Beleidsplan WMO 2008

Geldend van 23-10-2008 t/m 31-12-2014

Intitulé

Beleidsplan WMO 2008

Artikel 1

1. Voorwoord

Voor ons college is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) een participatiewet. Hetgaat erom dat mensen gestimuleerd worden actief mee te doen. Dat geldt in principe vooriedereen in elke wijk of kern van onze gemeente. Maar het telt vooral voor de ouderen en mensen met een beperking. Niemand mag buiten de boot vallen. Iedereen doet mee.De meeste mensen doen uit zichzelf actief mee aan onze samenleving: ze werken, doenvrijwilligerswerk, zijn lid van een vereniging. Maar het is niet voor iedereen evengemakkelijk dit op eigen kracht te doen. Ze hebben daarbij ondersteuning nodig: soms vannaasten of mensen in de buurt en soms moeten er professionals aan te pas komen. Het is onzeopgave die ondersteuning zo goed mogelijk te faciliteren, te regisseren en (waar nodig) teorganiseren. De Wmo is voor ons ook de wet die moet bijdragen aan een meer solidaire samenleving. Een samenleving waarbij mensen naar elkaar omkijken en de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Daarvoor is een krachtige sociale structuur nodig. Gezamenlijk met een heleboel anderen maken wij als gemeente onderdeel uit van deze sociale structuur. Zo’n structuur is niet statisch maar constant in ontwikkeling. Het is een verantwoordelijkheid, maar ook een uitdaging voor ons allen om deze sociale structuur zo krachtig mogelijk te maken zodat iedereen zo lang mogelijk kan blijven meedoen. Uw gemeente zal hierin regievoerder zijn.

College van Burgemeester en Wethouders van gemeente Boxmeer

2. InleidingVoor u ligt het eerste beleidsplan Wmo (Wet maatsschappelijke ondersteuning) van de gemeente Boxmeer. Dit plan bouwt voort op de visienotitie Wmo Land van Cuijk, die in februari 2006 door de gemeenteraad is vastgesteld en al veel uitgangspunten noemt voor de invulling van de Wmo. Belangrijke punten voor dit plan vanuit de sociale visie zijn eigen verantwoordelijkheid van inwoners, het stimuleren van initiatieven van inwoners, het streven naar behoud van het voorzieningenniveau voor mensen met een beperking en de keuze om in het eerste beleidsplan Wmo vooral de nieuwe taken in het kader van de wet aandacht te geven.

De opdracht aan gemeenten in de Wmo is niet volledig nieuw. Veel al bestaande activiteiten passen in deze wet en krijgen er hun plek. Daarnaast is de aansluiting bij andere gemeentelijke beleidsterreinen van belang. We leggen hier relaties en zetten instrumenten zodanig in dat doelen op meerdere terreinen gediend worden. Iedereen moet mee kunnen doen. Dat is het uitgangspunt. Daarvoor is het nodig dat in wijken en dorpen een basis van leefbaarheid en sociale samenhang aanwezig is waardoor mensen zich prettig voelen en welkom zijn bij activiteiten. Voorzieningen en activiteiten in wijken en dorpen moeten daarbij zijn toegerust om ook mensen met een beperking een plek te bieden, zodat ook zij de mogelijkheid hebben te participeren en sociale contacten in hun eigen omgeving op te bouwen. We doen een beroep op inwoners (met of zonder beperking) om met ons en met maatschappelijke organisaties te ontdekken hoe in wijken en dorpen ook de onderlinge ondersteuning vorm kan krijgen. In praktische diensten maar ook bij het organiseren van ontmoeting kunnen inwoners veel voor elkaar en voor de leefbaarheid in het dorp en de wijk betekenen. Daarvan profiteren niet alleen mensen met een beperking, maar ook mantelzorgers en inwoners in het algemeen.

Niet alles kan binnen algemene voorzieningen en activiteiten worden opgelost. Categorale activiteiten zullen nodig blijven voor groepen die specifieke begeleiding nodig hebben of voor wie bijzondere voorzieningen nodig zijn. Daarnaast spelen individuele voorzieningen een belangrijke rol als het gaat om maatschappelijke participatie en behoud van zelfstandigheid. In de eerdere visienotitie is de uitgangssituatie van de vijf gemeenten in het Land van Cuijk aangegeven. Zij hebben in de bestuursopdracht tot voorbereiding van de Wmo in maart 2005 een keuze gemaakt die richtinggevend is voor de visie op maatschappelijke ondersteuning. Het gaat daarbij om het voortzetten van een eerder in gang gezette ontwikkeling, een integrale aanpak op het terrein van wonen, welzijn en zorg. Dat betekent dat we op de terreinen van leefbaarheid, jeugd, verslavingszorg en maatschappelijke opvang aansluiten bij reeds vastgesteld beleid en niet komen met nieuwe maatregelen. Datzelfde geldt in eerste instantie voor de terreinen waarop we subsidieregelingen vanuit de AWBZ overnemen. Het gaat om mantelzorgondersteuning (voorheen gefinancierd via de CVTM-regeling), ondersteuning voor zelfstandig wonende ouderen met een 24-uursindicatie (voorheen vallend onder de regeling Diensten bij Wonen met Zorg) en de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ). Op deze terreinen hebben we afspraken gemaakt met de betrokken instellingen over continuering van de activiteiten in 2007 en 2008 binnen de beschikbare middelen. Voor de toekomst moeten we nagaan of dat ook op termijn mogelijk is en welke aanvullende maatregelen nodig zijn. Met name van mantelzorgers is nog onvoldoende bekend welke ondersteuning in aanvulling op bestaande activiteiten hen kan helpen bij het vinden van een evenwicht tussen de zorg voor een naaste en het eigen welzijn.

Naast concrete voorzieningen vraagt de Wmo ook aandacht voor kwaliteit en voor participatie. Kwaliteit komt tot uiting in de afspraken die we hierover maken met aanbieders en in het toetsen daarvan door klanttevredenheidsonderzoeken. Door deze onderzoeken wordt de tevredenheid van klanten en inwoners een belangrijke informatiebron bij het bijstellen van maatregelen en beleid. Daarnaast blijven we in de komende jaren nadrukkelijk in gesprek met inwoners over de taakvelden van de Wmo. Om daadwerkelijk mensen te betrekken is het nodig om naar de mensen toe te gaan, door bezoeken aan wijken en dorpen, organisaties of misschien wel bij mensen thuis. Dat leert de ervaring bij de inmiddels bekende wijk-en dorpsbezoeken in de hele gemeente Boxmeer.

We beginnen in de gemeente Boxmeer niet blanco aan de uitvoering van de Wmo.In Boxmeer wordt al meegedaan. Er is een rijk verenigingsleven, veel vrijwilligers die zich inzetten en er zijn diverse voorzieningen om mensen mee te laten doen. De Wmo kent negen velden waarop de gemeente prestaties moet leveren, de zogenoemde prestatievelden. Het college van burgemeester en wethouders heeft de opdracht om de reeds eerder vastgestelde kaders verder uit te werken in meetbare doelstellingen en effecten. Waar mogelijk hebben we dit ook gedaan. Echter er valt op dit punt nog genoeg te verbeteren om tot concretere doelen, met benoembare resultaten te komen.

We bieden een meerjarenplan 2008 – 2011 met samenhangend sociaal beleid waarin de prestatievelden herkenbaar terugkomen. Het plan omvat de ambities en doelstellingen tot en met 2011 vanuit de visie dat eerst de beleidsrichting wordt bepaald en daarbij de benodigde middelen in beeld worden gebracht. Burgers, cliëntenorganisaties, adviesraden en professionele uitvoeringsorganisaties zijn actief betrokken bij de totstandkoming van het plan en worden ook bij de verdere ontwikkeling, uitvoering en evaluatie betrokken. Het plan is een groeimodel en biedt ruimte om tussentijds in te gaan op ontwikkelingen. Nadat dit beleidsplan is vastgesteld zal de aanpak onder verantwoordelijkheid van het college in uitvoeringsprogramma’s worden vertaald. Het college houdt u jaarlijks via de begroting, de jaarverslagen en via de Wmo-evaluatie op de hoogte van de plannen, de voortgang en vooral de resultaten.

3. Samenvatting

AlgemeenDe Wmo is de wet die moet bijdragen aan een meer solidaire samenleving. Een samenleving waarbij mensen naar elkaar omkijken. Daarvoor is een krachtige sociale structuur nodig. Het doel van de Wmo is een samenhangend lokaal beleid op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning en op verwante terreinen. Om dit samenhangende beleid uit te werken levert de gemeente Boxmeer prestaties op negen terreinen die te maken hebben met het (kunnen) deelnemen van inwoners aan de samenleving. Het beleid van de gemeente is er op gericht om het welbevinden van de inwoners te stabiliseren en te verbeteren. Participatie kunnen wij bevorderen door een samenhangend pakket van voorzieningen op het terrein van wonen, welzijn, en zorg aan te bieden. Dit samenhangende pakket heeft een goede kwaliteit en sluit aan bij de vraag van de inwoners. Het beleid is er op gericht om problemen te voorkomen of om problemen zo goed mogelijk op te lossen als deze er zijn. Het beleid van de gemeente Boxmeer wordt in samenhang gezien met belangrijke Wmo-uitgangspunten in de andere gemeenten van het Land van Cuijk. Dit vanuit het gegeven dat klanten maar ook betrokken (professionele) organisaties, belang hebben bij eenduidige beleidsuitgangspunten en werkafspraken in regionaal verband.

De meest in het oog springende verandering als gevolg van de Wmo betreft het overgaan van de AWBZ-gefinancierde voorzieningen naar de gemeenten en het opgaan van de Wvg in de Wmo. Er is een balans nodig tussen de eigen verantwoordelijkheid van de burger en de ondersteuning die de gemeente biedt. Het beleid is er op gericht om de groep burgers met ondersteunings-behoefte te bereiken zodat zij op termijn hun eigen verantwoordelijkheid weer kunnen nemen. De Wmo legt sterk de nadruk op de keuzevrijheid van de burger. Dit betekent voor zowel de gemeente als de zorgaanbieders en welzijnsinstellingen dat de wensen en behoeften van de burger verkend en geïnventariseerd worden.

Maatschappelijke ondersteuning wordt vormgegeven vóór maar ook dóór burgers. Ook na het ontwikkelen van het vierjaren beleidsplan blijft er ruimte voor het ontwikkelen van nieuwe initiatieven. Burgerparticipatie is niet alleen denken maar ook doen. De gemeente wil deze vormen van participatie duidelijker van elkaar gaan scheiden. Enerzijds het faciliteren van activiteiten die mensen met elkaar ondernemen en anderzijds zorgen dat mensen meedenken en meepraten over het beleid dat hun directe omgeving raakt. De gemeente gaat zich, in samenspraak met de Wmo-adviesraad in een aantal (doel)groepen van de Wmo verder verdiepen. Hierbij is specifieke aandacht voor de betrokkenheid vanuit de doelgroep jeugd, allochtonen en GGZ.

De verwachting is dat in nieuwe situaties, meer dan voorheen, eenvoudige hulp zal worden geïndiceerd. De klant heeft bij een indicatie voor “hulp bij het huishouden” een keuze tussen twee aanbieders als hij/zij kiest voor zorg in natura. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via een persoongebonden budget zelf hulp in te kopen. Met betrekking tot de levering van hulpmiddelen heeft de klant vanaf 1 januari 2008 een keuze tussen drie aanbieders. Daarnaast is ook hier de keuze voor een persoonsgebonden budget mogelijk. De leveranciers investeren in de gunsten van hun klanten. Hiermee wordt een hoger kwaliteitsniveau nagestreefd.

 

Sociale samenhang en leefbaarheidDe gemeente werkt aan een beleid op het terrein van wonen, welzijn en zorg, waarin mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven functioneren. Het beleid is gericht op het versterken van de gemeenschap en de sociale samenhang. Dit voorkomt uitval en sociale uitsluiting. Dit doen we via de wijk- of dorpsgerichte aanpak. In zijn algemeenheid kan men stellen dat het goed gesteld is met de leefbaarheid van Boxmeer. Er zijn echter ook aandachtspunten. Vooral de kleinere kernen van de gemeente hebben te maken met een teruglopend aanbod van commerciële voorzieningen, wat vooral voor ouderen een probleem is. In sommige wijken van de kern Boxmeer zijn op wijkniveau geen of weinig voorzieningen beschikbaar. In samenspraak met belanghebbenden gaan we zoeken naar oplossingen.

De gemeente Boxmeer kiest voor een actieve ondersteuning van de wijk-en dorpsraden; wijk- en dorpsraden zijn belangrijk voor de leefbaarheid in de wijken en dorpen. De gemeente ziet de inzet van wijk- en dorpsraden als de meest geëigende aanpak om sociale samenhang en leefbaarheid te bevorderen. Hierdoor wordt ingespeeld op maatschappelijk initiatief. De gemeente stelt daartoe informatie beschikbaar en richt haar organisatie zo in dat maximaal kan worden ingespeeld op het maatschappelijk initiatief. Door het opstellen van wijk-of dorpsprogramma’s willen we niet alleen aandacht besteden aan de woonomgeving. Wij willen ook de sociale kant van de kern of wijk in kaart brengen. Op basis van deze gegevens kunnen wij ook accenten leggen om de sociale samenhang te verbeteren. In ieder dorp of iedere kern bekijken we welk gebouw ingezet wordt voor een aantal voorzieningen en voor activiteiten die worden georganiseerd. Dit betekent dat gekeken moet worden welk gebouw aanwezig is en goede potenties heeft om een multifunctioneel gebouw te worden waar diverse deelnemers gebruik van kunnen maken.

Preventieve ondersteuning van jeugd en oudersHet gemeentelijk jeugd- en onderwijsbeleid zijn nauw met elkaar verbonden. Onderwijs vult een belangrijk deel van het leven van de jeugd t/m 23 jaar. De gemeente is verantwoordelijk voor een integraal preventief lokaal jeugdbeleid. De gemeente voert de regie in het proces om te komen tot een sluitende jeugdketen. Zij voorkomt met hulp van de algemene voorziening dat ernstige opgroei- en opvoedproblemen ontstaan. Omdat ouders soms behoefte hebben aan steun, kinderen soms begeleiding nodig hebben en het grootbrengen van kinderen een maatschappelijke taak is, dient er naast de informele steun ook formele opvoedingsondersteuning beschikbaar te zijn. Elke jeugdige en ouder die zorg nodig heeft of daarom vraagt, kan er op rekenen dat voorzieningen, vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, flexibel inspelen op vragen en problemen. Eén van de randvoorwaarden voor de inrichting van een sluitende lokale jeugdketen is een gemeentelijk signaleringssysteem. De gemeente Boxmeer heeft hier samen met de gemeenten in het Land van Cuijk in geïnvesteerd. Een goed signaleringsinstrument maakt het hulpverleners mogelijk snel te zien welke organisatie bij welke hulpvrager (jeugdige / ouders) betrokken is. Er komt een Centrum voor Jeugd en Gezin. In het Centrum voor Jeugd en Gezin worden verschillende taken als opvoedingsondersteuning, jeugd- gezondheidszorg, licht ambulante begeleiding en functies op het gebied van advies en melding kindermishandeling in de directe nabijheid van jeugdige en ouders integraal aangeboden.

Informatie, advies- en ondersteuningsfunctieMet 'geven van informatie en advies' wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning. Het gaat hier om algemene voorzieningen zoals (voldoende) informatiepunten, als om meer specifieke voorzieningen zoals een individueel advies, of hulp bij de verheldering van een ondersteuningsvraag. Een verbindend en terugkerend thema is: “niet van het kastje naar de muur”. Het loket zorgt dat burgers daar geholpen worden, professioneel en goed, zo volledig mogelijk, liefst direct of anders zo snel als dat mogelijk is, als het niet direct kan dan wordt gezorgd voor een goede vervolgafspraak en wordt het vervolg in gang gezet. Er is gekozen voor de opzet van een wwz-brede variant van het lokaal loket. De gemeente Boxmeer kiest voor een informatie-advies en regelloket. Het model gaat er vanuit dat de Wmo-consulent de informatie integraal verstrekt, adviseert en aan de slag gaat om er voor te zorgen dat alles gebeurt wat er nodig is om aanbieder/aanbod en burger bij elkaar te krijgen. De uitdaging voor dit loket zit in de nauwe samenwerking die nodig is met alle organisaties en instellingen. Vanuit het Wmo-loket wordt er op toegezien dat de vraag van de klant beantwoord wordt. Digitale bereikbaarheid kan plaatsvinden via een website en via e-mail. De gemeente neemt in het zorgveld een onafhankelijke positie in en heeft als lokale overheid de taak om de belangen van alle betrokken partijen, burgers, organisaties en instellingen, op een goede wijze met elkaar in verband te brengen. De gemeente gaat snel, volledig, efficiënt en onbureaucratisch op de hulpvraag van burgers inspelen door middel van wat is gaan heten een “gekwalificeerde intake”. Al direct kan richting en omvang van de te verstrekken hulp worden bepaald en de verstrekking in werking worden gezet. Veel waarde wordt gehecht aan een snelle en transparante indicering. De snelheid waarmee de ondersteuning tot stand komt is voor de burger erg belangrijk. De gemeente is aanspreekpunt en dus ook aanspreekbaar op resultaten, zowel in positieve als in negatieve zin. Dit stelt eisen aan een professionele inrichting die de daarin werkzame personen goed outilleert. Aan deze personen worden eisen gesteld voor wat betreft opleiding, ervaring en kunde. Het Wmo-loket is een groeimodel wat in de loop van 2009 en 2010 verder wordt uitgebouwd. Vanuit dit gezichtspunt gaat de gemeente de betrokken partijen benaderen om mede vorm en inhoud te geven aan het lokaal loket.

Ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligersDe vrijwillige inzet van burgers, zowel informeel en ongeorganiseerd als in georganiseerd verband vormt een onmisbaar deel van de ‘civil society’. Als gemeente willen wij de betrokkenheid en solidariteit onder burgers stimuleren door een vrijwilligersvriendelijk klimaat te creëren. Door de komst van de Wmo krijgt het vrijwilligersbeleid een wettelijk kader en is tevens de mantelzorg toegevoegd aan het gemeentelijk beleid. Daarbij gaat het in de regel om algemene beleidsmaatregelen en niet zozeer om individuele voorzieningen. De centrale boodschap van de Wet maatschappelijke ondersteuning is “meedoen”. Dit doel wordt bereikt door de zorg en ondersteuning aan burgers op een andere manier te regelen. De gemeente Boxmeer biedt een krachtige, sociale structuur, waar zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid een belangrijke plaats innemen. De rol van de mantelzorgers evenals die van vrijwilligers krijgt binnen het gemeentelijke Wmo-beleid een centrale plaats. De gemeente stimuleert activiteiten waardoor de mantelzorgers worden ontlast. Hulp van naasten kan dan langer worden geboden. De aandacht richt zich niet op méér inzet van de mantelzorg, maar op het ontlasten van mantelzorgers en het (her)verdelen van de lasten.

De betrokkenheid van de inwoners bij de eigen leefomgeving is groot. Inwoners zijn bereid zich in te zetten voor elkaar en voor de gemeenschap. Dit zorgt ervoor dat Boxmeer een gemeente is waar het prettig wonen is. Er is een bloeiend verenigingsleven en er worden talloze activiteiten georganiseerd die de gelegenheid bieden elkaar te ontmoeten. Vrijwilligers spelen hierin een belangrijke rol. De gemeente ondersteunt deze vrijwilligers. Zonder de vrijwilligers zou de sociale infrastructuur als een kaartenhuis in elkaar storten. Vrijwilligers vormen de onmisbare schakel. De gemeenschap vaart wel bij een actief verenigingsleven en bij mensen die zich inzetten voor elkaar. Vrijwilligers leveren een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid in de kernen en voor vrijwilligers zelf kan het werk bijdragen aan een nuttige vrijetijdsbesteding, ontmoeting met anderen en zelfontplooiing. De gemeente Boxmeer schept de juiste voorwaarden om mensen te stimuleren zich vrijwillig in te zetten en onbetaald actief te zijn voor anderen en voor de samenleving.

Deelname maatschappelijk verkeerSteeds meer mensen met beperkingen blijven (langer) wonen in hun eigen wijk of dorp. Om zelfstandig te kunnen blijven zijn allerlei vormen van ondersteuning nodig op het gebied van wonen, (informele)zorg, welzijn en dienstverlening. Door de toenemende vergrijzing zal de omvang van de groep evenals de vraag naar maatschappelijke ondersteuning toenemen. In de komende jaren zal meer duidelijkheid komen over de extra mogelijkheden die (OV)vervoerssystemen in onze regio te bieden hebben. Voor de leefbaarheid in de kleine kernen is een goed systeem van openbaar vervoer essentieel. Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft een directe relatie met sociale samenhang en leefbaarheid. Dit strekt zich immers uit tot álle inwoners van een wijk of dorp. Hierbij is aandacht voor meer kwetsbare groepen. Vermaatschappelijking van de zorg is méér dan dat kwetsbare groepen in een wijk of dorp kunnen (blijven) wonen. Zo’n proces vergt inspanningen van meerdere kanten. De wijk of het dorp, haar bewoners en de aanwezige voorzieningen zullen mee moeten veranderen om ruimte te bieden aan “mensen met beperkingen”. Mensen met beperkingen zijn vaak aangewezen op individuele verstrekkingen en voorzieningen op het gebied van woningaanpassing en vervoer. De gemeente heeft naast een sturende ook een ondersteunende rol De MEE-organisatie zal als deskundige op het gebied van ondersteuning ten behoeve van (verstandelijk) gehandicapten nadrukkelijker in beeld komen in relatie tot de één-loketgedachte. Ook met specifieke organisaties als GGZ in samenwerking met Stichting Door en Voor zal naar mogelijkheden gezocht worden om de doelgroep (ex) GGZ-ers te blijven betrekken bij onze samenleving.

Individuele voorzieningenMet de verstrekking van specifieke, op de persoon toegesneden voorzieningen voldoet de gemeente aan een van de wettelijk nieuwe taken van de Wmo. Het betreft individuele verstrekkingen aan burgers die essentieel zijn voor het persoonlijk fysiek functioneren. Deze voorzieningen stellen burgers in staat om op een goed niveau te kunnen participeren in de samenleving en voorkomen dat er minder snel een beroep wordt gedaan op de intramurale voorzieningen. De gemeente heeft een compensatieplicht. Dit houdt in dat de gemeente aan mensen met beperkingen zodanige voorzieningen gaat aanbieden, dat zij in staat zijn om ondanks die beperkingen deel te nemen aan het leven van alledag in en rond de thuissituatie. De gemeente faciliteert de zelfredzaamheid, maar dat komt aan bod als de mogelijkheden van de betrokkene zelf en in bredere zin van de maatschappij zijn uitgeput. Bij de huishoudelijke verzorging speelt een voorzorgsbeginsel, dat zich echter niet alleen richt tot de aanvrager zelf, maar tot zijn huishouden. Dit beginsel dat is neergelegd in het protocol gebruikelijke zorg, geeft weer dat als een persoon binnen het huishouden niet meer voor het huishouden kan zorgdragen, andere personen die taken overnemen tenzij er omstandigheden zijn die dat verhinderen. Nu de gemeente zelf de verantwoordelijkheid voor indicatiestelling draagt gaat zij het protocol gebruiken als vertrekpunt. Het protocol heeft hiermee de status van een richtlijn gekregen dan een regel. Het persoonsgebonden budget (PGB) is voor wat betreft de hulpmiddelen een nieuw fenomeen. In de gemeente Boxmeer is er voor gekozen om de klant in alle vrijheid te laten kiezen voor deze optie. De hoogte is vastgesteld op 100% van de overeengekomen tarieven met de aanbieders van zorg en hulpmiddelen. De PGB-houder ervaart vaak de financiële verantwoording van zijn/haar PGB richting gemeente als belastend. Om aan deze (mogelijke) drempel tegemoet te komen kan de PGB-houder (gratis) gebruik maken van de ondersteunende diensten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Maatschappelijke opvang, OGGZ en verslavingsbeleidOp het terrein van de maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en OGGZ werken 14 gemeenten van de regio Brabant Noordoost met de betrokken professionele instelling(en) samen. Mensen met complexe problemen worden in staat gesteld samenhangende zorg te ontvangen, waardoor zij zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren en kunnen deelnemen aan de samenleving: huisvesting, scholing/werk, dagbesteding, inkomen, gezondheid en sociaal netwerk. Hier is gekozen voor ketenbenadering waarin zelfstandige partners samenwerken aan het realiseren van afgestemde producten die voorzien in de behoefte(n) van de cliënt. De zorg sluit aan bij de belevingswereld, leefstijl en sociaal-culturele achtergrond van de cliënt. De professionele instellingen dragen zorg voor een adequate registratie over het bereik van geleverde producten en diensten en over de omvang, samenstelling en toestand van de te onderscheiden groepen van kwetsbare mensen. Het maatschappelijk effect is het herstellen van de zelfredzaamheid van mensen, mensen de gelegenheid te bieden om maatschappelijk te participeren en daarvoor op lokaal niveau voorwaarden te scheppen. Maatschappelijke opvang richt zich op mensen die dak- en thuisloos zijn, zich lichamelijk en geestelijk verwaarlozen, een risico vormen voor de eigen gezondheid en/of overlast veroorzaken. OGGZ is het voorkomen van problemen en de daaruit voortvloeiende individuele en maatschappelijke schade bij mensen met (latente) psychische problematiek, alsmede het aanpakken van (complexe) psychische problemen bij individuen en groepen. De gemeente voert de regie voor de toeleidingsactiviteiten naar zorg en voor de samenwerking tussen partijen. Bestrijding van overlast in de omgeving door verslaving maakt onderdeel uit van het beleid. Verslavingsbeleid is ook een aspect van het lokale gezondheidsbeleid. Bovendien bestaat er een directe relatie met het gemeentelijke jeugdbeleid. Het maatschappelijk effect is het bieden van de mogelijkheid om maatschappelijk te participeren. Hiervoor worden op lokaal niveau voorwaarden gecreëerd. De gemeente voert de regie voor de toeleiding naar zorg en voor de samenwerking tussen partijen. Uitgangspunt voor verslavingsbeleid is het bereiken en instandhouden van de maatschappelijke participatie van verslaafden, waardoor deze mensen in staat zijn te voorzien in basisvoorwaarden als huisvesting, inkomen, sociale contacten en zelfverzorging.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. De uitgangspunten in de Wmo4.1. De Wet maatschappelijke ondersteuning in kort bestekDe Wet maatschappelijke ondersteuning is op 1 januari 2007 in werking getreden. Redenenvoor het rijk om deze wet voor te bereiden waren:• de kosten van de AWBZ waren veel te sterk gestegen en door de vergrijzing dreigden ze nog verder te groeien;• er was te weinig samenhang in de zorg en tussen zorg en welzijn;• de rol van de overheid in de zorg en ondersteuning was te groot geworden;• en daarmee was de eigen verantwoordelijkheid van de burgers te veel afgenomen.

De regering wil met de Wmo de zorg en ondersteuning van mensen op een andere, decentralemanier regelen. Daarvoor is een krachtige, sociale structuur nodig. Een sociale structuurwaarin zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid eenbelangrijke plaats innemen. Op lokaal niveau komt een dergelijke structuur het beste totstand.

In de Wmo zijn de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), de Welzijnswet, een deel uit deAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en een klein deel uit de Wet collectievepreventie Volksgezondheid (WCPV) samengevoegd. Voor de AWBZ gaat het om dehuishoudelijke verzorging. Voor de WCPV gaat het om de openbare geestelijkegezondheidszorg, behalve de psychosociale hulp bij rampen. Daarnaast zijn 5subsidieregelingen ondergebracht in de Wmo:1. Diensten bij wonen met zorg;2. Initiatieven openbare geestelijke gezondheidszorg;3. Zorgvernieuwingsprojecten GGz;4. Coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg;5. Training en advies Vrijwilligers.

De Wmo is bedoeld om samenhangend beleid op het gebied van wonen, welzijn enmaatschappelijke ondersteuning te realiseren met dwarsverbanden naar andere terreinen zoalsgezondheid, sociale zekerheid en werk. De kern van de wet is de maatschappelijke ondersteuning.4.2. Doelstelling van de Wmo“Meedoen” is het devies van de Wmo. Meedoen over de volle breedte van de Nederlandse bevolking: jong en oud, ongeacht iemands maatschappelijke of economische positie, ongeacht beperkingen. Voor veel mensen is deelnemen aan de samenleving en zich inzetten voor anderen een vanzelfsprekendheid. Soms lukt dat meedoen niet op eigen kracht. Dat kan zijn omdat burgers de weg niet weten, de regie kwijt zijn, problemen hebben met het opgroeien of opvoeden van hun kinderen. Soms gaat het om mensen die zelf de hulpverlening niet weten te vinden: ouderen in een isolement, mensen die zich schamen zorg te vragen of mensen die geen zorg willen vragen, terwijl ze dat eigenlijk wel nodig hebben (‘zorgwekkende zorgmijders’). Anderen hebben enige mate van ondersteuning nodig, omdat ze sommige dingen vanwege een beperking niet zelf kunnen. Mensen indien nodig ondersteunen in hun bijdrage aan de samenleving, het herstellen van de zelfredzaamheid, mensen toerusten om maatschappelijk te participeren, dáár gaat het om.4.3. De prestatievelden in de WmoDe Wet maatschappelijke ondersteuning is een wet die gekenmerkt wordt door negenprestatievelden. Deze prestatievelden vormen geen doel op zich maar zijn verbonden met het centrale, maatschappelijke doel van de Wmo, namelijk: meedoen. Meedoen van álle burgers aan álle facetten van de samenleving, al of niet geholpen door vrienden, familie of bekenden. Dat is de onderlinge betrokkenheid tussen mensen. Als dat meedoen niet lukt, dan is er ondersteuning door de gemeente. Het doel van de Wmo is een samenhangend lokaal beleid op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning en op verwante terreinen. Om dit samenhangende beleid uit te werken gaat de gemeente prestaties leveren op negen terreinen die te maken hebben met het (kunnen) deelnemen van inwoners aan de samenleving.

De negen prestatievelden zijn:1. Het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in dorpen, wijken en buurten;2. Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met het opgroeien en ondersteuning van ouders met problemen met opvoeden;3. Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;4. Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;5. Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;6. Het treffen van voorzieningen voor mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en voor mensen met een psychosociaal probleem voor het behouden en bevorderen van hun zelfstandig functioneren en/of hun deelname aan de maatschappij;7. Het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van huiselijk geweld;8. Het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen;9. Het bevorderen van verslavingsbeleid.4.4. Visie en beleidHet beleid van de gemeente is erop gericht om het welbevinden van de inwoners te stabiliseren en te verbeteren. Onze visie is dat wij dit kunnen bevorderen door een samenhangend pakket van voorzieningen op het terrein van wonen, welzijn, en zorg aan te bieden. Dit samenhangende pakket moet een goede kwaliteit hebben, aansluiten bij de vraag van de inwoners, voor een passende prijs. Belangrijk is ook dat het beleid erop gericht is om problemen te voorkomen of om problemen zo goed mogelijk op te lossen als er problemen zijn. Indien nodig zal ook handhavend worden opgetreden. Dit is een driedeling in beleid:

• Preventief (voorkomen)• Curatief (genezend oftewel oplossend)• Repressief (handhavend)

In onze visie schuift de gemeente bij het uitvoeren van beleid meer en meer op naar preventie van problemen: voorkomen is immers beter dan genezen. De gemeente is in dit proces volgens ons altijd regisseur. Regie is, volgens onze definitie, een bijzondere vorm van sturen die is gericht op de afstemming van actoren, hun doelen en handelingen tot een min of meer samenhangend geheel met het oog op een bepaald resultaat. De gemeente kan op verschillende manieren regie voeren: uitvoeringsgericht, beheersingsgericht, visionair en/of faciliterend.

Het beleid van de gemeente Boxmeer kan in deze niet geheel los gezien worden van belangrijke Wmo-uitgangspunten in de andere gemeenten van het Land van Cuijk (Cuijk, Mill en Sint Hubert, Sint Anthonis en Grave). In de voorbereidingen naar de implementatie van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning zijn veel beleidsmatige zaken gezamenlijk in het Land van Cuijk opgepakt. Dit vanuit het gegeven dat klanten maar ook betrokken (professionele) organisaties, belang hebben bij eenduidige beleidsuitgangspunten en werkafspraken, waar dit kan, in regionaal verband. De ontwikkeling van de Wmo in het Land van Cuijk is aangepakt vanuit de visie dat de maatschappelijke ondersteuning van kwetsbare burgers pas goed tot zijn recht kan komen als er sprake is van een evenwichtig aanbod van individuele en collectieve voorzieningen in de context van een uitgewerkte sociale infrastructuur.

Onder kwetsbare burgers verstaan wij alle inwoners met functiebeperkingen, chronisch zieken, lichamelijke en verstandelijk gehandicapten, mensen met een psychische aandoening of met psychosociale problemen, daklozen, thuislozen, jongeren met opvoedingsproblemen en zwerfjongeren, slachtoffers van huiselijk geweld, woningvervuilers, (ex)psychiatrische patiënten, drugs- alcohol- en gokverslaafden. De ontwikkeling van een samenhangend beleid voor maatschappelijke ondersteuning bouwt voort op eerder in gang gezette ontwikkelingen rond wonen, welzijn, zorg en op het voorzieningenaanbod dat binnen deze context reeds tot stand is gekomen.

