrage zijn aan de aantrekkelijkheid van het winkelen in de dorpskernen, dat in toenemende mate ook een recreatieve component kent. De overlap dient echter wel zodanig beperkt te zijn, dat er geen semi-horeca gebruik in de winkel gaat ontstaan, dan wel dat feitelijk sprake is van een zelfstandig horecagebruik, of anders gezegd: dat het doel om de winkel te bezoeken primair komt te liggen in het ter plekke nuttigen van dranken en etenswaren.

Ontheffing voor gevelzitplaatsen wordt door een medewerker van het team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht behandeld. Per geval zal beoordeeld worden of de voorgenomen uitvoering past binnen de gestelde normen van het beleid. De ontheffingen voor gevelzitplaatsen worden doorlopend verleend. Na één jaar volgt een evaluatie van de nieuwe situatie. Indien het eerste peiljaar niet succesvol blijkt kunnen de nadere regels worden aangepast en kunnen, in het uiterste geval, de ontheffingen worden ingetrokken. Indien het eerste peiljaar succesvol blijkt zal dit beleid worden voortgezet.

Voor de ontheffing gevelzitplaatsen en, indien van toepassing, voor het gebruik van de gemeentelijke grond zullen kosten worden berekend. Omdat de 'aanvraag ontheffing gevelzitplaatsen' een nieuwe keuzemogelijkheid is, wordt in 2016 gebruikt gemaakt van de in de legesverordening 2016 genoemde leges voor niet benoemde vergunningen, ontheffingen of andere beschikkingen. Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor deze – niet benoemde – ontheffing bedraagt € 28,20. Vόόr vaststelling van de legesverordening Barneveld 2017 zal de gemeente ervaringscijfers betreffende de aanvraagprocedure opdoen en bezien of deze aanleiding geven tot aanpassing van de leges. Voor de gebruiksvergoeding voor gemeentegrond hanteert de gemeente Barneveld ten tijde van het vaststellen van deze nota een tarief van € 16,50 per m2 per jaar (12 maanden). Indien een ondernemer uitsluitend gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om gevelzitplaatsen te creëren in het zomerseizoen (8 maanden) geldt een tarief van € 11,00.

Tot slot zorgt de gemeente, na het verlenen van een ontheffing gevelzitplaatsen, voor markeringen in het wegdek (in de vorm van punaises) die de grenzen van de gevelzitplaatsen aangeven. Gebruik van gevelzitplaatsen mag niet buiten de bij de nadere regels vastgestelde ruimte en buiten de markeerpunten die in het wegdek zijn aangegeven.

4.3.2. Seizoenen terrassen en gevelzitplaatsen

Gedurende het hele jaar mogen terrassen en gevelzitplaatsen opgesteld worden. Voor horecagelegenheden en detailhandel geldt geen onderscheid tussen de winter en zomer voor wat betreft de oppervlakte. Kiest een ondernemer ervoor in de winterperiode (vier maanden; 1 november tot 1 maart) geen terras of gevelzitplaatsen te exploiteren dan mogen er geen tafels, stoelen, banken, terrasschermen, parasols en dergelijke op het terras en de gevelzitplaatsen aanwezig zijn. Voor het gebruik van de gemeentegrond worden kosten berekend naar rato van het aantal vierkante meters openbare ruimte en de duur van de periode dat hier gebruik van wordt gemaakt. Voor de gebruiksvergoeding voor gemeentegrond hanteert de gemeente Barneveld voor terrassen een tarief van € 32,95 per m2 per jaar en een tarief van € 21,95 per m2 indien een ondernemer uitsluitend gebruik wenst te maken van de mogelijkheid een terras of gevelzitplaatsen neer te zetten in het zomerseizoen (acht maanden; 1 maart tot 1 november).

Voor gevelzitplaatsen geldt respectievelijk € 16,50 per m2 en € 11,00 per m2.

4.3.3. Openingstijden terrassen en gevelzitplaatsen

In verband met het voorkomen van overlast, mag een terras van het horecabedrijf alleen worden geëxploiteerd van 06:00 uur tot uiterlijk 24:00 uur. Buiten de openingstijden van het terras mogen bezoekers van de horecagelegenheid geen consumpties op het terras nuttigen en/ of glazen mee naar buiten nemen.

Voor de gevelzitplaatsen bij detailhandel geldt dat aansluiting wordt gezocht bij de tijden van de hoofdactiviteit (winkeltijden). Daarbij geldt als uiterste regel dat deze zitplaatsen nimmer de tijden als benoemd in de winkeltijdenwet mogen overtreden.

4.3.4. Afmetingen terrassen

De afmetingen van een terras worden per situatie bepaald, op basis van de volgende uitgangspunten:

  • Terrassen die zijn gelegen voor de openbare inrichting zijn niet breder dan het pand van waaruit de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.

  • Terrassen op openbaar terrein mogen uitsluitend geplaatste worden conform de door de gemeente gewaarmerkte tekening. Op deze kaart zijn de oppervlakte en de locatie van het terras aangegeven.

  • Het terras en/of het terrasmeubilair mag niet op brandkranen of brandputten geplaatst worden. Tevens dienen (nood-)uitgangen van omliggende gebouwen te allen tijde vrij te blijven van obstakels.

  • Er moet te allen tijde een vrije doorgang voor voetgangers en minder validen gewaarborgd zijn. Derhalve dient er, indien het terras op het trottoir is gevestigd, te allen tijde minimaal 1,50 meter vrije ruimte over te blijven tussen het terras en de rand van trottoir.

  • Er moet te allen tijde een onbelemmerde doorgang mogelijk zijn voor de hulpverleningsdiensten. Dit betekent dat er een rijstrook van minimaal 3,5 meter en een doorrijhoogte van minimaal 4,2 meter beschikbaar moet zijn. Er mogen geen objecten op de rijbaan geplaatst worden.

Na het verlenen van een exploitatievergunning (waaronder een terras), zorgt de gemeente daar waar mogelijk voor markeringen in het wegdek (in de vorm van punaises) die de grenzen van het terras aangeven. Het terras mag géén grotere afmetingen hebben dan aangegeven op de bij de vergunning behorende tekening en zoals met markeerpunten in het wegdek is aangegeven. Tevens mogen de bezoekers buiten deze gemarkeerde afmetingen geen consumpties ontvangen.

Indien het terras gevestigd is op gemeentelijke grond blijft de locatie te allen tijde onderdeel van de openbare ruimte. Als er werkzaamheden uitgevoerd worden aan de openbare ruimte waar het terras staat mogen deze werkzaamheden niet gehinderd worden door het terras. Om die reden moet een terras verwijderd worden als hier door de gemeente om verzocht wordt.

4.3.5. Geluidsvoorschriften

Op horecabedrijven zijn de geldende geluidsnormen van het Besluit algemene regels voor inrichting milieubeheer ofwel het Activiteitenbesluit milieubeheer (zoals besproken in het in het juridische kader, landelijk) van toepassing. Omdat een terras dat bedrijfsmatig wordt gebruikt onderdeel is van het horecabedrijf, gelden de normen van het Activiteitenbesluit ook voor de terrassen. Het gaat hierbij dan in de hoofdzaak om bepalingen die tot doel hebben om hinder voor de omgeving te beperken of te voorkomen. Al het geluid, dat veroorzaakt wordt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen en de werkzaamheden die in de inrichting worden verricht, valt in beginsel onder de geluidsnormen. Stemgeluid van bezoekers op een terras is niet in de beoordeling van bovenstaande geluidsnormen meegenomen. De hoofdregel is dat het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, bij het bepalen van het geluidsniveau buiten beschouwing wordt gelaten. Achtergrondmuziek is toegestaan, mits het geluidsniveau binnen de maximaal toegestane geluidsnormen valt van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

4.3.6. Barbecue, mobiele keuken of tap op het terras

De afgelopen jaren hebben ondernemers de wens kenbaar gemaakt graag een barbecue of mobiele keuken te plaatsen op het terras. Omdat de gemeente de horeca de ruimte wil geven om te ondernemen wordt het plaatsen van een barbecue of mobiele keuken op het terras met ingang van deze nota horecabeleid toegestaan. In verband met de brandveiligheid en leefbaarheid wordt dit toegestaan mits:

Toelichting bij punt a: indien bij de gemeente klachten binnenkomen zal met de ondernemer worden overlegd over eventueel aanpassingen die de hinder en/of overlast beperken. Indien blijkt dat geen passende oplossing gevonden kan worden en indien het plaatsen van een barbecue of mobiele keuken ter plaatse gegronde overlast voor en aantasting van het woon- en leefklimaat inhoudt, dan is het niet langer toegestaan om een barbecue te plaatsen op het terras. In het uiterste geval zal handhavend opgetreden worden.

