Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026

Geldend van 17-06-2026 t/m heden

Intitulé

Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten;

op 2 juni 2026;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026;

overwegende dat het gewenst is om activiteiten en voorzieningen te stimuleren die bijdragen aan de versterking van de Sociale Basis en Preventie;

overwegende dat het gewenst is om activiteiten en voorzieningen te stimuleren die bijdragen aan sport en beweegdeelname;

overwegende dat het gewenst is om activiteiten en voorzieningen te stimuleren die bijdragen aan kunst-, cultuur- en erfgoedparticipatie;

overwegende dat het gewenst is om deze activiteiten en voorzieningen te stimuleren door middel van structurele subsidies;

besluit de Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026 vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Asv: Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026;

in natura geleverde diensten en goederen: diensten en goederen die om niet worden geleverd;

inwoners: inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten;

jeugdleden: natuurlijke personen tot en met 20 jaar die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en die contributie betalen;

leden: natuurlijke personen die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en die contributie betalen;

reguliere activiteiten: activiteiten die behoren tot de normale werkzaamheden van de subsidieontvanger en die ten minste jaarlijks terugkeren;

segment: een afgebakend onderdeel van deze subsidieregeling waarin activiteiten zijn samengebracht die bijdragen aan gelijksoortige beleidsdoelstellingen en maatschappelijke effecten, en waarvoor specifieke voorwaarden en beoordelingscriteria kunnen gelden;

structurele subsidies: subsidies als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026, die worden verstrekt voor reguliere activiteiten van de subsidieontvanger;

vrijwilligerswerk: activiteiten die vrijwillig en onbetaald worden uitgevoerd om goederen te produceren of diensten te verlenen aan anderen buiten het huishouden of de familie van de vrijwilliger.

Artikel 1.2. Aanvraagtermijn en looptijd subsidie

  • 1. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in deze regeling wordt, na bekendmaking van het subsidieplafond voor de betreffende subsidieperiode, uiterlijk ingediend op 1 september voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2. In het besluit tot bekendmaking van het subsidieplafond wordt vermeld wat de duur van de subsidieperiode is, met een maximum van vier kalenderjaren.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen gedurende een lopend subsidietijdvak een aanvraag voor de resterende kalenderjaren in behandeling nemen indien de aanvrager bij de aanvang van dat subsidietijdvak geen aanvraag heeft kunnen indienen, omdat het initiatief waarop de aanvraag betrekking heeft toen nog niet bestond.

  • 4. Een aanvraag als bedoeld in het derde lid wordt uiterlijk ingediend op 1 september voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 1.3. Subsidieplafond en overheveling

  • 1. Indien na afloop van de indieningstermijn blijkt dat het subsidieplafond van een segment niet volledig wordt benut, kunnen burgemeester en wethouders besluiten het resterende bedrag toe te voegen aan het subsidieplafond van een ander segment binnen deze subsidieregeling.

  • 2. Indien burgemeester en wethouders gebruikmaken van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, wordt de wijziging van het subsidieplafond vastgesteld door wijziging van het afzonderlijke besluit tot vaststelling van het subsidieplafond en bekendgemaakt overeenkomstig de daarvoor geldende bekendmakingsregels.

Artikel 1.4. Eisen aan de aanvraag

  • 1. In aanvulling op artikel 6 van de ASV bevat een aanvraag om subsidie een activiteitenplan.

    Het activiteitenplan bevat ten minste:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten;

    • b.

      de doelstellingen en beoogde resultaten;

    • c.

      de doelgroep;

    • d.

      de bijdrage aan de doelstellingen van het betreffende segment;

    • e.

      indien van toepassing: bereik, samenwerking en inzet van vrijwilligers.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de inrichting van het activiteitenplan.

Hoofdstuk 2. Nadere regelingen per segment

Titel 2.1. Segment Sociale Basis en Preventie

Artikel 2.1. Definities

In deze titel wordt verstaan onder:

armoede: de situatie waarin personen of huishoudens structureel over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in basisbehoeften zoals voedsel, kleding, adequate huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en sociale participatie, waardoor mensen ernstig worden belemmerd in hun maatschappelijke participatie, zelfredzaamheid en kansen op ontwikkeling;

bijzondere activiteiten: activiteiten die worden georganiseerd voor jeugd en jongeren en die ten minste eenmaal per jaar terugkeren in dezelfde of in hoofdzaak dezelfde verschijningsvorm;

inclusie: het bevorderen van gelijke toegang, deelname en kansen voor alle inwoners, waarbij drempels die maatschappelijke participatie belemmeren actief worden weggenomen en verschillen worden erkend en gewaardeerd;

informele zorg: niet-professionele en onbetaalde zorg en ondersteuning die wordt verleend door personen uit het sociale netwerk van de zorgontvanger, zoals familie, vrienden, buren of vrijwilligers, en die voortkomt uit een bestaande sociale relatie;

kwetsbare inwoners: personen die, al dan niet tijdelijk, beperkt zijn in hun zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie als gevolg van lichamelijke, psychische, sociale of economische factoren;

maatschappelijke participatie: het meedoen aan sociale, culturele, sportieve of educatieve activiteiten, waardoor inwoners contacten onderhouden, vaardigheden ontwikkelen en onderdeel blijven van de samenleving;

sociale basis en preventie: het geheel van informele sociale verbanden en laagdrempelige voorzieningen in de leefomgeving van inwoners, ondersteund door publieke of maatschappelijke organisaties, dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid, participatie, sociale samenhang en welzijn alsmede op het vroegtijdig signaleren, voorkomen of beperken van sociale, maatschappelijke, opvoed-, participatie- of gezondheidsgerelateerde problematiek binnen het sociaal domein.

Artikel 2.2. Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

Burgemeester en wethouders verstrekken uitsluitend subsidie voor reguliere activiteiten die bijdragen aan de volgende doelen:

  • a.

    voorkómen en verminderen van armoede van inwoners;

  • b.

    ondersteuning van kwetsbare inwoners;

  • c.

    informele zorg;

  • d.

    versterken of waarderen van vrijwilligerswerk;

  • e.

    versterken van zelfredzaamheid, sociale samenhang en maatschappelijke participatie van kwetsbare inwoners;

  • f.

    voorkómen, verminderen of uitstellen van ondersteunings- of zorgbehoefte;

  • g.

    bevordering van inclusie, diversiteit en gelijke kansen;

  • h.

    versterking van gemeenschapskracht en leefbaarheid;

  • i.

    voorkómen van eenzaamheid, bevorderen van sociale samenhang en onderlinge betrokkenheid;

  • j.

    beschermen en bevorderen van de gezondheid van inwoners en/of bezoekers van de gemeente;

  • k.

    verminderen en beperken van middelengebruik bij inwoners;

  • l.

    waarborgen van een (sociaal) veilige omgeving voor inwoners.

Artikel 2.3. Eisen aan de aanvrager

  • 1. Subsidie kan enkel worden aangevraagd door rechtspersonen die hoofdzakelijk gebruikmaken van vrijwilligers.

  • 2. Indien de aanvrager een vereniging betreft, kan subsidie enkel worden aangevraagd door verenigingen met minimaal 15 leden.

Artikel 2.4. Eisen aan de aanvraag

  • 1. In aanvulling op artikel 6 van de Asv legt een aanvrager die een vereniging betreft in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een opgave van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een door het bestuur van de aanvrager ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.

  • 2. Indien de aanvrager activiteiten met minderjarigen organiseert, overlegt deze tevens een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de aanvrager verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 3. In afwijking van het eerste lid legt een aanvrager die zich hoofdzakelijk richt op jeugd- en jongerenwerk in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een opgave van het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een opgave van het aantal bijzondere activiteiten per jaar.

  • 4. In afwijking van artikel 6 Asv, legt een aanvrager van een subsidie tot en met € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten over.

Artikel 2.5. Verwerking van persoonsgegevens

  • 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de ledenadministratie en de aanwezigheid van Verklaringen Omtrent het Gedrag van aan de aanvrager verbonden vrijwilligers steekproefsgewijs te controleren.

  • 2. De controle is proportioneel en beperkt zich tot inzage voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.

  • 3. De gemeente verwerkt uitsluitend de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze subsidieregeling en bewaart deze niet langer dan noodzakelijk.

Artikel 2.6. Subsidiabele kosten

Burgemeester en wethouders verstrekken geen subsidie voor:

  • a.

    kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

  • b.

    kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

  • c.

    kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen;

  • d.

    kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd;

  • e.

    verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

  • f.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • g.

    fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

  • h.

    kosten van consumpties;

  • i.

    kosten van feesten, met uitzondering van kosten voor feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit;

  • j.

    kosten van in natura geleverde diensten en goederen;

  • k.

    kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht;

  • l.

    kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten.

Artikel 2.7. Hoogte subsidie

  • 1. Voor aanvragers zonder leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar.

  • 2. Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij:

    X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar;

    Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    Z = het bedrag per lid per jaar.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de subsidie voor aanvragers die zich hoofdzakelijk richten op jeugd- en jongerenwerk als volgt berekend: S + (T × U) + (V × W), waarbij:

    S = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar;

    T = het aantal jeugdleden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode waarop de aanvraag betrekking heeft;

    U = het bedrag per jeugdlid per jaar;

    V = het aantal bijzondere activiteiten per jaar dat de subsidieaanvrager organiseert;

    W = het bedrag per bijzondere activiteit per jaar als bedoeld bij V.

  • 4. Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar als bedoeld in het eerste lid, alsmede de hoogte van S, U, W, X en Z vast.

  • 5. Indien het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond overschrijdt, kunnen burgemeester en wethouders eerst toepassing geven aan artikel 1.3. Voor zover na toepassing van artikel 1.3 het subsidieplafond nog steeds wordt overschreden, worden de op grond van dit artikel berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd.

Artikel 2.8. Subsidieplafond

Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit een subsidieplafond voor vier jaar, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventuele deelplafonds vast.

Artikel 2.9. Tussentijdse verhoging subsidie

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen op schriftelijk verzoek van een subsidieontvanger met leden een verleende meerjarige subsidie gedurende de looptijd van de subsidie verhogen.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend ingewilligd indien:

    • a.

      het aantal voor de subsidie relevante leden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft, is toegenomen met minimaal 25% ten opzichte van het voor de subsidie relevante ledenaantal dat is opgegeven op grond van artikel 2.4, eerste lid, onder a of artikel 2.4, tweede lid, onder a;

    • b.

      verhoging van de subsidie niet leidt tot overschrijding van het subsidieplafond.

  • 3. Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      opgaaf van het aantal voor de subsidie relevante leden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft;

    • b.

      een door het bestuur van de subsidieontvanger ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.

  • 4. Een verzoek tot verhoging wordt uiterlijk ingediend op 1 augustus voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 5. Burgemeester en wethouders beslissen op het verzoek bij afzonderlijke beschikking tot wijziging van de subsidieverlening, met als uitgangspunt dat de subsidie conform de berekeningswijze als bedoeld in artikel 2.7, tweede of derde lid wordt verhoogd.

Artikel 2.10. Weigeringsgronden

Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder f, Asv kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag afwijzen als:

  • a.

    de activiteit primair is gericht op individuele hulpverlening of zorg;

  • b.

    de activiteit winstgericht van aard is;

  • c.

    de activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;

  • d.

    de continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

  • e.

    aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;

  • f.

    de activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd;

  • g.

    de aanvraag betrekking heeft op de coördinatie van informele zorg waarvoor op grond van artikel 2.11 maximaal één subsidie kan worden verleend en de aanvraag niet als hoogste is gerangschikt overeenkomstig artikel 2.11, tweede en derde lid.

Artikel 2.11. Overlappende activiteiten

  • 1. Voor de coördinatie van informele zorg wordt maximaal één subsidie verleend.

  • 2. Subsidie voor de coördinatie van informele zorg wordt uitsluitend verleend aan de aanvraag die op basis van de volgende criteria de hoogste totaalscore behaalt:

    • a.

      de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen, bedoeld in artikel 2.2, maximaal 35 punten;

    • b.

      het verwachte bereik van de activiteit binnen de gemeente, maximaal 25 punten;

    • c.

      de mate van draagvlak voor de activiteit, waaronder begrepen samenwerking met andere betrokken organisaties, verenigingen of vrijwilligers, maximaal 20 punten;

    • d.

      de mate waarin de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteit uitvoerbaar is, waaronder mede begrepen de organisatorische en financiële aspecten, maximaal 20 punten.

  • 3. Indien twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen, wordt eerst voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder b. Indien dit evenmin tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder c. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.

Artikel 2.12. Uitbetaling van de subsidie

  • 1. Een subsidie die voor meerdere jaren wordt verleend, wordt in jaarlijkse termijnen uitbetaald.

  • 2. De uitbetaling van de subsidie vindt jaarlijks plaats vóór 1 februari.

  • 3. In de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld in hoeveel jaarlijkse termijnen de subsidie wordt uitbetaald en hoe hoog de termijnbedragen zijn.

Artikel 2.13. Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      de verkregen subsidie ook daadwerkelijk in te zetten voor de uitvoering van de activiteit;

    • b.

      medewerking te verlenen aan door of namens de gemeente uit te voeren evaluatieonderzoeken in het kader van de subsidie.

  • 2. Een subsidieontvanger met leden voert een controleerbare administratie van de voor de subsidie relevante ledengegevens en geeft op verzoek van burgemeester en wethouders inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn om te controleren of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 2.14. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000

Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000 per jaar bevat, in afwijking van artikel 16, tweede lid Asv:

  • a.

    een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

  • b.

    een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening).

Titel 2.2. Segment Kunst, Cultuur en Erfgoed

Artikel 2.15 Definities

In deze titel wordt verstaan onder:

Cultuurvisie Eijsden-Margraten: de cultuurvisie 2025-2030 van de gemeente Eijsden-Margraten, te raadplegen via haar website;

kunst, cultuur en erfgoed: activiteiten binnen de gemeente Eijsden-Margraten die betrekking hebben op het beleven, beoefenen, presenteren, toegankelijk maken, behouden, doorgeven en educatief inzetten van kunst, cultuur, immaterieel erfgoed en levend materieel erfgoed, voor zover deze vallen binnen een of meer van de in de Cultuurvisie Eijsden-Margraten vastgelegde culturele kernthema’s, te weten:

  • a.

    cultuur als levenskompas;

  • b.

    kunst in verbinding met inwoners;

  • c.

    erfgoed en inwoners: betekenisvol behoud;

  • d.

    cultuureducatie: uit de comfortzone; en

  • e.

    de bibliotheek als hart van de samenleving.

Artikel 2.16. Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. Burgemeester en wethouders verstrekken uitsluitend subsidie voor reguliere activiteiten op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed.

  • 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, dienen bij te dragen aan de ambities en doelstellingen van de Cultuurvisie Eijsden-Margraten.

  • 3. Van een bijdrage aan de ambities en doelstellingen van de Cultuurvisie Eijsden-Margraten als bedoeld in het tweede lid is in ieder geval sprake indien de activiteiten bijdragen aan een of meer van de volgende doelstellingen:

    • a.

      het bevorderen van cultuurparticipatie, inclusie en burgerparticipatie, zodat iedere inwoner van Eijsden-Margraten kan deelnemen of bijdragen aan kunst en cultuur, met bijzondere aandacht voor jongeren;

    • b.

      het inzetten van kunst- en cultuurprojecten voor maatschappelijke doelstellingen, in het bijzonder ter bevordering van sociale cohesie, bewustwording en educatie;

    • c.

      het versterken van het culturele netwerk van makers, verenigingen, instellingen en beleidsdomeinen;

    • d.

      het bevorderen van bewustwording rondom duurzaamheid en het bijdragen aan een duurzame leefomgeving door middel van kunst en cultuur;

    • e.

      het leggen van strategische verbindingen tussen kunst en cultuur en andere beleidsvelden, waaronder zorg, welzijn, ruimte en educatie.

Artikel 2.17. Eisen aan de aanvrager

  • 1. Subsidie kan enkel worden aangevraagd door rechtspersonen die

    • a.

      een culturele doelstelling hebben;

    • b.

      geen winstoogmerk hebben;

    • c.

      hoofdzakelijk gebruikmaken van vrijwilligers; en

    • d.

      aantonen dat zij ten minste eenmaal per jaar een openbare activiteit organiseren die in overeenstemming is met hun doelstelling.

