Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026

Geldend van 09-05-2026 t/m heden

Intitulé

Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland, gelet op artikel 12.3 van de Verordening jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026; besluit vast te stellen:

Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026

Inleiding

In de Jeugdwet is vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het organiseren van passende jeugdhulp, het waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van deze hulp, en voor een integrale aanpak van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen bij jeugdigen. De gemeenteraad moet hiervoor bij verordening regels vaststellen. De Verordening Jeugdhulp Midden-Delfland 2026 geeft uitvoering aan de Jeugdwet.

De wet, de gemeentelijke verordening en de nadere regels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel, waarbij de één voortbouwt op de ander en deze nader concretiseert. De wet staat boven de verordening. De gemeentelijke verordening is een door de raad vastgestelde algemeen verbindende regeling. In de nadere regels worden deze kaders verder uitgewerkt, zodat de uitvoering eenduidig en zorgvuldig kan plaatsvinden.

De Jeugdwet en de Verordening Jeugdhulp regelen de bevoegdheden van zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders. De uitvoering van de wet en de verordening vindt in de praktijk namens het college plaats -veelal inmandaat - door het sociaal team of andere gemeentelijke uitvoeringsorganisaties.

De Verordening en nadere regels vormen het afwegingskader voor het al dan niet inzetten van jeugdhulp. Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat jeugdigen en hun ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid dragen voor het oplossen van opgroei- en opvoedingsproblemen. Er wordt beoordeeld in hoeverre de jeugdige, het gezin en het sociaal netwerk zelf in staat zijn de problemen op te lossen of te verminderen (eigen kracht).

Als dit ontoereikend is, wordt bekeken of ondersteuning vanuit het voorliggende veld (bijvoorbeeld onderwijs, jeugdgezondheidszorg of algemene voorzieningen) passend en toereikend is. Wanneer ook dat niet voldoende is, kan een individuele voorziening worden toegekend. Bij de toekenning van een individuele voorziening staat het te bereiken resultaat voorop, niet het middel zelf.

Indien er geen sprake is van een opgroei- of opvoedingsprobleem, psychische problematiek of een stoornis die de zelfredzaamheid of participatie van de jeugdige belemmert, is ondersteuning op grond van de Jeugdwet niet aan de orde.

(Wet- en regelgeving: Jeugdwet artikelen 2.3, 2.4, 2.6, 2.9, 2.10, 2.12, 2.15 en 2.16.)

ARTIKEL 1. AARD EN OMVANG VAN AMBULANTE JEUGDHULP

  • 1. Het college hanteert het Normenkader en Richtinggevend kader om de aard en omvang van de in te zetten ambulante jeugdhulp ondersteuning te bepalen. De productbeschrijvingen behorende bij deze productcodes zijn te vinden op de website van het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (Homepage - Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden) onder het kopje Gemeente.

ARTIKEL 2. DRAAGLAST EN DRAAGKRACHT

  • 1. Het onderzoek van het sociaal team naar draagkracht van de jeugdige en/of de ouder(s) is onderdeel van het algemene onderzoek naar de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s), als bedoeld in artikel 4 van de Verordening jeugdhulp.

  • 2. Het onderzoek richt zich enerzijds op wat er redelijkerwijs van de jeugdige en/of de ouder(s) verwacht mag worden en anderzijds op de vraag of de jeugdige en/of de ouder(s) hiertoe in staat zijn.

  • 3. Voorafgaande aan de vaststelling van de draagkracht en de draaglast bespreekt het sociaal team eerst met de ouder(s) hoe deze dit ervaren en wat deze nodig heeft om de zorg voor het kind te kunnen voortzetten zonder risico op overbelasting. Hierbij houdt het sociaal team rekening met het feit dat de mate van noodzaak tot ondersteuning en de vorm waarin deze plaats vindt, kan fluctueren in de loop der tijd.