Toelichting bij punt b: het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt algemene regels aan horecabedrijven met betrekking tot het milieu. Belangrijke milieuthema's voor deze branche zijn geluid, lozingen, geur, veiligheid en afvalstoffen. Per thema gelden specifieke voorschriften. In de meeste gevallen is het niet nodig om een omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een milieu-inrichting aan te vragen, maar kan volstaan worden met een melding. Bij het starten of veranderen van activiteiten moeten bedrijven dit melden bij het bevoegd gezag. Zo ook in het geval een ondernemer een barbecue of mobiele keuken op het terras wil plaatsen. De melding voor deze activiteit kan digitaal worden gedaan via de website http://aimonline.nl. Na de melding wordt automatisch weergegeven aan welke eisen voldaan moet worden volgens het Activiteitenbesluit.

Toelichting bij punt c: de brandweer stelt eisen aan het plaatsen van een barbecue of mobiele keuken. Deze eisen zien op de gebruiksvoorschriften bij het bereiden van voedsel, de barbecue en de blusmiddelen die voorhanden zijn. Bij deze nota horecabeleid zijn deze regels in de bijlage opgenomen (zie bijlage I).

Het plaatsen van een tap op het terras is niet toegestaan. Een terras wordt, wat betreft de verstrekking van dranken, vanuit het besloten deel van de inrichting bediend. Dit in verband met het voorkomen van alcoholgebruik op de openbare weg.

4.3.7. Overkapping terras

Het plaatsen van een partytent op of over een terras wordt niet toegestaan. Het plaatsen van een tent in de openbare ruimte drukt een sterke stempel op het beeld en de uitstraling van die openbare ruimte. Een tent op of over het terras is, vanuit het oogpunt van het aanzien van de openbare ruimte en vanuit het oogpunt van brandveiligheid, dan ook niet gewenst.

Voor de voorschriften met betrekking tot overkappingen wordt in dit beleid verder verwezen naar de in november 2015 opgestelde notitie 'richtlijnen terrasoverkappingen & serres'. In verband met de wens van verschillende horecabedrijven in de gemeente om het terras te voorzien van een overkapping, zijn regels en richtlijnen opgesteld om ervoor te zorgen dat de overkapping geen negatief effect heeft op het straatbeeld en de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte. In de notitie zijn toetsingscriteria ten aanzien van de locatie en richtlijnen voor de terrasoverkappingen en serres opgenomen.

4.4. Integraal veiligheidsbeleid Barneveld

De gemeenten Barneveld, Nijkerk en Scherpenzeel stellen elke vier jaar samen met de politie, het Openbaar Ministerie en de overige veiligheidspartners een integraal veiligheidsplan op voor meerdere jaren. In dit plan worden vanuit de visie en de ambitie een drietal prioriteiten benoemd die een gezamenlijke gecoördineerde aanpak behoeven. In het huidige plan (Integraal Gemeentelijk Veiligheidsplan Barneveld 2015–2018) zijn als topprioriteiten aangemerkt: High Impact Crime (focus op woninginbraken), de aanpak van overlast in de woon- en leefomgeving en aanpak van drank- en drugs gebruik en -overlast.

Gelet op de ernst van de materie is bij deze topprioriteiten aangegeven dat hier in het bijzonder aan gewerkt wordt. Dit vertaalt zich met betrekking tot de overlast in de woon- en leefomgeving en, meer specifiek, tot de horeca in het organiseren van het horecaoverleg, mobiel cameratoezicht, toezicht door de Buitengewone Opsporingsambtenaren (BOA's) in de nacht van zaterdag op zondag in horecagebieden, een periodieke nachtelijke schouw en een stappenplan met betrekking tot jeugdoverlast (waarbij politie, BOA’s, jongerenwerkers en eventueel de veiligheidscoördinator worden betrokken). Met betrekking tot de aanpak van het drank- en drugsgebruik houdt de gemeente zich bezig met de naleving van de Drank- en Horecawet, wordt voorlichting gestimuleerd bij diverse instellingen, worden spreekuren gehouden door het Centrum voor Jeugd en Gezin en, wordt in samenwerking met buurgemeenten aandacht besteed aan drugsproblematiek (met name hennep).

Door deze integrale en brede aanpak wordt gewerkt aan de gestelde topprioriteiten. De focus op deze prioriteiten geldt, in ieder geval, voor de duur van het huidige integrale veiligheidsplan (2015–2018).

4.5. Evenementen

Voor dezelfde periode (2016–2020) als waarin deze nota horecabeleid geldt wordt ook een nieuw evenementenbeleid vastgesteld. Het vernieuwde evenementenbeleid sluit aan bij de risicoclassificatie van de VGGM en geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met aanvragen voor evenementen. In dit beleid wordt aangegeven wat van organisatoren verwacht wordt bij het organiseren van een evenement en hoe de risico’s op het terrein van de openbare orde, brandveiligheid, verkeer en vervoer en volksgezondheid worden herkend en gereguleerd. Indien een horecaondernemer een evenement wil organiseren dient hij net als een andere organisator een aparte aanvraag te doen op basis van de APV.

Wanneer bij een evenement ook de wens bestaat om alcoholhoudende drank te schenken dient hiervoor een aparte ontheffing op grond van de Drank- en horecawet te worden gevraagd. De houder van de ontheffing dient degene te zijn die ook daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het schenken en dus over de juiste papieren beschikt. Dit kan een ander zijn dan de organisator van het evenement. In de aanvraag om een evenementenvergunning dient altijd te worden aangegeven of er alcoholhoudende drank wordt geschonken of niet. Dit is van belang voor het vaststellen van de risicoclassificatie en de te nemen maatregelen door de organisator, welke ook worden vermeld in de verleende vergunning.

4.6. Drugs

In de bestuursrechtelijke aanpak tegen drugs is lokaal beleid vastgesteld ten aanzien van de aanwezigheid van hennepkwekerijen in woningen of (niet-) openbare gelegenheden en/ of de handel van zowel soften harddrugs vanuit deze locaties. De Wet Damocles geeft de burgemeester een bevoegdheid om op te treden tegen deze overtredingen. Om uitvoering te geven aan deze wet is in op maart 2016 het 'Damoclesbeleid gemeente Barneveld' in werking getreden. Met dit beleid is het mogelijk om woningen en lokalen waarin een hennepkwekerij wordt aangetroffen of van waaruit drugs worden verhandeld, voor een bepaalde periode volledig af te sluiten. Hiermee wordt beoogd het gevaar voor de openbare orde weg te nemen en het woon- en leefklimaat te herstellen.

Naast de aanpak ter uitvoering van de Wet Damocles geldt in de gemeente Barneveld een nulbeleid ten aanzien van coffeeshops. In de bestuursrechtelijke aanpak tegen drugs is afgesproken geen coffeeshops in de gemeente te gedogen. Deze afspraak is vastgelegd in de 'drugsnota Gemeente Barneveld' uit 1997. Mocht er onverhoopt een verkooppunt van cannabis gevestigd worden, dan zal hier handhavend tegen worden opgetreden. Ook wanneer het verkooppunt zich aan de gedoogvoorwaarden van het Openbaar Ministerie houdt ((BI)AHOJG-criteria) is dit nog niet toegestaan. Het gaat immers om een illegaal verkooppunt.

