Omgevingsprogramma Landbouw gemeente Noardeast-Fryslân

Geldend van 20-01-2026 t/m heden

Voorwoord

De landbouw is het kloppend hart van gemeente Noardeast-Fryslân. Onze agrarische ondernemers vormen niet alleen een belangrijke economische pijler, maar geven ook kleur aan ons landschap, onze cultuur en de mienskip. In een tijd waarin de sector voor grote uitdagingen staat – van stikstofmaatregelen tot klimaatadaptatie en van energietransitie tot biodiversiteit – is het van essentieel belang dat we samen koers bepalen.

Met het Omgevingsprogramma landbouw geven we als gemeente richting aan die koers. Dit programma is geen eindpunt, maar een vertrekpunt: een uitnodiging tot samenwerking, innovatie en duurzame ontwikkeling. We hebben geluisterd naar onze agrariërs, inwoners, kennisinstellingen en maatschappelijke partners. Hun inzichten en betrokkenheid vormen de basis van dit programma.

De tien thema’s die in dit programma zijn uitgewerkt, laten zien hoe breed en veelzijdig de landbouwopgaven zijn. Van kringlooplandbouw tot mestverwerking, van agrarische nevenactiviteiten tot onderwijs en onderzoek – elk thema draagt bij aan een toekomstbestendige sector waarin economie, ecologie en leefbaarheid hand in hand gaan.

Als gemeente nemen we onze verantwoordelijkheid. We willen niet alleen faciliteren, maar ook verbinden, stimuleren en waar nodig regisseren. Samen met onze agrarische ondernemers en de mienskip bouwen we aan een vitaal platteland waarin ruimte is voor groei, innovatie en natuur.

Ik nodig u van harte uit om dit programma te lezen, mee te denken en mee te doen. Want de toekomst van onze landbouw en gemeente maken we samen: Mei-inoar goed buorkje fanút eigen krêft.

P.L. Braaksma

Wethouder Ferkear, Ynfra, Lânbou en Ekonomy gemeente Noardeast-Fryslân

Samenvatting

De gemeente Noardeast-Fryslân wordt gekenmerkt door een divers agrarisch landschap. De melkveehouderijen, akkerbouw, groenteteelt en gemengde bedrijven zijn een belangrijke economische pijler en identiteit van de gemeente. De landbouw staat voor uitdagende opgaven: zoals de stikstofmaatregelen, eisen op het gebied van een duurzamere productie, energietransitie en strengere milieueisen. De gemeente Noardeast-Fryslân voelt zich sterk verbonden met de agrarische sector en wil haar rol pakken in de gestelde opgaven. Vanuit deze betrokkenheid is het Omgevingsprogramma landbouw opgesteld, waarin maatregelen zijn opgenomen die wij als gemeente nemen of gaan nemen om de landbouwdoelen uit de Omgevingsvisie te realiseren. Ook is het Omgevingsprogramma landbouw een eerste aanzet voor concrete regels in het omgevingsplan.  

In het Omgevingsprogramma landbouw zijn de volgende tien thema’s uitgewerkt.

  • 1.

    Economie en brede welvaart: werkgelegenheid, leefbaarheid, gezondheid, hoogwaardige voedselproductie met een eerlijke prijs voor agrariër en consument. Agrariër en mienskip verbonden; 

  • 2.

    Duurzaamheid en biodiversiteit: meervoudig ruimtegebruik, weide- en akkervogels, natuurlijk landschap, kringlooplandbouw en agrarisch natuurbeheer. Een biodiverse en natuurinclusieve landbouw; 

  • 3.

    Water: verzilting, waterberging, zoetwaterbeschikbaarheid, ecologisch onderhoud en waterkwaliteit. Het duurzaam benutten en behouden van natuurlijke bronnen; 

  • 4.

    Klimaatadaptatie: zilte teelten, bodemgezondheid, ondergrondse zoetwateropslag, natuurlijke bermen en oevers. De basis op orde voor een veerkrachtige en toekomstbestendige landbouw; 

  • 5.

    Innovatie en ontwikkeling: ruimte voor experimenten, kunstmestvervangers, groengas, zilte teelten, precisielandbouw, zoetwateropslag, robuuste rassen/gewassen en kringlooplandbouw. Toekomstbestendige landbouw door vernieuwing en verbetering; 

  • 6.

    Energietransitie: duurzame energieproductie, laadpalen, groengas en batterijopslag. De landbouw als energie hub; 

  • 7.

    Mestverwerking: economisch en ruimtelijk mogelijk maken groengasproductie en mestverwerking. Organische mest als grondstof en kunstmestvervanger; 

  • 8.

    Bedrijfsinrichting: agrologistiek, medewerkershuisvesting, bouwperceelgrootte en schaalgrootte. Balans tussen klein- en grootschalig. Het familiebedrijf als fundament van het landelijk gebied; 

  • 9.

    Agrarische nevenactiviteiten: duurzame energieproductie en recreatie/toerisme. Rendabele economische activiteiten op het boerenerf; 

  • 10.

    Onderwijs en onderzoek: versterken kennis en onderzoek duurzame landbouw en voedsel(productie). Door kennisontwikkeling voorsprong van onze landbouw behouden.

In hoofdstuk 13 is opgesomd welke maatregelen in uitvoering zijn en in de komende periode uitgevoerd worden om de ambities waar te maken. De maatregelen variëren van het uitvoeren van onderzoek naar bijvoorbeeld coöperatieve mono-mestvergisting, tot een pilot voor het herinrichten van bermen en oevers op gemeentegronden om waterberging te creëren en het inzetten op kennisdeling op het gebied van kringloop landbouw en voedselproductie.  

Bij de opstelling van dit programma is uitvoerig geparticipeerd met verschillende belanghebbenden in overeenstemming met het ‘Participatiekader gemeente Noardeast-Fryslân’

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

Landbouw speelt een belangrijke rol in de gemeente Noardeast-Fryslân. Het gebied kent een divers agrarisch landschap, met melkveehouderijen, akkerbouw, groententeelt en gemengde bedrijven als belangrijke economische pijler en identiteit in de gemeente. Tegelijkertijd staat de landbouw onder druk door veranderende maatschappelijke verwachtingen, strengere milieueisen, stikstofproblematiek, klimaatverandering en de transitie naar een duurzamer voedselsysteem. Ook neemt de vraag naar ruimte voor andere functies toe, bijvoorbeeld voor infrastructuur, woningbouw en duurzame energie. Agrariërs, inwoners en beleidsmakers worden hiermee geconfronteerd en staan voor complexe keuzes: hoe houden we onze gemeente leefbaar, economisch rendabel én ecologisch gezond? In dat spanningsveld groeit de behoefte aan concreet en samenhangend beleid voor de toekomst van de landbouw in onze gemeente. 

Daarom stellen we een Omgevingsprogramma landbouw op dat richting geeft aan de ontwikkeling van een toekomstbestendige landbouw. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft in april 2025 ingestemd met de startnotitie, waarna dit Omgevingsprogramma landbouw is opgesteld.

Het Omgevingsprogramma landbouw draagt bij aan een toekomstbestendige landbouw, gezonde leefomgeving, economische vitaliteit en het versterken van de landschappelijke kwaliteit. We zijn namelijk trots op ons aantrekkelijk landelijk gebied en de agrariërs die een belangrijke rol als beheerders van dit landschap vervullen. Met ongeveer 260 veehouderijen en 190 tuin- en akkerbouwbedrijven beslaan de agrarische bedrijven meer dan 70 procent van het oppervlak in onze gemeente.

Afbeelding: Infographic Landbouw landelijk gebied Kleischil Fryslân: Samen werken aan een vitale landbouw

Door tijdig in te spelen op kansen en uitdagingen, kunnen we samen met agrariërs, bewoners en relevante partners bouwen aan een duurzame, toekomstgerichte landbouwsector die bijdraagt aan de leefbaarheid en passend is bij de identiteit van onze gemeente.

1.2 Doel

Het opstellen van het Omgevingsprogramma landbouw is een belangrijke stap om de ambities uit onze Omgevingsvisie daadwerkelijk te realiseren. Dit programma vormt een inhoudelijk en uitvoeringsgericht kader, waarin opgaven, maatregelen en verantwoordelijkheden rond landbouwontwikkeling op een samenhangende manier worden uitgewerkt. 

Het programma beoogt allereerst een samenhangend beeld te schetsen van hoe we de landbouwdoelen uit de Omgevingsvisie willen realiseren. Daarbij geven we duidelijkheid over de invulling van de ontwikkelingsrichtingen voor de landbouw. Dit omvat zowel de toekomst van agrarische bedrijvigheid als de bijdrage van landbouw aan bredere opgaven zoals natuur, klimaat, bodem- en waterkwaliteit en leefbaarheid. 

Daarnaast brengt het programma bestaande beleidsdoelen samen en bundelt deze tot één integraal verhaal. Dat biedt niet alleen overzicht, maar maakt ook sturing en afstemming in de uitvoering mogelijk. Het programma biedt daarmee een basis voor de ruimtelijke onderbouwing van (gebiedsgerichte) ontwikkelingen in de landbouwsector. 

Het omgevingsprogramma geeft ook concreet inzicht in mogelijke maatregelen die bijdragen aan de landbouwtransitie, en in de rol die de gemeente daarbij kan vervullen. Tegelijkertijd wordt zichtbaar welke andere partijen – zoals agrariërs, waterschappen, provincie, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties – betrokken zijn of nodig zijn voor de uitvoering. 

Tot slot vormt het programma een basis voor planmatig werken. Door maatregelen te prioriteren en te koppelen aan beschikbare middelen en uitvoeringskracht, ontstaat er een uitvoerbare en doelgerichte aanpak. Zo werken we stap voor stap aan een vitale, duurzame en gebiedsgerichte landbouwsector binnen onze gemeente.

1.3 Reikweidte

1.3.1 Het instrument programma

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet is een samenvoeging van 26 wetten die gaan over de fysieke leefomgeving. Zo zijn bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, de Wet geurhinder en veehouderij, de Waterwet en de Natuurbeschermingswet opgenomen in de Omgevingswet.  

De Omgevingswet en onderliggende instrumenten gaan over de fysieke leefomgeving (art. 1.2 Omgevingswet). In artikel 1.3 van de Omgevingswet staat het doel van de wet omschreven: 

Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1.

      bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en

  • 2.

    doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. 

Gemeenten kunnen onder de Omgevingswet de drie instrumenten omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan inzetten.   

  • De omgevingsvisie is het grote, lange-termijn plan van de gemeente. De raad heeft onze Omgevingsvisie in 2024 vastgesteld. Daarin staat hoe we de toekomst zien van onze gemeente. 

  • In een omgevingsprogramma staat hoe we uitvoering willen geven aan de ambities en doelen in de omgevingsvisie. Het omgevingsprogramma geeft richting, maar bevat geen locatie specifieke regels. Het Omgevingsprogramma landbouw is een zogenoemd vrijwillig programma. Dit betekent dat de gemeente zelf mag bepalen wat de vorm en inhoud is. Een vrijwillig programma is op initiatief van de gemeente zelf en kan worden ingezet voor beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering/sturing. 

  • De locatie specifieke regels die bindend zijn voor onze ondernemers en inwoners, staan in het omgevingsplan. Daarin staat welke functies er op welke locatie zijn toegestaan en welke regels er gelden, bijvoorbeeld met betrekking tot bouwhoogte van gebouwen en gebruik van een locatie. 

De Omgevingswet en onderliggende instrumenten hebben altijd betrekking op de fysieke leefomgeving. Onderwerpen die wel een relatie hebben met de landbouw, maar niet gaan over de fysieke leefomgeving vallen buiten de reikwijdte van de Omgevingswet en daarmee ook buiten de reikwijdte van het Omgevingsprogramma landbouw. Een voorbeeld hiervan is dierenwelzijn, dat valt onder de Wet Dieren. Daarin zijn onder meer regels opgenomen voor het houden van dieren en regels voor bescherming tegen verwaarlozing en mishandeling van dieren. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van de Wet dieren. 

1.3.2 De inhoud van het programma

Zoals de titel van het programma al aangeeft, gaat dit Omgevingsprogramma over de landbouw in Noardeast-Fryslân. Dit betreft zowel de veehouderij, pluimveehouderij, akkerbouw en groententeelt in onze gemeente. Visserij valt hier niet onder. Daarnaast gaat het ook niet over stoppende agrariërs of over het buitengebied in zijn algemeenheid zoals natuurgebieden en woningen. Er is gekozen voor een duidelijk kader om het omgevingsprogramma concreet te kunnen maken voor de landbouw, hiermee wordt voorkomen dat het omgevingsprogramma verzandt in andere thema’s. Wel wordt er gezocht naar een integrale benadering voor de verschillende opgaven die de landbouw raken.  

Voor het programma is het geldende beleid van Europa, het Rijk, de provincie en het waterschap kaderstellend, waarvan de meeste regels zijn vertaald in de omgevingsverordening van de provincie Fryslân. Tegelijkertijd is er gezocht naar waar we als gemeente mee aan de slag kunnen en beleid voor onze gemeente concreet kunnen maken. Voor onderwerpen als stikstof en PAS-melders zijn het Rijk of de provincie Fryslân bevoegd gezag. 

De onderwerpen die in dit Omgevingsprogramma zijn opgenomen, zijn onderverdeeld in tien thema’s. Deze thema's zijn tot stand gekomen door participatie met de landbouwsector en andere relevante partners. Elk thema is uitgewerkt in drie paragrafen: een paragraaf ‘Waar staan we nu?’ met een omschrijving van de bestaande situatie en regelgeving waar we ons toe moeten verhouden, een paragraaf ‘Waar willen we naartoe?’ met een verkenning en richting waar we als gemeente naar toe willen werken, en een paragraaf ‘Hoe gaan we dat doen?’ met concrete maatregelen hoe we daar willen gaan komen en op welke termijn. Bij de planning wordt onderscheid gemaakt tussen de korte termijn (uitvoering van de maatregel binnen 1-2 jaar), de middellange termijn (uitvoering van de maatregel binnen 2-7 jaar) en de lange termijn (uitvoering van de maatregel na 7 jaar). Doordat er een bestuurlijke keuze is gemaakt om de eerste wijziging van het omgevingsplan voornamelijk beleidsneutraal te laten plaatsvinden, is voor de maatregelen die betrekking hebben op het verwerken in het omgevingsplan een lange termijn opgenomen.  

In dit Omgevingsprogramma zijn de volgende 10 thema’s uitgewerkt:

  • 1.

    Economie en brede welvaart: werkgelegenheid, leefbaarheid, gezondheid, hoogwaardige voedselproductie met een eerlijke prijs voor agrariër en consument. Agrariër en mienskip verbonden; 

  • 2.

    Duurzaamheid en biodiversiteit: meervoudig ruimtegebruik, weide- en akkervogels, natuurlijk landschap, kringlooplandbouw en agrarisch natuurbeheer. Een biodiverse en natuurinclusieve landbouw; 

  • 3.

    Water: verzilting, waterberging, zoetwaterbeschikbaarheid, ecologisch onderhoud en waterkwaliteit. Het duurzaam benutten en behouden van natuurlijke bronnen; 

  • 4.

    Klimaatadaptatie: zilte teelten, bodemgezondheid, ondergrondse zoetwateropslag, natuurlijke bermen en oevers. De basis op orde voor een veerkrachtige en toekomstbestendige landbouw; 

  • 5.

    Innovatie en ontwikkeling: ruimte voor experimenten, kunstmestvervangers, groengas, zilte teelten, precisielandbouw, zoetwateropslag, robuuste rassen/gewassen en kringlooplandbouw. Toekomstbestendige landbouw door vernieuwing en verbetering; 

  • 6.

    Energietransitie: duurzame energieproductie, laadpalen, groengas en batterijopslag. De landbouw als energie hub; 

  • 7.

    Mestverwerking: economisch en ruimtelijk mogelijk maken groengasproductie en mestverwerking. Organische mest als grondstof en kunstmestvervanger; 

  • 8.

    Bedrijfsinrichting: agrologistiek, medewerkershuisvesting, bouwperceelgrootte en schaalgrootte. Balans tussen klein- en grootschalig. Het familiebedrijf als fundament van het landelijk gebied; 

  • 9.

    Agrarische nevenactiviteiten: koel-, verwerking en verpakking, duurzame energieproductie en recreatie/toerisme. Rendabele economische activiteiten op het boerenerf; 

  • 10.

    Onderwijs en onderzoek: versterken kennis en onderzoek duurzame landbouw en voedsel(productie). Door kennisontwikkeling voorsprong van onze landbouw behouden.

Dit Omgevingsprogramma landbouw is een dynamisch document, wat betekent dat het wordt geëvalueerd en aangepast aan de veranderende omstandigheden en inzichten, wanneer dat relevant is. De procedure voor het wijzigen van een programma is dezelfde als voor het vaststellen ervan.

1.4 Relatie met de Omgevingsvisie

De gemeentelijke Omgevingsvisie is de integrale visie voor de fysieke leefomgeving van onze gemeente. Het is daarmee het richtinggevende document voor beleid en projecten van de gemeente. De Omgevingsvisie is op hoofdlijnen. De verdere uitwerking van het beleid en de concrete maatregelen om de doelstellingen uit de Omgevingsvisie te bereiken gebeurt in omgevingsprogramma's.  

De Omgevingsvisie heeft vier kernopgaven:

  • 1.

    Levendige dorpen en stad waar het prettig wonen en leven is; 

  • 2.

    Gezonde en vitale mensen in een gezonde en veilige leefomgeving; 

  • 3.

    Gezonde economische structuur en toeristisch-recreatief aantrekkelijk; 

  • 4.

    Een energieneutrale, klimaatbestendige en biodiverse gemeente.

Deze kernopgaven zijn uitgewerkt voor vijf deelgebieden, waaronder voor het buitengebied. Voor het buitengebied zijn de volgende zes kwaliteiten beschreven:

  • 1.

    Hoogwaardige voedselproductie en hoge kwaliteit van grond ten behoeve van agrarisch gebruik;

  • 2.

    Agrarisch landschap met de vele landschappelijke, cultuurhistorische en biodiverse structuren en elementen; 

  • 3.

    Rust; 

  • 4.

    Ruimte, weidsheid; 

  • 5.

    Beslotenheid; en 

  • 6.

    Verspreide bebouwing: boerenerven, losliggende woningen en kleine buurtschappen.

In dit programma worden de kernopgaven in relatie tot de kwaliteiten verder uitgewerkt aan de hand van tien thema’s. Om tot deze 10 thema’s te komen en daarnaast elk thema uit te werken heeft participatie plaatsgevonden op verschillende manieren (zie hoofdstuk 2). De samenwerkingsprincipes uit de Omgevingsvisie zijn nagestreefd voor de participatie. Daarnaast zoekt het Omgevingsprogramma landbouw in de maatregelen juist ook samenwerking met inwoners, ondernemers, organisaties en medeoverheden.  

Het Omgevingsprogramma landbouw is daarnaast getoetst aan de afwegingsprincipes uit de Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie zijn de volgende afwegingsprincipes beschreven:  

  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 

  • Het plan van de één wordt niet het probleem van de ander, nu en in de toekomst; 

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 

  • Het plan/beleid draagt bij aan een leefomgeving die fitaal, sûn, ûndernimmend, duorsum en oantreklik is; 

  • We bekijken vraagstukken in samenhang (integraal); 

  • We werken gebiedsgericht en durven onderscheid te maken; 

  • Het draagt bij aan een inclusieve samenleving.

Het Omgevingsprogramma landbouw sluit aan bij deze afwegingsprincipes en draagt bij aan de uitwerking van de afwegingsprincipes voor agrarische ontwikkelingen. In het programma staat landbouw centraal, maar wordt er nadrukkelijk gezocht naar de mogelijke raakvlakken met landschap en de kwaliteiten van het buitengebied, combinaties van functies en de leefomgeving, om tot een integraal programma te komen voor de gehele gemeente. Het doel van het omgevingsprogramma is om richting te kunnen geven aan de ontwikkeling van een toekomstbestendige landbouw.  

