Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743067
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743067/1
Beleidsregels Bijzondere Bijstand Stichtse Vecht 2025
Geldend van 01-08-2025 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Bijzondere Bijstand Stichtse Vecht 2025Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht ;
gelet op:
- •
Artikel 35 van de Participatiewet;
- •
Titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht,
b e s l u i t
vast te stellen de volgende:
Beleidsregels Bijzondere Bijstand Stichtse Vecht 2025
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
-
1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- •
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- •
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht;
- •
draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de bijzondere kosten te voorzien;
- •
draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van de belanghebbende wordt vastgesteld.
- •
Duurzame samenwoning: het voeren van een gezamenlijke huishouding gedurende een periode van minimaal 6 maanden;
- •
NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
- •
Pw: Participatiewet;
- •
Reserveringsplicht: de verplichting om geld te reserveren van het inkomen of bijstandsnorm om de voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voldoen
- •
woning: hieronder valt een zelfstandige woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Als woning wordt ook een woonwagen op een erkende standplaats of een woonschip met een erkende ligplaats aangemerkt;
- •
woonkosten: kosten verbonden aan een (eigen) woning die meer bedragen dan de toepasselijke basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag (Wht);
- •
-
2. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Pw en de Awb.
Artikel 2. Advisering
-
1. Het college kan om deskundigenadvies vragen indien dat voor het vaststellen van het recht en/of de hoogte van de bijzondere bijstand noodzakelijk is.
-
2. Het college vraagt in ieder geval advies aan de door het college aangewezen medisch adviseur bij een (eerste) aanvraag om bijzondere bijstand voor:
- a.
dieetkosten;
- b.
stookkosten;
- c.
waskosten;
- d.
kledingslijtage.
- e.
Individuele studietoeslag
- a.
-
3. Bij het advies als bedoeld in het tweede lid wordt aan de medisch adviseur tevens een prognose gevraagd.
-
4. De belanghebbende verleent desgevraagd medewerking aan het onderzoek dat nodig is voor het advies als bedoeld in het eerste en tweede lid.
-
5. Het vragen van een medisch advies als bedoeld in het tweede lid kan achterwege blijven als:
- a.
het jaarlijks terugkerende kosten betreft en het overduidelijk is dat de (medische) situatie sinds het laatste medisch advies niet is gewijzigd of wanneer herbeoordeling niet wordt geadviseerd, waarbij minimaal eens in de vijf jaar een nieuw medisch advies wordt opgevraagd;
- b.
de medische noodzaak op een andere wijze is vastgesteld en de kosten bovendien lager zijn dan € 300,00, tenzij het naar verwachting gaat om een meerjarige verstrekking.
- a.
Artikel 3. Nadere verplichtingen
Het college kan aan de bijzondere bijstand nadere verplichtingen verbinden op grond van artikel 55 van de Pw zoals:
- a.
verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van de bijzondere bijstand; of
- b.
verplichtingen die gericht zijn op beëindiging of vermindering van de bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 2. Algemene uitgangspunten en voorwaarden
Artikel 4. Algemene voorwaarden
-
1. Het college beoordeelt de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 35 en paragraaf 2.2 van de Pw, tenzij deze beleidsregels ten gunste van de belanghebbende anders bepalen.
-
2. Er bestaat alleen aanspraak op bijzondere bijstand voor kosten die in Nederland zijn opgekomen en aan Nederland zijn verbonden.
Artikel 5. Noodzakelijke kosten
-
1. Bijzondere bijstand wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin het inkomen niet voorziet, die niet worden gedekt door een voorliggende voorziening en die niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan.
-
2. De kosten genoemd in artikel 14 van de Pw komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, tenzij naar oordeel van het college sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Pw.
Artikel 6. Voorliggende voorziening
-
1. Onder een voorliggende voorziening wordt een voorziening verstaan buiten de Pw waarop een beroep kan worden gedaan ter verwerving van middelen of bekostiging van specifieke uitgaven.
-
2. Als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Pw wordt in ieder geval aangemerkt de:
- a.
Wet langdurige zorg;
- b.
Zorgverzekeringswet;
- c.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2025;
- d.
Wet op de rechtsbijstand;
- e.
persoonlijke lening, bijvoorbeeld bij de Kredietbank.
- a.
-
3. Een aanvullende (collectieve) zorgverzekering wordt eveneens aangemerkt als een voorliggende voorziening indien de belanghebbende daarover beschikt of kan beschikken en voor zover de kosten waar bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd door de aanvullende (collectieve) zorgverzekering (gedeeltelijk) worden vergoed.
Artikel 7. Bijzondere omstandigheden
-
1. Voor incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geldt in principe een reserveringsplicht dan wel de verplichting om gebruik te maken van de mogelijkheid van een gespreide betaling achteraf.
-
2. Onder de kosten als bedoeld in het eerste lid vallen in ieder geval:
- a.
eerste aanschaf of vervanging duurzame gebruiksgoederen;
- b.
verhuiskosten;
- c.
aanschaf of vervanging van een identiteitsbewijs/verblijfsdocument;
- d.
kosten van woninginrichting en stoffering;
- e.
woonkosten.
- a.
-
3. Voor incidenteel of periodiek voorkomende bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan beoordeelt het college of sprake is van bijzondere omstandigheden. Voor deze kosten geldt geen reserveringsplicht.
-
4. Onder de kosten als bedoeld in het vorige lid vallen in ieder geval:
- a.
dieetkosten;
- b.
stookkosten;
- c.
waskosten;
- d.
kledingslijtage.
- a.
Artikel 8. Draagkracht
-
1. Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en het gezin.
-
2. De draagkracht wordt vastgesteld met inachtneming van de middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Pw.
-
3. Bij de vaststelling van het inkomen blijven de middelen als bedoeld in artikel 31, tweede lid en het bijzonder inkomen als bedoeld in artikel 33, vijfde lid, van de Pw buiten beschouwing, met uitzondering van het bepaalde in artikel 31 lid 5 van de Pw.
-
4. De vermogensbepalingen zoals omschreven in artikel 35 lid 1 van de Pw zijn van toepassing, met uitzondering voor bijzondere bijstand zoals genoemd in artikel 23 en 24 van deze beleidsregels.
-
5. De individuele inkomenstoeslag wordt voor de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen.
-
6. De individuele studietoeslag wordt voor de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen.
-
7. Bij de vaststelling van het inkomen wordt de eigen bijdrage bij zorg met verblijf in mindering gebracht.
Artikel 9. Draagkrachtruimte en draagkrachtpercentage
-
1. De draagkrachtruimte is het gedeelte van het inkomen, dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld.
-
2. De draagkracht wordt gevormd door een percentage van de draagkrachtruimte vermeerderd met het gehele in aanmerking te nemen vermogen op het moment van de aanvraag.
-
3. De draagkracht als bedoeld in het vorige lid bedraagt:
- a.
0% van de draagkrachtruimte tot en met 110% van de geldende bijstandsnorm;
- b.
40% van de draagkrachtruimte over meer dan 110% van de geldende bijstandsnorm.
- a.
-
4. In afwijking van lid 3 bedraagt de draagkracht 100% over de volledige draagkrachtruimte indien bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kosten die behoren tot de algemene bestaanskosten, waaronder:
- a.
aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud aan personen van 18 tot 21 jaar;
- b.
uitvaartkosten;
- c.
een woonkostentoeslag;
- d.
de administratiekosten;
- e.
waarborgsom;
- f.
de eerste en tweede maand huur voor een woning;
- g.
inrichtingskosten;
- h.
verhuiskosten;
- i.
duurzame gebruiksgoederen;
- j.
overbruggingsuitkering.