  • 2. Indien de aanvrager een vereniging betreft, kan subsidie enkel worden aangevraagd door verenigingen met minimaal 5 leden.

Artikel 2.18. Eisen aan de aanvraag

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het door burgemeester en wethouders vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2. In aanvulling op artikel 6 Asv, legt een aanvrager met leden in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      opgaaf van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een door het bestuur van de aanvrager ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie;

  • 3. In aanvulling op het tweede lid overlegt een aanvrager die activiteiten voor minderjarigen organiseert tevens een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de aanvrager verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 4. In afwijking van artikel 6 Asv, legt een aanvrager van een subsidie tot en met € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten over.

Artikel 2.19. Verwerking van persoonsgegevens

  • 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de ledenadministratie en de aanwezigheid van Verklaringen Omtrent het Gedrag van aan de aanvrager verbonden vrijwilligers steekproefsgewijs te controleren.

  • 2. De controle is proportioneel en beperkt zich tot inzage voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.

  • 3. De gemeente verwerkt uitsluitend de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze subsidieregeling en bewaart deze niet langer dan noodzakelijk.

Artikel 2.20. Subsidiabele kosten

Burgemeester en wethouders verstrekken geen subsidie voor:

  • a.

    kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

  • b.

    kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

  • c.

    kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen;

  • d.

    kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd;

  • e.

    verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

  • f.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • g.

    fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

  • h.

    kosten van consumpties;

  • i.

    kosten van feesten, met uitzondering van kosten voor feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit;

  • j.

    kosten van in natura geleverde diensten en goederen;

  • k.

    kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht;

  • l.

    kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten.

Artikel 2.21. Hoogte subsidie en wijze van verdeling

  • 1. Voor aanvragers zonder leden en aanvragers van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.25, bestaat de subsidie uit een vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar.

  • 2. Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij:

    X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar;

    Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    Z = het bedrag per lid per jaar.

  • 3. Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit de hoogte van het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar (X) en het bedrag per lid per jaar (Z) vast. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen.

  • 4. Indien het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond overschrijdt, kunnen burgemeester en wethouders eerst toepassing geven aan artikel 1.3. Voor zover na toepassing van artikel 1.3 het subsidieplafond nog steeds wordt overschreden, worden de op grond van dit artikel berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd.

Artikel 2.22. Subsidieplafond

Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit een subsidieplafond voor vier jaar, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventuele deelplafonds vast.

Artikel 2.23. Tussentijdse verhoging subsidie

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen op schriftelijk verzoek van een subsidieontvanger met leden een verleende meerjarige subsidie gedurende de looptijd van de subsidie verhogen.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend ingewilligd indien:

    • a.

      het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft, is toegenomen met minimaal 25% ten opzichte van het ledenaantal dat is opgegeven op grond van artikel 2.18, tweede lid, onder a;

    • b.

      verhoging van de subsidie niet leidt tot overschrijding van het subsidieplafond.

  • 3. Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      opgaaf van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft;

    • b.

      een door het bestuur van de subsidieontvanger ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.

  • 4. Een verzoek tot verhoging wordt uiterlijk ingediend op 1 augustus voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 5. Burgemeester en wethouders beslissen op het verzoek bij afzonderlijke beschikking tot wijziging van de subsidieverlening, met als uitgangspunt dat de subsidie conform de berekeningswijze als bedoeld in artikel 2.21, tweede lid wordt verhoogd.

Artikel 2.24. Weigeringsgronden

Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder f, van de Asv kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag afwijzen als:

  • a.

    de activiteit winstgericht van aard is;

  • b.

    de activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;

  • c.

    de activiteit onvoldoende aansluit bij het doel, bedoeld in artikel 2.16;

  • d.

    de activiteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet;

  • e.

    de continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

  • f.

    aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;

  • g.

    de activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd;

  • h.

    de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.25 maximaal één subsidie kan worden verleend en de aanvraag niet als hoogste is gerangschikt overeenkomstig artikel 2.25, tweede en derde lid.

Artikel 2.25. Overlappende activiteiten

  • 1. Indien een subsidie wordt aangevraagd voor de organisatie van een jaarlijks terugkerende thematische viering en het, gelet op de aard en functie van die viering, de doelgroep waarvoor deze is bestemd en de plaats waar deze plaatsvindt, passend is dat die viering binnen een kern slechts eenmaal wordt gesubsidieerd, wordt per kern maximaal één subsidie verleend.

  • 2. Indien zich een situatie als bedoeld in het eerste lid voordoet, wordt subsidie uitsluitend verleend aan de aanvraag die op basis van de volgende criteria de hoogste totaalscore behaalt:

    • a.

      de mate waarin de activiteit bijdraagt aan het doel, bedoeld in artikel 2.16, en aan de sociale samenhang binnen de gemeente, maximaal 35 punten;

    • b.

      het verwachte bereik van de activiteit binnen de gemeente, maximaal 25 punten;

    • c.

      de mate van draagvlak voor de activiteit, waaronder begrepen samenwerking met andere betrokken organisaties, verenigingen of vrijwilligers, maximaal 20 punten;

    • d.

      de mate waarin de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteit uitvoerbaar is, waaronder mede begrepen de organisatorische, financiële en veiligheidsaspecten, maximaal 20 punten.

  • 3. Indien twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen, wordt eerst voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder b. Indien dit evenmin tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder c. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.

Artikel 2.26. Uitbetaling van de subsidie

  • 1. Een subsidie die voor meerdere jaren wordt verleend, wordt in jaarlijkse termijnen uitbetaald.

  • 2. De uitbetaling van de subsidie vindt jaarlijks plaats vóór 1 februari.

  • 3. In de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld in hoeveel jaarlijkse termijnen de subsidie wordt uitbetaald en hoe hoog de termijnbedragen zijn.

Artikel 2.27. Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      de verkregen subsidie ook daadwerkelijk in te zetten voor de uitvoering van de activiteit;

    • b.

      medewerking te verlenen aan door of namens de gemeente uit te voeren evaluatieonderzoeken in het kader van de subsidie;

    • c.

      desgevraagd maximaal éénmaal per kalenderjaar medewerking te verlenen aan een door de gemeente uit te voeren uitvraag over de uitvoering en resultaten van de activiteiten, en in dat kader de redelijkerwijs gevraagde informatie te verstrekken.

  • 2. Een subsidieontvanger met leden voert een controleerbare administratie van de voor de subsidie relevante ledengegevens en de aanwezigheid van Verklaringen Omtrent het Gedrag.

  • 3. Geeft op verzoek van burgemeester en wethouders inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn om te controleren of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Titel 2.3. Segment Sport en Beweging

Artikel 2.28. Definities

In deze titel wordt verstaan onder:

NOC*NSF: Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie;

Sportakkoord: het lokaal en/of nationaal vastgestelde Sportakkoord waarin afspraken zijn vastgelegd tussen overheid, sportorganisaties en maatschappelijke partners over het stimuleren van sport, bewegen en een gezonde leefstijl, zoals dat van kracht is gedurende de subsidieperiode.

Onder recreatieve sport worden uitsluitend de volgende sportvormen verstaan: zwemmen, krachtsport, paardensport, atletiek, jeu de boules en Kung Fu.

Sportevenement: sportevenementen op het gebied van wielrennen, gravelrijden en hardlopen, waaronder de Bemels Beste Boeren Bergloop.

Sportraad: de rechtspersoon die door het college is belast met de advisering over sport en bewegen binnen de gemeente Eijsden-Margraten.

Artikel 2.29. Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. Burgemeester en wethouders verstrekken uitsluitend subsidie voor de volgende reguliere activiteiten in de gemeente Eijsden-Margraten:

    • a.

      het realiseren van een sport- en beweegaanbod voor jeugd;

    • b.

      activiteiten die zijn gericht op het stimuleren van sport en beweging;

    • c.

      activiteiten die zijn gericht op het stimuleren van een gezonde leefstijl;

    • d.

      sportevenementen als bedoeld in artikel 2.28

    • e.

      activiteiten van de Sportraad

  • 2. De activiteiten dienen bij te dragen aan de doelstellingen van het Sportakkoord.

Artikel 2.30. Eisen aan de aanvrager

  • 1. Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door rechtspersonen die:

  • 2.

    • a.

      geen winstoogmerk hebben;

    • b.

      geen hoofdgebruiker/-huurder van de sportaccommodatie die eigendom is van de gemeente; en

    • c.

      zijn aangesloten bij een door NOC*NSF erkende landelijke sportbond en deelnemen aan door die bond georganiseerde competities, met uitzondering van aanvragers binnen de categorieën recreatieve sport, sportevenementen en sportraad.

  • 3. Indien de aanvrager een vereniging betreft, kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd door verenigingen met minimaal 10 leden.

Artikel 2.31. Eisen aan de aanvraag

  • 1. In aanvulling op artikel 6 van de Asv verstrekt een aanvrager met leden in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      een opgave van het aantal leden en het aantal jeugdleden, voor zover aanwezig, per 1 januari van het jaar voorafgaand aan per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode.

    • b.

      een door het bestuur ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en naar waarheid en volledig is verstrekt, en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie;

    • c.

      indien de aanvrager activiteiten met minderjarigen organiseert: een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de aanvrager verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing op aanvragers binnen de categorieën sportevenementen en sportraad.

  • 3. In afwijking van artikel 6 van de Asv hoeft een aanvrager van een subsidie van ten hoogste € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten over te leggen.

Artikel 2.32. Verwerking van persoonsgegevens

  • 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de ledenadministratie en de aanwezigheid van Verklaringen Omtrent het Gedrag van aan de aanvrager verbonden vrijwilligers steekproefsgewijs te controleren.

  • 2. De controle is proportioneel en beperkt zich tot inzage voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.

  • 3. De gemeente verwerkt uitsluitend gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze subsidieregeling en bewaart deze niet langer dan noodzakelijk is.

Artikel 2.33. Subsidiabele kosten

Burgemeester en wethouders verstrekken geen subsidie voor:

  • a.

    kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

  • b.

    kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

  • c.

    kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen;

  • d.

    kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd;

  • e.

    verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

  • f.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • g.

    fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

  • h.

    kosten van consumpties;

  • i.

    kosten van feesten, met uitzondering van kosten voor feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit;

  • j.

    kosten van in natura geleverde diensten en goederen;

  • k.

    kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht;

  • l.

    kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten.

Artikel 2.34. Hoogte subsidie

  • 1. Voor aanvragers zonder leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar.

  • 2. Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + Y, waarbij:

    X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar;

    Y = het bedrag per aanvragerscategorie per jaar, waarbij de aanvragerscategorie wordt bepaald door het aantal jeugdleden.

  • 3. In afwijking van het tweede lid bestaat de subsidie voor aanvragers met leden die hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport, uit een vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar.

  • 4. Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit de vaste bedragen als bedoeld in het eerste en het derde lid, alsmede de hoogte van (X) en (Y) vast. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen.

  • 5. Indien het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond overschrijdt, kunnen burgemeester en wethouders eerst toepassing geven aan artikel 1.3. Voor zover na toepassing van artikel 1.3 het subsidieplafond nog steeds wordt overschreden, worden de op grond van dit artikel berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd.

Artikel 2.35. Subsidieplafond

Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit een subsidieplafond voor vier jaar, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventuele deelplafonds vast.

Artikel 2.36. Tussentijdse verhoging subsidie

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen op schriftelijk verzoek van een subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.34, tweede lid, een verleende meerjarige subsidie gedurende de looptijd van de subsidie verhogen.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend ingewilligd indien:

    • a.

      het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft, is toegenomen met minimaal 25% ten opzichte van het ledenaantal dat is opgegeven op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder a;

    • b.

      verhoging van de subsidie niet leidt tot overschrijding van het subsidieplafond.

  • 3. Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      opgaaf van het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft;

    • b.

      een door het bestuur van de subsidieontvanger ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.

  • 4. Een verzoek tot verhoging wordt uiterlijk ingediend op 1 augustus voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 5. Burgemeester en wethouders beslissen op het verzoek bij afzonderlijke beschikking tot wijziging van de subsidieverlening, met als uitgangspunt dat de subsidie conform de berekeningswijze als bedoeld in artikel 2.34, tweede lid kan worden verhoogd indien de aanvrager als gevolg van het toegenomen aantal jeugdleden komt te vallen onder een nieuwe aanvragerscategorie.

Artikel 2.37. Weigeringsgronden

Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder f, Asv kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag afwijzen als:

  • a.

    de activiteit winstgericht van aard is;

  • b.

    de activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;

  • c.

    de activiteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet;

  • d.

    de continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

  • e.

    aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed.

  • f.

    de activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd.

Artikel 2.38. Uitbetaling van de subsidie

  • 1. Een subsidie die voor meerdere jaren wordt verleend, wordt in jaarlijkse termijnen uitbetaald.

  • 2. De uitbetaling van de subsidie vindt jaarlijks plaats vóór 1 februari.

  • 3. In de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld in hoeveel jaarlijkse termijnen de subsidie wordt uitbetaald en hoe hoog de termijnbedragen zijn.

Artikel 2.39. Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht :

    • a.

      de verkregen subsidie ook daadwerkelijk in te zetten voor de uitvoering van de activiteit;

    • b.

      medewerking te verlenen aan door of namens de gemeente uit te voeren evaluatieonderzoeken in het kader van de subsidie.

  • 2. Een subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.34, tweede lid, voert een controleerbare administratie van de voor de subsidie relevante ledengegevens en geeft op verzoek van burgemeester en wethouders inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn om te controleren of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 3. Een ontvanger van een subsidie van meer dan € 5.000 per jaar legt, met uitzondering van het laatste subsidiejaar, één keer per jaar uiterlijk op 1 mei op de in de beschikking vermelde wijze rekening en verantwoording af over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

Artikel 2.40. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000

Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000 per jaar door een aanvrager met leden bevat, in afwijking van artikel 16, tweede lid Asv:

  • a.

    een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

  • b.

    een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (fincieel verslag of jaarrekening);

  • c.

    een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop;

  • d.

    een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant;

  • e.

    een opgave van het aantal jeugdleden dat is bereikt met de activiteiten.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 3.1. Hardheidsclausule

Door burgemeester en wethouders kan worden afgeweken van deze regeling als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

Artikel 3.2. Indexatie

Burgemeester en wethouders kunnen bepalen of en op welke wijze de in deze regeling genoemde bedragen worden geïndexeerd.

Artikel 3.3. Evaluatiebepaling

Burgemeester en wethouders evalueren deze regeling binnen vier jaar na de inwerkingtreding op doeltreffendheid en effecten in de praktijk.

Artikel 3.4. Overgangsbepaling gefaseerde invoering verdeelsystematiek

  • 1. Indien toepassing van de in deze regeling opgenomen verdeelsystematiek leidt tot een afwijking van meer dan 20% ten opzichte van het subsidiebedrag dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling aan de subsidieontvanger werd verstrekt voor dezelfde of vergelijkbare activiteiten, wordt deze afwijking gedurende de subsidieperiode 2027–2030 gefaseerd verwerkt.

  • 2. De gefaseerde verwerking als bedoeld in het eerste lid kan zowel een verhoging als een verlaging van het subsidiebedrag betreffen.

  • 3. De gefaseerde verwerking wordt zodanig toegepast dat het subsidiebedrag in gelijke stappen wordt aangepast richting het subsidiebedrag dat volgt uit de in deze regeling opgenomen verdeelsystematiek.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot toepassing van fasering.

Artikel 3.5. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026.

Artikel 3.6. Inwerkingtreding

Deze subsidieregeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en is van toepassing op subsidieaanvragen die betrekking hebben op het subsidiejaar 2027 en volgende jaren.

Ondertekening

Bijlage 1: Grondslagen en deelplafonds

Bijlage 1:

Grondslagen en deelplafonds

 

 
 

Segment:

Segment Sociale Basis & Preventie

 

 
 

Onderdeel

EHBO-Verenigingen

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 4.410,12

 

2028

€ 4.410,12

 

2029

€ 4.410,12

 

2030

€ 4.410,12

€ 17.640,48

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging + vast bedrag per inwoner kern.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (X)

€ 514,00

€ 2.056,00

Vast bedrag (Z) per inwoner per kern (Y)

€ 0,05

€ 0,21

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per lid per jaar.