Het Omgevingsprogramma landbouw sluit logischerwijze ook aan bij de kernopgaven uit de Omgevingsvisie. Zoals eerder beschreven, staat in een omgevingsprogramma hoe we uitvoering willen geven aan de doelen in de Omgevingsvisie. Aangezien dit omgevingsprogramma gericht is op de landbouw, zijn voornamelijk de kernopgaven 2, 3 en 4 relevant en vormen de basis voor dit programma.

1.5 Milieueffectrapportage

Volgens de Europese mer-richtlijn en de Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn) is het verplicht om in bepaalde gevallen een milieueffectrapportage (MER) op te stellen 

De MER-regelgeving is onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. De Europese richtlijnen blijven leidend, waardoor er weinig is veranderd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In artikel 16.36 van de Omgevingswet staat dat er een milieueffectrapport gemaakt moet worden bij een plan of programma dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Beoordeling en conclusie 

Onderzocht is of het Omgevingsprogramma landbouw een kader vormt voor de te nemen besluiten die zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, omdat er in dat geval op grond van artikel 16.36 van de Omgevingswet een mer-plicht geldt. Voor het Omgevingsprogramma landbouw zijn de volgende categorieën relevant:  

  • Categorie A1: Installaties voor intensieve veehouderij; 

  • Categorie L2: Installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen

In het omgevingsprogramma wordt gezocht naar het creëren van ruimte en zoeken naar mogelijkheden voor innovatieve ontwikkelingen. In dit omgevingsprogramma worden echter geen concrete kaders of beleidsregels geboden waarbinnen direct extra mogelijkheden worden gegeven voor het plaatsen van installaties voor intensieve veehouderij (categorie A1). Voor wat betreft categorie L2 kan gedacht worden aan mestvergisting. Ook hiervoor biedt dit programma geen concrete (kaders voor) extra verruiming. Het beleid voor het plaatsen van mono-vergisters blijft van kracht. Wel willen we als gemeente inzetten op onderzoek naar de effecten van en behoefte naar nieuwe ontwikkelingen in de agrarische sector. Dit kan mogelijk leiden tot een verruiming van de kaders, maar op dit moment is dat nog niet het geval. Het Omgevingsprogramma landbouw is dan ook niet (indirect) kaderstellend. Een plan-mer is daarom voor het omgevingsprogramma met betrekking tot beide categorieën niet benodigd.

1.6 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft een samenvatting van het doorlopen participatietraject.  

In de daaropvolgende hoofdstukken staan de tien thema’s van dit Omgevingsprogramma landbouw centraal. Ieder hoofdstuk staat op zichzelf, dat betekent dat er overlap in hoofdstukken kan zijn, vanwege koppelkansen van verschillende thema’s en maatregen.  

De tien thema's zijn:

  • Hoofdstuk 3: Thema 1 Economie en brede welvaart 

  • Hoofdstuk 4: Thema 2 Duurzaamheid en biodiversiteit 

  • Hoofdstuk 5: Thema 3 Water 

  • Hoofdstuk 6: Thema 4 Klimaatadaptatie 

  • Hoofdstuk 7: Thema 5 Innovatie en ontwikkeling 

  • Hoofdstuk 8: Thema 6 Energietransitie 

  • Hoofdstuk 9: Thema 7 Mestverwerking 

  • Hoofdstuk 10: Thema 8 Bedrijfsinrichting 

  • Hoofdstuk 11: Thema 9 Agrarische nevenactiviteiten 

  • Hoofdstuk 12: Thema 10 Onderwijs en onderzoek

Tot slot wordt in hoofdstuk 13 ingegaan op de concrete uitvoering van dit programma.  

In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van het gevoerde participatietraject. Bijlage 2 bevat een lijst met de nevenactiviteiten die op dit moment zijn toegestaan. In bijlage 3 zijn alle maatregelen die op grond van dit Omgevingsprogramma landbouw worden genomen, opgesomd. Daarbij is per maatregel aangegeven bij welk thema de maatregel hoort, wat de rol van de gemeente is en welke planning we hanteren.

2. Participatie

Op 17 februari 2022 hebben we als gemeente het ‘Participatiekader gemeente Noardeast-Fryslân’ vastgesteld. Hierin is beschreven dat participatie wordt toegepast bij alle vier de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Naast de omgevingsvisie en het omgevingsplan is het omgevingsprogramma een van deze instrumenten. Een belangrijk uitgangspunt in het participatiekader voor het ontwikkelen van gemeentelijk beleid, is het tijdig en volledig informeren van belanghebbenden over het onderwerp en de participatie. Daarbij is een belangrijk uitgangspunt dat informatie beschikbaar, bereikbaar, toegankelijk en begrijpelijk is. 

Dit Omgevingsprogramma landbouw is een zogenoemd vrijwillig programma, bedoeld als uitvoeringsbeleid waarin concrete maatregelen zijn opgenomen om doelstellingen voor landbouw op het gebied van de fysieke leefomgeving te bereiken zoals opgenomen in onze Omgevingsvisie. Bij een vrijwillig programma mag het bestuursorgaan dat het omgevingsprogramma vaststelt, zelf bepalen hoe invulling wordt gegeven aan de participatieverplichting. Artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat het bestuursorgaan bij de vaststelling van het programma moet aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. Daarbij moet ook aangegeven worden wat de resultaten van het participatieproces zijn. De wijze van praktische uitvoering van participatie wordt bepaald door de mate van complexiteit en impact van de plannen. 

Aangezien er een uitgebreid voortraject heeft plaatsgevonden over de invulling en inhoud van het programma en de tijdsdruk die is ontstaan door de wens van de raad om in 2025 het programma te behandelen, heeft het college besloten om de ter inzagelegging van het ontwerp te laten vervallen. Door het organiseren van twee inloopbijeenkomsten, diverse werksessies en een op een gesprekken met onder andere provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân voldoet de gemeente aan de richtlijnen van de Omgevingswet. De inloopbijeenkomsten zorgen voor een brede participatie met de mienskip, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen. Ook is de landbouwsector en de raad uitgenodigd voor de inloopbijeenkomsten. Door de gekozen procedure kan het ontwerpprogramma op tijd bij de raad voorgelegd worden. 

We hebben met het Omgevingsprogramma landbouw gestreefd concrete maatregelen op te stellen die aansluiten bij de behoefte uit de praktijk. In de voorbereiding voor dit programma (2021-2025) hebben diverse gesprekken plaatsgevonden met de landbouwsector, relevante belanghebbenden en beleidsmakers van provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en onze gemeente. Daarnaast hebben er een aantal informele gesprekken plaatsgevonden voor het omgevingsprogramma met belanghebbenden zoals agrariërs, overheden, belangenorganisaties, bedrijven en onderzoeksinstituten.  

Deze input vormt naast bestaande beleidstukken de basis voor het Omgevingsprogramma landbouw.  

In 2025 vonden onder andere de volgende participatiemomenten plaats:

  • April/mei 2025: Startnotitie Omgevingsprogramma landbouw besproken met agrarische belangenorganisaties en collectieven; 

  • Mei 2025: Interne ambtelijke besprekingen en werksessies maatregelen omgevingsprogramma; 

  • Juni: Interne ambtelijke terugkoppeling maatregelen opgehaald in werksessies; 

  • Mei/juni/juli/augustus 2025: Verschillende sessies ophalen, bespreken en terugkoppelen input/maatregelen met wethouder landbouw; 

  • 21 mei 2025: Startnotitie en presentatie omgevingsprogramma It Petear raad; 

  • 3 juni 2025: Startnotitie en presentatie Omgevingsprogramma landbouw besproken met wethouder en gedeputeerde landbouw van provincie Fryslân; 

  • 23 juni 2025: Ambtelijke bespreking startnotitie en maatregelen Omgevingsprogramma landbouw met Provincie Fryslân; 

  • 1 juli 2025: Inloopbijeenkomst (brede participatie) in Marrum voor agrariërs, mienskip, ondernemers en relevante belanghebbenden. Deze avond is bezocht door 50-60 mensen; 

  • 8 juli 2025: Inloopbijeenkomst (brede participatie) in Westergeest voor agrariërs, mienskip, ondernemers en relevante belanghebbenden. Deze avond is bezocht door zo’n 50 mensen; 

  • 16 juli 2025: Bestuurlijke en ambtelijke bespreking Startnotitie en maatregelen Omgevingsprogramma landbouw met wethouder en DB-lid van Wetterskip Fryslân; 

  • 13 augustus 2025: Interne ambtelijke bespreking conceptprogramma met de beleidsmedewerkers- en adviseurs RO en vergunningen, onder andere over spuitzonering; 

  • Juli/augustus 2025: terugkoppeling 1e concept Omgevingsprogramma landbouw gemeente intern, landbouwsector, provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en andere belanghebbenden.

In de brede inloopbijeenkomsten op 1 en 8 juli is geparticipeerd over het concept Omgevingsprogramma landbouw en de 10 thema's. Door twee inloopbijeenkomsten in verschillende regio’s te organiseren, is geprobeerd om iedereen een mogelijkheid te bieden om te participeren. In bijlage 1 zijn twee schriftelijke reacties en de opmerkingen per thema opgenomen. Daarnaast zijn de thema’s met bijbehorende maatregelen visueel gemaakt om voor iedereen de informatie toegankelijk en bereikbaar te maken. Uit de al eerder gevoerde gesprekken en bovenstaande participatiemomenten is input zorgvuldig behandeld en indien relevant en toepasbaar verwerkt in dit Omgevingsprogramma landbouw. 

Actuele informatie over het Omgevingsprogramma landbouw is voor eenieder in te zien op onze website via https://www.noardeast-fryslan.nl/landbouw-voeding-visserij.

3. Thema 1 economie en brede welvaart

3.1 Waar staan we nu?

Hoewel Fryslân structureel lager scoort op economische indicatoren zoals inkomen en productiviteit, is de brede welvaart hier hoger dan het Nederlands gemiddelde. Om deze welvaart te behouden, is een vitale economie essentieel. 

De agrarische sector in Noardeast-Fryslân levert een belangrijke bijdrage aan de regionale economie en is van grote waarde voor de brede welvaart in onze gemeente. Maar liefst 1 op de 6 mensen is actief in de agrofoodsector, goed voor 4.125 banen. Dit gaat om de agrariërs zelf en hun personeel, maar ook om de medewerkers in de verwerking, vermeerdering, machinebouw, toelevering en handel van landbouwproducten en medewerkers in de (lokale) dienstverlening zoals loonwerkers, dierenartsen, accountants, vrachtwagenchauffeurs et cetera. De bijdrage van de landbouw aan de economie en werkgelegenheid heeft dan ook een belangrijk aandeel in de leefbaarheid van Noardeast-Fryslân. 

Het is van groot belang onze landbouwsector te behouden en te versterken. Iedere agrariër die stopt, kost bijna drie werknemers in aanverwante sectoren hun baan (Avrotros). Dit verlies aan werkgelegenheid wordt niet makkelijk door andere sectoren in onze gemeente opgevangen. Daarnaast levert de landbouw belangrijke landschappelijke, natuur en groenblauwe diensten en is de sector van groot belang voor onderwijs, onderzoek en innovatie en de leefbaarheid.

Beleid

In onze Omgevingsvisie van mei 2024 wordt de landbouw en agrofood daarom als één van de drie ‘stuwende sectoren’ genoemd. We noemen de landbouw ook wel de “rêchbonke fan ús lokale ekonomy” (de ruggengraat van onze lokale economie) en willen ruimte geven aan landbouw die economisch sterk én duurzaam is.

Ook voor de voedselzekerheid is onze landbouwsector van groot belang. Onze landbouw produceert hoogwaardig, betaalbaar en duurzaam voedsel op zeer efficiënte, innovatieve en hoogproductieve wijze. Dit voedsel blijft niet alleen binnen onze eigen gemeente en Nederland. Onze landbouwproducten zijn ook belangrijk voor de voedselvoorziening in Europa en de wereld.

De druk op de schaarse grond neemt steeds meer toe. Door de vraag naar nieuwe woningen[1], extra waterberging en voor opwekking van duurzame energie is extra ruimte nodig. Ook vraagt de verduurzaming van de landbouw veel extra ruimte. De landbouwsector staat onder druk door de vraag naar een natuurinclusieve, extensieve en duurzame landbouwpraktijk, wat nodig is om de landbouw toekomstbestendig te maken. Hierdoor zal in de meeste gevallen de opbrengst per hectare dalen. Ook is de verwachting dat de veestapel in Nederland zal krimpen en daarnaast zorgen extremere weersomstandigheden vaker voor lagere opbrengsten en zelfs misoogsten. 

Het is daarom belangrijk om landbouwgrond zoveel als mogelijk voor de landbouw te behouden, om de brede welvaart die de landbouw toevoegt te kunnen behouden. Zoals opgenomen in de Omgevingsvisie 2024 en de Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' willen we niet dat voedselarmoede een nieuw maatschappelijk probleem wordt en zijn voedselzekerheid en behoud landbouwgrond belangrijke thema’s.

We zetten ons al in voor korte ketens (agrariër en consument direct verbinden) en onderwijs over gezond, regionaal en duurzaam geproduceerd voedsel. Dit versterkt de bewustwording en het belang van gezondheid in relatie tot gezonde voeding bij onze inwoners. Ook zijn we als gemeente aangesloten bij JOGG (Jongeren Op Gezond Gewicht) van waaruit verschillende acties worden ondernomen om gezondheid te bevorderen. Daarnaast dragen korte ketens bij aan de lokale economie, werkgelegenheid, betaalbaarheid van voedsel en de sociale cohesie in de mienskip. Met andere woorden: brede welvaart.

‘Brede welvaart’ heeft niet alleen betrekking op de toegang tot gezond, voldoende en betaalbaar voedsel, maar ook op een gezonde leefomgeving. We realiseren ons dat in het landelijk gebied bepaalde ontwikkelingen zoals grootschaligheid, medewerkers uit het buitenland en gewasbeschermingsmiddelen die tot zorgen bij inwoners kan leiden. We zetten ons als gemeente dan ook in voor een goede balans tussen economie, ecologie en leefbaarheid.

Het thema gewasbescherming leeft breed. Zorgen van inwoners, impact op woningbouw en een gebrek aan landelijke kaders maken dit tot een complex thema. We merken dat er maatschappelijke onrust en een toenemende polarisatie is. De roep om rijksregie klinkt daarom breed: gemeenten kunnen en willen dit vraagstuk niet alleen dragen. 

De toelating van gewasbeschermingsmiddelen in Europa is geregeld door de Europese Unie (Verordening EU 1107/2009). Op basis hiervan wordt bepaald of een werkzame stof veilig gebruikt kan worden. De verordening is de basis voor regelgeving per EU-lidstaat. De regels in Nederland voor de toelating, de handel en het gebruik zijn vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Middelen in de gangbare- en biologische teelt zijn alleen toegelaten na goedkeuring van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) of SKAL Biocontrole. Gemeenten hebben geen wettelijke verplichting om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen. Wel bestaat er op basis van de Omgevingswet een verantwoordelijkheid voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving.

Uit recente rechterlijke uitspraken blijkt ook dat er een zorgplicht geldt voor het beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen bij nieuwbouw van bijvoorbeeld woningen.

Door deelname van onze gemeente aan het Ambtelijk Netwerk Landelijk Gebied (ANLG) van de VNG wordt er regelmatig gesproken over dit thema. Er is afgesproken dat de VNG werkt aan:

  • Een landelijke kennisbank gewasbescherming (initiatief P10) 

  • Een FAQ voor inwoners (in afstemming met het rijk) 

  • Provinciale afstemming en een landelijke kerngroep 

  • Een brief aan het rijk over de noodzaak van landelijke kaders en het oppakken van de zorgplicht. 

Ook de landbouw zelf streeft al jaren naar een vermindering van de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen. Toch is op dit moment die afhankelijkheid er nog wel. Potentiële misoogsten, acceptabele voedselprijzen en kwaliteitsvereisten in de afzet vereisen beheersing van de ziektedruk. Maar de agrariërs in onze gemeente verstaan de maatschappelijke behoefte goed en werken continu aan veilig voedsel en omgeving voor hun gezinnen, medewerkers en mienskip. Het is goed om te constateren dat de landbouw zelf de ambitie heeft om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen steeds verder terug te dringen.

3.2 Waar willen we naartoe?

We hechten veel waarde aan het behoud en versterken van onze innovatieve en specialistische landbouw zoals de natuurinclusieve landbouw. We streven naar een sterke agrarische sector die bijdraagt aan zowel economische vitaliteit als brede welvaart. Daarbij zetten we in op korte voedselketens, robuuste verdienmodellen en een goede balans tussen voedselproductie, gezondheid, bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit en landschap. 

Zo willen we voedseleducatie en voorlichtingscampagnes stimuleren en lokaal geproduceerde voeding promoten. Dit kan bijvoorbeeld door een uitbreiding van verkooppunten van gezond, lokaal en duurzaam geproduceerd voedsel op het boerenerf of een campagne over het direct kopen bij de boer. Verruiming van de mogelijkheden voor ondergeschikte detailhandel op het boerenerf kan hier een rol in spelen. Daarnaast trekken we actief op met het onderwijs, de landbouwsector en andere relevante partijen om bewustwording te creëren met betrekking tot de link tussen gezond, lokaal en duurzaam geproduceerd voedsel en gezondheid. 

Binnen de gemeentelijke organisatie kopen we zoveel mogelijk lokale producten/voedsel in voor bijvoorbeeld een lunch of andere activiteiten, om zo de lokale landbouw en ondernemers te stimuleren en om als overheid het goede voorbeeld te geven aan onze mienskip. 

De agrariërs met hun producten en werkwijzen willen we een podium en gezicht geven, om de agrariër en consumenten dichter bij elkaar te brengen en de betekenis van de landbouw voor de leefomgeving in beeld te brengen. 

Samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het samenwerkingsverband van de 33 grootste plattelandsgemeenten (P10) pleiten wij ervoor dat het Rijk landelijk beleid ontwikkeld[2] met betrekking tot het thema gewasbescherming. Deze lijn volgen wij als gemeente.  

Dit betekent niet dat we als gemeente verder niets doen. We verbinden, faciliteren en stimuleren waar mogelijk initiatieven om via kennisdeling het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, bedrijfsleven en de mienskip te verminderen. Hierbij werken we nauw samen met andere gemeenten, de VNG en P10. 

Bij het opstellen van het omgevingsplan hebben we aandacht voor agrarisch landgebruik, teelten en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het maken van beleidskeuzes moet echter goed onderbouwd en gebaseerd zijn op de juiste informatie en feiten voordat deze kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan. Het zorgvuldig en integraal afwegen van verschillende belangen is een uitdaging en vraagt de nodige tijd en samenwerking tussen overheden. 

Daarnaast werken we samen met de VNG aan een gemeentelijke handreiking zorgplicht/spuitzonering. Daar zetten we ook in op hoe je de dialoog en gesprekken kan blijven voeren, op een manier waarop gepolariseerde discussies worden voorkomen, maatwerkaanpak mogelijk is en er wederzijds begrip ontstaat.

3.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

4. Thema 2 duurzaamheid en biodiversiteit

4.1 Waar staan we nu?

Door specialisatie, grootschaligheid en verindustrialisering van de landbouw is in de laatste decennia een negatief effect op de ecologie en het landschap ontstaan. Vanuit natuur(herstel) en duurzaamheidsperspectief ligt een grote druk op de agrarische sector om te transformeren naar een meer natuurinclusief landbouwsysteem. Dit betekent in de praktijk onder andere een extensievere vorm van landbouw en vermindering van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest. De economische opbrengst van de landbouwsector maakt investeringen in ecologisch beheer mogelijk, daarom is het essentieel dat de sector voldoende ruimte houdt om rendabel te blijven opereren. 