- a.
-
5. Indien de draagkracht wordt vastgesteld zoals bepaald in het vierde lid, wordt één maand van de toepasselijke bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag vrijgelaten in verband met het kunnen voldoen van de noodzakelijke kosten.
-
6. De draagkracht binnen een lopende draagkrachtperiode wordt alleen dan herzien indien de wijzigingen in het inkomen van zodanig belangrijke aard zijn, dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan.
-
7. De draagkracht voor personen die in detentie verblijven is afwijkend bepaald in artikel 28, vijfde lid onder b van deze beleidsregels.
Artikel 10. Draagkrachtperiode
-
1. De draagkracht in het inkomen en vermogen wordt vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin de kosten zijn opgekomen.
-
2. Voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in het vorige lid wordt de draagkracht die is vastgesteld per maand, toegerekend naar een periode van 12 maanden.
-
3. De vastgestelde draagkracht als bedoeld in lid 2 wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.
-
4. In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht als bedoeld in lid 2 gespreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.
-
5. Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.
Artikel 11. Vaststellen maandinkomen
-
1. Als maandinkomen wordt in aanmerking genomen het inkomen over de maand waarin de kosten als bedoeld in artikel 5 voor het eerst zijn opgekomen.
-
2. Bij wisselende inkomsten wordt voor het vaststellen van het maandinkomen het gemiddelde genomen van het inkomen over de maand waarin de kosten zijn gemaakt alsmede de onmiddellijk daaraan voorafgaande drie maanden (bij sterk wisselende inkomsten zes maanden).
-
3. Indien bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt het inkomen waarop beslag ligt meegenomen bij het vaststellen van de draagkracht.
-
4. Indien bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan wordt het inkomen waarop beslag ligt niet meegenomen bij het vaststellen van de draagkracht.
-
5. Indien de belanghebbende een traject volgt in het kader van de WSNP of een minnelijk schuldhulpverleningstraject wordt het inkomen vastgesteld op 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, evenmin is er sprake van vermogen.
Artikel 12. Drempelbedrag
Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd bij het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand.
Artikel 13. Verhaal onderhoudsplichtige ouders
Indien het college bijzondere bijstand verstrekt aan de jongere van 18 tot 21 jaar wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot verhaal als bedoeld in artikel 62 van de Pw, hierbij maakt het niet uit of het bijzondere bijstand is ten behoeve van kosten levensonderhoud of anderszins.
Artikel 14. Termijn periodieke bijstand
-
1. De termijn van de periodieke bijzondere bijstand is gekoppeld aan de duur van de voorziening waarvoor bijstand wordt gevraagd, voor zover en zolang noodzakelijk.
-
2. Bij een periode langer dan 12 maanden vindt jaarlijks ter beoordeling van de rechtmatigheid van de verstrekking een toets plaats op de nog aanwezige noodzaak, de hoogte van de kosten, het inkomen en vermogen alsmede naar de woon- of leefsituatie.
Artikel 15. Vorm van de bijstand
De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt, tenzij anders is vermeld.
Artikel 16. Hoogte van de bijstand
-
1. Voor zover niet anders is vermeld, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op basis van de Prijzengids van het NIBUD. Voor zover de gevraagde kosten niet staan vermeld in deze gids, wordt de hoogte op individuele basis vastgesteld.
-
2. Een mogelijke besparing van kosten die algemeen gebruikelijk zijn, wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.
Hoofdstuk 3. De aanvraag
Artikel 17. Indienen aanvraag
-
1. De aanvraag om bijzondere bijstand wordt schriftelijk ingediend op een door het college beschikbaar gesteld papieren of digitaal aanvraagformulier.
-
2. Het college kan het recht op bijzondere bijstand ambtshalve vaststellen indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is op grond van individuele omstandigheden.
-
3. Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend voordat de kosten opkomen of worden gemaakt.
-
4. Het college kan van het bepaalde in het derde lid afwijken indien:
- a.
de kosten zijn gemaakt of opgekomen vóór de datum van aanvraag met dien verstande dat de kosten uiterlijk 3 maanden voor de datum van aanvraag zijn opgekomen; en
- b.
het college de noodzaak van de kosten nog kan vaststellen en de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 35 van de Pw.
- a.
-
5. Er wordt in geen geval bijzondere bijstand verstrekt voor kosten die langer dan één jaar voor de aanvraag zijn gemaakt.
Hoofdstuk 4. Bijstand voor kosten levensonderhoud
Artikel 18. Jongeren van 18 tot 21 jaar
-
1. Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar (zowel alleenstaanden als alleenstaande ouders) kan worden verleend voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van kosten met een ander, én voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat:
- a.
de middelen van de ouder(s) daartoe niet toereikend zijn; of
- b.
de jongere van 18 tot 21 jaar redelijkerwijs de onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.
- a.
-
2. De jongere als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht het onderhoudsrecht jegens de ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:
- a.
de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen, dan wel anderszins onbereikbaar zijn;
- b.
de jongere in het kader van de Wet op de jeugdzorg buiten het gezinsverband is geplaatst;
- c.
de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont;
- d.
er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere als bedoeld in lid 1 zelf geen verandering kan worden gebracht.
- e.
de zorg heeft voor één of meer ten laste komende kinderen.
- a.
-
3. De noodzakelijke kosten als bedoeld in het eerste lid hebben mede betrekking op aantoonbare woonkosten indien de jongere als bedoeld in het eerste lid is aangewezen op eigen huisvesting.
-
4. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt tezamen met de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 20 van de Pw niet meer dan de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 21 van de Pw.
-
5. Het recht op bijzondere bijstand als bedoeld in dit artikel wordt in ieder geval beëindigd met ingang van de datum waarop de 21-jarige leeftijd wordt bereikt.
-
6. Indien is vastgesteld, dat er recht op bijzondere bijstand bestaat op grond van dit artikel wordt deze, analoog aan artikel 44, lid 1, van de Pw, toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om deze bijstand aan te vragen.
-
7. De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende jongere als bedoeld in het eerste lid, worden gesteld op het normbedrag voor een persoon van 21 jaar inclusief vakantietoeslag. Hierbij wordt aangesloten bij de systematiek van de kostendelersnorm. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen dit bedrag en de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
-
8. De noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere als bedoeld in het eerste lid die verblijft in een inrichting in de zin van artikel 1, sub f, van de Pw, alsmede die zijn onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken, worden gesteld op het normbedrag als bedoeld in artikel 23, lid 1, sub a, van de Pw.
Artikel 19. Overbruggingsuitkering
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van het bestaan ter overbrugging naar de eerstvolgende betaling van de algemene uitkering indien er sprake is van bijzondere omstandigheden.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in de individuele situatie bepaald en wordt exclusief vakantietoeslag vastgesteld.
-
3. De te overbruggen periode betreft een maand.
-
4. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid kan sprake zijn bij:
- a.
het verlaten van een asielzoekerscentrum.
- a.
Hoofdstuk 5. Bijstand voor kosten in verband met wonen
Paragraaf 5.1: Woonkosten
Artikel 20. Woonkostentoeslag en de verhuisplicht
-
1. Het college kan aan de bijzondere bijstand die wordt verstrekt in de vorm van een woonkostentoeslag nadere verplichtingen verbinden in de vorm van een verhuisplicht. Deze verplichting is gericht op het zoeken en accepteren van een passende woning of woonruimte. Van de woningeigenaar kan in dat kader ook verwacht worden dat de eigen woning te koop wordt aangeboden.