Aan de klantenvertegenwoordigers was in het voorbereidingsproces een belangrijke plaats toebedeeld in de vorm van de regionale klantsupportgroep. Daarnaast zijn lokale adviesraden betrokken. Nu richt de aandacht zich meer op de inrichting van een lokale burgerparticipatie-vorm (Wmo-adviesraad). De toewijzing van de zorg zal er op gericht zijn om de ondersteuning terecht te laten komen bij degenen die deze nodig hebben. Uitgangspunt is zorg op maat. Burgers zullen steeds meer via een digitaal loket informatie en advies over maatschappelijke ondersteuning kunnen verkrijgen. Voor een groot deel van de Wmo-doelgroep die geen toegang heeft tot deze dienstverlening, is persoonlijke ondersteuning bij het verkrijgen van informatie en advies vereist en hiervoor zal een lokaal loket op maat een belangrijke functie vervullen. Ondersteuning van mantelzorg-en vrijwilligerswerk verdient prioriteit in het Wmo-beleid.

Als de rol die de gemeente wil innemen duidelijk is, moet een visie op de Wmo ontwikkeld worden. Deze visie dient immers als kader om het vierjaren beleidsplan Wmo vorm te geven. Als uitgangspunt is het volgende gehanteerd: de gemeente gaat ervan uit dat iedere burger verantwoordelijkheid voor en zeggenschap heeft over zijn eigen leven, van kwaliteiten en mogelijkheden. Waar mensen uit de boot dreigen te vallen, neemt de gemeente met de maatschappelijke partners ( zorgaanbieders en welzijnsinstellingen) de nodige maatregelen om dat te voorkomen en mensen weer binnenboord te halen. Mensen moeten in een redelijke harmonie met elkaar samenleven, zelfredzaam zijn en zelfstandig kunnen (blijven) functioneren. Preventief beleid moet ontwikkeld worden om uitval van mensen te voorkomen.

Als gemeentelijk uitgangspunt kan gehanteerd worden: iedereen doet mee! Op basis van dit uitgangspunt, worden de volgende visie-elementen geformuleerd:• Het Wmo beleid is voor alle burgers.• De eigen verantwoordelijkheid van de burger: het bevorderen van zelfstandigheid en participatie. Indien dit niet lukt, biedt de gemeente een vangnet aan.• Preventie daar waar dit mogelijk is.• De vraag van de burger is leidend.• Een doelmatige en houdbare uitvoering.• De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.• Collectieve ondersteuning van deelname• Ruimte voor ideeën en creativiteit van burger(s)• Beleid en uitvoering zijn integraal en naar de burgers toe gericht.

De hierboven genoemde punten worden verderop in het beleidsplan nader toegelicht.4.5. Verplichte uitgangspunten in het beleidsplanDe Wmo legt de gemeente een aantal verplichtingen op. Er moet in ieder geval eenvierjarenbeleidsplan geschreven worden. In dit beleidsplan moeten minimaal de volgende vragen beantwoord worden:• Wat zijn de gemeentelijke doelstellingen op de negen prestatievelden? • Hoe wordt het samenhangende beleid van de negen prestatievelden uitgevoerd?• Welke acties worden in de periode die het plan bestrijkt ondernomen?• Welke resultaten wil de gemeente behalen in de periode die het plan bestrijkt?• Welke maatregelen nemen het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd?• Welke maatregelen worden genomen om de keuzevrijheid te bevorderen voor degenen aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend.• Op welke wijze hebben het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad zich vergewist van de behoeften van de kleine doelgroepen.

De wet kent daarnaast nog een aantal procesverplichtingen:• De gemeenteraad dient een verordening vast te stellen over door burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen. In de verordening wordt vastgelegd wie aanspraak kan maken op welke voorzieningen.• Burgemeester en wethouders dienen aan personen die aanspraak maken op een individuele voorziening de keuze te geven tussen het ontvangen van die voorzieningen in natura of het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgeboden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. • Burgemeester en wethouders dienen burgers- en in het bijzonder burgers om wie het gaat- en instellingen bij de voorbereiding, vaststelling en verantwoording van beleid te betrekken.• De gemeente dient nader te bepalen prestatiegegevens over maatschappelijke ondersteuning te registreren en deze jaarlijks te publiceren en te verstrekken aan de Minister van VWS ten behoeve van zgn. benchmarks. Doel hiervan is burgers en maatschappelijke organisaties in staat te stellen op eenvoudige wijze de prestaties van hun gemeente op het terrein van maatschappelijke ondersteuning te beoordelen en deze te vergelijken met de prestaties van andere gemeenten.

4.6. Landelijke ontwikkelingen hulp bij het huishoudenInmiddels is kennis genomen van een aangekondigde wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per januari 2009 op voorstel van staatssecretaris Bussemaker van VWS. De voorgestelde wijzigingen moeten de positie van de cliënt in de Wmo versterken. De belangrijkste punten uit dit voorstel zijn:

• De Wmo wordt zodanig gewijzigd dat wordt uitgesloten dat de zorgaanbieder de huishoudelijke hulp in natura via een alfahulp aan de cliënt levert.• Om de keuze van de burger voor een alfahulp mogelijk te houden, worden eveneens maatregelen genomen.• Door de wetswijziging moet eveneens worden voorkomen dat thuiszorgmedewerkers een slechtere rechtspositie krijgen.• In de Wmo wordt een nieuwe bepaling opgenomen waarbij thuiszorgaanbieders in hun offerte aan moeten geven op welke manier zij met de oude - niet gegunde – aanbieders van hulp bij het huishouden overleg voeren over de mogelijke overname van personeel.

Het gemeentebestuur zal de consequenties van dit voorstel voor de dienstverleningssituatie in de gemeente Boxmeer nog nader moeten beoordelen. Gesprekken met de zorgaanbieders moeten meer inzicht geven over de inzet van alfahulpen in de gemeente. De gewijzigde verhoudingen tussen eenvoudige hulp en complexere hulp bij de indicatiestelling vragen ook van de zorgaanbieders een eigen verantwoordelijkheid om hun dienstverlening af te stemmen op de vraag. Met de gemaakte (werk)afspraken voor de zorgaanbieders, alsmede de mogelijke consequenties van de landelijke voorstellen in deze, blijft de kwaliteit van de “hulp bij het huishouden” in de gemeente Boxmeer op het gewenste kwaliteitsniveau. Het aantal factoren die dit kwaliteitsniveau beïnvloeden is complex. Dit vraagt een hoge mate van alertheid (“vinger aan de pols”) richting zorgaanbieders maar ook oog en oor voor de signalen vanuit klantperspectief. De gemeente Boxmeer staat voor haar verantwoordelijkheid ten aanzien van de burgers die van deze diensten afhankelijk zijn.De aangekondigde wetswijziging vraagt landelijk ook nog nadere afstemming tussen VNG en staatssecretaris. De voorgenomen maatregelen zullen meerkosten met zich meebrengen waarvoor het Rijk verantwoordelijk is. Afgesproken is dat het Sociaal Cultureel Planbureau dit in zijn advies over het (landelijk) benodigde Wmo-budget voor 2009 en verder zal meenemen. De planning rondom het wetsvoorstel is als volgt: na het zomerreces gaat het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. Maar eerst komt het advies van de Raad van State. De planning is om rond 1 januari 2009 de wetswijziging in het staatsblad te publiceren. De VNG heeft met de staatssecretaris afgesproken dat de wet pas in werking treedt 9 maanden na publicatie in het staatsblad. Dat zal dus op zijn vroegst 1 oktober 2009 zijn. Vanuit Boxmeer worden deze ontwikkelingen nauwlettend gevolgd.

4.7. CommunicatieMet ingang van 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingevoerd. De wet stelt de kaders voor ondersteuning en participatie en de gemeenten vullen die kaders lokaal in. De communicatie over de (invoering van de) Wmo is dus vooral een lokale, gemeentelijke aangelegenheid geweest. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ondersteunde de communicatie met een landelijke campagne via o.a. huis-aan-huisbladen, brochures en een website.

De gemeenten in het Land van Cuijk (LvC) hebben de invoering van de Wmo gezamenlijk opgepakt. Ook de communicatie naar burgers en betrokkenen is binnen de vijf gemeenten afgestemd. Het college van burgemeester en wethouders in Boxmeer heeft op 30 januari 2007 hiervoor in samenwerking met de andere gemeenten in het Land van Cuijk een communicatieplan “Samen zorgen voor elkaar” vastgesteld.

Het communicatieplan heeft zich met name gericht op de invoering van belangrijke wijzigingen voor de burgers in de gemeente. Communicatie over de (invoering van de) Wmo is immers breed uit te leggen. De Wmo beslaat negen prestatievelden. Het plan richtte zich echter vooral op de prestatievelden drie en zes, respectievelijk het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning en het verlenen van voorzieningen voor het behoud van het zelfstandig functioneren of de deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Communicatie met de doelgroepen is op een structurele wijze vormgegeven door de vertegenwoordigers van de specifieke doelgroepen direct en in een vroeg stadium te betrekken bij het voorbereidingsproces. Hiervoor is de klantsupportgroep opgericht;Communicatie met ketenpartners vindt plaats door de Wmo in periodieke bijeenkomsten van de kerngroepen Wonen Welzijn Zorg in de gemeenten (vast agendapunt) te bespreken;Met een startbijeenkomst Wmo Land van Cuijk op 25 april 2006 zijn alle direct betrokkenen t.w. de collegeleden, ketenpartners, cliëntenorganisaties gelijktijdig geïnformeerd.Een periodieke nieuwsbrief Wmo Land van Cuijk bracht alle belangstellenden op de hoogte van de actuele stand van zaken. De gemeentepagina’s en gemeentelijke websites werden benut voor actuele berichtgeving over de Wmo. Lokaal informeerden projectgroepleden op verzoek plaatselijke organisaties over de Wmo. Het traject is begin 2008 afgesloten met een “Land van Cuijkse”, huis aan huis, voorlichtingskrant over alle aspecten in de Wmo. Op landelijk gebied heeft VWS een overall-communicatietraject met algemene artikelen in huis aan huisbladen, een website voor Wmo-afnemers en Wmo-beleidmakers, Postbus-51 materiaal e.d.

Aandacht voor het toekomstig communicatietrajectBij communicatie over de Wmo wordt veel gebruik gemaakt van intermediairen en verwijzers. Vooral bij het informeren van (nieuwe) cliënten van de Wmo vervullen zij een rol. Zij kunnen de inwoners op het moment dat een ondersteuningsvraag aan de orde komt, verwijzen en informatie over de Wmo verstrekken. Ook worden ze ingezet om de cliënten te informeren over beleidskeuzes en consequenties. Andersom kunnen inwoners via deze intermediairen hun mening geven over de aanpak van de gemeenten. Daarmee leveren ze hun bijdrage aan een gemeentelijk aanbod dat aansluit bij de behoefte van de inwoners zelf. Hieronder staan belangrijke verwijzers en intermediairen genoemd, uitgesplitst per prestatieveld:

1. Bevorderen van sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurtenWijk-/dorpsraden, sportverenigingen, ontspanningsverenigingen, ouderen- en jongerenorganisaties en -werkers, zelforganisaties, politie, welzijnsinstellingen.2. Preventiegerichte ondersteuning bieden aan jongeren met problemen met opgroeien envan ouders met problemen met opvoedenROC’s, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, jeugd-/jongerenorganisaties, jongerenwerkster, bureaus Jeugdzorg, consultatiebureaus, politie.3. Geven van informatie, advies en cliëntondersteuning Zorgaanbieders, CIZ, CAK, welzijnsinstellingen, instellingen maatschappelijk werk, woningverenigingen, MEE-consulenten, Thuiszorg, cliëntenraden en cliëntgroepen, steunpunten, Advies- en Informatiepunten.4. Ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligersVrijwilligersorganisaties, steunpunt vrijwilligers, steunpunt mantelzorg Land van Cuijk, LOT.5. Bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en vanmensen met een psychosociaal probleemHuisartsen, psychologen, cliëntenraden, GGD, fysiotherapeuten, gehandicaptenzorg, MEE-consulenten, ziekenhuizen, woningcorporaties, CIZ, Cliëntenraad Pantein Verpleging en Verzorging, Thuiszorg, verzorgingshuizen, revalidatiecentra, fysiotherapeuten, platform gehandicapten, RPCP LvC, Zonnebloem, jongerenwerker, ouderenwerkster.6. Verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychischprobleem en van mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoudvan hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer.Zonnebloem, cliëntenraden, zelforganisaties, GGD, gehandicaptenzorg, MEE-consulenten, 1e-lijns gezondheidszorg, ziekenhuizen, woningcorporaties, Thuiszorgwinkels, verzorgingshuizen, revalidatiecentra. 7. Maatschappelijke opvang, advies- en steunpunten huiselijk geweldVrouwenorganisaties, huisartsen, politie.8. OGGZ, de openbare geestelijke gezondheidszorgPsychologen, Vereniging van ouders van geestelijke gehandicapten, huisartsen, GGZ LvC.9. Ambulante verslavingszorgMaatschappelijk werkers, GGD, politie.

Op de gemeentesite wordt aandacht besteed aan de Wmo, zowel als algemene informatie als in de productencatalogus. Een elektronisch Wmo-loket behoort evenwel ook tot de mogelijkheden. Dit zal gedurende het ontwikkelingstraject van de Wmo nog nader bekeken moeten worden. Een elektronisch loket zal extra kosten met zich meebrengen, in het ontwikkelen en onderhouden van een website. Er zijn landelijke voorbeelden.

In aanvulling op de middelen die VWS inzet, worden brochures en artikelen in de huis-aan-huisbladen geplaatst Dezelfde artikelen worden ook in de verschillende dorpsbladen geplaatst. Dat verhoogt het bereik. Brochures worden voorzien van citaten en/of anekdotes van lokale aard. Ook het nieuwsblad “NieuwSZaken” vanuit de gemeente Boxmeer ten behoeve van de doelgroep geeft elk kwartaal informatie over Wmo-zaken. De vorm en opzet vraagt inmiddels een actualisering. Daarnaast zijn de gemeenten verplicht om jaarlijks een tevredenheidsonderzoek uit te voeren onder de doelgroepen van de Wmo. Het onderwerp “communicatie” wordt hierin standaard meegenomen. Ook de doelgroep zelf kan via de inspraakkanalen van de gemeente aangeven hoe zij mogelijk andere communicatieoplossingen zou willen zien. Communicatie blijft een actueel aandachtspunten zowel voor gemeente als de burgers. De fase van voorbereiding en implementatie is overgegaan in beheer en uitvoering. Dit vraagt andere accenten op het gebied van communicatie. Daarnaast zijn de prestatievelden in de Wmo zodanig in beweging dat nieuwe ontwikkelingen regelmatig vragen om aandacht. De ontwikkelingen staan immers niet stil. Bij elke (beleids)ontwikkeling zal speciale aandacht zijn voor de invulling van het communicatie-traject.

 

5. De Wmo in de gemeente Boxmeer5.1. Veranderingen voor de burger

Individuele voorzieningenDe meest in het oog springende verandering als gevolg van de Wmo betreft het overgaan van de AWBZ-gefinancierde voorzieningen naar de gemeenten en het opgaan van de Wvg in de Wmo. Voor veel burgers en met name kwetsbare groepen kan dat de nodige vragen oproepen. Blijft mijn zorg wel zoals hij was? Krijg ik wel de ondersteuning die nodig is?

De eigen verantwoordelijkheid van de burgerEr is een balans nodig tussen de eigen verantwoordelijkheid van de burger en de ondersteuning die de gemeente biedt. Veel zorg wordt nu door mantelzorgers en vrijwilligers geleverd, zij leveren een belangrijke bijdrage aan de (financiële) houdbaarheid van het Wmo-stelsel. De gemeente wil bevorderen dat mantelzorgers door het beleid ondersteund worden zodat zij in staat blijven om hun mantelzorg taken te blijven uitvoeren. Veel burgers hebben te maken met vormen van sociale uitsluiting. Dit kan veroorzaakt worden door tekorten op financieel gebied of op onvoldoende toegang tot voorzieningen zoals onderwijs, huisvesting, zorg en welzijn. Door sociale uitsluiting kan men moeilijker de eigen verantwoordelijkheid nemen. Het beleid is onder andere gericht op het bereiken van deze groep burgers zodat zij op termijn hun eigen verantwoordelijkheid weer kunnen nemen.

De vraag van de burger is leidendDe Wmo legt sterk de nadruk op de keuzevrijheid van de burger. De burger moet uit diverse zorgaanbieders kunnen kiezen en heeft ook een keuze in de vorm van de ondersteuning ( PGB, in natura of anderszins). Voor de zorgaanbieders en leveranciers betekent dit dat niet langer het aanbod aan producten en dienstverlening centraal staat, maar dat de vraag van de burger centraal staat. Dit betekent voor zowel de gemeente als de zorgaanbieders en welzijnsinstellingen dat de wensen en behoeften van de burger verkend en geïnventariseerd worden.

De sterkste schouders dragen de zwaarste lastenDe gemeente geeft haar burgers ondersteuning op maat die dit zelf niet kunnen betalen. De gemeente heeft bij sommige voorzieningen eigen bijdragen vastgesteld of inkomensgrenzen getrokken. Dit betekent dat beleid wordt gebaseerd op solidariteit tussen hoge en lage inkomens en mensen met een goede en slechte gezondheid.

Ruimte voor ideeën en creativiteit van burgersMaatschappelijke ondersteuning wordt vormgegeven vóór maar ook dóór burgers. Initiatieven vanuit de burgers zelf worden betrokken bij het ontwikkelen van beleid. Ook na het ontwikkelen van het vierjaren beleidsplan blijft er ruimte bestaan voor burgers voor het ontwikkelen van nieuwe initiatieven.

BurgerparticipatieDe Wmo is een wet met een nieuwe ‘sturingsfilosofie’. De plannen, uitvoering enverantwoording achteraf door het college dienen zo dicht mogelijk bij de burger, bij allebetrokkenen, te blijven. Het beleid sluit aan bij de behoeften en mogelijkheden inBoxmeer. De wet schrijft dus niet exact voor welk beleid de gemeente moet voeren,maar wel hoe zij haar burgers hierbij dient te betrekken. Burgerparticipatie zoals die in de wet is vastgelegd is er vooral op gericht om burgers te laten meedenken over het beleid. Welke afspraken maken we, welke voorzieningen zijn voor wie beschikbaar? Burgerparticipatie is niet alleen denken maar ook doen. Zelf activiteiten organiseren in je eigen straat en buurt. Mensen opzoeken en aanspreken. In de komende jaren wil de gemeente deze vormen van participatie duidelijker van elkaar gaan scheiden. Enerzijds het faciliteren van activiteiten die mensen met elkaar ondernemen en anderzijds zorgen dat mensen meedenken en meepraten over het beleid dat hun directe omgeving raakt.

De wet schrijft een viertal zaken voor:1. Zelfstandig voorstellen doen. De wet schrijft voor dat “ingezetenen van de gemeente en in de gemeente belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen vroegtijdig in de gelegenheid (worden gesteld) zelfstandig voorstellen voor het beleid inzake maatschappelijke ondersteuning te doen” (artikel 11 lid 2).

In algemene zin heeft de gemeente vanaf begin 2005 de burgers opgeroepen mee te denken over de invoering van de Wmo. Dat kan onder andere door middel van deelname aan de regionale klankbordgroep Land van Cuijk. Daarnaast zijn lokale adviesraden actief zoals de cliëntenraad Sociale Zaken en de Seniorenraad. Zij gaven gedurende het voorbereidingsproces gevraagd en ongevraagd adviezen. Echter ook nu zijn deze adviesgremia actief betrokken bij de verdere stappen die gezet worden in het kader van de Wmo. Ook zijn zowel regionaal als in de gemeente diverse informatie- en inspraakbijeenkomsten gehouden over de veranderingen die de Wmo met zich mee brengt.

2. Organisaties adviseren over het beleidsplan. In artikel 12 lid 1 wordt het college opgedragen “over het ontwerpplan advies te vragen aan de gezamenlijke vertegenwoordigers van representatieve organisaties van de kant van vragers op het gebied van maatschappelijke ondersteuning.”

Maatschappelijke ondersteuning is in de wet een breed begrip, uitgewerkt in negenprestatievelden. Daarmee zijn ook de ‘vragers’ een brede groep. De gemeente Boxmeer heeft met de huidige Wmo-adviesraad in oprichting, organisaties met diverse doelgroepen (onder andere ouderen, jongeren, minima en mensen met een functiebeperking) de ruimte gegeven om gezamenlijk advies uit te brengen. Zo kunnen diverse doelgroepen in het proces van burgerparticipatie verbanden tussen verschillende thema’s leggen; de integrale benadering vanuit de Wmo sluit daar precies op aan. Op dit moment is afstemming en/of overleg vanuit de nieuwe Wmo-adviesraad met de bestaande vormen van advisering aan het college door de cliëntenraad alsmede de seniorenraad belangrijk. Tevens is de mogelijkheid aan de lokale adviesraden geboden om regionaal (bovenlokaal) af te stemmen met de regionale klankbordgroep.Binnen het burgerpanel kunnen verschillende groepen met elkaar in discussie gaan.Met deze vorm van burgerparticipatie hoopt de gemeente een brede groep mensen te betrekken bij de ontwikkeling van het beleid, óók mensen die wat verder af staan van het politieke debat of bijvoorbeeld minder mobiel zijn. De Wmo-adviesraad wordt tevensbetrokken bij de uitvoeringsplannen die jaarlijks worden opgesteld.

3. Belangen van minder mondige burgers."Het college dient zich bij de voorbereiding van het beleid tevens te vergewissen van de belangen en behoeften van ingezetenen die hun belangen en behoeften niet goed kenbaar kunnen maken" (artikel 11 lid 4).

Via de Wmo-adviesraad en de organisaties die betrokken zijn in de beleidsontwikkeling wordt een brede laag uit de bevolking betrokken in de beleidsontwikkeling. Er wordt niet alleen goed geluisterd naar burgers. De mensen die daarnaast ondersteuning nodig hebben als gevolg van ondervonden beperkingen zijn de moeite waard om hun talenten ook in te kunnen zetten op tal van terreinen, georganiseerd of ongeorganiseerd. Dit draagt bij aan de gezamenlijke inzet voor een volwaardig burgerschap voor iedereen. De gemeente mag als serieuze partner gezien worden in het realiseren van deze doelstelling. In het komende jaren wil de gemeente zich, in samenspraak met de Wmo-adviesraad in een aantal (doel)groepen van de Wmo verder verdiepen. Hierbij wordt gedacht aan stimulering van de betrokkenheid vanuit de doelgroep jeugd, allochtonen en GGZ.

4. Klanttevredenheidsonderzoek. "De gemeente dient jaarlijks de resultaten van een klanttevredenheidsonderzoek te publiceren. De methode van dit onderzoek dient vooraf in overleg met representatieve organisaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning tot stand te komen" (artikel 9 lid 1A).

De wijze waarop in Boxmeer het klanttevredenheidsonderzoek wordt uitgevoerd zalintensief worden besproken met de Wmo-adviesraad. Ook een aantal aanbieders van zorg en maatschappelijke ondersteuning worden hierbij betrokken.5.2. Veranderingen voor aanbieders en instellingen

Zorgaanbieders en leveranciersZoals reeds eerder aangegeven heeft de gemeente Boxmeer samen met de regiogemeenten in het Land van Cuijk er voor gekozen om het jaar 2007 te gebruiken als overgangsjaar. Dit betekende concreet ten aanzien van de “hulp in het huishouden” dat met de reguliere zorgaanbieders (financiële) afspraken zijn gemaakt voor het jaar 2007. In de loop van het jaar 2007 moest op basis van een aanbestedingsprocedure duidelijkheid komen over het zorgaanbod vanaf 2008. De ontwikkelingen met betrekking tot de nieuw geïndiceerde thuiszorghulp in Boxmeer zal naar alle waarschijnlijkheid een andere verhouding laat zien tussen de eenvoudige hulp (hv1) en de complexere thuiszorghulp (hv2) dan de verhouding in de reeds bestaande situaties. Op dit moment zijn hieromtrent in Boxmeer nog geen exacte cijfers bekend. De verwachting is echter dat in nieuwe situaties, meer dan voorheen, eenvoudige hulp zal worden geïndiceerd. Zorgaanbieders kiezen er vaak voor om eenvoudige huishoudelijke hulp uit te laten voeren door alfahulpen, dit als gevolg van de lagere tariefstellingen voor deze categorie van hulp.

De klant heeft bij een indicatie voor “hulp bij het huishouden” een keuze tussen twee aanbieders als hij/zij kiest voor zorg in natura (de indicatie bepaalt de kwaliteit en kwantiteit die geleverd moet worden). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via een persoongebonden budget zelf hulp in te kopen. In algemene zin kan gezegd worden dat de klant in kwestie met deze opties goed kan worden bediend. Er zijn echter wel knelpunten op basis van de nieuwe aanbestedingsituatie vanaf 2008. De geselecteerde zorgaanbieders hebben vooral in nieuwe situaties moeite om voldoende alfahulpen aan zich te binden om de geïndiceerde hulp te bieden. Individuele knelpunten worden met de zorgaanbieder besproken. Met betrekking tot de reeds bestaande indicaties heeft de gemeente voor 2008 aanvullende werkafspraken gemaakt met de zorgaanbieders. Dit om kwalitatieve zorg te kunnen blijven bieden.

Met betrekking tot de levering van hulpmiddelen heeft de klant vanaf 1 januari 2008 een keuze tussen drie aanbieders. Daarnaast is ook hier de keuze voor een persoonsgebonden budget mogelijk. De geselecteerde leveranciers van hulpmiddelen en voorzieningen voldoen aan de kwaliteitscriteria die hieraan in de aanbesteding zijn gesteld. Hiermee zijn op dit moment voldoende waarborgen getroffen om de klant in deze te bedienen. De leveranciers zullen op hun beurt moeten investeren in de gunsten van hun klanten. Hiermee wordt een hoger kwaliteitsniveau nagestreefd. Op termijn zal de praktijk uitwijzen of dit ook als zodanig heeft gewerkt.Instellingen en organisatiesInstellingen en organisaties op de gebieden wonen, welzijn en zorg komen op verschillende manieren in aanraking met de Wmo:Aanbieders van hulp bij het huishouden hadden voorheen enkel contact met het Zorgkantoor. Nu krijgen ze via de regels van een Europese aanbesteding een contract met gemeenten. Dit heeft grote gevolgen voor deze aanbieders. Een aantal subsidieregelingen zijn overgegaan van het Zorgkantoor naar de gemeenten. Gemeenten zullen over de besteding van deze middelen eigenstandig beleid gaan ontwikkelen. Dit kan gevolgen hebben voor de betrokken instellingen. De expliciete uitwerking per prestatieveld en de verantwoording die gemeenten hierover moeten afleggen dwingt gemeente om duidelijker dan voorheen aan te geven welke producten de gemeente af wil nemen. Dit vraagt zowel van de gemeenten als van de instellingen nog meer dan voorheen een expliciete opdrachtformulering. 5.3. Veranderingen voor de gemeente

Gemeentelijke verantwoordelijkheid en verantwoordingVoor gemeenten is de toename van de wettelijke verplichtingen beperkt: elk van de negen prestatievelden behoort al tot het gemeentelijke domein. Echt nieuw in de Wmo zijn de “hulp bij het huishouden” en vijf subsidieregelingen die overgeheveld zijn uit de AWBZ. In een later stadium komen daar mogelijk andere functies uit de AWBZ bij zoals de ondersteunende en activerende begeleiding.

Op drie prestatievelden zijn de verantwoordelijkheden van gemeenten toegenomen:• het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning (prestatieveld 3);• het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers (prestatieveld 4);• het verlenen van voorzieningen aan mensen met een functiebeperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer (prestatieveld 6).

Kernelement van de Wmo is dat gemeenten de beleidsverantwoordelijkheid dragen voor de lokale invulling en dat verantwoording ook lokaal dient plaats te vinden (horizontalisering). De gemeenten zullen de komende jaren veel veranderingen in gang zetten: deels door de toegenomen taken, maar vooral ook door de verandering in sturingsfilosofie en door de bundelingen van regelingen waardoor intergraal beleid beter mogelijk wordt.

Het Wmo-beleid is er voor alle burgersDe gemeente werkt aan een beleid op het terrein van wonen, welzijn en zorg, waarin mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven functioneren. Het beleid is ook gericht op het versterken van de gemeenschap en de sociale samenhang. Dit voorkomt uitval en sociale uitsluiting. Dit doen we via de wijk- of dorpsgerichte aanpak. De leefomgeving op wijk- of dorpsniveau moet schoon en veilig zijn.

Preventie daar waar mogelijkHet doel van de Wmo is dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig blijven functioneren en deelnemen aan de samenleving. Maatschappelijk ‘uitval’ of uitsluiting wordt hiermee voorkomen. Het preventieve beleid moet daarom gericht worden op het beïnvloeden van die factoren die kunnen leiden tot maatschappelijke uitval. Voorbeelden van preventief beleid: levensloopbestendig en aanpasbaar bouwen, gezondheidsvoorlichting en sporten, versterken van de sociale samenhang door het bieden van een sociale/ welzijnsinfrastructuur.

Een doelmatige en houdbare uitvoeringDe Wmo legt een behoorlijke financiële druk op de gemeente. Voor de gemeente is het belangrijk dat een houdbaar beleid geformuleerd wordt. En houdbaar beleid betekent in deze zin een doelmatige uitvoering van de Wmo zodat ook op termijn niet in het voorzieningenniveau gesneden hoeft te worden. Voorts moet naar creatieve mogelijkheden gezocht worden om zoveel andere financieringstromen dienend aan de Wmo te maken. De gemeente ontwikkelt een beleid om de financiële druk op de individuele voorzieningen te verleggen naar collectieve of algemene voorzieningen.

Collectieve ondersteuning van deelnameDe gemeente voorziet in collectieve ondersteuning van participatie waar alle burgers gebruik van kunnen maken, inclusief kwetsbare burgers. Op deze manier wordt beoogd dat belemmeringen bij het deelnemen aan de maatschappij voor een belangrijk deel door de inrichting van de maatschappij zelf wordt opgeheven.

Beleid en uitvoering zijn integraal en naar de burgers toeZowel de beleidsvorming als de uitvoering van het beleid vindt niet plaats vanachter het bureau. Er wordt gezocht naar alternatieve methoden om mensen daadwerkelijk te betrekken, bereiken en te ondersteunen. Daarnaast wordt beleid op een integrale manier vorm gegeven. 6. De negen prestatievelden6.1. Sociale samenhang en leefbaarheid

Prestatieveld 1: Het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in dorpen, wijken en buurten;Het prestatieveld 'bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten', is ruim en breed geformuleerd. Leefbaarheid laat zich definiëren als: het wonen in een prettige en veilige omgeving, met de mogelijkheid om (thuis of in de buurt) gebruik te kunnen maken van (eenvoudige) zorg-, welzijns- en gemaksdiensten. De zelfredzaamheid van bewoners staat centraal. In sterke wijken en dorpen zijn de basisvoorwaarden voor het prettig samenleven aanwezig en sluiten de voorzieningen aan bij de wensen en behoeften van de bewoners. Het is een breed prestatieveld dat nauwe relaties heeft met andere terreinen zoals sport, wonen, ruimtelijke ordening, integratie, veiligheid en economie.

Leefbaarheid is een heel breed begrip. In zijn algemeenheid geeft het aan hoe aantrekkelijk een gebied of gemeenschap is om er te wonen of te werken. Iedereen heeft wel een idee van de betekenis van het begrip leefbaarheid, maar de exacte invulling kan sterk verschillen. Voor de een gaat het vooral om fysieke elementen (geschikte woningen, nabijheid van winkels, veilige verkeerssituaties) en voor de ander meer om de sociale verhoudingen in het woongebied (verenigingsleven, burenhulp, gevoel van veiligheid). In zijn algemeenheid spelen bij de beoordeling van de mate van leefbaarheid verschillende factoren mee, zoals:

• De aanwezigheid van voldoende voorzieningen zoals scholen, winkels, parkeerfaciliteiten, openbare verlichting, groen en openbaar vervoer;• Aspecten die de mate van (sociale) veiligheid bepalen zoals inbraak, drugsgebruik, vandalisme en verkeer;• Zaken die te maken hebben met het milieu zoals vervuiling, zwerfvuil, bodemverontreiniging, luchtkwaliteit en geluidsoverlast;• De kwaliteit van de openbare ruimte zoals dat tot uiting komt in een al dan niet verloederd straatbeeld, leegstand, autowrakken of zeerlangparkeerders, kapotte speeltoestellen en de onderhoudsstaat van parken en straten;• Sociale kenmerken zoals de aanwezigheid en kwaliteit van buurtcontacten en vormen van burenhulp;• De mate waarin de overheid de door haar gestelde regels op het gebied van leefbaarheid wel of niet handhaaft.

Hoe staan we er nu voor?

Elsevier doet jaarlijks onderzoek naar “de beste gemeente”. Om na te gaan waar het in Nederland goed wonen is, vergeleek Elsevier alle gemeenten op acht hoofdpunten:1. Woonomgeving;2. Voorzieningen;3. Veiligheid;4. Zorg;5. Bereikbaarheid;6. Economie;7. Mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding;8. Het sociale klimaat.De gegevens zijn afkomstig uit vele en diverse bronnen en hebben, tenzij anders vermeld, betrekking op het jaar 2007. Gegevens van 2006 en eerder zijn voor heringedeelde gemeenten opnieuw berekend. Per gemeente zijn verder de aanwezigheid van een ziekenhuis, kosten van rijbewijzen en uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie en het inwonertal vermeld. Ten slotte is de‘profijtindex’ berekend: hoe de kwaliteit van de gemeente zich verhoudt tot de woonlasten. In de vergelijking over alle 443 gemeenten van Nederland scoort Boxmeer in dit onderzoek zeer goed. Landelijk gezien staat Boxmeer met een 33ste plaats in de top 50 van beste woongemeenten. Binnen de provincie is de score nog beter: in 2006 werd Boxmeer beoordeeld als beste woongemeente van Noord-Brabant en in 2007 scoorde alleen de gemeente Vught hoger. In zijn algemeenheid kan men dus stellen dat het goed gesteld is met de leefbaarheid van Boxmeer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen problemen zijn. Met name de kleinere kernen van de gemeente hebben te maken met een teruglopend aanbod van commerciële voorzieningen, wat vooral voor ouderen een probleem is. In sommige wijken van de kern Boxmeer zijn op wijkniveau geen of weinig voorzieningen beschikbaar.