Grond is van essentieel belang voor de landbouwtransitie, maar de beschikbaarheid van grond, de hoge grondprijzen en de waardedaling van grond met landbouwkundige beperkingen zorgen voor een grote uitdaging. Ook een minder bedrijfseconomisch perspectief voor (jonge) agrariërs en hogere voedselprijzen zijn negatieve effecten van deze trend. Dit raakt niet alleen de landbouw maar ook onze mienskip. Daarom hanteren we in onze gemeente het principe van inbreiding gaat oor uitbreiding, dat wil zeggen nieuwbouw van woningen en bedrijven zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied in plaats van in onbebouwd gebied (aan de rand van stad en dorpen) 

Als gemeente streven we ernaar om onze landbouwsector op een geleidelijke manier te laten transformeren naar een toekomstbestendige en natuurinclusieve sector, waar economie en ecologie in balans zijn en waarbij voldoende kansen zijn voor kleinere familiebedrijven en jonge agrariërs. Dit sluit aan bij onderzoek dat is uitgevoerd door Wageningen Environmental Research, waarin onder andere wordt aanbevolen ambitieniveaus te concretiseren, aan te sluiten bij de praktijk en het bieden van flexibiliteit en maatwerk. 

Agrarisch natuurbeheer wordt door diverse boeren al uitgevoerd als agrarische nevenactiviteit. Uit de landbouwanalyse van Wageningen University & Research volgde dat in het betreffende deelgebied (Oostergo) agrarisch natuurbeheer door ongeveer 40 procent van de agrariërs wordt gedaan. Binnen de gemeente zijn twee grote agrarische collectieven actief, namelijk Waadrâne en de Noardlike Fryske Wâlden. De focus van beide collectieven is gericht op het behoud van natuur, landschap, biodiversiteit en weidevogels. Er zijn daarnaast diverse andere verenigingen actief om samen met agrariërs zich in te zetten voor bescherming van boerenlandvogels, duurzaamheid, biodiversiteit en landschapsbeheer.

Duurzaamheid en biodiversiteit

Duurzaamheid in de landbouw kan vertaald worden naar agrarische activiteiten zo in te richten dat het milieu, water en bodem, biodiversiteit én het welzijn van mens en dier op de lange termijn behouden blijft of zelfs verbetert. Er wordt gestreefd naar een biodiverse en natuurinclusieve landbouw, daarbij kan onder andere gedacht worden aan meervoudig ruimtegebruik, landschapskwaliteit, kringlooplandbouw, korte keten economie, precisietechnologieën en agrarisch natuurbeheer. Duurzaamheid is dus een breed begrip, ook in de landbouw. Aspecten van duurzaamheid komen in verschillende thema’s terug. 

Een belangrijk aandachtspunt bij het begrip ‘biodiversiteit’ is dat het niet alleen draait om zoveel mogelijk soorten, maar gaat over alles wat leeft, hun leefomgeving en hun onderlinge relaties. Daarbij focussen we op gebiedseigen biodiversiteit. Een evenwichtige biodiversiteit zorgt namelijk voor een robuust ecosysteem, wat bijdraagt aan klimaatadaptatie, bestuiving en natuurlijke plaagbestrijding.

Beleid

Vanuit de Europese Unie (EU) is de Natuurherstelwet, officieel de Europese Natuurherstelverordening (NHV), in werking getreden. Dit is een bindende wet die lidstaten van de (EU) verplicht maatregelen te nemen om verdere achteruitgang van ecosystemen te voorkomen en aangetaste ecosystemen te herstellen. De wet streeft naar herstel en stelt doelen voor 2030, 2040 en 2050 om de biodiversiteit en natuur te herstellen. Onder de Natuurherstelwet valt ook het herstel van landbouwecosystemen. Het Rijk is verantwoordelijk om voor september 2026 een herstelplan in te dienen, dit plan zal dan ook impact hebben op de ontwikkelingen in de landbouwsector.

Het nationale beleid zet in op een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied, waarbij wordt gezocht naar een balans tussen het landgebruik en de kwaliteit van landschap, water en bodem en natuur. Het uitgangspunt is een duurzaam en vitale landbouw gebaseerd op korte kringlopen en natuurinclusiviteit.

In de Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' (januari 2025 vastgesteld) van de provincie Fryslân wordt aandacht besteed aan de toekomst van de landbouw. Daarbij wordt de term ‘boerdiversiteit’ gebruikt als streven, waarbij gestuurd wordt naar een verscheidenheid aan bedrijfstypen en bedrijfsvoeringen. Onderdeel daarvan is dat de provincie zich wil inzetten voor aantrekkelijke vergoedingen voor natuurbeheer en natuurdoelen, de agrariër als natuurbeheerder kan dan rekenen op een structurele bijdrage voor de lange termijn. De provincie wil voortbouwen op positieve resultaten voor de agrariër en biodiversiteit en daarbij ook ruimte bieden voor experimenteermogelijkheden. Een belangrijke stap is het toetsen van beleidsinstrumenten op hun natuurinclusieve bijdrage. 

In juli 2025 is de Uitvoeringsagenda landbouw 2025-2030 vastgesteld. Deze agenda is de praktische vertaling van de Beleidsbrief Landbouw 2025-2030 en bevat concrete acties, prioriteiten en financiële kaders om de Friese landbouwsector te versterken en toekomstbestendig te maken. Biodiversiteit krijgt aandacht door boeren te ondersteunen als natuurbeheerders en de agrobiodiversiteit te bevorderen, bijvoorbeeld met Friese (vee-)rassen en gewassen.

In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025) worden provinciale kaders beschreven voor de landbouw. Voor ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan ambities zoals biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking kan worden meegewerkt aan een groter bouwvlak (artikel 2.20 lid 3). Daarnaast dient het gebruik en de bebouwing van een nevenactiviteit ondergeschikt te blijven aan de agrarische activiteiten en te passen in de landelijke omgeving.

In afdeling 5.9 van de Omgevingsverordening is een artikel opgenomen over de verwijderingsplicht om Akkerdistel, Speerdistel en Jakobskruiskruid te beheersen en zo het risico te beperken dat deze planten door landbouwhuisdieren worden gegeten of in veevoer terecht komen. We vinden het belangrijk dat zowel landbouw, mienskip, overheden als ook terreinbeherende organisaties (TBO's) zich aan deze verwijderingsplicht houden.

In onze Omgevingsvisie en diverse beleidstukken verwijzen we vaak naar de agrariërs als de beheerders van het landschap. Zij spelen een belangrijke rol in het behouden van landschappelijke kenmerken en kwaliteiten in ons landelijke gebied. Duurzaamheid en biodiversiteit zijn belangrijke onderwerpen in de kernopgaven van de Omgevingsvisie om het aantrekkelijke landschap met de natuurkwaliteiten te behouden en ontwikkelen. Duurzaamheid wordt uitgedrukt in circulair omgaan met grond- en afvalstoffen. De samenhang tussen natuur en landschap is onmisbaar en het beschermen van biodiversiteit is noodzakelijk. We werken daarom samen met organisaties en agrariërs voor agrarisch natuurbeheer en het aanleggen van landschapselementen. Een gevarieerd landschap draagt bij aan biodiversiteitsherstel en daarmee aan het in stand houden van ecosystemen en aan een aantrekkelijk buitengebied. Dit is beschreven in de Landschapsbiografie van Noardeast-Fryslân.

We zijn voorstander van meervoudig ruimtegebruik (dit is een afwegingsprincipe in onze Omgevingsvisie), daarbij zijn er koppelkansen mogelijk tussen economie, landschap, biodiversiteit en duurzaamheid. Momenteel zetten we ons al actief in voor natuurlijk berm- en oeverbeheer. Een belangrijk aandachtspunt bij natuurherstel is wel dat gebieden en gronden niet als (juridische) natuur gekenmerkt mogen worden om de agrarische en andere economische activiteiten en mienskip niet te beperken.

Voor biodiversiteit hebben we al in 2021 een biodiversiteitsplan opgesteld. Hierin worden de status en kansen voor landschap en biodiversiteit beschreven, in het biodiversiteitsplan beschrijven we waar we op willen inzetten, uitgewerkt in praktische maatregelen.

Daarnaast beschikken we vanaf november 2021 over een groenstructuurplan. In dit plan is de gewenste en te behouden groenstructuur in onze gemeente beschreven. Er wordt voor het buitengebied onderscheid gemaakt in de kwelderwallen, kweldervlaktes, zeekleipolders en veengebied/woudontginning. Hierbij ligt de nadruk op het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteiten, zoals openheid, reliëf, beplanting en waterstructuren. We streven naar een samenhangende groenstructuur die de biodiversiteit bevordert, recreatie ondersteund en de identiteit van het landschap versterkt. In het Groenstructuurplan zijn concrete maatregelen opgenomen om deze samenhangende groene structuur te bereiken, zoals het vervangen van homogene planten door heterogene planten.

4.2 Waar willen we naartoe?

We willen in het buitengebied ruimte geven aan de landbouw. Tegelijkertijd weten we dat monocultuur en een intensieve wijze van grondbewerking op de langere termijn niet houdbaar zijn. Voor een duurzame biodiverse toekomst van de landbouw zien we verschillende richtingen:

Beheer van bermen en oevers

Voor het klimaatrobuust maken van het oppervlakte watersysteem focussen we vooral op onze eigen gemeentelijke gronden en bermen. Het doel van het herinrichten van bermen, oevers en overhoeken is om bij te dragen aan het oplossen van problematiek rondom bodemdaling, zoetwaterbeschikbaarheid, verzilting, klimaatverandering, kringlooplandbouw, waterkwaliteit, groenblauwe dooradering en biodiversiteit. Daarnaast investeren we in het ecologisch beheer van de bermen en oevers op basis van het Biodiversiteitsplan en het investeren in doelmatig en ecologisch onderhoudsmaterieel. Door onderhoudsmedewerkers op te leiden, met bijvoorbeeld kleurkeur groen/blauw (keurmerk van st. Groenkeur en Vlinderstichting), kan een aanzienlijke stap gezet worden richting een optimaal ecologisch onderhoud van gemeentelijke bermen, watergangen en andere terreinen. Tot slot laten we als gemeente zien zelf verantwoordelijkheid te nemen en bij te dragen aan het behouden van landbouwgrond voor de voedselproductie. Er wordt samenwerking gezocht met agrariërs bij het inrichten en onderhouden van deze gronden, ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit zijn daarbij randvoorwaarden.

Meervoudig ruimtegebruik of herinrichting

Het ruimtegebruik in de gemeente staat onder druk door verschillende ruimteclaims van partijen buiten de landbouw. Terwijl de landbouw moet extensiveren, waarvoor meer grond nodig is. We zoeken daarom naar mogelijkheden en streven naar meervoudig ruimtegebruik of herinrichting van overheidsgronden. We stimuleren natuurinclusieve landbouw, dit draagt onder andere bij aan een gevarieerd landschap en biodiversiteit. Echter mag dit niet ten koste gaan van agrarische bedrijfsactiviteiten, zoals overlast van distels, Jacobskruiskruid en invasieve exoten die als gevolg hebben dat meer gewasbeschermingsmiddelen moeten worden gebruikt. 

We blijven de verspreiding van invasieve exoten tegengaan, omdat zij vaak de van nature in Nederland voorkomende soorten verdringen en daarmee een bedreiging zijn voor de biodiversiteit. Dit gaat bijvoorbeeld om de volgende planten en dieren: Reuzenberenklauw, Japanse duizendknoop, Watercrasulla, Grote kroosvaren, Grote waternavel en Waterteunisbloem. 

Samen met Wetterskip Fryslân en provincie Fryslân wordt gezocht naar mogelijkheden voor een groenblauwe dooradering van waterwegen en overheidsgronden. Voor duurzaamheid en landbouw is schaalvergroting en intensivering niet altijd de oplossing. We hebben als gemeente hierin een regulerende en faciliterende rol, waarbij we zorgvuldig toetsen of een ontwikkeling in (meervoudig) landgebruik gewenst en mogelijk is.

We willen geen binnendijkse natuurontwikkeling omdat dit beperkingen oplevert voor agrarisch gebruik, recreatie & toerisme en mienskip. We willen de agrarische bestemming voor Noard Fryslân Bûtendyks behouden en zijn tegen ontpoldering van de zomerpolders, omdat dit gebied cultuurhistorisch en landschappelijk belangrijk is en een grote sociaaleconomische bijdrage levert. Ook levert dit gebied een belangrijke bijdrage aan waterveiligheid (groot voorland primaire zeewering), het tegengaan van verzilting en klimaatadaptatie (vastlegging CO2 en buffer tegen zeespiegelstijging). Daarnaast is Noard Fryslân Bûtendyks één van de grootste akker- en weidevogelbroedgebieden in Fryslân waar ook een aantal rode lijst soorten voorkomen (soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen).

Noard Fryslân Bûtendyks bestaat uit ongeveer 2.800 hectare zomerpolders en kwelders die extensief beheerd worden. De zomerpolders zijn een belangrijke buffer tegen verzilting van binnendijkse landbouwgronden en een gewenste zoet/zout overgang. Meer dan 40 agrariërs uit onze gemeente zijn bedrijfseconomisch, afhankelijk van de agrarische bestemming op deze buitendijkse gronden. Daarnaast maakt het buitendijkse gebied mogelijk dat veehouders binnendijks grond kunnen ruilen met akkerbouwers. Dit is voor akkerbouwers belangrijk om hun gewasrotatie te extensiveren richting een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering.

In het kader van het dijkversterkingsproject wordt er door Wetterskip Fryslân gekeken naar het realiseren van een zogenoemde groene dijkvariant op het traject Koehool-Lauwersmeer. Eén van de ideeën is het verkwelderen/ontpolderen (afgraven) van de buitendijkse zomerpolders in Noard Fryslân Bûtendyks[3] en minimaal 30 hectare binnendijkse natuurcompensatie op landbouwgrond vanwege het buitendijkse ruimtebeslag van een brede groene dijk in Natura2000-gebied[4]. Om de hierboven genoemde redenen zijn we als gemeente tegen deze plannen.

Ruimte bieden aan innovatie en experimenteren

De landbouw in de gemeente Noardeast-Fryslân is een hoogtechnologische en innovatieve sector. We willen daarom ruimte bieden aan ontwikkelingen en experimenten naar een duurzame en natuurinclusieve landbouw gericht op voedselproductie. Initiatieven met een ecologische meerwaarde zijn gewenst. Daarbij kan gedacht worden aan voortzetting en uitbreiding van onderzoeken naar de compostering van bermgras en hekkelspecie bij de boer. Daarnaast nemen we als gemeente onder andere deel aan het project 'Landschapselementen met waarde' samen met een consortium van onder andere provincie Fryslân en hogeschool Van Hall Larenstein. We willen op gemeentelijke gronden extra waterberging combineren met biodiversiteitsherstel, bovendien hopen we met deze voortrekkersrol agrariërs in de gemeente te inspireren om hetzelfde te doen. Het project is gericht op het delen van kennis en ervaringen, het adviseren en het reflecteren op uitkomsten. Daarbij wordt duidelijk wat de belemmeringen zijn en kunnen we kijken hoe deze opgelost kunnen worden. Doel is om een bijdrage te leveren aan de waterkwaliteit (KRW2027), klimaatadaptatie, waterberging, waterbeschikbaarheid en biodiversiteit.

In het algemeen willen we als gemeente relevante partijen en kennis samenbrengen om een bijdrage te leveren aan een toekomstbestendige landbouw waarbij economie en ecologie in balans zijn. In 2024 hebben we al een kennistafel landbouw georganiseerd over samenwerking tussen akkerbouw en veehouderij. We zien onze rol als faciliterend, we stimuleren innovatie en samenwerking om koppelkansen te benutten. Een aandachtspunt is dat er momenteel vooral vanuit belangen en standpunten wordt geredeneerd, het is wenselijk om vanuit gedeelde waarden te kijken en oplossingen te zoeken. Vanuit bestuurlijk oogpunt sturen we voornamelijk op mogelijkheden om het verlies van landbouwgrond te beperken. Daarbij krijgt landbouw en voedselproductie prioriteit bij verschillende opgaven, met name projecten die bijdragen aan toekomstbestendige landbouw worden gestimuleerd. 

4.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

5. Thema 3 water

5.1 Waar staan we nu?

Zoetwater is cruciaal voor de groei van gezonde gewassen, het drenken van vee en een gezond bodemsysteem. Het duurzaam benutten en behouden van natuurlijke bronnen is daarom ons doel. Voldoende en kwalitatief schoon zoet water is essentieel voor gebieden die te kampen hebben met droogte en verzilting, om een optimaal water-bodemsysteem in stand te houden of te herstellen.

Beleid

De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht werd. De doelstellingen van de KRW ondersteunen het realiseren en behouden van schoon en gezond oppervlaktewater en grondwater. De Europese lidstaten hebben gezamenlijk afgesproken dat de waterkwaliteit uiterlijk in 2027 aan Europees vastgestelde normen moet voldoen.

Sinds 1 januari 2024 is de landelijke Omgevingswet van kracht en hierin vindt de Kaderrichtlijn Water doorwerking. De Omgevingswet zorgt voor een meer integrale benadering van waterbeheer, waarbij de regels voor wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling zijn geïntegreerd in het omgevingsdomein[5]

Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in chemische en ecologische waterkwaliteit). 

Dit resulteert in twee drietrapsstrategieën:

  • Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren) 

  • Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) 

De trits voor waterkwantiteit betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Als vasthouden niet mogelijk is, wordt neerslag geborgen in het oppervlaktewater en mocht het watersysteem vol raken, dan wordt het overtollige water afgevoerd. De trits voor waterkwaliteit houdt in dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van verontreinigingen. Als schoonhouden niet mogelijk is, worden schone en vervuilende bronnen gescheiden en het vervuilde stedelijk afvalwater wordt gezuiverd.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) beschrijft de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving. In de NOVI staat dat functies in de leefomgeving beter afgestemd moeten worden op het bodem-watersysteem, voor een toekomstbestendige inrichting van de leefomgeving. 

De nationale belangen en opgaven vanuit de NOVI die op het thema water van toepassing zijn, zijn:

  • Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) 

  • Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater

Het landelijke Deltaprogramma 2025 rapporteert jaarlijks over nieuwe inzichten en vooruitgang. 

In het Deltafonds zit geld van het Rijk om de komende jaren maatregelen vanuit het Deltaprogramma te behalen, zoals:

  • prioriteit geven aan toekomstbestendig agrarisch landgebruik dat ook bijdraagt aan de water- en bodemopgaven. Zet de sectorale financiële middelen in samenhang in. 

  • Waterberging bij overschot aan water, om te gebruiken bij tekort aan water. 

Het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) is een breed samenwerkingsverband van LTO (Land- en Tuinbouw Organisatie), Unie van Waterschappen, ministeries van Infrastructuur & Waterstaat en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur en het IPO (Interprovinciaal Overleg) namens de provincies, ondersteund door RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) en het Kadaster. Het richt zich op verbeteren van bodem en waterbeheer door samenwerking in (pilot)projecten met kennis, advies, maatregelen, financiering en aandacht. De nadruk ligt op bodembeheer, verdroging en vernatting, gewasbescherming en nutriëntenbenutting. 

Hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025) gaat over water. Het gaat in op waterkwantiteit, waterbeheerprogramma, aanleg en beheer van waterstaatswerken, peilbesluiten en grondwater.

Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 (RWP) is op 30 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. Hierin is het beleid voor waterbeheer vastgelegd voor de planperiode. Het is uitgewerkt in programma’s waarin de provincie samenwerkt met Wetterskip Fryslân, Friese gemeenten en Vitens.

