Verordening maatregelen en handhaving Wwb 2011

Geldend van 01-05-2011 t/m 30-06-2015

Intitulé

Verordening maatregelen en handhaving Wwb 2011

Verordening maatregelen en handhaving Ww 2011

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene bijstand : de bijstand bedoeld in artikel 5 onder b van de wet;

  • b.

    benadelingsbedrag : het bedrag aan netto/bruto bijstand dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

  • c.

    bijstand : algemene en bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag;

  • d.

    bijstandsnorm : de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5 onder c van de wet;

  • e.

    bijzondere bijstand : de bijstand bedoeld in artikel 5 onder d van de wet;

  • f.

    College : het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden;

  • g.

    inlichtingenplicht : de verplichtingen genoemd in artikel 17 eerste, tweede en vierde lid van de wet en artikel 28 tweede lid en 29 eerste lid van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI);

  • h.

    maatregel : het verlagen van de bijstand op grond artikel 18 tweede lid van de wet;

  • i.

    wet : Wet werk en bijstand (Wwb).

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

  • 1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het College tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont dan wel de uit de wet of de artikelen 28 tweede lid of artikel 29 eerste lid van de Wet SUWI voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het College of derden zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

  • 1. De maatregel wordt toegepast op de algemene bijstand (inclusief de verhoging of verlaging van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 30 eerste lid van de wet).

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag als:

    • a.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet of

    • b.

      de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.

  • 3. De verlaging kan niet meer bedragen dan de bijstand waarop de belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de verlaging betrekking heeft, als er geen grond voor verlaging zou zijn geweest.

Artikel 4. Het besluit

In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en, mits van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Artikel 5. Horen van belanghebbende

  • 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten als:

    • a.

      de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • b.

      de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het College, of van een derde aan wie het College met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn te voldoen aan de inlichtingenplicht.

Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Het College ziet af van het opleggen van een maatregel als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of

    • b.

      de gedraging meer dan een jaar vóór constatering van die gedraging door het College heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

2. Het College kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3.Als het College afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak

  • 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende algemene bijstand.

  • 2.. In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, als de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.

  • 3. De maatregel gaat niet in voordat de gedraging voor het eerst heeft plaatsgevonden.

  • 4. Als een belanghebbende kennis heeft kunnen nemen van het opleggen van een maatregel, maar de bijstand wordt beëindigd voordat de maatregel kan worden toegepast, wordt deze opgeschort en alsnog toegepast als binnen 6 maanden opnieuw bijstand wordt verstrekt.

  • 5. Als een belanghebbende kennis heeft kunnen nemen van het opleggen van een maatregel, maar de bijstand wordt beëindigd voordat de gehele periode van de maatregel is verstreken, wordt de resterende periode van de maatregel opgeschort en alsnog toegepast als binnen 6 maanden opnieuw bijstand wordt verstrekt.

Artikel 8. Samenloop van gedragingen

Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen als genoemd in artikel 2 eerste lid wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.

HOOFDSTUK 2. Niet of onvoldoende nakomen van de arbeidsverplichtingen

Artikel 9. Categorieën

Gedragingen waardoor de verplichtingen op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen worden onderscheiden in de volgende categorieën:

1.Eerste categorie:

het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de UWV Werkplein of het niet tijdig laten verlengen van deze registratie.

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    • b.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

  • 3.

    Derde categorie:

    • a.

      gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;

    • b.

      het onvoldoende meewerken aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering.

  • 4.

    Vierde categorie:

    • a.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde (deeltijd-)arbeid;

    • b.

      het niet meewerken aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering.

Artikel 10. Hoogte en duur

  • 1. Onverminderd artikel 2 tweede lid wordt de maatregel vastgesteld op:

    • a.

      tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

      • 2.

        Wanneer aan belanghebbende binnen een periode van een jaar, voorafgaand aan de bekendmaking van de maatregel als bedoeld in het eerste lid, één of meer eerdere maatregelen opgelegd zijn wegens gedragingen van de zelfde of een lagere categorie, wordt het in lid 1 vermelde percentage verdubbeld voor elke voorgaande maatregel binnen de genoemde termijn. Wanneer het percentage -eventueel na verdubbeling- 100 is, wordt de verdubbeling in hoogte vervangen door een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 6 tweede lid.

      • 3.

