De Verordening Jeugdhulp 2026 Renswoude

Geldend van 01-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-03-2026

Intitulé

De Verordening Jeugdhulp 2026 Renswoude

Nummer 610557/619281

De raad van de gemeente Renswoude;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20-01-2026;

Overwegende dat

· De Verordening Jeugdhulp een wettelijk kader is dat door de gemeenteraad wordt vastgesteld.

BESLUIT:

De Verordening Jeugdhulp 2026 Renswoude vast te stellen en de Verordening jeugdhulpgemeente Renswoude 2015 in te trekken.

Hoofdstuk 1 Inleiding

In de gemeente Renswoude vinden we het belangrijk dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Ouder(s) en jeugdigen zorgen daar in de eerste plaats zelf voor. Ontstaan er problemen, dan kunnen zij deze meestal zelf oplossen. Lukt dat niet, dan denkt de gemeente mee in de richting van een oplossing en kan zij ouder(s) en jeugdigen ondersteunen. Dit is geregeld in de Jeugdwet. Daarin staat in hoofdlijnen welke rol de gemeente én de ouder(s) en jeugdigen hebben. Om dat concreter te maken is het Beleidsplan sociaal domein Renswoude vastgesteld en deze verordening geschreven. In dit beleidsplan en in deze verordening staan belangrijke uitgangspunten en regels die de gemeente helpen om ouder(s) en jeugdigen goed te ondersteunen als dat nodig is.

De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en wethouder(s) kunnen zulke uitvoeringsregels maken.

Uitgangspunten van de regels

De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. Dit heeft tot gevolg dat de regels:

  • 1.

    goed leesbaar zijn;

  • 2.

    goed uitgevoerd kunnen worden en duidelijk zijn;

  • 3.

    afgestemd zijn op elkaar;

  • 4.

    aansluiten bij de Jeugdwet;

  • 5.

    aansluiten bij het Beleidsplan sociaal domein Renswoude;

  • 6.

    helpen om de doelen van de wetgever te bereiken en belangrijke internationale regels na te komen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK);

  • 7.

    de administratieve belasting voor gemeente en ouder(s) en jeugdigen zo laag mogelijk houden.

Kernwaarden

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de genoemde Jeugdwet. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij de bedoeling van die wet. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:

  • 1.

    het belang van de jeugdige staat voorop.

  • 2.

    de ouder(s) doen zelf wat zij zelf kunnen, zo nodig met hulp van hun persoonlijk en/of het sociaal netwerk.

  • 3.

    als dat niet lukt, denkt de gemeente mee over een oplossing die past bij de situatie van de jeugdige en het gezin.

  • 4.

    de gemeente heeft zo nodig een breed aanbod dat aansluit bij de situatie van de jeugdige en het gezin.

  • 5.

    we willen niet onnodig labelen en ondersteunen enkel daar waar nodig is.

  • 6.

    hulp zetten we dan zo licht en kortdurend als mogelijk, maar zo intensief als nodig in.

  • 7.

    als jeugdzorg nodig is, dan doen we dat integraal en gezinsgericht.

  • 8.

    zorg en ondersteuning stemmen we zoveel mogelijk af op de jeugdigen en hun ouder(s) en wordt zo dichtbij mogelijk geboden in de vertrouwde omgeving, passend bij de behoefte van de jeugdige.

  • 9.

    de ingezette hulp moet een positief effect hebben op de jeugdige, daarom sturen we op resultaat.

Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de verordening. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels.

De kernwaarden in deze paragraaf gelden voor alle hoofdstukken. Daarnaast kan elk hoofdstuk nog bijzondere kernwaarden hebben. Die kernwaarden gelden dan speciaal voor dat hoofdstuk.

Leeswijzer

Wat leest u in deze verordening? Na de inleiding komt eerst een uitleg van de belangrijke begrippen die in de verordening worden gebruikt. Daarna leest u in hoofdstuk 2 hoe en waar een ouder(s) en/of jeugdigen hun vraag kunnen stellen aan de gemeente en hoe de gemeente die vraag oppakt. Daarna volgen de belangrijkste regels over de gemeentelijke taken. Die regels gaan bijvoorbeeld over hulp van de gemeente bij de opvoeding van kinderen (H. 3). In dit hoofdstuk leest u wanneer u hulp kunt krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten u heeft. Daarna zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de hulp heeft, over wat ouder(s) en jeugdigen en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe de hulp georganiseerd is (H. 4-9). De verordening eindigt met een aantal slotbepalingen (H. 10).

Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke bijzondere kernwaarde(n) voor dat hoofdstuk geldt. Daarna volgen de regels. Ten slotte: waar in deze verordening wordt gesproken over ‘zijn’, ‘hem’ of ‘hij’, wordt ook bedoeld: ‘haar’, ’zij’, ‘hun’ of ‘hen’. Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘ouder(s)’ wordt bedoeld ‘ouder(s)/verzorger(s)’.

Begrippenlijst

In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten (Jeugdwet, Awb) waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?

  • 1.

    · Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.

  • 2.

    · Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat we zoveel mogelijk aansluiten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.

  • 3.

    · Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.

  • 4.

    · Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hulp verleent aan de ouder(s) en/of jeugdige op grond van een besluit van de gemeente, een bepaling van de Gecertificeerde Instelling (GI) of een medische verwijzing.

Aanvraag: een verzoek van een inwoner om een besluit te nemen, bedoeld in artikel 1:3 Awb. Ook een verzoek om verlenging, op- en afschaling via het berichtenverkeer wordt gezien als aanvraag.

Andere voorziening: voorziening waarop de ouder(s) en/of jeugdige een beroep kunnen doen voor hulp die hij nodig heeft, anders dan een voorziening op grond van de Jeugdwet. Het gaat om voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

AVG: Algemene Verordening Gegevensbescherming.

Awb: Algemene wet bestuursrecht.

BIG: Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.

Bovengebruikelijke hulp: Alles wat de gebruikelijke hulp te boven gaat.

Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de Jeugdwet.

Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning. Het doel ervan is het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de ouder(s) en/of jeugdige en het krijgen van dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en/of preventieve zorg en/of zorg en/of jeugdhulp en/of onderwijs en/of welzijn en/of wonen en/of werk en inkomen.

Draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouder(s) met behulp van hun sociale netwerk vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Ouder(s) moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het betreft hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.

Draaglast: De draaglast (de belasting) die ouder(s) ervaren, bestaat uit zaken van buitenaf, die energie vragen, zoals gezondheidsproblemen, alledaagse stresssituaties en eisen van het dagelijks leven. Wanneer de draaglast groter wordt dan de draagkracht, ontstaan problemen. De weegschaal slaat door naar één kant. Dit kan gebeuren doordat er bijvoorbeeld veel in korte tijd gebeurt of het heel druk is, waardoor de draaglast groter wordt (zwaarder). Ook door ziekte of vermoeidheid kan draagkracht verminderen. Het resultaat hiervan is dat de eisen die gesteld worden groter zijn dan wat de persoon aan kan of denkt aan te kunnen.

Eigen kracht: alles wat ouder(s) en/of de jeugdige zelf kunnen doen om het probleem op te lossen, of wat zij kunnen doen met behulp van andere personen uit het sociale netwerk, van andere organisaties of met andere mogelijkheden, zoals een aanvullende zorgverzekering.

Familiegroepsplan: Plan van aanpak dat de ouder(s) kunnen opstellen samen met familie of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Hierin kunnen zij aangeven hoe ze zelf kunnen bijdragen aan het verbeteren van de opvoed- en opgroeisituatie van de jeugdige.

Gecertificeerde Instelling (GI): organisatie die conform de jeugdwet maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoert.

Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) of andere verzorger(s) en opvoeder(s). Zie ook bijlage 1.