In de Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' (januari 2025 vastgesteld) geeft de provincie aan dat voldoende water van een goede kwaliteit van essentieel belang is voor het landbouw- en voedselsysteem van Fryslân. En dat voor de grondgebonden landbouw een goede bodemkwaliteit van groot belang is.

De provincie Fryslân werkt samen met de provincies Noord-Holland en Groningen in het meerjarig investeringsprogramma Investeringskader Waddengebied (IKW). Doel is een bijdrage leveren aan de duurzame economische en ecologische versterking van het Waddengebied, waaronder versneld op gang brengen van transitie naar duurzame landbouw. 

In onze Omgevingsvisie is het water- en bodemsysteem sturend in de keuze van inrichting en het gebruik van de ruimte. Zoetwaterbeschikbaarheid is cruciaal voor landbouw, natuur en drinkwatervoorziening. Het is daarom van belang deze beschikbaarheid te waarborgen in tijden van droogte en verzilting. Vooral in de kustgebieden neemt de druk op zoetwater toe door verzilting en bodemdaling. Dit heeft gevolgen voor de landbouw en natuur.

Waterschappen

Waterschappen geven uitvoering aan het provinciaal opgestelde Regionaal Waterprogramma (RWP). In onze gemeente wordt het water beheerd door twee waterschappen: Wetterskip Fryslân (grootste deel van de gemeente) en Waterschap Noorderzijlvest (nabij Lauwersmeer). Het drinkwater wordt in de gehele gemeente geleverd door Vitens.

Wetterskip Fryslân heeft samen met de provincie voor het Friese watersysteem een Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) opgesteld, deze heet Fryslân Klimaatbestendig 2050 +. Die visie geeft invulling aan wat het betekent als de ondergrond (het water en bodemsysteem), een leidende rol speelt in de keuze bij inrichting en het gebruik van de ruimte. Samenwerking is belangrijk om de visie te realiseren. De concrete acties zullen de komende jaren en decennia samen met de mienskip worden uitgewerkt in uitvoeringsplannen en gebiedsplannen, in de verschillende delen van Fryslân.

In de waterbeheerprogramma’s beschrijven Wetterskip Fryslân en Waterschap Noorderzijlvest doelen, maatregelen, (gebiedsgerichte) samenwerking, financiën en planning voor het waterbeheer voor een periode van vier tot zes jaar. Belangrijke maatregelen zijn gericht op klimaatadaptatie, waterberging, vasthouden van zoet water, duurzaam waterbeheer, veiligheid, schoon water en samenwerking.

In de Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân (in werking vanaf 6 september 2024) en Waterschapsverordening Noorderzijlvest (in werking vanaf 23 mei 2025) zijn regels opgenomen over lozingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten en in de bodem brengen van water en beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk.

5.2 Waar willen we naartoe?

Voor de landbouw is het duurzaam benutten en behouden van natuurlijke bronnen van belang. Bodemdaling, zoetwaterbeschikbaarheid, verzilting, klimaatverandering, waterkwaliteit en biodiversiteit zijn belangrijke opgaven binnen onze gemeente.  

Dit betekent dat ons oppervlakte watersysteem klimaatrobuust zal moeten worden gemaakt. Vanuit de gemeente is in het kader van gebiedsontwikkeling Dongeradielen het idee ontstaan om overheidsgronden (bermen en overhoeken) hiervoor in te zetten. Naast een bijdrage aan waterberging, zoetwaterbeschikbaarheid en biodiversiteit draagt deze maatregel ook bij aan behoud van schaarse landbouwgronden voor voedselproductie. Anderzijds laat de gemeente hiermee zien ook zelf verantwoordelijkheid te nemen. 

Voldoende zoetwater is nodig voor een waterafhankelijke sector als de landbouw, maar ook voor natuur en biodiversiteit. In gebiedsproces Dongeradielen (bodemdaling) is de kernopgave het zoeken naar extra waterbergingsmogelijkheden. Als gemeente zien we ondergrondse zoetwateropslag als een kansrijke techniek die we willen stimuleren en onderzoeken. Door het afvangen van regenwater uit drainagesystemen in natte periodes, dit water te filteren en ondergronds op te slaan, kan een aanzienlijke waterberging worden gecreëerd. Afvang van drainagewater draagt bij aan het verkleinen van piekafvoer op het oppervlakte watersysteem en de waterkwaliteit. Daarnaast biedt deze ondergrondse zoetwatervoorraad kansen voor het beregenen van (poot)aardappelen en andere gewassen in drogere periodes. Door een betere en stabielere waterhuishouding profiteert ook de vochthuishouding in de bodem en de biodiversiteit. We willen meewerken aan een pilot waarbij we met agrariërs en ketenpartners praktijkkennis opdoen met het afvangen van regenwater, dit filteren en infiltreren in de ondergrond en terugwinnen voor irrigatie. 

Tegenwoordig zijn boerenerven over het algemeen arm aan biodiversiteit en vaak industrieel ingericht. Door het (her)inrichten van boerenerven tot zogenaamde zoetwatererven gaan deze erven functioneren als bron voor biodiversiteit, waterberging en natuurlijke plaagbestrijders. Dit kan door meer beplanting en ruimte om regenwater te bergen. Daarnaast wordt de landschappelijke kwaliteit verbetert. We willen onderzoek naar het herinrichten van boerenerven stimuleren. Deze erven, die samen een regionaal netwerk vormen, kunnen een bijdrage leveren in de strijd tegen verzilting en verdroging. Doel van het onderzoek is een inventarisatie te maken van (on)mogelijkheden (wat, hoe en waar) met betrekking tot een netwerk van zogenoemde zoetwater boerenerven. 

Om het water-bodemsysteem te verbeteren, willen we als gemeente toegepast onderzoek naar circulaire landbouw stimuleren en zullen we kennistafels en bijeenkomsten ter bevordering van de bodemgezondheid organiseren en faciliteren. Met name bij kringlooplandbouw staat het bodemleven centraal. Een agrariër faciliteert daarbij de natuurlijke processen zodanig dat de natuur zijn werk kan doen waardoor een optimale bodemgezondheid ontstaat. Een gezonde bodem betekent een beter water bufferende capaciteit en minder gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. Het overstappen van gangbare naar kringlooplandbouw gaat gepaard met veel onzekerheden en vereist kennis en tijd om dit tot een succes te brengen. 

Waar we als gemeente het initiatief nemen om waar mogelijk onze bermen, oevers en overhoeken natuurlijker in te richten, meer biodiversiteit, waterberging, betere waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit te creëren, liggen er wellicht ook mogelijkheden bij de landbouw. In het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW2027) is het voor de landbouw van belang om uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen richting het oppervlaktewater te voorkomen. Door de (on)mogelijkheden te onderzoeken hoe oevers langs landbouwpercelen anders ingericht kunnen worden, zijn er wellicht mogelijkheden die bijdragen aan een toekomstbestendige landbouw, voldoen aan de KRW-richtlijnen en andere opgaven, zoals versterking van biodiversiteit. We zullen onderzoek naar inrichting van oevers langs landbouwpercelen actief stimuleren en faciliteren.

5.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

6. Thema 4 klimaatadaptatie

6.1 Waar staan we nu?

Klimaatadaptatie betekent het aanpassen aan de effecten van klimaatverandering. Klimaatverandering beïnvloedt de leefomgeving op verschillende manieren. Bij dieren kunnen extreme weeromstandigheden zorgen voor hittestress, terwijl droogte en vernatting een negatief effect op gewassen kunnen hebben. Extremer weer in combinatie met bodemdaling leidt tot verzilting van bodem en water. Hieruit volgt dat zonder klimaatadaptatie, klimaatverandering kan zorgen voor lagere opbrengsten, verminderde voedselkwaliteit of zelfs misoogsten. Al met al heeft klimaatverandering een grote impact op de voedselproductie.

Beleid

In de Nationale omgevingsvisie (NOVI) zet het Rijk in op ruimte voor onder andere klimaatadaptatie, door een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Dit gebeurt met de volgende beleidsuitgangspunten:

  • In het landelijk gebied verbeteren we de balans tussen het landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. 

  • De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kapitaal duurzaam benut. 

  • Er wordt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk gemaakt, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit. 

  • Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschaps-inclusief.

 In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025) kan worden meegewerkt aan een groter bouwvlak, mits de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking (art. 2.20 Agrarische en aanverwante bedrijfsfuncties). 

In de in januari 2025 vastgestelde Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' geeft de provincie aan dat zij wil innoveren in klimaatadaptatie. Daarbij wordt er gericht op kennis en innovatie. Op basis van de Landbouwbeleidsbrief is een Uitvoeringsagenda landbouw 2025-2030 opgesteld, met daarin een uitwerking van de ambities uit de beleidsbrief.

Wetterskip Fryslân heeft een Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) opgesteld voor het Friese watersysteem, samen met de Provincie Fryslân heeft Wetterskip Fryslân dit vertaald in Fryslân Klimaatbestendig 2050 +. Die visie geeft invulling aan wat het betekent als de ondergrond (het water en bodemsysteem), een leidende rol speelt in de keuze bij inrichting en het gebruik van de ruimte. Samenwerking is belangrijk om de visie te realiseren. De concrete acties zullen de komende jaren en decennia samen met de mienskip worden uitgewerkt in uitvoeringsplannen en gebiedsplannen, in de verschillende delen van Fryslân.

In onze Omgevingsvisie is het doel opgenomen om in 2050 een energieneutrale, klimaatbestendige en biodiverse gemeente te zijn. Ook stellen we dat de voedselproductie niet in gevaar mag komen, betaalbaar en voldoende veilig voedsel is een eerste levensbehoefte. Duurzaamheid, klimaatadaptatie en voedselzekerheid moeten hand in hand gaan. Voor complexe en urgente onderwerpen, zoals klimaatadaptatie, werken we samen met andere overheden in onder andere De Friese Aanpak.

In het buitengebied zorgen we met Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest en provincie Fryslân voor voldoende zoetwater voor een hoogwaardige landbouw in onze gemeente. Vooral in de verziltingsgevoelige noordelijke kleischil is dit van belang. Het behoud van een goed watersysteem gaat ook verzilting tegen, daarom worden opvaarten en het bestaande slotenpatroon gerevitaliseerd. Behoud van landschappelijke kwaliteiten is hierbij een belangrijk uitgangspunt. En om overstromingen in de laagstgelegen gebieden te voorkomen, wordt water in de omliggende gebieden beter en langer vastgehouden.

We zijn bezig met het opstellen van een Omgevingsprogramma klimaatadaptatie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het doel om in 2050 klimaatbestendig te zijn. In dit programma nemen we maatregelen op die nodig zijn om de negatieve effecten van klimaatverandering voor de landbouw in onze gemeente zoveel mogelijk te beperken of te voorkomen. Dit programma wordt naar verwachting in 2026 vastgesteld.

6.2 Waar willen we naartoe?

Voor een toekomstbestendige landbouw en klimaatadaptatie zetten we specifiek in op de volgende richtingen:

Zilte teelten 

De provincie is van start gegaan met een kenniscluster (Salta) rond verzilting en zoetwatervoorziening van de Nederlandse kust. We zijn als gemeente aangesloten bij Salta. Ook andere overheden, LTO Noord, bedrijfsleven en kennisinstellingen zijn betrokken. Het gaat hierbij om kennisontwikkeling, kennisdeling en toepassing. 

De buitendijkse gronden in Noard Fryslân Bûtendyks bieden naast het agrarische belang en bijdrage aan biodiversiteit, waterveiligheid en klimaatadaptatie een unieke mogelijkheid als proefomgeving voor verzilting en alternatieve zilte teelten, waardoor geen binnendijkse gronden ‘kunstmatig’ verzilt hoeven te worden om onderzoek te doen. De buitendijkse gronden hebben van nature de juiste omstandigheden om rassen en gewassen te onderzoeken en te testen op resistentie tegen verzilting en waterschaarste. Verzilting van bodem en water is een opgave voor een groot deel van de landbouw in onze gemeente. Op dit moment wordt door agrariërs en Van Hall Larenstein op kleine schaal onderzoek gedaan naar het zoeken van robuuste rassen en gewassen (aardappelen, bieten en granen) die beter bestand zijn tegen verzilting en droogte. Deze rassen worden door akkerbouwers binnendijks geteeld.

Bodemkwaliteit

Een goede bodemkwaliteit is bij iedere vorm van landbouw van groot belang. Bij kringlooplandbouw is hier extra aandacht voor. Een agrariër faciliteert daarbij de natuurlijke processen zodanig dat de natuur zijn werk kan doen waardoor een optimale bodemgezondheid ontstaat. Een gezonde bodem betekent een betere waterbufferende capaciteit en minder gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. Met als gevolg dat mineralen beter benut worden, vochtvoorziening beter op orde is, verdichting wordt tegengegaan, de biodiversiteit in de bodem wordt verbeterd, (zoet) water wordt vastgehouden, verlies aan mineralen wordt beperkt en een hogere opbrengst wordt gegenereerd. Daarnaast draagt een goede bodemkwaliteit bij aan het vastleggen van koolstof, beperken van het verlies van stikstofverbindingen en het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Het overstappen van gangbare naar circulaire/kringlooplandbouw gaat gepaard met veel onzekerheden en vereist kennis en tijd om dit tot een succes te brengen. 

We willen onderzoek stimuleren hoe we lokale circulaire en kringloop landbouw kunnen verbeteren door middel van samenwerking tussen akkerbouwers en veehouders. We willen kennis hierover toegankelijker maken door het organiseren en faciliteren van kennistafels en bijeenkomsten ter bevordering van de bodemgezondheid en agrariërs verbinden en ondersteunen bij samenwerking.

(Ondergrondse) zoetwateropslag 

Naast waterberging in het oppervlaktewatersysteem, kan ondergrondse zoetwateropslag in potentie een aanzienlijke bijdrage leveren aan het vergroten van de waterberging. Voordeel van ondergrondse wateropslag ten opzichte van bovengrondse bassins is dat het de landschapskwaliteit niet aantast. 

Ondergrondse zoetwateropslag biedt een bijdrage aan klimaatadaptatie door het overschot aan regenwater dat in natte perioden op landbouwpercelen valt, via een gecontroleerd drainagesysteem af te vangen, te zuiveren en op te slaan in een diepliggend zandpakket op ca. 10m tot 50m diepte. Het water kan tijdens droge periodes in het groeiseizoen weer worden gebruikt, waardoor de beschikbaarheid van zoetwater in het gebied toeneemt, verdroging wordt tegengegaan en de druk op het oppervlaktewatersysteem afneemt. Ook kan beter gestuurd worden op waterkwaliteit. Bovendien helpt het ondergronds opslaan van water om de grondwaterstanden te stabiliseren wat verdere bodemdaling en verzilting kan verminderen. 

Doordat bij gecontroleerde drainage en boven- en/of ondergrondse wateropslag het overgrote deel van het regenwater wordt opgevangen en opgeslagen, kunnen afvoerpieken worden verminderd tot slechts 15% van de pieken die optreden zonder dit systeem. Dat betekent dat het oppervlaktewatersysteem veel minder belast wordt bij een piekafvoer. 

Wanneer op een oppervlakte van 20 hectare 300 mm per jaar wordt afgevangen, resulteert dit in een opvangcapaciteit van 60.000 m3. De verwachting is dat tussen de 50 en 80 procent van het zoete water in droge perioden teruggewonnen kan worden. 

Door het opvangen van perceeleigen water, zuivering en ondergrondse opslag ontstaat een kringloop. De opslag vindt plaats in de diepe ondergrond waardoor het ruimtebeslag beperkt is, de landschapskwaliteit behouden blijft en geen kostbare landbouwgrond verloren gaat aan waterberging. Het biedt de mogelijkheid om op verschillende manieren te beregenen, bijvoorbeeld zuinige technieken als druppelirrigatie en sub-irrigatie. Daarnaast kan ondergrondse wateropslag leiden tot het verlagen van risico op plantpathogenen en reductie van residu gewasbeschermingsmiddelen. Hiermee worden agrariërs minder afhankelijk van het grotere watersysteem (meer zelfvoorzienend) en kunnen ze grip houden op een stabielere vochthuishouding en betere bodemkwaliteit, wat een stabielere agrarische (gewas)opbrengst en biodiversiteit ten goede komt. 

Omdat we het belang hiervan inzien, stimuleren we pilots en het uitvoeren van toegepast onderzoek met betrekking tot ondergrondse zoetwateropslag en zoetwatererven met als doel om praktijkkennis op te doen en bij te dragen aan diverse opgaven.

Natuurlijke bermen en oevers 

We zijn als gemeente met agrariërs al langere tijd bezig met het vinden van alternatieven die het verlies van landbouwgronden minimaliseren dan wel voorkomen. Met herinrichten van gemeentelijke bermen, overhoeken en oevers worden overheidsgronden ingezet voor het creëren van extra waterberging en het realiseren van diverse opgaven zoals groenblauwe dooradering (GBDA), waterkwaliteit (helofytenfilter filtert uit- en afspoeling), klimaatadaptatie (o.a. ontlasten watersysteem bij extreme neerslag), tegengaan van verzilting (zoetwaterbeschikbaarheid) en verbeteren van de biodiversiteit. Ook draagt de natuurlijke begroeiing bij aan de opname van stikstof, fosfaat en kali. Vrijkomende klei kan eventueel worden ingezet voor de verhoging van de zeedijk of ophoging van landbouwpercelen die last hebben van bodemdaling. Berm- en slootmaaisel kan door agrariërs als bodemverbeteraar op hun land gebruikt worden. We zoeken bij de ontwikkeling van natuurlijke bermen samenwerking met andere overheden en agrariërs. 

Daarnaast werken we met Wetterskip Fryslân en provincie Fryslân aan (onder andere vanuit gebiedsontwikkeling Dongeradielen) het ontwerpen van een robuuster oppervlaktewatersysteem om meer waterberging te realiseren. We willen onderzoek en pilotprojecten stimuleren en faciliteren op het gebied van ontwikkeling en herinrichting van oevers. De kennis die wordt opgedaan, kan ook door agrariërs worden gebruikt op hun gronden.  

Waar we als gemeente het initiatief nemen om onze bermen, oevers en overhoeken natuurlijker in te richten om extra waterberging, meer biodiversiteit, betere waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit te creëren, zien we ook mogelijkheden voor de landbouw. In het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW2027) is het voor de landbouw van belang om uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen richting het oppervlaktewater te voorkomen. Door de (on)mogelijkheden te onderzoeken hoe oevers langs landbouwpercelen anders ingericht kunnen worden zijn er wellicht mogelijkheden die bijdragen aan een toekomstbestendige landbouw en andere opgaven. Doel hiervan is om oplossingen te zoeken om aan de KRW-richtlijnen te voldoen, meer klimaatadaptief te worden en de biodiversiteit te versterken.

6.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

7. Thema 5 innovatie en ontwikkeling

7.1 Waar staan we nu?

Innovatie en ontwikkeling kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de opgaven die spelen bij de landbouw in onze gemeente. Een voorbeeld hiervan is precisielandbouw.  

Zowel de biologische als gangbare landbouw in onze gemeente staan bekend om hun innovatieve aanpak op het gebied van precisielandbouwtechnologieën. Met het toepassen van precisielandbouwtechnologieën zien we een nieuwe revolutie ontstaan in de manier waarop we gewassen verbouwen en hulpstoffen besparen. Precisielandbouw maakt gebruik van technologieën zoals satellietbeelden, drones, en slimme sensoren om gedetailleerde informatie over gewassen, water en bodemcondities te verzamelen. Daarmee kunnen oogstopbrengsten met maar liefst 30% worden verhoogd, gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen geminimaliseerd en vermindert het waterverbruik met 20-50%.  

Tegelijkertijd beseft de landbouw zich dat het produceren van voedsel niet alleen efficiënt, maar ook ecologisch en landschappelijke verantwoord moet zijn. Agrariërs, onderzoekers en beleidsmakers zoeken gezamenlijk naar nieuwe oplossingen die bijdragen aan een toekomstbestendige voedselproductie. Innovatie in de landbouw is niet alleen een kwestie van techniek en onderwijs, maar ook van systeemverandering, samenwerking en visie op de toekomst. 