        De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder d wordt vastgesteld op drie maanden als de belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in het tweede lid of artikel 14 vijfde lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van de vierde categorie. Bij herhaalde recidive wordt deze periode bij elke volgende gedraging binnen 12 maanden, steeds verdubbeld.

HOOFDSTUK 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens

  • 1. Als een belanghebbende de inlichtingenplicht niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen een week te verstrekken wordt een maatregel opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, dit onverminderd artikel 2 tweede lid.

  • 2. De duur van de maatregel wordt verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan de zelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen bedoeld in artikel 6 tweede lid.

  • 3. Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en volstaan kan worden met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop aan de belanghebbende eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 12. Onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand

  • 1.

    Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2 tweede lid, als het netto benadelingsbedrag:

  • -

    minder is dan € 500,00: tien procent van de bijstandsnorm;

  • -

    meer is dan € 500,00 en minder is dan € 1.000,00: twintig procent van de bijstandsnorm;

- meer is dan € 1.000,00 en minder is dan € 2.500,00: vijftig procent van de bijstandnorm;

-meer is dan € 2.500,00: 100% van de bijstandsnorm;

gedurende een maand.

2.De duur van de maatregel wordt verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een gedraging als bedoeld in het eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen bedoeld in artikel 6 tweede lid.

Artikel 13. Onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand

  • 1. Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2 tweede lid, vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

  • 2. De hoogte van de maatregel wordt verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan de zelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen bedoeld in artikel 6 tweede lid.

  • 3. Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en volstaan kan worden met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop aan de belanghebbende eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

HOOFDSTUK 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging tot een hoger bedrag, eerder of langer recht heeft op bijstand.

  • 2. Onverminderd artikel 2 tweede lid wordt de duur van de maatregel bepaald op de periode dat tot een hoger bedrag, eerder of langer een beroep op bijstand wordt gedaan met een maximum van twaalf maanden.

  • 3. Als een belanghebbende een aan de bijstand verbonden bijzondere voorwaarde niet is nagekomen wordt gedurende een maand een maatregel opgelegd.

  • 4. Onverminderd artikel 2 tweede lid wordt de in de vorige leden bedoelde maatregel vastgesteld op twintig procent van de bijstandsnorm.

  • 5. Indien een belanghebbende door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden, zijn lid 1 t/m 4 van dit artikel niet van toepassing, maar wordt op grond van artikel 18 tweede lid van de wet een maatregel opgelegd van 100% voor de duur van 1 maand.

  • 6. De duur van de maatregel in het vijfde lid wordt vastgesteld op 3 maanden als de belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in het vijfde lid, opnieuw schuldig maakt aan de in het betreffende lid genoemde maatregelwaardige gedraging. Bij herhaalde recidive wordt deze periode bij elke volgende gedraging binnen 12 maanden, steeds verdubbeld.

Artikel 15. Misdragingen

  • 1. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het College of zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die zich in opdracht van het College bezig houden met de uitvoering van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2 tweede lid, met hantering van het agressieprotocol gemeente Uden, een waarschuwingsbrief verzonden, eventueel vergezeld van een uitnodiging voor een ordegesprek.

  • 2. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het College of zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die zich in opdracht van het College bezig houden met de uitvoering van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2 tweede lid een maatregel opgelegd van tenminste:

  • - tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij verbaal geweld;

  • - dertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij discriminatie;

  • - twintig procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij intimidatie;

  • - veertig procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij zaakgericht fysiek geweld;

  • - dertig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij mensgericht fysiek geweld;

  • - vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een combinatie van zaakgericht en mensgericht fysiek geweld.

HOOFDSTUK 5. Voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik

Artikel 16. Handhaving

  • 1. Het College draagt zorg voor een uitvoeringsbeleid en –organisatie die gericht zijn op het zo veel mogelijk voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik, en het wegnemen van de gevolgen van geconstateerd misbruik en oneigenlijk gebruik. Daartoe behoren in ieder geval:

  • a. het verstrekken van informatie over de verplichtingen die aan een uitkering verbonden zijn;

  • b. het controleren op de naleving van deze verplichtingen;

  • c. het gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde bijstand;

  • d. het opleggen van maatregelen als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13 van deze verordening;

  • e. het doen van aangifte van een vermoeden van bijstandsfraude bij het Openbaar Ministerie als er sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht leidend tot een bruto benadelingsbedrag van € 10.000,00 of meer.

