Monumentenverordening Heerde 2011

Geldend van 01-10-2010 t/m heden

Intitulé

Monumentenverordening Heerde 2011

Raadsbesluit

De raad van de gemeente Heerde;

gelezen het voorstel van het college d.d. 9 november 2010;

gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12 en 15 van de Monumentenwet 1988, artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen de navolgende:

Monumentenverordening Heerde 2011

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

    • 1.

      zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

    • 2.

      terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;

  • b.

    gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;

  • c.

    beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • d.

    kerkelijke monumenten: onroerende monumenten, die eigendom zijn van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;

  • e.

    eigenaren en zakelijk gerechtigden: degenen die in de kadastrale registers als eigenaren en zakelijk gerechtigden van een monument zijn ingeschreven;

  • f.

    monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;

  • g.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • h.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde;

  • i.

    vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • j.

    Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 2 Het gebruik van het monument

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het

monument.

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument
  • 1.

    Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende een monument aanwijzen als gemeentelijk monument;

  • 2.

    Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, hoort hij de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan hiervan afgeweken worden;

  • 3.

    Het college neemt met betrekking tot kerkelijke, althans religieuze monumenten geen beslissing tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst dan na overleg met de eigenaar;

  • 4.

    Monumenten die zijn aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet of die zijn geplaatst op een lijst van monumenten, op grond van een monumentenverordening van de provincie Gelderland, worden door het college niet op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Artikel 4 Voorbescherming

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit
  • 1.

    De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college;

  • 2.

    Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie maar in ieder geval binnen 16 weken na de adviesaanvraag.

Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en indien om aan aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.

Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
  • 1.

    Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst;

  • 2.

    De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduidding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 8 Wijziging van de aanwijzing
  • 1.

    Het college kan ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden de aanwijzing wijzigen;

  • 2.

    Artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op een wijzigingsbesluit;

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2, achterwege;

  • 4.

    De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing
  • 1.

    Het college kan ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden de aanwijzing intrekken;

  • 2.

    Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing;

  • 3.

    De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan het overeenkomstige artikel uit de monumentenverordening van de provincie Gelderland;

  • 4.

    De datum van intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken

Artikel 10 Instandhoudingbepaling
  • 1.

    Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen;

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

    • a.

      een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

  • 3.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd;

  • 4.

    Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn;

  • 5.

    Het college kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch onderzoek of een archeologisch onderzoek;

  • 6.

    Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden betreffende de uitvoering en de materiaaltoepassing.

Artikel 11. De schriftelijke aanvraag

Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in tweevoud ingediend.

Artikel 12 Termijnen advies
  • 1.

    Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor advies;

  • 2.

    Binnen 4 weken na de adviesaanvraag brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag;

  • 3.

    Bij overschrijding van de in het vorige lid genoemde termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.

Artikel 13 Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 14 Intrekking van de vergunning
  • 1.

    De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

    • a.

      blijkt dat de vergunning tengevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    • b.

      blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 10 niet naleeft;

    • c.

      de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;

    • d.

      niet binnen 26 weken van de vergunning gebruik wordt gemaakt;

  • 2.

    De intrekking wordt in afschrift gezonden aan de monumentencommissie.

Hoofdstuk 4 Beschermde Momenten

Artikel 15 Vergunning voor een beschermd rijksmonument
  • 1.

    Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een (beschermd) rijksmonument aan de monumentencommissie;

  • 2.

    De Monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift;

  • 3.

    Bij overschrijding van de in lid 2 genoemde termijn wordt de Monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben;

  • 4.

    Het bevoegd gezag beslist uiterlijk binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag.

Hoofdstuk 5 Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 16 Instandhoudingbepaling

(gereserveerd)

Artikel 17 Opgravingen en begeleiding

(gereserveerd)

Artikel 18 Procedure

(gereserveerd)

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 19 Tegemoetkoming in schade

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:

  • a.

    De weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 tot wijziging, afbraak of verwijdering van een gemeentelijk monument te verlenen;

  • b.

    De voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10 tot wijziging, afbraak of verwijdering van een gemeentelijk monument;

    Schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Artikel 20 Strafbepaling

Vervallen.

Artikel 21 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de bij besluit van het college aan te wijzen personen, ieder voor zover het feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 22 Intrekking oude regeling

De Monumentenverordening Heerde 1991, vastgesteld bij besluit van de raad van 27 mei 1991 wordt ingetrokken.

Artikel 23 Overgangsrecht
  • 1.

    De op grond van de ingevolge het vorige artikel vervallen verordening geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening;

  • 2.

    Aanvragen om vergunning die zijn ingediend voor 1 oktober 2010 worden afgehandeld met inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken verordening, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de Monumentenverordening 2010 wordt toegepast.

Artikel 24 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011.

Artikel 25 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als de “Monumentenverordening Heerde 2011”.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 13 december 2010

griffier, voorzitter,

Toelichting Monumentenverordening 2011.pdf