Het rapport 'Strategic Dialogue on the Future of EU Agriculture' stelt dat innovatie en ontwikkeling cruciaal zijn voor de toekomst van de Europese landbouw en voedselproductiesystemen. Het rapport benadrukt het belang van een geïntegreerde benadering die technologische vooruitgang combineert met sociale innovatie en beleidscoherentie om een duurzame en veerkrachtige agrifoodsector te creëren.

Beleid

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ligt de focus voor de landbouw op duurzaamheid, kringlooplandbouw en integratie met andere maatschappelijke ontwikkelopgaven. De NOVI pleit voor een gebiedsgerichte strategie. Per gebied wordt gekeken welke functies (zoals landbouw, natuur, wonen) met minimale belasting kunnen worden ingepast. Innovatie wordt gezien als essentieel om de landbouwsector internationaal concurrerend en tegelijkertijd duurzaam te houden. Via het toekomstfonds en het nationaal groeifonds investeert Nederland in innovatie voor sectoren waar het internationaal in uitblinkt, zoals agro en food. 

Provincie Fryslân stimuleert verschillende vormen van landbouwontwikkeling onder de noemer ‘boerdiversiteit’, elk met eigen innovatiekansen, zoals:

  • Hightech open systemen, met inzet op precisielandbouw, robotica, veredeling, kringloopprincipes; 

  • Duurzame systemen, zoals biologische en kringlooplandbouw, met nadruk op kringlopen en certificering; 

  • Natuur & landschap, waarbij de nadruk ligt op landbouw gecombineerd met natuurbeheer, CO₂-opslag en biodiversiteit; 

  • Multifunctionele bedrijven: landbouw gecombineerd met zorg, recreatie, educatie en biobased bouwen; 

Hightech gesloten systemen: zoals glastuinbouw, aquacultuur, vertical farming, met focus op emissiebeperking en circulaire energie.

In de in januari 2025 vastgestelde Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' geeft de provincie Fryslân ruimte voor experimenten door ontheffing van regelgeving. Innovatie is niet alleen nodig in technologie, maar ook in sociale en ecologische processen, zoals goed en passend onderwijs en versterking van het Friese agrofood-kennisnetwerk (Thema 10 Onderwijs en onderzoek). In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025), is in artikel 6.3 punt 3 opgenomen dat een omgevingsplan een regeling kan bevatten voor een innovatieve pilot, in dit geval met betrekking tot kleine windturbines. 

De provincie Fryslân werkt aan een nieuwe Provinciale Omgevingsvisie (POVI), waarin straks de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid voor het landelijk gebied staan. In de Contourenschets Omgevingsvisie Fryslân zijn de hoofdlijnen voor de belangrijkste keuzes weergegeven. Hierin wordt de landbouwhoofdstructuur opgenomen en vertaald naar ontwikkelmogelijkheden en kansen voor agrarische bedrijven. 

In onze gemeentelijke Omgevingsvisie wordt innovatie in de landbouw gezien als essentieel voor de toekomstbestendigheid van de sector. Er is aandacht voor nieuwe teeltmethoden, kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw, waarbij onderzoek en kennisdeling een belangrijke rol spelen. Samenwerking met onderwijs en kennisinstellingen is daarbij een essentieel onderdeel.

7.2 Waar willen we naartoe?

We willen de landbouwsector toekomstbestendig helpen innoveren en ontwikkelen. Binnen deze zoektocht ontstaat steeds meer ruimte voor experimenten. We zetten in op het ontwikkelen van kunstmestvervangers die de bodem minder belasten, het opwekken van groengas uit agrarische reststromen, en het telen van gewassen op zilte gronden als antwoord op verzilting, zie kenniscluster Salta in Thema 10 Onderwijs en onderzoek.  

Ook willen we een pilot en toegepast onderzoek naar ondergrondse zoetwateropslag (zie thema’s 3 en 4) en naar robuuste teelten/zilte teelten stimuleren. 

Als gemeente zien we het belang van een innovatie- en kennishub landbouw en landelijk gebied. Deze kan fungeren als een centraal punt waar de landbouw, ondernemers, onderzoekers, onderwijsinstellingen en overheden samenwerken aan toekomstgerichte oplossingen. Door kennisdeling, samenwerking en het bundelen van expertise ontstaat een vruchtbare omgeving voor innovatie en praktijkgericht onderzoek. Ook kan dit leiden tot nieuwe verdienmodellen en versterking van de concurrentiepositie van de landbouw.  

Noard Fryslân Bûtendyks is een uniek gebied qua natuur en landbouw vanwege het meervoudig ruimtegebruik. Door de natuurlijke omstandigheden van zoet/zout overgang is het een buffergebied voor de binnendijkse landbouw tegen verzilting. Anderzijds zijn hier ideale omstandigheden aanwezig die onderzoek naar en ontwikkeling van robuuste rassen, zilte teelten, zoet/zout overgangen en verzilting mogelijk maken. Op proeftuin niveau kunnen robuuste rassen (bijv. aardappelen, granen en groenten) en zilte teelten niet alleen een grote bijdrage leveren aan de binnendijkse landbouw langs de kust, maar ook voor de landbouw wereldwijd. 

Met onderzoek naar geschikte locaties en mogelijkheden bieden in het gemeentelijke ruimtelijk beleid voor de ontwikkeling van coöperatieve mono-mestvergisting, kunnen we een positieve bijdrage leveren aan de energietransitie, mestproblematiek, verduurzaming en kringloop landbouw, zie thema 6 en 7. Hiermee leveren we niet alleen een bijdrage aan de opgaven uit het Warmteprogramma van onze gemeente, maar ook aan een goede beschikbaarheid, betaalbaarheid, verduurzaming en stabiliteit van de energievoorziening in onze gemeente.

7.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

8. Thema 6 energietransitie

8.1 Waar staan we nu?

Energietransitie

De energietransitie is de verschuiving van fossiele naar duurzame energiebronnen. De landbouw speelt hierin een belangrijke rol door bijvoorbeeld groengas te produceren uit mest, zonnepanelen op hun gebouwen te installeren en kringlooplandbouw te bevorderen. Door middel van kringlooplandbouw kan de sector bijdragen aan CO₂-opslag in bodems en gewassen. Zo wordt landbouw niet alleen producent van voedsel, maar ook van duurzame energie en klimaatoplossingen. We vinden het daarom belangrijk om samen met de landbouw, andere overheden en relevante partners te zoeken naar koppelkansen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk vlak.

In combinatie met de landbouw zijn er verschillende kansen te vinden voor de energietransitie. Zo kunnen agrarische bedrijven energie hubs worden door duurzame energie op te wekken en op te slaan. Er kan gekeken worden naar de opwek van elektriciteit met zonne- en windenergie, maar er zijn met name kansen voor groengas. Deskundigen waarschuwen al jaren dat het een illusie is om te denken dat onze energievoorziening volledig kan overschakelen op duurzame elektriciteit. Groengas biedt hiervoor een uitkomst, gezien de bestaande aardgasinfrastructuur en voordelen in energiedichtheid, transportmogelijkheden en de werkzaamheid ongeacht weersomstandigheden. Gezien de omvang, complexiteit en ruimtelijke impact van de productie van groengas is dit als een apart thema (thema 7 – mestverwerking) behandeld.

Naast de productie van groengas is de landbouw belangrijk voor de energietransitie door het opwekken van groene stroom met zonnepanelen op bedrijfsgebouwen en kleine windturbines op het agrarische erf. Met batterijopslag kunnen agrariërs niet alleen hun eigen energieverbruik verduurzamen, maar ook bijdragen aan de stabiliteit van het elektriciteitsnet door energie op te slaan en terug te leveren op momenten van hoge vraag. Deze decentrale opwek en opslag maakt het landelijke energiesysteem flexibeler en minder afhankelijk van fossiele bronnen. Zo wordt de landbouw een actieve speler in de productie en distributie van duurzame energie.

Beleid

In de Friese Energievisie is beschreven hoe alle Friese overheden, inclusief de provincie en gemeente, willen toewerken naar een schoon, toekomstbestendig en rechtvaardig energiesysteem in 2050. 

In de visie zijn vijf leidende principes opgenomen voor het toekomstige energiesysteem van Fryslân:

  • 1.

    Fryslân stimuleert energie voor en door de gemeenschap; 

  • 2.

    Fryslân zet maximaal in op energiebesparing; 

  • 3.

    Alle bronnen zijn nodig, naast kleinschalige is ook grootschalige productie nodig; 

  • 4.

    Fryslân past energie-infrastructuur goed in, in het landschap en in het energiesysteem;

  • 5.

    Fryslân versterkt de flexibiliteit van het energiesysteem.

Het toekomstige Friese energiesysteem bestaat uit een grote variatie aan energiebronnen en -dragers, waaronder zonne-energie, windenergie, groene waterstof, biogas en duurzame warmte. Een belangrijke randvoorwaarde is het behoud van het karakteristieke Friese landschap. Dit is relevant gezien de ruimtevraag bij duurzame energieopwekking. Clustering en meervoudig ruimtegebruik wordt gestimuleerd. Daarnaast is biogas beschreven als essentieel voor de energietransitie. 

In diverse beleidsstukken wordt de strijdigheid tussen de ruimteclaim voor duurzame energie opwek en het behoud van landbouwgrond beschreven. Met name de landschappelijke impact van zonne-energie kan groot zijn, daarom is de zonneladder geïntroduceerd. Als uitgangspunt geldt: zonnepanelen eerst op daken en gevels van gebouwen. Hoewel natuur en landbouwgebieden niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur.

Naast het werken met de zonneladder streeft provincie Fryslân naar de inzet van een Sinnetafel. De Sinnetafel (zonnetafel) is een werkwijze waarbij alle partijen die een belang vertegenwoordigen rondom de ontwikkeling van een zonneveld, voorafgaand met elkaar om tafel gaan om te komen tot de juiste locatiekeuze, te werken aan acceptatie, te komen tot een integrale oplossing waarin alle belangen samenkomen en ten slotte het initiatief vervolgens gezamenlijk verder te brengen. Het betrekken van de omgeving en de mogelijkheden creëren om te participeren (bijvoorbeeld financiële deelname) zijn voor de provincie een voorwaarde voor ontwikkelingen. 

In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025) worden voorwaarden beschreven voor opstellingen voor zonne- en windenergie. Windturbines zijn onder voorwaarden mogelijk. Zo geldt voor windturbines bij een agrarisch bedrijf onder meer dat het om maximaal drie turbines mag gaan van een maximale as-hoogte van 15 meter en dit nodig is voor de energiebehoefte van het agrarische bedrijf zelf. Verder is opgenomen dat kan worden meegewerkt aan een groter bouwvlak, mits de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking (art. 2.20 Agrarische en aanverwante bedrijfsfuncties). 

In onze gemeentelijke Omgevingsvisie is één van de vier kernopgaven een energieneutrale, klimaatbestendige en biodiverse gemeente te zijn. De energietransitie is één van de grootste globale vraagstukken waar we een bijdrage aan moeten leveren. We hebben daarom de ambitie vastgesteld om in 2030 minimaal 70% van de benodigde elektriciteit in de gemeente op een duurzame wijze op te wekken. Deze energie moet opgewekt worden uit duurzame bronnen zoals wind- en zonne-energie, maar ook groen gas wordt gestimuleerd. Een belangrijke randvoorwaarde ten aanzien van de energietransitie is dat het niet ten koste mag gaan van het landschap en daarnaast maatschappelijk moet bijdragen. Voor de opwek van duurzame energie hebben agrariërs een sleutelrol te vervullen, zowel in de productie van groen gas en de opwek van duurzame energie als in energieopslag op het erf zoals laadpalen. Gezien de ruimtevraag van de energietransitie op agrarische grond, stellen we voorwaarden en kaders om het landschap en de natuur te beschermen. Met betrekking tot windturbines houden we een maximum as-hoogte van 15 meter aan. Voor het eventueel opwaarderen van bestaande windturbines volgen we het provinciale beleid.

In het beleidskader voor zonne-energie 2020 worden het beleid en de toetsingskaders beschreven ten aanzien van zonne-energie initiatieven. Initiatiefnemers moeten zelf met passende initiatieven komen, de verwachting is dat de markt dit zelf doet. Het beleid dat we volgen, komt met name terug op onze eigen zonneladder. Hieruit volgt ons standpunt dat zonnepanelen in het landschap van het buitengebied het minst gewenst. Echter, moedigen we efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik wel toe, zolang het initiatief de landschappelijke kwaliteiten behoudt en biodiversiteit wordt versterkt. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt in onze Omgevingsvisie dat bij zonneparken de omgeving moet meeprofiteren van een ontwikkeling. 

In onze Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslân: Samen aan de slag voor een aardgasvrij Noardeast-Fryslân 2021 wordt er voor de toekomstige warmtevraag voornamelijk gekeken naar groen gas als duurzame oplossing. Het beleid over mestverwerking wordt in het hoofdstuk thema 7 beschreven. We zien namelijk wel een aantal aandachtspunten in het gebruik van biogas of groengas. Ten eerste is stank- en geluidsoverlast een aandachtspunt dat voorkomen moet worden. Een tweede randvoorwaarde is dat inwoners mee moeten kunnen profiteren van het gebruik van groengas.

We stellen een integrale laadvisie op, waarin de strategie bepaald wordt om tijdig een toegankelijke, betaalbare, betrouwbare en veilige laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen te realiseren. In de landbouw komt dit ook tot uiting in elektrificatie van voertuigen, al staat dit staat nog in de kinderschoenen maar krijgt het steeds meer aandacht. Hier is een laadinfrastructuur op eigen terrein voor nodig, waarbij agrariërs hun eigen opgewekte energie kunnen gebruiken voor het laden van voertuigen. We volgen op dit aspect met name de markt en landelijke ontwikkelingen.

8.2 Waar willen we naartoe?

Met betrekking tot de opwek van duurzame energie op agrarische grond kijken we naar mogelijke koppelkansen met landschappelijke kwaliteiten.

Zonne-energie

Voor de landschappelijke inpassing van zonne-energie hebben we een beoordelingskader gemaakt om energieopwekking in het landelijk gebied te kunnen beoordelen. We zijn geen voorstander voor het plaatsen van zonnepanelen in het landelijk gebied en op landbouwgrond. Toch is een situatie denkbaar waarin we als gemeente met maatwerk en onder nadrukkelijke voorwaarden wel de ruimte willen geven, gezien de omvang van de energietransitie. Daarbij kunnen agrarische bedrijven de ruimte krijgen om te produceren voor eigen gebruik, maar ook voor gezamenlijk gebruik. Beperkte overproductie is toelaatbaar, als het ten goede komt aan de mienskip en bedrijven in de omgeving. Een voorwaarde is dat de energieopwekking niet de primaire activiteit op het agrarische perceel wordt. Ter behoud van landbouwgrond, natuur en biodiversiteit zijn locaties met oorspronkelijk minder economische- en natuurwaarde meer gewenst om energie opwek te realiseren.

Windenergie

Als gemeente staan we geen solitaire windturbines toe met een ashoogte hoger dan 15 meter. Voor vervanging en het eventueel opwaarderen van bestaande windturbines wordt provinciaal beleid gevolgd.

Batterijopslag

We zien kansen voor stroomopslag op het boerenerf, batterijen kunnen ingezet worden voor de individuele agrariërs of voor het regionale elektriciteitsnet. Dit levert voordelen voor de agrariër op, doordat zij zelf grip hebben op hun energiehuishouding. Tegelijkertijd helpt batterijopslag netcongestie tegen te gaan door piekbelasting te verminderen en het net te ontlasten op drukke momenten. Dit maakt het mogelijk meer duurzame energie lokaal op te wekken en te gebruiken, zonder het elektriciteitsnet te belasten. We zien dit daarom als een cruciale stap richting een toekomstbestendig en veerkrachtig energiesysteem in het landelijk gebied. Doel is een bijdrage te leveren aan de energietransitie, extra verdienmodellen voor agrariërs, toekomstgerichte en duurzame landbouw en mienskip.

Groen gas

We zien mono-mestvergisting als een belangrijke schakel in de energietransitie, maar ook als kans voor de mestproblematiek, verduurzaming en circulaire landbouw. Momenteel is het voor kleine agrariërs moeilijk om een business case rond te krijgen, daarom doen we onderzoek naar de mogelijkheid om geschikte beleidsruimte te vinden. We willen daarom beleid gaan ontwikkelen om coöperatieve mono-mestvergisters mogelijk te maken op daarvoor geschikte locaties. Het doel van het onderzoek is om een bijdrage te leveren aan de energietransitie en daarnaast om een verdienmodel te creëren voor agrariërs waarmee problemen zoals de mestproblematiek aangepakt worden.

Bio-methaan

We willen ook kijken of en hoe de landbouw in de toekomst een rol kan spelen in de productie van bio-methaan, een duurzame gasvormige brandstof die gewonnen wordt uit mest en organisch afval. Dit bio-methaan kan worden ingezet voor gasmotor aangedreven voertuigen, zoals tractoren, auto’s, vrachtwagens en bussen, en biedt daarmee een groen alternatief voor diesel. Door lokaal geproduceerde brandstof te gebruiken, wordt de afhankelijkheid van fossiele energie verminderd en de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk teruggedrongen. Zo kan bio-methaan actief bijdragen aan een schoner mobiliteitssysteem en een succesvolle energietransitie

8.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

9. Thema 7 mestverwerking

9.1 Waar staan we nu?

Mestvergisting

Bij mono-mestvergisting wordt de organische stof die in de mest zit door bacteriën omgezet in biogas, ook wel groengas genoemd. Dat gas wordt opgevangen en kan gebruikt worden als brandstof voor processen of voertuigen of om energie op te wekken. 

Het vergisten van mest levert een bijdrage aan de energietransitie en de verlaging van broeikasgasemissies. Door het groene gas in te zetten als duurzame energiebron, verlaagt de CO2-uitstoot en worden fossiele brandstoffen vervangen. Ook blijkt uit onderzoek dat door mestvergisting 29-44 procent van de totale stikstofuitstoot kan worden verminderd, de methaanuitstoot vermindert met 80 procent en de netto CO2 uitstoot aanzienlijk afneemt en wordt in sommige gevallen meer dan volledig gecompenseerd. 

Daarnaast kan een agrariër door middel van mestvergisting haar eigen energie opwekken en is daardoor minder afhankelijk van de energiebedrijven en/of buitenlandse bronnen. Ook kan mestvergisting op grotere schaal interessant zijn voor energiebedrijven, door het wetsvoorstel ‘jaarverplichting groen gas’ wat er ligt. Als dit voorstel wordt aangenomen, wordt met de ‘bijmengverplichting’ verplicht om vanaf 2026 het aandeel groen gas te verhogen. 

De provincie Fryslân verwacht door mono-mestvergisting (vergisting van pure koemest) 26% van de warmtevraag van de gebouwde omgeving geleverd kan worden (Landbouwbeleidsbrief 2025-2030). Daarbij is echter wel samenwerking van agrariërs nodig, omdat (mono)vergisters voor veel bedrijven geen interessante businesscase zijn. 

Het restproduct na vergisting, digestaat, lijkt volgens onderzoekscentrum Wetsus een positieve invloed te hebben op de bodem en het sluiten van de kringlopen: “Er is waarschijnlijk minder kunstmest nodig, de bodem kan beter water vasthouden en de biodiversiteit wordt groter”. Digestaat wordt als toekomstig alternatief gezien voor kunstmest. De overige voordelen, zoals het verlagen van de methaan-, stikstof- en CO2-uitstoot, vormen een belangrijke motivatie voor de toekomstgerichte agrariër om te investeren in een mono-mestvergistingsinstallatie. 