-
2. Het college legt de verhuisplicht niet op indien:
- a.
belanghebbende of een persoon uit een gezin of huishouden aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege deze aantoonbare beperkingen;
- b.
er bij belanghebbende sprake is van door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale en/of medische gronden waardoor verhuizen niet kan worden gevergd;
- c.
belanghebbende op het moment van de aanvraag jonger is dan 21 jaar, mits de huurlasten lager zijn dan de maximale huurgrens (voor een 23 jarige) als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;
- d.
belanghebbende als zelfstandige wordt aangemerkt die gedurende een korte periode algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 2, eerste lid, sub a en b van het Bbz 2004;
- e.
Indien en zolang het college de verhuisplicht niet oplegt is de bijzondere bijstand niet aan de maximale termijn gebonden zoals genoemd in artikel 21, vierde lid en artikel 22, vijfde lid van deze beleidsregels.
- a.
Artikel 21. Woonkostentoeslag huurders
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tijdelijke woonkostentoeslag als de Wet op de huurtoeslag niet als passende en toereikende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt op grond van persoonlijke omstandigheden. Hieronder wordt niet verstaan eigenschappen van de woning waardoor belanghebbende geen beroep kan doen op de Wet op de huurtoeslag.
-
2. Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan op de systematiek van de Wet op huurtoeslag. In afwijking van het eerste lid kan de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid tevens worden toegekend indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale subsidiabele huurgrens.
-
3. Aan het recht op bijzondere bijstand, als bedoeld in het eerste lid, worden verplichtingen verbonden die gericht zijn op het zoeken en accepteren van een goedkopere passende woning of woonruimte zoals bepaald in artikel 20 van deze beleidsregels.
-
4. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten als bedoeld in het eerste lid voor een periode van telkens 6 maanden, maar in totaal gedurende niet meer dan 12 maanden.
-
5. Indien de belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om een passende woning of woonruimte te verkrijgen en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om (verlenging van de) bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin.
-
6. In het geval het college bijzondere redenen, als bedoeld in het vorige lid, vaststelt kan de bijzondere bijstand met maximaal 6 maanden worden verlengd met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid. De bijzondere bijstand wordt dan in de vorm van een lening verstrekt omdat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Pw.
-
7. Indien belanghebbende 6 maanden voor de peildatum als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag een woning huurt waarvoor geen passendheidsverklaring wordt afgegeven, en hem dat in het kader van de voorzienbaarheid te verwijten valt, handelt het college de aanvraag af overeenkomstig het vijfde en zesde lid.
-
8. Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand van de belanghebbende jonger dan 23 jaar met of zonder kinderen af indien de woonkosten hoger zijn dan de toepasselijke maximaal subsidiabele huurgrens, tenzij:
- a.
de woning is toegewezen op basis van een eerder hoger inkomen; of
- b.
de woning is toegewezen op basis van sociale factoren;
- c.
belanghebbende samenwoonde met een persoon met een hoger inkomen en die samenwoning in ieder geval op het moment van de aanvraag is beëindigd.
- a.
-
9. In afwijking van het vierde lid eindigt het recht op bijzondere bijstand voor de belanghebbende, als bedoeld in het achtste lid, die de leeftijd van 23 jaar bereikt, per de datum waarop aanspraak ontstaat op huurtoeslag.
Artikel 22. Woonkostentoeslag woningeigenaren
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tijdelijke woonkostentoeslag aan woningeigenaren.
-
2. Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan op de systematiek van de Wet op huurtoeslag.
-
3. In afwijking van het eerste lid kan de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid tevens worden toegekend indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale subsidiabele huurgrens.
-
4. Het college kan bijzondere bijstand verlenen indien de woonkosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
-
5. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor een periode van telkens 12 maanden maar in totaal gedurende niet meer dan 24 maanden.
-
6. Het college kan tevens bijzondere bijstand toekennen aan de belanghebbende met vermogen in de eigen woning, hier betreft het gezien het bepaalde in artikel 35 lid 1 van de Pw buitenwettelijk begunstigend beleid.
-
7. Aan het recht op bijzondere bijstand, als bedoeld in het eerste lid, worden verplichtingen verbonden gericht op het verkopen van de eigen woning en het zoeken en accepteren van een passende woning of woonruimte zoals bepaald in artikel 20 van deze beleidsregels.
-
8. Indien de belanghebbende zich in voldoende mate heeft ingespannen zonder dat dit heeft geleid tot het verkopen van de eigen woning en/of het verkrijgen van een passende woning of woonruimte, kan de woonkostentoeslag met maximaal 12 maanden worden verlengd in het geval de kosten (nog steeds) voortvloeien uit bijzondere omstandigheden met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid.
-
9. Indien de belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de eigen woning te verkopen en/of een passende woning of woonruimte te verkrijgen en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om (verlenging van de) bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van belanghebbende of diens gezin.
-
10. In het geval het college bijzondere redenen, als bedoeld in het vorige lid, vaststelt kan de bijzondere bijstand met maximaal 12 maanden worden verlengd. De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt omdat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Pw.
Artikel 23. Vaststellen hoogte woonlasten woningeigenaren
-
1. De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 22 van deze beleidsregels bestaat uit:
- a.
de hypotheekrente, niet zijnde de aflossing of de premie van een spaarhypotheek;
- b.
de hypotheekrente als voorfinanciering van de subsidie volgens de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984;
- c.
de onroerend zaak belasting voor zover het de aanslag betreft van het eigendom en daarvoor geen kwijtschelding is verleend;
- d.
de erfpachtcanon;
- e.
de waterschapslasten en dergelijke over het eigendom en niet-eigendom voor zover geen kwijtschelding is verleend;
- f.
de afvalstoffenheffing voor zover geen kwijtschelding is verleend;
- g.
de opstalverzekering;
- h.
het rioolrecht;
- i.
andere zakelijke lasten die op de onroerende zaak drukken waaronder de noodzakelijke administratiekosten voor de vereniging van huiseigenaren.
- a.
-
2. Indien sprake is van gedeeltelijke bewoning door de belanghebbende van diens woning en de kosten als bedoeld in het eerste lid niet zijn gesplitst, dan stemt het college de hoogte van de bijzondere bijstand naar rato af op die kosten.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de voorlopige teruggaaf voor wat betreft de hypotheekrenteaftrek, waarbij de hypotheekrenteaftrek in mindering wordt gebracht op het bedrag van de te verstrekken woonkostentoeslag.
Artikel 24. Kosten verstrekken krediethypotheek
-
1. Het college kan aan de woningeigenaar bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van het vestigen van een krediethypotheek.
-
2. De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid kan tevens verstrekt worden aan de belanghebbende met vermogen in de eigen woning, hier betreft het gezien het bepaalde in artikel 35 lid 1 van de Pw buitenwettelijk begunstigend beleid.
Paragraaf 5.2 Verhuiskosten en inrichtingskosten
Artikel 25. Verhuiskosten algemeen
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor verhuiskosten als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Daarvoor stelt het college eerst de noodzaak van de verhuizing vast.