  • 2. De Raad bepaalt de onderwerpen waarover het College aan hem verslag uitbrengt. Daartoe behoren in ieder geval:

  • a. het aantal gevallen waarin bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

  • b. het aantal gevallen waarin is besloten tot terugvordering;

  • c. het aantal opgelegde maatregelen in verband met misbruik en oneigenlijk gebruik;

  • d. het aantal gevallen waarin aangifte bij het Openbaar Ministerie is gedaan.

HOOFDSTUK 6. Slotbepalingen

Artikel 17. Intrekking oude verordening en overgangsmaatregel

De Verordening maatregelen en handhaving WWB 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij voor gedragingen die zich vóór 1 mei 2011 hebben voorgedaan haar werking behoudt.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2011.

Artikel 19. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen en handhaving Wwb 2011.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 7 april 2011.

De Raad voornoemd

de griffier de burgemeester

Inhoudsopgave

Bladzijde

1

HOOFDSTUK 2. Niet of onvoldoende nakomen van de arbeidsverplichtingen 3

HOOFDSTUK 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht 4

HOOFDSTUK 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel 5

HOOFDSTUK 5. Voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik 6

HOOFDSTUK 6. Slotbepalingen 7

Toelichting Verordening maatregelen en handhaving WWB 2011

Artikelsgewijze toelichting (voor zover gewijzigd)

Artikelen 9. Categorieën van de maatregel

In de vorige versie van dit artikel werd wel de mogelijkheid geboden tot het opleggen van een maatregel wanneer er sprake was van onvoldoende inspanningen om arbeid te verkrijgen/aanvaarden of het onvoldoende meewerken aan een traject in het kader van reïntegratie, maar er was geen mogelijkheid opgenomen om dit te doen wanneer iemand niet meewerkte aan pogingen tot sociale activering. In de praktijk is die lijn vaak dun, om duidelijk te maken dat in alle gevallen het niet meewerken als maatregelwaardig kan worden aangemerkt, is de verplichting tot meewerken aan sociale activering toegevoegd aan dit artikel.

In de oude verordening was een bepaling opgenomen dat het recht op bijstand kon worden beëindigd bij aanhoudende recidive. Diverse uitspraken van de Centrale Raad van Beroep hebben inmiddels aangetoond dat het niet nakomen van de reïntegratieverplichtingen nooit kunnen leiden tot beëindiging van het recht op bijstand, zonder dat de rechtmatigheidsaspecten van de uitkering zijn onderzocht. Dit lid is dan ook verwijderd omdat het in strijd was met de Wet werk en bijstand.

In artikel 9 is de maatregel voor het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid komen te vervallen. Zie hiervoor verder de toelichting op artikel 14, waar deze maatregel nu is ondergebracht.

Artikel 10. Hoogte en duur van de maatregel

In artikel 10 lid 2 is de recidivebepaling opnieuw vorm gegeven, omdat het oude artikel vatbaar was voor verschillende uitleg. Wel wordt vastgehouden aan de systematiek zoals die in de praktijk werd toegepast. Bij recidive wordt eerst de hoogte van de maatregel (percentage) verdubbeld. Bij herhaalde recidive gaat dit net zo lang door tot een maatregel van 100% wordt bereikt. Vindt er vervolgens nogmaals recidive plaats, dan wordt de volgende maatregel 100% voor de duur van 2 maanden. Vervolgens 4 maanden, 8 maanden etc. etc.

In artikel 10 lid 3 is toegevoegd dat het eerder (binnen 12 maanden) niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid (zie artikel 14) een reden is om van recidive te spreken en de maatregel te verdubbelen.

Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

De duur van de maatregel zoals bepaald in lid 1 t/m 4 is bepaald op maximaal 12 maanden. Hiermee wordt voorkomen dat de belanghebbende onverantwoord lang op een inkomen van 80% van de bijstandsnorm is aangewezen.

Voorheen was in artikel 9 geregeld dat bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid een maatregel opgelegd werd van 100%. Diverse uitspraken van de Centrale Raad van Beroep hebben inmiddels duidelijk gemaakt dat deze gedraging niet gekoppeld is aan artikel 9 van de Wwb, wat in de verordening wel werd aangenomen. Het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid staat niet omschreven als één van de reïntegratieverplichtingen in artikel 9 Wwb, maar valt onder een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoals bedoeld in artikel 18 lid 2 Wwb. Om die reden is de verordening nu aangepast en is de wettelijke grondslag alsmede de plek waar deze maatregel te vinden is, gewijzigd in de verordening.