Gezien de hiervoor gegeven toelichting zal duidelijk zijn dat veel partijen (commercieel en niet-commercieel) een rol spelen bij het handhaven en bevorderen van de leefbaarheid. Tevens zal duidelijk zijn dat een groot aantal activiteiten van de gemeente gericht is op handhaving van de leefbaarheid. Hier worden er slechts enkele genoemd:• Financiële ondersteuning van een uitgebreid stelsel van sport- en gemeenschapsvoorzieningen, goed gespreid over de hele gemeente;• Meewerken aan instandhouding en bevordering van een gedifferentieerd aanbod van basisonderwijs en voortgezet onderwijs;• Meewerken aan instandhouding en bevordering van voorzieningen voor multifunctioneel gebruik voor zorg, welzijn en ontmoeting;• Stimuleren van betrokkenheid van alle kernen bij het gemeenschapsleven en bestuur, o.a. door samenwerking met de wijk- en dorpsraden, op basis van een convenant, de tweejaarlijkse bezoeken van het College aan alle wijken en dorpen en door ondersteuning van het vrijwilligerswerk.

De gemeente Boxmeer kiest voor een actieve ondersteuning van de wijk-en dorpsraden; wijk- en dorpsraden zijn belangrijk voor de leefbaarheid in de wijken en dorpen. De gemeente zorgt voor randvoorwaarden voor de leefbaarheid. De inwoners kunnen via wijk- en dorpsraden beter meepraten over hun eigen dorp, tegelijkertijd kunnen ambtenaren via wijk- en dorpsraden beter overleggen met burgers. De wijk- en dorpsraden zijn er voor de burgers. Ze bestaan uit vrijwilligers die zich inzetten voor hun wijk of dorp. Op 27 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders een besluit genomen tot ondertekening van een convenant met de wijk-en dorpsraden. Dit leidt tot een verdere invulling van de samenwerking.

De gemeente Boxmeer stelt zich ten doel de communicatie tussen de burgers en de gemeente goed te laten verlopen en op peil te houden en, daar waar mogelijk samen met burgers, zorg te dragen voor het in stand houden of verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving van de burgers. Hierbij past om burgers directer verantwoordelijk te laten zijn voor hun leefomgeving en hen daarin te ondersteunen. Het “verantwoordelijk zijn” kan worden omschreven als: betrokkenheid tonen, taken delen en verdelen. De verantwoordelijkheids(ver)deling moet zodanig helder zijn dat alle burgers hun verantwoordelijkheden kennen en kunnen nemen. De gemeente Boxmeer ziet de inzet van wijk- en dorpsraden als de meest geëigende aanpak om hetgeen is omschreven vorm en inhoud te geven. Hierdoor wordt ingespeeld op maatschappelijk initiatief. De gemeente Boxmeer onderkent en onderschrijft in dat verband dan ookhet belang van overleg en samenwerking met de wijk- en dorpsraad en stelt hiertoe middelen ter beschikking aan de wijk- en dorpsraad. De gemeente zal op basis van een, door een onafhankelijke derde uit te voeren, tevredenheidsonderzoek toetsen of de doelstellingen gerealiseerd worden.

Op dit moment zijn er diverse woon/zorg projecten voor ouderen in de gemeente in voorbereiding; Niet alleen in de kern Boxmeer (project Weijerstaete) worden nieuwe woon/zorg mogelijkheden voor ouderen geboden maar ook in de kleinere kernen van de gemeente zijn initiatieven voor kleinschalige projecten (bijvoorbeeld Anthoniushof in Maashees of huize ‘Loon’in Overloon).Via zogenaamde “Inloop-projecten” wordt maatschappelijke participatie voor bijzondere doelgroepen gestimuleerd. Welzijns-en sport activiteiten voor jeugd en ouderen in de hele gemeente worden gestimuleerd via diverse subsidies aan verenigingen en instellingen. Vanuit het project ouderenproof is in het eindrapport medio 2007 specifiek aandacht gevraagd voor voldoende ontmoetingsruimten voor ouderen in wijken en kernen. Inmiddels zijn voor alle kernen in de gemeente Boxmeer waardevolle visies in het kader van de dorpsontwikkeling verschenen die betrekking hebben op de versterking van de leefbaarheid in relatie tot de herinrichting van groene structuren.

Waar willen we naartoe?

Wijk-/dorpsraden: In de praktijk kan zowel de rol van de gemeente als de rol van de wijk-/dorpsraad nog verder groeien en ontwikkelen. De wijk-/dorpsraad heeft te allen tijde in adviserende zin het recht om gevraagd en ongevraagd betrokkenheid te tonen bij dat deel van het gemeentelijk beleid, zowel in voorbereidende als uitvoerende zin, dat gevolgen heeft of kan hebben voor de leefbaarheid in het eigen dorp of de eigen wijk. De wijk-/dorpsraad heeft te allen tijde het recht, om vanuit de door haar zelf opgestelde agenda en prioriteitstelling, met de gemeente, maar ook met andere partners, te zoeken naar afstemming in beleid of uitvoering van op de leefbaarheid van het dorp/ de wijk betrekking hebbende aangelegenheden of plannen. De wijk- /dorpsraad wordt betrokken bij zaken welke gevolgen hebben op het gebruik en de beleving van de openbare ruimte of consequenties hebben voor de leefbaarheid van het dorp/ de wijk. De gemeente stelt daartoe informatie beschikbaar en richt haar organisatie zo in dat maximaal kan worden ingespeeld op het maatschappelijk initiatief. Deze structuur biedt de basis voor de ontwikkeling van wijk/dorpsplannen. De aanzet is reeds gemaakt met de inventarisatie met betrekking tot de herinrichting groene structuren. Wonen en welzijn zijn thema’s die door de Wmo in samenhang worden bekeken. Wij vinden dat belangrijk omdat prettig wonen een voorwaarde is voor welbevinden. Bij het maken van deze plannen is het belangrijk om iedere wijk/kern te benaderen vanuit zijn eigen identiteit om te zien hoe deze identiteit versterkt kan worden. Wijkplannen en dorpsplannen bestaan uit een inventarisatie van gegevens van de bestaande situatie èn een beschrijving van het beeld van de toekomst (ruimtelijke ordening, groen, opbouw en samenstelling van bevolkingsgroepen, voorzieningen). Een wijk-of dorpsprogramma is een uitwerking van het wijkplan in activiteiten die op korte, middellange en lange(re) termijn moeten gebeuren. Het is belangrijk om bewoners actief te betrekken bij deze aanpak.

Wijk-/dorpsbeheer:In Boxmeer kennen we op dit moment geen vorm van wijkbeheer dat een aanpak van “grijs en groen” in de wijk coördineert. Mogelijk is in de toekomst deze vorm een aanvulling op onze aandacht voor de woonomgeving van de bewoners. Een schone groene wijk is een prettige omgeving om in te leven. Wat een leefomgeving ook prettig maakt is samen leven met wijkbewoners die zich ook bekommeren om elkaar. Die met elkaar een praatje maken, zorg hebben voor elkaar en samen activiteiten ondernemen om het leven in de wijk aangenamer te maken. Door het opstellen van wijk-of dorpsprogramma’s willen we niet alleen aandacht besteden aan de woonomgeving. Wij willen ook de sociale kant van de kern of wijk in kaart brengen. Op basis van deze gegevens kunnen wij ook accenten leggen om de sociale samenhang te verbeteren.

Voorzieningenniveau:Om sociale samenhang tot stand te brengen en te bevorderen is het belangrijk dat mensen elkaar kunnen ontmoeten op een positieve en actieve manier. Wij denken hierbij aan voorzieningen in de buurt, wijk of kern om mensen in staat te stellen om elkaar te ontmoeten. Hierbij kunnen activiteiten worden aangeboden door ondermeer de Verenigingen, KBO’s en SWOGB samen met vrijwilligers, al naar gelang de vraag vanuit de wijk of kern. Een dergelijke voorziening moet aan een aantal voorwaarden voldoen:• De voorziening moet zich in grote mate zelf kunnen bedruipen;• De voorziening moet betaalbaar zijn voor diegenen waarvoor de voorzieningen en activiteiten zijn bedoeld;• Er moet een dynamisch aanbod aan activiteiten zijn, zodat het aansluit op de samenstelling en de vraag uit de wijk of kern.

Wij willen met de inwoners en professionals in de toekomst een discussie voeren over het voorzieningenniveau dat hoort bij een wijk en kern van een bepaalde omvang. Deze discussie wordt vervolgens uitgewerkt in plannen en toegevoegd aan dorpsontwikkelingsprogramma’s. Belangrijk is ook te onderzoeken of de voorzieningen betaalbaar zijn en in hoeverre er draagvlak is bij de bewoners en de gemeente om de voorzieningen in stand te houden. De inzet van vrijwilligers speelt hierbij een belangrijke rol.

Dorpshuis/wijkgebouw, multifunctionele voorziening:In ieder dorp of iedere kern bekijken we welk gebouw ingezet wordt voor eenaantal voorzieningen en voor activiteiten die worden georganiseerd. Dit betekent datgekeken moet worden welk gebouw aanwezig is en goede potenties heeft om eenmultifunctioneel gebouw te worden waar diverse deelnemers gebruik van kunnen maken. Belangrijk is dat de bewoners zelf (mede) inhoud kunnen geven aan de voorziening, met gezamenlijk beheer, exploitatie en programmering. Wij maken een inventarisatie van de aanwezige voorzieningen en de mogelijkheid tot multifunctioneel gebruik. Daarnaast voeren we in overleg met “het veld” discussie over mogelijke aanvullende wensen in dit kader. Wij willen de termijn van de uitvoering van deze inventarisatie in de pas laten lopen met de discussie over het voorzieningenniveau in de wijken en kernen. Vervolgens kan dit omgezet worden in een project met doelstellingen en de beschikbare financiële middelen. Met wie werken we samen?De ervaring leert dat de betrokkenheid van bewoners het grootst is als zij mee kunnen beslissen over zaken die hun direct aangaan. Daarom worden zij bij dit prestatieveld betrokken als er doelstellingen op het niveau van wijk of buurt worden geformuleerd of er projecten in gang worden gezet die direct betrekking hebben op hun fysieke of sociale omgeving. Voor de inhoud van dit prestatieveld is afstemming noodzakelijk met de betreffende wijk-of dorpraden en de Wmo-adviesraad, maar ook belangrijke maatschappelijke en vrijwilligersorganisaties. Ook in het kader van de verankering van het project “ouderenproof” zal de Stichting Verankering Ouderenproof Boxmeer (SVOB) worden betrokken. Daarnaast kan op basis van goede afspraken met de aanbieder van welzijnsdiensten (Radius) adequate inzet verwacht worden van bijvoorbeeld de jeugdwerker en/of ouderenwerker in de wijk of kern. Mogelijke overlastsituaties zullen vroegtijdig worden gesignaleerd en zonodig in overleg of samenwerking met politie worden opgelost. Welke middelen zijn hier voor nodig?Sociale samenhang en leefbaarheid is een breed begrip. De middelen die hiervoor nodig zijn vragen om een helder kader wat hier allemaal binnen valt. Naast het feit dat gemeente Boxmeer geïnvesteerd heeft in een goede communicatie met haar wijken en kernen via de coördinator wijk-en dorpsraden zijn er in de hele gemeentebegroting posten te vinden die betrekking hebben op de leefbaarheid in de gemeente. Elke post kent zijn eigen prioriteit. Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende (verzamelposten) in de begroting 2008 gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Instandhoudingssubsidie accommodaties € 241.763,--Sportstimuleringsbijdragen € 477.350,--Jeugdwerk € 41.620,--Ouderenwerk € 212.630,--Budgetsubsidies maatschappelijke instellingen € 921.239,--Oudheidkunde en kunst € 17.380,--Subsidies volksontwikkeling € 142.180,--Sociaal culturele voorzieningen en activiteiten € 331.940,--Minderheden € 84.600,--Wijk-en dorpsraden € 45.660,--Natuurbescherming € 2.100,-- 6.2. Preventieve ondersteuning van jeugdigen en ouders

Prestatieveld 2: Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met het opgroeien en ondersteuning van ouders met problemen met opvoeden;Dit prestatieveld heeft betrekking op jeugdigen, en in voorkomende gevallen hun ouders, bij wie sprake is van een verhoogd risico als het gaat om ontwikkelings-achterstand of uitval zoals schooluitval of criminaliteit, maar voor wie zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg niet nodig is dan wel voorkomen kan worden. Dit beleidsterrein geldt als aanvulling op de taken die in andere wetgeving zijn vastgelegd, zoals de Wcpv en de Leerplichtwet. Het integraal jeugdbeleid richt zich op het creëren van kansen en ontwikkelingsmogelijkheden en op het voorkomen van achterstanden voor alle jeugdigen. Dit prestatieveld richt zich op algemene preventie voor alle jeudigen en hun ouders.

Kinderen / jeugd in gemeente Boxmeer per 1-1-20080 t/m 3 jaar 12584 t/m 11 jaar 299212 t/m 17 jaar 237118 t/m 23 jaar 1599Totaal 8220

De Lokale Educatieve Agenda van de gemeente Boxmeer.Onderwijs en scholing vormen de basis van vele gemeentelijke beleidsterreinen. Voorbeelden zijn het economisch -, sociale - ,jeugd- en veiligheidsbeleid. Onderwijs is belangrijk in relatie tot het arbeidsmarktbeleid en het voorkomen van (jeugd) werkloosheid. Door gerichte maatregelen (dagarrangementen in de voor- en naschoolse opvang) kan de arbeidsparticipatie van bepaalde groepen worden bevorderd. Met betrekking tot sociaal beleid vormt onderwijs een belangrijke partner in het ontwikkelen van sociale competenties van kinderen en ouders. Competenties die van groot belang zijn bij jeugd- en veiligheidsbeleid van de gemeente, sociale binding, integratie en burgerschap. Een breed aanbod van onderwijs met de daarbij horende fysieke aanwezigheid van scholen en andere onderwijsvoorzieningen is onmisbaar voor de leefbaarheid. Het leefbaar houden van buurten, wijken en kleine kernen.

Het gemeentelijk jeugd- en onderwijsbeleid zijn nauw met elkaar verbonden. Onderwijs vult een belangrijk deel van het leven van de jeugd t/m 23 jaar. Onderwijs vormt voor het jeugdbeleid een belangrijke vindplaats. Scholen zijn een belangrijke partner in de hele zorgstructuur rondom het kind en de jongere.

Hoe staan we er nu voor?De Lokale Educatieve Agenda van de gemeente Boxmeer.Met ingang van augustus 2006 zijn door het Rijk wijzigingen in de structuur en financiering van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid doorgevoerd. Het concept van de Lokale Educatieve agenda werd geïntroduceerd. Gemeente en schoolbesturen worden opgeroepen op basis van gelijkwaardigheid lokaal overleg te voeren over de invulling van deze agenda.In 2007 heeft de Lokale Educatieve Agenda Boxmeer vorm gekregen. Daarbij zijn de beleidsprioriteiten voor de periode 2006-2010 vastgesteld en zijn doelstellingen en meetbare doelen geformuleerd.

Beleidskader jeugdIn februari 2006 is in de gemeente Boxmeer het beleidskader Jeugd 2006-2010 onder te titel “Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen” vastgesteld. In augustus 2007 is aan de gemeenteraad van Boxmeer een notitie gestuurd inzake het eindrapport sluitende jeugdketen Land van Cuijk en nota omgevingsanalyse signaleringssysteem zorg voor jeugd (juni 2007). In deze rapportages wordt ingegaan op de visie en aanpak van de (regio) gemeente(n) met betrekking tot het jeugdbeleid voor nu en voor de toekomst.

Ouders hebben een eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen. Daarbij krijgen zij ondersteuning van algemene voorzieningen, zoals het consultatiebureau, kinderopvang, peuterspeelzalen, het onderwijs, sociale culturele- en educatieve- en sportieve voorzieningen. Hier worden jeugdigen uitgedaagd in hun ontwikkeling en krijgen ze kansen zich te ontplooien. Risico’s in de omgeving van jeugdigen, die deze ontwikkeling negatief kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld op het domein van lichamelijke-, leer- en gedragsproblemen, criminaliteit, gezinssituatie of huiselijk geweld, dienen tijdig te worden gesignaleerd. Hiertoe dienen de algemene voorzieningen in voldoende mate te zijn toegerust. De gemeente Boxmeer is verantwoordelijk voor een samenhangend aanbod aan lokale voorzieningen, gerichte hulpprogramma’s en ondersteunende activiteiten, waarmee deze signalen krachtig kunnen worden opgepakt.

De gemeentelijke visie is het beleidskader 2006-2010 als volgt vastgesteld:“Kinderen en jeugdigen krachtig ondersteunen in hun ontwikkeling door kansen te bieden waarop ze zich kunnen ontplooien. De risico’s die deze ontwikkeling negatief kunnen beïnvloeden vroegtijdig signaleren en krachtig oppakken door een samenhangend aanbod aan lokale voorzieningen, gerichte hulpprogramma’s en ondersteunende activiteiten”.

Bij het vormgeven van de lokale zorgstructuur moeten de vraag en behoefte aan zorg van jeugdigen en ouders centraal staan. Voorwaarde hiervoor is dat de zogenaamde vindplaatsen (professionele voorzieningen voor jeugdigen zoals consultatiebureaus, kinderopvang, peuterspeelzalen, sociaal culturele voorzieningen, onderwijs en politie) die dagelijks met jeugdigen in contact staan, voldoende deskundigheid hebben om signalen te kunnen herkennen en te beoordelen. De lokale hulp dient zo dicht mogelijk tegen de vindplaatsen aan te sluiten. Op deze wijze heeft overdracht aan kennis “on the job”plaats en kan tevens licht pedagogische hulp en/of advies worden verstrekt aan de vindplaatsen. Hierdoor kan snel, effectief en kortdurend lichte hulp worden gegeven. Ook kan de voorziening beoordelen of doorgeleiding naar andere vormen van hulp dan wel jeugdzorg noodzakelijk is.

Waar willen we naartoe?De Lokale Educatieve Agenda van de gemeente Boxmeer.De volgende thema’s en prioriteiten zijn voor de beleidsperiode 2006 – 2010 bepaald:

• Doel thema “Voor- en Vroegschoolse Educatie” : De voor- en vroegschoolse educatie in Boxmeer is er op gericht alle peuters en kleuters in de gemeente in aanraking te laten komen met het VVE-programma. Onder doelgroepkinderen zal in 2010 het bereik van VVE in ieder geval 100% zijn. • Doel thema “Ouderbetrokkenheid & opvoedingsondersteuning”: Betrokken ouders die hun verantwoordelijkheid nemen als opvoeder en educatief partner. Zij kunnen daarin ondersteuning vragen en begeleiding krijgen van instanties die daar voor ingericht zijn.• Doel thema “Een sluitende zorgstructuur rondom het kind/de jongere”: In de gemeente Boxmeer zal in 2010 één loket gerealiseerd zijn waar alle zorgvragen van kinderen en opvoeders beantwoord kunnen worden. Via dit loket en door intensieve samenwerking wordt een sluitende zorgstructuur gerealiseerd van interne en externe zorg.• Doel thema “Sluitend aanbod van onderwijs en welzijnsvoorzieningen in de vorm van een “brede-school-concept”: In 2010 is een brede-school-concept op iedere onderwijslocatie geïntroduceerd. Daarbij wordt een brede- school gezien als een samenwerkingsverband tussen onderwijs en welzijnsvoorzieningen waarbij een sluitend aanbod wordt gerealiseerd voor kind en ouders. De ontwikkelingskansen voor kinderen worden vergroot en de combinatie van zorg en arbeid wordt voor ouders eenvoudiger. Multifunctioneel gebruik van schoolgebouwen wordt daarbij nadrukkelijk gestimuleerd. • Doel thema “Doorgaande leerlijn van de voorschoolse periode via PO-VO-MBO tot en met de aansluiting op de arbeidsmarkt”: Iedere jongere tot en met 23 jaar volgt onderwijs, werkt of heeft een andere maatschappelijk georiënteerde dagbesteding. Om voortijdig schoolverlaten te voorkomen is een doorgaande lijn een voorwaarde. Goed overleg, warme overdracht en afstemming zijn belangrijk.

Uitwerking.Per thema zijn de doelstellingen en meetbare doelen geformuleerd en de wijze waarop deze doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Tevens werden daarbij de potentiële partners vermeld. Scholen en instellingen kunnen binnen de kaders van de Lokale Educatieve Agenda en de vastgestelde thema’s projectaanvragen indienen. Jaarlijks wordt geëvalueerd of de opgestelde prioriteiten voor de beleidsperiode bijgesteld moeten worden. De Lokale Educatieve Agenda vormt, als opvolger van het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid, één van de deelterreinen van het gemeentelijk onderwijsbeleid. Andere deelterreinen zijn: onderwijshuisvesting (inclusief medegebruik van schoolgebouwen en de gemeentelijke visie op brede scholen) leerplicht/RMC, volwasseneneducatie, leerlingenvervoer, aanvullend gemeentelijk onderwijsbeleid en bewegingsonderwijs.

Uit de genoemde speerpunten, thema’s en activiteiten blijkt de samenhang tussen jeugdbeleid en onderwijsbeleid. De eerste vervolgstap op de beleidsnotitie “Een sluitende jeugdketen” en de Lokale Educatieve Agenda zal het ineen schuiven van de overlegstructuren onderwijsbeleid en jeugdbeleid zijn.

Een sluitende jeugdketenDe gemeenten in de regio Land van Cuijk, te weten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en St. Hubert en St. Anthonis hebben op bestuurlijk niveau de ambitie uitgesproken intensief samen te werken bij het ontwikkelen van een sluitende en eenduidige jeugdketen. Daarbij is sprake van:• samenhang tussen voorzieningen;• afstemming binnen het hulpaanbod;• een heldere verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen betrokken voorzieningen en gemeenten.

Het traject “Een sluitende jeugdketen Regio Land van Cuijk” vindt haar vertrekpunt voor een groot deel in de landelijke Operatie Jong en de hieruit voortkomende aanbevelingen. Meer expliciet is uitgegaan van de resultaten en ervaringen binnen “Operatie Jong” in de gemeente Cuijk (jeugdketenstructuur) en het in de gemeente Helmond in het kader van Operatie Jong ontwikkelde signaleringsinstrument. We zijn er van overtuigd dat de uitgewerkte structuur een goed vertrekpunt biedt voor de verdere ontwikkeling naar een regionaal kader voor een Centrum voor Jeugd en Gezin dat verder lokaal ingevuld kan worden.

Tijdens de uitwerking van de sluitende jeugdketen werden de uitgangspunten van Operatie Jong gehanteerd. Dit betekent dat naast het komen tot een sluitende keten tevens gekeken werd naar: de wijze waarop de samenwerking in de jeugdketen wordt georganiseerd; effectief met zo min mogelijk overleg; het vormgeven van de regie op de vijf gemeentelijke functies zowel op uitvoerend niveau als op bestuurlijk niveau. In regionaal verband met de omliggende regiogemeenten is afgesproken dat de ontwikkelde ketenstructuur door de gezamenlijke gemeenten in het Land van Cuijk wordt overgenomen.

Gemeentelijk jeugdbeleid en aansluiting met de jeugdzorgDe gemeente is verantwoordelijk voor een integraal preventief lokaal jeugdbeleid. De rol van de gemeente is die van regisseur. Zij moet met hulp van de algemene voorziening voorkomen dat ernstige opgroei- en opvoedproblemen ontstaan. Integraal jeugdbeleid is een beleid dat er in slaagt een samenhangend patroon van voorzieningen en regelingen tot stand te brengen, dat is afgestemd op wensen, behoeften en mogelijkheden van jeugdigen en dat voor hen optimaal toegankelijk is. De gemeenten creëert door een goede lokale infrastructuur de voorwaarden waardoor jeugdigen zo veel mogelijk probleemloos op kunnen groeien tot volwaardige burgers. Uitgangspunt daarbij is de ontwikkelingsfase en leefwereld van de jeugdige.

Met de invoering van de nieuwe wet op de Jeugdzorg op 1 januari 2005 is de gemeente verantwoordelijk voor het preventieve aanbod in geval van lichte opgroei- en opvoedproblemen. Dit is bekrachtigd met de invoering van de Wmo in 2007. Voor kwetsbare groepen is extra aandacht.

De verantwoordelijkheid van de gemeente voor de jeugd wordt uitgedrukt in vijf functies:• informatie verstrekken aan ouders/opvoeders, kinderen en jeugdigen over opvoeden en opgroeien; • signaleren van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg, jeugd- en jongerenwerk en het onderwijs; • toegang tot het (gemeentelijk) hulpaanbod, beoordelen en toeleiden naar voorzieningen aan de hand van een 'sociale kaart' voor ouders, kinderen, jeugdigen en verwijzers; • lichte pedagogische hulpverlening, zoals schoolmaatschappelijk werk en coachen van jongeren; • coördineren van zorg in het gezin op lokaal niveau. De Bureaus Jeugdzorg en de geïndiceerde zorg vallen onder de verantwoordelijkheid van de provincie.

KetenDe zorg voor jeugdigen is op te vatten als een keten die uit verschillende schakels bestaat. Ouders zijn zelf primair verantwoordelijk voor de opvoeding. Alle ouders hebben wel eens vragen over de opvoeding van hun kinderen. Meestal biedt een gesprek met andere ouders, vrienden of familie voldoende antwoord. Sociale steun is dan ook een belangrijke, informele vorm van opvoedingsondersteuning. Omdat ouders soms behoefte hebben aan steun, kinderen soms begeleiding nodig hebben en het grootbrengen van kinderen een maatschappelijke taak is, dient er naast de informele steun ook formele opvoedingsondersteuning beschikbaar te zijn: professionele vormen, zoals pedagogische informatie en advies, oudercursussen en hulp. Sommige ouders ervaren opvoeden als een moeilijke taak. Er lijkt sprake van een toenemende opvoedingsonzekerheid en opvoedingsonmacht. Algemene voorzieningen, zoals het consultatiebureau, onderwijs en het algemeen maatschappelijk werk, bieden ouders de steun om hun kinderen zonder problemen of achterstanden te laten opgroeien. Wanneer er toch ernstige opgroei en opvoedproblemen ontstaan, kan het Bureau Jeugdzorg (BJZ) ingeschakeld worden. Bureau Jeugdzorg beoordeelt de hulpvraag en beslist of er geïndiceerde jeugdzorg nodig is.

Wanneer we spreken over deze jeugdzorgketen bedoelen we het samenhangende geheel van voorzieningen en maatregelen voor jeugdigen, dat als doel heeft het bieden van optimale aandacht, zorg en bescherming, zodat elk kind zich zoveel mogelijk op zijn/haar eigen wijze kan ontwikkelen naar volwassenheid. Elke jeugdige en ouder die zorg nodig heeft of daarom vraagt, moet erop kunnen rekenen dat voorzieningen, vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, flexibel inspelen op vragen en problemen en snel passende zorg bieden. De verschillende voorzieningen, beleidsterreinen en bestuurlijke niveaus moeten daarom zonder haperingen schakelen. Jeugdigen en hun ouders mogen niet het gevaar lopen tussen wal en schip terecht te komen.

De sluitende jeugdketen Regio Land van CuijkOp basis van de algemene uitgangspunten van Operatie Jong, de bevindingen in de gemeente Cuijk, de informatie vanuit de betrokken voorzieningen en de ambitie van alle gemeenten in de regio Land van Cuijk is een ketenstructuur ontwikkeld. Binnen deze ketenstructuur zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:• kind, jongeren en ouders staan centraal, daaromheen wordt een sociaal pedagogische infrastructuur vormgegeven;• de gemeente vervult een regierol; • het aanbrengen van samenhang tussen de vijf gemeentelijke functies op het terrein van opvoed- en opgroeiproblematiek; • het vormgeven van een sluitend systeem waardoor niemand tussen wal en schip verzeild raakt;• een heldere aansluiting tussen het lokale veld en het terrein van jeugdzorg en justitie (veiligheidshuis);• een duidelijke definiëring van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende lokale voorzieningen op de verschillende functies per leeftijdscategorie;• een effectief en efficiënt ingerichte overlegstructuur door structurele samenwerkingsrelaties tussen vindplaatsen en lokale hulpvoorzieningen (directe koppeling van hulpvoorziening aan vindplaats) op het terrein van casuïstiek;• een effectief en efficiënt ingerichte structuur voor coördinatie van zorg.

Voor de invulling van de vijf gemeentelijke functies binnen de sluitende jeugdketen gaan we uit van professioneel werkende organisaties en kwalitatief goed op hun taak toegeruste medewerkers. Van peuterspeelzaal tot onderwijsvoorziening, van jeugdgezondheidszorg tot algemeen maatschappelijk werk, verwacht mag worden dat voorzieningen en werkers de hen toebedeelde taak professioneel uitvoeren. Waar deze deskundigheid onvoldoende is, dient ze vergroot te worden. De ketenstructuur voor jeugd is opgenomen als bijlage in deze notitie.

Signaleringssysteem “Zorg voor Jeugd”Duidelijk is geworden dat één van de randvoorwaarden voor de inrichting van een sluitende lokale jeugdketen een gemeentelijk signaleringssysteem is. Een goed signaleringsinstrument maakt het hulpverleners mogelijk snel te zien welke organisatie bij welke hulpvrager (jeugdige / ouders) betrokken is. Het inwinnen van informatie en het onderling afstemmen tussen organisaties en werkers wordt hierdoor makkelijker. Dit neemt tevens de noodzaak weg om structureel met alle partijen overleg te voeren in tal van netwerken. Van uitvoerende werkers van hulpvoorzieningen wordt verwacht dat zij in voorkomende gevallen onderling afstemmen (b.v. telefonisch, per mail of binnen een georganiseerd overleg) wanneer zij bij dezelfde jeugdige betrokken zijn. Cruciaal is dat signalen vanuit verschillende betrokkenen centraal bij elkaar gebracht en gekoppeld worden zodat duidelijk wordt of er sprake is van meerdere signalen over hetzelfde kind of hetzelfde gezin. Indien nodig wordt actie ondernomen. Een dergelijk signaleringssysteem is een onmisbaar instrument in het kader van coördinatie van zorg. De bestuurlijke regie over het systeem ligt bij de gemeente.

Alle gemeenten in de provincie Noord Brabant gaan, in samenwerking met de provincie Noord Brabant, de functie coördinatie van zorg vorm geven door invoering van het digitale signaleringssysteem “Zorg voor Jeugd”. Dit signaleringssysteem omvat vier centrale elementen, waarvan er drie direct op casuïstiek gericht zijn: • Ketenregistratie• Signaaluitwisseling• Afspraken over zorgcoördinatie • Genereren van beleidsinformatie

Uiteenlopende organisaties op het terrein van hulpverlening en welzijn kunnen betrokken zijn bij de zorg aan jeugdigen en hun gezinnen. Coördinatie van zorg speelt zich in de praktijk af op het snijvlak van het lokaal preventief jeugdbeleid en de geïndiceerde jeugdzorg, maar ook op het snijvlak van jeugdvoorzieningen en algemene voorzieningen. Binnen het systeem Zorg voor jeugd worden meerdere domeinen betrokken. In dit kader noemen we jeugdzorg / jeugdhulpverlening, onderwijs, werk en inkomen, veiligheid.

Beleidsinformatie en preventieactiviteitenNaast bovenstaande informatie over de samenwerking en afstemming in de keten is het voor gemeenten en voorzieningen van belang beleidsinformatie te genereren gericht op het in beeld brengen van trends en ontwikkelingen in de vraag van ouders / verzorgers en jeugdigen. Dit zowel wat betreft de lichte opvoedingsondersteuning alsook op het terrein van jeugdzorg. Op basis van deze gegevens kan op aanbodniveau worden bijgestuurd en kunnen vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd worden. Deze trends en ontwikkelingen vormen tegelijkertijd de basis voor een goed en afgewogen preventiebeleid. Immers het voorkomen van problemen en achterstanden verdient een belangrijke plaats binnen het integraal lokaal jeugdbeleid. Het in beeld brengen van trends en ontwikkelingen kan gebeuren op basis van rapportages vanuit de hulpvoorzieningen maar ook door in te zoemen op veranderingen die door b.v. onderwijs en welzijnswerk in wijken / buurten geconstateerd worden.

Centrum voor jeugd en gezin (CJG)In het Centrum voor Jeugd en Gezin worden verschillende taken als opvoedingsondersteuning, jeugd- gezondheidszorg, licht ambulante begeleiding en functies op het gebied van advies en melding kindermishandeling in de directe nabijheid van jeugdige en ouders integraal aangeboden. De structuur zoals beschreven in het genoemde rapport levert de contouren voor een (virtueel) Centrum voor Jeugd en Gezin in de regio Land van Cuijk.

• Frontoffice:Lokale organisaties op het terrein van licht pedagogische hulp werken samen in het aanbieden van informatie en advies aan jeugdigen en ouders binnen een gezamenlijk “frontoffice”. (één loket voor alle activiteiten op het terrein van opvoedingsondersteuning). Vanuit dit frontoffice wordt tevens directe aansluiting op en ondersteuning van de vindplaatsen georganiseerd met als doel vroegtijdig te kunnen interveniëren en de noodzakelijke, makkelijk toegankelijke ondersteuning te bieden aan ouders en jeugdige in hun directe omgeving. In het beschreven model “sluitende jeugdketen” is dit terug te vinden onder de invulling van de functies informatie en advies, toeleiding naar zorg (via de zorgadvies overleggen) en de uitvoering van licht pedagogische hulp.