Gemeente: het college van burgemeester en wethouder(s) van de gemeente Renswoude.

Hulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; bij jeugdhulp gaat het om alle vormen van hulp en ondersteuning zoals opvoedvragen, opvoedhulp en de jeugd-ggz. Deze vormen van hulp kunnen variëren van licht ambulant (vanuit een wijkteam), tot en met intensieve, zeer gespecialiseerde zorg.

Hulpverlener: de persoon die feitelijk hulp verleent.

Hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet.

Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet; het betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Met inspraak wordt in hoofdstuk 6 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen.

Instelling: een organisatie die bedrijfsmatig zorg of hulp verleent.

Individuele voorziening: een voorziening die op de jeugdige en/of zijn ouder(s) is afgestemd die in natura (Zorg In Natura/ZIN) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt.

Jeugdige: een jeugdige is een kind dat hulp nodig heeft bij opgroeiproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dat is in ieder geval een kind tot 18 jaar met deze problemen. Soms kan ook een kind van 18 tot 23 jaar hulp krijgen (zie artikel 1.1 Jeugdwet).

Jeugdwet: De Jeugdwet regelt hoe hulp aan kinderen en gezinnen in Nederland geregeld is. Ook de jeugdbescherming en jeugdreclassering maken onderdeel uit van de wet.

Niet-professionele hulp: hulp van iemand die niet valt onder de definitie van professionele hulp én hulp van een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouder(s).

Ondersteuningsplan: een verslag waarin de adviezen, verwijzingen en afspraken staan die in overleg met de ouder(s) en/of jeugdige zijn gemaakt. Ook staan hierin de resultaten die bereikt moeten worden en de evaluatie daarvan.

Ouder: ouder, zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de ouder(s) en/of jeugdige die van belang zijn.

Pgb: persoonsgebonden budget dat aan de ouder(s) of jeugdige wordt verstrekt om jeugdhulp bij derden in te kopen.

Budgetplan: een plan van aanpak dat de ouder(s) en/of de jeugdige opstellen voor de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan moet onder meer staan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp wordt gewaarborgd.

Professionele hulp: hulp van een professional die werkt voor een instelling of als Zelfstandige Zonder Personeel (ZZP’er).

SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd.

Sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie hebben.

Veilig Thuis (VT): het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Voorliggende voorziening: een (jeugdhulp)voorziening die een oplossing kan bieden voor de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s). Dit kan een voorziening zijn op grond van een andere wet, zoals bedoeld in artikel 1.2 van de Jeugdwet, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Wet Kinderopvang: deze wet regelt de kwaliteit, financiering en het toezicht op kinderopvang, met als doel ouders te ondersteunen bij werk en zorg te combineren.

Wlz: Wet langdurige zorg.

Woo: Wet openbare overheid.

Zorg in Natura (ZIN): een voorziening die aan de ouder(s) en/of jeugdige wordt verstrekt in de vorm van hulp door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.

ZZP: Zelfstandige Zonder Personeel.

Hoofdstuk 2: De aanvraagprocedure

Als ouder(s) vragen hebben over de opvoeding van hun kinderen die ze niet zelf kunnen beantwoorden, dan kunnen ze de gemeente om hulp vragen. De gemeente wil actief luisteren naar wat de jeugdige nodig heeft om op te groeien tot een volwassene die zelfredzaam is en kan meedoen in de maatschappij. Het liefst willen we dat de jeugdige met behulp van zijn gezin zijn eigen perspectief in kaart brengt. Wanneer dit niet lukt, kan de gemeente hen helpen bij het vinden van een antwoord. In dit hoofdstuk staat hoe een ouder en/of jeugdige met de gemeente in contact kan komen en een vraag kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe een ouder en/of jeugdige een aanvraag voor jeugdhulp kan indienen. Verder staat vermeld hoe de gemeente een aanvraag behandelt en welke rol de ouder(s) en/of jeugdige daarbij hebben. Soms is er hulp nodig in de vorm van een voorziening. Dat is hulp die speciaal op de ouder(s) en/of jeugdige is afgestemd. Wanneer de gemeente zo’n voorziening kan geven, staat hieronder.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ De ouder(s) en/of jeugdigen kunnen hun vraag eenvoudig en snel stellen aan de gemeente.

❖ De gemeente gaat zorgvuldig om met de (aan)vraag van de ouder(s) en/of jeugdige.

❖ De gemeente en de ouder(s) en de jeugdigen geven elkaar de informatie en medewerking die nodig is.

❖ Bij het opstellen van het ondersteuningsplan, staat het belang van de jeugdige centraal.

Stap 1: Aanvraag bij de gemeente

Artikel 2.1.1 Indienen aanvraag

1. Ouder(s) en jeugdigen kunnen bij de gemeente terecht met hun hulpvraag. Als het nodig is zorgt de gemeente ervoor dat ouder(s) en/of de jeugdige geïnformeerd wordt over de mogelijkheden van het indienen van een aanvraag.

2. Ouder(s) en/of de jeugdigen kunnen een aanvraag voor jeugdhulp indienen bij de gemeente.

3. Een aanvraag vragen ouder(s) via een aanmeldformulier aan via de website van de gemeente Renswoude.

4. De gemeente bevestigt de ontvangst van een aanvraag aan de aanvrager.

5. Verlengingen melden ouder(s) aan de betrokken jeugdconsulent die deze vervolgens beoordeelt en op basis hiervan al dan niet in gang zet.

Artikel 2.1.2 Cliëntondersteuning, keukentafelgesprek en familiegroepsplan

  • 1.

    1. De gemeente informeert de ouder(s) en/of jeugdige over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven bij het proces van aanvraag tot beslissing. Deze cliëntondersteuner werkt onafhankelijk, waarbij het belang van de ouder(s) en/of jeugdige voorop staat.

  • 2.

    2. Ouder(s) en jeugdige (12+) worden uitgenodigd voor een keukentafelgesprek. Dit is in principe bij de ouder(s) en jeugdige thuis. Met het keukentafelgesprek onderzoekt de gemeente of zorg nodig is vanuit de Jeugdwet.

  • 3.

    3. De ouder(s) en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan opstellen waarin zij, eventueel samen met hun sociaal netwerk, aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren. De gemeente informeert de ouder(s) en/of jeugdige over deze mogelijkheid.

    • 1.

      · Indien de ouder(s) en/of jeugdige een familiegroepsplan hebben opgesteld, kunnen zij deze aan ons verstrekken.

Artikel 2.1.3 Gegevens

  • 1.

    1. De gemeente verzamelt met instemming van de ouder(s) en/of jeugdige alle gegevens over de jeugdige en zijn situatie die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek.

  • 2.

    2. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan krijgen, vraagt de gemeente de ouder(s) en/of jeugdige tijdens het eerste gesprek om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren.

  • 3.

    3. De ouder(s) en/of de jeugdige zorgt/zorgen ervoor dat de gemeente alle gegevens krijgt die nodig zijn voor het onderzoek en waarover ze redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek kan deze medewerkingsplicht inhouden dat de jeugdigen en ouders:

  • 1.

    · meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke jeugdhulp nodig is;

  • 2.

    · gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met de jeugdige wordt gesproken);

  • 3.

    · rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt;

  • 4.

    · toestemming geven voor het voeren van gesprekken met hulpverleners van de jeugdige.

  • 1.

    4. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Stap 2: Keukentafelgesprek en onderzoek

Artikel 2.2.1 Keukentafelgesprek en onderzoek

1. De gemeente gaat zo snel mogelijk met de ouder(s) en/of jeugdige in gesprek om een goed beeld te krijgen van het probleem en hoe dit opgelost kan worden.