In de aanpak tegen drugs is ten slotte in de APV opgenomen dat het in de gemeente Barneveld verboden is om op de weg, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, softdrugs 10 te gebruik of openlijk voorhanden te hebben 11 . Het verbod op softdrugsgebruik of het om handen hebben van softdrugs geldt onverminderd in een straal van 500 meter rondom onderwijsinstellingen.

4.7. Verboden drankgebruik

Op grond van artikel 51 APV Barneveld is het voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 12 13 In 2015 is het met een aanwijzingsbesluit door het college gebruik gemaakt van deze bevoegdheid en zijn gebieden aangewezen gebaseerd op de locaties waar in het verleden overlast heeft plaatsgevonden. De aangewezen gebieden zijn met name gelegen rondom de uitgaansgebieden, supermarkten, sportverenigingen, pleinen, speeltuinen, scholen, openbare parkeerplaatsen en recreatiegebied Zeumeren 14 . Het gebruik van alcohol in het openbaar op deze locaties kan leiden tot een verstoring van de openbare ruimte en tot overlastsituaties. Om die reden wordt het wenselijk geacht om deze locaties aan te wijzen als gebied waar het gebruik van alcoholhoudende drank of het bij zich hebben van aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank niet toegestaan is. Voor de lijst van gebieden en kaarten met de aangewezen gebieden wordt in dit beleid verwezen naar het 'Besluit tot het aanwijzen van gebieden waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben (art. 51 APV)'.

4.8. Bibob procedure

Zoals besproken in het juridische kader landelijk, beoogt de wet Bibob te voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert door onbewust vergunningen te verstrekken ten behoeve van illegale praktijken. De Wet Bibob verschaft aan de gemeente een beleidsruimte bij de besluitvorming omtrent de toepassing van de hun toegekende bevoegdheden. Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft de gemeente beleidsregels opgesteld: de Beleidsregels Wet Bibob Gemeente Barneveld 2012. 15 Deze beleidsregels hebben tot doel duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop het bestuursorgaan de Wet Bibob toepast.

De beleidsregels bepalen dat het bestuursorgaan in geval van een horecabedrijf met vergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, altijd de wet Bibob toepast. Er is in ieder geval aanleiding om de Wet Bibob toe te passen indien er op basis van de indicatorenlijst aanwijzingen zijn dat de beschikking of opdracht mogelijk mede kan worden gebuikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Deze aanleiding kan er ook zijn omdat dergelijke aanwijzingen blijken uit feiten en/of omstandigheden waarmee de gemeente op andere wijze bekend is geworden. Tot slot bestaat er aanleiding om de wet Bibob toe te passen in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

Bij een vergunningsaanvraag, zowel exploitatie als drank- en horecavergunning, vult de aanvrager een algemeen vragenformulier in op grond van artikel 30 van de Wet Bibob. Een medewerker van het team Veiligheid, Vergunningen en Toezicht zal deze aanvraag behandelen (mede aan de hand van de bij het bestuursorgaan bekende feiten en omstandigheden, alsmede aan de hand van de ingevulde indicatorenlijst). Het openbaar bestuur mag in het kader van een vergunning zelf een (beperkt) onderzoek doen naar de antecedenten van de aanvrager. Daarbij moet worden gedacht aan de herkomst van diens vermogen, zijn financieringsrelaties en zijn bezittingen. Omdat het openbaar bestuur beperkt is in haar mogelijkheden, kan zij advies vragen aan het landelijk Bureau Bibob. Dit bureau heeft inzage in nagenoeg alle registers. Het bestuursorgaan informeert de aanvrager van de vergunning schriftelijk over een adviesaanvraag aan het landelijk bureau Bibob.

In het kader van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan de volgende beslissingen nemen:

  • 1.

    De vergunning wordt verleend

  • 2.

    De vergunning wordt afgewezen op grond van de Wet Bibob 3. Het bestuursorgaan wint advies in bij het landelijk Bureau Bibob.

Tot slot bestaat er geen mogelijkheid om tegen het Bibob advies van het Bureau Bibob in bezwaar of beroep te gaan. De bezwaar- en beroepsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op Bibob-adviezen. Deze bepalingen zijn wel van toepassing op de uiteindelijke beschikking van het bestuursorgaan om geen vergunning te verlenen of de bestaande vergunning in te trekken.

4.9. Paracommercie

In de Drank- en Horecawet is aan de gemeenten de verplichting gesteld om voor 1 januari 2014 een verordening op te stellen om alcoholverstrekking in paracommerciële horeca te reguleren. De belangrijkste doelen hiervan zijn het voorkomen van oneerlijke concurrentie met reguliere horeca en het bevorderen van verantwoorde alcoholverstrekking in de paracommerciële horecabedrijven. In de gemeente Barneveld is ter uitvoering van deze verplichting de Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld van kracht. Deze is gebaseerd op een model dat in regionaal verband is voorbereid.

Lokaal gelden op basis van de Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld voor paracommerciële inrichtingen de onderstaande schenktijden voor alcoholhoudende drank. 16 Voor alle duidelijkheid: de schenktijden hoeven niet overeen te komen met de openingstijden.

foto

In In afwijking van deze tijden hanteren de in onderstaand schema opgenomen typen de in het onderstaand schema typen paracommerciële inrichtingen de hierna opgenomen schenktijden 17

foto

De burgemeester kan op aanvraag permanent, dan wel tijdelijk, ontheffing verlenen van de hierboven gestelde schenktijden. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 18

In de verordening is verder ter voorkoming van oneerlijke mededinging geregeld dat het verboden is in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften of partijen, of tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersonen zijn betrokken. 19 Dit verbod is niet van toepassing op gemeenschapshuizen die met middelen van de overheid zijn opgericht om de hierboven genoemde bijeenkomsten te faciliteren.

De burgemeester kan met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard op aanvraag voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen ontheffing verlenen van alle hierboven gestelde regels uit artikel 7, 8 en 9 van de Drank- en horecaverordening. 20

Het beginsel 'Lex silencio positivo', waarmee een vergunning van rechtswege wordt verleend indien het bevoegde orgaan bij een aanvraag te laat of niet reageert, is bij niet van toepassing op de facultatieve ontheffingen uit de Drank- en horecaverordening.

4.10. Volksgezondheid

In de Drank- en Horecawet is aan de gemeenteraad de verplichting opgelegd om uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van het desbetreffende artikel een preventie-en handhavingsplan alcohol vast te stellen. In Barneveld is hier aan voldaan door het 'Preventie- en Handhavingsplan gemeente Barneveld'. Dit plan is regionaal opgesteld in het kader van het FrisValley project. 21

In dit plan is opgenomen wat de doelstellingen zijn van het preventie- en handhavingsplan alcohol, welke acties worden ondernomen om alcoholgebruik te voorkomen, welke handhavingssancties worden ondernomen en de wijze waarop het handhavingsbeleid wordt uitgevoerd en de beoogde resultaten.

De acties en activiteiten zijn met name gericht op de jonge drinkers. Hierbij spelen intermediairs als ouders, alcoholverstrekkers en scholen een belangrijke rol met betrekking tot voorlichting, educatie en communicatie.

Behalve de acties zoals opgenomen in het Preventie- en Handhavingsplan geldt in het kader van volksgezondheid tevens de door de gemeente vastgestelde regelgeving die van directe invloed is op het alcoholgebruik door jongeren. Hiermee wordt verwezen naar de Drank- en Horecawetverordening, het evenementenbeleid en het keetbeleid. De Drank- en Horecawetverordening en het evenementenbeleid zijn hierboven reeds aangehaald. Het Keetbeleid is opgenomen in de in 2008 opgestelde Nota ketenbeleid gemeente Barneveld. Hierin is opgenomen dat commerciële keten direct worden aangepakt, buurtketen worden afgebouwd (deze kent de gemeente Barneveld niet op het moment van schrijven) en dat (verlengde) huiskamerketen – onder voorwaarden- kunnen blijven bestaan.