 
 

Onderdeel

Jeugd- en Jongerenwerk

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 29.573,81

 

2028

€ 29.629,22

 

2029

€ 29.684,63

 

2030

€ 29.740,04

€ 118.627,70

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging op basis van staffel + bedrag per lid + activiteitentoelage obv staffel.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (S)

€ 3.598,00

€ 14.392,00

0-9 activiteiten

€ 257,00

 

10-40 activiteiten

€ 514,00

 

> 40 activiteiten

€ 771,00

 

Vast bedrag (U) per jeugdlid (T)

€ 10,28

€ 23.890,72

Toelage (W) per Activiteit (V)

€ 16.688,00

€ 68.621,06

0-9 activiteiten

1 staffel punt

 

10-40 activiteiten

2 staffel punten

 

> 40 activiteiten

3 staffel punten

 

 
 

Formule

In afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de subsidie voor aanvragers die zich hoofdzakelijk richten op jeugd- en jongerenwerk als volgt berekend: S + (T × U) + (V × W), waarbij: S = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; T = het aantal jeugdleden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode waarop de aanvraag betrekking heeft; U = het bedrag per jeugdlid per jaar; V = het aantal bijzondere activiteiten per jaar dat de subsidieaanvrager organiseert; W = het bedrag per bijzondere activiteit per jaar als bedoeld bij V.

 
 

Onderdeel

Kindervakantiewerk

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 6.151,55

 

2028

€ 6.151,55

 

2029

€ 6.151,55

 

2030

€ 6.151,55

€ 24.606,21

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

€ 1.398,08

€ 5.592,32

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Organisaties Gezondheidszorg

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 2.125,90

 

2028

€ 2.125,90

 

2029

€ 2.125,90

 

2030

€ 2.125,90

€ 8.503,62

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

195,32

781,28

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Ouderenwerk

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 10.375,09

 

2028

€ 10.459,90

 

2029

€ 10.544,71

 

2030

€ 10.629,52

€ 42.009,22

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging + vast bedrag per lid.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (X)

€ 514,00

€ 2.056,00

Vast bedrag (Z) per lid (Y)

€ 11,80

€ 47,21

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per lid per jaar.

 
 

Onderdeel

Parochies

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 24.327,75

 

2028

€ 24.699,50

 

2029

€ 25.071,25

 

2030

€ 25.443,00

€ 99.541,50

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per Parochie + bedrag per inwoner van kern

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per parochie (X)

€ 514,00

€ 2.056,00

Vast bedrag (Z) per inwoner per kern (Y)

€ 0,57

€ 2,26

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per lid per jaar.

 
 

Onderdeel

Vluchtelingenwerk/Ontwikkelingssamenwerking

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 3.663,79

 

2028

€ 3.663,79

 

2029

€ 3.663,79

 

2030

€ 3.663,79

€ 14.655,17

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

€ 555,12

€ 2.220,48

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Ondersteuning kwetsbare inwoners

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 8.797,62

 

2028

€ 8.797,62

 

2029

€ 8.797,62

 

2030

€ 8.797,62

€ 35.190,50

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

Tussen €1500 - €2300

€ 31.991,36

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Vrouwenverenigingen

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 11.124,25

 

2028

€ 11.223,19

 

2029

€ 11.322,14

 

2030

€ 11.421,08

€ 45.090,65

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging + vast bedrag per lid.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (X)

€ 514,00

€ 2.056,00

Vast bedrag (Z) per lid (Y)

€ 8,53

€ 34,13

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per lid per jaar.

 
 

Onderdeel

Zonnebloem

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 624,63

 

2028

€ 792,97

 

2029

€ 961,32

 

2030

€ 1.129,67

€ 3.508,59

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging + vast bedrag per inwoner kern.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (X)

€ 359,80

€ 1.439,20

Vast bedrag (Z) per inwoner omgeving (Y)

€ 0,0118

€ 0,05

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per inwoner omgeving per jaar.

 
 

Onderdeel

Zorgvrijwilligers

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 9.385,64

 

2028

€ 9.385,64

 

2029

€ 9.385,64

 

2030

€ 9.385,64

€ 37.542,56

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

tussen € 1070 en € 7230

€ 34.129,60

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Vrijwillige Hulpdienst Eijsden-Margraten

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 17.753,56

 

2028

€ 17.753,56

 

2029

€ 17.753,56

 

2030

€ 17.753,56

€ 71.014,24

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

€ 16.139,60

€ 64.558,40

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Segment:

Kunst, Cultuur en Erfgoed

 

 
 

Onderdeel

Cultureel - Categorie Unica

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 14.660,82

 

2028

€ 14.660,82

 

2029

€ 14.660,82

 

2030

€ 14.660,82

€ 58.643,29

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

Tussen € 531 en €5.310

€ 58.643,29

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Culturele organisaties met leden

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 64.704,38

 

2028

€ 64.704,38

 

2029

€ 64.704,38

 

2030

€ 64.704,38

€ 258.817,50

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging + vast bedrag per lid.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per subsidieaanvrager (X)

Tussen € 424 en €3.823

€ 228.797,28

Vast bedrag (Z) per lid (Y)

Tussen €0 en € 32,50

€ -

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per lid per jaar.

 
 

Onderdeel

Culturele organisaties zonder leden

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 11.749,01

 

2028

€ 11.749,01

 

2029

€ 11.749,01

 

2030

€ 11.749,01

€ 46.996,05

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

Tussen € 288 en €3.186

€ 41.511,44

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Cultuur Educatie

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

€ 1.500,00

€ 48.000,00

 
 

Formule

Historisch bedrag

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 13.569,60

 

2028

€ 13.569,60

 

2029

€ 13.569,60

 

2030

€ 13.569,60

€ 54.278,40

 
 

Onderdeel

Harmonie en Fanfare

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 255.772,83

 

2028

€ 255.772,83

 

2029

€ 255.772,83

 

2030

€ 255.772,83

€ 1.023.091,30

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per vereniging + vast bedrag per lid.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (X)

€ 16.962,00

€ 69.747,74

Vast bedrag (Z) per lid (Y)

€ 33,41

€ 133,64

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + (Y × Z), waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het aantal leden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; Z = het bedrag per lid per jaar.

 
 

Onderdeel

Vieringen en Tradities

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 23.899,46

 

2028

€ 23.899,46

 

2029

€ 23.899,46

 

2030

€ 23.899,46

€ 95.597,83

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

Tussen € 106 en € 2.655

€ 95.597,83

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager of activiteit per jaar o.b.v. historie.

 
 

Segment:

Sport en Bewegen

 

 
 

Onderdeel

Binnensport

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 29.446,48

 

2028

€ 30.467,82

 

2029

€ 31.489,16

 

2030

€ 32.510,50

€ 123.913,97

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag + bedrag per aanvragerscategorie (aantal jeugdleden)

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Vast bedrag per vereniging (X)

€ 462,60

€ 1.850,40

Vast bedrag voor Jeugdlid (Y) obv staffel

 

€ 90.464,00

1-40 jeugdleden

€ 1.000,00

 

41-80 jeugdleden

€ 2.000,00

 

81 -100 jeugdleden

€ 3.000,00

 

101 -130 jeugdleden

€ 4.000,00

 

> 131 jeugdleden

€ -

 

 
 

Formule

Voor aanvragers met leden wordt de hoogte van de subsidie als volgt berekend: X + Y, waarbij: X = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar; Y = het bedrag per aanvragerscategorie per jaar, waarbij de aanvragerscategorie wordt bepaald door het aantal jeugdleden.

 
 

Onderdeel

Recreatieve Sport

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 17.462,53

 

2028

€ 17.348,46

 

2029

€ 17.234,39

 

2030

€ 17.120,31

€ 69.165,69

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

Tussen € 465 en €11.976

€ 69.165,69

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Sportraad

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 2.261,60

 

2028

€ 2.261,60

 

2029

€ 2.261,60

 

2030

€ 2.261,60

€ 9.046,40

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

€ 2.000,00

€ 8.000,00

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Onderdeel

Sportevenementen

 
 

Deelplafonds

Per Jaar

Per 4 jaar

2027

€ 46.928,20

 

2028

€ 46.928,20

 

2029

€ 46.928,20

 

2030

€ 46.928,20

€ 196.759,20

 
 

Grondslag Subsidie

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

 
 

Componenten

Per Jaar

Per 4 jaar

Historisch bedrag

Tussen € 500 en € 41.000

€ 196.759,20

 
 

Formule

Vast bedrag per subsidieaanvrager per jaar o.b.v. historie.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

Dit artikel bevat de begripsbepalingen die voor de hele regeling van belang zijn. Daarmee wordt duidelijk hoe bepaalde woorden in deze regeling moeten worden gelezen. Dat voorkomt misverstanden bij de toepassing. Het gaat om de volgende begrippen:

Asv

Met Asv wordt bedoeld de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026. Deze subsidieregeling bouwt daarop voort. De Asv bevat de algemene regels die voor gemeentelijke subsidies gelden, terwijl deze regeling nadere regels bevat voor verschillende segmenten waaronder Sociale basis en preventie. Samen vormen de Asv en deze subsidieregeling het kader voor subsidies.

In natura geleverde diensten en goederen

In natura geleverde diensten en goederen zijn diensten en goederen die aan een subsidieaanvrager worden geleverd door een andere partij en waarvoor door die andere partij geen vergoeding wordt gevraagd. Deze worden dus gratis beschikbaar gesteld aan de subsidieaanvrager.

Inwoners

Onder inwoners wordt verstaan: inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten. Dit begrip is van belang omdat deze subsidieregeling is gericht op activiteiten met maatschappelijk effect binnen de gemeente. Daarom kan voor subsidies op grond van deze regeling van belang zijn in hoeverre activiteiten zich richten op inwoners van Eijsden-Margraten.

Jeugdleden

Jeugdleden zijn natuurlijke personen tot en met 20 jaar die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en contributie betalen. Dit begrip is van belang voor de hoogte van de subsidie, omdat daarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen jeugdleden en andere leden.

Leden

Onder leden wordt verstaan natuurlijke personen die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en contributie betalen. Anders dan bij jeugdleden speelt hier geen leeftijdsgrens.

Reguliere activiteiten

Op grond van deze regeling kan alleen subsidie worden versterkt voor reguliere activiteiten. Het betreft activiteiten die behoren tot de normale werkzaamheden van de subsidieontvanger en die ten minste jaarlijks terugkeren. Het begrip is in deze regeling met name van belang om deze subsidies te onderscheiden van incidentele subsidies, waarvoor een afzonderlijke subsidieregeling van toepassing is.

Segment

Een segment is een afgebakend onderdeel van deze subsidieregeling waarin activiteiten zijn samengebracht die bijdragen aan vergelijkbare beleidsdoelstellingen en maatschappelijke effecten. Per segment kunnen eigen voorwaarden, beoordelingscriteria en budgetten worden gehanteerd.

Structurele subsidies

Met structurele subsidies wordt bedoeld de subsidies als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Asv, die worden verstrekt voor reguliere activiteiten van de subsidieontvanger.

Vrijwilligerswerk

Vrijwilligerswerk betreft activiteiten die vrijwillig en onbetaald worden uitgevoerd om goederen te produceren of diensten te verlenen aan anderen buiten het huishouden of de familiekring van de vrijwilliger. Daarmee wordt duidelijk dat informele hulp binnen de privésfeer niet wordt gezien als vrijwilligerswerk.

Artikel 1.2 Aanvraagtermijn en looptijd subsidie

In dit artikel is bepaald dat een subsidieaanvraag - in afwijking van artikel 7, eerste lid, Asv - uiterlijk op 1 september moet zijn ingediend, voorafgaand aan het eerste jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Een vereniging die subsidie wil aanvragen voor een subsidietijdvak dat aanvangt in 2027, moet haar aanvraag dus uiterlijk op 1 september 2026 indienen. De aanvraag kan pas worden ingediend na de bekendmaking van het subsidieplafond voor de betreffende subsidieperiode. Ook is geregeld dat de subsidie ineens kan worden verleend voor een periode van maximaal vier jaar. Daarmee biedt de regeling ruimte om, afhankelijk van de omstandigheden, een passende subsidieperiode te hanteren, met een maximum van vier jaar. Dit artikel maakt het verder mogelijk om gedurende de subsidieperiode een subsidieaanvraag in behandeling te nemen van een nieuwe aanvrager. Zonder deze mogelijkheid zou het namelijk kunnen gebeuren dat bijvoorbeeld een nieuwe organisatie in de gemeente tot vier jaar moet wachten totdat kan worden meegedaan aan de volgende subsidieronde. Een aanvraag van een nieuwe aanvrager moet worden ingediend voor 1 september, maar dat kan dus ook zijn 1 september voorafgaand aan het tweede, derde of vierde jaar van de subsidieperiode.

Artikel 1.3 Subsidieplafond en overheveling

Dit artikel maakt het mogelijk dat geld dat in het ene segment overblijft, wordt overgeheveld naar een ander segment binnen dezelfde subsidieregeling. Dat geeft het college flexibiliteit om het beschikbare budget optimaal te benutten. Het tweede lid regelt dat zo’n wijziging niet informeel kan plaatsvinden. Het subsidieplafond moet dan officieel worden aangepast en op de juiste manier bekendgemaakt.

Artikel 1.4 Eisen aan de aanvraag

Dit artikel regelt dat een aanvraag om subsidie vergezeld gaat van een activiteitenplan. Dit artikel vormt een aanvulling op artikel 6 van de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026 (ASV), waarin reeds is bepaald dat een aanvraag inzicht moet geven in de aard van de activiteiten, de doelstellingen en de beoogde resultaten.

Met dit artikel wordt deze informatieverplichting nader geconcretiseerd en uniform gemaakt voor alle segmenten binnen deze subsidieregeling. Door het verplicht stellen van een activiteitenplan worden aanvragen op een eenduidige en vergelijkbare wijze ingediend, hetgeen noodzakelijk is voor een zorgvuldige beoordeling van aanvragen en een transparante toepassing van de beoordelingscriteria.

Het activiteitenplan bevat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, de doelstellingen en beoogde resultaten, de doelgroep en de wijze waarop de activiteiten bijdragen aan de doelstellingen van het betreffende segment. Hiermee wordt inzicht verkregen in de maatschappelijke en beleidsmatige relevantie van de activiteiten en de mate waarin deze aansluiten bij de doelstellingen van de gemeente.

Indien van toepassing bevat het activiteitenplan daarnaast informatie over het bereik van de activiteiten, de samenwerking met andere partijen en de inzet van vrijwilligers. Dit biedt burgemeester en wethouders aanvullende informatie om de uitvoerbaarheid, effectiviteit en maatschappelijke impact van de activiteiten te beoordelen.

Burgemeester en wethouders kunnen per segment nadere eisen stellen aan de inhoud van het activiteitenplan. Deze bepaling biedt flexibiliteit om de informatievoorziening af te stemmen op de aard en doelstellingen van verschillende beleidsterreinen binnen deze subsidieregeling, zonder dat hiervoor de gehele regeling hoeft te worden aangepast.

Door het activiteitenplan als verplicht onderdeel van de aanvraag op te nemen, wordt de kwaliteit van subsidieaanvragen verbeterd en wordt een consistente en zorgvuldige beoordeling binnen de kaders van het vooraf vastgestelde subsidieplafond ondersteund.

Hoofdstuk 2. Nadere regelingen per segment

Titel 2.1. Segment Sociale Basis en Preventie

Artikel 2.1 Definities

Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen die specifiek van belang zijn voor het segment ‘Sociale basis en preventie’.

Armoede

Armoede is de situatie waarin personen of huishoudens structureel over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in basisbehoeften. Bij basisbehoeften gaat het om bijvoorbeeld voedsel, kleding, adequate huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en sociale participatie. Het gevolg hiervan is dat mensen ernstig worden belemmerd in hun maatschappelijke participatie, zelfredzaamheid en kansen op ontwikkeling.