2. De gemeente bespreekt in dit gesprek met de ouder(s) en/of jeugdige en eventueel de cliëntondersteuner de volgende onderwerpen:

a. de aard en ernst van de opgroei- of opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen van de jeugdige;

b. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

c. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

d. het vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden (eigen kracht);

e. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorliggende voorziening;

f. de noodzaak om een individuele voorziening te verstrekken;

g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

h. hoe rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); en

i. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb waarbij de ouder(s) en/of jeugdige duidelijk worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

3. De gemeente informeert de ouder(s) en/of jeugdige voor het gesprek over het verloop van het gesprek, hun rechten en plichten en over de vervolgprocedure. Ook vraagt de gemeente toestemming voor het verwerken van relevante persoonsgegevens.

4. De gemeente kan in overleg met de ouder(s) en/of jeugdige afzien van een gesprek.

5. Na het gesprek onderzoekt de gemeente de hulpvraag van de jeugdige. Als het nodig is vraagt de gemeente, na toestemming van ouder(s), daarbij om advies aan andere deskundigen.

6. Als de ouder(s) en/of jeugdige een familiegroepsplan hebben gemaakt, betrekt de gemeente dit plan bij het gesprek en het onderzoek.

Artikel 2.2.2 Ondersteuningsplan

  • 1.

    1. De gemeente maakt een ondersteuningsplan van de uitkomsten van het onderzoek. Hierin staat wat er nodig is om de hulpvraag op te lossen en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij kijkt de gemeente naar de situatie op korte en lange termijn.

  • 2.

    2. De ouder(s) en/of jeugdige krijgt dit verslag zo snel mogelijk na het gesprek.

  • 3.

    3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de ouder(s) en/of jeugdige over dit verslag worden als bijlage aan het verslag toegevoegd.

  • 4.

    4. Als de ouder(s) en/of jeugdige niet akkoord zijn met het verslag, geven zij aan waarom zij niet akkoord zijn.

  • 5.

    5. In het geval van een acute hulpvraag kan de gemeente kiezen voor een verkort onderzoek.

Stap 3: Beoordeling aanvraag

Artikel 2.3.1 Beoordelen aanvraag

  • 1.

    1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn.

  • 2.

    2. Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente de volgende stappen:

· Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de ouder(s) en/of jeugdige is.

· Stap 2: De gemeente stelt hierna vast of en welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen de jeugdige heeft.

· Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp gelet op deze problematiek nodig is voor de jeugdige om 1) gezond en veilig op te groeien, 2) te groeien naar zelfstandigheid, 3) voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.

· Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de ouder(s) en/of jeugdige zelf kunnen doen om het probleem op te lossen, of met behulp van andere personen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere mogelijkheden (eigen kracht).

· Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken.

  • 1.

    3. Voor iedere stap geldt dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere (externe) deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in na overleg met ouder(s). De gemeente stelt de ouder(s) en/of jeugdige op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en wordt ingezet. Onder deskundigheid verstaat de gemeente minimaal een geregistreerde professional:

· bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

· bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

· op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

Artikel 2.3.2 Voorwaarden voor een individuele voorziening

  • 1.

    1. De gemeente kent een individuele voorziening toe als vastgesteld is dat:

    • 1.

      a. dit nodig is gelet op de aard en ernst van de hulpvraag en om (een van de) doelen van de Jeugdwet te bereiken (hulp bij problemen in het gezin, maar ook bij psychische en gedragsproblemen van kinderen en jongeren, zodat jeugdigen veilig kunnen opgroeien);

    • 2.

      b. de jeugdige zelf, of met zijn ouder(s) of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen mogelijkheden heeft om een passende oplossing voor zijn hulpvraag te vinden. Hieronder valt in ieder geval:

  • 1.

    · gebruikelijke hulp van ouder(s);

  • 2.

    · het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten;

  • 3.

    · een voorliggende voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en

  • 1.

    2. de ouder(s) en/of jeugdige geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.

  • 2.

    3. De gemeente weigert een voorziening te verstrekken als de ouder(s) en/of jeugdige de hulp al hebben ingekocht voordat de gemeente een besluit heeft genomen. Tenzij de gemeente daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. In dat geval betalen ouder(s) dat deel van de hulp die voorafgaand aan het besluit van de gemeente is afgenomen.

Stap 4: Beslissing

Artikel 2.4.1 Beslistermijn

  • 1.

    1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de ondertekende aanvraag is ontvangen.

  • 2.

    2. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de ouder(s) en/of jeugdige onvoldoende gegevens hebben verstrekt. Dit heet opschorting. De gemeente vraagt dan om opnieuw de gegevens te verstrekken.

  • 3.

    3. Als het de gemeente niet lukt om binnen de beslistermijn een beslissing te nemen, laat de gemeente schriftelijk weten binnen welke termijn de beslissing wordt genomen.

Artikel 2.4.2. Inhoud beschikking

1. De gemeente legt in een beschikking uit wat het besluit van de gemeente is en stuurt deze naar de ouder(s) en/of jeugdige. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de Zorg In Natura (ZIN) of in de vorm van een pgb wordt gegeven. Ook staat in de beschikking hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

2. Geeft de gemeente de Zorg In Natura (ZIN) dan staat in de beschikking in ieder geval:

a. wie het gaat uitvoeren;

b. wanneer de hulp ingaat en hoelang de hulp duurt; en

c. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.

3. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb dan staat in de beschikking in ieder geval:

a. de start en einddatum;

b. de hulpverlenende organisatie;

c. wat voor soort hulpverlening;

d. het uurtarief; en

e. het totaalbedrag volgens de offerte.

4. In het budgetplan staat:

  • 1.

    a. voor welke hulp het pgb bedoeld is en wat het doel is van die hulp;

  • 2.

    b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb. Het budgetplan maakt deel uit van de beschikking.

Artikel 2.5 Uitzonderingen aanvraagprocedure

Artikel 2.5.1. Jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    1. De gemeente zorgt ervoor dat een jeugdige jeugdhulp krijgt als de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    2. De gemeente maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over deze doorverwijzingen. Een jeugdige wordt alleen doorverwezen naar hulpverleners of zorgaanbieders waarmee de gemeente contractuele afspraken heeft gemaakt.

  • 3.

    3. Ter waarborging van een deskundige en juiste bepaling van de in te zetten individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na een medische verwijzing is er voor de gemeenten van Jeugdhulpregio JeugdFV het Protocol “Medische verwijsroute” waaraan de jeugdhulpaanbieder gehouden is. Dit Protocol Medische verwijsroute is onderdeel van de gesloten overeenkomst met de jeugdhulpaanbieder.

Artikel 2.5.2 Jeugdhulp via de Gecertificeerde Instelling (GI), de rechter, het Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of de selectiefunctionaris van de Justitiële Jeugdinrichting (JJi)

1. De gemeente zorgt ervoor dat een jeugdige de jeugdhulp ontvangt die de GI en de gemeente in samenspraak nodig vinden bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook zorgt de gemeente voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de Officier van Justitie (OvJ), de directeur van de JJi of de selectiefunctionaris van de JJi nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

2. Hiervoor geeft de gemeente geen besluit af.

Artikel 2.5.3. Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de jeugdige meteen de hulp krijgt die nodig is. De gemeente zet dan zo snel mogelijk passende (tijdelijke) jeugdhulp in.

Hoofdstuk 3 Gezond en veilig opgroeien

Jeugdigen moeten zo gezond mogelijk en veilig kunnen opgroeien naar zelfstandigheid. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de ouder(s), die daarin ondersteund kunnen worden door hun sociaal netwerk en maatschappelijke organisaties. Als ze daarbij meer hulp nodig hebben, kunnen ouder(s) in gesprek gaan met de gemeente. Dit hoofdstuk beschrijft wanneer ouder(s) en jeugdigen hulp kunnen krijgen via de gemeente en welke hulp dat kan zijn. Bij het geven van hulp staat de eigen kracht van ouder(s) en de jeugdigen voorop. Die moet worden versterkt. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar, met eventueel een doorloop tot 23 jaar. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ Jeugdigen kunnen veilig opgroeien en zich gezond en kansrijk ontwikkelen.