5. Organisatie in de gemeente Barneveld

Samenvatting

Bij de landelijke en lokale wetgeving zijn de vergunningen en ontheffingen uiteengezet die een ondernemer kan aanvragen voor zijn zaak. In dit hoofdstuk wordt het proces van vergunningverlening besproken. Kort gezegd komen alle vergunningsaanvragen terecht bij de medewerkers van het team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht. Aldaar worden de termijnen van vergunningverlening bewaakt en de toetsing van de vergunningsaanvraag gecoördineerd. Een aanvraag wordt getoetst door verschillende gemeentelijke diensten, politie, omgevingsdienst en de Veiligheidsregio. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet waar en wanneer een ondernemer een vergunning aan moet vragen, hoe het proces van aanvraag tot vergunning in de gemeente Barneveld verloopt en hoe lang een proces in beslag neemt.

5.1. Jaarlijks overzicht vergunningen

Voorafgaand aan een nieuw kalenderjaar wordt aan alle ondernemers met vergunningen omtrent horeca in de gemeente Barneveld een overzicht gestuurd ten behoeve van de vergunningverlening. In dit overzicht, dat door een medewerker van het team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht wordt verstrekt, staan onder andere de adresgegevens en eerder aangevraagde (en lopende) vergunningen, ontheffingen en/of gedane meldingen met betrekking tot exploitatie (en daarbij in gebruik te nemen gemeentegrond), sluitingstijden, Drank- en Horecawet en leidinggevenden. Indien deze gegevens wijziging behoeven voor het daaropvolgende jaar wordt de ondernemer gevraagd te reageren op deze brief. Bij geen reactie worden de vergunningen die gelden voor de duur van één jaar, mits er zich geen bijzondere situaties voordoen, opnieuw verstrekt voor de duur van één kalenderjaar. De leges en eventuele precariokosten worden aan de hand van het opgestuurde overzicht opnieuw berekend. Indien er geen reactie volgt terwijl toch een wijziging van de gegevens nodig blijkt kan dit uiteraard worden afgestemd met de betrokken medewerker binnen het team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht. Het overzicht wordt louter verstrekt om ondernemers in te laten zien welke zaken op dit moment zijn aangevraagd en gemeld, zodat de nieuwe vergunningen tijdig opgemaakt kunnen worden voor het nieuwe jaar.

5.2. Ondernemingsdossier

Aanvragen, wijzigingen en meldingen kunnen naar keuze op twee verschillende manieren aan de gemeente worden toegezonden. Ten eerste is het mogelijk om via de website van de gemeente (www.barneveld.nl; via digitaal loket, formulieren en ondernemen), formulieren te downloaden en deze vervolgens per post of digitaal aan de gemeente te zenden. Een tweede mogelijkheid, welke de gemeente graag wil stimuleren, is gebruik van het online platform 'het ondernemingsdossier'.

Het ondernemingsdossier is een digitaal dossier voor (horeca)ondernemers van commerciële horecagelegenheden en paracommerciële instellingen. 22 De informatievoorziening en aanvraagbehandeling tussen onderneming en gemeente wordt op deze manier makkelijker en efficiënter ingericht. Voor de ondernemer heeft het ondernemingsdossier veel voordelen:

  • Digitale vergunningen aanvragen en meldingen kunnen gedaan worden waar en wanneer het de ondernemer uitkomt;

  • het systeem wijst op verplichte velden en bijlagen, waarmee voorkomen wordt dat onvolledige aanvragen worden gedaan (en dientengevolge een aanvraag niet in behandeling genomen kan worden);

  • een ondernemer hoeft de reeds bekende gegevens niet opnieuw in te vullen;

  • een ondernemer heeft direct inzicht in relevante wet- en regelgeving en eventueel te nemen acties;

  • alle informatie staat op een centrale plek bij elkaar en is derhalve overal en altijd beschikbaar;

  • een ondernemer kan een melding instellen als acties of vergunning verlopen;

  • het systeem voorziet in diverse regelhulpen die wet- en regelgeving in een model van vraag- en antwoorddialogen weergeeft.

Bezoekt een ondernemer voor de eerste keer de website van het ondernemingsdossier, dan moet een wachtwoord (een zogenaamde e-herkenning) aangevraagd worden. Deze inloggegevens worden enkele werkdagen later per post toegestuurd. Met deze gegevens kan een ondernemer vanaf dat moment gebruik maken van het ondernemingsdossier.

De volgende zaken kunnen (bij aanvang van dit beleid) via het ondernemingsdossier geregeld worden:

  • 1.

    Exploitatievergunning (inclusief terras) aanvragen;

  • 2.

    Drank- en horecavergunning aanvragen;

  • 3.

    Aan- of afmelden van leidinggevende;

  • 4.

    Aanvragen verlenging sluitingstijden;

  • 5.

    Aanvragen van een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten;

  • 6.

    Acties inplannen middels diverse regelhulpen om aan de wet- en regelgeving te kunnen voldoen.

De gemeente wil stimuleren dat ondernemers alle zaken met betrekking tot horeca regelen via het ondernemingsdossier. Dientengevolge kan een ondernemer, indien een vergunning wordt aangevraagd via het ondernemingsdossier, rekenen op een kortingstarief van twintig procent op de leges van de desbetreffende vergunning. Dit kortingstarief is van toepassing bij de volgende diensten: aanvraag exploitatievergunning, aanvraag drank- en horecavergunning, aanvraag vergunning verruiming sluitingstijd en het bijschrijven van leidinggevenden.

5.3. Vergunningen

5.3.1. Exploitatievergunning

Een ondernemer heeft in de gemeente Barneveld een exploitatievergunning nodig als hij/zij eten en/of drinken verkoopt dat mensen direct in de zaak of op het terras consumeren. Dit geldt niet alleen voor cafés of restaurants, maar bijvoorbeeld ook voor een jongerencentrum, een cafetaria of een sportvereniging met kantine. De exploitatievergunning wordt verleend aan en op naam gezet van de houder 23 en is niet overdraagbaar. In een exploitatievergunning worden de volgde zaken vastgesteld:

  • de ondernemingsvorm van het bedrijf;

  • het adres;

  • de soort en omvang van de activiteit van het horecabedrijf;

  • de voorschriften voor exploitatie;

  • de toestemming en omvang van een terras in het geval dit is aangevraagd.

In de APV zijn een aantal gevallen benoemd waarbij geen exploitatievergunning is vereist voor een openbare inrichting, dit is het geval indien de openbare inrichting zich bevindt in:

  • 1.

    een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  • 2.

    een zorginstelling;

  • 3.

    een museum;

  • 4.

    een bedrijfskantine- of restaurant.

In een aantal gevallen dient de exploitatievergunning opnieuw aangevraagd of gewijzigd te worden, dit is verplicht indien:

  • de rechtsvorm van de onderneming verandert (bijvoorbeeld van een eenmanszaak naar een BV). In dat geval dient de ondernemer een wijziging van de exploitatievergunning aan te vragen;

  • de horecagelegenheid wordt overgenomen. Heeft de horecaonderneming nog een geldige vergunning en blijven de openingstijden en de exploitatievorm ongewijzigd, dan heeft de nieuwe ondernemer vanaf het moment van overname vier wekende tijd om de nieuwe vergunning aan te vragen. Zolang de bestaande vergunning nog geldig is, mag die aangehouden worden totdat een beslissing is genomen over de aanvraag.

  • de horecagelegenheid verhuist naar een ander adres. In dat geval dient de horecaondernemer een nieuwe vergunning aan te vragen.

  • de zaak bouwkundig gewijzigd of uitgebreid wordt. In dat geval dient de ondernemer een wijziging van de exploitatievergunning aan te vragen;

  • de wens bestaat een terras te exploiteren of uit te breiden. In dat geval dient de ondernemer een wijziging van de exploitatievergunning aan te vragen;

  • een nieuwe activiteit uitgevoerd gaat worden. In dat geval dient een ondernemer contact op te nemen over een eventueel aan te vragen wijziging van de exploitatievergunning.