• Backoffice:De “backoffice” wordt gevormd door de voorzieningen voor licht pedagogische hulp, aangevuld met organisaties op het terrein van jeugdzorg (o.a. Bureau Jeugdzorg). Binnen de “backoffice” vindt op basis van samenwerkingsafspraken tussen betrokken voorzieningen onderlinge verwijzing plaats inclusief toeleiding naar zwaardere hulpvormen via indicatiestelling door Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg is voor de lokale voorzieningen direct beschikbaar als consultatiepunt en heeft hierover samenwerkingsafspraken gemaakt. Gewerkt wordt vanuit een gezamenlijke methodiek (tripple P). Door het invoeren van een signaleringssysteem Zorg voor Jeugd in combinatie met de in de sluitende jeugdketen gemaakte afspraken wordt samenwerking, afstemming en casuscoördinatie op direct uitvoeringsniveau mogelijk. Hulpverleners weten wanneer meerdere organisaties bij dezelfde jeugdige betrokken zijn en er bestaat duidelijkheid over wie de coördinatie in de casus heeft. In geval van noodsituaties wordt een crisisberaad ingeschakeld.

Gemeentelijke regieDe gemeente voert de regie in het proces om te komen tot een sluitende jeugdketen. De samenwerking tussen de gemeenten in de regio Land van Cuijk en de gezamenlijke keuze voor invoering van de ontwikkelde jeugdketenstructuur biedt een uitstekend uitgangspunt om te komen tot een “Centrum voor Jeugd en Gezin” op regionale schaal. De activiteiten in het kader van het traject “sluitende jeugdketen regio Land van Cuijk” zijn hierin een eerste stap. Sommige zaken vragen nog om verdere uitwerking en de structuur dient immers op onderdelen nog verder geïmplementeerd te worden. Een aantal onderdelen van het model zijn in de dagelijkse praktijk binnen de gemeenten aanwezig. Met ingang van 22 april 2008 is in het Centrum Jeugd en Gezin Land van Cuijk beschikbaar:1. Nadrukkelijke samenwerkings- en overdrachtsafspraken tussen Radius / jongerenwerk, Regionaal Maatschappelijk Centrum, Stichting MEE, GGD en Stichting Thuiszorg.2. Eén telefonisch loket voor ouders en opvoeders.3. Eén digitaal interactief loket voor jeugd en jongeren.4. Werkmethodiek tripple P. (Positief Pedagogisch Programma)

Met wie werken we samen?Een kort overzicht van de huidige samenwerkingsactiviteiten op dit terrein: Meso overleg 12+; Schoolmaatschappelijk werk; Buro Jeugdzorg; Jeugdpreventiewerk; Halt; Meldpunt risicojongeren; Leerplicht; Algemeen Maatschappelijk werk; GGD; Thuiszorg; Jongerenwerk; Werkgroep Jeugd; Samenwerking school en veiligheid LvC; Samenwerking aanpak huiselijk geweld LvC; Oudkomers; Nieuwkomers; Onderwijs en peuterspeelzalen.

Welke middelen zijn hier voor nodig?De implementatie van het ketenmodel is aan voorwaarden gebonden. Hierbij spelen naast de huidige stand van zaken in de keten uiteraard ook de financiële mogelijkheden van gemeenten, voorzieningen en vindplaatsen een rol. De stappen die worden gezet om vanuit de huidige situatie naar een optimale invulling van de ketenstructuur te komen zijn per gemeente in het Land van Cuijk verschillend. Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende (verzamelposten) in de programmabegroting 2008 gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Facilitering kinderopvang € 402.658,--Onderwijs € 3.836.470,--Jongeren € 396.771,--

6.3. Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning

Prestatieveld 3: Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;Met 'geven van informatie en advies' wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning. Het kan hierbij zowel gaan om algemene voorzieningen zoals (voldoende) informatiepunten, als om meer specifieke voorzieningen zoals een individueel advies, of hulp bij de verheldering van een ondersteuningsvraag. De Wmo vraagt van gemeenten dat zij informatie, advies en klantondersteuning regelt en de burger de weg wijst in het veld van maatschappelijk ondersteuning. Centraal staat de “één-loketgedachte”: inwoners behoeven zich in principe niet vaker dan één maal tot de gemeente te wenden om antwoord op hun vragen te krijgen. De gemeente moet niet alleen informatie verstrekken over haar eigen producten maar ook over relevante aanpalende terreinen zoals zorg en wonen. Het zogenaamde één-loket kan op verschillende manieren worden vorm gegeven. Het kan een balie of een inlooppunt zijn maar ook een telefoonnummer of een website.

Het geven van informatie, advies en cliëntenondersteuning is in de wet opgenomen in prestatieveld 3. De gemeente krijgt een duidelijke programmatische taak. Het mag niet langer zo zijn dat burgers dwalen tussen instellingen, de weg niet vinden, de toegang niet vinden, keer op keer hun verhaal opnieuw moeten doen, soms bijna postbode zijn tussen instellingen die onderling niet communiceren.

Wat zegt de wet over prestatieveld Informatie, advies en cliëntondersteuningGemeenten zijn binnen de Wmo verantwoordelijk voor het geven van advies, informatie en ondersteuning aan cliënten met vragen en behoeften op het brede terrein van wonen, welzijn en zorg. Het is voor de eerste keer dat informatie, advies en cliëntondersteuning in een wet benoemd zijn als prestatieveld van maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast veronderstelt de Wmo dat gemeenten de toegang regelen tot de voorzieningen op dit terrein. Gemeenten zijn vrij om te kiezen hoe zij dit prestatieveld willen invullen. Er is geen verplichting om een lokaal Wmo-loket op te zetten. Aan de gemeenteraad moet verantwoord worden hoe de informatie, advies en cliëntondersteuning geregeld zijn. Gemeenten kunnen dit prestatieveld dus invullen op een wijze die zij geschikt achten. Het past echter in de geest van de Wmo dat gemeenten kiezen voor een vorm die een integrale aanpak mogelijk maakt. De Wmo geeft de gemeente immers verantwoordelijkheid voor een breed terrein van voorzieningen op het terrein van wonen, welzijn en zorg. Als voor het prestatieveld "Informatie, advies en cliëntondersteuning" gekozen wordt voor een adequate vorm, kan dit resultaten op andere prestatievelden ten goede komen. Met name aan de ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligers (prestatieveld 4) en het bevorderen van het zelfstandig functioneren en de deelname aan het maatschappelijk verkeer (prestatieveld 5 en 6). Een passend lokaal loket kan een cruciale rol spelen in het goed uitvoeren van de Wmo.

Hoe staan we er nu voor?In het spraakgebruik is al snel de term Wmo–loket opgekomen, als fysieke vertaling van het prestatieveld. Daarbij kunnen vervolgens weer vele verschillende invullingen gedacht worden. In de afgelopen twee jaren is in velerlei setting met diverse mensen, bestuurders, instellingen, klantengroepen, ambtenaren gesproken over het prestatieveld 3. Veel gezichtspunten zijn aan bod gekomen. Eerder is al in de Visienotitie Wmo Land van Cuijk van 24 oktober 2005 ten aanzien van het lokale loket de volgende conclusie geformuleerd: “Burgers zullen via een digitaal loket informatie en advies over maatschappelijke ondersteuning kunnen verkrijgen. Voor een groot deel van de Wmo-doelgroep die geen toegang heeft tot deze dienstverlening, is persoonlijke ondersteuning bij het verkrijgen van informatie en advies vereist en hiervoor zullen lokale loketten op maat in elk van de vijf gemeenten van het Land van Cuijk worden gerealiseerd. “.Een verbindend en terugkerend thema is telkens geweest: “niet van het kastje naar de muur”. Dus, als je een loket maakt, zorg dat burgers daar geholpen worden, professioneel en goed, zo volledig mogelijk, liefst direct of anders zo snel als dat mogelijk is, als je het niet direct kunt zorg dan voor een goede vervolgafspraak en zet het vervolg in gang.

Andere loketten op terrein van wonen, welzijn en zorgBurgers die ondersteunende voorzieningen nodig hebben, moeten zich vaak bij loketten van verschillende instanties melden. Voor Wmo-aanvragen of inkomensondersteuning kan men terecht bij de gemeente. Voor andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld het aanvragen van een aangepaste woning, een indicatie voor zorgcentrum of verpleeghuis, maaltijdvoorziening, dagopvang, thuiszorg of de inschakeling van vrijwilligers bij vervoer of klusjes in huis, moet men doorgaans buiten het gemeentehuis zijn. Waar men moet zijn, verschilt per gemeente en per voorziening. Voor Awbz-voorzieningen, waar tot 1 januari 2007 de huishoudelijke zorg toe behoorde, is een apart indicatieloket bij het Centrum Indicatiestelling Zorg. Om een opname te kunnen realiseren moet men contact hebben met het Opnamebureau van Pantein.Soms zijn er "loketten" die beogen de cliënten te ondersteunen bij het de weg vinden in de veelheid van voorzieningen. Doorgaans hebben deze "loketten" een wat grotere afstand tot de gemeente en vervullen zorgaanbieders of ondersteunende organisaties een hoofdrol in organisatie en uitvoering. In het Land van Cuijk gebeurt cliëntondersteuning op maatschappelijk gebied o.a. door het Regionaal Maatschappelijk Centrum, met name bij het Advies- en Informatiepunt Boxmeer en de Winkel voor Informatie en Advies in Cuijk. Voor de Wmo behoren alle burgers die problemen hebben met het zelfstandig functioneren in de samenleving tot de doelgroep. De cliëntondersteuning is vaak categoraal georganiseerd. Ouderen krijgen vaak ondersteuning van de beroepskrachten en vrijwilligers die verbonden zijn aan de Stichtingen Welzijn Ouderen en aan ouderenbonden. In het Land van Cuijk zijn er nu op projectbasis "Wonen-welzijn-zorg-coördinatoren" die met name een functie hebben voor ouderen met een grote zorgbehoefte. Ondersteuning van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking en chronisch zieken vindt plaats door MEE en Vizier. Mensen met psychosociale en psychiatrische problemen ontvangen cliëntondersteuning van GGZ-instellingen. Informatie, advies en ondersteuning inzake verslavingsproblematiek wordt geboden door Novadic-Kentron en inzake dak- en thuislozenzorg door het Verdihuis. Ouders met jonge kinderen kunnen terecht bij de consultatiebureaus; voor ondersteuning bij het opvoeden van oudere kinderen kan men terecht bij de GGD of bij het Bureau Jeugdzorg. In de huidige situatie vervult dus een groot aantal organisaties functies op het gebied van advies, informatie en ondersteuning. Ieder doet dat op eigen wijze en hanteert eigen informatiesystemen. De invoering van de Wmo biedt de kans om een adequate integrale aanpak te ontwikkelen.

Waar willen we naartoe?

Visienotititie lokaal loketDe colleges in het Land van Cuijk hebben op basis van de uitgangspunten in de eerder vastgestelde visienotitie lokaal loket (collegebesluit gemeente Boxmeer d.d. 13-12-2005) gekozen voor de opzet van lokale Wmo-loketten met de volgende uitgangspunten:• een intensieve vorm van samenwerking bij opzet, inrichting en vormgeving van het Wmo-loket;• een brede woon-welzijn-zorg-variant van het lokale loket;• een loket waarbij een aanvraag wordt ingenomen en afgehandeld• een gezamenlijke opzet van een digitale sociale kaart • een uniforme digitale aanvraagprocedure voor Wmo-voorzieningen.

Aanvullende kenmerken van het lokale loket zijn:• laagdrempelig/toegankelijk• telefonisch, fysiek en digitaal bereikbaar• professionele dienstverlening• dienstverlening los van de zorgaanbieders• kosteloze dienstverlening aan het loket• groeimodel met als uiteindelijke resultaat het hele proces van aanvraag tot zorgverlening inclusief een klantvolgsysteem;• aan het loket horen ook de woonwelzijnzorgcoördinatoren te zijn verbonden en andere vormen van klantondersteuning/zorgcoördinatie, onder andere ouderenadviseurs.De volgende afwegingen lagen hier aan ten grondslag:

Regionale afstemmingAlle gemeenten hechten aan een eigen Wmo-loket, dat goed aansluit bij de eigen lokale situatie, zo ook gemeente Boxmeer. Uit het oogpunt van klantvriendelijkheid en samenwerking met organisaties met een bovenlokaal werkgebied is regionale afstemming gewenst. Wij beperken ons op dit moment tot de schaal van het Land van Cuijk. In een minder intensieve variant van regionale samenwerking vindt alleen op hoofdlijnen afstemming plaats. In een intensievere variant betreft de afstemming ook de opzet, inrichting en uitvoering, bijvoorbeeld wat betreft het gehanteerde informatiesysteem. Er is gekozen voor een intensieve vorm van regionale samenwerking bij de opzet, inrichting en vormgeving van het lokale Wmo-loket. Elke gemeente heeft hierin echter haar eigen accenten en mogelijkheden. De mate van samenwerking wordt gezien als een groeimodel.

Breedte van het Wmo-loket In een smalle variant beperken gemeenten zich tot een gemeentelijk loket voor de Wmo-voorzieningen, die door de gemeente worden verstrekt. In een brede variant is er een loket waar burgers met alle vragen op het gebied van wonen, welzijn en zorg terecht kunnen. Daarbij kan de insteek zijn om de brede variant gefaseerd in te voeren, waarbij op de ingangsdatum van de Wmo gestart wordt met de smalle variant, die op termijn verbreedt wordt naar de hele wonen-welzijn-zorg-sector. Verbreding zal overigens ook in ander opzicht kunnen plaatsvinden, namelijk wat betreft andere overheidsproducten. Wat dat laatste betreft dient in ogenschouw te worden genomen dat de rijksoverheid de ambitie heeft dat in 2012 gemeenten het centrale loket zijn voor alle overheidsinformatie, ook voor informatie van provincie en rijk. Er is gekozen voor de opzet van een wwz-brede variant van het lokaal loket. Hier geldt eveneens dat de lokale omstandigheden het tempo bepalen waarin deze variant gerealiseerd kan worden.

DiepteIn één loket kunnen verschillende functies vervuld worden, namelijk informatie, advies, cliëntondersteuning, aanvragen, bemiddelen, indicatiestelling, toewijzing. De diepgang van het Wmo-loket wordt bepaald door aantal en soort functies dat het loket uitvoert. In een oppervlakkige variant kiezen gemeenten voor accent op informatie en aanvragen van een gemeentelijke voorziening. In een dieper gaande variant hoort in elk geval ook klantondersteuning en bemiddeling naar wwz-diensten van andere organisaties. Daarnaast kan overwogen worden om indicatiestelling en toewijzing functies van het lokale loket te laten zijn. Er is gekozen om (op termijn) een diepe variant van het lokaal loket te realiseren

Regiobrede digitale sociale kaartHet is wenselijk dat er een digitale sociale kaart met informatie op het brede gebied van wonen, welzijn en zorg beschikbaar komt. Ook vanuit het beleidsveld jeugd is hieraan nadrukkelijk behoefte. Deze is onder andere bestemd voor alle burgers en voor intermediairs, die informatie verstrekken en adviseren. De vijf gemeenten in het Land van Cuijk hebben gekozen voor een gezamenlijke opzet van een digitale sociale kaart over alle wwz-voorzieningen. Vanuit de digitale sociale kaart zou ook het aanvragen voor voorzieningen gestart kunnen worden voor inwoners die daar om vragen. De gemeenten in het Land van Cuijk hebben gekozen voor een uniforme digitale aanvraagprocedure inzake maatschappelijke ondersteuning.

Implementatie Wmo-loketDe uitgangspunten en kenmerken van het Wmo-loket zijn verder uitgewerkt in twaalf conclusies en beslispunten. De zogenaamde implementatienota Wmo is op 8 mei 2007 door het college en op 21 juni 2007 door de raad van de gemeente Boxmeer vastgesteld. De volgende afwegingen lagen hier aan ten grondslag:

De gemeente Boxmeer kiest hierin (evenals de andere gemeenten in het Land van Cuijk) voor een informatie-advies en regelloket. Dit model kan als volgt worden omschreven:Het model gaat er vanuit dat de Wmo-consulent de informatie integraal verstrekt, adviseert en aan de slag gaat om er voor te zorgen dat alles gebeurt wat er nodig is om aanbieder/aanbod en burger bij elkaar te krijgen. De klant wordt dus niet doorverwezen maar de vraag van de klant wordt bij de instellingen/organisaties etc. neergelegd. Het voordeel van dit loket is dat ook de burger die niet zo goed in staat is actie te ondernemen, geholpen wordt. In dit loket is het mogelijk om snel en efficiënt te handelen. Ter plaatse kan (een groot deel van) de toegang tot de Wmo-voorzieningen en alles wat er nodig is aan formaliteiten, handelingen en informatievastlegging worden uitgevoerd. De uitdaging voor dit loket zit in de nauwe samenwerking die opgezet moet worden met alle organisaties en instellingen. Vanuit het Wmo-loket wordt er op toegezien dat de vraag van de klant wordt beantwoord . Hierbij zal dus terugkoppeling moeten plaatsvinden van de instelling/organisatie die de vraag heeft afgehandeld.

Het model informatie, advies en regelloket voldoet aan de rol die de Wmo aan gemeenten toekent. Met name het element van het “regelen” van de toegang tot de diverse vormen van zorg die onder de Wmo vallen, betekent een intensieve mate van betrokkenheid van de gemeente bij de ingezette dienstverlening. De gemeente weet, in abstracto door de samenwerkingsafspraken die aan het loket ten grondslag liggen én concreet door de afspraken die in individuele casus worden getroffen, wat er aan burgers geboden wordt en in welke mate zij daartoe toegang krijgen.

Wat is de doelgroep van de Wmo?Voor de Wmo behoren alle burgers tot de doelgroep en daarmee tot de doelgroep van het Wmo-loket. Er zijn echter een aantal groepen te onderscheiden die meer gebruik maken van een loket dan anderen:• Personen met een lichamelijke handicap• Personen met een psychische handicap• Personen met een verstandelijke handicap• Personen met psychosociale of materiele problemen• Personen met meervoudige problematiek zonder duidelijke hulpvraag (OGGZ-doelgroep)• Huishoudens met huiselijk geweld • Gezinnen met opvoedingsproblemen• Ouderen• Jeugdigen

Voor welke doelgroepen gekozen wordt om het loket in te richten is o.a. afhankelijk van de loketten, informatiepunten en andere toegangsmogelijkheden tot voorzieningen die reeds bestaan voor deze doelgroepen. Een specifieke doelgroep heeft niet alleen behoefte aan specifieke voorzieningen maar soms ook aan specifieke ondersteuning op het terrein van vraagverheldering en benadering in een loket. Een mogelijke manier om een loket toch goed toegankelijk te laten zijn voor een brede doelgroep, kan zijn om spreekuren op te zetten voor specifieke doelgroepen. Voor die spreekuren worden dan gespecialiseerde medewerkers van ketenpartners ingezet (bijvoorbeeld; MEE, GGZ )

Het virtueel of telefonische loketHet is bijna vanzelfsprekend dat dezelfde vragen waarmee men bij het fysieke loket terecht kan, ook telefonisch moeten kunnen worden gesteld. Het kan zijn dat het telefonische loket op dezelfde uren open is als het fysieke loket. Daarnaast is het een optie om een centraal nummer voor meerdere gemeenten in te stellen of een telefonisch loket 24 uur per dag in te stellen, waarbij men de mogelijkheid krijgt om naam en telefoonnummer in te spreken en de volgende werkdag teruggebeld wordt. Digitale bereikbaarheid kan plaatsvinden via een website en via e-mail. Hierbij is het relevant onderscheid te maken tussen enerzijds eenzijdige informatie-verstrekking en anderzijds interactieve communicatie. Automatisering en informatisering vereisen een lange aanloop en een investering op de langere termijn. Ook hierin kan alleen sprake zijn van een groeimodel. Vooralsnog moet worden uitgegaan van inbedding van deze communicatiemiddelen in de bestaande gemeentelijke infrastructuur, als logisch uitvloeisel van de fysieke positionering van het loket per gemeente afzonderlijk.

OnafhankelijkheidDe gemeente neemt in het zorgveld een onafhankelijke positie in en heeft als lokale overheid de taak om de belangen van alle betrokken partijen, burgers, organisaties en instellingen, op een goede wijze met elkaar in verband te brengen.

IndicatieEen bijzondere positionering heeft het Wmo–loket als het gaat om voorzieningen die de gemeente zelf levert. De gemeente adviseert over en ondersteunt bij het bepalen van het zorgaanbod én is vervolgens ook de partij die het zorgaanbod levert en financiert. Met andere woorden: er komt een indicatie tot stand. Binnen de vroegere Wet voorzieningen gehandicapten is hiermee uitgebreid ervaring opgedaan. Het is gebleken dat gemeenten snel, volledig, efficiënt en onbureaucratisch op de hulpvraag van burgers kunnen inspelen door middel van wat is gaan heten een “gekwalificeerde intake”. Al direct kan richting en omvang van de te verstrekken hulp worden bepaald en de verstrekking in werking worden gezet. Daarnaast is ook gebleken dat een goede kwaliteitsborging nodig blijft. Er zijn altijd situaties die een overstijgende complexiteit hebben. Ook zijn er altijd momenten denkbaar waarop de gemeente en de hulpvrager niet met elkaar overeenstemmen in de te kiezen oplossing. Voor die gevallen moet een goede externe en onafhankelijk opererende adviesfunctie voorhanden zijn, die overigens ook in bezwaar- en beroepsetting onontbeerlijk is.

Bij de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft de gemeente de verantwoordelijkheid, maar ook de vrijheid gekregen om vast te stellen onder welke condities de burgers een beroep kunnen doen op het voorzieningenpakket. Dit houdt onder anderen in dat de gemeente de ruimte krijgt om de informatievoorziening maar ook de toegangsbewaking eenvoudiger op te zetten. Dit geldt voornamelijk voor de indicatieprocedures die onder de Wvg en de AWBZ gebruikelijk waren. De huidige vier voorzieningen in de Wmo. Vanuit het perspectief van de burger verandert voor een deel de toegang tot de zorg. Tot 1 januari 2007 liep de scheidslijn tussen toegang bij de gemeente (Wvg) en toegang via de Centraal indicatieorgaan Zorg (CIZ). De toegangscriteria zullen voortaan echter door de gemeente worden bepaald. Dit is een kans om onnodige bureaucratie voor burgers te voorkomen. Zijdelings voordeel daarbij is de mogelijkheid van een beperking van de administratieve lastendruk. In de Wvg is uitgebreid ervaring opgedaan met een zorgvuldige, snelle en onbureaucratische toekenning van voorzieningen.

De Wmo geeft aan deze oplossingsrichting nieuwe impuls. Onder indicatiestelling in de Wmo verstaan we het integraal benaderen van de hulpvraag van een burger, door het verstrekken van algemene of individuele voorzieningen, omdat hij niet in staat is om zelf een probleem op te lossen. Dit is wezenlijk anders dan de toekenning van een “verzekerd recht”. De Wmo vraagt van gemeenten dan ook een dubbele motivering: waarom al dan niet een voorziening én is het probleem van de burger opgelost. Gemeenten zijn nadrukkelijk niet verplicht om externe indicaties te laten stellen voor individuele Wmo-voorzieningen, maar ontwikkelt zelf een oplossing.

Voor wat betreft de positionering van de indicatiestelling wordt het aanbevolen om de indicatiestelling door de gemeente (lokaal loket) in combinatie met een extern adviesorgaan te laten uitvoeren. In de lijn met de visie op het lokaal loket wordt aanbevolen om aansluiting te zoeken met de Wvg praktijk waarin de gemeenten zelf de eenvoudige indicaties stellen en de meer complexe aanvragen door externe deskundige laten uitvoeren. Het streven daarbij is dat de burger geen enkele hinder ondervindt dat de toegang via verschillende instanties loopt. Veel waarde wordt gehecht aan een snelle en transparante indicering. De snelheid waarmee de ondersteuning tot stand komt is voor de burger erg belangrijk Te lange procedures kunnen de periode tussen aanmelding en daadwerkelijke ondersteuning onnodig verlengen.

Door het hanteren van een onderscheid in de enkelvoudige en meer complexe aanvragen is het voor de gemeente mogelijk een knip te leggen wanneer een indicatieadvies van een externe deskundige is vereist of dat via een eenvoudige procedure kan worden afgehandeld.Bij een eenvoudige indicatie zal meestal sprake zijn van het verstrekken van eenvoudige voorzieningen bv het realiseren van eenvoudige woningaanpassingen, standaard vervoersvoorzieningen inclusief collectieve voorzieningen. Wanneer het persoonlijke dienstverlening in de vorm van hulp bij het huishouden betreft, kan eveneens met een interne deskundige intakeprocedure voorkomen worden dat extern advies noodzakelijk is. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarbij het eenvoudig is vast te stellen dat bij de persoon sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Hetzelfde geldt voor herindicaties of aanvragen voor kortdurende hulp. Bij de meer complexere aanvragen zal de interne deskundigheid niet toereikend zijn om de hulpvraag te kunnen beoordelen.Dit kan bijvoorbeeld zijn indien het gaat om de beoordeling of het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij het vooruitlopend op dit proces reeds eerder ingrijpende maatregelen genomen moeten worden dan op dat moment nodig lijkt. Ook geldt dit bij aanvragen die mogelijk op medische gronden worden afgewezen. Bij deze aanvragen is een onafhankelijk medisch advies nodig voor een goede besluitvorming en dubbele motivering van het besluit.

De indicatiestelling is onderdeel van een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien de klant/de burger het niet met het besluit eens is kan bezwaar gemaakt worden bij de gemeente. Ook dan zal externe advisering een rol spelen, met name vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid.

Professionele bemensingMen kan slechts aanspreekpunt zijn als men ook aanspreekbaar is op resultaten, zowel in positieve als in negatieve zin. Dit stelt eisen aan een professionele inrichting die de daarin werkzame personen goed outilleert. Aan deze personen worden uiteraard eisen gesteld voor wat betreft opleiding, ervaring en kunde. Kennis en vaardigheden worden doorlopend op peil gehouden. De mate waarin verantwoordelijkheid bij de betrokken personen wordt neergelegd, betekent ook dat het WMO-loket in de kern in ieder geval niet met vrijwilligers wordt bemenst. Dit neemt overigens niet weg dat juist bij ondersteuning en advisering er veel goed werk wordt verricht door vrijwilligers, die ook door hun grote aantal en hun plaatselijke bekendheid en aanwezigheid een zeer belangrijke rol spelen. Het Wmo-loket zal steunpunt kunnen zijn voor deze vrijwilligers en wellicht in een zekere vorm ook uitvalsbasis.

Wonen-welzijn-zorg coördinatorIn de afgelopen jaren is een uitgebreid netwerk binnen wonen, welzijn en zorg opgebouwd waarbinnen samengewerkt wordt t.b.v. van de klant. Het college heeft samen met vier andere gemeenten in het Land van Cuijk voor 2008 en zo mogelijk ook voor 2009 het project wwz-coördinatie voortgezet. De wwz-coördinator voor Boxmeer (28 uren per week) wordt als een vraagbaak van het lokale loket gezien. Met deze werkwijze is het loket ook zichtbaar als vooruitgeschoven post in de diverse kernen van de gemeente. De samenwerking is op dit punt geïntensiveerd. De samenwerking heeft vooral een praktisch op de dienstverlening aan de klant gericht karakter. Waar nodig worden nieuwe afspraken gemaakt over doorverwijzing en afstemming. Zoals met Pantein V&V, tot eind 2007 uitvoerder van het project wwz-coördinator en met het Wmo-loket vanaf januari 2008 .De samenwerking met de Wmo-consulenten van het loket is inhoudelijk en gericht op onderlinge doorverwijzing. Met de vrijwillige ouderenadviseurs bestaan afspraken, maar is het goed om deze nog eens samen te actualiseren. Er zal zo min mogelijk deel worden genomen aan structurele overlegsituaties met een beleidsmatig karakter omwille van de beperkte formatie. Relevante signalen en knelpunten in de onderlinge afstemming zullen door Radius ingebracht worden in de lokale wwz-kernteams in de gemeenten.

Met wie werken we samen?

Samenwerkingspartners cliëntenondersteuningMomenteel zijn er veel instellingen die op enigerlei wijze actief zijn bij het bieden van cliëntenondersteuning. Een logische consequentie van het prestatieveld 3 is, dat de gemeente de onderscheiden inspanningen coördineert. De gemeente zal daarom vanuit de taakstelling van dit prestatieveld de samenwerking zoeken met organisaties die ondersteuning op het gebied van zorg bieden in de vorm van cliëntondersteuning. Onder cliëntondersteuning wordt verstaan de ondersteuning van de cliënt bij het maken van een keuze of het oplossen van een probleem. Cliëntondersteuning heeft de regieversterking van de cliënt (en zijn omgeving) tot doel teneinde de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te bevorderen. Cliëntondersteuning wordt verleend door bijvoorbeeld• Algemeen Maatschappelijk Werk • Dichterbij (praktische vrijwillige thuishulp)• Feritas • GGZ• MEE• Pantein V&V • Radius • Stichting Thuiszorg Brabant Noordoost (Steunpunt Mantelzorg)• SWOGB

Als ambitie is verwoord om een regelloket in te richten voor alle dienstverlening aan burgers binnen het Wmo taakveld. Buiten de hierboven genoemde organisaties zijn er nog een aantal relevante partijen actief (mogelijk niet uitputtend), zoals:• De thuiszorgaanbieders • De indicatiestellers• De leveranciers van hulpmiddelen en voorzieningen • De informatie- en adviespunten• De AWBZ- zorginstellingen• De instellingen voor verslavingszorg

Partners in het bredere veld van zorgverleningCentrale uitdaging is om het verbrokkelde en verkokerde zorgveld toegankelijker te maken en beter te laten functioneren door de partners op een lijn te brengen. We roepen in herinnering:De gemeente is aanspreekpunt en regievoerder voor de ondersteuning dichtbij huis (woningaanpassingen, sociale ondersteuning, lichte zorg). Het lokaal loket is een instrument voor deze regievoering en wel op twee niveaus. Een heldere, toegankelijke en uniforme toegang tot de zorg stopt niet bij het inrichten van het loket. De fase ná het loket is tenminste even belangrijk.

Het Wmo-loket zal voor de toegang tot de zorg uiteindelijk moeten functioneren als het contactpunt tussen “de instellingen” en de burger. Daarmee wordt het Wmo-loket een front-office voor deze instellingen. In verhoudingen tussen frontoffice en backoffice is het van essentieel belang om goede samenwerkingsafspraken te maken vertrekkend vanuit een gezamenlijk dienstverleningsconcept. Immers: de frontoffice en de back-office moeten dezelfde taal spreken. Zij moeten elkaar herkennen en erkennen in hun rol en positie, aan elkaar werk kunnen overdragen, een gezamenlijke boodschap uitdragen. Het kan en mag niet zo zijn dat het Wmo-loket niet kan uitdragen wat de achterliggende instelling doet, noch dat de achterliggende instelling iets anders doet dan het Wmo-loket uitdraagt.

De gemeenten zullen voor de toekomst de instellingen in het zorgveld (de Wmo-partners) derhalve moeten uitnodigen om deel te nemen in het concept van het Wmo-loket en mee te denken en mede vorm te geven aan het daaraan ten grondslag liggende dienstverleningsconcept. Dit is een gezamenlijke dialoog, die uitmondt in een gecoördineerd en daardoor herkenbaar en bereikbaar aanbod richting de burger. Het vertrekpunt is voor elke gemeente in het Land van Cuijk anders. De huidige inrichting van de dienstverlening bepaalt de startpositie om te komen tot een bredere invulling van het lokale loket. Deze richt zich op de informatievoorziening in het kader van de Wmo en dat is breder dan alleen de gemeentelijke voorzieningen die in de huidige loketten aanwezig zijn. Aangezien ook de gemeente Boxmeer vertrekt vanuit een “smallere” situatie wordt voorzien dat van een groeimodel sprake zal zijn.

Het procesHet WMO-loket is een groeimodel. Begonnen zal worden met het nader vormgeven van de bestaande oorspronkelijke Wvg-loketten en het herkenbaar maken daarvan als Wmo-loket. Het verdiepen en verbreden van dit loket zal vervolgens stapsgewijs plaatsvinden vanuit het betrekken van alle partners. Vanuit dit gezichtspunt wil de gemeente de betrokken partijen benaderen om mede vorm en inhoud te geven aan het lokaal loket. Met name gaat het daarbij om een gezamenlijk gedragen visie op het dienstverleningsconcept voor dit loket.

Welke middelen zijn hier voor nodig?De hulpvragers kunnen op dit moment terecht bij vrijwillige ouderenadviseurs. Daarnaast het Advies en Informatiepunt Boxmeer actief voor burgers met vragen. De kosten hiervan zijn verdisconteerd in subsidies aan de gelieerde instellingen. Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende (verzamelposten) in de begroting 2008 gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Loketfunctie Sociale Zaken € 391.090,--Digitale sociale kaart € 9.650,--Wonen-welzijn-zorg coördinatie € 100.021,--

6.4. Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers

Prestatieveld 4: Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligersMantelzorg is langdurende zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. De vrijwillige inzet van burgers, zowel informeel en ongeorganiseerd (kleinschalig burgerinitiatief) als in georganiseerd verband (vrijwilligersorganisaties en bijvoorbeeld sport), vormt een onmisbaar deel van de ‘civil society’. In de gemeente Boxmeer hebben veel mensen iets voor elkaar of voor de samenleving over. Over de hele gemeente gaat het over ruim 14.000 personen die zich inzetten om dit prettige leefklimaat in stand te houden. Onder vrijwillige inzet verstaan wij; “de inzet die onverplicht en onbetaald wordt verricht voor anderen of de samenleving”. Als gemeente willen wij de betrokkenheid en solidariteit onder burgers stimuleren door een vrijwilligersvriendelijk klimaat te creëren. Door de komst van de Wmo krijgt het vrijwilligersbeleid een wettelijk kader en is tevens de mantelzorg toegevoegd aan het gemeentelijk beleid. Daarbij gaat het in de regel om algemene beleidsmaatregelen en niet zozeer om individuele voorzieningen.