❖ Opvoeden en opgroeien van jeugdigen gaat met vallen en opstaan.

❖ De gemeente heeft extra aandacht voor jeugdigen in een kwetsbare positie.

❖ De hulp van de gemeente vergroot de kracht van het gezin.

Artikel 3.1 Uitgangspunten

1. Het is belangrijk dat jeugdigen zo gezond mogelijk en veilig kunnen opgroeien naar zelfstandigheid. Bij opgroei- of opvoedproblemen kan de gemeente ouder(s) en jeugdigen ondersteunen als zij er niet in slagen hun problemen op eigen kracht, met hun sociaal netwerk of met de hulp van maatschappelijke organisaties op te lossen. Als de gemeente ouder(s) en/of jeugdigen kan ondersteunen met hulp die voorliggend is, wordt die hulp ingezet. Denk daarbij bijvoorbeeld aan jongerenwerk. Als die hulp niet het gewenste resultaat heeft, kan een individuele voorziening worden ingezet, als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

2. De hulp die de gemeente aanbiedt, versterkt de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun sociaal netwerk.

De ouder(s) en jeugdigen mogen binnen het gecontracteerde aanbod kiezen van welke jeugdhulpaanbieder ze de benodigde ondersteuning willen krijgen. De jeugdconsulent kan hierbij helpen en een voorselectie doen.

Artikel 3.2 Voorliggende voorzieningen

  • 1.

    De gemeente maakt mensen attent op hulp die voorliggend is. De ouder(s) en/of jeugdigen kunnen van deze hulp gebruik maken. Zij hebben daarvoor geen besluit van de gemeente nodig.

  • 2.

    De gemeente zet zich ervoor in om signalen over opgroei- en opvoedproblemen zo vroeg mogelijk op te vangen, zodat dan ook zo snel mogelijk hulp wordt geboden als dat nodig is.

Artikel 3.3 Individuele voorzieningen

  • 1.

    Als voorliggende hulp niet voldoende is, kan de gemeente een individuele voorziening aanbieden die ingekocht is via de Jeugdhulpregio JeugdFV. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De ouder(s) en/of jeugdige moeten daarvoor een aanvraag indienen bij de gemeente die daar vervolgens over besluit.

  • 2.

    De gemeente kan in ieder geval de volgende individuele voorzieningen aanbieden:

    • 1.

      · ambulante jeugdhulp begeleiding, zowel individueel als in groepsvorm;

    • 2.

      · ambulante jeugdhulp behandeling, zowel individueel als in groepsvorm;

    • 3.

      · jeugdhulp met verblijf, zoals pleegzorg, gezinshuizen, leefhuis en begeleid zelfstandig wonen;

    • 4.

      · gesloten en intensief klinische jeugdhulp;

    • 5.

      · crisishulp.

  • 3.

    Jeugdhulpregio JeugdFV maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie afspraken over de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:

    • 1.

      · doelgroepen;

    • 2.

      · activiteiten;

    • 3.

      · doorlooptijd;

    • 4.

      · intensiteit;

    • 5.

      · kwaliteit;

    • 6.

      · beoogd resultaat; en

    • 7.

      · vermelding productcode iJw (landelijke systematiek berichtenverkeer).

De deelovereenkomsten van Jeugdhulpregio JeugdFV met aanbieders van individuele voorzieningen zijn digitaal in te zien.

Artikel 3.4 Vervoer

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat de jeugdige of zijn ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar en van een jeugdhulplocatie. De gemeente kan ook een voorziening inzetten voor het vervoer van een jeugdige van en naar een locatie waar de jeugdige jeugdhulp krijgt.

  • 2.

    De gemeente kent slechts een vervoersvoorziening toe als:

    • 1.

      het ingekochte jeugdhulpproduct hier niet al in voorziet, en;

    • 2.

      blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de ouder(s) of verzorger(s) van de jeugdige niet in staat zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen.

  • 3.

    Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en eigen kracht van de ouder(s) kijkt de gemeente ook naar de mogelijkheden en bereidheid van iemand uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren.

  • 4.

    Als aan de voorwaarden voor vervoer is voldaan, beoordeelt de gemeente welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is.

  • 5.

    De volgende vervoersmogelijkheden zijn mogelijk:

    • 1.

      vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder;

    • 2.

      gecontracteerd vervoer met/zonder rolstoel;

    • 3.

      een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de afstand enkele reis; of

    • 4.

      taxivervoer als een vervoersvoorziening als genoemd bij a tot en met c niet mogelijk is of als dit goedkoper is.

  • 6.

    Deze voorzieningen kunnen in natura of in pgb worden verstrekt. In artikel 5.3 staat hoe de hoogte van een pgb voor de kosten van vervoer wordt bepaald.

  • 7.

    Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.

  • 8.

    Bij de toekenning van een vervoersvoorziening beslist de gemeente ook over de manier waarop het vervoer plaatsvindt en vanaf wanneer het vervoer of de betaling van de vergoeding ingaat. Ook beslist de gemeente hoe lang het vervoer of de vergoeding wordt ingezet.

  • 9.

    De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan.

Artikel 3.5 Overgang van 18- naar 18+

  • 1.

    De gemeente zet zich ervoor in dat jeugdigen met jeugdhulp ondersteuning krijgen als ze 18 jaar worden. De gemeente beoordeelt of de hulp voortgezet moet worden en zo ja, onder welke wet en helpt de jongere bij de overgang naar een andere wet.

  • 2.

    Jeugdhulp kan in bepaalde gevallen worden verlengd. Bijvoorbeeld als er nog hulp nodig is en die hulp niet vanuit een andere wet kan worden geleverd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt.

Artikel 3.6 Afstemming met Gezondheidszorg

  • 1.

    De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 3.2 van deze verordening en de huisartsenzorg.

  • 2.

    De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing naar jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3.

    De gemeente maakt afspraken met de zorgverzekeraars over de voortzetting van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en gehandicaptenzorg voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) komen te vallen.

Artikel 3.7 Afstemming met Gecertificeerde instellingen (GI’s)

1. De gemeente maakt afspraken met de GI’s over de aansluiting tussen de voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 3.2 van deze Verordening en de GI’s.

2. De gemeente maakt afspraken met de GI’s over:

a. het overleg over de jeugdhulp die nodig is in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

b. het overleg over eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de GI en hoe de gemeente daarvan op de hoogte wordt gesteld;

d. wanneer en onder welke voorwaarden de GI budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en zijn ouder(s);

e. hoe te handelen wanneer de GI van mening is dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden; en

f. hoe de GI misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen tegen gaat.

Artikel 3.8 Afstemming met Justitiedomein

De gemeente maakt afspraken met de GI’s, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de JJi’s over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering.

Artikel 3.9. Afstemming met Veilig Thuis (VT)

  • 1.

    Op bovenlokaal niveau voert Veilig Thuis minimaal de volgende taken uit:

    • 1.

      fungeren als meldpunt voor gevallen/vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • 2.

      verlenen van informatie, advies en consult aan de melder/vrager;

    • 3.

      onderzoek doen naar aanleiding van een melding; en

    • 4.

      indien nodig inschakelen van politie, GI, RvdK en/of andere passende hulpverlening.

  • 2.

    De gemeente informeert VT over de toegang tot voorliggende en individuele voorzieningen.

Artikel 3.10. Afstemming met Onderwijs

  • 1.