Als de aanvraag volledig is ingediend en alle benodigde documenten zijn aangeleverd kan een aanvraag in behandeling worden genomen. Daarna duurt de beslistermijn van een exploitatievergunning, mits er zich geen bijzondere situaties voordoen, maximaal acht weken. Deze periode kan op basis van artikel 2 lid 2 van de APV ten hoogste met acht weken worden verlengd. Doorgaans duurt een aanvraagprocedure in de Gemeente Barneveld zes tot acht weken. Bij een aanvraag om een horecabedrijf te exploiteren wordt er allereerst gekeken of het bedrijf past op de plek waar de wens bestaat om deze te vestigen. Zo zal het bestemmingsplan nader worden bekeken en wordt beoordeeld of het horecabedrijf geen nadelige invloed zal hebben op de omgeving. Ook wordt gekeken of de eigenaar en de leidinggevenden geschikt zijn om een horecaonderneming te leiden naar aanleiding van de in de APV gestelde eisen. Voor de verlening van de exploitatievergunning wordt altijd getoetst via de Bibob-procedure. Hierdoor kan een beslistermijn soms langer duren dan de hierboven genoemde termijn.

De exploitatievergunning (inclusief Bibob-formulier) kan via het ondernemingsdossier en via de website worden aangevraagd. De gemeente wil stimuleren dat ondernemers alle zaken met betrekking tot horeca regelen via het ondernemingsdossier. Dientengevolge kan een ondernemer, indien een exploitatievergunning wordt aangevraagd via het ondernemingsdossier, rekenen op een kortingstarief van twintig procent op de leges van deze vergunning.

De duur van de exploitatievergunning loopt voort zolang deze niet vervalt naar aanleiding van een beëindiging, een overdacht, het geen gebruik maken van de vergunning voor de duur van zes maanden na onherroepelijk worden van de vergunning, het geen gebruik maken van de vergunning gedurende een jaar wegens overmacht of het geheel intrekken door de burgemeester in verband met de ontoelaatbare woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of nadelige beïnvloeding op ontoelaatbare wijze van de openbare orde.

Voor de behandeling van de vergunningsaanvraag worden legeskosten in rekening gebracht. Deze kosten worden jaarlijks vastgesteld in de legesverordening van de gemeente Barneveld.

5.3.2. Ontheffing gevelzitplaatsen

De gemeente biedt met dit beleid en de nadere regels bij artikel 14 lid 3 APV een mogelijkheid om gevelzitplaatsen bij de detailhandel te creëren. Om gevelzitplaatsen te mogen creëren dient een ondernemer een ontheffing voor gevelzitplaatsen aan te vragen. Deze ontheffing kan aangevraagd worden via het ondernemingsdossieren via een formulier op de website van de gemeente Barneveld. 24 Als de aanvraag volledig is ingediend en alle benodigde documenten zijn aangeleverd kan een aanvraag in behandeling worden genomen. De aanvraag ontheffing gevelzitplaatsen wordt door een medewerker van het team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht behandeld. Per geval wordt zal beoordeeld worden of de voorgenomen uitvoering past binnen de gestelde normen van het beleid. Aan het besluit een ontheffing te verlenen kunnen voorschriften worden verbonden.

Omdat gevelzitplaatsen beschouwd worden als nieuwe keuzemogelijkheid voor ondernemers ten behoeve van de levendigheid in het centrum zal de ontheffing aanvankelijk worden verleend voor de periode van één jaar. Na afloop van dat jaar zal een evaluatie volgen van de nieuwe situatie. Indien het eerste peiljaar succesvol blijkt zal dit beleid worden voortgezet en worden doorlopende ontheffingen verleend.

Voor de ontheffing gevelzitplaatsen en, indien van toepassing, voor het gebruik van de gemeentelijke grond worden kosten berekend. Omdat de 'aanvraag ontheffing gevelzitplaatsen' een nieuwe keuzemogelijkheid is, wordt in 2016 gebruik gemaakt van de in de Legesverordening 2016 genoemde leges voor niet benoemde vergunningen, ontheffingen of andere beschikkingen. Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor deze – niet benoemde – ontheffing bedraagt € 28,20. Vόόr vaststelling van de legesverordening Barneveld 2017 zal de gemeente ervaringscijfers betreffende de aanvraagprocedure opdoen en bezien of deze aanleiding geven tot aanpassing van de leges. Voor de gebruiksvergoeding voor gemeentegrond hanteert de gemeente Barneveld ten tijde van het vaststellen van deze nota een tarief van € 16,50 per m2 per jaar (12 maanden) 25 . Indien een ondernemer uitsluitend gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om gevelzitplaatsen te creëren in het zomerseizoen (8 maanden) geldt een tarief van € 11,00.

5.3.3. Drank- en Horecawetvergunning

Een Drank- en Horecawetvergunning is vereist indien in een gelegenheid alcohol wordt geschonken aan klanten. Dat wil zeggen: in het geval alcohol wordt verkocht die mensen direct consumeren. Dit geldt zowel voor commerciële horecazaken, bijvoorbeeld een horecaondernemer met een café die voornemens is zwak- en of/ sterk alcoholische drank te schenken, alsook voor paracommerciële rechtspersonen, bijvoorbeeld kantines van sportverenigingen.

De Drank- en Horecawetvergunning is een aparte vergunning. Voor het exploiteren van een zaak waar alcohol wordt verkocht voor directe consumptie is in alle gevallen tevens een exploitatievergunning vereist. Deze beide vergunningen kunnen gelijktijdig worden aangevraagd. Zoals toegelicht in het juridisch kader landelijk onder het kopje Drank- en Horecawet, worden voor een Drank- en Horecawetvergunning eisen gesteld aan de inrichting van de horecazaak en aan de eigenaar en leidinggevenden van de horecazaak. Een Drank- en Horecawetvergunning wordt alleen verstrekt als de horecagelegenheid voldoet aan de gestelde eisen uit de Drank- en Horecawet.

Als de aanvraag volledig is ingediend en alle benodigde documenten zijn aangeleverd kan een aanvraag in behandeling worden genomen. Daarna duurt de aanvraagprocedure van een Drank- en Horecawetvergunning, mits er zich geen bijzondere situaties voordoen, maximaal acht weken. Deze periode kan ten hoogste met acht weken worden verlengd.

Naast de eisen die gesteld worden aan de persoon van de ondernemer en de leidinggevenden (zie Drank- en Horecawet onder juridisch kader landelijk) is het verplicht dat alle leidinggevenden worden vermeld op de vergunning. Is er sprake van een eenmanszaak of een vennootschap onder firma, dan is de ondernemer zelf ook leidinggevende. Bij een BV worden ook alle bestuurders als leidinggevenden beschouwd. Dit heeft als gevolg dat zij die als leidinggevende worden beschouwd ook dienen te voldoen aan de eisen die gesteld worden aan de leidinggevende. 26 In een commerciële horecagelegenheid moet altijd minimaal één leidinggevende aanwezig zijn als de zaak voor publiek toegankelijk is. Voor paracommerciële horeca inrichtingen gelden andere regels. Hier geldt dat er minimaal twee leidinggevenden op de Drank- en Horecawetvergunning moeten staan. Zij hebben echter geen aanwezigheidsplicht als de paracommerciële inrichting geopend is. Wel moet er altijd minimaal één barvrijwilliger aanwezig zijn die een voorlichtingsinstructie heeft ontvangen op het gebied van sociale hygiëne, de Instructie Verantwoord Alcoholschenken (IVA). Het bijschrijven van leidinggevenden dient via het ondernemingsdossier of via een formulier gemeld te worden bij de gemeente. Een afschrift van de ontvangstbevestiging van de melding dient in het horecabedrijf aanwezig te zijn.