Ondersteuning van mantelzorgers is een aandachtsgebied waar de gemeenten tot voor kort weinig bemoeienis mee hadden. De financiering van bijvoorbeeld het Steunpunt Mantelzorg was een zaak van het Zorgkantoor. Met de invoering van de Wmo op 1 januari 2007 is dit veranderd en worden gemeenten zelf verantwoordelijk. Dit heeft begin 2007 geleid tot een notitie over het te voeren beleid met betrekking tot mantelzorgondersteuning. In deze notitie “Krachtdadig ondersteunen” wordt een start gemaakt met deze nieuwe verantwoordelijkheid. De notitie is tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van de regionale projectgroep Wmo waarin de 5 gemeenten in het Land van Cuijk waren vertegenwoordigd. De aanbevelingen zijn op 6 februari 2007 door het college van burgemeester en wethouders in Boxmeer overgenomen. Als zodanig is destijds ook het gebruikelijke inspraak- en adviestraject met betrekking tot deze notitie gevolgd (regionale klantsupportgroep, lokale adviesraden). De notitie is bedoeld als deelnotitie (onderlegger) van dit integrale beleidsplan Wmo. De notitie Mantelzorg is/wordt hiermee onderdeel van het beleidsplan Wmo. De formele besluitvorming over de aanbevelingen voor mantelzorg door het college en gemeenteraad gebeurt dus nu bij de vaststelling van dit integrale beleidsplan Wmo.

Daarnaast is ten aanzien van het (lokaal) vrijwilligersbeleid op 9 februari 2006 reeds een afzonderlijke notitie door de gemeenteraad van Boxmeer vastgesteld. Deze notitie “De onmisbare schakel” is uitgangspunt voor de integrale benadering van lokale vrijwilligers in het kader van dit beleidsplan Wmo. De belangrijke aandachtspunten in het kader van lokaal vrijwilligersbeleid zullen daarom na de aspecten rondom mantelzorgondersteuning bij dit prestatieveld nogmaals worden aangehaald.Het wettelijk kaderDe centrale boodschap van de Wet maatschappelijke ondersteuning is “meedoen”. Dit doel wordt bereikt door de zorg en ondersteuning aan burgers op een andere manier te regelen. Er is een krachtige, sociale structuur nodig, waar zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid een belangrijke plaats innemen. Daarvoor is een samenhangend beleid van belang op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, wonen en welzijn én op aanpalende terreinen. Burgers zullen een grotere eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, als het gaat om ondersteuning en zorg. Daarbij denkt de wetgever aan een grotere inzet van de eigen sociale omgeving (bieden van gebruikelijke zorg, mantelzorg, zorg door vrienden en buurtgenoten), het benutten van vrijwilligerswerk en het inzetten van eigen (financiële) middelen voor het aanpassen van de woning en het verwerven van de nodige diensten en zorg. Pas als deze mogelijkheden aangewend zijn, kan de burger een beroep doen op de mogelijkheden die de gemeente biedt (vangnet functie). De gemeente moet hierop in samenwerking met (professionele) aanbieders beleid maken, omdat deze een geheel eigen verantwoordelijkheid (en belang) hebben bij het in stand houden van de mantelzorg en het vrijwilligerswerk.

6.4.1. MantelzorgbeleidHoe staan we er nu voor in het kader van de mantelzorgondersteuning?

De rol van de mantelzorgers evenals die van vrijwilligers krijgt binnen het gemeentelijke Wmo-beleid een centrale plaats. Want mensen dienen zoveel mogelijk hun eigen problemen op te lossen of hun eigen hulp te organiseren, eventueel met hulp van familie, vrienden of vrijwilligers. Mantelzorg en vrijwilligerswerk worden in de Wmo als prestatieveld in een adem genoemd. Het grote verschil tussen mantelzorg en vrijwilligerswerk in de zorg en ondersteuning is dat vrijwilligers zelf hiervoor kiezen op basis van eigen overwegingen en verwachtingen. Ze werken veelal voor vreemden. Mantelzorgers werken binnen de eigen familie en kiezen niet of maar zeer ten dele voor het werk. De eigen verwachtingen en wensen worden vaak ondergeschikt gemaakt aan het verlenen van de zorg, met andere woorden: ‘mantelzorg overkomt je’.

Ondanks de nauwe relatie tussen mantelzorg en vrijwilligerswerk in zorg, welzijn en dienstverlening is de notitie “Krachtdadig ondersteunen” specifiek gericht op het domein van de mantelzorg. De mantelzorg verdient het om afzonderlijk belicht te worden vanwege de gevolgen van de invoering van de Wmo op 1 januari 2007 voor de verleners en ontvangers van mantelzorg.

Steunpunt Mantelzorg Land van CuijkIn het Steunpunt Mantelzorg Land van Cuijk zijn twee medewerkers in dienst voor ieder 20 uur per week. Het steunpunt is ondergebracht bij Stichting Thuiszorg. De financiering gebeurde tot 1 januari 2007 vanuit de CVTM-gelden (Coördinatie Vrijwillige Thuiszorg en Mantelzorg) van het Zorgkantoor. Op 1 januari 2007 is deze subsidieregeling overgegaan naar de gemeenten.

 

Waar willen we naartoe in het kader van de mantelzorgondersteuning?Ontwikkelingen in mantelzorg in het Land van CuijkBij mantelzorg gaat het om het verlenen van zorg die mensen op vrijwillige basis, dus niet in professioneel verband, verlenen aan (oudere) mensen of mensen met chronische ziekte of handicap, die voortvloeit uit de sociale relatie die men met elkaar heeft. Het gaat om het bieden van extra zorg die qua duur en qua intensiteit de normale gang van zaken in het huishouden overstijgt. Mantelzorg is dus zorg die veelal verleend wordt door directe familieleden zoals partner, kind of ouder maar ook door buren en vrienden. Voor het verlenen van deze zorg wordt niet gekozen, maar deze vloeit voort uit de sociale relatie en het is daarom moeilijk of onmogelijk om je aan deze verantwoordelijkheid te onttrekken. De mantelzorg neemt in de loop van de tijd stapsgewijs toe, zonder dat er voldoende sprake is van ontlasting door andere betrokkenen (familieleden, vrijwilligerswerk of professionele ondersteuning). In veel gevallen is het einde van de zorgverlening niet te bepalen. Door het verlenen van langdurige en intensieve mantelzorg levert de mantelzorger vaak een deel van het eigen leven in waardoor de eigen behoeften en de sociale ontwikkeling onder druk komt te staan.

In tegenstelling tot dat wat vaak gedacht wordt is het niet zo dat er in deze tijd minder mantelzorg wordt verleend dan vroeger. Het belang van mantelzorg blijkt wel uit het feit dat 80% van de zorg wordt verleend door mantelzorgers. In het land van Cuijk blijkt dat 32,8% van de ouderen/mensen met een beperking een beroep doen op mantelzorg, terwijl 18,5% een beroep doet op professionele zorg (thuiszorg etc.).

In de gemeente Boxmeer levert dit volgens de gegevens in de notitie het volgende beeld op ten aanzien van mantelzorg:

Inwoneraantal (2005): 29.158Aantal inwoners 20+: 21.631Aantal mantelzorgers: 4.543Inzet 5 uur per dag (20%): 909 Inzet 6 uur per week (56%): 2.544Inzet 8 uur per maand (18%): 818Inzet 36 uur per jaar (6%): 273

Praktische Thuishulp (PTH)Hoewel Praktische Thuishulp Brabant Noordoost en Noordelijk Noord Limburg als vrijwilligersorganisatie deel uit maakt van het samenwerkingsverband van het Steunpunt Mantelzorg is afzonderlijke vermelding op zijn plaats al was het maar vanwege de financiële verantwoordelijkheid in 2007, die eveneens van het Zorgkantoor over gaat naar de gemeenten. PTH biedt door middel van oppas, aanwezigheidshulp, speelhulp, hulp bij activiteiten, licht verzorgende hulp, vervoer en gastgezinnen aan de mantelzorger de mogelijkheid even tijd voor zich zelf te hebben. Het gaat altijd om hulpvragen zonder indicatie.

Alzheimer CaféHet Alzheimer Café is een trefpunt voor mensen met dementie, hun partners, familieleden en vrienden. Ook hulpverleners en andere belangstellenden zijn welkom. De gasten praten met elkaar over de dingen die ze meemaken, over dementie en over mogelijkheden voor hulp.

 

Project De Vriendendienst van de GGZIndien gewenst zoekt GGZ een maatje bij iemand met chronisch psychiatrische klachten om kwaliteit van leven van persoon met klachten te verbeteren en tegelijkertijd mantelzorgers te ontlasten.

Regionale Stichting Welzijn Ouderen Land van CuijkDe RSWO is verantwoordelijk voor de uitvoering van het project Coördinatie Oppasdienst voor ouderen. Met inzet van vrijwilligers wordt de taak van mantelzorgers (partners, huisgenoten of kinderen) die belast zijn met de zorg voor thuiswonende hulpbehoevende ouderen verlicht. Gedurende een of indien nodig meerdere dagdelen in de week neemt de vrijwilliger de zorg over, waarvoor een geringe bijdrage wordt betaald. Het gaat om aanwezigheidshulp en de daarbij horende verzorgingstaken, maar niet om huishoudelijke taken. De Coördinatie Oppasdienst voor ouderen werd betaald door het Zorgkantoor. Vanaf 1 januari 2007 zijn gemeenten financieel verantwoordelijk. De oppasdiensten worden momenteel alleen geboden in Boxmeer en Cuijk.

Samenvattend:Als (oudere) mantelzorgers hulp bieden, is dat dus vaak voor een langere periode onder andere omdat de gemiddelde levensverwachting is toegenomen. Door de medische mogelijkheden is de gemiddelde levensverwachting van alle mensen toegenomen. Daarbij denken we niet uitsluitend aan ouderen maar ook aan mensen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychiatrische beperkingen en mensen met een chronische en/of terminale ziekte.

Zowel landelijk, provinciaal als regionaal wordt extra inzet gepleegd op de positie van de jonge mantelzorgers, allochtone mantelzorgers en mantelzorgers bij mensen met psychische en/of psychiatrische problematiek. Bij deze groepen is de dreiging van overbelasting vaak het grootst. Dit is o.a. terug te voeren op het feit dat in deze situatie vaak sprake is van een combinatie van mantelzorg, school en/of een betaalde baan en een grotere psychische belasting. Uit gegevens van de provincie blijkt dat 1 op de 10 jongeren mantelzorger is d.w.z. betrokken bij een familielid (ouder, broer of zus) die zorg behoeft van de eigen familie. Daarnaast is het belangrijk om activiteiten te stimuleren waardoor de mantelzorgers worden ontlast, waardoor hulp langer kan worden geboden. De aandacht moet zich niet per definitie richten op méér inzet van de mantelzorg, maar op het ontlasten van mantelzorgers en het (her)verdelen van de lasten.

Het Steunpunt Mantelzorg is dé organisatie als het gaat om ondersteuning voor mantelzorgers. De voorlichtingcampagne “jongeren zonder zorgen” is inmiddels afgerond. Door deze campagne is er meer aandacht geweest voor jongere mantelzorgers. Respijtweekenden zijn georganiseerd om ondersteuningsbehoeften te peilen. Daarnaast anticipeert het Steunpunt op de landelijke en regionale ontwikkelingen op het gebied van mantelzorg. Het Steunpunt kan de wensen en behoeften van de doelgroep signaleren. De gemeente(n) stellen in haar subsidieopdracht(en) in goed overleg met het Steunpunt eisen ten aanzien van de activiteiten van het Steunpunt richting mantelzorgers. In 2007 is voor het eerst een waardering vanuit de landelijke overheid richting mantelzorgers gegevens via een individuele financieel gebaar in de vorm van een mantelzorgcompliment.

Aanbevelingen voor ondersteuning mantelzorgIn de notitie mantelzorg “Krachtdadig ondersteunen” worden twaalf aanbevelingen gedaan om tot feitelijke ondersteuning te komen. Hieronder volgt hiervan een overzicht:1. Om de hulp en zorg door de familie te ondersteunen en overbelasting te voorkomen is een ruimhartige interpretatie van het begrip “gebruikelijke zorg” als preventie en als een steun in de rug voor hen die deze gebruikelijke zorg leveren, nodig.2. De bijzondere aandacht van het Steunpunt Mantelzorg voor de “verborgen” groep mantelzorgers, het overnemen van regeltaken, het verruimen van de mogelijkheden van respijtzorg en het bereiken van de specifieke doelgroepen dient breed ondersteund te worden.3. Afstemming van voorlichting, advisering en begeleiding van de mantelzorgers met alle relevante partijen zoals het Steunpunt mantelzorg, ouderenwerkers, ouderenadviseurs, WWZ-coördinatoren, zorgconsulenten etc. blijft een punt van aandacht.4. Zorg ervoor dat in het te realiseren Wmo-loket mantelzorg in de systeembenadering zit.5. De gemeente bevordert de onderlinge samenwerking tussen het Steunpunt Mantelzorg Land van Cuijk, de steunpunten voor vrijwilligerswerk en andere betrokken partijen, zowel vrijwilligersorganisaties als professionals in zorg en welzijn.6. Mantelzorg dient vertegenwoordigd te blijven in de Wmo-advies- c.q. participatieraden7. Bij de indicatiestelling wordt rekening gehouden met de inbreng van de mantelzorger.8. Mantelzorgers dienen actief gewezen/geïnformeerd te worden over de mogelijkheden voor het aanpassen van de woning.9. De mogelijkheden voor het lenen van materialen zoals ziekenhuisbedden etc, moeten beter bekend worden gemaakt bij de mantelzorger en deze voorzieningen moeten snel ingezet kunnen worden.10. Onderzoek hoe de wenselijkheid van mantelzorg zich verhoudt tot het beginsel van economische zelfredzaamheid en welke afstemming nodig is. Tref daarbij ook voorzieningen voor het parttime bijhouden of verwerven van arbeidsmarktgerichte competenties tijdens een periode van mantelzorg. Overweeg eventueel ontheffing van de sollicitatieplicht als iemand mantelzorg verleent.11. Ter voorkoming van overbelasting van de mantelzorger en mensen die gebruikelijke zorg leveren dient het steunpunt Mantelzorg samen met betrokken professionele zorgaanbieders en zorg gerelateerde vrijwilligers te beschikken over een adequaat systeem voor het registreren van signalen uit de omgeving van degene die zorg ontvangt, zoals kinderen, ouders, partner en overige familieleden of vrienden). Hierbij wordt rekening gehouden met regels die in het kader van privacy gelden.12. In het belang van de mantelzorg wordt het beleid van het Steunpunt Mantelzorg om voldoende mogelijkheden voor respijtzorg voor de regio te realiseren onderschreven.

Met wie werken we samen in het kader van de mantelzorgondersteuning?In het Land van Cuijk is het Steunpunt Mantelzorg actief. Het betreft een samenwerkingsverband van Pantein Verpleging en Verzorging, GGZ Centrum Land van Cuijk, Regionale Stichtingen Welzijn Ouderen Land van Cuijk, MEE, Dichterbij, Praktische Thuishulp Brabant Noordoost, Stichting Thuiszorg Brabant Noordoost. Het Steunpunt Mantelzorg Land van Cuijk is vertegenwoordigd in het Platform Belangenbehartiging Mantelzorg Noordoost-Brabant. Daarnaast zijn in onze gemeente vrijwilligersorganisaties actief op het terrein van mantelzorgondersteuning zoals het Rode Kruis en de Zonnebloem. Ook individuele mantelzorginitiatieven dragen hun steentje bij aan een breed ondersteuningsaanbod op dit terrein.

Welke middelen zijn nodig in het kader van de mantelzorg?De gemeente Boxmeer ondersteunt in financiële zin het Steunpunt Mantelzorg in haar regionale functie en activiteiten. In 2008 zijn er aanvullende mogelijkheden geboden voor het Steunpunt Mantelzorg om extra ondersteuning te bieden aan de doelgroep. De gemeente Boxmeer heeft eveneens mogelijkheden geboden aan initiatiefnemers om bijzondere mantelzorgprojecten financieel te ondersteunen in de gemeente. Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende (verzamelposten) in de begroting 2008 gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Aandeel Boxmeer in het Steunpunt Mantelzorg € 41.000,--Initiatieven mantelzorg € 34.000,--Aandeel Boxmeer in Praktische thuishulp € 16.694,--Aandeel Boxmeer in project vriendendienst GGZ € 13.650,--Stichting Voor en Door € 4.140,--Coördinatie activerend huisbezoek en ouderenoppas € 28.842,-- 6.4.2. Vrijwilligersbeleid

Hoe staan we er nu voor in het kader van het vrijwilligersbeleid?

Vrijwilligers vervullen in onze gemeente met haar elf dorpskernen een belangrijke rol. De betrokkenheid van de inwoners bij de eigen leefomgeving is groot. Inwoners zijn bereid zich in te zetten voor elkaar en voor de gemeenschap. Dit zorgt ervoor dat Boxmeer een gemeente is waar het prettig wonen is. Er is een bloeiend verenigingsleven en er worden talloze activiteiten georganiseerd die de gelegenheid bieden elkaar te ontmoeten. Vrijwilligers spelen hierin een belangrijke rol. Zonder de vrijwilligers zou de sociale infrastructuur als een kaartenhuis in elkaar storten. Vrijwilligers vormen de onmisbare schakel.

In de gemeente Boxmeer gaat het om ruim 14.000 personen die zich inzetten om dit prettige leefklimaat in stand te houden. Als gemeente willen we deze vrijwilligers zoveel mogelijk ondersteunen zodat zij zich ook in de toekomst willen blijven inzetten voor de gemeenschap. Het uiteindelijke doel van het Boxmeerse vrijwilligersbeleid is de positie van het vrijwilligerswerk te versterken door vrijwilligers te ondersteunen en te stimuleren. Dat willen wij doen op basis van wensen en knelpunten en aanbevelingen vanuit het vrijwilligerswerk zelf. De beleidsnotitie “De onmisbare schakel” heeft daarvoor de basis gelegd.

Vrijwilligerswerk is van groot belang voor de gemeenschap, de gemeente Boxmeer en de vrijwilligers zelf. De gemeenschap vaart wel bij een actief verenigingsleven en bij mensen die zich inzetten voor elkaar. Vrijwilligers leveren een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid in de kernen en voor vrijwilligers zelf kan het werk bijdragen aan een nuttige vrijetijdsbesteding, ontmoeting met anderen en zelfontplooiing.

Tot nu toe worden vrijwilligers op diverse manieren vanuit diverse terreinen van het gemeentelijk beleid ondersteund, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van accommodaties of subsidies. De gemeentelijke bemoeienis met vrijwilligerswerk is echter in de loop der jaren met stukjes en beetjes ontstaan. Er was behoefte aan een samenhangend vrijwilligersbeleid waarin het vrijwilligerswerk vanuit een breed kader wordt belicht. Een beleid dat erop is gericht knelpunten op te lossen waarmee de waardering vanuit de gemeente voor vrijwilligerswerk het beste tot uitdrukking zou komen. Vanuit die gedachte is de beleidsnotitie “De onmisbare schakel” op 9 februari 2006 door de gemeenteraad van Boxmeer vastgesteld. De nota heeft betrekking op vrijwilligers in zowel georganiseerd als ongeorganiseerd verband.

Waar willen we naartoe in het kader van het vrijwilligersbeleid?In de notitie worden een aantal aanbevelingen gedaan waarmee vorm en inhoud gegeven kan worden aan het vrijwilligersbeleid in de gemeente Boxmeer. Deze zijn totstandgekomen op basis van de resultaten van de bijeenkomsten met klankbordgroep vrijwilligersbeleid en de bijeenkomst met het vrijwillig jeugd- en jongerenwerk (lagerhuisdiscussie) en algemeen gesignaleerde trends in vrijwilligerswerk en literatuurstudie. In 2006 is gestart met de uitvoering van deze aanbevelingen. Daartoe is een actieplan opgesteld.

Aanbevelingen voor ondersteuning vrijwilligersIn de nota lokaal vrijwilligersbeleid “De onmisbare schakel” worden zeven aanbevelingen gedaan om tot feitelijke ondersteuning te komen. Deze aanbevelingen zijn inmiddels allemaal nader vorm gegeven. Hieronder volgt hiervan een overzicht:

1. De klankbordgroep vrijwilligersbeleid heeft zich unaniem uitgesproken voor het instellen van een vrijwilligerssteunpunt als eerste prioriteit van het vrijwilligersbeleid. Een steunpunt met een brede functie. Het steunpunt wordt bemand door een professional, bijgestaan door vrijwilligers. Het steunpunt wordt door een vrijwilligersplatform aangestuurd, zodat vraag (vanuit vrijwilligers) en aanbod (vanuit het vrijwilligerssteunpunt) kunnen worden bijgesteld op basis van ontwikkelingen. Als uitvoeringspunt is inmiddels gekozen voor de bibliotheek. 2. Procedures nemen vaak veel tijd in beslag en het is voor vrijwilligers vaak niet duidelijk wanneer uitsluitsel of beantwoording van vragen gaat plaatsvinden. Met het benoemen van een coördinerend ambtenaar zouden deze problemen deels kunnen worden ondervangen. Dit geldt met name wanneer er sprake is van complexe evenementen, waarbij diverse afdelingen van de gemeente betrokken zijn. De coördinerend ambtenaar kan de organisaties wegwijs maken en de afstemming tussen gemeente en organisaties verbeteren. Ook kan deze persoon zorgdragen voor de interne afstemming van de betrokken afdelingen binnen de gemeente. De functie is te vergelijken met de rol van de huidige coördinator wijk- en dorpsraden.3. Met betrekking tot accommodaties ervaren veel vrijwilligersorganisaties knelpunten in de sfeer van beheer. Het beheer kost veel tijd en inzet en er is in sommige gevallen gebrek aan financiële middelen. Daarnaast bestaat er onvrede met de verschillen in huurtarieven en de verschillen in subsidies per accommodatie. Op dit moment worden de problemen met betrekking tot accommodaties in beeld gebracht. De door de vrijwilligersorganisaties aangegeven knelpunten worden hierin meegenomen. Aan de hand van de probleemanalyse accommodaties zullen voorstellen voor oplossingen worden geformuleerd, gekoppeld aan een uitvoeringsplanning.4. Voor een vereniging is minimaal het hebben van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering (WA) noodzakelijk. Daarnaast is het nuttig om een ongevallenverzekering en een aansprakelijkheidsverzekering voor bestuurders te overwegen. Er bestaat bij verenigingen vaak onduidelijkheid en onzekerheid over het wel of niet aanwezig en noodzakelijk zijn van verzekeringen en of deze verzekering de mogelijke risico’s voldoende ondervangt. Daarom is het nodig om meer aandacht aan het informeren van verenigingen te besteden. Tevens wordt voorgesteld een checklist te (laten) maken aan de hand waarvan iedere vereniging kan nagaan of men afdoende verzekerd is. Bekeken zal worden of het financieel haalbaar is om voor meerdere organisaties een collectieve verzekering af te sluiten. Hierbij wordt vooral gedacht aan een collectieve verzekering voor die verenigingen die niet via bonden of andere koepels al goed verzekerd zijn.5. Het gemeentelijk vergunningenbeleid is niet altijd ‘vrijwilligersvriendelijk’. Soms kost het de vrijwilliger veel tijd en moeite om een vergunning te krijgen. Daarnaast ervaren veel organisaties het betalen van leges voor vergunningen voor bijvoorbeeld evenementen, als ontmoedigend en nodeloos duur. In het kader van een stimulerend vrijwilligersbeleid dienen daarom zullen de regels gescreend te worden op duidelijkheid, noodzaak, wenselijkheid en kosten. Om het beleid voor de verenigingen en organisaties wat ‘vrijwilligersvriendelijker’ te maken, kan worden onderzocht of het mogelijk is voor vrijwilligersorganisaties die volgens hun statuten ideële doelstellingen hebben, voor bepaalde activiteiten geen kosten meer aan de vergunningverlening te verbinden. 6. Tijdens de bijeenkomsten met de klankbordgroep is aangegeven dat men meer tijd had willen hebben om vanuit het vrijwilligerswerk zelf vorm en inhoud te geven aan het vrijwilligersbeleid van de gemeente Boxmeer. De bijeenkomsten met de klankbordgroep worden om die reden voortgezet en op basis van de inbreng van het vrijwilligerswerk wordt het beleid verankerd en verder uitgediept. Tegelijkertijd kan de klankbordgroep adviseren inzake de uitvoering van de in de nota opgenomen beleidsaanbevelingen en toezien op correcte uitvoering. Het doel van de bijeenkomsten met de klankbordgroep is het vrijwilligerswerk te versterken en te stimuleren. Naast de opgenomen aanbevelingen kunnen vanuit de klankbordgroep op basis van ontwikkelingen, nieuwe aanbevelingen worden geformuleerd. 7. Nagegaan is of in het kader van de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB) een cursusaanbod ontwikkeld kon worden op bijvoorbeeld het gebied van kadervorming. Een voordeel van een dergelijk aanbod is dat uitvoering van het onderwijsaanbod dicht bij huis kan plaatsvinden.

Met wie werken we samen in het kader van het vrijwilligersbeleid?

Deze sector kent zeer veel verschillende organisaties waarin veel vrijwilligers actief zijn. De ouderenorganisatie SWOGB draagt met vrijwilligers zorg voor een maaltijdvoorziening en heeft vrijwillige ouderenbezoekers. Er zijn vrijwilligers actief bij onder andere het Maasziekenhuis, Pantein, het Rode Kruis, Zonnebloem, het Platform Gehandicapten Boxmeer, de verschillende parochies, Stichting MEE en er zijn vrijwilligers verbonden aan de welzijnsorganisatie Radius. Daarnaast zijn er de mantelzorgers en de informele hulpverleners die een zeer belangrijk aandeel leveren in de totale hulp- en dienstverlening.

Bijna in elke dorpskern zijn er diverse sportverenigingen actief, zoals voetbal-, tennis- en ruiterverenigingen, volleybalclubs, gym- en biljartclubs, etc. Deze verenigingen worden vrijwel allemaal geheel gerund door vrijwilligers, voor zowel bestuurstaken als beheers- en kantinetaken. De gemeente ondersteunt veel van deze clubs door middel van sportvoorzieningen (bijvoorbeeld accommodaties als sporthallen en buurthuizen) en subsidies. In het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning is te verwachten dat met name op de vrijwilligers in deze sector in de komende jaren een groter beroep zal worden gedaan.

Vrijwilligers zijn actief bij scholen, als voorlees-, luizen-, overblijf- en poetsouder, maar ook als lid van de ouderraad. Bij de bibliotheek zijn vrijwilligers actief, ondermeer als bestuurslid. Voorts zijn er mensen als bestuurslid actief bij de Volksuniversiteit, Radius, peuterspeelzalen, toneelclubs, zangverenigingen en harmonieën en fanfarekorpsen. Er is in Boxmeer een Werkgroep Kunstadvisering waarin vrijwilligers zitting hebben en die het college gevraagd en ongevraagd adviseert inzake kunst in de openbare ruimte. Bij fondsenwervende activiteiten, zoals het ophalen van oud papier of oud ijzer, de verkoop van kaarten en het organiseren van evenementen zetten veel vrijwilligers zich in. Daarnaast zijn er vele vrijwilligers actief in organisaties die zich bezighouden met volkscultuur zoals carnavalsverenigingen en oranjecomités. Deze verenigingen organiseren vaak laagdrempelige festiviteiten die toegankelijk zijn voor de hele gemeenschap (carnavalsoptochten, koninginnedagfeesten, gildefeesten).

Er zijn vrijwilligers actief bij het open jongerenwerk, Scouting Nederland, Jong Nederland, kindervakantiewerk en de diverse jeugdbewegingen binnen de dorpen. Er zijn vrijwilligers in de begeleidende zin bezig bij de jeugdhuizen (o.a.. De Box, Mannekino). Ook de besturen van deze organisaties bestaan uit vrijwilligers. In iedere dorpskern is een Katholieke Bond voor Ouderen (KBO) aanwezig waar vrijwilligers als bestuurslid en organisator van activiteiten bij betrokken zijn. Alleen Groeningen en Vierlingsbeek hebben een gezamenlijke KBO. De gemeente Boxmeer een heeft een zeer actief ouderwerk in de vorm van de SWOGB. En de Seniorenraad geeft de gemeente gevraagd en ongevraagd advies op het gebied van het ouderenbeleid en ouderenwerk. Vrijwilligers zijn actief bij de gemeenschapshuizen waarbij de nadruk vooral op beheerswerkzaamheden ligt.

Er zijn vrijwilligers werkzaam op het gebied van voorlichting en natuurbehoud zoals bij het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN), Milieuvereniging Land van Cuijk en diverse imkers- en vogelwerkgroepen. Er zijn vrijwilligers werkzaam bij onder andere het zending- en missiewerk en bij de Stichting Ontwikkelingssamenwerking. Ook de Wereldwinkel draait volledig door de inzet van vrijwilligers. De nadruk ligt enerzijds op voorlichting en bewustwording en anderzijds op fondsenwerving. In de gemeente is een werkgroep actief die vluchtelingen en nieuwkomers opvangt en begeleidt om zelfstandig te kunnen functioneren in de Boxmeerse samenleving. Vrijwilligers zijn ook actief in de diverse politieke partijen, men heeft zitting in het bestuur en er worden themabijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast bestaan de voor de gemeente belangrijke wijk- en dorpsraden ook uit vrijwilligers. Tevens zijn vrijwilligers actief in buurtverenigingen, belangengroeperingen, vakbonden etc. Ook in kerk- en geloofsgemeenschappen zijn vrijwilligers actief in bestuurs- (kerkenraad) en begeleidende functies en in praktische zaken zoals het onderhoud van het kerkgebouw of gebedshuis.

Professionele ondersteuningDe medewerkers van de welzijnsorganisatie Radius ondersteunen en adviseren ouderenorganisaties, zelforganisaties, jeugd- en jongerenorganisaties en wijk- en dorpsraden zodanig dat deze organisaties in staat zijn zelfstandig hun activiteiten en taken uit te voeren. Ook op incidentele basis kunnen organisaties bij Radius ondersteuning en advies aanvragen. In sommige sectoren kunnen vrijwilligers ondersteund worden door regionale, provinciale en landelijke instellingen, zoals Steunpunt Mantelzorg Land van Cuijk, Prisma Brabant, het Brabants Steunpunt Jeugdwelzijn en de Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV). Daarnaast zijn er diverse koepelorganisaties die los van het gemeentelijk beleid ondersteuning bieden. Voorbeelden zijn de ouderenbonden, sportbonden, vrouwenorganisaties, scouting, Zonnebloem en het Rode Kruis.

Welke middelen zijn nodig in het kader van het vrijwilligersbeleid?Vanaf 2007 is in de meerjarenbegroting jaarlijks een bedrag begroot. Dit bedrag wordt structureel ingezet ten behoeve van het gerealiseerde vrijwilligerssteunpunt in de plaatselijke bibliotheek. Natuurlijk ligt hier in financiële zin ook een verband met de subsidiëring van de vele vrijwilligersorganisaties zoals genoemd in de bijdragen in het kader van leefbaarheid en sociale samenhang.

 

De bijdrage aan het steunpunt vrijwilligers kan op basis van de begroting 2008 rechtstreeks gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Steunpunt Vrijwillligers Boxmeer € 25.000,--

6.5. Deelname maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren

Prestatieveld 5: Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

In het vijfde prestatieveld wordt gedoeld op algemene maatregelen die, zonder dat men zich tot de gemeente behoeft te wenden, ten goede kunnen komen aan een ieder die daaraan behoefte heeft. In die zin behoeft de maatregel dus niet bij uitsluiting gericht te zijn op mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. Het is wel belangrijk dat er bij het nadenken over deze maatregelen nagedacht is over het gebruik door deze groepen, zodat niet achteraf blijkt dat zij bij het gebruik daarvan buiten de boot vallen. Bij dit prestatieveld komen verschillende doelgroepen nadrukkelijk in beeld, kwetsbare ouderen, mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen, mensen met chronische psychische en psychiatrische problemen en mensen met psychosociale problemen. Voor deze mensen is het vaak moeilijk om zelfstandig te functioneren en volwaardig deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Kernvraag is op welke wijze we deze inwoners kunnen helpen hun talenten te benutten en te voorkomen dat zij in een sociaal isolement raken.