  • 4. In het onderzoek naar draagkracht weegt het sociaal team verschillende factoren af die van invloed zijn op de draaglast. Hierbij wordt rekening gehouden met normale zorgen, spanning, de mate van stress en een tijdelijke crisis of noodsituatie. Van een crisis of noodsituatie in de zin van de Jeugdwet is sprake indien zich een acute situatie voordoet waarin het uitblijven van onmiddellijke jeugdhulp leidt tot een ernstig risico voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van de jeugdige, en waarin het reguliere onderzoeks- en toeleidingstraject niet kan worden afgewacht. De volgende factoren worden afgewogen:

    • a.

      lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;

    • b.

      verstandelijke ontwikkeling van de jeugdige;

    • c.

      emotionele ontwikkeling van de jeugdige;

    • d.

      sociale ontwikkeling van de jeugdige;

    • e.

      basiszorg en veiligheid (waaronder woonsituatie);

    • f.

      opvoeding algemeen;

    • g.

      onderwijs/scholing;

    • h.

      beleving ouderschap;

    • i.

      gezinsomstandigheden.

  • 5. In het onderzoek naar de verschillende factoren die van invloed zijn op de draagkracht weegt het sociaal team mee:

    • a.

      de lichamelijke en geestelijke conditie ouder(s);

    • b.

      de wijze van omgaan met problemen (coping);

    • c.

      de motivatie voor zorgtaak;

    • d.

      de beschikbaarheid van een sociaal netwerk;

    • e.

      de onderlinge steun van en tussen de ouder(s).

  • 6. Er is sprake van voldoende draagkracht als door het zelf verlenen van ondersteuning door de ouder(s), geen onoverkomelijke problemen ontstaan op een van de gebieden als bedoeld in het vorige lid.

  • 7. Indien het college een aanvraag voor jeugdhulp afwijst omdat de ouder(s) op grond van hun draagkracht voldoende mogelijkheden hebben om zelf in de benodigde ondersteuning te voorzien, motiveert het college in het besluit waarom van de ouder(s) kan worden verwacht dat zij deze ondersteuning bieden en waarom zich geen andere omstandigheid uit deze nadere regels voordoet op grond waarvan alsnog een voorziening wordt verstrekt.

ARTIKEL 3. AFWEGINGSKADER DRAAGLAST

  • 1. Om vast te stellen wat redelijkerwijs van de ouder(s) verwacht mag worden, beoordeelt het sociaal team welke hulp uitgaat boven de hulp die de jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening of beperking redelijkerwijs nodig heeft. Hierin worden de volgende factoren meegenomen:

    • a.

      de leeftijdscategorie van de jeugdige;

    • b.

      de ontwikkeltaak waarop de zorg is gericht c.q. de aard van de hulp;

    • c.

      de zwaarte en frequentie van de hulp;

  • 2. Het college stelt vast of de ouder(s) van wie oplossingen vanuit draagkracht wordt verwacht:

    • a.

      in staat zijn om de jeugdige de noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te verlenen, waarbij het college tevens in de beoordeling betrekt of in het geval van belemmeringen in de beschikbaarheid van de ouder(s) een kortdurende voorziening verstrekt kan worden om de gelegenheid aan de ouder(s) te bieden de beschikbaarheid te vergroten. Deze voorziening gaat voor op een te verlenen jeugdhulpvoorziening;

    • c.

      niet overbelast dreigen te raken door het bieden van de noodzakelijke hulp, waarbij tevens het volgende in de beoordeling wordt betrokken:

      • 1e.

        Indien er sprake dreigt te zijn van overbelasting, kan een individuele voorziening worden ingezet voor dat deel van de hulp dat niet geboden kan worden op basis van draagkracht;

      • 2e.

        De inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting is altijd tijdelijk. Het college verwacht van ouder(s) dat zij een plan van aanpak opstellen om de (dreigende) overbelasting aan te pakken en dat zij, in de tijd dat jeugdhulp wordt gegeven, werken aan dit plan.

      • 3e.

        Er moet een aannemelijk verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die iemand aan de jeugdige biedt. Bij overbelasting door aantoonbare externe factoren, verwacht het college dat de ouder(s) ook bij deze factoren naar een oplossing zoeken en deze uitvoeren.

      • 4e.

        Wanneer de geldigheidsduur van de indicatie voor jeugdhulp is verlopen en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, worden de inspanningen die zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen meegenomen.

  • 3. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

      Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

      Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

      Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

      Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 4. De genoemde factoren in lid 1 van dit artikel worden door het sociaal team telkens in samenhang beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin.