Bij commerciële horecabedrijven raadt de gemeente ten zeerste aan dat elke bedrijf meerdere leidinggevenden op de vergunning schrijft in het geval dit mogelijk is. De ervaring leert dat één leidinggevende bij een horeca inrichting met een drank- en horecavergunning problemen kan opleveren in het geval zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Dit vanwege de vereiste dat er altijd een leidinggevende aanwezig dient te zijn als er alcoholhoudende dranken worden geschonken. Een voorbeeld: een horecaondernemer is enig leidinggevende op de drank- en horecavergunning van zijn onderneming. Bij ziekte en dientengevolge afwezigheid van deze leidinggevende mag er op dat moment geen alcohol geschonken worden in het bedrijf. Om dergelijke situaties te voorkomen raadt de gemeente aan, indien mogelijk, meerdere leidinggevenden op de vergunning bij te schrijven.

In een aantal gevallen dient de Drank- en horecawetvergunning gewijzigd te worden, dit is verplicht indien:

  • 1.

    Er een wijziging optreedt met betrekking tot de leidinggevenden. In dat geval moeten deze worden bijgeschreven op het aanhangsel van de vergunning;

  • 2.

    de zaak bouwkundig uitbreidt. In dat geval dient de ondernemer een wijziging van de drank- en horecavergunning aan te vragen;

  • 3.

    de rechtsvorm van de onderneming verandert (bijvoorbeeld van een eenmanszaak naar een BV).

In dat geval dient de ondernemer een wijziging van de drank- en horecavergunning aan te vragen;

De Drank- en Horecawetvergunning kan via het ondernemingsdossier en via de website worden aangevraagd. Tevens kunnen leidinggevenden op deze wijze aan- en afgemeld worden. De gemeente wil stimuleren dat ondernemers alle zaken met betrekking tot horeca regelen via het ondernemingsdossier. Dientengevolge kan een ondernemer, indien een vergunning wordt aangevraagd via het ondernemingsdossier, rekenen op een kortingstarief van twintig procent op de leges van de desbetreffende vergunning. Ditzelfde kortingstarief wordt gehanteerd ten aanzien van het bijschrijven van leidinggevenden.

Voor de behandeling van de vergunningsaanvraag en voor het bijschrijven van leidinggevenden worden legeskosten in rekening gebracht. Deze kosten worden jaarlijks vastgesteld in de legesverordening van de gemeente Barneveld.

5.3.4. Vergunning verruiming sluitingstijd

Met betrekking tot de sluitingstijden is het de houder van een openbare inrichting verboden zonder een vergunning verruiming sluitingsuur de lokaliteit geopend te hebben tussen 24.00 en 06:00 uur. 27 Wil de houder van een openbare inrichting buiten deze tijden de zaak exploiteren, dan moet een vergunning verruiming sluitingstijd aangevraagd worden. Bij de lokale wetgeving onder 'opening en sluiting horecagelegenheden' is een toelichting gegeven op de sluitingstijden van de verschillende horecagelegenheden. De openstelling kan, afhankelijk van het soort horecagelegenheid en de dag van de week, worden verruimd tot respectievelijk 01:00, 02:00 of 03:00 uur. Deze vergunning geldt niet voor een eventueel bij de openbare inrichting behorend terras.

Als de aanvraag volledig is ingediend en alle benodigde documenten zijn aangeleverd kan een aanvraag in behandeling worden genomen. Na de aanvraag zal een medewerker van het Team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht de aanvraag toetsen en, indien de aangevraagde tijden mogelijk zijn volgens de APV en nadere regels, de vergunning verlenen. De aanvraagprocedure van een vergunning verruiming sluitingstijd neemt ongeveer vier weken in beslag. De vergunning verruiming sluitingstijd wordt elk jaar opnieuw verstrekt. Deze geldt dus voor de looptijd van één jaar. Indien er naar aanleiding van het toegestuurde overzicht geen wijziging wordt doorgegeven wordt deze automatisch opnieuw verstrekt.

De vergunning verruiming sluitingstijd kan via het ondernemingsdossier en via de website worden aangevraagd. De gemeente wil stimuleren dat ondernemers alle zaken met betrekking tot horeca regelen via het ondernemingsdossier. Dientengevolge kan een ondernemer, indien de vergunning verruiming sluitingstijd wordt aangevraagd via het ondernemingsdossier, rekenen op een kortingstarief van twintig procent op de leges van de deze vergunning.

Voor de behandeling van de vergunningsaanvraag worden legeskosten in rekening gebracht. Deze kosten worden jaarlijks vastgesteld in de legesverordening van de gemeente Barneveld.

5.3.5. Aanwezigheidsvergunning

Indien een ondernemer speelautomaten wil plaatsen in een horecabedrijf dient een aanwezigheidsvergunning aangevraagd te worden. Deze is vereist bij speelautomaten waarmee geld te winnen is, bijvoorbeeld fruitautomaten. Een ondernemer kan maximaal twee kansspelautomaten aanvragen indien de horeca inrichting als hoogdrempelig wordt bestempeld. In het juridisch kader landelijk is meer te lezen over het verschil tussen laag- en hoogdrempelige inrichtingen. Ook de aanwezigheidsvergunning kan via het ondernemingsdossier en via het aanvraagformulier op de website van de gemeente worden aangevraagd. De aanvraagprocedure van een aanwezigheidsvergunning duurt maximaal acht weken. Doorgaans neemt de aanvraagprocedure van deze vergunning ongeveer vier weken in beslag. De aanwezigheidsvergunning wordt elk jaar opnieuw verstrekt. Deze geldt dus voor de looptijd van één jaar. Indien er naar aanleiding van het toegestuurde overzicht geen wijziging wordt doorgegeven wordt deze automatisch opnieuw verstrekt.

Voor de behandeling van de vergunningsaanvraag worden legeskosten in rekening gebracht. De leges voor de aanwezigheidsvergunning zijn landelijk vastgesteld in het Speelautomatenbesluit 2000. Bij één kansspelautomaat geldt een tarief van ten hoogste € 56,50 voor de vergunning en bij twee kansspelautomaten (het maximum) een tarief van ten hoogste € 90,50 euro. Deze tarieven zijn in de gemeente Barneveld van toepassing.

5.4. Publicatie vergunningen

Nieuwe aanvragen exploitatievergunning, nieuwe aanvragen Drank- en Horecawetvergunning en de aanvraag ontheffing gevelzitplaatsen worden per 1 juli 2016 gepubliceerd in het Gemeenteblad en op de pagina 'bekendmakingen' van de website van de gemeente Barneveld. Omwonenden en andere belanghebbende hebben veertien dagen de tijd om schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken waarna definitieve besluitvorming plaats zal vinden. Dit betekent dat zij hun mening kunnen geven over de plannen ten tijde van de behandeling van de aanvraag. Tevens staat de mogelijkheid open om bezwaar te maken tot zes weken nadat een vergunning is verleend.

Een zienswijze moet binnen veertien dagen na publicatie binnen zijn. Deze kan gericht worden aan:

De burgemeester

T.a.v. Team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht

Afdeling Bestuur & Dienstverlening

Onder vermelding van: zienswijze aanvraag (locatie aanvraag vermelden)

Postbus 63

3770 AB Barneveld

Een zienswijze kan tevens digitaal toegezonden worden naar horeca@barneveld.nl.

5.5. Ontvangst vergunningen

Op alle aanvragen, wijzigingen en meldingen wordt namens de gemeente in ieder geval terstond gereageerd met een ontvangstbevestiging. Indien deze aanvraag, wijziging of melding gedaan is via het ondernemingsdossier zal ook de communicatie via dezelfde weg naar de ondernemer terug worden gezonden. Indien een aanvraag, wijziging en/of melding via een formulier aan de gemeente is toegezonden zal een reactie worden gestuurd naar het opgegeven correspondentieadres. Daarenboven worden ondernemers bij nieuwe aanvragen uitgenodigd voor een gesprek met een medewerker van team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht.