Hoe staan we er nu voor?Steeds meer mensen met beperkingen blijven (langer) wonen in hun eigen wijk of dorp. Om zelfstandig te kunnen blijven zijn allerlei vormen van ondersteuning nodig op het gebied van wonen, (informele)zorg, welzijn en dienstverlening. Deze ontwikkeling wordt vooral veroorzaakt door: • Sterke groei van het aantal ouderen • Dubbele vergrijzing: ook de meest zorgbehoevende groep (75+) neemt toe • Vermaatschappelijking van de zorg (van intramuraal naar extramuraal)

We beginnen niet vanuit het niets. Ten aanzien van de groep (kwetsbare) ouderen is in de loop der jaren al beleid ontwikkeld. Op basis daarvan is op veel fronten een passend en effectief aanbod tot stand gekomen dat er toe leidt dat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen en minder snel in een sociaal isolement terecht komen. Te denken valt aan het op 28 april 2005 door de gemeenteraad vastgestelde beleidskader ouderenbeleid. Maar ook de jaarlijkse maatregelen in het kader van Inclusief Beleid (BTB-toegankelijkheid) waardoor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van voorzieningen en accommodaties in de gemeente worden vergroot. Ouderen kunnen gebruik maken van een collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem (Taxihopper) wat de gemeente Boxmeer in samenwerking met andere gemeenten in de regio Brabant-Noordoost en de Provincie aanbiedt voor alle burgers. Het vervoerssysteem is daarnaast zeer geschikt voor mensen met beperkingen. In de gemeente is specifiek vervoer voor bewoners van intramurale instellingen beschikbaar. Dit vervoer wordt vaak gecombineerd met het vervoer naar dagactiviteiten voor inwoners die hiervoor in aanmerking komen. Ondersteuning van de rijvaardigheid en verkeersveiligheid voor ouderen vindt reeds enkele jaren plaats via het zogenaamde Broemproject. Het Metusa-project (Met u samen) haakt in op de groeiende eenzaamheid onder ouderen. Om eenzaamheid en sociaal isolement te voorkomen worden voor een geselecteerde groep ouderen nieuwe sociale contacten gestimuleerd. Ouderen krijgen laagdrempelig informatie, advies en ondersteuning via de vrijwillige ouderenadviseurs of zonodig via de professionele wwz-coördinator. Met preventieve huisbezoeken worden ouderen bereikt die niet van de reguliere kanalen gebruik maken. Daarnaast zijn er diverse activiteiten gericht op ontmoeting, ontspanning en activering. Om goed te kunnen functioneren zijn daarnaast de individuele verstrekkingen zoals huishoudelijke verzorging, woningaanpassingen en vervoersfaciliteiten (zie prestatieveld 6) onontbeerlijk.

Waar willen we naartoe?Door de toenemende vergrijzing zal de omvang van de groep verder toenemen. De verwachting is dat de vraag naar maatschappelijke ondersteuning en zorg zal toenemen. Via o.a. de jaarlijkse Wmo-evaluatie houden we deze ontwikkeling in de gaten en doen we zonodig voorstellen voor aanpassingen of nieuw beleid.

Ontwikkelingen vervoerBegin 2007 besloot de provincie Noord-Brabant pilots op te starten om de mogelijkheden voor gratis openbaar vervoer in de regio te onderzoeken. Inmiddels hebben Provinciale Staten voorgesteld om de pilots voor gratis en goedkoop openbaar vervoer te verbreden tot de hele provincie. Gedeputeerde Staten (GS) hebben een voorstel in die richting voorgelegd aan de commissie economie, mobiliteit en grotestedenbeleid (EMG). Voor de pilots is een bedrag van 28 miljoen euro beschikbaar. Gedeputeerde Staten wil hiermee de mogelijkheden in beeld brengen voor gratis openbaar vervoer voor doelgroepen (ouderen, jongeren) en gefaseerde invoering van een vast laag tarief voor alle provinciale Brabants openbaar vervoer. Deze mogelijkheden worden in een pilot van maximaal 18 maanden in de praktijk gebracht. De resultaten van deze pilots worden in 2009 verwacht. Gedeputeerde Staten bezien dan ook wat succes van de pilot betekent, als dit wordt omgezet in vast beleid. De uitkomsten van de pilot kunnen mogelijk een positief effect hebben op de openbaar vervoermogelijkheden in de regio. Het plan sluit aan bij de tendens om huidige vervoersmogelijkheden beter te benutten. De beheersorganisatie van Taxihopper voor de 14 gemeenten in de regio is in samenwerking met de provincie actief in het zoeken naar mogelijkheden om tot bundeling van doelgroepenvervoer te komen. Dit om bestaande vervoerssystemen efficiënter in te zetten. Het mes snijdt dan aan twee kanten: De reiziger kan beter worden bediend en de kosten van de afzonderlijke systemen gaan omlaag. In de komende jaren zal meer duidelijkheid komen over de extra mogelijkheden die (OV)vervoerssystemen in onze regio te bieden hebben. Ook voor de leefbaarheid in de kleine kernen is een goed systeem van openbaar vervoer essentieel.

Verstandelijk gehandicaptenDe doelgroep gehandicapten bestaat uit mensen met een lichamelijke en verstandelijke handicap. Tot nu toe investeren we in beperkte mate vooral in de eerste groep: in belangenbehartiging (Platform Gehandicapten Boxmeer) en in de toegankelijkheid van gebouwen en openbare ruimte. Mensen met een verstandelijke handicap zijn tot nu toe niet of nauwelijks onderwerp van gemeentelijk beleid geweest. Zij waren eigenlijk niet in beeld. Er is contact geweest met direct betrokken organisaties ((MEE, Vereniging van ouders van geestelijke gehandicapten VOGG). Deze eerste verkenningen vormen een belangrijke basis voor nader onderzoek. In 2008 wordt de specifieke problematiek/vraag en de wensen en behoeften van mensen met een verstandelijke beperking verder in beeld gebracht. Daarna kan een passende match tussen vraag en aanbod tot stand worden gebracht en vermoedelijk in 2009 (nieuw) beleid worden ontwikkeld.

Geestelijke gezondheidszorgPersonen met chronische psychische of psychosociale problemen zijn, evenals verstandelijk gehandicapten, nauwelijks onderwerp van gemeentelijk beleid geweest. De instelling voor geestelijke gezondheidszorg heeft een scala aan activiteiten om de participatie van (ex)cliënten te bevorderen (vriendendiensten, maatjesprojecten, cliëntondersteuning). In 2007 en voor 2008 heeft de gemeente via subsidies aan GGZ-Land van Cuijk en Stichting Door en Voor zelf ook een aantal activiteiten ondersteund. De gemeente gaat in 2008 en 2009 in overleg met GGZ en Stichting “Door en Voor” haar opdrachtformulering in het kader van de subsidieverlening nadrukkelijker omschrijven waardoor een betere afstemming op de wensen en behoeften voor deze specifieke doelgroep mogelijk is.

Activerend huisbezoek en ouderenoppasDeze activiteiten werden vóór 1 januari 2007 in het kader van de Coördinatie Vrijwillige Thuiszorg en Mantelzorg (CVTM) via het Zorgkantoor bekostigd. Vanaf 1 januari 2007 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de zogenaamde CVTM-middelen. In het kader van een goede continuïteit zijn met instellingen en organisaties die in dit kader middelen ontvingen via het Zorgkantoor overgangsafspraken gemaakt voor 2007 en 2008. De beschikbare middelen voor deze organisaties zijn ook voor 2008 toegekend. In de loop van 2008 en 2009 zal nadere beoordeling volgen over de inzet ten aanzien van deze activiteiten. De welzijnsorganisatie Radius ontvangt ten behoeve van de coördinatie van het activerend huisbezoek en ouderenoppas een subsidie. De uitvoering is in Boxmeer in handen van de SWOGB.

Activerend huisbezoek, is bedoeld voor 50 plussers die u een steuntje in de rug nodig hebben om het heft weer zelf in handen te nemen. Activerend huisbezoek kan mensen helpen de draad weer op te pakken, weer initiatief te nemen. Er is iemand die luistert en even meedenkt. Mensen krijgen een vaste vrijwilliger, die speciaal opgeleid is voor activerend huisbezoek. Deze persoon helpt weer mensen weer op weg zodat ze zelf weer verder kunnen. Door gesprekken met de vrijwilliger probeert deze meer zicht te krijgen op de individuele wensen en mogelijkheden. Samen met de vrijwilliger worden stappen ondernomen om de situatie te verbeteren. Wanneer hulvragers weer zelf verder kunnen, worden de huisbezoeken afgebouwd. Activerend huisbezoek wordt vaak ingezet bij:• overlijden van partner, kind of vrienden• verhuizing (zelf, familie of vrienden)• achteruitgang in de gezondheid en daardoor ook vaak moeilijk ter been• door samenloop van omstandigheden uit het evenwicht raken

Ouderenoppas: Vaak is een mantelzorger (partner of familielid) overbelast met de zorg van een zieke of dementerend gezinslid. Om die zorg te kunnen blijven verrichten is het voor de mantelzorger van groot belang dat hij/zij zo nu en dan de handen vrij heeft om even iets anders te doen. Een moment zonder zorgen omdat hij/zij weet dat het gezinslid thuis in goede handen is. Daarnaast zijn er steeds meer alleenstaande, zelfstandig wonende ouderen zonder kinderen of familie in de buurt waarvoor het belangrijk is dat zij een uurtje in de week gezelschap krijgen zodat zij niet in een sociaal isolement vervallen. De ouderenoppasdienst heeft vrijwilligers die bereid zijn bij een oudere aanwezig te zijn. Met taken als samen wat praten en luisteren naar elkaar, een spelletje doen of de krant voorlezen en afhankelijk van de mogelijkheden van de oudere, een wandelingetje maken worden individuele situaties ontlast of deelname aan het maatschappelijk verkeer bevorderd.

Pilot: Thuishuis voor eenzame ouderenWoonmaatschappij Maasland heeft in het kader van haar maatschappelijk ondernemerschap “Thuis in Welzijn” een haalbaarheidsonderzoek verricht naar het opzetten van een Thuishuis voor alleenstaande ouderen als pilotproject in de gemeente Boxmeer. De gemeente Boxmeer is blij met nieuwe initiatieven in de combinatie wonen en welzijn voor Boxmeer. Met een korte beschrijving van deze pilot bieden wij u een voorbeeld van initiatieven op het terrein van ondersteuning om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven functioneren.

Het Thuishuis is een gewoon huis in de straat waar circa 5 personen uit de doelgroep “alleenstaande ouderen” met elkaar onder één dak wonen. Het betreft ouderen die niet alleen willen wonen of dreigen te vereenzamen. Initiatiefnemer van het pilotproject is Woonmaatschappij Maasland.

De bewoners van het Thuishuis worden, indien nodig, ondersteund door deze vrijwilligers. De vrijwilligers sluiten met hun aanbod aan op de wensen en behoeften van de bewoners. Op dit moment staat nog niet vast waar er een Thuishuis komt in Boxmeer. Het Thuishuisconcept past goed binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning. De visie van deze wet gaat uit van een grote eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zichzelf en voor de mensen om hem heen. Is de burger niet in staat om zelf, of met behulp van de mensen in het eigen sociale netwerk of eigen leefomgeving zijn participatie te regelen, dan springt de gemeente in. De gemeente kan aanvullende voorzieningen aanreiken om er voor te zorgen dat burgers zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven meedoen. De bewoners van het Thuishuis kunnen, net zoals de andere bewoners uit de buurt een beroep doen op professionele zorg-en dienstverlening.

IntegraliteitPrestatieveld 5 heeft een directe relatie met prestatieveld 1, Sociale samenhang en leefbaarheid strekt zich immers uit tot álle inwoners van een wijk of dorp.Vermaatschappelijking van de zorg is méér dan dat kwetsbare groepen in een wijk of dorp kunnen (blijven) wonen. Zo’n proces vergt inspanningen van meerdere kanten. De wijk of het dorp, haar bewoners en de aanwezige voorzieningen zullen mee moeten veranderen om ruimte te bieden aan “mensen met beperkingen”. Die dienen op hun beurt zelf stappen te ondernemen, eventueel met ondersteuning van professionele instellingen. Uiteraard zijn “mensen met beperkingen’ vaak aangewezen op individuele verstrekkingen en voorzieningen op het gebied van woningaanpassing en vervoer. Daarom zijn onze ambities t.a.v. participatie en meedoen onlosmakelijk verbonden met de ambities in prestatieveld 6.

Met wie werken we samen?In het kader van dit prestatieveld wordt nauw samengewerkt met de beheersorganisatie Taxihopper. Deze is verantwoordelijk voor een adequate uitvoering van het vervoerssysteem. Hiervoor is regelmatig overleg met de vervoerder (Connexxion) noodzakelijk. De Provincie Noord Brabant is eveneens betrokken. Dit als verantwoordelijke voor een goed en toegankelijk het openbaar vervoer in de regio. Het Platform Gehandicapten Boxmeer is met name betrokken bij de te stellen prioriteiten rondom het Inclusief Beleid. Daarnaast vervullen zij een rol in de lokale Wmo-adviesraad. De MEE-organisatie zal als deskundige op het gebied van ondersteuning ten behoeve van (verstandelijk) gehandicapten nadrukkelijker in beeld komen in relatie tot de één-loketgedachte. Ook met specifieke organisaties als GGZ in samenwerking met Stichting Door en Voor zal naar mogelijkheden gezocht worden om de doegroep (ex) GGZ-ers te blijven betrekken bij onze samenleving. De Thuishuispilot vraagt verdere afstemming met initiatiefnemer Woonmaatschappij Maasland. Natuurlijk is er regelmatig contact met de wijk-en dorpsraden om elkaar op de hoogte te houden en zo gewenst te spreken over alle plannen en nieuwe ontwikkelingen in de gemeente.

Welke middelen zijn hier voor nodig?Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende (verzamelposten) in de begroting 2008 gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Aandeel Boxmeer in de Taxihopperregio € 125.000,--Bijdrage vervoersproject AWBZ-instelling € 21.680,--Stichting Voor en Door € 4.140,--Activiteitenbudget activerend huisbezoek en ouderenoppas € 6.300,-- Activiteiten (VTV) voor mensen met een beperking € 6.070,--Sociale alarmering € 12.400,-- 6.6. Het treffen van voorzieningenPrestatieveld 6: Het treffen van voorzieningen voor mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en voor mensen met een psychosociaal probleem voor het behouden en bevorderen van hun zelfstandig functioneren en/of hun deelname aan de maatschappij;

Het zesde prestatieveld betreft de verstrekking van specifieke, op de persoon toegesneden voorzieningen. Voor de hand liggende vormen zijn woonvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, hulp bij het huishouden maar ook begeleiding bij zelfstandig wonen, dagbesteding voor ouderen, maaltijdvoorziening, sociale alarmering, klussendiensten, algemeen maatschappelijk werk of vormen van psychosociale hulpverlening. De voorbereidingen voor dit prestatieveld zijn in 2007 in gang gezet. In september heeft de raad de Wmo-verordening vastgesteld. Het college heeft in de maand november een besluit genomen ten aanzien van de nadere beleidsregels en de financiële paragraaf voor de Wmo-voorzieningen. Hiermee voldoet de gemeente aan een van de wettelijk nieuwe taken van de Wmo. Voor de klanten is de overgang vrij geruisloos verlopen. Dit prestatieveld richt zich op individuele verstrekkingen aan burgers die essentieel zijn voor het persoonlijk fysiek functioneren. Dit zijn vaak oudere mensen met een beperking. De noodzaak wordt veelal medisch getoetst (geïndiceerd). Deze voorzieningen stellen burgers in staat om op een goed niveau te kunnen participeren in de samenleving en voorkomen dat er minder snel een beroep wordt gedaan op de intramurale voorzieningen.

Hoe staan we er nu voor?

De gemeente heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een compensatieplicht. Dit houdt in dat de gemeente aan mensen met beperkingen zodanige voorzieningen moet aanbieden, dat zij in staat zijn om ondanks die beperkingen deel te nemen aan het leven van alledag in en rond de thuissituatie. Deze verantwoordelijkheid doet op zich niets af aan de verantwoordelijkheid van burgers zelf om hun eigen leven in te richten. Ook doet deze verantwoordelijkheid niets af aan de verantwoordelijkheid die op grond van bijvoorbeeld regelgeving elders ligt. Bij het beantwoorden van een hulpvraag zijn gemeenten volgens de nieuwe wetgeving gehouden tot dubbele motivering van het besluit. Gemeenten moeten aangeven waarom zij al dan niet bepaalde voorzieningen verstrekken en daarnaast in hoeverre zij hebben getoetst dat de burger “in totaliteit”, dus met voorziening en overige omstandigheden, in staat is om zich in de thuissituatie te redden. Deze uitgangspunten zijn nieuw en daarmee nog niet volledig uitgekristalliseerd. Wat echter ook duidelijk is, is dat er geen plotselinge breuk met bestaande zorgarrangementen wordt beoogd door de wetgever. De wetgever heeft dan ook geen aanleiding gezien om de beschikbare budgetten uit te breiden hetzij te beperken. Er is weliswaar sprake van een nieuwe impuls aan de ontwikkeling van de gemeentelijke taak, maar tegelijkertijd van continuïteit tussen de oude en de nieuwe situatie. Ook onder de oude wetgeving bestond verandering en aanpassing aan veranderende omstandigheden.

Waar willen we naartoe?De uitgangspunten bij het verlenen van voorzieningen voor mensen met beperkingen zijn verder uitgewerkt in 21 conclusies en beslispunten. De zogenaamde implementatienota Wmo is op 8 mei 2007 door het college en op 21 juni 2007 door de raad van de gemeente Boxmeer vastgesteld. De volgende afwegingen lagen hier onder andere aan ten grondslag:

Eigen verantwoordelijkheid vs. Verantwoordelijkheid van gemeenteZowel de oude als de nieuwe wetgeving stelt eisen aan de zelfredzaamheid van burgers. Veelal heeft dit de meest zichtbare vertaling op het financiële vlak. Een aanvrager betaalt op basis van inkomen een eigen bijdrage. Ook elders wordt er een beroep gedaan op de eigen verantwoorde-lijkheid van burgers. De wordingsgeschiedenis van de Wmo wijst duidelijk in de richting van subsidiariteit van de gemeentelijke hulpverlening. De gemeente faciliteert de zelfredzaamheid, maar dat komt aan bod als de mogelijkheden van de betrokkene zelf en in bredere zin van de maatschappij zijn uitgeput. Dit is een richtinggevend beginsel, dat niet verward moet worden met spijkerharde juridische regels over het wel of niet hebben van aanspraken. Er kunnen wel regels uit afgeleid worden, die vervolgens in een verordening vorm krijgen.

Eigen bijdragenOok de WVG en de AWBZ kenden een verhouding tot eigen draagkracht, hoewel minder principieel vormgegeven. Ook hier bestaat een continuïteit die geen gelijkheid is.Zowel de AWBZ als de Wvg kenden een systeem van eigen bijdragen. Voor de hulp bij het huishouden uit de oude AWBZ gold, dat de eigen bijdrage een zeer substantieel deel uitmaakte van de financieringsgrondslag. Circa 20% van de huishoudelijke hulp werd via eigen bijdragen gefinancierd. De Wvg leunde financieel veel minder zwaar op de eigen bijdragen. Dit lag in de orde van grootte van enkele procenten. In de Wvg was de eigen bijdrage meer een sturingsinstrument dan een financieringsbron. Het is goed en verstandig om degenen die dat kunnen, te laten bijdragen aan de kosten die voor hen gemaakt worden. Dit leidt tot een bewuster omgaan met voorzieningen en tot het evenwichtig verdelen van lasten. Besloten is om de eigen bijdragen te handhaven, alsmede de inkomensgrenzen.

De eigen bijdragen worden vanaf 1 januari 2007 door het CAK (Centraal Administratiekantoor) geadministreerd en geïnd, waarbij op die plek gewaakt wordt tegen ongewenste cumulatie van verschillende eigen bijdragen. Dit heeft geleid tot enkele technische aanpassingen op de vormgeving van eigen bijdragen, bijvoorbeeld door het verplicht hanteren van het bruto belastbaar inkomen als inkomensbegrip in plaats van het netto inkomen. Ook de communicatie met het CAK vraagt in deze extra aandacht en afstemming.

Primaat verhuizingOok onderdeel van de eigen verantwoordelijkheid is het uit de Wvg bekende “primaat van verhuizing”. Een verhuizing naar een geschikte woning heeft in principe voorrang boven het aanpassen van een ongeschikte woning. Van burgers mag verwacht worden dat zij voorzorg treffen om hun woonsituatie zo goed mogelijk af te stemmen op hun mogelijkheden en hun levensfase. De gemeenten faciliteren dit ook. In het Land van Cuijk hebben in de voorliggende perioden projecten gelopen waarin mensen werden uitgenodigd en ondersteund om hun woning “ouderenproof” te maken en zijn er projecten geweest rond het thema “mantelzorgwoning”. Deze uitgangspunten, voorzorgprincipe, primaat van verhuizing, zijn niet eenvoudig in regels te vangen. Veel is maatwerk en komt tot stand in een wisselwerking tussen de gemeente en de burger. Soms kom je tegen dat een aanvrager zelf al “het primaat van verhuisd zijn” heeft gehanteerd en met vooruitziende blik maatregelen heeft genomen om passende huisvesting te vinden. Dat is echter lang niet iedereen gegeven. Vaak ontbreekt zelfs voldoende passende woonruimte en kun je aan de afweging niet eens toekomen. Het primaat van verhuizing is daarmee eerder een “zachte waarde”, een uitgangspunt, dan een hard juridisch gegeven. Als uitgangspunt verdient het echter zeker zijn plaats. Het erin besloten appel op de burger en het appel aan de overheid en volkshuisvesters om te zorgen voor voldoende adequate woonruimte, staat hiermee rechtovereind.

Protocol gebruikelijke zorgBij de huishoudelijke verzorging speelt eveneens een voorzorgsbeginsel, dat zich echter niet alleen richt tot de aanvrager zelf, maar tot zijn huishouden. Dit beginsel dat is neergelegd in het protocol gebruikelijke zorg, geeft weer dat als een persoon binnen het huishouden niet meer voor het huishouden kan zorgdragen, andere personen die taken overnemen tenzij er omstandigheden zijn die dat verhinderen. Kort gezegd komt het erop neer dat ook van de echtgenoot verwacht mag worden dat hij stofzuigt, ook al heeft hij het huishoudelijk werk voordien altijd aan zijn vrouw overgelaten. Onder de regelgeving van de AWBZ is dit beginsel nader uitgewerkt in het protocol gebruikelijke zorg. Deze handreiking voor de uitvoering werd gehanteerd door het CIZ bij de indicatiestellingen. Nu de gemeente zelf de verantwoordelijkheid voor indicatiestelling draagt gaat zij het protocol gebruiken als vertrekpunt. Het protocol heeft hiermee meer de status van een richtlijn gekregen dan een regel.

IndicatiestellingOnder indicatiestelling in de Wmo verstaan we het integraal benaderen van de hulpvraag van een burger, door het verstrekken van algemene of individuele voorzieningen, omdat hij niet in staat is om zelf een probleem op te lossen. Dit is wezenlijk anders dan de toekenning van een “verzekerd recht”. De Wmo vraagt van gemeenten dan ook een dubbele motivering: waarom al dan niet een voorziening én is het probleem van de burger opgelost. Gemeenten zijn nadrukkelijk niet verplicht om externe indicaties te laten stellen voor individuele Wmo- voorzieningen, maar ontwikkeld zelf een oplossing. De mate waarin een beroep wordt gedaan op externe deskundigheid op dit terrein is in belangrijke mate afhankelijk van de inrichting van het loket. Met andere woorden welke expertise is ”in huis” beschikbaar. Op dit moment wordt in beperkte mate gebruik gemaakt van zogenaamde eigen indicaties (bij eenvoudige voorzieningen). De beschreven ontwikkelingen in prestatieveld 3 met betrekking tot de inrichting van het lokale loket spreken hier van een groeimodel voor de toekomst.

Extern adviseurVoor een evenwichtige situatie verdient het aanbeveling om over meerdere indicatiestellers te kunnen beschikken. Vooral in complexe situaties waar bezwaar- en beroep een rol speelt verdient de burger de kans om in een tweede instantie een frisse blik op het dossier te kunnen krijgen. In de praktijk zijn nu vier indicatiestellers actief in het Land van Cuijk. Ook ten aanzien van specifieke bouwkundige advisering bij Wmo-woonvoorzieningen wordt gebruik gemaakt van externe expertise.

De gemeente als inkoper van hulpmiddelenDeze oude en bekende Wvg-taak is onder de Wet maatschappelijke ondersteuning zoals gezegd als continuïteit overgenomen. Met uitzondering van het collectief vervoer (dat op een andere wijze is aanbesteed en in een groter samenwerkingsverband wordt vormgegeven), zijn de Wmo-hulpmiddelen vanaf 2008 opnieuw aanbesteed. Deze aanbesteding heeft geleid tot 3 geselecteerde aanbieders van hulpmiddelen voor de klanten in de gemeenten van het Land van Cuijk.

Omgaan met persoonsgebonden budgetHet persoonsgebonden budget (PGB) is voor wat betreft de hulpmiddelen een nieuw fenomeen. Dat het PGB moet worden aangeboden en wordt aangeboden is onomstreden. De hoogte van het PGB was wel een mogelijk punt van discussie. In de gemeente Boxmeer is er voor gekozen om de klant in alle vrijheid te laten kiezen voor deze optie. De hoogte is vastgesteld op 100% van de overeengekomen tarieven met de aanbieders van zorg en hulpmiddelen. De PGB-houder ervaart vaak de financiële verantwoording van zijn/haar PGB richting gemeente als belastend. Om aan deze (mogelijke) drempel tegemoet te komen kan de PGB-houder (gratis) gebruik maken van de ondersteunende diensten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De kosten van deze dienstverlening worden uit de gemeentelijke Wmo-middelen gedekt. Met betrekking tot de facilitering in ondersteunende dienstverlening wordt eveneens “maatwerk” verricht. De gemeente als inkoper van hulp bij het huishoudenDe Wmo geeft aan dat cliënten uit minimaal twee aanbieders een keuze moeten kunnen maken voor de zorg in natura. Het gaat hierbij om het aantal aanbieders en niet om het aantal contracten dat de gemeente afsluit. Ook van de zijde van de zorgvragers is aangegeven dat keuzevrijheid een belangrijk aspect is. Naast het verlenen van hulp bij het huishouden in natura zal deze voorziening ook als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget kunnen worden geleverd. Gezien het gegeven dat in de regio groepen wonen met een duidelijke eigen identiteit (mensen met diverse culturele achtergrond, verstandelijk en lichamelijk gehandicapten) is het belangrijk dat ook aan de behoefte van deze groepen kan worden voldaan. De aanbesteding voor hulp bij het huishouden vanaf 2008 heeft geleid tot 2 geselecteerde aanbieders van zorg voor de klanten in de gemeenten van het Land van Cuijk.

De invoering van de Wmo bood de gelegenheid om te kiezen voor een zeer taakgerichte functionele definitie of anders voor een combinatie van functionele en relatiegerichte definitie van hulp bij het huishouden. Het hulpaanbod wordt hiermee bij de tijd gebracht. Gemeenten bieden hulp aan in termen van het te bereiken resultaat i.p.v. in termen van de gebezigde financieringsstroom. De nadruk ligt dan op het zowel leveren van een dienst (het verrichten van huishoudelijk werk) als om de klant hierbij te betrekken (het bieden van ondersteuning op andere gebieden, signaleringsfunctie). Om inzicht te krijgen in de huishoudelijke werkzaamheden zijn de volgende vier categorieën hulp bij het huishouden vastgesteld:

Categorie A: Huishoudelijke werkzaamheden(alleen huishoudelijke hulp)  Veel cliënten hebben hulp nodig in de huishouding voor het schoonmaken(= stoffen, stofzuigen en de afwas) van het huis.

Categorie B: Huishoudelijke werkzaamheden aangevuld met lichte ondersteuning lichte tot zware schoonmaakwerkzaamheden; verzorging kleding en linnengoed( wassen, strijken); boodschappen doen voor dagelijks leven; broodmaaltijdverzorging/warme maaltijd

 

Categorie C: Huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met organisatie van het huishouden  Een deel van de cliënten heeft additionele hulp nodig bij het organiseren van het huishouden. Deze wordt vastgesteld op basis van de indicatiestelling en kunnen onder meer (tijdelijk) bestaan uit de volgende functies:• opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten• helpen met lichte vormen van zelfverzorging, niet zijnde persoonlijke verzorging• helpen met maaltijdbereiding• dagelijkse organisatie van het huishouden

Categorie D: Huishoudelijke werkzaamheden aangevuld met hulp bij een ontregeld huishouden in verband met een psychische stoornis: instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden eenvoudige psychosociale hulp en observatie

De laatste categorie is de meest zware vorm van lichte hulp. Deze komt slechts incidenteel voor en vereist zeer veel maatwerk. De te contracteren aanbieders moeten deze hulp kunnen bieden, maar in voorkomende gevallen moet de gemeente de mogelijkheid hebben om elders een passender aanbod te kunnen inkopen.

DoelgroepdifferentiatieVanuit het verleden is de situatie ontstaan dat enkele kleine aanbieders in zeer beperkte omvang voor een specifieke wijk of kern of een kleine doelgroep diensten aanbieden. Onder het regime van de AWBZ was dit geen enkel probleem. Bij de inkoop via aanbesteding is dit aspect ook overeind gehouden, de gemeente heeft er immers geen enkel belang bij om dit hele gerichte zorgaanbod te willen verhinderen. Eerder heeft het maatwerk dat geleverd wordt een toegevoegde waarde. In de gemeente Boxmeer zijn voor een beperkte specifieke doelgroep aanvullende afspraken gemaakt.

Samenvattend:De vastgestelde uitgangspunten bij het verlenen van voorzieningen voor mensen met beperkingen in één overzicht:

1. Constateren dat er sprake is van continuïteit in de omvang en inrichting van het voorzieningenpakket tussen de oude en de nieuwe wetgeving.2. Eigen bijdragen – behoudens noodzakelijke technische aanpassingen - handhaven op het bestaande niveau.3. Eigen bijdragebeleid kan per gemeente afwijken.4. Primaat van verhuizing blijft gehandhaafd.5. Het protocol gebruikelijke zorg is vertrekpunt voor de uitvoering van de huishoudelijke verzorging.6. Binnen het WMO-loket is plaats voor een gekwalificeerde intake die indicaties kan stellen voor de door de gemeente te leveren zorg. Daarnaast is er voor complexe situaties en ten behoeve van het oplossen van eventuele geschillen een onafhankelijke externe adviseur.7. De opdracht aan de externe adviseur geschiedt per onderhandse aanbesteding, waarbij ten minste twee adviseurs worden gecontracteerd. 8. De hulpmiddelen worden opnieuw aanbesteed.9. Voor hulpmiddelen is een PGB mogelijk, op het niveau van de kosten die de gemeente maakt. De gemeente bedingt in de aanbesteding een korting voor PGB – houders.10. Inkoop van Hulp bij het Huishouden geschiedt via een Europese aanbesteding.11. De contractering van minimaal 2 organisaties voor Hulp bij het Huishouden.12. De gemeenten gaan niet over op het Zeeuwse model13. Inkopen via een full-service contract. Te contracteren aanbieder kan alle vormen van hulp bij het huishouden leveren.14. Aanbieders moeten hun hulpaanbod op alle plekken in het Land van Cuijk gelijkelijk aanbieden.15. Naast de inkoop via aanbesteding ruimte bieden voor kleine aanbieders om in kleine volumes tegen gelijke contractuele voorwaarden een bijzondere vraag te bedienen.16. AWBZ definitie voor Huishoudelijke Verzorging loslaten en een functiegerichte WMO definitie voor Hulp bij het Huishouden invoeren. 17. Hulp bij het huishouden onderverdelen in vier categorieën functie-georiënteerde categorieën A tot en met D. 18. De gemeente treedt niet in de beslissing van de aanbieder van hulp bij het huishouden om al dan niet alfahulpen in te schakelen voor de gecontracteerde diensten.19. Er worden geen volumeafspraken gemaakt en er wordt geen garantie afgegeven voor het aantal uren.20. Er wordt een selectiegrens (bovengrens) in de aanbesteding gehanteerd die overeenstemt met het huidige tariefniveau.21. Aan nieuw toetredende aanbieders wordt de voorwaarde opgelegd om bestaand uitvoerend personeel over te nemen tegen de bestaande arbeidsvoorwaarden.

Verordening, beleidsregels en financieel besluit Wmo vanaf 2008Het college van burgemeester en wethouders heeft, rekening houdend met de adviezen die hieromtrent zijn ontvangen op 24 juli 2007 een voordracht gedaan aan de gemeenteraad van Boxmeer ten aanzien van de Wmo-verordening vanaf 2008. Deze Verordening is op 27 september 2007 door de gemeenteraad vastgesteld. Aanvullend zijn, eveneens rekening houdend met inspraak hieromtrent, door het college van burgemeester en wethouders de beleidsregels en financieel besluit vastgesteld in de collegevergadering van 27 november 2007. Een aantal belangrijke lokale punten zijn hierbij maatgevend geworden voor het beleid in de gemeente Boxmeer. Hieronder een overzicht.

• De burger en in het bijzonder de burger met functiebeperkingen staat in het kader van deze Wmo-verordening centraal. Hier past het uitgangspunt “zorg op maat”. Daarbij gaat het om zowel collectieve als individuele voorzieningen. De uitvoering van de Wmo hoort echter niet beperkt te blijven tot de kwetsbare groep burgers. Het nieuwe systeem zal pas werken als de vitaliteit en solidariteit binnen de lokale samenleving wordt versterkt. Toewijzing van zorg moet er op gericht zijn om de ondersteuning terecht te laten komen bij degenen die deze nodig hebben. • Het College heeft op verzoek van de Raad haar intenties met betrekking tot de uitvoering van de Wmo nader geformuleerd in een memo. • Ondanks het hanteren van een eigen bijdrage blijven de noodzakelijke voorzieningen voor de betreffende persoon of doelgroep bereikbaar. Getracht is om het eigen bijdragebeleid in de gemeenten van het Land van Cuijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Gezien de eigen beleidsvrijheid van gemeenten kan echter sprake zijn van afwijkende individuele accenten.• In de concept-beleidsregels is expliciet opgenomen dat het gehanteerde “protocol gebruikelijke zorg” geen verplichtend karakter moet krijgen bij de toetsing van hulpvragen maar richtinggevend en als vertrekpunt moet dienen voor het zoeken naar een maatwerkoplossing.• De gemeente heeft zich ingezet om tegen gelijke voorwaarden waarborgen te krijgen voor de PGB-houders bij de inkoop van hulpmiddelen en voorzieningen. De keuzevrijheid voor een PGB ligt in deze volledig bij de klant. • De hoogte van eigen bijdragen is gekoppeld aan een maximum op jaarbasis. Dit maximum wordt vastgesteld (door het Centraal Administratie Kantoor) door toetsing van het individuele inkomen. Het CAK bewaakt in het kader van integraliteit mogelijke cumulaties in eigen bijdragen. • In het kader van de aanbesteding van Wmo-voorzieningen zijn voldoende waarborgen aanwezig die invulling kunnen geven aan de keuzevrijheid van de klant.• Ten aanzien van de interpretatie van de term “goedkoopst-adequaat” mogen geen misverstanden ontstaan. De te verstrekken voorziening moet bovenal adequaat zijn en hiervan de goedkoopste mogelijkheid.• Bij het bezoekbaar maken van de woning dient in situaties van kinderen met beperkingen (bijv. bij co-ouderschap) maatwerk te worden verricht in het belang van het kind.