    De gemeente maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en de schoolbesturen voor (speciaal) onderwijs over:

    • 1.

      de afstemming tussen de voorliggende voorzieningen en het onderwijs en voorzieningen op de scholen; en

    • 2.

      de afstemming met de school bij het toekennen van individuele voorzieningen voor leerlingen en hun ouder(s).

    • 3.

      de frequentie waarmee de jeugdconsulenten van het Dorpsteam aanwezig zijn voor ondersteuning op scholen.

  • 2.

    De gemeente en de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs leggen de afspraken vast.

Artikel 3.11. Afstemming met Wmo-voorzieningen

1. De gemeente zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze Verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouder(s) op grond van de Wmo.

2. De gemeente helpt de jeugdige die 18 jaar wordt bij de overgang van jeugdzorg naar de Wmo.

Artikel 3.12 Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

  • 1.

    De gemeente zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze Verordening en (re-integratie) voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Participatiewet, waaronder leerwerktrajecten.

  • 2.

    De gemeente zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze Verordening en voorzieningen voor ouder(s) op grond van de Participatiewet, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en armoedevoorzieningen.

Artikel 3.13 Dyslexie

Het onderwijs is verantwoordelijk voor de signalering en begeleiding van jeugdigen met dyslexie. Ondersteuning wordt dan ook in eerste instantie geboden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Is deze ondersteuning onvoldoende, dan kan er sprake zijn van ernstige dyslexie (ED). Voor ernstige dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat een ED-specialist op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet.

Artikel 3.14 Kinderopvang en buitenschoolse opvang

Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.

Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.

Hoofdstuk 4 Eigen kracht

Bij het geven van hulp staat de eigen kracht van ouder(s) en de jeugdigen voorop. In dit hoofdstuk staat hoe de gemeente vaststelt dat sprake is van eigen kracht. Daarbij wordt het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke zorg gemaakt en er wordt gekeken naar de balans tussen draagkracht en draaglast.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ Opvoeden en opgroeien van jeugdigen gaat met vallen en opstaan.

❖ De ouder(s) en jeugdigen doen wat zij zelf kunnen, zo nodig met hulp van hun persoonlijk en/of sociaal netwerk.

❖ We willen niet onnodig labelen en ondersteunen, alleen daar waar nodig is.

❖ De gemeente, de ouder(s) en de jeugdigen geven elkaar de informatie en medewerking die nodig is.

Artikel 4.1 Gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp

  • 1.

    Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s). Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 2.

    Als de hulpvraag van de ouder(s) en/of jeugdige gaat over gebruikelijke hulp zet de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp in.

  • 3.

    Of er sprake is van gebruikelijke hulp stelt de gemeente vast aan de hand van onderstaande vier vragen:

    • 1.

      Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

    • 2.

      Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

    • 3.

      Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

    • 4.

      Blijft de ouder de (bovengebruikelijke) hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de financiële problemen?

Naast deze vier vragen wordt er gekeken naar de onderstaande vijf factoren:

  • 1.

    de leeftijd van de jeugdige;

  • 2.

    de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

  • 3.

    de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige,

  • 4.

    de mate van planbaarheid van de hulp;

  • 5.

    de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

Als uit onderzoek naar deze vragen en factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op een van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. Het schema in bijlage 1 van deze verordening kan ondersteunend zijn.

  • 4.

    Als de omvang of zwaarte van de noodzakelijke hulp de gebruikelijke hulp overstijgt, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Van ouder(s) wordt verwacht dat zij ook deze bovengebruikelijke hulp aan hun kind bieden, behalve als de draagkracht en draaglast niet in balans zijn (zie verder artikel 4.2). Als ouder(s) beschikbaar en in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert en de ouder(s) de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding blijven bieden en hierdoor geen financiële problemen in het gezin ontstaan, zet de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp in.

Artikel 4.2 Draagkracht en draaglast

  • 1.

    Een gezonde draagkracht betekent dat ouder(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouder(s) hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent de gemeente geen individuele voorziening jeugdhulp toe. Ook wanneer de beslissing door het gezin is genomen om met eigen kracht jeugdhulp te verlenen waarbij een van de ouders minder betaalde arbeid is gaan verrichten, en de draagkracht en draaglast niet uit balans is, dan bestaat niet vanzelfsprekend een aanspraak op een jeugdhulpvoorziening.

  • 2.

    Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouder(s) voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt de gemeente in haar onderzoek (als bedoeld in artikel 2.3.1) de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s), samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen.

  • 3.

    Het college maakt voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht als bedoeld in het eerste lid en draaglast als bedoeld in het tweede lid een onderscheid in kortdurende en langdurende situaties:

    • -

      o Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids-)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. De periode waarin problemen spelen is eenmalig en duurt maximaal drie maanden.

    • -

      o Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 4.

    In kortdurende situaties neemt de gemeente aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of het sociale netwerk mag worden verwacht.

  • 5.

    In langdurende situaties bieden ouder(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als de gemeente op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of het sociale netwerk mag worden verwacht.

Hoofdstuk 5 De vorm van de hulp

Als de gemeente aan de ouder(s) en/of jeugdige hulp toekent, moet ook worden bepaald in welke vorm de hulp wordt gegeven. De gemeente bespreekt met de ouder(s) en/of jeugdige op welke manier de hulp ingezet wordt. Die hulp kan Zorg In Natura (ZIN) zijn: de gemeente zorgt ervoor dat hulp wordt ingekocht en ingezet. De hulp kan ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden ingezet. Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de hulp wordt ingezet en welke voorwaarden daarvoor gelden.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ De geboden hulp is van goede kwaliteit, veilig en effectief.

❖ De hulp van de gemeente is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is.

Artikel 5.1 Voorwaarden voor pgb

  • 1.

    De ouder(s) en/of jeugdige die in aanmerking komt voor een individuele voorziening kan kiezen voor een pgb. De gemeente moet wel overtuigd zijn dat de ouder(s) en/of jeugdige voldoet aan de volgende voorwaarden (pgb vaardig):

    • a.

      de ouder(s) en/of jeugdige kunnen voldoende voor hun eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt;

    • b.

      de ouder(s) en/of jeugdige maken aan de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen; en

    • c.

      de hulp die de ouder(s) en/of jeugdige met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en passen bij de problematiek van de jeugdige.

  • 2.

    De ouder(s) en/of jeugdige maken in een budgetplan duidelijk dat aan de voorwaarden is voldaan. In het plan staat ook:

    • a.

      hoe de ouder(s) en/of jeugdige zijn hulp wil organiseren,

    • b.

      wie deze hulp gaat leveren en wat het beoogde doel is,

    • c.

      wat de kosten zijn, en

    • d.

      op welke manier de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de ouder(s) en jeugdige zijn gegarandeerd.

  • 3.

    Het budgetplan moet worden goedgekeurd door de gemeente.

  • 4.

    De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

    • a.

      de inwoner wil het pgb laten beheren door de aanbieder van hulp;

    • b.

      de gemeente heeft eerder een individuele voorziening of een pgb toegekend en dit besluit is herzien of ingetrokken, omdat de ouder(s) en/of jeugdige:

  • -

    · onjuiste of onvolledige gegevens hebben doorgegeven;

  • -

    · zich niet hebben gehouden aan de voorwaarden die bij het pgb horen; of

  • -

    · het pgb voor een ander doel hebben gebruikt.

    • -

      c. de ouder(s) en/of jeugdige vragen een pgb voor het inkopen van een persoon uit het sociale netwerk voor hulp die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional is voorbehouden;

    • -

      d. als er sprake is van een spoedeisende situatie;

    • -

      e. De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor een voorziening in natura. Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn.