Bijzondere activiteiten

Bijzondere activiteiten zijn activiteiten die ten minste eenmaal per jaar terugkeren en daardoor als structureel worden aangemerkt. Het moet gaan om dezelfde activiteit of in hoofdzaak dezelfde activiteit. De bijzondere activiteiten vinden plaats binnen het kader van de overkoepelende structurele activiteit waarvoor op grond van artikel 2.2 subsidie wordt verleend. In deze subsidietitel is de definitie van bijzondere activiteiten alleen van toepassing op activiteiten die worden georganiseerd voor jeugd en jongeren.

Inclusie

Inclusie is het bevorderen van gelijke toegang, deelname en kansen voor alle inwoners, waarbij drempels die maatschappelijke participatie belemmeren actief worden weggenomen en verschillen worden erkend en gewaardeerd.

Informele zorg

Informele zorg omvat zorg en ondersteuning die wordt verleend door personen uit het sociale netwerk van de zorgontvanger, zoals familie, vrienden, buren of vrijwilligers, en die voortkomt uit een bestaande sociale relatie. Het moet gaan om niet-professionele en onbetaalde zorg.

Kwetsbare inwoners

Onder kwetsbare inwoners wordt verstaan personen die, al dan niet tijdelijk, beperkt zijn in hun zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie als gevolg van lichamelijke, psychische, sociale of economische factoren.

Maatschappelijke participatie

Onder maatschappelijke participatie wordt verstaan het meedoen aan sociale, culturele, sportieve of educatieve activiteiten, waardoor inwoners contacten onderhouden, vaardigheden ontwikkelen en onderdeel blijven van de samenleving.

Sociale basis en preventie

Onder sociale basis en preventie wordt verstaan het geheel van informele sociale verbanden en laagdrempelige voorzieningen in de leefomgeving van inwoners, ondersteund door publieke of maatschappelijke organisaties. Dat geheel is gericht op het versterken van zelfredzaamheid, participatie, sociale samenhang en welzijn, maar ook op het vroegtijdig signaleren, voorkomen of beperken van sociale, maatschappelijke, opvoed-, participatie- of gezondheidsgerelateerde problematiek binnen het sociaal domein.

Artikel 2.2 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. De gemeente verleent alleen subsidie voor activiteiten die iets goeds doen voor mensen en de samenleving. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet een activiteit meehelpen aan een betere, gezondere en socialere samenleving.

Het artikel bepaalt dat de activiteiten moeten bijdragen aan de doelstellingen die zijn opgesomd onder sub a tot en met l. Het is niet vereist dat een bijdrage wordt geleverd aan alle opgesomde doelen. Voldoende is dat sprake is van een betekenisvolle bijdrage aan een van deze doelstellingen. In de praktijk zal een activiteit soms wel aan meerdere doelstellingen tegelijk raken. Een activiteit voor ouderen kan bijvoorbeeld bijdragen aan zowel het doel onder sub e als het doel onder sub i.

Er is gekozen voor een ruim bereik van de activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie. Hierdoor vallen niet alleen activiteiten onder de reikwijdte die al jaren worden uitgevoerd, maar is ook subsidie mogelijk voor nog te ontwikkelen toekomstige activiteiten.

Artikel 2.3 Eisen aan de aanvrager

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Dat zijn op grond van dit artikel rechtspersonen die hoofdzakelijk gebruikmaken van vrijwilligers. Voor verenigingen geldt als aanvullende eis dat de vereniging minimaal 15 leden heeft. Hiermee wordt gewaarborgd dat de activiteiten van de vereniging een zekere maatschappelijke impact hebben en dat sprake is van een bepaalde robuustheid.

Artikel 2.4 Eisen aan de aanvraag

Dit artikel bevat aanvullende eisen voor subsidieaanvragen. De gevraagde gegevens stellen het college in staat om de aanvraag zorgvuldig te beoordelen en de omvang van de activiteiten en doelgroep van de aanvrager vast te stellen.

Het eerste lid bepaalt welke gegevens een aanvrager met leden in aanvulling op artikel 6 van de Algemene subsidieverordening (Asv) moet overleggen.

Onderdeel a verplicht tot opgave van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode. Hiermee wordt aangesloten bij een vaste peildatum, zodat aanvragen op een uniforme wijze kunnen worden beoordeeld.

Onderdeel b verplicht het bestuur van de aanvrager tot het afleggen van een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat het opgegeven ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en naar waarheid en volledig is verstrekt. Tevens wordt bevestigd dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave gevolgen kan hebben voor de subsidieverlening, waaronder wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.

Het tweede lid bevat een bijzondere regeling voor aanvragers die zich hoofdzakelijk richten op jeugd- en jongerenwerk. Voor deze organisaties is niet het totale ledenaantal bepalend, maar het aantal jeugdleden.

Onderdeel a verplicht daarom tot opgave van het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode.

Onderdeel b verplicht tot opgave van het aantal bijzondere activiteiten per jaar. Onder bijzondere activiteiten worden verstaan activiteiten die voor jeugd en jongeren worden georganiseerd en die ten minste eenmaal per jaar terugkeren in dezelfde of grotendeels dezelfde vorm, zoals opkomsten, kampen of vergelijkbare groepsactiviteiten met een zelfstandig karakter. Deze gegevens geven inzicht in de omvang en intensiteit van het jeugd- en jongerenwerk.

Het derde lid verplicht aanvragers die activiteiten voor minderjarigen organiseren tot het overleggen van een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de organisatie verbonden vrijwilligers beschikken over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Hiermee wordt beoogd de sociale veiligheid van minderjarigen binnen gesubsidieerde activiteiten te bevorderen.

Het vierde lid regelt een administratieve lastenverlichting voor kleine subsidieaanvragen. In afwijking van artikel 6 Asv hoeft een aanvrager van een subsidie tot en met € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten over te leggen. Hiermee wordt voorkomen dat voor beperkte subsidiebedragen onnodige administratieve verplichtingen gelden.

Artikel 2.5 Verwerking van persoonsgegevens

Dit artikel regelt hoe de gemeente omgaat met persoonsgegevens. Het eerste lid maakt duidelijk dat burgemeester en wethouders de ledenadministratie en verklaringen omtrent gedrag steekproefsgewijs mogen controleren. Daarbij geldt wel een grens: de controle moet proportioneel zijn en mag niet verder gaan dan nodig is. Het tweede lid legt vast dat alleen noodzakelijke gegevens worden verwerkt en dat die niet langer worden bewaard dan nodig.

Artikel 2.6 Subsidiabele kosten

Dit artikel noemt welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat subsidie bedoeld is voor de uitvoering van de activiteit zelf, en niet voor kosten die daar te ver van afstaan, al uit andere middelen worden betaald of niet redelijk zijn om met publiek geld te bekostigen.

De opsomming voorkomt discussie achteraf. Het betreft de volgende kosten:

  • a.

    Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen

    Dit zijn kosten die een organisatie ook zonder subsidie moet maken om haar activiteiten op een rechtmatige en verantwoorde manier uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan kosten die nodig zijn om te voldoen aan wettelijke veiligheidsvoorschriften, vergunningseisen of basale kwaliteitseisen die algemeen gebruikelijk zijn binnen de betreffende sector.

  • b.

    Kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag

    Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten voor het schrijven van de aanvraag, het verzamelen van gegevens of het laten opstellen van een begroting. Deze kosten behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

  • c.

    Kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen

    Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag door de gemeente is ontvangen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • d.

    Kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd

    Kosten die al uit anderen hoofde worden gesubsidieerd, worden niet nogmaals gesubsidieerd. Dit voorkomt dubbele financiering van dezelfde kosten. Cofinanciering is daarmee niet uitgesloten. Daarvan is sprake als verschillende financiers ieder een afzonderlijk deel van de kosten voor hun rekening nemen en dezelfde kostenposten dus niet dubbel worden bekostigd.

  • e.

    Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten

    Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten zijn niet subsidiabel. Als een aanvrager bijvoorbeeld btw kan terugvragen of verrekenen, vormt die btw geen daadwerkelijke kostenpost voor de aanvrager. Alleen kosten die daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager blijven, kunnen in aanmerking komen voor subsidie.

  • f.

    Kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes en sancties

    Dit zijn financiële of juridische kosten die niet direct samenhangen met de uitvoering van de activiteit.

  • g.

    Fooien, geschenken, gratificaties en bonussen

    Deze kosten worden gezien als extra beloningen of attenties en zijn niet noodzakelijk voor de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • h.

    Kosten van consumpties

    Hierbij gaat het bijvoorbeeld om eten, drinken, hapjes en versnaperingen voor deelnemers, vrijwilligers, bestuursleden of bezoekers. Deze kosten worden niet gezien als noodzakelijke kosten voor de uitvoering van de activiteit.

  • i.

    Kosten van feesten

    Kosten van feesten zijn niet subsidiabel. Een uitzondering geldt voor kosten van feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit. Dat betekent dat het feestelijke onderdeel ondersteunend moet zijn aan het doel van de activiteit en niet op zichzelf mag staan. Denk bijvoorbeeld aan een bescheiden afsluiting van een activiteit die onderdeel is van een breder programma. Voor feesten kan wel een subsidie worden aangevraagd op basis van de subsidieregeling voor incidentele subsidies.

  • j.

    Kosten van in natura geleverde diensten en goederen

    Het gaat hierbij om diensten of goederen waarvoor geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt, zoals vrijwillig beschikbaar gestelde materialen, ruimtes of werkzaamheden. Omdat hier geen werkelijke kosten tegenover staan, worden deze niet gesubsidieerd. Kosten voor het aankopen van bijvoorbeeld een cadeaubon of een boeket bloemen uit waardering voor het vrijwillig beschikbaar stellen van diensten en goederen zijn dus niet subsidiabel.

  • k.

    Kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht

    Dit ziet op situaties waarin kosten worden doorbelast tussen organisaties die organisatorisch, bestuurlijk of financieel met elkaar verbonden zijn. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor personeel, diensten, materialen of huisvesting die door een gelieerde rechtspersoon aan de aanvrager in rekening worden gebracht.

  • l.

    Kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten

    Kosten betaald aan vrijwilligers zijn niet subsidiabel, behalve voor zover het gaat om vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten. Vrijwilligerswerk wordt in beginsel onbetaald verricht. Kosten die een vrijwilliger daadwerkelijk maakt voor de activiteit, zoals reiskosten of materiaalkosten, kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen als zij voldoende zijn onderbouwd.

Artikel 2.7 Hoogte subsidie

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen hoe de hoogte van een subsidie wordt berekend. Voor aanvragers zonder leden geldt een vast bedrag per aanvrager per jaar (eerste lid). Voor organisaties met leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per lid per jaar (tweede lid). Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de organisatie. Voor organisaties die zich bezighouden met jeugd- en jongerenwerk, geldt een uitzondering op het bovenstaande. Voor deze organisaties bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per jeugdlid per jaar plus een bedrag per bijzondere activiteit per jaar (derde lid).

Het college stelt de concrete bedragen op grond van het vierde lid vast in een afzonderlijk besluit. Dat is praktisch, omdat bedragen zo eenvoudiger kunnen worden aangepast zonder dat meteen de hele regeling hoeft te worden gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen, indien daarvoor gelet op bijvoorbeeld de aard van de activiteiten of het ledenbestand aanleiding bestaat.

In het vijfde lid is geregeld hoe wordt gehandeld als het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies hoger is dan het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval eerst toepassing geven aan artikel 1.3 en bezien of overheveling van middelen vanuit een ander segment mogelijk is. Voor zover het subsidieplafond daarna nog steeds wordt overschreden, worden de berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd. Het percentage van de verlaging wordt berekend volgens de formule: (totaal berekende subsidies - subsidieplafond) / totaal berekende subsidies × 100%. Bij een totaal van € 120.000 aan berekende subsidies en een subsidieplafond van € 100.000 bedraagt de overschrijding € 20.000. Het verlagingspercentage is dan 16,67%. Iedere subsidie wordt in dat geval met 16,67% verlaagd. Een berekende subsidie van € 6.000 wordt dan vastgesteld op € 5.000. Achten burgemeester en wethouders een dergelijke verlaging niet wenselijk, dan kunnen zij er ook voor kiezen het subsidieplafond te verhogen. Als burgemeester en wethouders daarvoor niet kiezen en toepassing van deze systematiek in een concreet geval tot een onredelijke uitkomst leidt, kunnen zij toepassing geven aan de hardheidsclausule (artikel 3.1).

Artikel 2.8 Subsidieplafond

Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voor dit segment een vierjaarlijks subsidieplafond, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventueel deelplafonds vaststellen. Artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. Met andere woorden: burgemeester en wethouders stellen het bedrag vast dat in een bepaalde periode maximaal voor dit segment beschikbaar is. Daarbij kunnen ook deelplafonds worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor specifieke clusters van aanvragers.

Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat de gemeente het subsidieplafond tijdig bekend maakt, waarbij geldt dat aanvragers een subsidieplafond niet eenvoudig “omzeilen” door al weken eerder een aanvraag in te dienen.

Artikel 2.9 Tussentijdse verhoging subsidie

Dit artikel creëert de mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verhogen voor een aanvrager waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is van het aantal leden. Hiermee kan worden ingespeeld op een sterke toename van het aantal leden ten opzichte van het aantal leden dat is opgegeven bij de oorspronkelijke subsidieaanvraag. Zonder deze mogelijkheid zou het kunnen gebeuren dat een vereniging tot vier jaar moet wachten totdat in de volgende subsidieronde een subsidie wordt verleend die passend is bij het actuele ledenaantal. Een tussentijdse verhoging van de subsidie is alleen mogelijk als het aantal leden sterk is toegenomen. Met sterk wordt bedoeld dat het aantal leden is toegenomen met minimaal 25%. Bovendien mag de verlening van een verhoogde subsidie niet leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Er moet dus nog subsidiegeld beschikbaar zijn.

De vereniging moet zelf een verzoek indienen tot een verhoging van de subsidie. De gemeente gaat hier niet ambtshalve (uit zichzelf) toe over. In het verzoek moet de vereniging het aantal voor de subsidie relevante leden opgeven en daarnaast een door het bestuur ondertekende verklaring overleggen waarmee wordt bevestigd dat de gegevens over het ledenaantal juist en controleerbaar zijn. Het verzoek moet uiterlijk op 1 augustus worden ingediend voorafgaande aan de jaren waarop het betrekking heeft. Als de vereniging een verhoogde subsidie wil voor 2028 tot en met 2030, dan moet zij haar verzoek uiterlijk op 1 augustus 2027 indienen.

Als de gemeente de verhoogde subsidie verleent, doet zij dit via een afzonderlijke beschikking waarbij het subsidiebedrag wordt verhoogd.

Artikel 2.10 Weigeringsgronden

In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • -

    Indien de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

  • -

    Indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Deze weigeringsgronden zijn in artikel 9 Asv nader uitgewerkt/aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een subsidie in ieder geval kan worden geweigerd:

  • -

    Als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

  • -

    Als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • -

    Als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • -

    Als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

  • -

    Als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

  • -

    In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

De Asv laat dan ook ruimte om bij subsidieregeling extra weigeringsgronden op te nemen. In artikel 2.10 is hier gebruik van gemaakt en is bepaald dat een aanvraag kan worden geweigerd indien:

  • a.

    De activiteit primair is gericht op individuele hulpverlening of zorg;

    Het moet dus gaan om een bredere inzet dan alleen gericht op een enkel individu.

  • b.

    De activiteit winstgericht van aard is;

    De activiteit mag niet zijn gericht op het maken van winst.

  • c.

    De activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;

    Met deze weigeringsgrond wordt verduidelijkt dat de subsidie niet is bedoeld voor activiteiten die zijn gericht op politieke of religieuze doeleinden. Door de gekozen formulering kan bijvoorbeeld een parochie geen subsidie ontvangen voor activiteiten die zijn gericht op het uitdragen van religie, maar wel voor activiteiten die zijn gericht op sociale samenhang.

  • d.

    De continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

    Onderdeel d maakt duidelijk dat een aanvraag kan worden geweigerd als er twijfels bestaan over de continuïteit van de aanvrager. Daarvan kan sprake zijn als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie duurzaam kan voortbestaan en de activiteiten op zorgvuldige en betrouwbare wijze kan uitvoeren.

  • e.

    Aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;

    Deze grond hangt samen met de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om publieke middelen zorgvuldig in te zetten. Van de aanvrager mag daarom worden verwacht dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de middelen ten goede komen aan de beoogde activiteiten en dat de relatie tussen de gevraagde subsidie en het te bereiken resultaat voldoende inzichtelijk is.

  • f.

    De activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd.

    Onderdeel f strekt ertoe te voorkomen dat de gemeente voor dezelfde activiteit meer dan eenmaal subsidie verleent. Indien voor een activiteit reeds subsidie wordt verstrekt op grond van een andere gemeentelijke regeling, kan de aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen. Het hoeft overigens niet te gaan om een andere subsidie; het kan ook gaan om financiering op een andere grondslag dan subsidie.

  • g.

    De aanvraag betrekking heeft op de coördinatie van informele zorg waarvoor op grond van artikel 2.11 maximaal één subsidie kan worden verleend en de aanvraag niet als hoogste is gerangschikt overeenkomstig artikel 2.11, tweede en derde lid.

    Deze weigeringsgrond hangt samen met artikel 2.11. In dat artikel is geregeld dat voor de coördinatie van informele zorg maximaal één subsidie wordt verleend.

    Als meerdere aanvragen betrekking hebben op de coördinatie van informele zorg, worden de aanvragen beoordeeld en gerangschikt aan de hand van de criteria in artikel 2.11, tweede en derde lid. De aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen kunnen op grond van dit onderdeel worden geweigerd.

Artikel 2.11 Overlappende activiteiten

Dit artikel regelt hoe wordt omgegaan met aanvragen voor de coördinatie van informele zorg.

In het eerste lid is bepaald dat maximaal één subsidie wordt verleend voor de coördinatie van informele zorg. Juist vanwege het coördinerende aspect is het namelijk niet passend om deze rol bij meer dan één partij te beleggen.

In het tweede lid is geregeld op basis van welke criteria wordt bepaald welke aanvraag voor subsidie in aanmerking komt als meerdere aanvragen betrekking hebben op de coördinatie van informele zorg. De aanvraag met de hoogste totaalscore komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen worden geweigerd. Burgemeester en wethouders maken een weging aan de hand van de in het tweede lid opgesomde criteria, waarbij onderstaande scoretabel als uitgangspunt wordt genomen.

Criterium

Score

Toelichting

a. Bijdrage aan de doelen

0 punten

De activiteit draagt niet of nauwelijks bij aan de doelen, bedoeld in artikel 2.2.

 

10 punten

De activiteit draagt in beperkte mate bij aan de doelen, bedoeld in artikel 2.2.

 

20 punten

De activiteit draagt in redelijke mate bij aan de doelen, bedoeld in artikel 2.2.

 

30 punten

De activiteit draagt duidelijk bij aan de doelen, bedoeld in artikel 2.2.

 

35 punten

De activiteit draagt in sterke mate bij aan de doelen, bedoeld in artikel 2.2.

b. Verwacht bereik van de activiteit

0 punten

De activiteit omvat de coördinatie van minder dan twaalf huiskamers binnen de gemeente Eijsden-Margraten.

 

25 punten

De activiteit omvat de coördinatie van twaalf huiskamers binnen de gemeente Eijsden-Margraten.

c. Draagvlak en samenwerking

0 punten

Er blijkt niet of nauwelijks draagvlak of samenwerking uit de aanvraag.

 

5 punten

Er is beperkt draagvlak of samenwerking, of dit is slechts algemeen beschreven.

 

10 punten

Er is voldoende draagvlak en enige samenwerking met betrokken organisaties, verenigingen of vrijwilligers.

 

15 punten

Er is duidelijk draagvlak en aantoonbare samenwerking met meerdere betrokken partijen.

 

20 punten

Er is breed draagvlak en sterke samenwerking met meerdere organisaties, verenigingen of vrijwilligers binnen de gemeente.

d. Uitvoerbaarheid

0 punten

De aanvraag maakt onvoldoende aannemelijk dat de activiteit uitvoerbaar is.

 

5 punten

De uitvoerbaarheid is beperkt onderbouwd; belangrijke organisatorische of financiële aspecten zijn nog onduidelijk.

 

10 punten

De activiteit is in hoofdlijnen uitvoerbaar en de belangrijkste aspecten zijn voldoende toegelicht.

 

15 punten

De activiteit is goed uitvoerbaar en de organisatorische en financiële aspecten zijn duidelijk uitgewerkt.

 

20 punten

De activiteit is zeer goed uitvoerbaar; organisatie, financiën, planning en inzet van vrijwilligers zijn volledig en overtuigend onderbouwd.

Het derde lid voorziet in een regeling voor het geval twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen. In dat geval wordt eerst gekeken naar de scores op de belangrijkste criteria. Leidt dit niet tot een onderscheid, dan beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.

Artikel 2.12 Uitbetaling van de subsidie

Dit artikel geeft duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente subsidie uitbetaalt. Dit is van belang, omdat subsidieverlening voor een subsidieperiode van maximaal 4 jaar niet wil zeggen dat de gehele subsidie meteen bij aanvang van die subsidieperiode wordt overgemaakt naar de subsidieontvanger. De subsidie wordt per subsidiejaar betaalbaar gesteld. Dit gebeurt voor 1 februari van ieder jaar van de subsidieperiode.

Artikel 2.13 Verplichtingen

Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb bepaalt dat aan de subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot:

  • -

    de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

  • -

    de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

  • -

    het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

  • -

    de te verzekeren risico’s;

  • -

    het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

  • -

    het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • -

    het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;

  • -

    het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.

Op grond van artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan daarnaast ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kunnen worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dergelijke verplichtingen kunnen bovendien slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

In artikel 11 en 12 van de Asv is hieraan invulling gegeven. Artikel 11 bevat een meldingsplicht en informatieplicht voor de subsidieontvanger. Op grond van dat artikel moet de subsidieontvanger melden indien aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarnaast moeten burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over:

  • -

    beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

  • -

    relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

  • -

    ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

  • -

    wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12, tweede en derde lid, van de Asv bepalen dat bij subsidieregeling ook niet in de Awb genoemde verplichtingen kunnen worden opgelegd (mits deze zien op het doel van de subsidie of betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht). Met artikel 2.13 is hieraan invulling gegeven. Het eerste lid bevat algemene verplichtingen voor iedere subsidieontvanger:

  • -

    de subsidie moet daadwerkelijk worden ingezet voor de uitvoering van de activiteit;

  • -

    de subsidieontvanger moet meewerken aan evaluatieonderzoeken van of namens de gemeente.

Het tweede lid bevat een aanvullende verplichting voor subsidieontvangers met leden. Zij moeten:

  • -

    een controleerbare administratie voeren van de voor de subsidie relevante ledengegevens;

  • -

    desgevraagd inzage geven in de gegevens en bescheiden die nodig zijn om te kunnen controleren of aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Deze verplichtingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verleend en dat burgemeester en wethouders zicht houden op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De aanvullende verplichtingen voor subsidieontvangers met leden hangen samen met het belang van een juiste en controleerbare vaststelling van de subsidie. Omdat het ledenbestand van invloed is op de hoogte van de subsidie, moet de gemeente kunnen beschikken over betrouwbare en verifieerbare gegevens.

Het niet voldoen aan deze verplichtingen, kan leiden tot wijziging of intrekking van de subsidie(vaststelling) op grond van de Awb

Artikel 2.14 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000

Artikel 16, tweede lid, Asv bepaalt dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000 moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag (waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan), een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening), een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop en een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant.

In artikel 16, derde lid, Asv is bepaald dat bij subsidieregeling andere gegevens kunnen worden verlangd. In artikel 2.14 van deze subsidieregeling is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat het volstaat om een inhoudelijk verslag en een financieel verslag of jaarrekening in te dienen. Dat betekent dat een subsidieontvanger geen balans en controleverklaring hoeft in te dienen.

Verder is het belangrijk om te weten dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Dit is verplicht op grond van artikel 15, tweede lid Asv. In deze subsidieregeling wordt niet afgeweken van dat artikel uit de Asv. Daarom is in deze subsidieregeling geen aparte bepaling opgenomen over de eindverantwoording van subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar. Deze verplichting geldt dus rechtstreeks op grond van de Asv.

Titel 2.2. Segment Kunst, Cultuur en Erfgoed

Artikel 2.15 Definities

Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen die specifiek van belang zijn voor het segment ‘Kunst, cultuur en erfgoed’.

Cultuurvisie Eijsden-Margraten

Met Cultuurvisie Eijsden-Margraten wordt bedoeld de cultuurvisie 2025-2030 van de gemeente Eijsden-Margraten.1 Door in de regeling bij deze visie aan te sluiten, wordt geborgd dat subsidieverlening plaatsvindt in samenhang met de bredere culturele ambities van de gemeente.

Kunst, cultuur en erfgoed

Met kunst, cultuur en erfgoed worden in deze regeling activiteiten in brede zin op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed bedoeld. Het gaat daarbij niet alleen om activiteiten die zijn gericht op beleving, beoefening en presentatie, maar ook om activiteiten die zien op toegankelijkheid, behoud, overdracht en educatief gebruik. Daarmee wordt verduidelijkt dat dit segment een brede reikwijdte heeft. Daarnaast geldt dat deze activiteiten moeten aansluiten bij een of meer van de in de Cultuurvisie Eijsden-Margraten opgenomen kernthema’s, te weten:

  • 1.

    Cultuur als Levenskompas

    Dit kernthema omvat het beleven, beoefenen en presenteren van kunst- en cultuuruitingen in professionele en amateurcontext. Hieronder vallen onder meer muziek, zang, theater, dans, beeldende en audiovisuele kunst, literaire activiteiten, culturele evenementen en andere vormen van culturele expressie die bijdragen aan individuele en collectieve culturele identiteit.

  • 2.

    Kunst in verbinding met inwoners

    Dit kernthema betreft kunst- en cultuuractiviteiten waarbij inwoners actief betrokken zijn bij de totstandkoming en uitvoering van een project of evenement, met nadruk op ontmoeting, participatie en sociale verbinding. Hieronder vallen onder meer participatieve kunstprojecten, community art, urban culture, kunst- en cultuuractiviteiten in de openbare ruimte, en andere initiatieven waarbij inwoners samen met culturele professionals kunst en cultuur vormgeven.

  • 3.

    Immaterieel erfgoed en inwoners: betekenisvol behoud

    Dit kernthema omvat:

    Immaterieel erfgoed: het levend houden, uitvoeren en doorgeven van tradities, gebruiken, ambachten, streekproducten, volkscultuur, verhalen, rituelen en vieringen die verbonden zijn met de geschiedenis en culturele identiteit van de gemeente.

    Levend materieel erfgoed: het toegankelijk maken en beleven van materieel erfgoed via publieksgerichte activiteiten, educatie en culturele programmering, zodat inwoners actief kennis kunnen maken met en betrokken worden bij het erfgoed.

  • 4.

    Cultuureducatie; uit de comfortzone!

    Dit kernthema betreft educatieve programma’s of leeractiviteiten gericht op kunst- en cultuureducatie, zowel binnen als buiten het onderwijs. Hieronder vallen onder meer educatieve programma’s of leeractiviteiten in muziek, drama en dans en beeldende kunst, culturele workshops en (immaterieel) erfgoededucatie.

    Daarnaast kunnen basisscholen subsidie aanvragen voor randprogramma’s met culturele activiteiten, belevingen en excursies. Alle genoemde vormen zijn gericht op kennismaking met en verdieping in kunst en cultuur.

  • 5.

    De bibliotheek als hart van de samenleving

    Dit kernthema omvat de functies van de bibliotheek als maatschappelijke en culturele voorziening binnen de gemeente. De bibliotheek biedt inwoners toegang tot informatie, cultuur en kennis, ondersteunt educatie en basisvaardigheden, stimuleert ontmoeting en debat, en maakt kunst en cultuur toegankelijk. Binnen dit kernthema vallen onder meer voorzieningen en activiteiten zoals leesbevordering, literaire en culturele programmering, digitale geletterdheid, educatieve en maatschappelijke workshops, en publieksgerichte culturele activiteiten die bijdragen aan cultuurparticipatie en sociale samenhang, voor zover deze activiteiten vallen binnen de taken en functies van het bibliotheekwerk zoals vastgesteld in de wet en het gemeentelijk beleid.

Artikel 2.16 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

Het eerste lid bepaald dat het moet gaan om reguliere activiteiten op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed. Niet alle activiteiten die inhoudelijk onder de definitie van kunst, cultuur en erfgoed (artikel 2.15) vallen, komen daarmee automatisch voor subsidie in aanmerking. Daarvoor is ook vereist dat sprake is van reguliere activiteiten. Daarmee sluit deze bepaling aan bij het karakter van de regeling als grondslag voor structurele subsidie. De subsidie is bedoeld voor de doorgaande activiteiten van organisaties binnen het culturele veld en niet voor losse projecten die buiten de reguliere werkzaamheden van de aanvrager vallen. Of sprake is van reguliere activiteiten hangt mede af van de aard, doelstelling en gebruikelijke werkzaamheden van de aanvrager. Wat voor de ene organisatie een kernactiviteit is, kan voor een andere organisatie juist een incidentele nevenactiviteit zijn. Een sportvereniging die eenmalig een tentoonstelling over haar geschiedenis organiseert, verricht weliswaar een activiteit op het gebied van cultuur of erfgoed, maar valt daarmee in beginsel buiten het bereik van deze bepaling, omdat die activiteit geen regulier karakter heeft. Voor een erfgoedvereniging kan het organiseren van tentoonstellingen over de lokale geschiedenis juist tot de kern van de reguliere werkzaamheden behoren.

Het tweede lid bepaalt dat de activiteiten moeten bijdragen aan de ambities en doelstellingen uit de Cultuurvisie Eijsden-Margraten. Het derde lid werkt dit nader uit door te bepalen wanneer daarvan in ieder geval sprake is. Het kan daarbij gaan om activiteiten die cultuurparticipatie, inclusie en burgerparticipatie bevorderen, zodat inwoners actief kunnen deelnemen of bijdragen aan kunst en cultuur, met bijzondere aandacht voor jongeren (derde lid, sub a). Ook kan het gaan om activiteiten waarbij kunst en cultuur worden ingezet voor bredere maatschappelijke doelstellingen, bijvoorbeeld ter bevordering van sociale cohesie, bewustwording of educatie (derde lid, sub b). Daarnaast kan sprake zijn van een bijdrage aan de doelstellingen uit de cultuurvisie wanneer activiteiten het culturele netwerk binnen de gemeente versterken (derde lid, sub c), bewustwording rond duurzaamheid bevorderen (derde lid, sub d) of verbindingen leggen tussen kunst en cultuur en andere beleidsvelden, zoals zorg, welzijn, ruimte en educatie (derde lid, sub e). Het is niet vereist dat een bijdrage wordt geleverd aan alle opgesomde doelen. Voldoende is dat sprake is van een betekenisvolle bijdrage aan een van deze doelstellingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een zangvereniging die met haar reguliere activiteiten bijdraagt aan cultuurparticipatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a. In de praktijk zal een activiteit soms wel aan meerdere doelstellingen tegelijk raken. Een erfgoedvereniging die samen met scholen en andere lokale partijen educatieve tentoonstellingen over de lokale geschiedenis organiseert, kan bijvoorbeeld bijdragen aan de doelstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c en e.

Artikel 2.17 Eisen aan de aanvrager

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Dat zijn op grond van dit artikel rechtspersonen met een culturele doelstelling, zonder winstoogmerk, die hoofdzakelijk gebruikmaken van vrijwilligers en minimaal eenmaal per jaar een openbare activiteit organiseren. Hiermee wordt gewaarborgd dat subsidies terechtkomen bij organisaties die zich daadwerkelijk inzetten voor het culturele leven in de gemeente en die daar ook zichtbaar invulling aan geven. Met de eis dat een organisatie minimaal eenmaal per jaar een openbare activiteit organiseert, wordt gewaarborgd dat ook niet-leden kunnen profiteren van de bijdrage van de organisatie aan het culturele leven in de gemeente.

Het tweede lid bevat een aanvullende eis voor vereniging, namelijk dat zij minimaal 5 leden moet hebben. Hiermee wordt gewaarborgd dat sprake is van een bepaalde robuustheid.

Artikel 2.18 Eisen aan de aanvraag

Dit artikel bevat een aanvulling ten opzichte van artikel 6 van de Asv.