Lokaal accentBij de vaststelling van de nadere beleidsregels zijn in een viertal gevallen accenten in de beleidsuitgangspunten aangebracht, te weten:1. Rekening houdend met een stellige advisering in deze en de voordelen wegend vanuit klantperspectief is besloten om het PGB voor hulp bij het huishouden in de gemeente Boxmeer op een 100% niveau vast te stellen (100% van het afgesproken tarief met de zorgaanbieder(s). Hiermee volgt het PGB bij “hulp bij het huishouden” de huidige PGB-praktijk bij het verstrekken van voorzieningen (100% van de offertes in deze).2. De voorgestelde besparingsbijdrage (een vorm van eigen bijdrage) in het Financieel Besluit is in de gemeente Boxmeer geschrapt. 3. In het Financieel Besluit gemeente Boxmeer is geen oplaadkostenvergoeding meer voor elektrische voorzieningen opgenomen.4. In het Financieel Besluit gemeente Boxmeer is in artikel 18 een aanvullende financiële bijdrage opgenomen van € 150,-- op jaarbasis voor eenieder die als gevolg van beperkingen naast het recht op een CVV-vervoerspas (tegen gereduceerd tarief) met dit bedrag, naar keuze eigen geschikt vervoer kan regelen. Dit conform eerder “Boxmeers” Wvg-beleid.

Pilotproject Mantelzorgunits vanaf 2008Het “Bestemmingsplan Mantelzorg”, dat door de raad van de gemeente Boxmeer in 2006 is vastgesteld, maakt het mogelijk dat, onder voorwaarden, een bestaand bijgebouw verbouwd kan worden en woonbestemming krijgt t.b.v. de zorgvrager. Voor de gevallen waarin een dergelijk bijgebouw er echter niet is, biedt het bestemmingsplan geen oplossing. Op verzoek van Woonmaatschappij Maasland en Zorgaanbieder Pantein is gekeken naar aanvullende oplossingen om op dit punt meer maatwerk te kunnen bieden. Het plaatsen van een zogenaamde mantelzorgunit zou mogelijk in bepaalde situaties uitkomst kunnen bieden. Een pilot zou meer informatie moeten opleveren over de voor en nadelen van zo’n mantelzorgunit. Deze pilot, waarbij een woonunit geplaatst wordt bij een woning, zal, bij positief resultaat, kunnen leiden tot een uitbreiding van het vastgestelde beleid inzake Bestemmingsplan Mantelzorg.

In het kader van het streven om mensen zolang mogelijk zelfstandig te laten wonen wordt een pilotproject gestart. In het pilotproject wordt een woonunit aangeschaft en geplaatst bij de woning van de zorgvrager. Afhankelijk van de situatie kan de unit bewoond worden door de mantelzorger of de zorgvrager. In de pilot worden maximaal 3 woonunits aangeschaft.

Het doel van de pilot is vast te stellen of deze wijze van flexibel wonen een oplossing kan bieden voor de situatie die ontstaat wanneer de mantelzorger de zorgbehoevende niet in huis kan nemen en als ook aan- of bijbouwen geen optie is. Op 23 oktober 2007 is het college van burgemeester en wethouders in de gemeente Boxmeer akkoord gegaan met het starten van een pilotproject voor mantelzorgunits in de gemeente. De pilot moet ook meer inzicht geven in de wensen en behoeften op dit punt.

Andere voorzieningen voor ondersteuningHet accent met betrekking tot de voorzieningen voor ondersteuning ligt nadrukkelijk op de hierboven reeds genoemde voorzieningen als woonvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en hulp bij het huishouden. Daarnaast zijn echter nog een aantal niet geheel onbelangrijke ondersteunende voorzieningen voor burgers beschikbaar. Soms is hierbij geen, of in lichte mate, sprake van indicatiestelling. De volgende diensten worden onder andere in de gemeente Boxmeer in dit kader nog uitgevoerd:• Woonvormen met begeleiding• Sociale alarmering• Maaltijdvoorzieningen• Klussendienst• Boodschappendienst• Bezoekdienst• Oppasdienst• Telefooncirkel

Met wie werken we samen?Als ambitie is onder prestatieveld 3 verwoord om voor de toekomst een regelloket in te richten voor alle dienstverlening aan burgers binnen het Wmo taakveld. Verstrekking van voorzieningen vraagt afgezien van een goede communicatie met de klant afstemming en communicatie met onder andere:

 Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW) Centraal Administratie Kantoor (CAK) Centrum voor indicatiestelling Zorg (CIZ) Dichterbij (praktische vrijwillige thuishulp) Geestelijke gezondheidszorg (GGZ) MEE Pantein Vepleging en Verzorging Radius organisatie voor welzijn Land van Cuijk Steunpunt Mantelzorg Stichting Welzijn Ouderen Gemeente Boxmeer (SWOGB) Sociale Verzekeringsbank (SVB) Wmo-adviesraad en lokale ondersteuning Diverse vrijwilligers-en maatschappelijke organisaties

Buiten de hierboven genoemde organisaties zijn er nog een aantal relevante partijen actief zoals: De thuiszorgaanbieders• Stichting Thuiszorg Brabant Noord-oost• Zorggroep VDA  De (andere) indicatiestellers (o.a. indicaties hulpmiddelen)• Argonaut• Stichting Thuiszorg Brabant Noord-oost• Trivium De leveranciers van hulpmiddelen en voorzieningen• Harting Bank• De Thuiszorgwinkel• Welzorg Het Advies en Informatiepunt Boxmeer (AIB) De andere AWBZ- zorginstellingen De instellingen voor opvang en verslavingszorg• Verdihuis• Novadic-Kentron

Welke middelen zijn hier voor nodig?Voor 2008 is de Wmo-voorzieningen begroting vastgesteld op ca. 3 mln euro. Hiervoor worden ten dele rijksmiddelen aan het gemeentefonds toegevoegd (ca. 2 mln euro). Een belangrijk deel hiervan wordt aangewend voor de dienstverlening “hulp bij het huishouden”. Met betrekking tot de begroting van financiële middelen ten behoeve van de Wmo-dienstverlening, voorzieningen en hulpmiddelen wordt aangetekend dat de realisatie afhankelijk is van de daadwerkelijk uitgevoerde dienstverlening en toegekende voorzieningen. Er is immers sprake van een “open eindregeling” (beleid gaat vóór middelen) met de hieraan gekoppelde financiële consequenties.

Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende belangrijke posten in de begroting 2008 gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Dienstverlening hulp bij het huishouden € 1.230.000,--Persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden € 386.000,--Diverse overige regelingen Wmo-budget € 100.000,--Wmo-voorzieningen en hulpmiddelen € 1.363.470,--

6.7. Maatschappelijke opvang, oggz en verslavingsbeleid

We streven er naar dat alle inwoners naar vermogen volwaardig aan de samenleving deelnemen. Meer dan in het verleden ligt er een verantwoordelijkheid bij het individu om zelf problemen op te lossen of eigen hulp te organiseren. Er is een groep mensen die dit (tijdelijk) niet of onvoldoende kan. Door psychiatrische, psychosociale of verslavingsproblemen kunnen ze de problemen niet zelfstandig oplossen en hun sociaal netwerk is te beperkt of ook niet in staat hen daarbij te helpen. Deze groep inwoners noemen we “bijzondere groepen”. Hieronder verstaan we mensen met psychische/psychosociale en/of verslavingsproblemen die tevens problemen hebben op minimaal twee levensgebieden (wonen, werken, scholing, dagbesteding, inkomen sociaal netwerk, gezondheid) en niet voldoende zelfredzaam zijn om deze problemen zelfstandig (of met hulp van hun sociale omgeving) op te lossen. In het kader van deze prestatievelden besteden we ook aandacht aan de bestrijding van huiselijk geweld. Slachtoffers, daders, getuigen van huiselijk geweld kunnen tot de bijzondere groepen behoren maar dit hoeft niet. Voor de bijzonder groepen is in het verleden vanuit verschillende invalshoeken beleid opgesteld. Voor de prestatievelden 7,8 en 9 is daarom een samenhangende visie opgesteld die de vraag van de klant centraal stelt. Bij de vormgeving van de maatschappelijke ondersteuning voor deze groep gaan we uit van de keten; preventie, signalering en melding, hulp, opvang en zorg, nazorg en maatschappelijk herstel.

Hoe staan we er nu voor?Op het terrein van de maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en OGGZ werken de 14 gemeenten (Oss, Uden, Veghel, Boekel, St. Oedenrode, Bernheze, Landerd, Lith, Maasdonck, Grave, St. Anthonis, Mill en St. Hubert, Cuijk, Boxmeer) van de regio BNO met de betrokken professionele instelling(en) samen in het voorbereidende regionaal ambtelijk overleg maatschappelijke opvang, verslavingszorg en OGGZ, alsmede in het Portefeuillehoudersoverleg. Het Portefeuillehoudersoverleg brengt aan de gemeentebesturen advies uit over te nemen besluiten. De gemeente Oss vervult de rol van de beleidscoördinerende centrumgemeente.

Vanuit deze samenwerking is een gezamenlijke visie vastgesteld: Mensen met complexe problemen in staat stellen samenhangende zorg te ontvangen, waardoor zij zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren en kunnen deelnemen aan de samenleving: huisvesting, scholing/werk, dagbesteding, inkomen, gezondheid en sociaal netwerk. Hiervoor is ketenbenadering noodzakelijk, waarin zelfstandige partners samenwerken aan het realiseren van afgestemde producten die voorzien in de behoefte(n) van de cliënt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in:

• Preventie, signalering en melding• Hulp, opvang en zorg• Nazorg en maatschappelijke participatie

De zorg sluit aan bij de belevingswereld, leefstijl en sociaal-culturele achtergrond van de cliënt. De professionele instellingen dragen zorg voor een adequate registratie over het bereik van geleverde producten en diensten en over de omvang, samenstelling en toestand van de te onderscheiden groepen van kwetsbare mensen. De instellingen rapporteren trends en ontwikkelingen aan de gemeente(n) en doen op basis daarvan aanbevelingen voor beleidsaccenten

Gemeentelijke regieHet belangrijkste aspect van de gemeentelijke regierol is het tot stand brengen van afspraken tussen de professionele instellingen en andere partners over de uitvoering van maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en openbare geestelijke gezondheidszorg. De gemeente Oss heeft daarnaast een stimulerende, coördinerende, bindende en faciliterende functie, evenals de functie van subsidiënt. De regierol van de centrumgemeente Oss is gericht op het creëren van een (regionale) infrastructuur voor de maatschappelijke opvang, het verslavingsbeleid en de OGGZ, alsmede het scheppen van randvoorwaarden voor ketensamenwerking. De regiogemeenten richten zich op lokale voorzieningen, zoals vroegsignalering en schuldhulpverlening. Afstemming en overleg tussen de centrumgemeente en de regiogemeenten over de besteding van de rijksuitkering is dan ook van belang, los van het feit dat de Wmo de centrumgemeente verplicht tot overleg met de regiogemeenten. Dit overleg vindt goed en regelmatig plaats.

In 2010 vindt een evaluatie plaats met (beleids) aanbevelingen voor 2011-2014. Dit betreft niet alleen maatschappelijke opvang, maar ook de openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Om een integrale benadering mogelijk te maken en de opgedragen regietaak voor gemeenten uitvoerbaar te maken is het gewenst in samenhang met het traditionele beleidsveld verslavingszorg en het ‘nieuwe terrein’ openbare geestelijke gezondheidszorg, niet langer van producten uit te gaan maar van integrale aandachtsgebieden en afspraken te maken over de inzet van de verschillende instellingen, uitgaande van een maximale verblijfsduur van 6 maanden in de maatschappelijke opvang. De volgende aandachtsgebieden en interventies worden onderscheiden:

 het bereiken van kwetsbare groepen en risicogroepen door • het herkennen van risicofactoren en probleemsituaties• het opsporen, contact leggen en contact houden met kwetsbare mensen • het toeleiden naar zorg van kwetsbare mensen  het begeleiden van kwetsbare groepen en risicogroepen door • het vergroten van sociale steun • ondersteuning bij het dagelijks functioneren • belangenbehartiging • begeleiding/behandeling van psychische, verslavings- en/of somatische problemen • voorkomen van terugval  het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen en het organiseren en uitvoeren van de crisisopvang het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de maatschappelijke opvang, de OGGZ en de verslavingszorg.

6.7.1. Maatschappelijke opvang

Prestatieveld 7: Het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van huiselijk geweld.

Wat is maatschappelijke opvang? Het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door één of meer problemen, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. Maatschappelijke opvang is een tijdelijke voorziening voor dak- en thuislozen voor een inmiddels landelijk geaccepteerde periode van maximaal 6 maanden. Maatschappelijke opvang kent een directe relatie met het gemeentelijke jeugdbeleid (16-23 jarigen)

Doel maatschappelijke opvang en opdracht aan de gemeente(n) Het doel van maatschappelijke opvang is om dak- en thuislozen onderdak te bieden en deze mensen vervolgens zo optimaal en zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren in de samenleving. Het maatschappelijk effect is dus het herstellen van de zelfredzaamheid van mensen, mensen de gelegenheid te bieden om maatschappelijk te participeren en daarvoor op lokaal niveau voorwaarden te scheppen. De WMO draagt de gemeente(n) deze taak op. De gemeente heeft daarom de regietaak voor de toeleiding naar zorg en voor de samenwerking tussen partijen.

Wat is daarvoor nodig? Daarvoor is een adequaat basisaanbod nodig met als aandachtspunten: • het bieden van dag- en nachtopvang• het regelen van crisisopvang en acute zorg• het bieden van ‘doorstroombedden’ voor opvang voor maximaal 6 maanden (bed, bad en brood)• het bieden van ondersteunende begeleiding, gericht op uitstroom • preventieactiviteiten in samenhang met collectieve OGGZ • een adequate registratie Het basisaanbod is gericht op een integraal en multidisciplinair individueel zorgplan, dat uitstroom uit de maatschappelijke opvang tot doel heeft binnen een in het zorgplan vastgestelde termijn.

Op wie heeft maatschappelijke opvang betrekking? Maatschappelijke opvang richt zich op mensen die dak- en thuisloos zijn, zich lichamelijk en geestelijk verwaarlozen, een risico vormen voor de eigen gezondheid en/of overlast veroorzaken. Door al deze factoren staat of dreigt deze doelgroep naast de samenleving te komen staan en is niet of onvoldoende in staat om in basisvoorwaarden als huisvesting, inkomen, sociale contacten en zelfverzorging te voorzien. Deze mensen vragen niet altijd hulp of willen zelfs geen hulp: zorgwekkende zorgmijders. Tot de doelgroep behoort niet vrouwenopvang als bedoeld in de Wmo, voor zover deze opvang is gerelateerd aan dreigend of feitelijk geweld in de thuissituatie. Voor Oss en de regio Brabant-Noordoost is de gemeente ’s-Hertogenbosch voor deze vrouwenopvang centrumgemeente. Ook (zwerf)jongeren tot 18 jaar vallen niet onder de doelgroep, omdat deze jongeren onder de verantwoordelijkheid van jeugdzorg vallen.

Maatschappelijke opvang jaar 2008 – 2010 Hoewel niet helemaal onder de eerder geformuleerde doelgroep vallend is het streven in samenhang met het gemeentelijk jeugdbeleid te komen tot de realisering van maatschappelijke opvang voor jongeren van 16 tot 23 jaar. Stichting Maatschappelijke Opvang Verdihuis is verantwoordelijk voor het project of de activiteit en die kan als subsidieaanvrager met alle daaraan verbonden rechten en plichten optreden.

Speerpunten 2008-2010• Opvang, begeleiding en doorstroming met regionale vervolgtrajecten wonen (mede in relatie tot het te ontwikkelen Stedelijk Kompas en het project nazorg).• Realiseren van maatschappelijke opvang voor jongeren van 16-23 jaar in samenhang met jeugdbeleid.

6.7.2. Openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ)

Prestatieveld 8: Het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen.Onder het bieden van openbare geestelijke gezondheidszorg wordt nagenoeg hetzelfde verstaan als hetgeen in de Wet collectieve preventie volksgezondheid nu hieronder wordt verstaan.

Wat is OGGZ? Het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg, het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen en het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de openbare geestelijke gezondheidszorg. Openbare GGZ is ook een aspect van het lokale gezondheidsbeleid en het gemeentelijke jeugdbeleid.

Doel OGGZ en opdracht aan de gemeente(n) Het doel en tevens het maatschappelijk effect van OGGZ is het voorkomen van problemen en de daaruit voortvloeiende individuele en maatschappelijke schade bij mensen met (latente) psychische problematiek, alsmede het aanpakken van (complexe) psychische problemen bij individuen en groepen, waarvoor de reguliere vraaggestuurde weg naar behandeling en hulpverlening niet open staat. Uiteindelijk gaat het om het herstel van de zelfredzaamheid en de gelegenheid om maatschappelijk te participeren voor mensen met een ernstige psychische en/of psychosociale problematiek en daarvoor op lokaal niveau voorwaarden te scheppen. De Wmo en de Wcpv dragen de gemeente(n) deze taak op. De gemeente heeft daarom de regietaak voor de toeleidingsactiviteiten naar zorg en voor de samenwerking tussen partijen.

Wat is daarvoor nodig? Daarvoor is een adequaat basisaanbod nodig met als aandachtspunten:• het regelen van crisisopvang en acute zorg• het organiseren van bemoeizorg• zorg voor dak- en thuislozen • zorg voor slachtoffers (en daders) van huiselijk geweld• preventieactiviteiten (collectieve GGZ) • het beschikbaar zijn van een sociale kaart• het organiseren van de onderlinge consultatie tussen de OGGZ-partners en anderen (o.a. maatschappelijk werk en opbouwwerk)• een adequate registratie (bij participerende instellingen) • psychosociale hulpverlening bij ongevallen en rampen (WCPV) Voor het signaleren en bestrijden van risicofactoren moet het aanbod OGGZ gericht zijn op integrale en multidisciplinaire toeleidingsactiviteiten en moet OGGZ betrekking hebben op signaleren, opsporen, melden, contact houden, toeleiden en ongevraagde nazorg.

Onderscheid OGGZ OGGZ kan worden onderverdeeld in toeleidingsactiviteiten en preventieactiviteiten. Dit onderscheid is mede gebaseerd op de door de (centrum)gemeente(n) te ontvangen geoormerkte rijksmiddelen.

Op wie heeft OGGZ betrekking? OGGZ richt zich op mensen die naast de samenleving staan of dreigen te komen, zoals verslaafden, dak- en thuislozen en mensen die vereenzamen. Vaak vragen deze mensen zelf geen hulp of willen zelfs geen hulp: zorgwekkende zorgmijders. Het gaat om mensen, die een psychiatrische stoornis of ernstige psychosociale problemen hebben naast tegelijkertijd problemen op andere leefgebieden. Hierdoor zijn zij onvoldoende in staat om in eigen basisvoorwaarden te voorzien als huisvesting, inkomen, sociale contacten en zelfverzorging.

OGGZ jaar 2008 – 2010 Bij deze aandachtsgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen zelfzorg, mantelzorg en algemene zorg (trede 1), zorg aan huis (trede 2), institutionele zorg (trede 3) en zorg op straat (trede 4). Deze indeling sluit aan op de ‘Handreiking OGGZ in de Wmo’ van de VNG van november 2006. In het kader van zorgvernieuwing binnen de OGGZ is het gewenst dat voor (ex)GGZ-cliënten integrale en multidisciplinaire trajecten worden ontwikkeld die leiden naar sociale activering en maatschappelijke participatie. Stichting GGZ Oost Brabant zal (in nagenoeg alle gevallen) verantwoordelijk zijn voor het project of de activiteit en die kan als subsidieaanvrager met alle daaraan verbonden rechten en plichten optreden.

Speerpunten 2008-2010 OGGZ• Toeleiding naar zorg o Continuering bemoeizorgproject o Continuering consultatie en begeleidingsactiviteiten huiselijk geweld • Collectieve preventie o Preventie depressie en angststoornissen, mede gericht op allochtone vrouwen o Preventie gericht op KOPP (kinderen van ouders met psychiatrische problemen) • Zorgvernieuwing o Continuering ondersteuning ex-GGZ-cliënten (Stichting Door en Voor) op basis van subregionale afstemming

6.7.3. Verslavingsbeleid

Prestatieveld 9: Het bevorderen van verslavingsbeleid.Ambulante verslavingszorg doelt op activiteiten bestaande uit ambulante hulpverlening, gericht op verslavingsproblemen, en preventie van verslavingsproblemen, inclusief activiteiten in het kader van overlastbestrijding van overlast door verslaving.

Wat is verslavingsbeleid? Het ontmoedigen van het (overmatig) gebruik van genotmiddelen en het beperken van de risico’s van het gebruik voor de gebruiker zelf en de omgeving van de gebruiker. Verslavingsbeleid is daarom maatschappelijke zorg voor verslaafden in de context van de sociale en maatschappelijke gevolgen voor de gebruiker en de samenleving. Bestrijding van overlast in de omgeving door verslaving maakt daar onderdeel van uit. Verslavingsbeleid is ook een aspect van het lokale gezondheidsbeleid. Bovendien bestaat er een directe relatie met het gemeentelijke jeugdbeleid.

Doel verslavingsbeleid en opdracht aan de gemeente(n) Het doel van het lokale verslavingsbeleid is het voorkomen of beperken van gezondheidsrisico’s en maatschappelijke problemen die voortvloeien uit het overmatig gebruik van alcohol en drugs. Verslavingsbeleid richt zich met een sluitend aanbod van maatregelen primair op herstel en zonodig op het bieden van opvang, waarbij het herstellen van de zelfredzaamheid van mensen en het zo optimaal en zo zelfstandig mogelijk functioneren in de samenleving voorop staat. Het maatschappelijk effect is het bieden van de mogelijkheid om maatschappelijk te participeren, waarvoor op lokaal niveau voorwaarden worden gecreëerd. De Wmo draagt de gemeente(n) deze taak op. De gemeente heeft daarom de regietaak voor de toeleiding naar zorg en voor de samenwerking tussen partijen.

Wat is daarvoor nodig? Daarvoor is een adequaat basisaanbod nodig met als aandachtspunten: • preventie in samenhang met collectieve GGZ • voorlichting en advies, vooral gericht op onderwijs en jeugdhulpverlening• ambulante zorg met aanmeldspreekuren• maatschappelijk herstel • een adequate registratie Het basisaanbod is gericht op integrale en multidisciplinaire activiteiten en heeft betrekking op signaleren, opsporen, melden, contact houden, toeleiden naar zorg en nazorg.

Op wie heeft verslavingsbeleid betrekking? Verslavingsbeleid richt zich vooral op het voorkomen en bestrijden van alcohol- en drugsverslaving. Rook-, gok- en medicijnverslaving heeft in dat kader geen prioriteit. Met betrekking tot roken en gokken wordt het landelijke beleid gevolgd. Voor verslavingsbeleid is de primaire invalshoek gezondheidszorg en ligt het accent minder op openbare orde en rechtshandhaving. Er bestaat een relatie met het lokale gezondheidsbeleid en het lokale jeugdbeleid. De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor verslavingszorg beperkt zich tot ambulante verslavingszorg.

Uitgangspunt voor verslavingsbeleid is het bereiken en instandhouden van de maatschappelijke participatie van verslaafden, waardoor deze mensen in staat zijn te voorzien in basisvoorwaarden als huisvesting, inkomen, sociale contacten en zelfverzorging. Verslaafde mensen vragen niet altijd hulp of willen zelfs geen hulp: zorgwekkende zorgmijders.

Verslavingsbeleid jaar 2008 – 2010 Stichting Novadic-Kentron is verantwoordelijk voor het project of de activiteit en die kan als subsidieaanvrager met alle daaraan verbonden rechten en plichten optreden.

SPEERPUNT 2008-2010 verslavingsbeleidAlcohol en jongeren in samenhang met het lokale gezondheidsbeleid en het alcoholproject Brabant-Noord. Dit project loopt gedurende de periode 2008-2012 (in 2012 is een evaluatie gepland).

Met wie werken we samen?De WMO is een participatiewet met samenhangende prestatievelden. Ook vanuit maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en openbare GGZ moeten dwarsverbanden worden gelegd naar mantelzorgondersteuning en andere initiatieven voor het bereiken en het bestendigen van maatschappelijke activering en maatschappelijke participatie. Voor zowel toeleidings-activiteiten als preventieactiviteiten zal op basis van de bovenstaande aandachtsgebieden op het terrein van het bereiken en het begeleiden van kwetsbare personen voor de periode 2008 – 2010 aan de Stichting GGZ Oost Brabant, SMO Verdihuis, Stichting Novadic-Kentron, Maatschappelijk Werk subregio’s Oss, Uden-Veghel en Land van Cuijk en GGD Hart voor Brabant gevraagd worden integrale multidisciplinaire offertes in te dienen. De GGD Hart voor Brabant vervult daarnaast voor de gemeente(n) op het terrein van OGGZ de rol van adviseur.

Welke middelen zijn hier voor nodig?Het regionale financieringsplafond voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid ligt voor 2008 op basis van de historische verdeling van de rijksuitkering MO-VB voor maatschappelijke opvang op € 1.350.000,-- en voor verslavingsbeleid op € 700.000,--. Dit laat onverlet dat de betrokken instellingen op basis van inhoudelijke argumenten kunnen overeenkomen een andere verdeling toe te passen, mits het totaal van de uitgaven voor MO-VB de door de centrum-gemeente Oss te ontvangen rijksuitkering niet overstijgt. In 2007 bedroeg deze uitkering totaal € 2.040.000,--.

Het financieringsplafond voor OGGZ-toeleidingsactiviteiten ligt voor 2008 op € 755.000,--. Dit komt overeen met de aan de centrumgemeente Oss toegekende rijksuitkering 2007. Voor OGGZ collectieve preventie gaan de rijksmiddelen voor het jaar 2008, net zoals in 2007, naar de individuele gemeenten. Insteek daarbij is de beschikbare middelen niet in elke gemeente afzonderlijk in te zetten maar te kiezen voor regionale projecten. Het regionale financieringsplafond voor collectieve preventie ligt voor 2008 op € 180.000,--. Dit komt overeen met het regionale budget 2007.

Zonder uitputtend te zijn kunnen de volgende belangrijke posten in de begroting 2008 van Boxmeer gelinkt worden aan dit prestatieveld:

Regionaal maatschappelijk Centrum € 393.280,--Verdihuis € 3.850,--GGD € 405.710,--Bemoeizorg € 15.270,-- Jeugdgezondheidszorg vroegsignalering € 26.340,--

7. Bijlage I : Een schematisch overzicht per prestatieveld7.1. Sociale samenhang en leefbaarheidSchematisch Prestatieveld 1 Het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in dorpen wijken en buurten.

Meerjarig programma 2008 – 2011S pecifiek Doelstelling De gemeente Boxmeer stelt zich ten doel de communicatie tussen de burgers en de gemeente goed te laten verlopen en op peil te houden en, daar waar mogelijk samen met burgers, zorg te dragen voor het in stand houden of verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving van de burgers. Hierbij past om burgers directer verantwoordelijk te laten zijn voor hun leefomgeving en hen daarin te ondersteunen.

M eetbaar Subdoelen• Een discussie voeren met inwoners en professionals over het voorzieningenniveau in een wijk of kern. De uitkomsten opnemen in de dorpsontwikkelingsprogramma’s;• Financiële ondersteuning van een uitgebreid stelsel van sport- en gemeenschapsvoorzieningen, goed gespreid over de hele gemeente;• Meewerken aan instandhouding en bevordering van een gedifferentieerd aanbod van basisonderwijs en voortgezet onderwijs;• Een discussie voeren met de inwoners van wijk of kern over het multifunctioneel gebruik van beschikbare of gewenste accommodaties.• Meewerken aan instandhouding en bevordering van voorzieningen voor multifunctioneel gebruik voor zorg, welzijn en ontmoeting;• Stimuleren van betrokkenheid van alle kernen bij het gemeenschapsleven en bestuur, o.a. door samenwerking met de wijk- en dorpsraden, op basis van een convenant, de tweejaarlijkse bezoeken van het College aan alle wijken en dorpen en door ondersteuning van het vrijwilligerswerk.• De rol van de wijk-/dorpsraad nog verder ontwikkelen en hierbij krachtige ondersteuning blijven bieden• Verder ontwikkelen van wijk-of dorpsprogramma’s• Nader beoordelen of een vorm van wijk/dorpsbeheer een aanvulling is op onze aandacht voor de woonomgeving van de bewoners.

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externDe gemeente voert de regie om te komen tot de gewenste resultaten vanuit een dialoog met belanghebbenden en betrokken inwoners. Deze moeten voldoende toegerust zijn om hun rol te kunnen vervullen. R ealistisch BelemmeringenEr zijn veel spelers en even zoveel belangen in het veld. De leefbaarheid van wijken en dorpen vraagt naast een goede facilitering van de gemeente Boxmeer ook heldere keuzes en een verantwoordelijkheid (betrokkenheid) van de burgers zelf ten aanzien van hun leefomgeving.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeGefaseerde uitrol gedurende de komende vier jaar (2008 t/m 2011). Elk project heeft zijn eigen planning. Op dit moment zijn er met betrekking tot de diverse lopende projecten te veel (externe) onzekerheidsfactoren om tijdsfasering aan te brengen in de realisatie. Prestatie-indicatoren • Realisering gemeenschapshuis in Overloon.• Realisering project hart voor Beugen.• Realisering Weijerstaete als woonzorgaccommodatie.• Voor alle 11 kernen zijn nader uitgewerkte dorpsontwikkelingsprogramma’s beschikbaar.Discussie afgerond over mogelijke toepassing van wijk/dorpsbeheer.7.2. Preventieve ondersteuning van jeugdigen en ouders

Schematisch Prestatieveld 2 Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met het opgroeien en ondersteuning van ouders met problemen met opvoeden.

Meerjarig programma 2008 – 2011

S pecifiek Doelstelling Alle jeugdigen en ouders (en/of opvoeders) in de gemeente moeten vóór 2012 terecht kunnen bij een herkenbaar “loket”: het Centrum voor Jeugd en Gezin.

M eetbaar Subdoelen• informatie verstrekken aan ouders/opvoeders, kinderen en jeugdigen over opvoeden en opgroeien; • signaleren van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg, jeugd- en jongerenwerk en het onderwijs; • toegang tot het (gemeentelijk) hulpaanbod, beoordelen en toeleiden naar voorzieningen aan de hand van een 'sociale kaart' voor ouders, kinderen, jeugdigen en verwijzers; • lichte pedagogische hulpverlening, zoals schoolmaatschappelijk werk en coachen van jongeren; • coördineren van zorg in het gezin op lokaal niveau. • alle peuters en kleuters in aanraking laten komen met voor- en vroegschoolse educatie (VVE);• een sluitende zorgstructuur rondom het kind en/of de jongere;• een sluitend aanbod van onderwijs en welzijnsvoorzieningen in de vorm van een “brede-school-concept”;• iedere jongere tot en met 23 jaar volgt onderwijs, werkt of heeft een andere maatschappelijk georiënteerde dagbesteding.

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externVoor de invulling van de vijf gemeentelijke functies binnen de sluitende jeugdketen gaan we uit van professioneel werkende organisaties en kwalitatief goed op hun taak toegeruste medewerkers. Van peuterspeelzaal tot onderwijsvoorziening, van jeugdgezondheidszorg tot algemeen maatschappelijk werk, verwacht mag worden dat voorzieningen en werkers de hen toebedeelde taak professioneel uitvoeren. Waar deze deskundigheid onvoldoende is, dient ze vergroot te worden.R ealistisch BelemmeringenDe gemeente voert de regie in het proces om te komen tot een sluitende jeugdketen. De samenwerking tussen de gemeenten in de regio Land van Cuijk en de gezamenlijke keuze voor invoering van de ontwikkelde jeugdketenstructuur biedt een uitstekend uitgangspunt om te komen tot een “Centrum voor Jeugd en Gezin” op regionale schaal. Hierbij spelen naast de huidige stand van zaken in de keten uiteraard ook de financiële mogelijkheden van gemeenten, voorzieningen en vindplaatsen een rol. De stappen die dienen te worden gezet om vanuit de huidige situatie naar een optimale invulling van de ketenstructuur te komen zijn per gemeente verschillend.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeSommige zaken vragen nog om verdere uitwerking en de structuur dient immers op onderdelen nog verder geïmplementeerd te worden. Een aantal onderdelen van het model zijn in de dagelijkse praktijk binnen de gemeenten aanwezig.In de gemeente Boxmeer zal in 2010 één loket gerealiseerd zijn waar alle zorgvragen van kinderen en opvoeders beantwoord kunnen worden. In 2010 is eveneens een brede-school-concept op iedere onderwijslocatie geïntroduceerd.