ARTIKEL 4. AANVULLENDE EISEN PGB

  • 1. Conform artikel 8.1.1 van de jeugdwet verstrekt het sociaal team alleen een individuele jeugdhulpvoorzieningin de vorm van een pgb:

    • a.

      als de jeugdige of de ouder(s) kunnen motiveren waarom zij de individuele jeugdhulpvoorziening die door een aanbieder in natura wordt geleverd, niet passend achten;

    • b.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die door de jeugdige of de ouder(s) zijn aangegeven, na is te gaan of de voorziening noodzakelijk is en als goedkoopste adequate voorziening aan te merken valt.

    • c.

      Voor het beoordelen of een inwoner pgb vaardig is, hanteert het college onder meer de checklist van de overheid: Infographic met toelichting - Checken 10 punten pgb-vaardigheid | Publicatie | Rijksoverheid.nl

    • d.

      de betreffende hulpverlener beschikt over een geldige registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of het BIG-register, passend bij de aard van de geboden ondersteuning.

ARTIKEL 5. FUNCTIECATEGORIEËN

  • 1. Het PGB kan worden toegekend voor de volgende functiecategorieën jeugdhulp:

    • a.

      Persoonlijke verzorging formeel en informeel;

    • b.

      Individuele begeleiding formeel en informeel;

    • c.

      Begeleiding groep;

    • d.

      Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg;

    • e.

      Kortdurend verblijf professioneel en niet professioneel;

    • f.

      Basis GGZ;

    • g.

      Specialistische GGZ.

ARTIKEL 6. BESTEDING VAN HET PGB

  • 1. Voorwaarde voor het verstrekken van een PGB is dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het persoonsgebonden budget aanwenden voor de ondersteuning zoals is opgenomen en goedgekeurd in het budgetplan.

  • 2. Wanneer de jeugdige en/of zijn ouder(s) verschillende vormen van jeugdhulp nodig hebben kunnen zij er voor kiezen om een deel van de ZIN af te nemen en een deel zelf in te kopen met een PGB. Per productcategorie is maar één verstrekkingsvorm mogelijk.

  • 3. Na toekenning van een PGB controleert het College bij de SVB of het budget is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt er contact met de budgetbeheerder opgenomen en onderzocht waarom dit is, of het PGB alsnog besteed gaat worden en of er andere hulp noodzakelijk is.

  • 4. De jeugdige en/of zijn ouder(s) geven de SVB opdracht voor het uitvoeren van betalingen aan hun zorgverleners. Het opstellen van een zorgovereenkomst als onderdeel van het hulpverleningsplan geldt als voorwaarde voor het uitbetalen van zorgverleners uit het PGB.

  • 5. Bij een verandering in de zorgvraag waardoor het budget anders wordt ingezet, vragen de ouders het College hiervoor toestemming. Als dit niet wordt gedaan, dan kan het College dit beschouwen als onjuiste verstrekking van informatie. Het College heeft ook de mogelijkheid om het PGB te herzien bij een verandering in de zorgbehoefte.

ARTIKEL 7. TOETSING ZORGOVEREENKOMST

  • 1. De budgethouder sluit met elke zorgverlener een zorgovereenkomst.

  • 2. In de zorgovereenkomst moeten tenminste de volgende gegevens worden opgenomen voordat het zorgkantoor of het College de overeenkomst kan goedkeuren:

    • a.

      de wijze waarop de persoon (natuurlijk persoon of rechtspersoon) met wie de budgethouder de overeenkomst sluit zal voorzien in de behoefte aan ondersteuning/jeugdhulp van de jeugdige;

    • b.

      de gegevens die nodig zijn om bij de SVB de ondersteuning/hulp te kunnen declareren;

    • c.

      een derdenbeding.

  • 3. Een wijziging van een goedgekeurde overeenkomst moet door de budgethouder onmiddellijk met een formulier aan de SVB kenbaar worden gemaakt. De SVB stelt daarvoor het vereiste modelformulier beschikbaar. De wijziging moet in overeenstemming blijven met de toekenningsbeschikking.

  • 4. Op de zorgovereenkomst vindt een zorginhoudelijke toets plaats door het College en een arbeidsrechtelijke toets door de Sociale Verzekeringsbank.

  • 5. Het budgetplan dient als toets voor de zorgovereenkomst(en). Zorgovereenkomst(en) die inhoudelijk afwijken van hetgeen in het budgetplan is opgenomen, worden door het College afgewezen.

  • 6. De looptijd van de zorgovereenkomst(en) is van bepaalde tijd en mag niet langer zijn dan de looptijd van de door het College afgegeven beschikking.