Lid 1 (aanvraagformulier)

Dit lid bepaalt dat een aanvraag moet worden ingediend met gebruikmaking van het door burgemeester en wethouders vastgestelde aanvraagformulier. Hiermee wordt uniformiteit in de wijze van aanvragen geborgd. Het gebruik van een standaardformulier bevordert de volledigheid en vergelijkbaarheid van aanvragen en ondersteunt een efficiënte behandeling daarvan.

Bij de aanvraag moeten de in artikel 6, tweede en derde lid, opgesomde gegevens worden meegezonden (een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen en resultaten die daarmee worden nagestreefd en de wijze waarop de activiteiten daaraan bijdragen, een begroting en een dekkingsplan, het IBAN-nummer waarop de subsidie kan worden overgemaakt, een bewijs dat dit IBAN-nummer op naam van de aanvrager staat en, voor zover van toepassing, een de-minimisverklaring en relevante stukken van een rechtspersoon die voor het eerst subsidie aanvraagt, zoals de statuten, het jaarverslag en de jaarrekening).

Lid 2 (ledenorganisaties – opgave en bestuursverklaring)

Dit lid regelt welke aanvullende gegevens een aanvrager met leden dient te verstrekken naast de verplichtingen die reeds volgen uit artikel 6 van de Asv.

Onderdeel a verplicht tot opgave van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit peilmoment zorgt voor een eenduidige en controleerbare basis voor de beoordeling van de omvang van de organisatie.

Onderdeel b schrijft voor dat deze opgave wordt ondersteund door een door het bestuur ondertekende verklaring. Hiermee wordt geborgd dat het opgegeven ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en dat de gegevens naar waarheid en volledig zijn verstrekt. Tevens wordt het bestuur gewezen op de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens en de mogelijke consequenties van onjuiste opgave, waaronder wijziging, intrekking of terugvordering van subsidie.

Lid 3 (VOG-verklaring vrijwilligers)

Dit lid bevat een aanvullende eis voor aanvragers die activiteiten organiseren waarbij vrijwilligers betrokken zijn en waarbij contact met minderjarigen kan plaatsvinden. In plaats van het overleggen van individuele Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG’s) volstaat een door het bestuur ondertekende verklaring.

Met deze bestuursverklaring wordt geborgd dat alle betrokken vrijwilligers beschikken over een geldige VOG als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze werkwijze sluit aan bij het uitgangspunt van proportionaliteit en gegevensminimalisatie zoals vastgelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), doordat de gemeente geen individuele persoonsgegevens van vrijwilligers hoeft te verwerken.

Lid 4 (kleine subsidies – geen begroting)

Dit lid regelt dat aanvragers van subsidies tot en met € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten hoeven over te leggen. Hiermee wordt de administratieve last voor kleine subsidieaanvragen beperkt.

Gelet op de beperkte omvang van deze subsidies wordt het niet noodzakelijk geacht een uitgebreide begroting te verlangen. Dit draagt bij aan een proportionele uitvoering van de subsidieregeling, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid tot subsidieverlening en -verantwoording.

Artikel 2.19 Verwerking van persoonsgegevens

Dit artikel regelt de verwerking van persoonsgegevens uit de ledenadministratie en gegevens over verklaringen omtrent het gedrag. Het eerste lid bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de ledenadministratie steekproefsgewijs te controleren. Daarbij geldt dat de controle proportioneel moet zijn en niet verder mag gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.

Het tweede lid legt vast dat uitsluitend gegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze subsidieregeling en dat deze gegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is.

Artikel 2.20 Subsidiabele kosten

Dit artikel noemt welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat subsidie bedoeld is voor de uitvoering van de activiteit zelf, en niet voor kosten die daar te ver van afstaan, al uit andere middelen worden betaald of niet redelijk zijn om met publiek geld te bekostigen.

De opsomming voorkomt discussie achteraf. Het betreft de volgende kosten:

  • a.

    Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen

    Dit zijn kosten die een organisatie ook zonder subsidie moet maken om haar activiteiten op een rechtmatige en verantwoorde manier uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan kosten die nodig zijn om te voldoen aan wettelijke veiligheidsvoorschriften, vergunningseisen of basale kwaliteitseisen die algemeen gebruikelijk zijn binnen de betreffende sector.

  • b.

    Kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag

    Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten voor het schrijven van de aanvraag, het verzamelen van gegevens of het laten opstellen van een begroting. Deze kosten behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

  • c.

    Kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen

    Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag door de gemeente is ontvangen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • d.

    Kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd

    Kosten die al uit anderen hoofde worden gesubsidieerd, worden niet nogmaals gesubsidieerd. Dit voorkomt dubbele financiering van dezelfde kosten. Cofinanciering is daarmee niet uitgesloten. Daarvan is sprake als verschillende financiers ieder een afzonderlijk deel van de kosten voor hun rekening nemen en dezelfde kostenposten dus niet dubbel worden bekostigd.

  • e.

    Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten

    Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten zijn niet subsidiabel. Als een aanvrager bijvoorbeeld btw kan terugvragen of verrekenen, vormt die btw geen daadwerkelijke kostenpost voor de aanvrager. Alleen kosten die daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager blijven, kunnen in aanmerking komen voor subsidie.

  • f.

    Kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes en sancties

    Dit zijn financiële of juridische kosten die niet direct samenhangen met de uitvoering van de activiteit.

  • g.

    Fooien, geschenken, gratificaties en bonussen

    Deze kosten worden gezien als extra beloningen of attenties en zijn niet noodzakelijk voor de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • h.

    Kosten van consumpties

    Hierbij gaat het bijvoorbeeld om eten, drinken, hapjes en versnaperingen voor deelnemers, vrijwilligers, bestuursleden of bezoekers. Deze kosten worden niet gezien als noodzakelijke kosten voor de uitvoering van de activiteit.

  • i.

    Kosten van feesten

    Kosten van feesten zijn niet subsidiabel. Een uitzondering geldt voor kosten van feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit. Dat betekent dat het feestelijke onderdeel ondersteunend moet zijn aan het doel van de activiteit en niet op zichzelf mag staan. Denk bijvoorbeeld aan een bescheiden afsluiting van een activiteit die onderdeel is van een breder programma. Voor feesten kan wel een subsidie worden aangevraagd op basis van de subsidieregeling voor incidentele subsidies.

  • j.

    Kosten van in natura geleverde diensten en goederen

    Het gaat hierbij om diensten of goederen waarvoor geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt, zoals vrijwillig beschikbaar gestelde materialen, ruimtes of werkzaamheden. Omdat hier geen werkelijke kosten tegenover staan, worden deze niet gesubsidieerd.

  • k.

    Kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht

    Dit ziet op situaties waarin kosten worden doorbelast tussen organisaties die organisatorisch, bestuurlijk of financieel met elkaar verbonden zijn. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor personeel, diensten, materialen of huisvesting die door een gelieerde rechtspersoon aan de aanvrager in rekening worden gebracht.

  • l.

    Kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten

    Kosten betaald aan vrijwilligers zijn niet subsidiabel, behalve voor zover het gaat om vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten. Vrijwilligerswerk wordt in beginsel onbetaald verricht. Kosten die een vrijwilliger daadwerkelijk maakt voor de activiteit, zoals reiskosten of materiaalkosten, kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen als zij voldoende zijn onderbouwd.

Artikel 2.21 Hoogte subsidie en wijze van verdeling

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen hoe de hoogte van een subsidie wordt berekend. Voor aanvragers zonder leden en aanvragers van subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.25, geldt een vast bedrag per aanvrager per jaar (eerste lid). Voor organisaties met leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per lid per jaar (tweede lid). Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de organisatie.

Burgemeester en wethouders stellen de concrete bedragen op grond van het derde lid vast in een afzonderlijk besluit. Dat is praktisch, omdat bedragen zo eenvoudiger kunnen worden aangepast zonder dat meteen de hele regeling hoeft te worden gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen, indien daarvoor gelet op bijvoorbeeld de aard van de activiteiten of het ledenbestand aanleiding bestaat.

In het vierde lid is geregeld hoe wordt gehandeld als het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies hoger is dan het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval eerst toepassing geven aan artikel 1.3 en bezien of overheveling van middelen vanuit een ander segment mogelijk is. Voor zover het subsidieplafond daarna nog steeds wordt overschreden, worden de berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd. Het percentage van de verlaging wordt berekend volgens de formule: (totaal berekende subsidies - subsidieplafond) / totaal berekende subsidies × 100%. Bij een totaal van € 120.000 aan berekende subsidies en een subsidieplafond van € 100.000 bedraagt de overschrijding € 20.000. Het verlagingspercentage is dan 16,67%. Iedere subsidie wordt in dat geval met 16,67% verlaagd. Een berekende subsidie van € 6.000 wordt dan vastgesteld op € 5.000. Achten burgemeester en wethouders een dergelijke verlaging niet wenselijk, dan kunnen zij er ook voor kiezen het subsidieplafond te verhogen. Als burgemeester en wethouders daarvoor niet kiezen en toepassing van deze systematiek in een concreet geval tot een onredelijke uitkomst leidt, kunnen zij toepassing geven aan de hardheidsclausule (artikel 3.1).

Artikel 2.22 Subsidieplafond

Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voor dit segment een subsidieplafond en eventueel deelplafonds vaststellen. Artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. Met andere woorden: burgemeester en wethouders stellen het bedrag vast dat in een bepaalde periode maximaal voor dit segment beschikbaar is. Daarbij kunnen ook deelplafonds worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor specifieke clusters van aanvragers.

Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat de gemeente het subsidieplafond tijdig bekend maakt, waarbij geldt dat aanvragers een subsidieplafond niet eenvoudig “omzeilen” door al weken eerder een aanvraag in te dienen.

Artikel 2.23 Tussentijdse verhoging subsidie

Dit artikel creëert de mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verhogen voor een aanvrager waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is van het aantal leden. Zonder deze mogelijkheid zou het kunnen gebeuren dat een vereniging tot vier jaar moet wachten totdat in de volgende subsidieronde een subsidie wordt verleend die passend is bij het actuele ledenaantal. Een tussentijdse verhoging van de subsidie is alleen mogelijk als het aantal leden sterk is toegenomen. Met sterk wordt bedoeld dat het aantal leden is toegenomen met minimaal 25%. Bovendien mag de verlening van een verhoogde subsidie niet leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Er moet dus nog subsidiegeld beschikbaar zijn.

De vereniging moet zelf een verzoek indienen tot een verhoging van de subsidie. De gemeente gaat hier niet ambtshalve (uit zichzelf) toe over. In het verzoek moet de vereniging het aantal leden opgeven en daarnaast een door het bestuur ondertekende verklaring overleggen waarmee wordt bevestigd dat de gegevens over het ledenaantal juist en controleerbaar zijn. Het verzoek moet uiterlijk op 1 augustus worden ingediend voorafgaande aan de jaren waarop het betrekking heeft. Als de vereniging een verhoogde subsidie wil voor 2028 tot en met 2030, dan moet zij haar verzoek uiterlijk op 1 augustus 2027 indienen.

Als de gemeente de verhoogde subsidie verleent, doet zij dit via een afzonderlijke beschikking waarbij het subsidiebedrag wordt verhoogd.

Artikel 2.24 Weigeringsgronden

In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • -

    Indien de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

  • -

    Indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Deze weigeringsgronden zijn in artikel 9 Asv nader uitgewerkt/aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een subsidie in ieder geval kan worden geweigerd:

  • -

    Als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

  • -

    Als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • -

    Als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • -

    Als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

  • -

    Als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

  • -

    In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

De Asv laat dan ook ruimte om bij subsidieregeling extra weigeringsgronden op te nemen. In artikel 2.24 is hier gebruik van gemaakt en is bepaald dat een aanvraag kan worden geweigerd indien:

  • a.

    De activiteit winstgericht van aard is;

    De activiteit mag niet zijn gericht op het maken van winst.

  • b.

    De activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;

    Met deze weigeringsgrond wordt verduidelijkt dat de subsidie niet is bedoeld voor activiteiten die zijn gericht op politieke of religieuze doeleinden.

  • c.

    De activiteit onvoldoende aansluit bij het doel, bedoeld in artikel 2.16;

    Onderdeel c heeft vooral een verduidelijkende functie. Reeds uit de systematiek van de regeling volgt dat alleen subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die passen binnen het doel van artikel 2.16. Met deze bepaling wordt dat nog eens expliciet tot uitdrukking gebracht.

  • d.

    De activiteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet;

    Deze bepaling onderstreept dat subsidie slechts wordt verstrekt voor activiteiten die passen binnen de fundamentele uitgangspunten van de democratische rechtsorde.

  • e.

    De continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

    Onderdeel e maakt duidelijk dat een aanvraag kan worden geweigerd als er twijfels bestaan over de continuïteit van de aanvrager. Daarvan kan sprake zijn als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie duurzaam kan voortbestaan en de activiteiten op zorgvuldige en betrouwbare wijze kan uitvoeren.

  • f.

    Aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;

    Deze grond hangt samen met de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om publieke middelen zorgvuldig in te zetten. Van de aanvrager mag daarom worden verwacht dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de middelen ten goede komen aan de beoogde activiteiten en dat de relatie tussen de gevraagde subsidie en het te bereiken resultaat voldoende inzichtelijk is.

  • g.

    De activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd;

    Onderdeel g strekt ertoe te voorkomen dat voor dezelfde activiteit meer dan eenmaal gemeentelijke subsidie wordt verleend. Indien voor een activiteit reeds subsidie wordt verstrekt op grond van een andere gemeentelijke regeling, kan de aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen.

  • h.

    De aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.25 maximaal één subsidie kan worden verleend en de aanvraag niet als hoogste is gerangschikt overeenkomstig artikel 2.25, tweede en derde lid.

    Deze weigeringsgrond hangt samen met artikel 2.25. In dat artikel is geregeld dat voor bepaalde jaarlijks terugkerende thematische vieringen per kern maximaal één subsidie wordt verleend, als het gelet op de aard en functie van de viering, de doelgroep en de plaats waar deze plaatsvindt, passend is dat die viering binnen die kern slechts eenmaal wordt gesubsidieerd.

    Als meerdere aanvragen betrekking hebben op zo’n viering, worden de aanvragen beoordeeld en gerangschikt aan de hand van de criteria in artikel 2.25, tweede en derde lid. De aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen kunnen op grond van dit onderdeel worden geweigerd.

Artikel 2.25 Overlappende activiteiten

Dit artikel regelt hoe wordt omgegaan met aanvragen voor jaarlijks terugkerende thematische vieringen waarbij het niet wenselijk is dat binnen één kern meerdere subsidies voor dezelfde viering worden verstrekt.

In het eerste lid is bepaald dat per kern maximaal één subsidie wordt verleend voor de organisatie van een jaarlijks terugkerende thematische viering, als het passend is dat die viering binnen die kern slechts eenmaal wordt gesubsidieerd. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de aard en functie van de viering, de doelgroep waarvoor de viering is bestemd en de plaats waar de viering plaatsvindt. Een voorbeeld is een Sinterklaasviering die is bedoeld voor alle kinderen in een kern, of een Koningsdagviering die zich richt op inwoners van de kern als geheel. In zulke gevallen kan het passend zijn om binnen die kern slechts één subsidie voor die viering te verlenen.

In het tweede lid is geregeld op basis van welke criteria wordt bepaald welke aanvraag voor subsidie in aanmerking komt als meerdere aanvragen betrekking hebben op een viering als bedoeld in het eerste lid. De aanvraag met de hoogste totaalscore komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen worden geweigerd. Burgemeester en wethouders maken een weging aan de hand van de in het tweede lid opgesomde criteria, waarbij onderstaande scoretabel als uitgangspunt wordt genomen.

Criterium

Score

Toelichting

a. Bijdrage aan het doel en aan sociale samenhang

0 punten

De activiteit draagt niet of nauwelijks bij aan het doel, bedoeld in artikel 2.16, en aan de sociale samenhang binnen de gemeente.

 

10 punten

De activiteit draagt in beperkte mate bij aan het doel, bedoeld in artikel 2.16, en aan de sociale samenhang binnen de gemeente.