Mestvergisting draagt niet direct bij aan het oplossen van het mestoverschot, doordat de hoeveelheid mest nauwelijks vermindert door het te vergisten. Het wordt vooral aantrekkelijk bij grote hoeveelheden mest. Als er naast mest ook andere organische stoffen worden toegevoegd aan het vergistingsproces, wordt gesproken over covergisten. Dit leidt zelfs tot een toename van de hoeveelheid mest, omdat het restproduct wat overblijft na de vergisting ook als mest moet worden gerekend. Als gemeente zetten we daarom in op mono-mestvergisting.

RENURE organische meststoffen

Er zijn ook andere manieren om mest te verwerken en het verminderen van de afhankelijkheid van kunstmest. Zo kunnen er bijvoorbeeld door een stikstofstripper meststoffen uit dierlijke mest gehaald worden, die beschouwd worden als kunstmestvervangers en daarom boven op de bestaande stikstofnormen kunnen worden toegepast, onder specifieke voorwaarden. Dit wordt ook wel RENURE genoemd: REcovered Nitrogen from manURE. Het toepassen van RENURE is op dit moment nog niet toegestaan. Er ligt een voorstel van de Europese Commissie voor het gebruik hiervan

Mestverwerking en energie

Een veelbelovend systeem is dat van N2Applied. N2Applied is een technologiebedrijf dat zich richt op het ontwikkelen van systemen die stikstof uit de lucht omzetten in een vorm die geschikt is voor gebruik als kunstmest. Met dit systeem worden ammoniak- en methaanemissies verminderd, is er minder afhankelijkheid van kunstmest en het systeem helpt netcongestie te verminderen. De belangrijkste redenen waarom dit systeem netcongestie helpt te verminderen zijn:

Lokale productie van meststoffen: Door mest op het boerenerf te verwerken tot RENURE-meststoffen, wordt transport van mest en kunstmest sterk verminderd. Dit verlaagt de belasting op logistieke netwerken en indirect ook op het energienet.

Gebruik van duurzame elektriciteit: Het systeem werkt op elektriciteit, bij voorkeur opgewekt uit lokale hernieuwbare bronnen zoals zon of wind. Dit maakt het mogelijk om overtollige stroom lokaal nuttig te gebruiken, wat piekbelasting op het net verlaagt.

Vermindering van kunstmestimport: Door zelf meststoffen te produceren, hoeven agrariërs minder kunstmest aan te schaffen, wat de afhankelijkheid van energie-intensieve productieprocessen door middel van fossiele brandstoffen vermindert.

Slimme timing van energiegebruik: Agrariërs kunnen het systeem aansturen om mest te verwerken op momenten dat er een overschot aan stroom is (bijvoorbeeld bij veel zon of wind), wat helpt om het net te balanceren.

Kortom, mestverwerking op het boerenerf is circulair en lokaal wat niet alleen milieuwinst oplevert, maar ook bijdraagt aan een stabieler en minder belast elektriciteitsnet.

Beleid

In 2000 werd de Europese richtlijn ‘Kaderrichtlijn Water’ van kracht, met als doel om schoon en gezond oppervlaktewater te realiseren. De gestelde doelen dienen te zijn gehaald in 2027. Deze richtlijnen hebben gevolgen voor agrariërs op het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor moeten agrariërs meer milieubewust waterbeheer en duurzaam grondgebruik in hun bedrijfssysteem integreren. Hierdoor komt er steeds meer aandacht voor de inzet van precisielandbouw en het gesloten houden van nutriëntenkringlopen, samenwerking tussen veehouders en akkerbouwers en het verwerken van mest op eigen erf.

In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025) wordt het bewerken, verwerken en vergisten van mest of andere agrarische producten slechts toegestaan als deze ten dienste staan van, of verband houden met de agrarische activiteiten van het agrarische bedrijf (art. 2.22). Het gebruik en de bebouwing dient ondergeschikt te blijven aan de agrarische activiteiten en te passen in de landelijke omgeving. Als bij het vergisten van mest of andere agrarische producten ook mest of agrarische producten afkomstig van andere bedrijven worden vergist, dient die mest of dienen die producten rechtstreeks afkomstig te zijn van bedrijven uit de lokale omgeving.

Voor de vestiging van meerdere agrarische bedrijven, agrarische hulpbedrijven of van voorzieningen en installaties voor het bewerken, verwerken en vergisten van mest of andere agrarische producten, kan een nieuwe, goed ontsloten agro-locatie worden ontwikkeld buiten het bestaand stedelijk gebied (art. 2.23), mits:

Voor de vestiging van meerdere agrarische bedrijven, agrarische hulpbedrijven of van voorzieningen en installaties voor het bewerken, verwerken en vergisten van mest of andere agrarische producten, kan een nieuwe, goed ontsloten agro-locatie worden ontwikkeld buiten het bestaand stedelijk gebied (art. 2.23), mits:

  • 1.

    redelijkerwijs geen geschikte locatie voor de functies kan worden gevonden op of aansluitend op een bestaande agro-locatie, een bedrijventerrein, een glastuinbouwlocatie of een terrein voor openbare nutsvoorzieningen in de regio; 

  • 2.

    de vestiging op een voormalig agrarisch bouwperceel of voormalig bedrijfsperceel niet mogelijk is voor zover het gaat om een agro-locatie voor agrarische bedrijven en agrarische hulpbedrijven; 

  • 3.

    sprake is van een directe, concrete en lokale behoefte van meerdere bedrijven, en 

  • 4.

    er een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de kringlooplandbouw dan wel circulaire economie.

In januari 2025 is de Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' vastgesteld. Daarin geeft de provincie Friesland aan dat zij wil inzetten op het sluiten van kringlopen, bijvoorbeeld met mestverwerking en RENURE-meststoffen. Ook energieproductie voor derden, in de vorm van groengas uit mono-mestvergisting, vindt de provincie kansrijk. Zij stimuleert en faciliteert verdere uitrol hiervan. Dit doen zij door het financieren van haalbaarheidsstudies van groepen boeren. 

In onze gemeentelijke Omgevingsvisie zijn meerdere kernopgaven uitgewerkt. Onder de kernopgave ‘een gezonde economische structuur en toeristisch-recreatief aantrekkelijk’ geven we aan dat we willen inzetten op duurzame toekomstbestendige agrarische ontwikkeling. Dit betekent onder meer dat we faciliteren waar mogelijk en meedenken door aan te haken in processen die lopen, bijvoorbeeld bij ontwikkelingen op het gebied van vergisting in relatie tot de ruimte die dat vraagt op het erf van de boerderij. 

In april 2024 is het paraplubestemmingsplan 'covergisting en mono-vergisting' vastgesteld. In dit plan hebben we regels opgenomen op grond waarvan bouwen ten behoeve van mono-vergisting en/of covergisting wordt verboden. Enkel een verandering van de bebouwing voor vergisting is onder voorwaarden mogelijk.

In mei 2024 zijn de beleidsregels mono-vergistingsinstallaties vastgesteld. Op grond hiervan kunnen we, in afwijking van het genoemde paraplubestemmingsplan, onder voorwaarden medewerking verlenen aan het realiseren van een mono-mestvergistingsinstallatie bij een bestaand bedrijf. Onder mono-mestvergisting verstaan we de vergisting van bedrijfseigen drijfmest zonder co-producten. 

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  • 1.

    De installatie wordt gebouwd binnen het bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf, of direct grenzend aan het bouwvlak indien daarvoor zwaarwegende redenen zijn, mits de maximaal toegestane oppervlakte van het bouwperceel op grond van het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan niet wordt overschreden. 

  • 2.

    De bouwhoogte van een installatie bedraagt maximaal 13 m¹. 

  • 3.

    Er wordt uitsluitend bedrijfseigen mest toegepast met een maximum van 25.000 m³ op jaarbasis. 

  • 4.

    De oppervlakte van de gehele installatie bedraagt maximaal 1.500 m². 

  • 5.

    Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. 

  • 6.

    Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 

  • 7.

    Binnen een jaar nadat een installatie definitief buiten gebruik is gesteld, dient de constructie met de bijbehorende voorzieningen te zijn verwijderd. 

  • 8.

    Er wordt voldaan aan een inspanningsverplichting voor participatie.

9.2 Waar willen we naartoe?

We willen het opwekken van duurzame energie en kringlooplandbouw stimuleren en om die reden initiatieven op het gebied van onder andere mestverwerking faciliteren en regisseren. 

Doordat mestvergisting voor eigen gebruik voor veel agrariërs niet rendabel is, willen we onderzoek doen naar de inzet van coöperatieve mono-mestvergisting. Dit willen we doen door te zoeken naar geschikte locaties voor coöperatieve mono-mestvergisting en door het in kaart brengen van de behoefte. We zoeken naar geschikte locaties met een goede infrastructuur. Daarnaast zullen we, naast de beleidsregels voor het plaatsen van mono-vergisters voor bedrijfseigen mest, ook beleidsregels opgesteld worden voor het mogelijk maken van deze coöperatieve mono-vergisters.  

Daarnaast gaan we actief op zoek naar middelen voor het uitvoeren van onderzoek naar andere vormen van mestverwerking en -verwaarding, zoals RENURE. Hierbij spelen we als gemeente een verbindende rol tussen de verschillende partijen.

9.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

10. Thema 8 bedrijfsinrichting

10.1 Waar staan we nu?

Het landschap in Noardeast-Fryslân is grotendeels door de mens gevormd en vertelt het verhaal van eeuwenlange interactie tussen natuur en cultuur. Oorspronkelijk dynamisch door wind, water en zand, werd het gebied ingericht naar de behoeften van de landbouw. Agrarische bedrijven hebben het landschap mede gevormd met dijken, erven, sloten en velden. Door schaalvergroting veranderen deze structuren, wat ten koste kan gaan van historische en landschappelijke kwaliteiten. De uitdaging voor de moderne landbouw is daarom mee te bewegen met veranderingen, maar tegelijk het karakter en de kwaliteit van het landschap te behouden en versterken. 

Bij bedrijfsinrichting – dat onder meer gaat over de grootte en inrichting van het bouwperceel, agrologistiek en het boerenerf – zal het landschap dan ook altijd een belangrijke rol spelen. Daarnaast kan bij bedrijfsinrichting ook gedacht worden aan bijvoorbeeld het vestigen van (tijdelijke) medewerkers op het boerenerf of clusters van agrarisch (gelieerde) bedrijven (agro-locatie). 

Door diverse opgaven, wet- en regelgeving, concurrentiepositie en andere uitdagingen kiezen agrarische bedrijven in gemeente Noardeast-Fryslân voor verschillende richtingen. Waar de één kiest voor specialisatie in de korte keten, duurzaamheid en kleinschaligheid, kiest de ander voor innovatie, precisielandbouw en grootschaligheid. Samenhangend met de keuze voor schaalvergroting, is er een aantal bedrijven die naast de teelt van gewassen ook zogenoemde agrologistieke activiteiten ontplooien. Zoals bijvoorbeeld vervoer, opslag, koelen, verwerken, sorteren, verpakken, verladen, distribueren en regie (besturing, beheersing en organisatie) van landbouwproducten in de agroketen. 

Sommige – vaak grootschaliger – bedrijven verhuren hun capaciteit, ruimte en machinerieën aan collega agrariërs. Agrarische bedrijven die vanwege de omvang van hun bedrijf en/of teeltoppervlak bepaalde investeringen niet kunnen doen, maken vaak gebruik van de capaciteit van hun grotere collega’s. Voordeel van deze constructie is dat er een gezonde balans blijft tussen grootschalige en kleinschalige – vaak familie – bedrijven. Deze balans tussen grote en kleine bedrijven is belangrijk voor de sociale en economische samenhang in het landelijk gebied. 

Door het gebruik van grotere en zwaardere landbouw- en transportvoertuigen is de kans op onveilige situaties in het verkeer toegenomen, is er een grotere verkeersdruk op kleine smalle landwegen en ontstaat vaker schade aan het wegdek en de bermen. Daarnaast komen vanuit de mienskip steeds meer vragen of deze activiteiten nog wel in het buitengebied passen en of het niet logischer is dat deze activiteiten op een bedrijventerrein plaatsvinden. 

Onze gemeente is en wil een landbouwgemeente blijven. Het sociaaleconomische belang van de landbouw is groot en draagt bij aan de werkgelegenheid en leefbaarheid. Anderzijds wordt onze hoogwaardige en hoogproductieve landbouw steeds meer van belang voor de voedselvoorziening in Europa. Door klimaatverandering en geopolitieke spanningen, komt vanuit Europa en het Rijk steeds meer focus op voedselstrategie te liggen. Daarbij spelen vakmanschap, innovatie, vruchtbare zeeklei, beschikbaarheid van zoetwater en geschikt klimaat een belangrijke rol. Dit betekent dat we de juiste afwegingen en keuzes willen maken voor een toekomstbestendige landbouw met draagvlak in de mienskip.

Beleid

In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (in werking vanaf 28 maart 2025) zijn geen specifieke regels opgenomen voor het vestigen van medewerkers bij agrarische bedrijven. Wel heeft de provincie regels met betrekking tot de grootte van het agrarische bouwperceel. 

Nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven is toegestaan, tenzij het gaat om nieuwvestiging van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf of glastuinbouwbedrijven. Een agrarisch bouwperceel mag maximaal 3 hectare zijn. Specifiek voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven geldt een maximum van 2 hectare. De provincie kan meewerken aan een groter bouwperceel, mits de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking.

Daarnaast is het binnen de provinciale kaders onder voorwaarden mogelijk om agro-locaties (een cluster van agrarische bedrijven, of agrarische hulpbedrijven, met bijbehorende voorzieningen) te vestigen. Een van de voorwaarden is dat er een bijdrage geleverd dient te worden aan de versterking van kringlooplandbouw dan wel circulaire economie.

De grootte van het bouwperceel en de mogelijkheden voor het huisvesten van medewerkers is vastgelegd in het (tijdelijk deel van het) gemeentelijke omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat op dit moment nog uit verschillende bestemmingsplannen. Ter verkenning van de huidige mogelijkheden voor medewerkershuisvesting en bouwperceelgrootte zijn de grootste geldende bestemmingsplannen in het landelijk gebied geraadpleegd, namelijk:

Bestemmingsplan Bûtengebiet Dongeradeel (gemeente Dongeradeel, vastgesteld op 27‑06‑2013) en de herziening 2015  (gemeente Dongeradeel, vastgesteld op 31 maart 2026) 

Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012   (gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, vastgesteld op 28‑09‑2017)

Bestemmingsplan Buitengebied  (gemeente Ferwerderadiel, vastgesteld op 13‑02‑2014)

De bestemmingsplannen in de voormalige gemeentes Dongeradeel en Kollumerland en Nieuwkruisland bieden geen mogelijkheden voor het (tijdelijk) huisvesten van medewerkers. Dit betekent dat het in deze gebieden enkel is toegestaan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of met een wijziging van het omgevingsplan. In het bestemmingsplan in de voormalige gemeente Ferwerderadiel is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in onder meer de agrarische bestemmingen voor ‘huisvesting van tijdelijke werknemers dan wel arbeidsmigranten’. De vergunning kan worden verleend onder een aantal voorwaarden, waaronder dat het om ten hoogste zes tijdelijke werknemers en/of arbeidsmigranten gaat.

De bestemmingsplannen in de voormalige gemeenten Dongeradeel en Ferwerderadiel bevatten een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak onder voorwaarden. Voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt onder meer de voorwaarde dat het mag gaan om ten hoogste 3 hectare, waarbij in gemeente Dongeradeel de aanvullende eis geldt dat het enkel kan worden toegepast bij de 30 grootste bedrijven in de gemeente. Voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven geldt onder meer dat het een vergroting mag zijn tot maximaal 1,5 hectare. In het bestemmingsplan in de voormalige gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland is een dergelijke wijzigingsbevoegdheid niet opgenomen.

10.2 Waar willen we naartoe?

Het maximum van 3 hectare agrarisch bouwperceel bij een grondgebonden agrarisch bedrijf, wat onder voorwaarden in twee van de drie voormalige gemeenten mogelijk is, is tegelijkertijd het maximum wat de provincie hanteert voor het agrarisch bouwperceel. Bij de harmonisatie van de verschillende omgevingsplannen wordt er gestreefd naar één regeling die geldt binnen het hele buitengebied van onze gemeente, mits dit juridisch en ruimtelijk mogelijk is. Daarnaast geldt er onder voorwaarden een maximum van 1,5 hectare bij niet-grondgebonden agrarische bedrijven. 

Er zijn nu geen duidelijke richtlijnen voor het huisvesten van arbeidsmigranten. Daar is wel behoefte aan om de landbouwsector toekomstbestendig en sociaalmaatschappelijk verantwoord te houden. Arbeidsmigranten vervullen een cruciale rol in seizoensgebonden werkzaamheden in de landbouw. Dit vraagt om duidelijke afspraken over huisvesting, werkomstandigheden en integratie. Daarom zetten we in op het opstellen van beleid voor arbeidsmigranten. Goed beleid voorkomt sociale knelpunten, waarborgt de leefbaarheid in dorpen en ondersteunt agrarische ondernemers bij het verantwoord inzetten van deze medewerkers. Zo ontstaat een evenwicht tussen economische noodzaak en maatschappelijke verantwoordelijkheid. 

Daarnaast zetten we ook in op beleidsontwikkeling met betrekking tot het reguleren van schaalvergroting en agrologistiek, waarbij bouwblokgrootte, de hiërarchie in het wegennet, grondgebondenheid, het familiebedrijf als fundament van de samenleving en het provinciale begrip ‘agrolocatie’ belangrijke aanknopingspunten zijn. Doel is om visie te ontwikkelen met betrekking tot grootschaligheid van landbouwbedrijven, verkeersdruk en -bewegingen op wegen in het landelijk gebied, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en verindustrialisering van het buitengebied en om te komen tot een analyse van voor- en nadelen, waar, hoe groot en hoe schaalvergroting toe te staan. Verzachting van de visuele impact van (grote) gebouwen door een goede landschappelijke inpassing draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en helpt ons cultuurhistorisch waardevolle landschap te versterken.

10.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

11. Thema 9 agrarische nevenactiviteiten

11.1 Waar staan we nu?

Agrarische bedrijven in de gemeente Noardeast-Fryslân hebben steeds vaker nevenactiviteiten naast hun agrarische bedrijfsactiviteiten. Agrariërs hebben nevenactiviteiten voornamelijk om extra inkomsten te generen en zo hun agrarisch bedrijf rendabel te houden. Nevenactiviteiten kunnen bestaan uit verbreding of verdieping van de bedrijvigheid. Voorbeelden van nevenactiviteiten zijn beheer en onderhoud van natuur en landschap, kleinschalige recreatie (agrotoerisme), detailhandel in streekproducten, verwerking en verpakking van producten, zorgverlening, kinderopvang of andere naar aard vergelijkbare activiteiten. 

Bij dit thema worden de bestaande mogelijkheden voor nevenactiviteiten in beeld gebracht en beschreven waar we als gemeente graag naar toe willen. Specifieke regelgeving gericht op nevenactiviteiten die een relatie hebben met duurzaamheid en biodiversiteit, klimaatadaptatie, innovatie en ontwikkeling, energietransitie, mestvergisting en onderwijs en onderzoek komen (ook) aan bod bij de andere thema’s. 