  • 7. De SVB is verantwoordelijk voor de uitvoering van de betalingen, controle op de zorgovereenkomst en de uitvoering van alle werkgeversverplichtingen.

ARTIKEL 8. KWALITEITSEISEN

Het College acht het noodzakelijk om voor de kwaliteit van de geboden jeugdhulp vanuit een PGB aanvullende kwaliteitseisen te stellen (Verordening artikel 8.3 en 10.1).

  • 1.

    Jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpprofessionals die vanuit een PGB worden betaald, moeten kwalitatief verantwoorde jeugdhulp bieden en voldoen aan dezelfde eisen die gelden bij de producten in ZIN, conform de onderdelen van de aanbesteding.

  • 2.

    Zorgaanbieders dienen minimaal 2x per jaar rechtstreeks schriftelijk verslag te doen aan het College en de budgethouder over de voortgang van de geboden hulp.

  • 3.

    Het college toetst of een zorgaanbieder voldoet aan de genoemde kwaliteitseisen.

ARTIKEL 9. TOETSING, VERANTWOORDING EN EVALUATIE

  • 1. Het College is inhoudelijk verantwoordelijk en kan twee keer per jaar toetsen of:

    • de budgethouder alle verplichtingen nakomt;

    • de geboden zorg doelmatig en doeltreffend is.

  • 2. Het college verstrekt slechts een voorziening indien deze doeltreffend en doelmatig is.

    • Een voorziening is doeltreffend indien deze aantoonbaar bijdraagt aan het bereiken van het beoogde doel van de ondersteuning.

    • Een voorziening is doelmatig als de aard, omvang en duur van de inzet in redelijke verhouding staan tot het resultaat dat bereikt moet worden of is bereikt.

    • Bij de beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid betrekt het college ten minste:

      • a.

        de concreet vastgestelde doelen van de ondersteuning;

      • b.

        de zichtbare voortgang en resultaten;

      • c.

        de uitkomsten van periodieke evaluaties; en

      • d.

        het perspectief op voortzetting, afschaling of beëindiging van de voorziening.

  • 3. Gedurende de looptijd van de zorg vindt monitoring plaats via periodieke gesprekken met de jeugdige en zijn gezin. Bij deze gesprekken kan ook de jeugdhulp aanbieder aanwezig zijn. Deze voortgangsgesprekken zijn afhankelijk van het ontwikkelpotentieel dat verschilt per situatie (is er sprake van ontwikkelingsdoelen of stabiliseringsdoelen).

  • 4. Als de aanvrager niet zelf de budgethouder is, is naast de aanvrager ook de budgetbeheerder aanwezig bij de (voortgangs)gesprekken.

  • 5. Boeken de jeugdige en diens gezin geen noemenswaardige progressie, dan kan alsnog een interventie plaatsvinden of een omzetting van de beschikking naar ZIN.

  • 6. Ook bij signalen van oneigenlijk gebruik van het PGB is nader onderzoek mogelijk en/of volgt een omzetting van de indicatie naar ZIN en een mogelijke terugvordering.

  • 7. Het College toetst minimaal 1x per jaar of de professional zich houdt aan de kwaliteitseisen zoals vermeld in artikel 15 van deze Beleidsregels en artikel 17 van de Verordening.

ARTIKEL 10. AFWIJKINGSBEVOEGDHEID

Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van deze Nadere regels indien toepassing van deze regels gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de Nadere regels te dienen doelen.

ARTIKEL 11. PRIVACY

Bij het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens wordt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht genomen. De privacywetgeving heeft betrekking op de hele procedure. Wanneer de gegevens niet kunnen worden verwerkt op de grondslagen anders dan toestemming, zal waar nodig en gepast om toestemming in de zin van de AVG worden gevraagd.

ARTIKEL 12. CITEERTITEL, INTREKKING OUDE REGELING EN INWERKINGTREDING NIEUWE REGELING

  • 1. Dit besluit wordt aangehaald als "Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026".

  • 2. Deze Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026 treden in werking na publicatie.

  • 3. Met vaststelling van deze nadere regels worden de Beleidsregels Jeugdhulp Midden-Delfland 2022 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2026 ingetrokken bij inwerkingtreding van de Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 07-04-2026

M.A.I. Born

Gemeentesecretaris

F.I. Noordermeer – van Slageren

burgemeester