-
2. Van een noodzakelijke verhuizing als bedoeld in het eerste lid kan sprake zijn bij:
- a.
het verlaten van een asielzoekerscentrum;
- b.
het verlaten van de echtelijke woning bij echtscheiding het verlaten van de echtelijke woning bij echtscheiding of duurzame verbreking van een duurzame samenwoning.
- a.
-
3. Onder verhuiskosten als bedoeld in het eerste lid worden aangemerkt:
- a.
dubbele huur;
- b.
aansluitkosten gas/water/elektra;
- c.
administratiekosten;
- d.
waarborgsom;
- e.
de werkelijke kosten van het huren van een busje om de goederen te verhuizen, voor maximaal twee dagen, inclusief brandstof;
- f.
voor niet gespecificeerde kosten worden de richtprijzen uit de NIBUD-prijzengids gehanteerd.
- a.
-
4. De hoogte van de bijzondere bijstand voor de eerste maand huur of dubbele huur, transportkosten en administratiekosten en/of de waarborgsom wordt vastgesteld op basis van de feitelijk uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
-
5. De bijzondere bijstand voor de kosten van de waarborgsom wordt in de vorm van een lening verstrekt, waarbij het bedrag van een teruggave van de vorige waarborgsom van de vorige woning op de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand in mindering wordt gebracht.
Artikel 26. Duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten
-
1. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van duurzame gebruiksgoederen.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen wordt vastgesteld aan de hand van de prijzen uit de Prijzengids van het NIBUD en de woonsituatie van de belanghebbende en het gezin.
-
3. De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt.
-
4. De hoogte van de bijzondere bijstand voor een volledige (her)inrichting van de woning wordt vastgesteld op basis van 75% van de bedragen uit de Prijzengids van het NIBUD, aangezien belanghebbende wordt geacht een aantal goederen tweedehands aan te schaffen.
-
5. Het college bevordert de aanschaf van tweedehands duurzame gebruiksgoederen door de belanghebbende voorlichting te geven over op welke wijze de duurzame gebruiksgoederen aangeschaft kunnen worden.
-
6. In afwijking van het derde lid kan het college de bijzondere bijstand om niet verstrekken indien voor de belanghebbende het verstrekken van een lening niet verantwoord is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de belanghebbende is toegelaten tot een wettelijk of minnelijk schuldhulpverleningstraject, voldoet aan de voorwaarden van dat traject en het verstrekken van bijzondere bijstand in de vorm van een lening het slagen van het traject in gevaar brengt.
-
7. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt 50% van de hoogte van de bijzondere bijstand voor een volledige inrichting voor personen die zich vanuit het AZC voor het eerst in de gemeente vestigen verstrekt om niet, de overige 25% wordt verstrekt in de vorm van een geldlening, waarbij deze lening binnen 6 maanden na verzenddatum van het toekenningsbesluit van de bijzondere bijstand om niet moet zijn ingediend.
Artikel 27. Babyuitzet
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de babyuitzet als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
-
2. Onder de kosten van een babyuitzet worden verstaan:
- a.
een box;
- b.
een kinderstoel;
- c.
een combi/kinder- en wandelwagen;
- d.
een babyledikant met matras en beddengoed;
- e.
een commode.
- a.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van 75% van de bedragen uit de Prijzengids van het NIBUD, aangezien belanghebbende wordt geacht een aantal goederen tweedehands aan te schaffen.
-
4. De bijzondere bijstand voor de babyuitzet als bedoeld in het eerste lid wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt.
Paragraaf 5.3 Overige kosten in verband met wonen
Artikel 28. Doorbetaling huur en vaste lasten bij verblijf in detentie
-
1. Het college kan aan een belanghebbende zonder partner en/of (andere) medebewoners en die huurder is van een woning maximaal eens per 5 jaar bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten indien:
- a.
belanghebbende in Nederland in detentie verblijft; en
- b.
de periode van detentie tenminste 4 weken duurt maar niet langer duurt dan 12 maanden.
- a.
-
2. Onder de vaste lasten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:
- a.
de woonkosten; en
- b.
de kosten van het vastrecht voor gas, water en elektra;
- c.
de volledige kosten indien het een woning is waaraan all-in kosten zijn verbonden.
- a.
-
3. De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid betreft buitenwettelijk begunstigend beleid.
-
4. De periode waarover bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt bedraagt maximaal 6 maanden en kan worden verlengd met 6 maanden indien de feitelijke duur van detentie niet langer is dan 12 maanden.
-
5. Geen bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt indien:
- a.
De belanghebbende de mogelijkheid heeft om de straf tijdens de weekenden of anderszins te ondergaan;
- b.
De belanghebbende beschikt over financiële reserves waarmee hij zelf in de kosten kan voorzien. Hierbij wordt rekening gehouden met alle inkomsten als bedoeld in artikel 31 lid 2 die hoger zijn dan de norm als bedoeld in artikel 23 van de Pw en in afwijking van artikel 34 lid 3 van de Pw het volledige aanwezige eigen vermogen voor zover dit naar redelijkheid in de situatie van belanghebbende kan worden aangewend, er wordt dan ook geen rekening gehouden met de vermogensvrijlating en vrijlating van inkomsten in het kader van de draagkrachtberekening;
- c.
Indien belanghebbende ervoor kiest om een straf uit te zitten in plaats van het betalen van een boete.
- a.
-
6. Indien pas ná de datum van besluit name bekend wordt dat de totale periode van detentie meer dan 12 maanden bedraagt, dan beëindigt het college de toegekende bijzondere bijstand ingaande de eerste van de volgende maand na het bekend worden van de detentieduur.
-
7. De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt.
Artikel 29. Doorbetaling huur en vaste lasten bij verblijf in instelling
-
1. Het college kan aan de alleenstaande (ouder) die tijdelijk verblijft in een instelling vanwege medische of sociale omstandigheden en de aangepaste norm heeft zoals bepaald in artikel 23 van de Pw, bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten indien het aanhouden van de woning noodzakelijk is.
-
2. Onder de vaste lasten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:
- a.
de huur; en
- b.
de kosten van het vastrecht voor gas, water en elektra;
- c.
de volledige kosten indien het een woning is waaraan all-in kosten zijn verbonden.
- a.
-
3. De periode waarin het college bijzondere bijstand kan verlenen vangt aan nadat de norm is aangepast naar de norm als bedoeld in artikel 23 van de Pw, en wordt uiterlijk beëindigd na een jaar na datum opname.
Hoofdstuk 6. Bijstand voor kosten van medische aard en kosten in verband met beperkingen
Artikel 30. Medische kosten
-
1. De Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2025 en de Regeling Zorgverzekering, zijn toereikende en passende voorliggende voorzieningen voor medische kosten op grond waarvan deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
-
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de vergoedingen op grond van de door de gemeente aangeboden collectieve zorgverzekeringen als toereikend en maatgevend voor het (buitenwettelijk begunstigend) bijzondere bijstandsbeleid aangemerkt, indien:
- a.
op de peildatum voor het afsluiten van een door de gemeente aangeboden collectieve verzekering niet werd voldaan aan de voorwaarden voor deelname; of
- b.
anderszins een vergelijkbare verzekering tegen ziektekosten is afgesloten; of
- c.
voor een op de belanghebbende medische situatie afgestemde aanvullende verzekering is gekozen.
- a.
-
3. Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand worden de kosten die als algemeen gebruikelijk worden beschouwd in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.