Het multifunctioneel maken van agrarische bedrijven wordt in verschillende visies op de landbouw in Fryslân beschreven als ontwikkelroute voor de toekomst. In 2023 heeft Wageningen University & Research een landbouwanalyse gedaan in de provincie Fryslân. Daarbij is er onder andere onderzoek gedaan naar bestaande nevenactiviteiten (verbredingsactiviteiten) in verschillende deelgebieden. De gemeente Noardeast-Fryslân is gelegen in het deelgebied ‘Oostergo’. Agrarisch natuurbeheer is het meest toegepast, waarbij ongeveer 40 procent van de bedrijven dit als nevenactiviteit heeft. Andere nevenactiviteiten zijn een stuk minder toegepast, zoals verkoop van producten (11%), duurzame energie voor derden (10%), loonwerk (9%) en toerisme (3%). Uit de analyse volgt dat nevenactiviteiten die eenvoudiger te realiseren zijn, de voorkeur krijgen boven nevenactiviteiten waar specifieke kennis of aanpassingen voor nodig zijn.

Beleid

De omgevingsvisie van Fryslân 2020 'De romte diele' beschrijft als doel voor 2025 dat de Friese landbouw zowel duurzaam, ecologisch als economisch is. Onderdeel hiervan is de mogelijkheid tot agrarische nevenactiviteiten, bedrijven moeten eigen keuzes kunnen maken in bedrijfsvoering. Voor herijking van onder andere het provinciaal beleid hebben verschillende agrarische partijen de handen in één geslagen en de "Visie op de land- en tuinbouw in Fryslân" opgesteld. Uit hun analyse volgt dat agrarische nevenactiviteiten zoals duurzame energie voor derden, loonwerk, verkoop producten, stalling en recreatie achterblijft bij andere delen van het land. Dit wordt voor een deel onderbouwt doordat het inkomen uit de agrarische nevenactiviteit vaak beperkt blijft.

In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (art. 2.22) wordt beschreven dat aan landbouw verbonden nevenactiviteiten kunnen plaatsvinden onder bepaalde voorwaarden. Daarbij wordt gesteld dat detailhandel slechts toegestaan is in de vorm van productie-gebonden detailhandel of detailhandel in streekproducten. Bedrijvigheid kan in lichte vorm plaatsvinden of moet passend zijn bij het landelijk gebied. Hieruit volgt dat er regels opgesteld kunnen worden om het gebruik en de bebouwing van nevenactiviteiten ondergeschikt te houden aan de agrarische activiteit en de landelijke omgeving. 

Ten aanzien van recreatie en toerisme (art. 2.14) worden kleinschalige recreatieve voorzieningen als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan op een bouwperceel, zoals een kleinschalig kampeerterrein, een kleinschalige jachthaven, logies, groepsaccommodaties, recreatiewoningen, trekkershutten en dag-recreatieve inrichtingen. 

Een van de genoemde ontwikkelpaden in de Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 'Noflik buorkje in Fryslân' (2025) is de inzet op multifunctionele bedrijven. Relevante mogelijkheden voor ontwikkelen in deze richting zijn onder andere het verbeteren van de productieomstandigheden, zoals betere toegangswegen en het verkrijgen van de juiste vergunningen en ruimte op het bouwblok.

In de gemeentelijke Omgevingsvisie zijn meerdere kernopgaven uitgewerkt. Onder de kernopgave ‘een gezonde economische structuur en toeristisch-recreatief aantrekkelijk’ zet Noardeast-Fryslân voornamelijk in op ondernemerschap. De landbouw zorgt voor veel werkgelegenheid, voedselzekerheid en is een belangrijke economische drager. Daarnaast is de gemeente op zoek naar koppelkansen tussen landschappelijke kwaliteiten en de transitie van de landbouw. Agrariërs hebben een belangrijke taak in het beheren van een aantrekkelijk buitengebied met specifieke natuurkwaliteiten, zowel voor de mienskip als voor bezoekers en toeristen. Daarbij verliezen we niet uit het oog dat de landbouw vooral voedselproducent is. Voedselproductie is en blijft de primaire activiteit van de landbouw in onze gemeente.

De gemeente Noardeast-Fryslân beschrijft verschillende agrarische nevenactiviteiten, met het aandachtspunt dat deze allemaal ruimte vragen op het erf van de boerderij. De sector recreatie en toerisme wordt uitgelicht als agrarische nevenactiviteit waarin potentie zit om te groeien. In de visie wordt toerisme geduid door de behoefte van bezoekers van buiten de gemeente en recreatie richt zich meer op ontspanning voor de eigen inwoners. De gemeente wil een faciliterende rol bieden waar mogelijk en denkt mee door aan te haken in ontwikkelingen.

Dit omgevingsplan bestaat momenteel uit de bruidsschatregels en uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, namelijk de bestemmingsplannen in het buitengebied:

Ter verkenning van de huidige mogelijkheden zijn deze geldende bestemmingsplannen in het landelijk gebied geraadpleegd. In de bestemmingsplannen zitten regelingen voor agrarische nevenactiviteiten onder bepaalde voorwaarden. 

Samengevat komt dit op het volgende neer:

  • 1.

    Direct toegestaan als ondergeschikte agrarische nevenactiviteit: Het bestemmingsplan van de voormalig gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland biedt als enige van de drie bestemmingsplannen direct verschillende mogelijkheden voor diverse agrarische nevenactiviteiten. Het bestemmingsplan van Dongeradeel benoemt als enige specifiek agrarisch natuurbeheer. (Extensieve) dagrecreatie nevenfuncties zijn in alle drie de bestemmingsplannen benoemd als direct toegestaan. Het bestemmingsplan van Ferwerderadiel is de enige die kleinschalige duurzame energieopwekking direct toestaat. 

  • 2.

    Binnenplanse afwijking voor nevenactiviteiten, onder voorwaarden: De bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten Dongeradeel en Ferwerderadiel bieden ruimte aan diverse agrarische nevenactiviteiten via binnenplanse afwijkingsmogelijkheden onder bepaalde voorwaarden. Er is overlap tussen de twee bestemmingsplannen voor vaker voorkomende nevenactiviteiten zoals detailhandel in streekproducten of een zorgboerderij. Daarnaast hebben beide bestemmingsplannen ook diverse eigen specifieke agrarische nevenfuncties beschreven zoals een antennemast of boerengolf. Het bestemmingsplan van de voormalige gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland heeft, naast de vele direct toegestane nevenactiviteiten, wel een vergunningplicht voor nieuwe of een uitbreiding van kampeerterreinen. 

Uit bovenstaande volgt dat er diverse agrarische nevenactiviteiten in onze gemeente mogelijk zijn onder bepaalde voorwaarden. Echter is er wel verschil tussen de verschillende bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten (bijlage 2).

In het Ontwikkelkader logiesaccommodaties in Noardeast-Fryslân‭, opgesteld in maart 2024, wordt raakvlak gezocht met agrarische nevenactiviteiten. Het ontwikkelkader is primair bedoeld om ontwikkelingsruimte te bieden voor kleinschalige logies, bijvoorbeeld als agrarische nevenactiviteit. Het ontwikkelkader wordt gehanteerd over een beleidsperiode van 5 jaar.

11.2 Waar willen we naartoe?

De gemeente wil de landbouw behouden als voedselproducent, drager van het landschap en de economie en biedt daarom ruimte aan ondergeschikte agrarische nevenactiviteiten. De rol van de gemeente is faciliterend, met als doel om een duurzame transitie te stimuleren naar een toekomstbestendige en natuurinclusieve land- en tuinbouw. Dit doen wij door middel van samenwerking, bewustwording en door het verruimen van regelgeving, daarnaast willen we actief meedenken aan mogelijke oplossingen. Voor het faciliteren van nevenfuncties gericht op recreatie, geldt de voorwaarde dat deze in balans moeten zijn met de omgeving en wat inwoners wenselijk vinden. Gezien het karakter, de aard en historie van de inwoners en het landschap zet de gemeente in op kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen.

Agrotoerisme 

We hebben als gemeente al een ontwikkelkader logies en accommodaties. Ons standpunt is dat agrotoerisme niet ten koste mag gaan van primaire landbouwactiviteiten. Daarom onderzoeken we het stellen van eventuele kaders in relatie tot landbouwactiviteiten en voedselproductie. Een belangrijk onderdeel is het bekend maken van beleid/regels bij agrariërs. Er zijn namelijk ook voorbeelden van bedrijven die al bezig zijn in het agrotoerisme en die ook gewenst zijn binnen ons beleid. Door middel van voorlichting willen we recreatie en toerisme stimuleren en daarnaast duidelijkheid geven welke extra verdienmodellen voor agrariërs mogelijk zijn.

Verkooppunten op het boerenerf 

We willen agrariërs ondersteunen door middel van het verbinden van relevante partijen, ontwikkelen van voorlichting en promoten van lokaal geproduceerd voedsel. We willen beleid ontwikkelen voor ondergeschikte detailhandel op het boerenerf als extra verdienmodel, waarbij onderzocht zal worden of de bestaande mogelijkheden verruimd danwel uitgebreid kunnen worden. Het doel is daarnaast om de agrariërs en de consumenten te verbinden en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van lokaal geproduceerd voedsel bekender te maken.

Energie opwek en - opslag 

Zoals ook genoemd en nader toegelicht bij thema 7 willen we onderzoek doen naar ruimte om mono-mestvergisting te faciliteren voor onder andere kleine agrariërs. Ook willen we beleid ontwikkelen om coöperatieve mono-mestvergisters mogelijk te maken op daarvoor geschikte locaties.  

Daarnaast zien we de opslag van energie op het boerenerf als een cruciale stap voor de energietransitie in het landelijk gebied. Daarom willen we onderzoek doen naar de mogelijkheden voor agrariërs, waarbij energie opwek en opslag een bijdrage leveren aan de energietransitie en daarnaast een extra verdienmodel kan zijn, waarbij agrariërs meer grip hebben op hun energiehuishouding. Zelf opgewekte zonne- of windenergie kan efficiënter worden benut, energiekosten dalen en afhankelijkheid van het net wordt verminderd.

Agrologistieke nevenactiviteiten 

We willen onderzoek doen naar mogelijkheden voor koel-, verwerking, verpakking en agrologistieke nevenactiviteiten op het boerenbedrijf. Daarbij willen we ruimtelijk beleid ontwikkelen om agrologistieke nevenactiviteiten te reguleren, waarbij bouwblokgrootte, de hiërarchie in het wegennet, grondgebondenheid, het familiebedrijf als fundament van de samenleving en het provinciale begrip ‘agrolocatie’ belangrijke aanknopingspunten zijn. Het doel is om visie te ontwikkelen m.b.t. mogelijkheden voor agrologistieke nevenactiviteiten, grootschaligheid landbouwbedrijven, verkeersdruk en -bewegingen op wegen in het landelijk gebied, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en verindustrialisering van het buitengebied. Daarnaast om tot een analyse te komen van voor- en nadelen, waar, hoe groot en welke agrologistieke nevenactiviteiten toe te staan op boerenbedrijf.

11.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergeven:

afbeelding binnen de regeling

12. Thema 10 onderwijs en onderzoek

12.1 Waar staan we nu?

Het behoud en versterken van de leidende positie en uitdagingen in de landbouwsector, vragen om een gerichte investering in onderwijs en onderzoek. Door te investeren in kennisontwikkeling kunnen we niet alleen inspelen op grote uitdagingen op het gebied van klimaatverandering, voedselzekerheid, veranderende eisen van de samenleving en de markt, maar ook een voorsprong behouden in een steeds competitievere wereld. 

Onderwijsinstellingen, onderzoekscentra en het bedrijfsleven spelen hierin een sleutelrol. Door hun krachten te bundelen, kunnen zij nieuwe generaties opleiden die zijn toegerust met de kennis en vaardigheden om duurzame oplossingen te ontwikkelen. Tegelijkertijd zorgt praktijkgericht onderzoek voor directe toepasbaarheid van nieuwe inzichten in de landbouwpraktijk. Zo bouwen we aan een toekomstbestendig voedselsysteem dat ecologisch verantwoord en economisch rendabel is.

Beleid

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) benadrukt het belang van een goede samenwerking tussen beroepsonderwijs en het regionale bedrijfsleven. Dit is essentieel voor het economisch toekomstperspectief van regio’s en om jongeren perspectief te bieden op werk in hun eigen omgeving. De landbouwtransitie vraagt om kennisontwikkeling en praktijkgericht onderzoek.

In de Beleidsbrief Noflik Buorkje yn Fryslân 2025-2030 zet de provincie Fryslân sterk in op onderwijs en onderzoek als fundament voor een toekomstbestendige landbouw. Er is aandacht voor samenwerking met mbo, hbo en Campus Fryslân, om jongeren voor te bereiden op duurzame landbouw, waterbeheer en natuurbeheer. Investering in kenniscentra, praktijkprojecten, samenwerkings- en kennisnetwerken zijn van belang om agrariërs te verbinden met onderzoek. Daarnaast wordt gestuurd op stimuleren van onderzoek en innovatie door pilots, Fjildlabs en experimenteerregio’s, waar ruimte is voor praktijkgericht onderzoek. De focus is niet alleen gericht op innovatieve bedrijfsmodellen, maar ook gezonde verdienmodellen voor agrariërs.

Ook in onze Omgevingsvisie stimuleren we samenwerking met onderwijs en kennisinstellingen. In het kader van een gezonde economische structuur wordt het belang genoemd van samenwerking tussen ondernemers, onderwijs en overheid (triple helix). Er is aandacht voor het binden en boeien van jonge mensen aan de regio, onder andere door het aanbieden van relevante opleidingen en stages in de landbouwsector. Er wordt gestreefd naar het versterken van de kennisinfrastructuur, onder andere door het stimuleren van praktijkgericht onderzoek en het betrekken van studenten bij regionale opgaven. Qua onderzoek ligt de aandacht op nieuwe teeltmethoden, kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw, waarbij onderzoek en kennisdeling een belangrijke rol spelen.

12.2 Waar willen we naartoe?

Doel van de maatregelen voor onderwijs en onderzoek is het versterken van kennis en onderzoek naar duurzame landbouw en voedsel(productie). Door kennisontwikkeling willen we de voorsprong van onze landbouw behouden.  

Door samenwerking met andere partijen, zoals overheden, landbouw, onderzoek en onderwijs, agrarische collectieven en bedrijfsleven, willen we een bijdrage leveren de ontwikkeling van een innovatie- en kennishub landbouw en landelijk gebied. Onze rol ligt in het samenwerken en verbinden, dit betekent dat we actief in gesprek gaan met partijen en afspraken maken. En we zullen partijen verbinden en ondersteunen om te komen tot samenwerking. Een dergelijke hub kan fungeren als een centraal punt waar ondernemers, onderzoekers, onderwijsinstellingen en overheden samenwerken aan toekomstgerichte oplossingen. Door kennisdeling, samenwerking en het bundelen van expertise ontstaat een vruchtbare omgeving voor innovatie en praktijkgericht onderzoek. Innovatie- en kennishubs stimuleert de ontwikkeling en toepassing van duurzame landbouwtechnieken, zoals precisielandbouw.  

Binnen onze gemeente willen we deze kennis ook inzetten en uitbreiden door onderzoek en verkenning naar klimaatneutrale, lokale en circulaire mestverwerking en – verwaarding. En toegepast onderzoek en kennisontwikkeling van zowel de (poot)aardappel- en groententeelt, robuuste rassen/zilte teelten (thema 4 en 5), natuurlijke bermen en oevers en ondergrondse zoetwateropslag (zie thema 3, 4 en 5).  

De (poot)aardappelteelt is een grote economische pijler in onze gemeente. Toegepast onderzoek en kennisontwikkeling zijn cruciaal om de sector toekomstbestendig te maken. Door innovaties op het gebied van bodemgezondheid, precisielandbouw, milieuvriendelijke gewasbescherming en klimaatadaptatie kunnen telers efficiënter en duurzamer produceren. Onderwijs en onderzoek spelen hierin een sleutelrol: het zorgt voor goed opgeleide vakmensen en stimuleert kennisoverdracht tussen onderzoek, landbouw, bedrijfsleven en jonge professionals. Investeren in deze pijler versterkt de concurrentiepositie van de regio en draagt bij aan een veerkrachtige en toekomstbestendige landbouwsector.  

Samenwerking tussen veehouders en akkerbouwers wordt steeds belangrijker op het gebied van mestverwerking, mestverwaarding, waterkwaliteit en bodemgezondheid. Veehouders hebben met de afbouw van derogatie te maken en de akkerbouwers krijgen in 2027 te maken met de Kaderrichtlijn Water (KRW). Hierdoor ontstaan kansen, maar is het wenselijk dat veehouders en akkerbouwers een juiste afstemming en samenwerking met elkaar hebben. Doel is om lokale kringlopen te sluiten en de samenwerking tussen akkerbouwers en veehouders in de regio te versterken. Daarnaast draagt deze maatregel bij aan het verlagen van de uitstoot (stikstof, methaan en CO2), klimaatverandering, bodemgezondheid, waterkwaliteit en verlagen van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelengebruik.

12.3 Hoe gaan we dat doen?

In onderstaande tabel zijn de opgestelde maatregelen weergegeven:

13. Uitvoering

13.1 Inleiding

De opgave vanuit de Omgevingswet is dat beleidskeuzes concreet doorwerken in maatregelen. Zo werken we als gemeente aan een integraal omgevingsplan, als vervanger van onze bestemmingsplannen. De verbindende schakel tussen de omgevingsvisie (strategisch niveau) en het omgevingsplan (operationeel niveau) wordt gevormd door de omgevingsprogramma’s (tactisch niveau). 

Vanwege het grote belang van de landbouw als stuwende economische sector binnen onze gemeente is besloten een Omgevingsprogramma landbouw op te stellen. In hoofdstuk 6.3 van de Omgevingsvisie, ‘Een gezonde economische structuur en toeristisch-recreatief aantrekkelijk’, is op hoofdlijnen een beschrijving van de kernkwaliteiten en kernopgaven voor de landbouw beschreven. Het gaat in het Omgevingsprogramma landbouw om een verdere concretisering van de hoofdlijnen uit de Omgevingsvisie.  

In april 2025 is de startnotitie voor het Omgevingsprogramma landbouw gepresenteerd en zijn tien thema’s benoemd die de kern van het programma vormen. Zowel het college als de gemeenteraad zijn akkoord gegaan met de kaders van deze thema’s. Deze zijn vervolgens via interne werksessies, een op een gesprekken en inloopbijeenkomsten verder uitgewerkt in dit Omgevingsprogramma landbouw. Hierdoor ontstaat duidelijk beleid en concrete regels die de landbouw helpen toekomstbestendig te worden.  

Het doel van dit programma is het versterken van de mogelijkheden van agrarische bedrijven in relatie met belangrijke opgaven, zoals klimaatadaptatie, water en brede welvaart met een balans tussen economie en ecologie. De agrarische sector heeft behoefte aan duidelijke kaders om te kunnen ondernemen en zich verder te kunnen blijven ontwikkelen als toekomstbestendige sector.  

Een omgevingsprogramma is een dynamisch document dat meebeweegt met nieuwe inzichten, ontwikkelingen en behoeften in de fysieke leefomgeving. Het biedt ruimte voor tussentijdse aanpassingen en bijstellingen, zodat beleid en uitvoering flexibel kunnen inspelen op maatschappelijke, ecologische en ruimtelijke veranderingen. Daarnaast wordt de voortgang van de uitvoering van de maatregelen periodiek geëvalueerd. Hiervoor wordt een gemeentelijk kernteam samengesteld dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de maatregelen. Het kernteam komt periodiek bij elkaar om de stand van zaken te bespreken en waar nodig de maatregelen bij te stellen aan de hand van de bevindingen. Hierdoor blijft het programma actueel en effectief in het realiseren van de doelen van de Omgevingswet.

13.2 Rol van de gemeente Noardeast-Fryslân en wat we al doen

We zien dit Omgevingsprogramma landbouw als een belangrijke stap om uitdagingen in de landbouw vorm en inhoud te geven. Door middel van concrete maatregelen kan het programma uitgevoerd worden om te werken richting een toekomstbestendige landbouw in onze gemeente.  

Als gemeente nemen we verschillende rollen aan bij de uitvoering van maatregelen. Deze rollen beschrijven we hieronder, met voorbeelden van maatregelen die we al uitvoeren en blijven uitvoeren. Vervolgens gaan we in de volgende paragraaf in op nieuwe maatregelen die we willen gaan uitvoeren. 

Initiëren 

In deze rol ontwikkelt, verbindt, faciliteert en regisseert de gemeente als initiator. De gemeente biedt visie en ambitie, waardoor richting wordt gegeven aan de koers voor toekomstbestendige landbouw in onze gemeente. 

Momenteel hebben de wethouder economie/landbouw en de landbouwambtenaar al periodiek overleg met de gedeputeerde van landbouw bij provincie Fryslân. Deze periodieke overleggen hebben we op bestuurlijk en ambtelijk niveau ook met Wetterskip Fryslân. Onderwerpen bij deze overleggen lopen uiteen van actuele zaken die de landbouw en onze gemeente raken, verbindingen leggen tot en met het gezamenlijk optrekken in projecten. Voorbeelden hiervan zijn afstemming en participatie in het landbouwprogramma van provincie Fryslân en het Omgevingsprogramma landbouw van onze gemeente. 

Daarnaast voeren we minimaal tweemaal per jaar overleg met regiobestuurders van LTO/NAV/NMV/AJF en agrarische collectieven Waadrâne en Noardlike Fryske Wâlden. Bij het overleg wordt de gemeente vertegenwoordigd door de wethouder economie/landbouw, de landbouwambtenaar en waar nodig door andere relevante ambtenaren. De gemeente nodigt vaak een spreker uit voor kennisdeling, ontwikkeling en/of verbinding. Voorbeelden hiervan zijn de Friese Milieu Federatie over mestverwerking en provincie Fryslân over NPLG-maatregelpakketten landbouw. 

Wethouder en/of landbouwambtenaar bezoeken met enige regelmaat (vak)beurzen op het gebied van landbouw en voedselproductie. Voorbeelden hiervan zijn de Bioteelt & Techniekbeurs, Biofach (beurs voor voedsel, korte ketens en samenwerkingsverbanden), Noordnederlandse landbouwbeurs, Potato Europe, Agritechnica/EuroTier en regionale praktijk- en veldbijeenkomsten. Dit vergroot enerzijds de gemeentelijke landbouwkennis en anderzijds kan de gemeente regelmatig agrariërs uit onze gemeente verbinden aan interessante partijen waarmee we op deze beurzen contact leggen.

Regisseren 

In deze rol neemt de gemeente zelf maatregelen of voert nader onderzoek uit. Hierbij hebben ook andere partijen een rol, maar de gemeente houdt de regie en is hierbij met name procesbewaker. Zij kan tegelijkertijd initiatiefnemer, kadersteller en voor een deel ook uitvoerder zijn, maar dat hoeft niet per se. Andere partijen kunnen ook initiatiefnemer of uitvoerder zijn.  

Dit geldt niet alleen voor projecten die vanuit onze gemeente komen, maar we blijven ook aangehaakt bij verschillende processen in regio en provincie waar andere partijen de regie hebben of samen de regie wordt gevoerd. We leveren op proactieve wijze onze inbreng, geredeneerd vanuit ons eigen beleid. Voor de landbouw zijn processen van belang zoals:   

  • Beleidsbrief en uitvoeringsprogramma landbouw van de provincie 

  • Realisatie groenblauwe dooradering op overheidsgronden 

  • Gebiedsprocessen zoals bodemdaling Dongeradielen en de dijkversterking 

  • Regionale samenwerkingsvormen (zowel bestuurlijk als netwerk)

Als gemeente Noardeast-Fryslân vertegenwoordigen we de mienskip, waaronder de agrariërs, in het bredere debat en zetten we ons in om onze belangen daar optimaal behartigd te zien. 

Een concreet voorbeeld is de verspreiding van invasieve exoten die we actief tegengaan Zoals opgenomen in de beleidsnotitie invasieve exoten

Daarnaast bieden we jonge mensen de mogelijkheid om stage bij ons te lopen op landbouw. Dit helpt studenten bij persoonlijke ontwikkeling en de gemeente krijgt input van jonge mensen.

Reguleren 

In deze rol maakt de gemeente regels in het omgevingsplan. Regulering door wet- en regelgeving is het zwaarste instrument dat de gemeente kan inzetten en gaat over de kerntaken van de gemeente. Als consequentie van dit middel kan de gemeente regels ook handhaven en overtreding daarvan sanctioneren. De gemeente is hierbij duidelijk de enige initiatiefnemer, kadersteller, procesbewaker en uitvoerder tegelijk.  

Deze rol is wettelijk bepaald. Zo is de gemeente verplicht een omgevingsvisie en een omgevingsplan op te stellen. De omgevingsvisie geeft onze ambities en opgaven op hoofdlijnen voor de langere termijn weer. Dit Omgevingsprogramma landbouw is een opvolgende bouwsteen van de Omgevingsvisie, waarin wordt opgenomen op welke wijze de ambities en opgaven voor de landbouw kunnen worden gerealiseerd. 

Het omgevingsplan is de opvolger van het bestemmingsplan en bevat juridische regels en het uitvoerende beleid voor de hele fysieke leefomgeving. Zo gelden voor de landbouw regels die van invloed zijn op agrarisch gebruik van gronden, zoals milieuregels, waterbeheer en landschapsinrichting. Maar ook regels met betrekking tot nevenactiviteiten en parkeren bij bijvoorbeeld boerderijwinkels. Als gemeente zijn we actief bezig om het ‘Omgevingsplan gemeente Noardeast- Fryslân’, dat sinds 1 januari 2024 van kracht is, te actualiseren. Bij het omzetten van de bestemmingsplannen naar het omgevingsplan, wordt in eerste instantie uitgegaan van een beleidsneutrale overgang, waarbij wel relevante aspecten vanuit de omgevingsvisie worden meegenomen. Daarnaast zal er sprake zijn van harmonisatie van de regels, doordat alle bestemmingsplannen samengevoegd worden in één omgevingsplan. 

Stimuleren 

Via deze rol werkt de gemeente aan bewustwording en kennisdeling via voorlichting. Hierbij heeft de gemeente de wens dat bepaald beleid van de grond komt, maar de realisatie daarvan laat zij over aan anderen. Zij zoekt naar mogelijkheden om anderen in beweging te krijgen. De gemeente neemt hierin het initiatief en kan hiervoor bepaalde kaders stellen. Andere partijen hebben de rol van procesbewaker of uitvoerder. 

Onze wethouder en/of landbouwambtenaar geven tijdens diverse gelegenheden (bijvoorbeeld bij VNG, Biofach, Vlinderstichting, lokale landbouw etc.) al presentaties over de aanpak voor landbouw in gemeente Noardeast-Fryslân. Daarnaast stellen we infographics op, die thema’s visualiseren om te helpen om informatie over thema’s te kunnen uitleggen. Zo hebben we met de gemeenten Harlingen en Waadhoeke een infographic landbouw kleischil opgesteld, waarin iedere gemeente haar eigen specifieke wensen en behoeften op het gebied van landbouw heeft aangeven.  

Gezamenlijk met onder andere de VNG en P10 zetten wij druk op het Rijk om landelijk beleid te ontwikkelen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen. We verbinden, faciliteren en stimuleren waar mogelijk initiatieven om via kennisdeling het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. 

Faciliteren 

De gemeente ondersteunt maatschappelijke initiatieven. In deze rol stellen we kennis, capaciteit en/of middelen beschikbaar die bijdragen aan onderzoeken, pilots en projecten om gestelde doelen of ontwikkelingen te bereiken. Dit kunnen ook Europese, landelijke of provinciale (financiële) middelen zijn die beschikbaar zijn voor onze gemeente.  

Als gemeente zetten we ons actief in voor het werven van fondsen voor projecten binnen onze gebiedsgrenzen. Daarnaast werken we met de provincie Fryslân voor de kuststrook aan een IKW-aanvraag (Investeringskader Waddengebied). We werken ook aan de nieuwe Regiodeal en zetten we in op financiering van herstelmaatregelen van schade door bodemdaling vanwege gaswinning in de Dongeradielen. 

In het kader van de gebiedsontwikkeling Dongeradielen faciliteert de gemeente een pilot voor natuurlijke bermen en oevers. Deze pilot wordt gefinancierd door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) als onderdeel van schadeherstel en compensatie voor bodemdaling door gaswinning. De gemeente is initiatiefnemer en werkt in deze pilot nauw samen met Wetterskip Fryslân en de provincie Fryslân. Door het creëren van ecologisch rijke overgangen tussen land en water dragen de natuurlijke bermen en oevers bij aan biodiversiteit, klimaatadaptatie en landschappelijke versterking in het gebied. 

Via de versnellingsagenda zijn tal van subsidies verstrekt aan projecten ten behoeve van de landbouw. Een voorbeeld is het project Sûn ite, waarbij 600 basisschoolleerlingen zijn voorzien van gezonde hapjes direct van een agrariër uit onze gemeente. Primair-, voorgezet- en hoger onderwijs werken in dit project samen. Maar ook zijn er diverse innovatieve projecten in de landbouwsector op het gebied van biodiversiteit en mestverwerking ondersteund door gelden uit de versnellingsagenda.

Samenwerken 

De gemeente gaat in deze rol actief in gesprek en maakt afspraken met andere partijen. Deze rol pakken we proactief op in gebiedsprocessen, beleidstrajecten en lobbytrajecten bij andere overheden, gericht op het borgen van de belangen van de Noardeast-Fryslân. Maar bestuurders en ambtenaren leggen daarnaast ook contact met agrariërs en andere relevante partijen. 

Zowel bestuurlijk als ambtelijk wordt deelgenomen in diverse gebiedsprocessen (Gebiedsontwikkeling Dongeradielen, de dijkversterking, Programma Aansluiting Wind Op Zee en Frysk Programma Landelijk Gebied), projecten en regionale overleggen zoals gemeentelijke klankbordgroep landelijk gebied en ambtelijk netwerk landelijk gebied van de VNG. Om kennis- en capaciteitsdeling te bevorderen, werken we samen met provincie Fryslân op gemeenschappelijke thema’s. Daarnaast bezoeken de wethouder economie/landbouw en de landbouwambtenaar, gezamenlijk en individueel, periodiek agrariërs in de gemeente voor keukentafel gesprekken om op de hoogte te blijven wat er speelt of tot steun te kunnen zijn bij calamiteiten binnen onze gemeente. 

Verbinden 

In deze rol verbindt en ondersteunt de gemeente partijen om te komen tot samenwerking. We dragen bij om relevante partijen en initiatiefnemers met elkaar te verbinden en ‘het gesprek’ op gang te houden. We nemen een actieve procesrol op ons. 

We bezoeken netwerkbijeenkomsten zoals verziltingsnetwerk Salta, AgroAgenda Noord Nederland en andere bijeenkomsten. Zo breiden we onze kennis, netwerk en verbindingsmogelijkheden met de landbouw in onze gemeente uit.

13.3 Concrete uitvoering

De nieuwe maatregelen die in dit Omgevingsprogramma landbouw zijn voorzien, zijn hieronder gecategoriseerd per rol die we als gemeente aannemen. In bijlage 3 is de complete lijst met maatregelen opgenomen. Na twee jaar volgt een eerste evaluatie van de uitvoering van het programma. 

1. Initiëren (visie en ambitie) 

De landbouwgrond in het gebied wordt gewaardeerd vanwege haar functie en bijdrage aan het landschap. Daarom wordt, waar passend, ingezet op het behoud van deze gronden voor landbouwdoeleinden. Dit doen we door bijvoorbeeld te kiezen voor inbreiding boven uitbreiding. We gebruiken hierbij instrumenten als de ladder voor duurzame verstedelijking en de zonneladder. 

Daarnaast ontwikkelen we ruimtelijk beleid, zo nodig in samenwerking met andere overheden, met betrekking tot:

  • coöperatieve mono-mestvergisting; 

  • stroomopslag op boerenerven; 

  • reguleren grootschaligheid en agrologistiek.

We ontwikkelen ook beleid op het gebied van arbeidsmigranten, dat onder andere ingaat op huisvesting, werkomstandigheden en integratie. 

2. Regisseren (zelf maatregelen of onderzoek uitvoeren, gemeente houdt regie, procesbewaker) 

Binnen onze gemeentelijke organisatie kopen we gezond, lokaal en duurzaam geproduceerd voedsel in. 

We voeren een pilot uit met herinrichten van bermen en oevers op gemeentegronden in oude Dongeradielen om extra waterberging te creëren. Hiermee verkleinen we het waterbergingstekort veroorzaakt door bodemdaling veroorzaakt door gaswinning zonder dat ten koste gaat van landbouwgrond. 

De lopende pilot compostering van groene reststromen vanuit de gemeente bij de agrariër (met Agricycling) willen we verlengen en uitbreiden. 

We leiden onze medewerkers, die gemeentelijke bermen onderhouden, op om bermen ecologische te beheren. En we investeren in machines voor ecologisch onderhoud.

3. Reguleren (wet- en regelgeving, gemeente is enige initiatiefnemer, kaderstellend, procesbewaker en uitvoerder) 

We maken het in het omgevingsplan makkelijker om ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit toe te staan, binnen de kaders die het omgevingsplan en wetgeving toestaan. 

We gaan flexibel om met regelgeving bij pilotprojecten, binnen de kaders die wetgeving toestaan. Bijvoorbeeld bij ondergrondse zoetwateropslag, herinrichten natuurlijke bermen en oevers, watererven. 

Kaders die voortvloeien uit nog op te stellen beleid op het gebied van coöperatieve mono-mestvergisters, stroomopslag op boerenerven, arbeidsmigranten, grootschaligheid en agrologistiek nemen we op in het omgevingsplan. 

We harmoniseren het vergroten van het bouwvlak voor de gehele gemeente in het omgevingsplan, mits dat mogelijk is binnen de kaders van overige wetgeving. 

We gaan de kwaliteiten van het landschap beschermen in het omgevingsplan.

4. Stimuleren (bewustwording, kennisdeling via voorlichting. Beleid van de grond laten komen, waarbij gemeente zelf geen initiatiefnemer is, procesbewaker of uitvoerder) 

We stimuleren de ontwikkeling van een Frysk Noardeast kookboek, waarin we agrariërs aan het woord laten, hun bedrijf en werkwijzen laten zien, (familie)recepten opnemen, verkooplocaties van streekproducten weergeven en het gebruik van ‘Too good to go’ bij producent en consument stimuleren. 

Met dit boek:

  • geven we agrariërs en ondernemers in onze gemeente een podium en gezicht; 

  • informeren we de mienskip over waar ze lokaal gezond voedsel kunnen kopen; 

  • voorkomen we voedselverspilling van afgekeurd voedsel door boer en consument via een platform samen te brengen; 

  • hebben we een instrument voor het geven van voorlichting op basis- en voortgezet onderwijs over gezond voedsel (in de schoolkantine) en de landbouw.

We willen agrariërs via voorlichting bewust maken om waar mogelijk overtollig voedsel bij voedselbanken in onze gemeente aan te bieden. Dit komt ten goede aan onze mienskip. 

Met het uitbrengen van het kookboek starten we tegelijkertijd een voorlichtingsprogramma over ‘direct kopen bij de boer’ en korte keten economie. 

Voor de agrarische sector zetten we in op kennisdeling op het gebied van:

  • kringloop landbouw en voedselproductie door het organiseren van kennistafels en/of landbouw bewustwordingsweek; 

  • agrologistiek, grootschaligheid, werkwijzen en landbouwmethoden door een bewustwordingscampagne voor agrariërs; 

  • presenteren resultaten op bijeenkomsten voor agrariërs van nog uit te voeren onderzoeken. 

5. Faciliteren (kennis en subsidies, financiële bijdrage (ook Europees of landelijk) aan onderzoek, pilots en projecten) 

We zoeken actief naar financiering en middelen voor pilots en/of onderzoek. Met onze inhoudelijke kennis, kennis van het gebied en grote netwerk, zullen we (toegepast) onderzoeken faciliteren. 

Niet alleen voor pilots en onderzoeken binnen onze gemeente, maar ook bij onderzoeken naar thema’s die in onze gemeente van belang zijn, zoals:

  • de bijdrage van zoetwatererven en zoetwateropslag bij boerenerven aan opgaven als verzilting, biodiversiteit, waterberging en zoetwaterbeschikbaarheid; 

  • ondergrondse zoetwateropslag als kansrijke techniek voor zoetwaterbeschikbaarheid; 

  • biodiversiteitsherstel in combinatie met groenblauwe dooradering (GBDA) in samenwerking met provincie en (kennis)partners, zoals Van Hall; 

  • inrichten natuurlijke oevers langs landbouwpercelen. Analyseren wat impact is op waterkwaliteit en biodiversiteit en welke (on)mogelijkheden dit biedt voor agrariërs; 

  • geschikte locaties voor coöperatieve mono-mestvergisting; 

  • klimaatneutrale en circulaire mestverwerking en -verwaarding; 

  • agrologistieke nevenactiviteiten; 

  • (poot)aardappelteelt; 

  • robuuste rassen en zilte teelten.

6. Samenwerken (maakt afspraken, actieve procesrol, contact met agrariërs/gebiedsprocessen)  

Met agrarische collectieven, overheden, het bedrijfsleven, onderzoek en onderwijs werken we samen in een innovatie- en kennishubs voor de landbouw en het landelijk gebied. Deze hubs stimuleren de ontwikkeling en toepassing van duurzame landbouwtechnieken, zoals precisielandbouw, zoetwateropslag, natuurlijke oevers, robuuste rassen/zilte teelten en kringlooplandbouw. Anderzijds kan een dergelijke hub leiden tot nieuwe verdienmodellen, versterking van de concurrentiepositie van de landbouw en bijdragen aan economische groei op lokaal niveau. 

Met Wetterskip Fryslân, landbouwsector, provincie Fryslân, kennisinstellingen en bedrijfsleven werken we actief samen in een onderzoek naar (ondergrondse) zoetwateropslag en toegepast onderzoek en ontwikkeling van robuuste rassen en/of zilte teelten in Noard Fryslân Bûtendyks. 

We nemen een actieve procesrol in de samenwerking met onderwijs en bedrijfsleven, natuur- en agrarische collectieven voor het delen van kennis (bijvoorbeeld op gebied van kringloop landbouw, klimaatneutrale en circulaire mestverwerking en -verwaarding en inrichting natuurlijke bermen en wateroevers).

7. Verbinden (partijen/initiatiefnemers bij elkaar brengen om te komen tot samenwerking, actief in gesprek en in gesprek blijven) 

Door onze samenwerking met diverse partijen in het landelijk gebied is ons netwerk groot en zullen we partijen met elkaar in verbinding brengen waar we kansen zien, zoals bij innovatieve initiatieven. Maar ook agrariërs op het gebied van (poot)aardappel- en groententeelt kunnen we verbinden met onderzoek en onderwijs, agrarische collectieven en bedrijfsleven. 

We brengen akkerbouwers en veehouders in onze gemeente met elkaar in contact om samen te werken aan kringloop landbouw via korte ketens. Veehouders kunnen door de afbouw van derogatie minder stikstof uit dierlijke mest op hun grond aanbrengen en akkerbouwers moeten in 2027 aan waterkwaliteitsnormen uit de Kaderrichtlijn Water voldoen. Hierdoor ontstaan kansen voor samenwerking, maar is het wenselijk dat veehouders en akkerbouwers zelf tot een juiste afstemming en samenwerking met elkaar komen

Bijlagen

Bijlage 1: Bijlage_1_Participatieverslag_Inloopbijeenkomsten.pdf

Bijlage 2: Bijlage_2_Mogelijkheden_voor_nevenactiviteiten.pdf

Bijlage 3: Bijlage_3_Complete_tabel_met_maatregelen.pdf

Bijlage 4: Bijlage_4_Lijst_met_afkortingen.pdf

Bijlage I Informatieobjecten