 

20 punten

De activiteit draagt in redelijke mate bij aan het doel, bedoeld in artikel 2.16, en aan de sociale samenhang binnen de gemeente.

 

30 punten

De activiteit draagt duidelijk bij aan het doel en bevordert de sociale samenhang binnen de gemeente.

 

35 punten

De activiteit draagt in sterke mate bij aan het doel en heeft een duidelijke verbindende functie voor een brede groep inwoners.

b. Verwacht bereik van de activiteit

0 punten

Het verwachte bereik ontbreekt of is zo gering dat de activiteit nauwelijks publieks- of deelnemersbereik heeft.

 

10 punten

De activiteit bereikt naar verwachting 25 tot 100 deelnemers of bezoekers.

 

20 punten

De activiteit bereikt naar verwachting 101 tot 250 deelnemers of bezoekers.

 

25 punten

De activiteit bereikt naar verwachting meer dan 250 deelnemers of bezoekers.

c. Draagvlak en samenwerking

0 punten

Er blijkt niet of nauwelijks draagvlak of samenwerking uit de aanvraag.

 

5 punten

Er is beperkt draagvlak of samenwerking, of dit is slechts algemeen beschreven.

 

10 punten

Er is voldoende draagvlak en enige samenwerking met betrokken organisaties, verenigingen of vrijwilligers.

 

15 punten

Er is duidelijk draagvlak en aantoonbare samenwerking met meerdere betrokken partijen.

 

20 punten

Er is breed draagvlak en sterke samenwerking met meerdere organisaties, verenigingen of vrijwilligers binnen de kern.

d. Uitvoerbaarheid

0 punten

De aanvraag maakt onvoldoende aannemelijk dat de activiteit uitvoerbaar is.

 

5 punten

De uitvoerbaarheid is beperkt onderbouwd; belangrijke organisatorische, financiële of veiligheidsaspecten zijn nog onduidelijk.

 

10 punten

De activiteit is in hoofdlijnen uitvoerbaar en de belangrijkste aspecten zijn voldoende toegelicht.

 

15 punten

De activiteit is goed uitvoerbaar en de organisatie, begroting en veiligheidsaspecten zijn duidelijk uitgewerkt.

 

20 punten

De activiteit is zeer goed uitvoerbaar; organisatie, financiën, planning, inzet van vrijwilligers en veiligheid zijn volledig en overtuigend onderbouwd.

Het derde lid voorziet in een regeling voor het geval twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen. In dat geval wordt eerst gekeken naar de scores op de belangrijkste criteria. Leidt dit niet tot een onderscheid, dan beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.

Artikel 2.26 Uitbetaling van de subsidie

Dit artikel geeft duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente subsidie uitbetaalt. Dit is van belang, omdat subsidieverlening voor een subsidieperiode van maximaal 4 jaar niet wil zeggen dat de gehele subsidie meteen bij aanvang van die subsidieperiode wordt overgemaakt naar de subsidieontvanger. De subsidie wordt per subsidiejaar betaalbaar gesteld. Dit gebeurt voor 1 februari van ieder jaar van de subsidieperiode.

Artikel 2.27 Verplichtingen

Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb bepaalt dat aan de subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot:

  • -

    de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

  • -

    de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

  • -

    het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

  • -

    de te verzekeren risico’s;

  • -

    het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

  • -

    het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • -

    het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;

  • -

    het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.

Op grond van artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan daarnaast ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kunnen worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dergelijke verplichtingen kunnen bovendien slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

In artikel 11 en 12 van de Asv is hieraan invulling gegeven. Artikel 11 bevat een meldingsplicht en informatieplicht voor de subsidieontvanger. Op grond van dat artikel moet de subsidieontvanger melden indien aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarnaast moeten burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over:

  • -

    beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

  • -

    relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

  • -

    ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

  • -

    wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12, tweede en derde lid, van de Asv bepalen dat bij subsidieregeling ook niet in de Awb genoemde verplichtingen kunnen worden opgelegd (mits deze zien op het doel van de subsidie of betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht). Met artikel 2.27 is hieraan invulling gegeven. Het eerste lid bevat algemene verplichtingen voor iedere subsidieontvanger:

  • -

    de subsidie moet daadwerkelijk worden ingezet voor de uitvoering van de activiteit;

  • -

    de subsidieontvanger moet meewerken aan evaluatieonderzoeken van of namens de gemeente;

  • -

    desgevraagd maximaal éénmaal per kalenderjaar medewerking verlenen aan een door de gemeente uit te voeren uitvraag over de uitvoering en resultaten van de activiteiten, en in dat kader de redelijkerwijs gevraagde informatie te verstrekken.

Het tweede lid bevat een aanvullende verplichting voor subsidieontvangers met leden. Zij moeten:

  • -

    een controleerbare administratie voeren van de voor de subsidie relevante ledengegevens;

  • -

    desgevraagd inzage geven in de gegevens en bescheiden die nodig zijn om te kunnen controleren of aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Deze verplichtingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verleend en dat burgemeester en wethouders zicht houden op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De verplichting om desgevraagd maximaal éénmaal per kalenderjaar medewerking te verlenen aan een door de gemeente uit te voeren uitvraag over de uitvoering en resultaten van de activiteiten, dient daarnaast om ontwikkelingen in de praktijk te volgen en het subsidiebeleid waar nodig daarop af te stemmen. Bij toepassing van deze verplichting houden burgemeester en wethouders rekening met proportionaliteit en beperking van de administratieve lasten. Laagdrempeligheid staat daarbij voorop. Het uitgangspunt is dat geen zwaardere of uitgebreidere informatie wordt gevraagd dan redelijkerwijs nodig is voor het betreffende doel. Het gaat dus niet om een standaardverplichting tot het indienen van een uitgebreid inhoudelijk verslag, maar om gerichte informatie-uitvragen wanneer daaraan daadwerkelijk behoefte bestaat. Daarbij kan ook worden gekozen voor een uitvraag die zich beperkt tot een bepaald cluster van aanvragers of een specifiek onderwerp. De aanvullende verplichtingen voor subsidieontvangers met leden hangen samen met het belang van een juiste en controleerbare vaststelling van de subsidie. Omdat het ledenbestand van invloed is op de hoogte van de subsidie, moet de gemeente kunnen beschikken over betrouwbare en verifieerbare gegevens.

Het niet voldoen aan deze verplichtingen, kan leiden tot wijziging of intrekking van de subsidie(vaststelling) op grond van de Awb.

Titel 2.3. Segment Sport en Beweging

Artikel 2.28 Definities

Dit artikel bevat een begripsomschrijving die specifiek van belang is voor het segment ‘Sport en Beweging’.

NOC*NSF

Het NOC*NSF is de koepelorganisatie van de georganiseerde sport in Nederland. Bij het NOC*NSF zijn landelijke sportorganisaties aangesloten die sportverenigingen vertegenwoordigen.

Het Sportakkoord

Dit artikel verwijst naar het lokaal en/of nationaal vastgestelde Sportakkoord zoals dat is overeengekomen tussen overheid, sportorganisaties en maatschappelijke partners. De verwijzing is dynamisch van aard, wat betekent dat het Sportakkoord zoals dat geldt gedurende de subsidieperiode bepalend is.

Het Sportakkoord vormt een inhoudelijk beleidskader waaraan subsidieaanvragen worden getoetst, omdat in de regeling is bepaald dat activiteiten dienen bij te dragen aan de doelstellingen daarvan. Deze doelstellingen richten zich met name op het stimuleren van sport, bewegen en een gezonde leefstijl.

Door deze koppeling wordt geborgd dat gesubsidieerde activiteiten niet uitsluitend sport bevorderen, maar tevens bijdragen aan bredere maatschappelijke en beleidsmatige doelstellingen zoals vastgelegd in het Sportakkoord.

Recreatieve sport

Met recreatieve sport wordt gedoeld op een specifieke categorie van sporten. Het gaat om zwemmen, krachtsport, paardensport, atletiek, jeu de boules en Kung Fu. Met deze bepaling wordt expliciet afgebakend welke sportvormen binnen deze regeling onder recreatieve sport vallen. Door een limitatieve opsomming wordt voorkomen dat het begrip ruim of subjectief wordt uitgelegd. De afbakening sluit aan bij de bestaande gemeentelijke beleidskeuzes en historische subsidierelaties binnen het segment Sport en Bewegen.

Sportevenement

Dit artikel definieert wat binnen de regeling wordt verstaan onder een sportevenement. Binnen het segment Sport en Bewegen is ervoor gekozen uitsluitend sportevenementen op het gebied van wielrennen, gravelrijden en hardlopen subsidiabel te stellen. Deze evenementen hebben een structurele lokale en regionale betekenis, dragen bij aan de zichtbaarheid van de gemeente en sluiten aan bij het bestaande sport- en beweegbeleid en de historische subsidierelatie. De Bemels Beste Boeren Bergloop is hiervan een voorbeeld.

Het criterium van publieke toegankelijkheid en organisatie door een rechtspersoon waarborgt dat sprake is van gestructureerde evenementen met een openbaar karakter.

Sportaard

De definitie verduidelijkt welke organisatie onder de sportraad wordt verstaan. De Sportraad Eijsden-Margraten vervult binnen de gemeente een onafhankelijke vertegenwoordigers- en adviesfunctie voor de sportsector en levert een bijdrage aan het stimuleren van sport en bewegen.

Artikel 2.29 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. De gemeente verleent alleen subsidie voor activiteiten die iets goeds doen voor mensen en de samenleving. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet een activiteit meehelpen aan een betere, gezondere en socialere samenleving.

Het artikel beschrijft in het eerste lid onder sub a tot en met c verschillende activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie. Het is niet vereist dat een aanvraag betrekking heeft op alle opgesomde activiteiten. In de praktijk zal een initiatief soms wel voldoen aan de beschrijving van meerdere activiteiten tegelijk. Een activiteit kan bijvoorbeeld tegelijkertijd zijn gericht op het stimuleren van sport en beweging en op het stimuleren van een gezonde leefstijl.

Een voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen, is dat de activiteiten bijdragen aan de ambities van het Sportakkoord.

Artikel 2.30 Eisen aan de aanvrager

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Dat zijn op grond van dit artikel rechtspersonen zonder winstoogmerk die geen hoofdgebruikers/-huurders zijn van sportaccommodaties in eigendom van de gemeente. Rechtspersonen die wél hoofdgebruikers/-huurders zijn van gemeentelijke sportaccommodaties, vallen buiten de reikwijdte van deze subsidieregeling. In de praktijk gaat het hierbij om buitensportverenigingen die gebruikmaken van bijvoorbeeld kleedlokalen en velden die in eigendom zijn van de gemeente. Deze verenigingen ontvangen geen directe subsidie op grond van deze regeling, maar een indirecte subsidie in de vorm van een korting op de huur voor het gebruik van de accommodaties.

Daarnaast geldt als eis dat aanvragers zijn aangesloten bij een landelijke sportbond die is erkend door NOC*NSF. Bovendien moeten de aanvragers deelnemen aan de competitie die door die landelijke sportbond wordt georganiseerd. Hiermee wordt geborgd dat sprake is van georganiseerde sportverbanden die opereren binnen erkende sportstructuren en die bijdragen aan structurele sportdeelname.

Voor aanbieders van recreatieve sport geldt een uitzondering op deze eis. Voor deze doelgroep is aansluiting bij een landelijke sportbond en deelname aan competitieve verbanden niet vereist, aangezien hun activiteiten primair zijn gericht op laagdrempelige sportbeoefening en sportstimulering in plaats van competitiegerichte sportstructuren.

Verder gelden voor verenigingen eisen met betrekking tot het aantal leden. Verenigingen die activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport moeten minimaal 10 leden hebben. Voor overige verenigingen geldt een minimum van 15 leden. De eis met betrekking tot het minimale aantal leden is opgenomen om te waarborgen dat sprake is van voldoende organisatorische stabiliteit en draagkracht, zodat de activiteiten een duurzame bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de regeling.

Artikel 2.31 Eisen aan de aanvraag

Eerste lid

In het eerste lid is bepaald welke aanvullende gegevens een aanvrager met leden dient te verstrekken naast de gegevens die reeds op grond van artikel 6 van de Asv worden gevraagd. Deze informatie is noodzakelijk voor de beoordeling van de subsidieaanvraag en de uitvoering van de subsidieregeling.

Onderdeel a

In dit onderdeel is bepaald dat aanvragers met leden een opgave verstrekken van het aantal leden en, indien van toepassing, het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode.

Het opnemen van zowel leden als jeugdleden sluit aan bij de systematiek van de regeling, waarin binnen bepaalde categorieën onderscheid wordt gemaakt in de subsidiegrondslag. Voor zover jeugdleden niet van toepassing zijn binnen een categorie, worden deze uitsluitend ingevuld indien aanwezig.

Onderdeel b

Dit onderdeel verplicht de aanvrager tot het overleggen van een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de verstrekte gegevens zijn gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en naar waarheid en volledig zijn ingevuld. Hiermee wordt de betrouwbaarheid van de gegevens gewaarborgd.

Daarnaast wordt benadrukt dat het bestuur zich bewust is van de consequenties van onjuiste of onvolledige gegevensverstrekking. Onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie. Dit draagt bij aan de rechtmatigheid en handhaafbaarheid van de subsidieregeling.

Onderdeel c

In dit onderdeel is bepaald dat aanvragers die activiteiten met minderjarigen organiseren een verklaring moeten overleggen waaruit blijkt dat alle aan de organisatie verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verplichting is opgenomen ter bevordering van de veiligheid van minderjarigen binnen gesubsidieerde activiteiten.

Tweede lid

In het tweede lid is geregeld dat de verplichting om leden- en jeugdledeninformatie te verstrekken niet van toepassing is op aanvragers binnen de categorieën sportevenementen en sportraad. Binnen deze categorieën speelt het aantal leden geen rol bij de subsidiegrondslag, waardoor deze gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Derde lid

In het derde lid is bepaald dat aanvragers van een subsidie tot en met € 5.000 per jaar geen begroting hoeven te overleggen. Deze uitzondering is opgenomen ter vermindering van de administratieve lasten bij relatief kleine subsidiebedragen en draagt bij aan een efficiënte uitvoering van de regeling.

Artikel 2.32 Verwerking van persoonsgegevens

Dit artikel regelt hoe de gemeente omgaat met persoonsgegevens uit de ledenadministratie. Het eerste lid maakt duidelijk dat burgemeester en wethouders de ledenadministratie steekproefsgewijs mogen controleren. Daarbij geldt wel een grens: de controle moet proportioneel zijn en mag niet verder gaan dan nodig is. Het tweede lid legt vast dat alleen noodzakelijke gegevens worden verwerkt en dat die niet langer worden bewaard dan nodig.

Artikel 2.33 Subsidiabele kosten

Dit artikel noemt welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat subsidie bedoeld is voor de uitvoering van de activiteit zelf, en niet voor kosten die daar te ver van afstaan, al uit andere middelen worden betaald of niet redelijk zijn om met publiek geld te bekostigen.

De opsomming voorkomt discussie achteraf. Het betreft de volgende kosten:

  • a.

    Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen

    Dit zijn kosten die een organisatie ook zonder subsidie moet maken om haar activiteiten op een rechtmatige en verantwoorde manier uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan kosten die nodig zijn om te voldoen aan wettelijke veiligheidsvoorschriften, vergunningseisen of basale kwaliteitseisen die algemeen gebruikelijk zijn binnen de betreffende sector.

  • b.

    Kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag

    Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten voor het schrijven van de aanvraag, het verzamelen van gegevens of het laten opstellen van een begroting. Deze kosten behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

  • c.

    Kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen

    Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag door de gemeente is ontvangen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • d.

    Kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd

    Kosten die al uit anderen hoofde worden gesubsidieerd, worden niet nogmaals gesubsidieerd. Dit voorkomt dubbele financiering van dezelfde kosten. Cofinanciering is daarmee niet uitgesloten. Daarvan is sprake als verschillende financiers ieder een afzonderlijk deel van de kosten voor hun rekening nemen en dezelfde kostenposten dus niet dubbel worden bekostigd.

  • e.

    Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten

    Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten zijn niet subsidiabel. Als een aanvrager bijvoorbeeld btw kan terugvragen of verrekenen, vormt die btw geen daadwerkelijke kostenpost voor de aanvrager. Alleen kosten die daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager blijven, kunnen in aanmerking komen voor subsidie.

  • f.

    Kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes en sancties

    Dit zijn financiële of juridische kosten die niet direct samenhangen met de uitvoering van de activiteit.

  • g.

    Fooien, geschenken, gratificaties en bonussen

    Deze kosten worden gezien als extra beloningen of attenties en zijn niet noodzakelijk voor de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • h.

    Kosten van consumpties

    Hierbij gaat het bijvoorbeeld om eten, drinken, hapjes en versnaperingen voor deelnemers, vrijwilligers, bestuursleden of bezoekers. Deze kosten worden niet gezien als noodzakelijke kosten voor de uitvoering van de activiteit.

  • i.

    Kosten van feesten

    Kosten van feesten zijn niet subsidiabel. Een uitzondering geldt voor kosten van feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit. Dat betekent dat het feestelijke onderdeel ondersteunend moet zijn aan het doel van de activiteit en niet op zichzelf mag staan. Denk bijvoorbeeld aan een bescheiden afsluiting van een activiteit die onderdeel is van een breder programma. Voor feesten kan wel een subsidie worden aangevraagd op basis van de subsidieregeling voor incidentele subsidies.

  • j.

    Kosten van in natura geleverde diensten en goederen

    Het gaat hierbij om diensten of goederen waarvoor geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt, zoals vrijwillig beschikbaar gestelde materialen, ruimtes of werkzaamheden. Omdat hier geen werkelijke kosten tegenover staan, worden deze niet gesubsidieerd. Kosten voor het aankopen van bijvoorbeeld een cadeaubon of een boeket bloemen uit waardering voor het vrijwillig beschikbaar stellen van diensten en goederen zijn dus niet subsidiabel.

  • k.

    Kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht

    Dit ziet op situaties waarin kosten worden doorbelast tussen organisaties die organisatorisch, bestuurlijk of financieel met elkaar verbonden zijn. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor personeel, diensten, materialen of huisvesting die door een gelieerde rechtspersoon aan de aanvrager in rekening worden gebracht.

  • l.

    Kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten

    Kosten betaald aan vrijwilligers zijn niet subsidiabel, behalve voor zover het gaat om vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten. Vrijwilligerswerk wordt in beginsel onbetaald verricht. Kosten die een vrijwilliger daadwerkelijk maakt voor de activiteit, zoals reiskosten of materiaalkosten, kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen als zij voldoende zijn onderbouwd.

Artikel 2.34 Hoogte subsidie

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen hoe de hoogte van een subsidie wordt berekend. Voor aanvragers zonder leden geldt een vast bedrag per aanvrager per jaar (eerste lid). Voor organisaties met leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per jaar dat behoort bij de aanvragerscategorie waarin de aanvrager valt. Die aanvragerscategorie is afhankelijk van het aantal jeugdleden (tweede lid). Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de organisatie. Voor aanvragers met leden die hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport, geldt een uitzondering op het bovenstaande. Voor deze organisaties bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar (derde lid).

Het college stelt de concrete bedragen op grond van het vierde lid vast in een afzonderlijk besluit. Dat is praktisch, omdat bedragen zo eenvoudiger kunnen worden aangepast zonder dat meteen de hele regeling hoeft te worden gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen, indien daarvoor gelet op bijvoorbeeld de aard van de activiteiten of het ledenbestand aanleiding bestaat.

In het vijfde lid is geregeld hoe wordt gehandeld als het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies hoger is dan het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval eerst toepassing geven aan artikel 1.3 en bezien of overheveling van middelen vanuit een ander segment mogelijk is. Voor zover het subsidieplafond daarna nog steeds wordt overschreden, worden de berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd. Het percentage van de verlaging wordt berekend volgens de formule: (totaal berekende subsidies - subsidieplafond) / totaal berekende subsidies × 100%. Bij een totaal van € 120.000 aan berekende subsidies en een subsidieplafond van € 100.000 bedraagt de overschrijding € 20.000. Het verlagingspercentage is dan 16,67%. Iedere subsidie wordt in dat geval met 16,67% verlaagd. Een berekende subsidie van € 6.000 wordt dan vastgesteld op € 5.000. Achten burgemeester en wethouders een dergelijke verlaging niet wenselijk, dan kunnen zij er ook voor kiezen het subsidieplafond te verhogen. Als burgemeester en wethouders daarvoor niet kiezen en toepassing van deze systematiek in een concreet geval tot een onredelijke uitkomst leidt, kunnen zij toepassing geven aan de hardheidsclausule (artikel 3.1).

Artikel 2.35 Subsidieplafond

Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voor dit segment een vierjaarlijks subsidieplafond, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventueel deelplafonds vaststellen. Artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. Met andere woorden: burgemeester en wethouders stellen het bedrag vast dat in een bepaalde periode maximaal voor dit segment beschikbaar is. Daarbij kunnen ook deelplafonds worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor specifieke clusters van aanvragers.

Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat de gemeente het subsidieplafond tijdig bekend maakt, waarbij geldt dat aanvragers een subsidieplafond niet eenvoudig “omzeilen” door al weken eerder een aanvraag in te dienen.

Artikel 2.36 Tussentijdse verhoging subsidie

Dit artikel creëert de mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verhogen voor een aanvrager waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is van het aantal jeugdleden. Hiermee kan worden ingespeeld op een sterke toename van het aantal jeugdleden ten opzichte van het aantal jeugdleden dat is opgegeven bij de oorspronkelijke subsidieaanvraag. Zonder deze mogelijkheid zou het kunnen gebeuren dat een vereniging tot vier jaar moet wachten totdat in de volgende subsidieronde een subsidie wordt verleend die passend is bij het actuele jeugdledenaantal. Een tussentijdse verhoging van de subsidie is alleen mogelijk als het aantal jeugdleden sterk is toegenomen. Met sterk wordt bedoeld dat het aantal jeugdleden is toegenomen met minimaal 25%. Bovendien mag de verlening van een verhoogde subsidie niet leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Er moet dus nog subsidiegeld beschikbaar zijn.

De vereniging moet zelf een verzoek indienen tot een verhoging van de subsidie. De gemeente gaat hier niet ambtshalve (uit zichzelf) toe over. In het verzoek moet de vereniging het aantal jeugdleden opgeven en daarnaast een door het bestuur ondertekende verklaring overleggen waarmee wordt bevestigd dat de gegevens over het jeugdledenaantal juist en controleerbaar zijn. Het verzoek moet uiterlijk op 1 augustus worden ingediend voorafgaande aan de jaren waarop het betrekking heeft. Als de vereniging een verhoogde subsidie wil voor 2028 tot en met 2030, dan moet zij haar verzoek uiterlijk op 1 augustus 2027 indienen. De gemeente gaat over tot verhoging van de subsidie als de aanvrager komt te vallen onder een nieuwe aanvragerscategorie. Als de aanvrager ondanks de toename van het aantal jeugdleden in dezelfde aanvragerscategorie zou blijven, dan blijft het subsidiebedrag per jaar namelijk hetzelfde en is een verhoging niet aan de orde.

Als de gemeente de verhoogde subsidie verleent, doet zij dit via een afzonderlijke beschikking waarbij het subsidiebedrag wordt verhoogd.

Artikel 2.37 Weigeringsgronden

In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • -

    Er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • -

    Indien de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

  • -

    Indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Deze weigeringsgronden zijn in artikel 9 Asv nader uitgewerkt/aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een subsidie in ieder geval kan worden geweigerd:

  • -

    Als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

  • -

    Als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • -

    Als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • -

    Als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

  • -

    Als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

  • -

    In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

De Asv laat dan ook ruimte om bij subsidieregeling extra weigeringsgronden op te nemen. In artikel 2.37 is hier gebruik van gemaakt en is bepaald dat een aanvraag kan worden geweigerd indien:

  • a)

    De activiteit winstgericht van aard is;

    De activiteit mag niet zijn gericht op het maken van winst.

  • b)

    De activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;

    Met deze weigeringsgrond wordt verduidelijkt dat de subsidie niet is bedoeld voor activiteiten die zijn gericht op politieke of religieuze doeleinden.

  • c)

    De activiteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet;

    Deze bepaling onderstreept dat subsidie slechts wordt verstrekt voor activiteiten die passen binnen de fundamentele uitgangspunten van de democratische rechtsorde.

  • d)

    De continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

    Onderdeel d maakt duidelijk dat een aanvraag kan worden geweigerd als er twijfels bestaan over de continuïteit van de aanvrager. Daarvan kan sprake zijn als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie duurzaam kan voortbestaan en de activiteiten op zorgvuldige en betrouwbare wijze kan uitvoeren.

  • e)

    Aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;

    Deze grond hangt samen met de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om publieke middelen zorgvuldig in te zetten. Van de aanvrager mag daarom worden verwacht dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de middelen ten goede komen aan de beoogde activiteiten en dat de relatie tussen de gevraagde subsidie en het te bereiken resultaat voldoende inzichtelijk is.

  • f)

    De activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd.

    Onderdeel f strekt ertoe te voorkomen dat de gemeente voor dezelfde activiteit meer dan eenmaal subsidie verleent. Indien voor een activiteit reeds subsidie wordt verstrekt op grond van een andere gemeentelijke regeling, kan de aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen. Het hoeft overigens niet te gaan om een andere subsidie; het kan ook gaan om financiering op een andere grondslag dan subsidie.

Artikel 2.38 Uitbetaling van de subsidie

Dit artikel geeft duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente subsidie uitbetaalt. Dit is van belang, omdat subsidieverlening voor een subsidieperiode van maximaal 4 jaar niet wil zeggen dat de gehele subsidie meteen bij aanvang van die subsidieperiode wordt overgemaakt naar de subsidieontvanger. De subsidie wordt per subsidiejaar betaalbaar gesteld. Dit gebeurt voor 1 februari van ieder jaar van de subsidieperiode.

Artikel 2.39 Verplichtingen

Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb bepaalt dat aan de subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot:

  • de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

  • de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

  • het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

  • de te verzekeren risico’s;

  • het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

  • het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;

  • het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.

Op grond van artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan daarnaast ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kunnen worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dergelijke verplichtingen kunnen bovendien slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

In artikel 11 en 12 van de Asv is hieraan invulling gegeven. Artikel 11 bevat een meldingsplicht en informatieplicht voor de subsidieontvanger. Op grond van dat artikel moet de subsidieontvanger melden indien aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarnaast moeten burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over:

  • -

    beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

  • -

    relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

  • -

    ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

  • -

    wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12, tweede en derde lid, van de Asv bepalen dat bij subsidieregeling ook niet in de Awb genoemde verplichtingen kunnen worden opgelegd (mits deze zien op het doel van de subsidie of betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht). Met artikel 2.39 is hieraan invulling gegeven. Het eerste lid bevat algemene verplichtingen voor iedere subsidieontvanger:

  • -

    de subsidie moet daadwerkelijk worden ingezet voor de uitvoering van de activiteit;

  • -

    de subsidieontvanger moet meewerken aan evaluatieonderzoeken van of namens de gemeente.

Het tweede lid bevat een aanvullende verplichting voor subsidieontvangers met leden, die niet hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport. Zij moeten:

  • -

    een controleerbare administratie voeren van de voor de subsidie relevante ledengegevens;

  • -

    desgevraagd inzage geven in de gegevens en bescheiden die nodig zijn om te kunnen controleren of aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Het derde lid bevat een aanvullende verplichting voor ontvangers van een subsidie van meer dan € 5.000 per jaar. De subsidieontvanger moet dan jaarlijks op uiterlijk 1 mei tussentijds rekening en verantwoording afleggen over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. In de beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit moet gebeuren. De verplichting tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording geldt niet voor het laatste subsidiejaar, aangezien dan toch al een aanvraag tot subsidievaststelling moet worden ingediend conform de eindverantwoording als beschreven in artikel 15, tweede lid van de Asv dan wel artikel 2.40.

Deze verplichtingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verleend en dat burgemeester en wethouders zicht houden op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De aanvullende verplichtingen voor subsidieontvangers met leden die niet hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport, hangen samen met het belang van een juiste en controleerbare vaststelling van de subsidie. Omdat het ledenbestand van invloed is op de hoogte van de subsidie, moet de gemeente kunnen beschikken over betrouwbare en verifieerbare gegevens.

Het niet voldoen aan deze verplichtingen, kan leiden tot wijziging of intrekking van de subsidie(vaststelling) op grond van de Awb.

Artikel 2.40 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000

Artikel 16, tweede lid, Asv bepaalt dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000 moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag (waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan), een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening), een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop en een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant.

In artikel 16, derde lid, Asv is bepaald dat bij subsidieregeling andere gegevens kunnen worden verlangd. In artikel 2.40 van deze subsidieregeling is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat (naast de gegevens uit artikel 16, tweede lid, Asv) ook een opgave van het aantal bereikte jeugdleden moet worden ingediend.

Verder is het belangrijk om te weten dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Dit is verplicht op grond van artikel 15, tweede lid Asv. In deze subsidieregeling wordt niet afgeweken van dat artikel uit de Asv. Daarom is in deze subsidieregeling geen aparte bepaling opgenomen over de eindverantwoording van subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar. Deze verplichting geldt dus rechtstreeks op grond van de Asv.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 3.1. Hardheidsclausule

Dit artikel bevat een hardheidsclausule. Daarmee wordt burgemeester en wethouders de mogelijkheid geboden om in bijzondere gevallen van deze regeling af te wijken, indien strikte toepassing ervan voor een subsidieaanvrager of subsidieontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen belangen. De bepaling is bedoeld voor uitzonderlijke situaties en vraagt om een terughoudende toepassing (zie in dit kader ook de toelichting bij artikel 20, Asv).

Artikel 3.2. Indexatie

Dit artikel regelt dat burgemeester en wethouders bij afzonderlijk besluit de bedragen uit deze subsidieregeling kunnen indexeren. In dat besluit dient ook te worden bepaald op welke wijze wordt geïndexeerd.

Artikel 3.3. Evaluatiebepaling

Dit artikel regelt dat de regeling binnen vier jaar na de inwerkingtreding wordt geëvalueerd. Omdat het om een nieuwe regeling gaat, is het van belang om tijdig te bezien hoe deze in de praktijk uitwerkt. Daarmee kunnen eventuele onduidelijkheden of omissies worden gesignaleerd en waar nodig worden ondervangen. Bij de evaluatie zal worden gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid. Daarbij kan onder meer aandacht worden besteed aan het aantal aanvragen, de verdeling van subsidies, de uitvoerbaarheid van de regeling, de administratieve lasten voor aanvragers en de mate waarin de gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan de doelen van de regeling. Ook subsidieontvangers kunnen worden bevraagd over wat goed gaat en wat beter kan. De uitkomsten van de evaluatie kunnen worden gebruikt om de regeling verder te verfijnen.

De evaluatie sluit aan bij artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van dat artikel wordt, indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, ten minste eenmaal in de vijf jaar een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze regeling kiest voor een kortere termijn van vier jaar, zodat tijdig kan worden beoordeeld of bijstelling wenselijk is.

Artikel 3.4. Overgangsbepaling gefaseerde invoering verdeelsystematiek

Dit artikel beoogt abrupte financiële effecten van de nieuwe verdeelsystematiek voor bestaande subsidieontvangers te voorkomen. Zowel substantiële verhogingen als substantiële verlagingen worden daarom gedurende de subsidieperiode 2027–2030 geleidelijk ingevoerd. Hiermee wordt voorzien in een evenwichtige overgang naar de nieuwe verdeelsystematiek, mede in relatie tot het beschikbare subsidieplafond en de jaarlijkse begrotingsruimte.

Artikel 3.5. Citeertitel

De citeertitel van deze regeling is Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026. Met deze citeertitel kan eenvoudig, eenduidig en juridisch correct naar de regeling worden verwezen.

Artikel 3.6. Inwerkingtreding

Dit artikel regelt het moment waarop de subsidieregeling in werking treedt. Vanaf die datum worden aanvragen beoordeeld op grond van deze regeling. Voor bestaande subsidierelaties is daarbij artikel 3.4 van belang. Dat artikel zorgt ervoor dat abrupte financiële effecten van de nieuwe verdeelsystematiek voor bestaande subsidieontvangers worden voorkomen.