    • -.

      f. In het geval er een professional wordt ingekocht die niet beschikt over een SKJ en/of BIG registratie.

    • -

      g. Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden:

      • -

        · problematische schuldenproblematiek;

      • -

        · ernstige verslavingsproblematiek;

      • -

        · aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • -

        · een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • -

        · een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • -

        · een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • -

        · het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

      • -

        · twijfels op overige gronden over de Pgb-vaardigheid.

  • 5.

    Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering of cadeaus aan de hulpverlener(s);

    • e.

      reiskosten of kosten voor reistijd van de hulpverlener(s);

    • f.

      studiekosten van de hulpverlener(s); en of

    • g.

      kosten aanvragen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).

Artikel 5.2 Professionele of niet-professionele hulp

  • 1.

    Om de hoogte van het pgb vast te stellen, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.

  • 2.

    De ouder(s) en/of jeugdige kunnen het pgb besteden aan professionele hulp via een hulpverlener of organisatie. Deze moet voldoen aan onderstaande eisen:

    • a.

      de hulpverlener of organisatie staat voor de via het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel volgens de eisen van de Handelsregisterwet 2007;

    • b.

      de hulpverlener kan een SKJ- of BIG registratie overleggen; en

    • c.

      de hulpverlener of organisatie werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking.

  • 3.

    De ouder(s) en/of jeugdige kunnen het pgb besteden aan hulp door een niet-professionele hulpverlener, als die hulpverlener:

    • a.

      meerderjarig is;

    • b.

      aannemelijk maakt dat de hulp niet tot overbelasting van de hulpverlener leidt;

    • c.

      aantoont dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden; en

    • d.

      een Verklaring Omtrent Gedrag natuurlijke personen (VOG - specifiek screeningsprofiel 45) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. De verklaring is niet nodig als de hulpverlener een bloed-of aanverwant in de 1e graad is. Bij een eventuele verlenging van een PGB mag de VOG niet ouder zijn dan 3 jaar.

  • 4.

    Hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt altijd als hulp door een niet-professionele hulpverlener gezien, los van eventuele opleiding en ervaring. Met het sociale netwerk wordt ten minste bedoeld bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad.

Artikel 5.3 De hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee de ouder(s) en/of jeugdige veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp die onder de individuele voorzieningen valt bij derden kunnen inkopen.

    • a.

      Bij professionele pgb stelt het college de hoogte vast op maximaal 90% van de kostprijs voor de gemeente van de goedkoopste vorm van Zorg In Natura (ZIN). Als uit het door de ouder(s) en/of jeugdige opgesteld budgetplan dat door de gemeente is goedgekeurd (zie artikel 5.1) blijkt dat passende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht, wordt het pgb op dit lagere tarief vastgesteld.

    • b.

      Bij niet-professionele pgb stelt het college de hoogte vast op het wettelijk minimumuurloon met vakantiegeld.

  • 2.

    Als het vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om passende hulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

Artikel 5.4 Uitbetaling pgb

  • 1.

    Het pgb wordt gestort op de rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB betaalt het pgb achteraf uit aan de zorgverlener.

  • 2.

    De gemeente kan van lid 1 afwijken als het gaat om eenmalige pgb’s. De gemeente betaalt het pgb dan rechtstreeks aan de zorgverlener. Uitbetaling vindt achteraf plaats.

  • 3.

    De SVB betaalt alleen de hulp die feitelijk geleverd is. Daarvoor moet een declaratie worden ingediend.

  • 4.

    In sommige gevallen kan de gemeente ook een periodieke betaling toestaan. Dan wordt het pgb per maand uitbetaald.

  • 5.

    De ouder(s) en/of jeugdige sluiten een zorgovereenkomst met de zorgverlener af. De SVB controleert of de zorgovereenkomst voldoet aan de arbeidsrechtelijke en fiscale aspecten. De gemeente controleert of de zorgovereenkomst voldoet aan de afspraken die in het budgetplan staan.

Artikel 5.5 Controle pgb

  • 1.

    De gemeente kan de ouder(s) en/of jeugdige vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en tot welke resultaten de hulp heeft geleid. De gemeente kan hiervoor de originele en gedateerde facturen, betaalbewijzen en/of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen opvragen.

  • 2.

    De budgethouder is daarom verplicht voor een periode van 3 jaar de bewijsstukken van de besteding van het pgb te bewaren.

  • 3.

    Als een eenmalig pgb vooraf wordt uitbetaald, controleert de gemeente de besteding hiervan achteraf. De budgethouder moet dan binnen 3 maanden na verstrekking van het pgb een originele nota kunnen overleggen. Het vastgestelde pgb is een maximumvergoeding. Als het bedrag op de ingediende nota lager is dan het toegekende pgb, wordt het pgb gelijkgesteld aan dat bedrag.

  • 4.

    Als een pgb per maand wordt uitbetaald, stopt het pgb bij overlijden van de persoon die de hulp krijgt per de eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden.

Artikel 5.6 Opschorten pgb

  • 1.

    De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb voort te zetten of in te trekken. Dit voor een periode van maximaal 13 weken. De gemeente kan dit doen als er een vermoeden is dat:

    • a.

      de ouder(s) en/of jeugdige onjuiste of onvolledige informatie hebben doorgegeven, terwijl de juiste of volledige informatie tot een andere beslissing van de gemeente zou hebben geleid;

    • b.

      de ouder(s) en/of jeugdige niet voldoen aan de voorwaarden die horen bij een pgb; en/of

    • c.

      de ouder(s) en/of jeugdige het pgb voor een ander doel hebben gebruikt.

  • 2.

    De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen voor de periode dat de jeugdige (of de ouder die de hulp krijgt) in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw) verblijft.

  • 3.

    De gemeente stelt de budgethouder schriftelijk op de hoogte van het verzoek aan de SVB om de uitbetaling van het pgb uit te stellen.

Hoofdstuk 6 Afspraken tussen ouder(s)/ jeugdigen en gemeenten

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de ouder(s) en jeugdigen met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de ouder(s) en jeugdige wordt verwacht. Als de ouder(s) en jeugdigen rechten hebben, dan staan daar plichten tegenover. Houden de ouder(s) of jeugdigen daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de hulp in bepaalde gevallen wijzigen, beëindigen en/of terugvorderen. Hieronder staan de hoofdregels die daarvoor gelden.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ De gemeente, de ouder(s) en jeugdigen zijn gelijkwaardige partners.

❖ De gemeente is helder over wat de ouder(s) en jeugdigen mogen verwachten.

❖ De gemeente, de ouder(s) en de jeugdigen geven elkaar de informatie en medewerking die nodig is.

Artikel 6.1 De rol van de gemeente

  • 1.

    De gemeente zoekt samen met de ouder(s) en/of jeugdigen naar een oplossing voor zijn probleem. De gemeente en de ouder(s) en/of jeugdigen gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

    • a.

      voor de ouder(s) en/of jeugdigen is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk;

    • b.

      de ouder(s) en/of jeugdigen hebben, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker;

    • c.

      de gemeente helpt de ouder(s) en/of jeugdigen om hun probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie;

    • d.

      de gemeente zorgt voor eenvoudige aanvraagformulieren voor de aanvraag van hulp. Het is voor de ouder(s) en/of jeugdigen duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn;

    • e.

      de gemeente informeert de ouder(s) en/of jeugdigen over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn;

    • f.

      de gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de ouder(s) en/of jeugdigen. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de aanvraag van de ouder(s) en/of jeugdigen en waarover de ouder(s) redelijkerwijs kunnen beschikken; en

    • g.

      de gemeente wijst de ouder(s) en/of jeugdigen op cliëntondersteuning.

  • 2.

    De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de ouder(s) en/of jeugdigen. De gemeente zorgt voor het volgende:

    • a.

      de ouder(s) en/of jeugdigen worden op tijd geïnformeerd over:

      • 1.