-
4. Uitgezonderd van de mogelijkheid tot het verstrekken van bijzondere bijstand zoals bepaalt in het derde lid zijn:
- a.
het verplicht eigen risico bij de Zorgverzekeringswet;
- b.
de eigen bijdrage bij zorg met verblijf;
- c.
de eigen bijdrage wanneer een besparingsmotief voor belanghebbende zelf hieraan ten grondslag ligt;
- d.
een eigen bijdrage voor een geneesmiddel dat is ingedeeld in een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen.
- a.
Artikel 31. Meerkosten van bewassing en kledingslijtage
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor meerkosten waskosten en kledingslijtage, waaronder ook schoeisel, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
-
2. Onder meerkosten waskosten en kledingslijtage als bedoeld in het eerste lid worden de kosten verstaan die zich voordoen wanneer vanwege een medische oorzaak meer slijtage van de kleding, schoeisel of beddengoed dan wel extra bewassing noodzakelijk is ten opzichte van wat gebruikelijk is.
-
3. Bijzondere bijstand is niet mogelijk indien:
- a.
sprake is van gewichtsverlies als gevolg van een niet op medisch advies gevolgd dieet;
- b.
sprake is van een geslachtsverandering,
omdat aangenomen wordt dat er sprake is van een geleidelijk proces waarbij belanghebbende voldoende mogelijkheden heeft om de kosten op te vangen.
- a.
-
4. Bijzondere bijstand is niet mogelijk indien:
- a.
de belanghebbende in een Wlz-instelling of in een verzorg- of verpleeghuis verblijft;
- b.
de bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kinderen tot vier jaar;
- a.
-
5. Het college stelt het recht en de omvang van de bijzondere bijstand vast aan de hand van een medisch advies van een medisch adviseur als bedoeld in artikel 2 van deze beleidsregels.
-
6. Bij het vaststellen van de hoogte bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de richtprijzen opgenomen in de NIBUD-Prijzengids voor zowel de waskosten als de kleding slijtagekosten (kledingpakket).
-
7. Voor kinderen tussen de 4 en 15 jaar wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op maximaal 75% van het normbedrag voor volwassenen.
Artikel 32. Stookkosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor stookkosten indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten vanwege een medische oorzaak.
-
2. Indien en voor zover de meerkosten het gevolg zijn van een slecht geïsoleerde woning komen die kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
-
3. Het college stelt het recht en de omvang van de bijzondere bijstand vast aan de hand van een medisch advies van een medisch adviseur als bedoeld in artikel 2 van deze beleidsregels.
-
4. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen het gemiddelde normale verbruik voor stookkosten volgens de Prijzengids van NIBUD en het werkelijke noodzakelijke extra verbruik.
-
5. In het medisch advies zoals genoemd in het derde lid wordt in ieder geval vermeld op welke vertrekken in de woning de meerkosten betrekking hebben, op welke periode de meerkosten betrekking hebben (koude maanden of gehele jaar) en de geldigheidsduur van het advies.
Artikel 33. Dieetkosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor dieetkosten van een medisch noodzakelijk dieet indien de kosten van dat dieet meerkosten met zich meebrengen.
-
2. Het college stelt het recht en de omvang van de bijzondere bijstand vast aan de hand van een medisch advies van een medisch adviseur als bedoeld in artikel 2 van deze beleidsregels. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen de gemiddelde kosten voor voeding voor een vergelijkbaar gezond persoon volgens de Prijzengids van NIBUD en de werkelijke noodzakelijke kosten voor voeding in verband met het dieet.
Artikel 34. Maaltijdservice
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de meerkosten van de maaltijdvoorziening indien de noodzaak wordt vastgesteld op basis van een deskundigenadvies.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de Prijzengids van NIBUD en bedraagt het verschil tussen de gemiddelde kosten van een maaltijd en de kosten van de maaltijdvoorziening, waarbij de kosten van de maaltijdvoorziening maximaal 300% bedragen van de gemiddelde kosten van een maaltijd volgens de Prijzengids van NIBUD.
Hoofdstuk 7. Eigen bijdragen van niet medische aard
Artikel 35. Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand indien aan de belanghebbende een toevoeging is verleend door de Raad van Rechtsbijstand en indien deze moet worden betaald op grond van de Wet op de rechtsbijstand.
-
2. De noodzakelijke kosten voor de eigen bijdrage rechtsbijstand worden vastgesteld op basis van de verschuldigde eigen bijdrage verminderd met de verlaging, als bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, die belanghebbende redelijkerwijs had kunnen krijgen.
-
3. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor griffierecht, mits de belanghebbende gebruik maakt van de mogelijke kortingsregelingen voor griffierechten.
-
4. De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierechten komen op, op de datum van de nota.
Hoofdstuk 8. Reiskosten
Artikel 36. Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden en naaste aanverwanten
-
1. Onder gezinsleden of naaste familieleden als bedoeld in dit artikel worden verstaan: de partner of eerste of tweede graad bloedverwanten of aanverwanten van de aanvrager.
-
2. Onder reiskosten als bedoeld in dit artikel worden kosten verstaan in verband met:
- a.
het bezoek aan een gezinslid of naast familielid dat verblijft in een ziekenhuis, mits dat verblijf langdurig van aard is. Daarvan is sprake indien en voor zover het afleggen van de bezoeken langer dan 4 weken voortduurt. Alleen reiskosten die ná 4 weken worden gemaakt kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen;
- b.
het bezoek aan een gezinslid of naast familielid, dat verblijft in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, als bedoeld in de Pw of de Wet langdurige zorg of thuis wordt verzorgd dan wel verpleegd;
- c.
het bezoek van de ouder(s) voor het bezoek aan de instelling, niet zijnde een ziekenhuis, waar hun kind verblijft;
- d.
het bezoek aan een gedetineerd gezinslid of naast familielid in Nederland;
- e.
in verband met calamiteiten bij een gezinslid of naast familielid in Nederland.
- a.
-
3. Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor reiskosten indien er geen sprake is van een voorliggende voorziening en deze kosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
-
4. De bijzondere bijstand wordt afgestemd op de kosten van openbaar vervoer of, indien het gebruik van de auto goedkoper is dan wel het openbaar vervoer geen reëel alternatief is vanwege de reistijd, een kilometervergoeding. De kilometervergoeding kan worden bepaald aan de hand van de NIBUD Prijzengids.
-
5. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in beginsel gebaseerd op een bezoekfrequentie van maximaal twee keer per week. Daarvan kan het college afwijken rekening houdend met de aard van de (familie)relatie die de belanghebbende heeft met de persoon aan wie de bezoeken worden afgelegd.
Artikel 37. Reiskosten van schoolgaande kinderen
-
1. Bijzondere bijstand kan worden verstrekt aan een ouder met een ten laste komend kind dat jonger is dan 18 jaar en tevens voldoet aan alle volgende voorwaarden:
- 1.
het ten laste komende kind volgt onderwijs op een grote afstand van de woonplaats;
- 2.
het volgen van onderwijs op een grote afstand van de woonplaats is redelijkerwijs noodzakelijk.
- 1.
-
2. Er bestaat geen recht op een vergoeding als belanghebbende aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Ondersteuning in de vorm van vervoer of een vergoeding op basis van de verordening leerlingenvervoer Stichtse Vecht 2025 wordt in ieder geval, maar niet uitsluitend, aangemerkt als een voorliggende voorziening.
-
3. Er bestaat recht op reiskostenvergoeding als de reisafstand van woonadres naar de eindbestemming 4 kilometer of langer is.
-
4. De leeftijd van het ten laste komende kind op 1 september van het betreffende schooljaar is leidend voor het gestelde onder lid 3.