Vervolg Schematisch Prestatieveld 2 Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met het opgroeien en ondersteuning van ouders met problemen met opvoeden.Prestatie-indicatoren • Met ingang van 22 april 2008 is in het Centrum Jeugd en Gezin Land van Cuijk beschikbaar:• Een goed signaleringssyteem voor de inrichting van een sluitende lokale jeugdketen. Dit systeem omvat vier elementen: Ketenregistratie, signaaluitwisseling, afspraken over zorgcoördinatie, genereren van beleidsinformatie.• er is één herkenbaar loket voor opvoed- en opgroeivragen, waarin de informatie- en adviesfunctie van alle betrokken organisaties zijn samengebracht;• de vindplaatsen signaleren opvoed- en opgroeiproblematiek bij jeugdigen en ouders; hebben de signaleringsfunctie in hun organisatie ingebed; maken het gesignaleerde bespreekbaar met ouders en/of jeugdige; geleiden zonodig door naar voorzieningen voor licht pedagogische hulp;• op iedere vindplaats is een ‘zorgadviesoverleg’ gerealiseerd;• de voorzieningen voor licht pedagogische hulp bieden een aanspreekpunt voor vindplaatsen en bieden hulp aan jeugdigen en ouders;• de zorg wordt gecoördineerd dat wil zeggen er wordt informatie uitgewisseld, afgestemd en samengewerkt.• jaarlijks wordt geëvalueerd, in afstemming met de landelijke ontwikkelingen of de opgestelde prioriteiten voor de beleidsperiode geactualiseerd en/of bijgesteld moeten worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7.3. Het geven van informatie advies en cliëntondersteuningSchematischPrestatieveld 3 Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning

Meerjarig programma 2008 – 2011

S pecifiek Doelstelling Een regelloket inrichten voor alle dienstverlening aan burgers binnen het Wmo taakveld. Burgers zullen via een digitaal loket informatie en advies over maatschappelijke ondersteuning kunnen verkrijgen. Voor een groot deel van de Wmo-doelgroep die geen toegang heeft tot deze dienstverlening, is persoonlijke ondersteuning bij het verkrijgen van informatie en advies vereist en hiervoor wordt een loket op maat gerealiseerd.M eetbaar Subdoelen• Laagdrempelig/toegankelijk• Telefonisch, fysiek en digitaal bereikbaar• Kosteloze dienstverlening aan het loket• Aan het loket horen ook vormen van klantondersteuning/zorgcoördinatie, geboden te worden (bijvoorbeeld; ouderenadviseurs, wwz-coördinator, MEE-consulent)• Een intensieve vorm van samenwerking bij opzet, inrichting en vormgeving van het Wmo-loket;• Een brede woon-welzijn-zorg-variant van het lokale loket;• Een loket waarbij een aanvraag wordt ingenomen en afgehandeld• Een gezamenlijke opzet van een digitale sociale kaart • een uniforme digitale aanvraagprocedure voor Wmo-voorzieningen.• Het lokaal Wmo-loket is een “diep” loket, waarbij vragen worden ingenomen en het proces van afhandelen in gang wordt gezet.• Een gezamenlijk gedragen dienstverleningsconcept met de Wmo-partners in het veld.• Het Wmo-loket is niet afhankelijk van afzonderlijke zorgaanbieders.• Binnen het Wmo-loket is plaats voor een gekwalificeerde intake die indicaties kan stellen voor de door de gemeente te leveren hulp en voorzieningen. Daarnaast is er voor complexe situaties en ten behoeve van het oplossen van eventuele geschillen een onafhankelijke externe adviseur.• Het Wmo-loket wordt gebaseerd op professionele dienstverlening.• Het lokaal loket inrichten als groeimodel. Groeimodel met als uiteindelijke resultaat het hele proces van aanvraag tot zorgverlening inclusief een klantvolgsysteem;

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externGemeente Boxmeer moet vanuit de taakstelling van dit prestatieveld de samenwerking zoeken met organisaties die ondersteuning op het gebied van zorg bieden in de vorm van cliëntondersteuning. Onder cliëntondersteuning wordt verstaan de ondersteuning van de cliënt bij het maken van een keuze of het oplossen van een probleem. Cliëntondersteuning heeft de regieversterking van de cliënt (en zijn omgeving) tot doel teneinde de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te bevorderen.

 

 

VervolgSchematischPrestatieveld 3 Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuningR ealistisch BelemmeringenHet WMO-loket is een groeimodel. Er is in 2008 begonnen met het nader vormgeven van de bestaande oorspronkelijke Wvg-loketten en het herkenbaar maken daarvan als Wmo-loket. Het verdiepen en verbreden van dit loket zal vervolgens stapsgewijze moeten plaatsvinden vanuit het betrekken van alle partners. Vanuit dit gezichtspunt gaat de gemeente de betrokken partijen benaderen om mede vorm en inhoud te geven aan het lokaal loket. Met name gaat het daarbij om een gezamenlijk gedragen visie op het dienstverleningsconcept voor dit loket. De medewerkers beschikken over een dienstverlenende instelling met kennis van de sociale kaart en specifieke kennis van de Wmo/Awbz-voorzieningen. Voor de uitvoering van taken is minimaal een mbo-niveau vereist, voor een deel van de werkzaamheden is hbo-niveau vereist.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeDe gemeente Boxmeer heeft vanaf 1-1-2008 een Wmo-loket operationeel. Medio 2008 zal gestart worden om de werkwijze en instructie van medewerkers meer af te stemmen op de doelstellingen. Dit is een groeimodel wat in de loop van 2009 en 2010 verder wordt uitgebouwd. Met de komst van het nieuwe gemeentehuis zal de dienstverlening voldoen aan de geformuleerde doelstelling.

Prestatie-indicatoren • Iedereen doet mee (gemeente biedt vangnet)• Vraag van de burger is leidend• Klanttevredenheid over serviceverlening aan het loket• Deskundig en professioneel personeel• Cijfers over aantallen bezoekers, telefoontjes etc.• Integraliteit bij de klantbenadering • Eenvoudige procedures en snelle afhandeling• Minimaal aantal overdrachtsmomenten• Afstemming met ketenpartners• Afgenomen administratieve belasting voor de klant

 

 

 

 

 

 

 

 

7.4. Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers Schematisch Prestatieveld 4a Het ondersteunen van mantelzorgers

Meerjarig programma 2008 – 2011

S pecifiek Doelstelling De mantelzorgers zodanig ondersteunen dat zij hun taak kunnen vervullen. Het streven is niet gericht op méér inzet van mantelzorg, maar op het ontlasten van mantelzorgers en het (her)verdelen van de lasten.M eetbaar Subdoelen• er wordt een ruimhartige interpretatie gehanteerd van het begrip “gebruikelijke zorg” als preventie en als een steun in de rug voor die deze gebruikelijke zorg leveren;• de bijzondere aandacht van het Steunpunt Mantelzorg voor de “verborgen” groep mantelzorgers, het overnemen van regeltaken, het verruimen van de mogelijkheden van respijtzorg en het bereiken van de specifieke doelgroepen, wordt breed ondersteund;• afstemming van voorlichting, advisering en begeleiding van de mantelzorgers met alle relevante partijen is een blijvend punt van aandacht;• mantelzorg zit in de systeembenadering van het te realiseren WMO-loket;• de gemeente bevordert de onderlinge samenwerking tussen alle betrokken partijen, zowel vrijwilligersorganisaties als professionals in zorg en welzijn;• mantelzorg is vertegenwoordigd in de Wmo-adviesraden c.q. participatieraden;• bij de indicatiestelling wordt rekening gehouden met de inbreng van de mantelzorger;• mantelzorgers worden actief gewezen/geïnformeerd over de mogelijkheden van het aanpassen van de woning;• de mogelijkheden voor het lenen van materialen zoals ziekenhuisbedden etc, worden beter bekend gemaakt bij de mantelzorger en deze voorzieningen kunnen snel ingezet worden;• onderzocht wordt hoe de wenselijkheid van mantelzorg zich verhoudt tot het beginsel van economische zelfredzaamheid; voorzieningen worden getroffen voor het parttime bijhouden of verwerven van arbeidsmarktgerichte competenties tijdens een periode van mantelzorg; eventueel wordt iemand die mantelzorg verleend van de sollicitatieplicht ontheven;• ter voorkoming van overbelasting van de mantelzorger is er een adequaat systeem voor het registreren van signalen uit de omgeving van de zorgontvanger;• het beleid van het Steunpunt Mantelzorg om voldoende mogelijkheden voor respijtzorg voor de regio te realiseren, wordt onderschreven.A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externMantelzorgers werken veelal binnen de eigen familie en kiezen niet of maar ten dele voor het werk. Mantelzorg ‘overkomt je’. Als de mogelijkheden van deze vorm van zorg zijn uitgeput, vormt de gemeente de vangnet-functie. De mantelzorgers moeten goed toegerust zijn voor hun functie. R ealistisch BelemmeringenMantelzorgers zijn een ongeorganiseerde groep mensen, die zichzelf soms niet bewust zijn van het feit dat zij mantelzorger zijn.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeVanaf 2008 wordt jaarlijks extra aandacht besteed aan prioriteiten en behoeften van mantelzorgers o.a. in de subsidieafspraken met het Steunpunt Mantelzorg. Vervolg Schematisch Prestatieveld 4a Het ondersteunen van mantelzorgers

Prestatie-indicatoren • Jaarlijks werkplan en verslag van Steunpunt mantelzorg• Klanttevredenheid ten aanzien van mantelzorgondersteuning• Actieve benadering van mantelzorgers op het gebied van ondersteuningsaanbod• Inventarisatie ondersteuningsbehoefte

Schematisch Prestatieveld 4b Het ondersteunen van vrijwilligers

Meerjarig programma 2008 – 2011

S pecifiek Doelstelling Het scheppen van de juiste voorwaarden om mensen te stimuleren zich vrijwillig in te zetten en onbetaald actief te zijn voor anderen en voor de samenleving.

M eetbaar Subdoelen• er is een vrijwilligerssteunpunt ingericht;• er is een aanspreekpunt voor vrijwilligers binnen de gemeentelijke organisatie;• het accomodatiebeleid is onderzocht en uitgewerkt;• een vrijwilligersverzekering is ingesteld;• er is een vrijwilligersvriendelijk vergunningenbeleid;• er is een vrijwilligers-klankbordgroep;• er zijn opleidingsmogelijkheden in het kader van de Wet Educatie Beroepsonderwijs.

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externHet vrijwilligersbeleid is ontwikkeld in samenwerking met het veld en een klankbordgroep van vrijwilligersorganisaties.R ealistisch BelemmeringenMet betrekking tot accommodaties ervaren veel vrijwilligersorganisaties knelpunten in de sfeer van beheer. Het beheer kost veel tijd en inzet en er is in sommige gevallen gebrek aan financiële middelen. Daarnaast bestaat er onvrede met de verschillen in huurtarieven en de verschillen in subsidies per accommodatie. Op dit moment worden de problemen met betrekking tot accommodaties in beeld gebracht.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiode• Het vrijwilligerssteunpunt is reeds gerealiseerd in de bibliotheek van de kern Boxmeer. • De vrijwilligersklankbordgroep is ingesteld.• Een vrijwilligersverzekering is onderdeel van het huidige aanbod voor vrijwilligers.• Deskundigheidsbevordering is eveneens reeds opgenomen in het aanbod. Een aantal van de sub(doelstellingen) zullen aandacht blijven vragen in de eerstvolgende jaren (2008-2011). Met name het accommodatiebeleid in relatie tot de vrijwilligersinzet vraagt in de komende periode de aandacht.

Prestatie-indicatoren • Jaarlijks werkplan en verslag van het vrijwilligerssteunpunt• Klanttevredenheid ten aanzien van vrijwilligersgondersteuning• Reacties professionals ten aanzien het ingezette beleid.7.5. Deelname maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren Schematisch Prestatieveld 5 Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem

Meerjarig programma 2008 – 2011S pecifiek Doelstelling Een passend en effectief aanbod van voorzieningen die er toe leiden dat mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen en minder snel in een sociaal isolement terecht komen.M eetbaar Subdoelen• In stand houden van voorzieningen en het bevorderen van de toegankelijkheid hiervan.• Versterken van de kwaliteit van de voorzieningen die we hebben.• Ondersteunen van geschikte huisvestingsmogelijkheden afgestemd op de vraag en behoefte.• Mensen helpen zelfstandig te functioneren door ondersteunende dienstverlening• Binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente voldoende mogelijkheden voor vervoer bieden. Hierbij kiezen voor een integrale benadering in combinatie met het OV.• Wensen en behoeften van mensen met een verstandelijke handicap vertalen naar gemeentelijke beleidsuitgangspunten in het kader van participatie• Activiteiten bieden voor personen met chronische psychische of psychosociale problemen.

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externOm stappen te zetten moet de gemeente Boxmeer vanuit de taakstelling van dit prestatieveld de samenwerking zoeken met (professionele) organisaties die ondersteuning bieden ten aanzien van de diverse kwetsbare doelgroepen. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van hun deskundigheid om het aanbod (mede) vorm te geven.R ealistisch BelemmeringenDit prestatieveld heeft een directe relatie met “Sociale samenhang en leefbaarheid” Het appèl strekt zich immers uit tot álle inwoners van een wijk of dorp. Vermaatschappelijking van de zorg is méér dan dat kwetsbare groepen in een wijk of dorp kunnen (blijven) wonen. Zo’n proces vergt inspanningen van meerdere kanten. De wijk of het dorp, haar bewoners en de aanwezige voorzieningen zullen mee moeten veranderen om ruimte te bieden aan “mensen met beperkingen”. Die dienen op hun beurt zelf stappen te ondernemen, eventueel met ondersteuning van professionele instellingen.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeMet name het aanbod ten aanzien van specifieke doelgroepen vraagt afstemming met het veld. In deze beleidsperiode 2008-2011 zal hiervoor in 2009 en 2010 specifieke aandacht zijn. Hierbij is sprake van een groeimodel om te komen tot geaccepteerde participatie. De toegankelijkheid van bestaande voorzieningen blijft een terugkerend jaarlijks aandachtspunt.

Prestatie-indicatoren • Toegankelijkheid (openbare) gebouwen• Klanttevredenheid beschikbare vervoersmogelijkheden• Aantal gerealiseerde geschikte woningen ten behoeve van de doelgroep (door externe partijen gebouwd).• Specifieke voorzieningen tbv kwetsbare doelgroepen die voorzien in een behoefte.

7.6. Het treffen van voorzieningen Schematisch Prestatieveld 6Het treffen van voorzieningen voor mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en voor mensen met een psychosociaal probleem voor het behouden en bevorderen van hun zelfstandig functioneren en/of hun deelname aan de maatschappij

Meerjarig programma 2008 – 2011

S pecifiek Doelstelling De gemeente heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een compensatieplicht. Dit houdt in dat de gemeente aan mensen met beperkingen zodanige voorzieningen moet aanbieden, dat zij in staat zijn om ondanks die beperkingen deel te nemen aan het leven van alledag in en rond de thuissituatie.M eetbaar Subdoelen• continuïteit in de omvang en inrichting van het voorzieningenpakket tussen de oude en de nieuwe wetgeving.• Eigen bijdragen – behoudens noodzakelijke technische aanpassingen - handhaven op het bestaande niveau.• Primaat van verhuizing blijft gehandhaafd.• Het protocol gebruikelijke zorg is vertrekpunt voor de uitvoering van de huishoudelijke verzorging.• Binnen het WMO-loket is plaats voor een gekwalificeerde intake die indicaties kan stellen voor de door de gemeente te leveren zorg. Daarnaast is er voor complexe situaties en ten behoeve van het oplossen van eventuele geschillen een onafhankelijke externe adviseur.• De opdracht aan de externe adviseur geschiedt per onderhandse aanbesteding, waarbij ten minste twee adviseurs worden gecontracteerd.• De hulpmiddelen worden aanbesteed. De contractering van minimaal 2 organisaties voor de levering van hulpmiddelen.• Voor hulpmiddelen is een PGB mogelijk, op het niveau van de kosten die de gemeente maakt. De gemeente bedingt in de aanbesteding een korting voor PGB – houders.• Inkoop van Hulp bij het Huishouden geschiedt via een Europese aanbesteding. De contractering van minimaal 2 organisaties voor Hulp bij het Huishouden.• Inkopen via een full-service contract. Te contracteren aanbieder kan alle vormen van hulp bij het huishouden leveren.• Naast de inkoop via aanbesteding ruimte bieden voor kleine aanbieders om in kleine volumes tegen gelijke contractuele voorwaarden een bijzondere vraag te bedienen.• AWBZ definitie voor Huishoudelijke Verzorging loslaten en een functiegerichte WMO definitie voor Hulp bij het Huishouden invoeren. • Hulp bij het huishouden onderverdelen in vier categorieën functie-georiënteerde categorieën A tot en met D. • De gemeente treedt niet in de beslissing van de aanbieder van hulp bij het huishouden om al dan niet alfahulpen in te schakelen voor de gecontracteerde diensten.• Er worden geen volumeafspraken gemaakt en er wordt geen garantie afgegeven voor het aantal uren.• Aan nieuw toetredende aanbieders wordt de voorwaarde opgelegd om bestaand uitvoerend personeel over te nemen tegen de bestaande arbeidsvoorwaarden.

Vervolg Schematisch Prestatieveld 6Het treffen van voorzieningen voor mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en voor mensen met een psychosociaal probleem voor het behouden en bevorderen van hun zelfstandig functioneren en/of hun deelname aan de maatschappijA anvaardbaar Visie betrokkenen intern en extern• De burger en in het bijzonder de burger met functiebeperkingen staat in het kader van deze Wmo-verordening centraal. Hier past het uitgangspunt “zorg op maat”. Toewijzing van zorg moet er op gericht zijn om de ondersteuning terecht te laten komen bij degenen die deze nodig hebben. • Ondanks het hanteren van een eigen bijdrage blijven de noodzakelijke voorzieningen voor de betreffende persoon of doelgroep bereikbaar. Getracht is om het eigen bijdragebeleid in de gemeenten van het Land van Cuijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Gezien de eigen beleidsvrijheid van gemeenten kan echter sprake zijn van afwijkende individuele accenten.• In de concept-beleidsregels is expliciet opgenomen dat het gehanteerde “protocol gebruikelijke zorg” geen verplichtend karakter moet krijgen bij de toetsing van hulpvragen maar richtinggevend en als vertrekpunt moet dienen voor het zoeken naar een maatwerkoplossing.• De gemeente heeft zich ingezet om tegen gelijke voorwaarden waarborgen te krijgen voor de PGB-houders bij de inkoop van hulpmiddelen en voorzieningen. De keuzevrijheid voor een PGB ligt in deze volledig bij de klant. • De hoogte van eigen bijdragen is gekoppeld aan een maximum op jaarbasis. Dit maximum wordt vastgesteld (door het Centraal Administratie Kantoor) door toetsing van het individuele inkomen. Het CAK bewaakt in het kader van integraliteit mogelijke cumulaties in eigen bijdragen. • In het kader van de aanbesteding van Wmo-voorzieningen zijn voldoende waarborgen aanwezig die invulling kunnen geven aan de keuzevrijheid van de klant.• Ten aanzien van de interpretatie van de term “goedkoopst-adequaat” mogen geen misverstanden ontstaan. De te verstrekken voorziening moet bovenal adequaat zijn en hiervan de goedkoopste mogelijkheid.• Bij het bezoekbaar maken van de woning dient in situaties van kinderen met beperkingen (bijv. bij co-ouderschap) maatwerk te worden verricht in het belang van het kind.

R ealistisch BelemmeringenBij het beantwoorden van een hulpvraag is de gemeente volgens de nieuwe wetgeving gehouden tot dubbele motivering van het besluit. Gemeenten moeten aangeven waarom zij al dan niet bepaalde voorzieningen verstrekken en daarnaast in hoeverre zij hebben getoetst dat de burger “in totaliteit” , dus met voorziening en overige omstandigheden, in staat is om zich in de thuissituatie te redden. Deze uitgangspunten zijn nieuw en daarmee nog niet volledig uitgekristalliseerd.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeBeleid ten aanzien van voorzieningen en hulpmiddelen is vastgelegd in een gemeentelijke Verordening, aanvullende beleidsregels en een financieel besluit. De nieuw geformuleerde uitgangspunten vanaf 2008 zijn de kapstok voor de uitvoering bij de hulpvraag in het kader van de Wmo. Jaarlijks kan op basis van de evaluatie bijstelling worden voorgesteld. De voorstellen worden getoetst op draagvlak bij de doelgroep (lokale Wmo-adviesraad). Prestatie-indicatoren Klanttevredeneheid over de kwaliteit van voorzieningen, hulpmiddelen en diensten. • Aantal en soort verstrekte voorzieningen (inclusief PGB’s)• Aantal gegronde bezwaarschriften ten opzichte van het aantal ingediende• Bezwaarschriften ten opzichte van het aantal besluiten• Doorlooptijden van aanvraag tot en met verstrekking• Klanttevredenheid over de indicatiestelling

7.7. Maatschappelijke opvang, OGGZ en verslavingsbeleid Schematisch Prestatieveld 7Het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van huiselijk geweld

Meerjarig programma 2008 – 2010

S pecifiek Doelstelling Het doel van maatschappelijke opvang is om dak- en thuislozen onderdak te bieden en deze mensen vervolgens zo optimaal en zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren in de samenleving.M eetbaar Subdoelen• het bieden van dag- en nachtopvang• het regelen van crisisopvang en acute zorg• het bieden van ‘doorstroombedden’ voor opvang voor maximaal 6 maanden (bed, bad en brood)• het bieden van ondersteunende begeleiding, gericht op uitstroom • preventieactiviteiten in samenhang met collectieve OGGZ • een adequate registratie Het basisaanbod is gericht op een integraal en multidisciplinair individueel zorgplan, dat uitstroom uit de maatschappelijke opvang tot doel heeft binnen een in het zorgplan vastgestelde termijn.

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externHet maatschappelijk effect is dus het herstellen van de zelfredzaamheid van mensen, mensen de gelegenheid te bieden om maatschappelijk te participeren en daarvoor op lokaal niveau voorwaarden te scheppen.R ealistisch BelemmeringenMaatschappelijke opvang is een tijdelijke voorziening voor dak- en thuislozen voor een inmiddels landelijk geaccepteerde periode van maximaal 6 maanden. Deze mensen vragen niet altijd hulp of willen zelfs geen hulp: zorgwekkende zorgmijders.

T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeSpeerpunten 2008-2010• Opvang, begeleiding en doorstroming met regionale vervolgtrajecten wonen (mede in relatie tot het te ontwikkelen Stedelijk Kompas en het project nazorg).• Realiseren van maatschappelijke opvang voor jongeren van 16-23 jaar in samenhang met jeugdbeleid.

Prestatie-indicatoren • Inzicht in het gebruik van de regionale voorzieningen• Cijfers en aantallen gebruik crisisopvang en acute zorg• Aantal “doorstroombedden” voor opvang• Feitelijk gebruik ondersteunende begeleiding• Aanbod preventieactiviteiten

 

 

 

Schematisch Prestatieveld 8 Het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen

Meerjarig programma 2008 – 2010

S pecifiek Doelstelling Het doel en tevens het maatschappelijk effect van OGGZ is het voorkomen van problemen en de daaruit voortvloeiende individuele en maatschappelijke schade bij mensen met (latente) psychische problematiek, alsmede het aanpakken van (complexe) psychische problemen bij individuen en groepen, waarvoor de reguliere vraaggestuurde weg naar behandeling en hulpverlening niet open staat.M eetbaar Subdoelen• het regelen van crisisopvang en acute zorg• het organiseren van bemoeizorg• zorg voor dak- en thuislozen • zorg voor slachtoffers (en daders) van huiselijk geweld• preventieactiviteiten (collectieve GGZ) • het beschikbaar zijn van een sociale kaart• het organiseren van de onderlinge consultatie tussen de OGGZ-partners en anderen (o.a. maatschappelijk werk en opbouwwerk)• een adequate registratie (bij participerende instellingen) • psychosociale hulpverlening bij ongevallen en rampen (WCPV) Voor het signaleren en bestrijden van risicofactoren moet het aanbod OGGZ gericht zijn op integrale en multidisciplinaire toeleidingsactiviteiten en moet OGGZ betrekking hebben op signaleren, opsporen, melden, contact houden, toeleiden en ongevraagde nazorg. A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externHet gaat om mensen, die een psychiatrische stoornis of ernstige psychosociale problemen hebben naast tegelijkertijd problemen op andere leefgebieden. Hierdoor zijn zij onvoldoende in staat om in eigen basisvoorwaarden te voorzien als huisvesting, inkomen, sociale contacten en zelfverzorging.R ealistisch BelemmeringenOGGZ richt zich op mensen die naast de samenleving staan of dreigen te komen, zoals verslaafden, dak- en thuislozen en mensen die vereenzamen. Vaak vragen deze mensen zelf geen hulp of willen zelfs geen hulp: zorgwekkende zorgmijders.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeSpeerpunten 2008-2010• Toeleiding naar zorg o Continuering bemoeizorgproject o Continuering consultatie en begeleidingsactiviteiten huiselijk geweld • Collectieve preventie o Preventie depressie en angststoornissen, mede gericht op allochtone vrouwen o Preventie gericht op KOPP (kinderen van ouders met psychiatrische problemen) • Zorgvernieuwing • Continuering ondersteuning ex-GGZ-cliënten (Stichting Door en Voor) op basis van subregionale afstemming

Prestatie-indicatoren • Inzicht in het gebruik van de regionale voorzieningen• Cijfers en aantallen gebruik crisisopvang en acute zorg• Feitelijk gebruik ondersteunende begeleiding• Aanbod preventieactiviteiten

Schematisch Prestatieveld 9 Het bevorderen van verslavingsbeleid

Meerjarig programma 2008 – 2010

S pecifiek Doelstelling Het doel van het lokale verslavingsbeleid is het voorkomen of beperken van gezondheidsrisico’s en maatschappelijke problemen die voortvloeien uit het overmatig gebruik van alcohol en drugs.M eetbaar Subdoelen• preventie in samenhang met collectieve GGZ • voorlichting en advies, vooral gericht op onderwijs en jeugdhulpverlening• ambulante zorg met aanmeldspreekuren• maatschappelijk herstel • een adequate registratie Het basisaanbod is gericht op integrale en multidisciplinaire activiteiten en heeft betrekking op signaleren, opsporen, melden, contact houden, toeleiden naar zorg en nazorg.

A anvaardbaar Visie betrokkenen intern en externUitgangspunt voor verslavingsbeleid is het bereiken en instandhouden van de maatschappelijke participatie van verslaafden, waardoor deze mensen in staat zijn te voorzien in basisvoorwaarden als huisvesting, inkomen, sociale contacten en zelfverzorging.

R ealistisch BelemmeringenVerslaafde mensen vragen niet altijd hulp of willen zelfs geen hulp: zorgwekkende zorgmijders.T ijdgebonden Verloop gedurende de programmaperiodeSpeerpunten 2008-2010Alcohol en jongeren in samenhang met het lokale gezondheidsbeleid en het alcoholproject Brabant-Noord. Dit project loopt gedurende de periode 2008-2012 (in 2012 is een evaluatie gepland).

 

Prestatie-indicatoren • Inzicht in het gebruik van de voorzieningen• Registratie cijfers en aantallen • Registratie preventieactiviteiten

8. Bijlage II : Overzicht ketenstructuur jeugd

9. Bijlage III : Bronvermelding

Algemeen:• Bestuursopdracht voorbereiding Wmo; collegebesluit 1-3-2005• Visienotitie Wmo LvC raadsbesluit 9-2-2006• Overgangsregeling Wmo 2007; raadsbesluit 22-6-2006• Communicatieplan invoering Wmo; collegebesluit 30-1-2007• Besteding voorbereidings-en invoeringsgelden Wmo LvC; collegebesluit 14-8-2007• www.invoeringwmo.nl• www.minvws.nl• www.vng.nl• www.boxmeer.nl

1. Sociale samenhang, leefbaarheid van buurten en wijken:• Projectsubsidie “ouderenproof”; collegebesluit 27-6-2006.• Burgerparticipatie Wmo vanaf 2008; collegebesluit 2-10-2007• Memo aan de Raad over stand van zaken burgerparticipatie Wmo d.d. 8-11-2007.

2. Ondersteuning bij opvoeding (preventie).• Memo aan de Raad d.d. 23-8-2007 inzake nota eindrapport sluitende jeugdketen LvC (juni 2007) en nota omgevingsanalyse signaleringssysteem zorg voor jeugd (juni 2007).

3. Lokaal loket (geven van informatie en advies):• Visienotitie lokaal loket Wmo LvC; collegebesluit d.d. 13-12-2005• Notitie implementatie Wmo (12 beslispunten over de invulling van het lokaal loket); collegebesluit 8-5-2007 en raadsbesluit 21-6-2007• Project wwz-coördinatoren 2008-2009; collegevoorstel 11-12-2007

4. Ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers:• Notitie lokaal vrijwilligersbeleid “De onzichtbare schakel); raadsbesluit 9-2-2006• Notitie krachtdadig ondersteunen (aanbevelingen voor ondersteuning van Mantelzorg in het LvC); collegebesluit d.d. 6-2-2007• Subsidie ikv CVTM voor Steunpunt Mantelzorg LvC; collegebesluit 1-5-2007.

5. Bevorderen deelname maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren:• Jaarlijkse vaststelling begroting Taxihopper; collegebesluit 8-5-2007 (CVV 2008).• www.brabant.nl

6. Verlenen van voorzieningen voor behoud zelfstandig functioneren van mensen met beperkingen.• Overeenkomsten en afspraken met zorgaanbieders, Zorgkantoor, SVB, CAK, CIZ voor dienstverlening in 2007; collegebesluit 28-11-2006 en 19-12-2006• Notitie implementatie Wmo (21 beslispunten, uitgangspunten over het verlenen van voorzieningen aan mensen met beperkingen) collegebesluit 8-5-2007 en raadsbesluit21-6-2007• Jaarlijkse prioriteiten Inclusief Beleid collegebesluit 12-6-2007 (2007)• Verordening Wmo; collegebesluit 24-7-2007 en raadsbesluit 27-9-2007.• Aanbesteding Wmo voor hulpmiddelen en hulp bij het huishouden; collegebesluit 24-7-2007• Mandaatverstrekking aan CIZ in overgangsjaar 2007; collegebesluit 14-8-2007 • Memo aan de Raad mbt intentie van het college toepassing verordening Wmo dd 20-9-2007.• Gunning aanbesteding Wmo hulp bij het huishouden; collegebesluit 16-10-2007• Pilotproject mantelzorgunits; collegebesluit 23-10-2007• Gunning aanbesteding hulpmiddelen; collegebesluit 30-10-2007• Beleidsregels en Financieel Besluit Wmo; collegebesluit 27-11-2007

7. Maatschappelijke opvang (sociale pensions en vrouwenopvang).• Beleidskader 2008-2010 maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en OGGZ; voorstel vanuit gemeente Oss d.d. 5-12-2007 ten aanzien van genoemd beleidsveld.

8. Openbare geestelijke gezondheid (het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen).• Lokaal gezondheidsbeleid 2005-2009; januari 2005• Subsidiebesluit ikv CVTM tbv vriendendienst GGZ LvC collegebesluit 1-5-2007.• Verdeling middelen Collectieve preventie OGGZ LvC (2007); collegebesluit 14-8-2007• Beleidskader 2008-2010 maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en OGGZ; voorstel vanuit gemeente Oss d.d. 5-12-2007 ten aanzien van genoemd beleidsveld.

9. Verslavingsbeleid.• Beleidskader 2008-2010 maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en OGGZ; voorstel vanuit gemeente Oss d.d. 5-12-2007 ten aanzien van genoemd beleidsveld.

10. Bijlage IV : AfkortingenlijstAIB: Advies en Informatiepunt BoxmeerAMW: Algemeen Maatschappelijk WerkAwb: Algemene wet bestuursrechtAWBZ: Algemene Wet Bijzondere ZiektekostenBJZ: Bureau Jeugd ZorgBNO: Brabant NoordoostBTB: Bereikbaarheid Toegankelijkheid en BruikbaarheidCAK Centraal Administratie KantoorCIZ: Centrum voor Indicatiestelling ZorgCJG: Centrum Jeugd en GezinCVTM: Coördinatie Vrijwillige Thuiszorg en MantelzorgCVV: Collectief Vraagafhankelijk VervoerGGD: Gemeenschappelijke Gezondheids DienstGGZ: Geestelijke Gezondheids ZorgIVN: Instituut voor NatuurbeschermingseducatieJGZ: JeugdgezondheidszorgKBO: Katholieke Bond van OuderenKOPP: Kinderen van ouders met psychiatrische problemenLvC: Land van CuijkMEE: Onafhankelijke cliënt advies-en ondersteuningsorganisatieMeso: Medisch sociaalMetusa: Met u samenMO-VB: Maatschappelijke opvang en VerslavingsbeleidNOV: Nederlandse Organisaties VrijwilligerswerkOGGZ: Openbare Geestelijke GezondheidszorgPGB: Persoonsgebonden budget Tripple P: Positief Pedagogisch ProgrammaPTH: Praktische ThuishulpROC: Regionaal Opleiding CentrumRPCP: Regionaal Patiënten en Consumenten PlatformRSWO: Regionale Stichting Welzijn OuderenSCP: Sociaal Cultureel PlanbureauSTBNO: Stichting Thuiszorg Brabant NoordoostSVB: Sociale Verzekerings BankSVOB: Stichting Verankering Ouderenproof BoxmeerSWOGB: Stichting Welzijn Ouderen Gemeente BoxmeerVDA: Verzorging door aandachtVNG: Vereniging Nederlandse GemeentenVOGG: Vereniging van ouders van geestelijk gehandicaptenV&V: Verpleging en verzorgingVWS: Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en SportWA: Wettelijke AansprakelijkheidWCPV: Wet Collectieve Preventie VolksgezondheidWEB: Wet Educatie BeroepsonderwijsWmo: Wet maatschappelijke ondersteuningWvg: Wet voorzieningen gehandicaptenWwz: Wonen welzijn zorg