        · zijn rechten en plichten;

      • 2.

        · wat er van hem wordt verwacht;

      • 3.

        · welk gedrag niet deugt;

      • 4.

        · wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

      • 5.

        · waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

De gemeente zorgt ervoor dat de ouder(s) en/of jeugdigen voldoende geïnformeerd blijven over deze punten.

  • b.

    de gemeente geeft de ouder(s) en/of jeugdigen de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de ouder(s) en/of jeugdigen te reageren door een maatregel te nemen.

  • c.

    de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

    • 1.

      · de ernst van het gedrag;

    • 2.

      · de mate waarin dat de ouder(s) en/of jeugdigen kan worden verweten; en

    • 3.

      · de persoonlijke situatie van de ouder(s) en/of jeugdigen.

    • d.

      de gemeente stuurt de ouder(s) en/of jeugdigen een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de ouder(s) en/of jeugdigen en wat zij daartegen kunnen doen. De gemeente maakt de ouder(s) en/of jeugdigen ook duidelijk op welke manier zij het gedrag kunnen aanpassen, zodat de relatie wordt hersteld en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

Artikel 6.2 De rol van de ouder(s) en jeugdigen

  • 1.

    De ouder(s) en/of jeugdigen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van hun probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de ouder(s) en/of jeugdigen en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De ouder(s) en/of jeugdigen zorgen voor het volgende:

    • a.

      de ouder(s) en/of jeugdigen gaan eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om samen met zijn sociale netwerk zijn probleem op te lossen;

    • b.

      de ouder(s) en/of jeugdigen werken mee aan de oplossing van zijn probleem; en

    • c.

      de ouder(s) en/of jeugdigen doen wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken en zo kort mogelijk te laten duren.

  • 2.

    De ouder(s) en/of jeugdigen werken mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

    • a.

      de ouder(s) en/of jeugdigen informeren de gemeente direct over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de ouder(s) en/of jeugdigen. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend;

    • b.

      de ouder(s) en/of jeugdigen houden zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de ouder(s) en/of jeugdigen krijgen om alle informatie aan te leveren; en

    • c.

      de ouder(s) en/of jeugdigen brengen de gemeente direct op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente en het recht op jeugdhulp.

Artikel 6.3 Evaluatie

  • 1.

    De gemeente onderzoekt over het algemeen elk jaar of het nodig is een beslissing te heroverwegen. De gemeente onderzoekt dan of:

    • a.

      de ouder(s) en/of jeugdige de hulp nog nodig hebben;

    • b.

      de doelen van de hulp nog worden bereikt en/of;

    • c.

      de hulp nog op de juiste manier wordt gegeven.

  • 2.

    De gemeente kan dit op verschillende manieren onderzoeken, bijvoorbeeld met een huisbezoek, een telefoongesprek of een onderzoek naar de kwaliteit van de hulp.

  • 3.

    De termijn van 1 jaar ligt niet vast. Afhankelijk van de situatie van de ouder(s) en/of jeugdige en de aard en de vorm van de hulp kan de gemeente ook besluiten eerder of later dan na 1 jaar een onderzoek te doen.

Artikel 6.4 Beëindiging hulp

  • 1.

    De gemeente kan toegekende hulp geheel of gedeeltelijk beëindigen of wijzigen in bepaalde gevallen. Dit geldt zowel voor Zorg In Natura (ZIN) als voor een pgb. De hulp kan in ieder geval worden beëindigd vanaf het moment dat:

    • a.

      de hulp niet langer passend of nodig is;

    • b.

      de ouder(s) en/of jeugdige zich niet houden aan de voorwaarden en verplichtingen die aan de ingezette hulp of het verstrekte pgb zijn verbonden;

    • c.

      de gemeente niet langer kan beoordelen of de ouder(s) en/of jeugdige in aanmerking komen voor hulp, omdat er onvoldoende of onjuiste informatie is verstrekt. Of omdat de ouder(s) en/of jeugdige onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar het recht op hulp;

    • d.

      de hulp is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de ouder(s) en/of jeugdige;

    • e.

      het pgb voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld is;

      f. de ouder(s) en/of jeugdige niet binnen de vastgestelde termijn gebruik maken van de toegekende hulp, tenzij dit niet te verwijten is;

    • g.

      de jeugdige (of ouder die de hulp krijgt) langer dan 2 maanden verblijft in een instelling zoals bedoeld in de Wlz of de Zvw; en/of

    • h.

      het gemeentelijk beleid is gewijzigd, waardoor de ouder(s) en/of jeugdige niet meer in aanmerking komen voor hulp. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

  • 2.

    De hulp kan ook met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het besluit in. De hulp kan ook met terugwerkende kracht worden gewijzigd (herzien). De hulp blijft dan wel in stand, maar wordt deels gewijzigd.

Artikel 6.5 Terugvordering hulp

De gemeente kan de geldwaarde van de Zorg In Natura (ZIN) die onterecht is ingezet of een pgb dat ten onrechte is verstrekt, terugvorderen. Dit kan als de gemeente de beslissing tot het verstrekken van een voorziening heeft ingetrokken of herzien, omdat de ouder(s) en/of jeugdige onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt (artikel 6.4 sub d).

Artikel 6.6 Voorkomen van misbruik

De gemeente kan één of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Deze toezichthouder houdt ook toezicht op de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen.

Hoofdstuk 7. Inspraak en participatie

In de jeugdzorg werken we niet voor, maar samen met jeugd en ouder(s). Hierbij is het van groot belang dat alle belanghebbenden input kunnen leveren. Cliënt- en jongerenparticipatie betekent dat ouder(s) en hun kinderen centraal staan in beleid en ondersteuning; zij hebben daarin een duidelijke stem. Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is immers bedoeld voor ouder(s) en jeugdigen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Met de ervaringen van de ouder(s) en jeugdigen kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe jeugdigen en hun ouder(s) invloed kunnen uitoefenen op verordeningen en beleid met bijbehorende jaarplannen.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ De mening van ouder(s) en jeugdigen doet ertoe.

❖ De gemeente en de ouder(s) en jeugdigen zijn gelijkwaardige partners.

❖ Inspraak en participatie vergroot de kwaliteit van gemeentelijk beleid.

Artikel 7.1 Inspraak

  • 1.

    Ouder(s) (en jeugdigen) kunnen inspraak hebben bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp en de manier waarop de gemeente beleid uitvoert. De gemeente geeft ouder(s) (en jeugdigen) inspraak in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat ouder(s) (en jeugdigen) en vertegenwoordigers van cliëntgroepen voldoende gelegenheid krijgen om voorstellen te doen voor het beleid over jeugdhulp en advies uit te brengen over verordeningen en beleidsvoorstellen over jeugdhulp.

  • 3.

    De gemeente zorgt ervoor dat ouder(s) (en jeugdigen) kunnen deelnemen aan het overleg over het beleid en de uitvoering daarvan. Zij krijgen op tijd voldoende informatie om een inbreng aan het overleg te kunnen geven en om onderwerpen voor de agenda aan te leveren.

Hoofdstuk 8. Kritiek op de uitvoering

De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat ouder(s) en/of jeugdigen het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een ouder en/of jeugdigen niet tevreden zijn, vindt de gemeente dit een belangrijk signaal. De gemeente zet zich er dan voor in om de kritiek met de ouder(s) of jeugdigen te bespreken en na te gaan of er een passende oplossing is. Als dat niet lukt, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. In dit hoofdstuk staan regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Bij problemen met jeugdhulp kunnen de ouder(s) en/of jeugdigen een vertrouwenspersoon spreken. Dit hoofdstuk sluit aan bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ De gemeente wijst de ouder(s) en jeugdigen op hun rechten.