-
5. Indien het noodzakelijk is dat een begeleider met het kind meereist, dan komen ook deze reiskosten voor bijzondere bijstand in aanmerking.
Hoofdstuk 9. Overige kostensoorten
Artikel 38. Kosten bewindvoering
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen bijdrage van bewindvoering op basis van een beschikking van de kantonrechter.
-
2. Onder kosten eigen bijdrage bewindvoering worden in dit artikel verstaan de kosten van:
- a.
curatele;
- b.
beschermingswind;
- c.
mentorschap.
- a.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Artikel 39. Uitvaartkosten
-
1. Het college kan aan de belanghebbende die als erfgenaam wordt of kan worden aangemerkt bijzondere bijstand verlenen voor de uitvaartkosten indien en voor zover de nalatenschap geen of onvoldoende middelen bevat of nog niet bekend is of dat het geval is of zal zijn.
-
2. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt uitgegaan van de werkelijke kosten, waarbij de bijzondere bijstand maximaal € 3.000,00 voor de gehele uitvaart bedraagt. De hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand wordt voorts gedeeld door het aantal erfgenamen.
-
3. Een overlijdensuitkering vanuit een sociale zekerheidsuitkering is een voorliggende voorziening die niet geacht wordt passend en toereikend te zijn. De uitkering wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de hoogte van de draagkracht.
-
4. De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt.
Hoofdstuk 10. Terugvordering bijzondere bijstand
Artikel 40. Terugvordering bijzondere bijstand
-
1. Het college kan bijzondere bijstand terugvorderen indien verantwoording van de kosten middels een bewijs van aanschaf niet of niet tijdig wordt gedaan.
-
2. Het college kan de bijzondere bijstand terugvorderen indien deze:
- a.
niet volledig is besteed voor het doel waarvoor deze is toegekend;
- b.
is besteed voor een ander doel dan waarvoor deze is toegekend.
- a.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Artikel 41. Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden
-
1. Het college handelt in overeenstemming met bovenstaande beleidsregels, tenzij dat naar het oordeel van het college voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, conform artikel 4:84 van de Awb.
-
2. In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.
Artikel 42. Vervallen oude beleidsregels en overgangsrecht
-
1. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels komen de volgende beleidsregels te vervallen:
- a.
Beleidsregels Wet Werk en Bijstand Stichtse Vecht | Lokale wet- en regelgeving,
- -
B014 Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerden.
- -
- b.
Beleidsregels Bijzondere bijstand Stichtse Vecht http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR183093 :
- -
B063 Draagkrachtpercentages
- -
B064 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand
- -
B066 Drempelbedrag
- -
B069 Waar en wanneer medisch advies vragen
- -
B075 Uitvaartkosten
- -
B076 Kosten bewindvoering
- -
B077 Kosten curatele
- -
B079 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen niet in inrichting
- -
B080 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen in inrichting
- -
B081 Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren
- -
B084 Baby-uitzet
- -
B087 Communicatie en signalering
- -
B088 Stookkosten
- -
B097 Reiskosten bezoek zieke familieleden
- -
B096 Bewassing en kledingslijtage
- -
B101 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten
- -
B102 Verhuiskosten
- -
B103 Eerste maand huur en administratiekosten
- -
B105 Overbrugging scherpe terugval inkomen
- -
B145 Berekening woonkostentoeslag huurders
- -
B151 Dieetkosten
- -
B155 Fysiotherapie en oefentherapie
- -
- c.
Beleidsregels WWB 2014 | Lokale wet- en regelgeving
- -
B062 Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht)
- -
B070 Standaard aanvullende of collectieve zorgverzekering
- -
B073 Brillen en contactlenzen
- -
B074 Overig beleid specifieke medische kosten
- -
B078 Kosten Rechtsbijstand
- -
B085 Maaltijdvoorziening
- -
B086 Verzorging en hulp
- -
B146 Berekening woonkostentoeslag eigenaren
- -
B154 Geneeskundig geestelijke gezondheidszorg
- -
B159 Overbruggingskredieten
- -
- d.
Beleidsregels WWB 2014 | Lokale wet- en regelgeving
- -
B101 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichting
- -
- a.
-
2. Indien de belanghebbende reeds een vergoeding ontvangt op grond van het oude beleid , wordt een overgangstermijn van 6 maanden gehanteerd, tenzij deze beleidsregels gunstiger zijn voor de belanghebbende.
Artikel 43. Citeertitel; inwerkingtreding
-
1. Deze regeling kan worden aangehaald als: Beleidsregels Bijzondere Bijstand Stichtse Vecht 2025.
-
2. Deze regeling treedt in werking 2 juli 2025.
Ondertekening
Toelichting beleidsregels bijzondere bijstand – Gemeente Stichtse Vecht
De gemeente is op grond van de Participatiewet (Pw), in het bijzonder artikel 35, verantwoordelijk voor het verlenen van bijzondere bijstand. Deze bijstand is bedoeld voor inwoners die worden geconfronteerd met bijzondere noodzakelijke kosten die zij, gelet op hun inkomen en vermogen, niet zelf kunnen dragen.
In deze beleidsregels legt het college van burgemeester en wethouders vast hoe invulling wordt gegeven aan de beleidsvrijheid rondom het toekennen van bijzondere bijstand. Iedere aanvraag wordt individueel beoordeeld. Het is niet vereist dat de aanvrager algemene bijstand ontvangt om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begrippen
Toelichting is niet nodig; de begrippen spreken voor zich.
Artikel 2. Advisering
Het college kan extern deskundigenadvies inwinnen bij het beoordelen van een aanvraag, bijvoorbeeld van een medisch adviseur. Dit is verplicht bij aanvragen waarbij medische noodzaak moet worden vastgesteld, tenzij de situatie jaarlijks terugkeert, niet verandert of de kosten onder de € 300 blijven. Medewerking aan het onderzoek is verplicht voor de aanvrager.
Artikel 3. Nadere verplichtingen
Het college kan voorwaarden verbinden aan het ontvangen van bijzondere bijstand, op grond van artikel 55 van de Pw.
Hoofdstuk 2. Algemene uitgangspunten en voorwaarden
Artikel 4. Algemene voorwaarden
Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt als voldaan is aan de algemene voorwaarden van de Participatiewet. Artikel 11 t/m 16 van de Pw sluiten in bepaalde situaties bijstandsverlening uit, tenzij de beleidsregels anders bepalen. Uitzonderingen zijn mogelijk, zoals bij gedetineerden in Nederland (zie artikel 28 van de beleidsregels). Kosten gemaakt in of tijdens verblijf in het buitenland komen in principe niet in aanmerking.
Artikel 5. Noodzakelijke kosten
Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor noodzakelijke kosten, niet voor wenselijke of niet-noodzakelijke kosten. Artikel 14 van de Pw noemt expliciet kosten die niet noodzakelijk worden geacht.
Artikel 6. Voorliggende voorziening
Als er een andere regeling bestaat (bijvoorbeeld zorgverzekering, toeslagen of andere wettelijke regelingen) waarmee kosten gedekt kunnen worden, gaat die regeling voor op bijzondere bijstand.
Artikel 7. Bijzondere omstandigheden
Alleen wanneer sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, kunnen kosten als bijzonder worden aangemerkt. Voor incidentele kosten geldt meestal een reserveringsplicht.