Het is verboden om een horeca inrichting te exploiteren en/of drank te verstrekken, kansspelautomaten aanwezig te hebben of gevelzitplaatsen te creëren alvorens een vergunning of ontheffing voor deze activiteiten is verleend en verkregen.

5.6. Handhaving

Voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van de regelgeving voor horeca-inrichtingen zijn verschillende instanties verantwoordelijk. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de brandweer, de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Omgevingsdienst de Vallei (OddV) en de gemeente. De gemeente acht de ondernemers primair verantwoordelijk voor hun zaak, klanten, omwonenden en omgeving. Wangedrag voor de deur door klanten of overmatig alcoholgebruik in de horecazaak worden tegengegaan door de ondernemer.

De gemeente heeft met betrekking tot de horeca een verantwoordelijkheid waar het gaat om toezicht en/of naleving van het Bouwbesluit 2012, de Drank- en Horecawet 28 , de Wet op de kansspelen, de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV), nadere regels en de beleidsregels. Daarnaast houden de Bijzondere Opsporingsambtenaren van de gemeente zich bezig met het toezicht. Effectief toezicht heeft een preventieve en een repressieve functie en heeft tot doel om zowel feitelijke vormen van onveiligheid als gevoelens van onveiligheid te verminderen.

In de gemeente Barneveld geldt nalevingsbeleid ten aanzien van de handhaving. Per september 2016 zal het geactualiseerde nalevingsbeleid integraal onderdeel uit gaan maken van de nota gezondheidsbeleid van de gemeente Barneveld. 29 In het nalevingsbeleid zijn beleidsregels opgesteld met betrekking tot de wijze waarop door de gemeente handhaving plaatsvindt. Handhaving heeft tot doel bij een geconstateerde overtreding door een horecabedrijf een passende maatregel op te leggen die qua zwaarte zo goed mogelijk aansluit bij de ernst van de overtreding. Daarnaast is het een doel om de horecaondernemer duidelijkheid te verschaffen over de te volgen maatregel. Uitgangspunten bij dit beleid zijn en blijven het terugdringen en voorkomen van aantasting van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat.

De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid in de gemeente. Hij beschikt over een scala aan bestuurlijke middelen om de openbare orde en veiligheid te beschermen. Bij elke type overtreding staat in het nalevingsbeleid beschreven welke sanctioneringstappen in acht worden genomen in het kader van handhaving. Dit vindt plaats volgens een zogeheten stappenplan. Dat betekent dat wanneer ondanks een eerdere sanctie wederom dezelfde overtreding wordt begaan, een volgende zwaardere stap volgt. Elk stappenplan kent tot slot een verjaringstermijn voor wat betreft de sanctioneringsstappen.

5.7. Communicatie en overlegstructuren

De basis van een goede samenwerking tussen gemeente, brandweer, politie, horecaondernemers, Koninklijke Horeca Nederland en ondernemers begint bij een goede communicatie en wederzijdse uitwisseling van informatie en ideeën. De overlegstructuur tussen horeca en gemeente moet de communicatie waarborgen. De gemeente Barneveld kent een vaste overlegstructuur met betrekking tot horeca gerelateerde onderwerpen. Zo bestaat er een periodiek horeca overleg waarbij horecaondernemers, 30 omwonenden, een vertegenwoordiging van Koninklijke Horeca Nederland, politie en betrokken medewerkers van de gemeente (vergunningverlening, beleid en handhaving) aansluiten. Tijdens dit overleg worden alle zaken aangaande horeca besproken en is er ruimte om vragen te stellen. Voorafgaand aan dit overleg vindt een overleg plaats tussen de medewerkers van de gemeente en de vertegenwoordiging van Koninklijke Horeca Nederland.

Horecaondernemers kunnen tevens hun vragen stellen bij medewerkers van het team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht en het Ondernemersloket van de gemeente Barneveld. Medewerkers van het team Veiligheid, Vergunningen en Toezicht kunnen de ondernemer meer vertellen over het beleid en de aanvraag van ontheffingen en vergunningen. Het Ondernemersloket is daarnaast de schakel tussen het lokale bedrijfsleven en de gemeente. Voor overige vragen over onder andere bestemmingsplannen, horeca en detailhandel of de kortste weg naar de juiste informatie binnen de gemeente kan een ondernemer altijd contact opnemen met het Ondernemersloket.

6. Overige bepalingen

6.1. Evaluatie

De samenleving, ook in de Gemeente Barneveld, is voortdurend aan verandering bezig. Nieuwe ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op en het moet mogelijk zijn om hierop in te spelen. Het is dan ook belangrijk om het horecabeleid regelmatig te evalueren. Om die reden wordt deze nota horecabeleid vier jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. Nieuwe ontwikkelingen kunnen dan worden meegenomen. Als bovendien uit de overlegstructuren of uit evaluatie blijkt dat de nota horecabeleid leidt tot onbedoelde (neven)effecten, dan zullen zo spoedig mogelijk aanvullende regels worden gesteld en/of andere maatregelen genomen worden.

6.2. Inwerkingtreding

Deze nota horecabeleid 2016–2020 treedt in werking op 1 juli 2016.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op

14 juni 2016,

Burgemeester en wethouders en de burgemeester voornoemd,
drs. D. Bakhuizen
Secretaris
dr.J.W.A. van Dijk,
Burgemeester

Bijlage 1: Regels met betrekking tot het plaatsen van een barbecue of mobiele keuken

1. Kleine blusmiddelen

  • 1.1

    Op plaatsen waar gekookt, gebakken en/of gebraden wordt dient een brandblusapparaat aanwezig te zijn met een inhoud van ten minste 6 kg poeder (of gelijkwaardig).

  • 1.2

    Een klein blusmiddel moet voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn, voor direct gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren.

  • 1.3

    Een klein blusmiddel moet zijn verzegeld en voorzien van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer en moet ten minste eenmaal per twee jaar op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Een draagbaar blustoestel moet zijn voorzien van een label of sticker waarop de laatste controledatum is aangegeven.

  • 1.4

    Na gebruik van een blustoestel moet deze onmiddellijk gevuld c.q. vervangen worden. Dit geldt ook indien het blustoestel niet geheel leeg is.

2. Gebruiksvoorschriften bij het bereiden van voedsel

  • 2.1.

    Het bereiden van voedsel dient op een zodanige wijze plaats te vinden dat hierdoor geen brandgevaar ontstaat en bij een brand de uitbreiding beperkt blijft.

  • 2.2.

    Gasinstallaties, niet zijnde mobiele bakwagens

    • Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte.

    • De slangen van een gasfles (naar een verbruikstoestel) moeten in goede staat van onderhoud verkeren, mogen niet uitgedroogd zijn of andere beschadigingen vertonen en is niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar.

    • Een gasfles moet zijn voorzien van een door het Lloyd’s Register - Stoomwezen erkend geldig keurmerk.

    • De gasdrukregelaar van een gasfles moet een door het Lloyd’s Register - Stoomwezen goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar zijn.

    • Gasflessen, afsluiters en veiligheidstoestellen mogen uitsluitend door hiertoe aangewezen en deskundig personeel of door de leverancier worden gerepareerd of veranderd.

    • Flessen en tanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege fles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard.

    • Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd.

    • De ruimte waarin de gasfles(sen) staan:

      • moeten op de buitenlucht zijn geventileerd door middel van tenminste twee, zover mogelijk uit elkaar liggende, niet afsluitbare ventilatieopeningen nabij, of in de vloer;

      • moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte;

      • moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte;

      • mag slechts van buitenaf door middel van een deur of luik bereikbaar zijn;

    • Een gasflessenopslag moet voldoen aan de eisen zoals omschreven in deel 15 Avan de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 15), met name Hoofdstuk 6 van deze PGS 15.

    • Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten, gemeten vanuit het hart van de rioolput.

  • 2.3

    Bakkramen, niet zijnde mobiele bakwagens

    • Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmedium niet boven 200°C kan oplopen.

    • Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt.

    • Het draagvlak onder de bak- en braadtoestellen moet ten minste 0,1 meter buiten de toestellen onbrandbaar zijn dan wel zijn bekleed met een onbrandbaar en de warmte slecht geleidende materiaal. De wanden, in de nabijheid waarvan toestellen zijn geplaatst, moeten 0,30 meter buiten het toestel op dezelfde wijze zijn bekleed.

    • Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende bebouwing gelden de volgende opstellingseisen:

      • kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels van omliggende bebouwing toegestaan;

      • kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels van omliggende bebouwing met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel, zowel naar links als naar rechts toe;

      • een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de kraam of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.

3. Barbecue

  • 3.1.

    Er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon.

  • 3.2.

    De barbecue moet op een open plaats staan die erboven en ten minste 2 meter rondom vrij is van opstallen, bomen en struiken;

  • 3.3.

    Een barbecue moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze niet eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten;

  • 3.4.

    Vaste brandstof (niet anders zijnde dan briketten of houtskool) in een barbecue mag alléén ontstoken worden met aanmaakblokjes, aanmaakvloeistof en/of aanmaakgel;

  • 3.5.

    De barbecue mag niet worden verlaten alvorens het vuur gedoofd is;

  • 3.6.

    In de directe nabijheid van de barbecue moet een blusmiddel in de hoedanigheid van (een) emmer(s) water of zand (minimaal 10 liter) voor onmiddellijk gebruik gereed staan.


Noot
1

In de Tabakswet is onder andere het rookverbod geregeld. De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit is belast met het toezicht op de naleving van de Tabakswet. De gemeente ziet niet toe op de naleving van de Tabakswet.

Noot
2

In het kader van deregulering wordt in deze nota niet nogmaals herhaald wat in ander beleid reeds geregeld is. Wel wordt waar nodig gerefereerd naar landelijke en lokale wet- en regelgeving en wordt indien nodig ten behoeve van de leesbaarheid een toelichting gegeven.

Noot
3

Ter volledigheid: De NWVA houdt toezicht op de beschikbaarheid en naleving van een de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid die zijn opgenomen in de Hygiënecode (HACCP-systeem). Alle bedrijven die levensmiddelen produceren, verwerken of distribueren, krijgen van tijd tot tijd controle van NVWA-inspecteurs. Net als bij het rookverbod geldt dat de gemeente niet toeziet op de naleving van de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid.

Noot
4

In dit geval en in het vervolg van de tekst wordt de nummering van de APV Barneveld gehanteerd zoals in 2015 is vastgesteld en zoals bij aanvang van dit beleid geldt. Mochten er wijzigingen in de APV komen tijdens de looptijd van dit beleid, houd er dan rekening mee dat de genoemde artikelnummers niet meer overeen kunnen komen.

Noot
5

Voor de informatie die is opgenomen in het bestemmingsplan kunt u contact opnemen met de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling bij de gemeente of kijken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl.

Noot
6

Onder de term openbare inrichting wordt verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, bar, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, sportkantine, verenigingsgebouw of clubhuis en elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

Noot
7

Voor het vervolg: paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op alle horeca gerelateerde vergunningen en ontheffingen.

Noot
8

Omdat het tijdstip van 02:00 uur op zaterdag en de zondag in de ochtend valt worden deze dagen genoemd.

Noot
9

Gevelzitplaatsen dienen net als andere uitstallingen na sluitingstijden opgeruimd te worden. Gevelzitplaatsen en uitstallingen worden in de APV beide gebaseerd op artikel 14 dat het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de functie van de weg regelt. Voor deze regel is derhalve aansluiting gezocht bij de nadere regels van de uitstallingen en reclameborden.

Noot
10

Onder softdrugs wordt verstaan: de middelen, genoemd in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.

Noot
11

Art. 67 APV Barneveld.

Noot
12

Voor personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben geldt dat zij sinds 1 januari 2014 op grond van de Dranken Horecawet strafbaar zijn als ze alcohol bij zich hebben op een openbare plek.

Noot
13

Op basis van landelijke wetgeving geldt reeds dat aan minderjarigen geen alcohol verkocht mag worden en dat jongeren onder de 18 jaar strafbaar zijn als ze alcohol bij zich hebben in het openbaar. Voor jongeren onder de achttien jaar geldt dus al dat zij op een openbare plaats geen alcoholhoudende drank bij zich mogen hebben en zij worden derhalve niet genoemd in deze lokale regelgeving.

Noot
14

Recreatiegebied Zeumeren is onderverdeeld in drie zones waar gedurende bepaalde tijden of gedurende de hele dag het gebruik van alcoholhoudende drank of het bij zich hebben van aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank niet is toegestaan.

Noot
15

Ten tijde van het schrijven van dit beleid gelden de Beleidsregels Wet Bibob gemeente Barneveld 2012.

Noot
16

Artikel 7 Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld.

Noot
17

Artikel 8 Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld.

Noot
18

Artikel 18 lid 1 Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld.

Noot
19

Artikel 9 Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld.

Noot
20

Artikel 18 lid 2 Drank- en Horecaverordening gemeente Barneveld.

Noot
21

Het preventie-en handhavingsplan alcohol zal met ingang van september 2016 onderdeel gaan uitmaken van de nota gezondheidsbeleid vanwege de verplichting uit artikel 43a van de Drank- en Horecawet. Hierin is opgenomen dat het preventie- en handhavingsplan (na de eerste maal) elke vier jaar gelijktijdig met de vaststelling van de lokale nota gezondheidsbeleid wordt vastgesteld.

Noot
22

Aanvankelijk konden alleen ondernemers van commerciële horecagelegenheden werken met het ondernemingsdossier. Bij de invoering van deze nota horecabeleid zal het ook voor ondernemers van paracommerciële instellingen mogelijk zijn om met het ondernemingsdossier te werken. Voor hen gelden dezelfde voordelen als voor commerciële horecagelegenheden.

Noot
23

De natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wies rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.

Noot
24

De aanvraag van deze ontheffing is mogelijk vanaf het moment dat deze nota horecabeleid in werking treedt.

Noot
25

Dit tarief geldt ten tijde van de inwerkingtreding van deze nota horecabeleid.

Noot
26

Voor een beperkt aantal leidinggevenden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend, geldt een uitzondering met betrekking tot de vereiste om te beschikken over de Verklaring Sociale Hygiëne. Deze uitzondering is van toepassing is het geval de leidinggevende permanent in het buitenland verblijft. Zij hoeven niet aan deze kenniseis te voldoen indien zij geen enkele bemoeienis hebben met de bedrijfsvoering of exploitatie van het horecabedrijf.

Noot
27

Art. 26 lid 1 APV Barneveld.

Noot
28

Het toezicht en de naleving van de Drank- en Horecawet is regionaal georganiseerd in Frisvalley verband. Op 1 januari 2016 is FrisValley 3.0 van start gegaan; een voortzetting van de Regio FoodValley-gemeenten die de tot stand is gekomen en jongeren wijst op de gevaren van te vroeg, te vaak en te veel alcoholgebruik. Binnen FrisValley is besloten om het toezicht van de Dranken Horecawet regionaal te regelen. De daarvoor aangewezen BOA's hebben een Drank- en Horecadiploma gehaald en zijn vanaf dat moment belast met het reguliere toezicht op de naleving van de Drank- en horecawet.

Noot
29

Het nalevingsbeleid zal met ingang van september 2016 onderdeel gaan uitmaken van de nota gezondheidsbeleid vanwege de verplichting uit artikel 43a van de Drank- en Horecawet. Hierin is opgenomen dat het preventie- en handhavingsplan (na de eerste maal) elke vier jaar gelijktijdig met de vaststelling van de lokale nota gezondheidsbeleid wordt vastgesteld.

Noot
30

Hiermee wordt in dit geval bedoeld alle horecabedrijven waarin uitsluitend of in de hoofdzaak bedrijfsmatig alcoholhoudende drank voor directe consumptie ter plaatse wordt verstrekt (cafés, bars en dergelijke).