❖ De gemeente en de ouder(s) en jeugdigen zijn gelijkwaardige partners.

Artikel 8.1 Second opinion

  • 1.

    De inwoner kan één keer vragen om een herbeoordeling van zijn melding door een andere medewerker, als de inwoner en de behandelend medewerker het niet eens worden over de inhoud van het ondersteuningsplan van de inwoner.

  • 2.

    De herbeoordeling wordt op verzoek van de inwoner gedaan door:

    • a.

      een andere consulent binnen het team; of door

    • b.

      een onafhankelijke deskundige die door de gemeente wordt aangewezen. Dat kan een medewerker van een andere gemeente zijn of een deskundige van een andere organisatie.

  • 3.

    De gemeente streeft ernaar om de herbeoordeling te doen binnen 14 dagen nadat de inwoner dit heeft gevraagd.

  • 4.

    Na het onderzoek stuurt de gemeente het verslag van de herbeoordeling naar de inwoner. Als de gemeente het oorspronkelijke ondersteuningsplan na de herbeoordeling aanpast, dan vervalt het oude plan en komt het aangepaste plan daarvoor in de plaats.

  • 5.

    De herbeoordeling van de melding is voor de inwoner gratis.

  • 6.

    De inwoner kan besluiten om een aanvraag in te dienen, ook als hij al een vraag om herbeoordeling heeft ingediend.

  • 7.

    Zolang er geen aangepast ondersteuningsplan ligt, kan de gemeente het eerste ondersteuningsplan uitvoeren als de inwoner hulp nodig heeft.

Artikel 8.2 Klachtenregeling

  • 1.

    De ouder(s) en/of jeugdigen kunnen een klacht indienen over het gedrag van bestuursorganen en medewerkers van de gemeente bij de uitvoering van hun taak op grond van deze verordening.

  • 2.

    De gemeente heeft daarvoor een klachtenregeling. Voor de afhandeling van klachten geldt het klachtenreglement van de gemeente Renswoude.

  • 3.

    Ouder(s) en/of jeugdigen die niet tevreden zijn met een SKJ-geregistreerde jeugdprofessional kunnen in sommige gevallen een klacht kunt indienen bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Een klacht kan op de website, via een digitaal klachtformulier (klachtenformulier) worden ingediend.

Artikel 8.3 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    De gemeente wijst jeugdigen, ouder(s) en andere verzorger(s) en opvoeders op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Jeugdstem (voorheen Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg/AKJ) huurt hiervoor vertrouwenspersonen van Zorgbelang in. De vertrouwenspersoon kan ondersteunen bij problemen, klachten en vragen over de (toegang tot) jeugdhulp.

  • 2.

    Jeugdigen, ouder(s) en andere verzorger(s) kunnen ook terecht bij een jurist via een eventuele rechtsbijstandsverzekering of bij een advocaat.

Artikel 8.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Op grond van artikel 3.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) moeten aanbieders bij de toezichthouder Wmo en Jeugdwet (hierna: toezichthouder) binnen 3 werkdagen melding doen van iedere calamiteit die en elk geweld dat bij de verstrekking van de voorziening heeft plaatsgevonden. De meldingsverplichting heeft ten doel, dat de toezichthouder op de hoogte is van ernstige incidenten en situaties die naar zijn oordeel onderzoek en/of ingrijpen vereisen. Het centrale postadres voor meldingen is Kreupelstraat 1, 9712 HW Groningen. Het email-adres is calamiteitenwmo@groningen.nl .

  • 2.

    De ouder en/of jeugdigen die geraakt zijn door calamiteiten, geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die jeugdhulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, kunnen dit melden bij de gemeente. Die dit vervolgens meldt bij de toezichthouder.

Hoofdstuk 9. Kwaliteit en toezicht (inkoop en aanbesteding)

De diensten die de gemeente en aanbieders leveren, horen van goede kwaliteit te zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoeften van de ouder(s) en/of jeugdigen. Voor de gemeente geldt een aantal regels bij de inkoop van diensten. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten.

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

❖ Diensten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passend.

❖ Diensten van de gemeente zijn niet duurder dan nodig is.

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbescherming en jeugdreclassering Jeugdhulpregio JeugdFV

  • 1.

    Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste resultaat voor de ouder(s) en/of jeugdigen wordt bereikt.

  • 2.

    De Jeugdhulpregio JeugdFV contracteert jeugdzorgaanbieders voor de hele regio. Ze bewaken de kwaliteit tijdens voortgangsgesprekken en locatiebezoeken. Voor aanbieders die niet zijn gecontracteerd kan een light overeenkomst worden afgesloten. Dit is een variant op het standaardcontract welke wordt beoordeeld door Jeugdhulpregio JeugdFV.

  • 3.

    De diensten:

    • a.

      passen bij de behoefte van de ouder(s) en jeugdigen;

    • b.

      zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de ouder(s) en jeugdigen;

    • c.

      voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;

    • d.

      worden afgestemd op andere diensten die aan de ouder(s) en/of jeugdigen worden geleverd.

  • 4.

    De jeugdhulpregio JeugdFV heeft toezichthouder(s) in dienst voor recht- & doelmatigheidsonderzoek. Deze toezichthouder(s) maken hun onderzoeksrapport actief openbaar en nemen daarbij de regels uit de Wet open overheid (Woo) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht. Ze functioneren onafhankelijk en zijn belast met:

  • a.

    de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, waaronder van de politie en de belastingdienst;

  • b.

    de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de jeugdhulpaanbieder;

  • c.

    de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de jeugdige of zijn dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger;

  • d.

    het vorderen van identificatie;

  • e.

    de inzage van documenten en toegang tot gegevens;

  • f.

    het betreden van plaatsen, met uitzondering van woningen;

  • g.

    het controleren of de jeugdhulpaanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

  • h.

    het ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

  • i.

    het controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd.

 

  • 5.

    Naast de genoemde kwaliteitseisen, kan de gemeente aanvullende kwaliteitseisen en andere voorschriften vaststellen. De gemeente controleert of deze eisen door aanbieders worden nageleefd.

Hoofdstuk 10. Van oud naar nieuw

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen waarin wordt benoemd welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Ook staat hier dat de gemeente uitvoeringsregels kan vaststellen, en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit nodig is.

Artikel 10.1 Nadere regeling

De gemeente kan nadere regels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Met een nadere regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt.

Artikel 10.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)

De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de ouder(s) en/of jeugdige of voor een ander die direct bij het besluit is betrokken.

Artikel 10.3 Intrekken oude Verordening

De Verordening jeugdhulp 2015 Gemeente Renswoude wordt ingetrokken per de datum dat deze verordening ingaat.

Artikel 10.4 Overgangsrecht

  • 1.

    Toegekende hulp blijft ook na 1 maart 2026 doorlopen. Deze hulp loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die hulp heeft genomen op grond van deze verordening.

  • 2.

    Een aanvraag die een ouder en/of jeugdigen hebben ingediend voor 1 maart 2026 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de bij artikel 10.3 ingetrokken verordening, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

Artikel 10.5 Ingangsdatum en naam

  • 1.

    Deze Verordening treedt in werking op 1 maart 2026.

  • 2.

    Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp 2026 Gemeente Renswoude.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 24 februari 2025 Namens deze,

M. Jansen

Griffier

Bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke hulp

Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouder(s) voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg.

Kinderen van 0 tot 3 jaar

• hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

• ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

• zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op

gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

• hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

• hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

• hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

• zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

• kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

• hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

• hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

• zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouder(s)/verzorger(s);

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

• hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

• kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

• hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

• hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

• hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bijlage 2 Checklist aanvraag Jeugdhulp

afbeelding binnen de regeling