Artikel 8 t/m 11. Draagkracht en inkomen
Bij de beoordeling van bijzondere bijstand wordt gekeken naar de financiële draagkracht. Ook mensen zonder bijstandsuitkering kunnen bijzondere bijstand krijgen, mits zij onvoldoende draagkracht hebben.
- •
Draagkracht wordt berekend over een periode van 12 maanden.
- •
Vermogen in een eigen woning wordt niet automatisch buiten beschouwing gelaten.
- •
Bij wijzigingen in inkomen van 10% of meer wordt de draagkracht herzien.
- •
Bij beslag op inkomen of deelname aan een schuldregeling wordt alleen gekeken naar het daadwerkelijk beschikbare inkomen.
- •
Voor inkomens tot 110% van de bijstandsnorm geldt geen eigen bijdrage; boven deze grens bedraagt de bijdrage 40% van het meerdere.
Artikel 12. Drempelbedrag
Er geldt géén drempelbedrag. Hiermee wordt de toegang tot de bijzondere bijstand laagdrempelig gehouden.
Artikel 13. Verhaal onderhoudsplichtige ouders
Bij jongeren van 18 t/m 20 jaar wordt in de praktijk geen verhaal op ouders toegepast vanwege hun beperkte draagkracht.
Artikel 14. Termijn periodieke bijstand
Bijstand wordt verleend voor de duur van de voorziening. Bij perioden langer dan 12 maanden moet jaarlijks worden beoordeeld of de noodzaak, hoogte van kosten en draagkracht nog aanwezig zijn.
Artikel 15. Vorm van de bijstand
Bijstand wordt in beginsel verstrekt als gift, tenzij anders bepaald.
Artikel 16. Hoogte van de bijstand
De hoogte wordt afgestemd op de noodzakelijke kosten (bijvoorbeeld op basis van het Nibud) en de beschikbare eigen middelen.
Hoofdstuk 3. De aanvraag
Artikel 17. Indienen aanvraag
Een aanvraag moet bij voorkeur worden ingediend vóórdat de kosten gemaakt worden. Bij uitzondering kan bijstand met terugwerkende kracht worden verleend, tot maximaal 3 maanden terug. De aanvrager moet bewijsstukken overleggen.
Hoofdstuk 4. Bijstand voor kosten levensonderhoud
Artikel 18. Jongeren van 18 tot 21 jaar
Jongeren van 18 t/m 20 jaar kunnen alleen bij hoge uitzondering bijzondere bijstand krijgen, bijvoorbeeld als ze om dringende redenen zelfstandig wonen en hun kosten hoger zijn dan hun bijstandsnorm. De bijstand mag nooit hoger zijn dan de norm voor een 21-jarige in vergelijkbare omstandigheden.
Artikel 19. Overbruggingsuitkering
Een overbruggingsuitkering is mogelijk als er tijdelijk geen middelen zijn om in levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld bij statushouders die net zijn verhuisd vanuit een asielzoekerscentrum. Voorwaarde is dat er zicht is op een recht op algemene bijstand. De overbruggingsuitkering is altijd een gift, tenzij er sprake is van verwijtbaar gedrag.
Hoofdstuk 5. Bijstand voor kosten in verband met wonen
Artikel 20. Woonkostentoeslag en verhuisplicht
Een woonkostentoeslag wordt in principe tijdelijk toegekend (max. 1 jaar), met de verplichting om goedkopere woonruimte te zoeken. Alleen in uitzonderingssituaties (bijvoorbeeld medische redenen) wordt hiervan afgezien. De kosten van het aanvragen van urgentie komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, ongeacht de uitkomst van de aanvraag.
Artikel 21. Woonkostentoeslag huurders
Voor huurders wordt het verschil tussen de werkelijke woonlasten en de theoretisch maximale huurtoeslag vergoed. Woonkostentoeslag wordt niet verstrekt aan bewoners van onzelfstandige woonruimten zonder recht op huurtoeslag. De toeslag geldt steeds voor een periode van zes maanden, met een maximum van twee jaar.
Artikel 22. Woonkostentoeslag woningeigenaren
Voor eigen woningbezitters geldt een vergelijkbare regeling als voor huurders. De woonlasten worden vastgesteld aan de hand van een referentiehuurwoning en de eventueel misgelopen huurtoeslag.
Artikel 23. Vaststellen hoogte woonlasten woningeigenaren
Bij de beoordeling van woonkostentoeslag voor eigen woningbezitters wordt gekeken naar kosten zoals hypotheekrente, eigenaarslasten en vergelijkbare woonlasten.
Artikel 24. Kosten verstrekken krediethypotheek
Indien een woningeigenaar kosten moet maken om een krediethypotheek te vestigen, komen deze kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand. Bij de beoordeling van de draagkracht wordt het vermogen in de eigen woning buiten beschouwing gelaten, omdat dit volgens artikel 35 lid 1 van de Participatiewet (Pw) als buitenwettelijk begunstigend beleid geldt.
Paragraaf 5.2 Verhuiskosten en inrichtingskosten
Artikel 25. Verhuiskosten algemeen
Verhuiskosten worden in principe gezien als incidenteel voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten die voor rekening van de belanghebbende komen. Bijstand hiervoor wordt in principe niet verleend omdat verwacht wordt dat men hiervoor spaart of de kosten gespreid betaalt. Zodra een verhuizing voorzienbaar is, moet er gereserveerd worden, bijvoorbeeld bij ouderen die mogelijk naar een gelijkvloerse woning verhuizen, of bij gezinsuitbreiding die een grotere woning noodzakelijk maakt. Bijstand kan alleen worden toegekend als er sprake is van bijzondere, onvoorziene omstandigheden, zoals een medische of sociale noodzaak, en als het college de noodzaak van de verhuizing vaststelt. Ook kan bijstand worden verstrekt wanneer de belanghebbende vanuit een niet-verwijtbare situatie de eerste huurlasten niet kan betalen, mits er redelijkerwijs niet gereserveerd kon worden. De waarborgsom wordt verstrekt als lening.
Let op: bij verhuizing naar een andere gemeente worden alleen transportkosten voor maximaal twee dagen beoordeeld door de nieuwe gemeente, andere verhuiskosten blijven voor de oude gemeente.
Artikel 26. Duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten
Kosten voor de aanschaf, inrichting en vervanging van duurzame gebruiksgoederen zijn normale, incidentele kosten die uit het eigen inkomen betaald moeten worden. Ook voor verhuizing en inrichting van een nieuwe woning geldt dat men moet reserveren. Bij onvoldoende reservering kan een lening bij de kredietbank worden aangevraagd, welke als voorliggende voorziening geldt. Alleen bij aantoonbare bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld deelname aan de WSNP of schuldhulpverlening) kan bijzondere bijstand worden verleend voor een sobere vervanging, bij voorkeur via tweedehands goederen. Voor een eerste woninginrichting is geen bijstand mogelijk, behalve bij huisvesting na het verlaten van een asielzoekerscentrum, waar vanwege het ontbreken van reserveringsmogelijkheid wel bijzondere bijstand kan worden verstrekt.
De bijstand voor inrichtingskosten wordt als lening verstrekt, waarbij voor bepaalde groepen (zoals ex-AZC-bewoners) een deel als gift wordt gegeven vanwege hun bijzondere situatie.
Artikel 27. Babyuitzet
De kosten van een babyuitzet komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, die in de vorm van een lening wordt verstrekt. Dit is een specifieke toepassing van de regels rond duurzame gebruiksgoederen.
Paragraaf 5.3 Overige kosten in verband met wonen
Artikel 28. Doorbetaling huur en vaste lasten bij verblijf in detentie
Bij detentie in Nederland van meer dan vier weken kan bijzondere bijstand worden verleend voor doorbetaling van huur en vaste lasten (uitgezonderd energielasten, behalve vastrecht). Bij een all-in woonprijs worden deze kosten volledig vergoed. De maximale duur van bijstand is 12 maanden en kan eens per 5 jaar worden toegekend. Het college beoordeelt de bijzondere omstandigheden.
Artikel 29. Doorbetaling huur en vaste lasten bij verblijf in instelling
Bij opname in een instelling of ziekenhuis kan bijzondere bijstand worden verleend voor huur (na aftrek huurtoeslag) en vaste lasten, indien het verblijf tijdelijk is en terugkeer naar de woning voorzienbaar. De maximale periode is een jaar na aanpassing van de norm. Bij langer verblijf is er geen sprake meer van tijdelijke opname.
Hoofdstuk 6. Bijstand voor medische kosten en kosten in verband met beperkingen
Artikel 30. Medische kosten
De gemeente faciliteert een collectieve zorgverzekering met ruime dekking. Kosten die onder deze verzekering vallen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Wie niet deelneemt aan de collectieve verzekering kan geen bijstand krijgen voor medische kosten die wel door de collectieve verzekering zouden zijn gedekt. Wettelijke eigen bijdragen en verplicht eigen risico komen in principe niet voor bijstand in aanmerking, tenzij ze hoger zijn dan het bedrag genoemd in artikel 35 lid 2 van de Pw.
Artikel 31. Meerkosten van bewassing en kledingslijtage
Algemene was- en slijtagekosten zijn normale kosten van het bestaan en worden niet vergoed. Bij extra kosten door ziekte of handicap kan bijzondere bijstand worden verleend, mits er geen andere voorziening is. De noodzaak wordt vastgesteld op basis van medisch advies en meerkosten worden berekend volgens de NIBUD-prijzengids.
Artikel 32. Stookkosten
Stookkosten zijn normale kosten, waarvoor geen bijstand wordt verleend, behalve als er een medische noodzaak is voor extra verwarming. De noodzaak wordt medisch vastgesteld, en alleen het verschil tussen gemiddeld en werkelijk verbruik wordt vergoed.
Artikel 33. Dieetkosten
Bij een medisch voorgeschreven dieet dat duurder is dan een normaal voedingspatroon, kan bijzondere bijstand worden verleend voor de meerkosten, op basis van een medisch advies en de NIBUD-prijzengids.
Artikel 34. Maaltijdservice
De kosten van maaltijdvoorzieningen moeten uit eigen inkomen betaald worden, behalve als het noodzakelijk is om zelfstandig te blijven functioneren en de meerkosten niet kunnen worden voldaan. Alleen het verschil met normale kosten van een warme maaltijd (volgens NIBUD) wordt vergoed, tot maximaal 300% van het NIBUD-tarief. De noodzaak wordt vastgesteld via een deskundigenadvies. Voorliggende voorzieningen zoals maaltijddiensten van zorginstellingen kunnen worden ingezet.
Hoofdstuk 7. Eigen bijdragen van niet-medische aard
Artikel 35. Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten
De eigen bijdrage wordt verlaagd als de aanvrager vooraf gebruik heeft gemaakt van rechtshulp, zoals het Juridisch Loket, en hiervan een diagnosedocument kan tonen. De bijzondere bijstand bedraagt in principe niet meer dan de lage eigen bijdrage die hiervoor geldt. De hoogte van het griffierecht hangt af van inkomen en vermogen. De datum waarop de nota wordt ontvangen geldt als datum van kosten, wat in het voordeel van de aanvrager is omdat kosten soms pas later bekend worden.
Hoofdstuk 8. Reiskosten
Artikel 36. Reiskosten voor bezoekers gezinsleden of naaste familieleden en naaste verwanten
Dit artikel bevat regels voor het verlenen van bijzondere bijstand voor reiskosten die gemaakt worden voor bezoeken aan gezinsleden, naaste familie of aanverwanten. Dit betreft bijvoorbeeld partners en bloedverwanten in de eerste of tweede graad. Reiskosten zijn in principe algemene kosten die mensen zelf moeten betalen. Alleen wanneer deze kosten noodzakelijk zijn vanwege bijzondere omstandigheden kan bijzondere bijstand worden verleend.
Voor bezoeken aan ziekenhuispatiënten geldt dat kosten pas in aanmerking komen als deze langer dan vier weken worden gemaakt. In de eerste vier weken kunnen de kosten niet worden vergoed. De eerste twee zones van openbaar vervoer worden niet als noodzakelijke kosten gezien; bij reizen over meer dan twee zones komen de kosten wel in aanmerking. Ook de aard van de relatie en de frequentie van bezoeken zijn belangrijk bij de beoordeling.
Ook reiskosten voor bezoeken aan kinderen in instellingen (zoals op grond van de Jeugdwet of Wet langdurige zorg), gedetineerde familieleden en in geval van calamiteiten kunnen in bepaalde situaties bijzondere bijstand krijgen.
Is er een passende en toereikende voorliggende voorziening (zoals de Wmo 2015 bij mobiliteitsbeperking), dan bestaat geen recht op bijzondere bijstand. De noodzaak van de kosten hangt af van de relatie en de bezoekfrequentie (bijvoorbeeld dagelijks bezoeken aan een minderjarig kind kunnen noodzakelijk zijn, terwijl bij een meerderjarige in detentie één keer per maand kan volstaan).
Artikel 37. Reiskosten van schoolgaande kinderen
Derde lid:
De enkele reisafstand naar school van 4 km is voor schoolgaande kinderen gelijk getrokken met de beleidsregels re-integratie 2024.
Hoofdstuk 9. Overige kostensoorten
Artikel 38. Kosten bewindvoering
Als de kantonrechter bewindvoering heeft vastgesteld en de tarieven heeft goedgekeurd, zijn de kosten noodzakelijk en voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden, en kan bijzondere bijstand worden aangevraagd. De gemeente kan controleren of de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn. Bij bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) bestaat geen recht op bijzondere bijstand omdat dit onder de Faillissementswet valt.
Artikel 39. Uitvaartkosten
Als de overledene onvoldoende eigen middelen had en de nabestaanden de kosten niet zelf kunnen betalen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt, mits voldaan is aan de voorwaarden. Hierbij wordt rekening gehouden met eigen middelen, draagkracht van de nabestaanden en noodzakelijke kosten. Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor uitvaartkosten in het buitenland.
Kosten die als noodzakelijk worden gezien, zijn onder andere: akte van overlijden, basistarief uitvaartverzorger, vervoer van de overledene, kist, gebruik aula, begraafplaatskosten, grafrechten en crematiekosten. Verzekeringsgelden worden in mindering gebracht.
Hoofdstuk 10. Bestedingscontrole inrichtingskosten en terugvordering bijzondere bijstand
Artikel 41. Terugvordering bijzondere bijstand
Het college kan bijzondere bijstand terugvorderen als aankoopbewijzen niet worden overlegd, nadat belanghebbende eerst een hersteltermijn heeft gekregen. Ook kan terugvordering plaatsvinden als de bijstand niet voor het bedoelde doel is besteed.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Artikelen 42, 43 en 44
Behandelen respectievelijk de hardheidsclausule, vervallen beleidsregels en de citeertitel en inwerkingtreding. Deze behoeven geen nadere toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl