Regeling vervallen per 13-07-2007

Inspraakverordening jeugdhulpverlening

Geldend van 01-01-1994 t/m 12-07-2007

Intitulé

Inspraakverordening jeugdhulpverlening

8.2.       INSPRAAKVERORDENING JEUGDHULPVERLENING

Inhoud

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.   wet: de Wet op de jeugdhulpverlening (Staatsblad 1989, nummer 360);

b.   plan: het Plan jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 10 van de wet;

c.   ingezetene: een inwoner van de provincie Drenthe;

d.   uitvoerder: een in de provincie werkzame uitvoerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de wet;

e.   samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 14 van de wet.

Artikel 2

Indien gedeputeerde staten het voornemen hebben belangrijke vormen van beleid of wijzigingen van beleid op het gebied van de jeugdhulpverlening voor besluitvorming voor te leggen aan provinciale staten, informeren zij het samenwerkingsverband over de procedure die moet leiden tot vaststelling van het plan en bieden hen de gelegenheid advies uit te brengen over de beleidsvoornemens.

Artikel 3

1.   Het ontwerpplan ligt gedurende 4 weken ter inzage.

2.   Gelijktijdig met de kennisgeving van de terinzagelegging wordt het ontwerpplan toegezonden aan de uitvoerders en het samenwerkingsverband, alsmede aan de overige betrokkenen op het terrein van de jeugdhulpverlening.

3.   Gedurende de in het eerste lid genoemde termijn kunnen alle ingezetenen, de uitvoerders en het samenwerkingsverband hun zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren brengen.

4.   Gedeputeerde staten kunnen de in het eerste lid genoemde termijn verlengen tot maximaal 6 weken.

Artikel 4

Gedeputeerde staten bieden de uitvoerders en het samenwerkingsverband de gelegenheid over het ontwerpplan overleg te voeren op een door hen te bepalen tijdstip. Van het overleg wordt een verslag gemaakt.

Artikel 5

De overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 ingebrachte zienswijzen, alsmede de adviezen en het verslag als bedoeld in respectievelijk de artikelen 2 en 4, worden ter kennis gebracht van provinciale staten.

Artikel 6

1.   Gedeputeerde staten stellen een overzicht op van de zienswijzen die overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 zijn ingebracht, alsmede van hun overwegingen daaromtrent.

2.   Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het overzicht naar degenen die hun zienswijze naar voren hebben gebracht, de uitvoerders en het samenwerkingsverband.

Artikel 7

1.   Gedeputeerde staten geven in hun voorstel aan provinciale staten samenvattend aan welke zienswijzen overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 zijn ingebracht, hun overwegingen daaromtrent en tot welke wijzigingen deze in het ontwerpplan hebben geleid.

2.   Provinciale staten stellen op voorstel van gedeputeerde staten het plan vast.

Artikel 8

1.   Ingezetenen, uitvoerders en samenwerkingsverband kunnen uiterlijk binnen 6 weken nadat provinciale staten het plan hebben vastgesteld hun beklag doen over de uitvoering van deze verordening.

2.   Het beklag is gemotiveerd en wordt gericht aan de Provinciale Klachten- en Verzoekschriftencommissie.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1994.

Artikel 10

Deze verordening wordt aangehaald als Inspraakverordening jeugdhulpverlening provincie Drenthe.

TOELICHTING OP DE INSPRAAKVERORDENING JEUGDHULPVERLENING

ALGEMEEN

In artikel 11 van de Wet op de jeugdhulpverlening is bepaald dat provinciale staten een verordening vaststellen, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de provincie werkzame uitvoerders worden betrokken bij de voorbereiding van het beleid ten aanzien van de regionale voorzieningen.

Volgens het tweede lid van dit artikel worden in deze verordening ten minste geregeld:

a.   de wijze waarop beleidsvoornemens bekend worden gemaakt;

b.   de wijze waarop ingezetenen en in de provincie werkzame uitvoerders in staat worden gesteld hun mening over de beleidsvoornemens kenbaar te maken;

c.   de wijze waarop met in de provincie werkzame uitvoerders overleg wordt gevoerd over de beleidsvoornemens;

d.   de rapportering over de onder b bedoelde inspraak en het onder c bedoelde overleg en de uitkomsten daarvan;

e.   de wijze waarop ingezetenen en in de provincie werkzame uitvoerders in de gelegenheid worden gesteld hun beklag te doen over de uitvoering van de verordening.

Deze inspraakverordening loopt in zekere mate vooruit op artikel 147 van de nieuwe Provinciewet. In dit artikel is in bijna gelijke bewoordingen als in artikel 11 van de Wet op de jeugdhulpverlening een inspraakverordening geëist, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het provinciaal beleid worden betrokken. Na inwerkingtreding van de nieuwe Provinciewet zal  - naar verwachting - deze regeling kunnen vervallen bij inwerkingtreding van en onder verwijzing naar de alsdan tot stand gebrachte inspraakverordening.

ARTIKELSGEWIJS, VOOR ZOVER NOODZAKELIJK

Artikel 1

Dit artikel bevat de noodzakelijke begripsbepalingen.

Artikel 2

Het wordt belangrijk geacht in een zo vroeg mogelijk stadium de Drentse Vereniging Jeugdhulpverlening als samenwerkingsverband in deze provincie bij het besluitvormingsproces te betrekken. Tevens kan dan als er sprake is van een (omvangrijk) planningsproces, zoals het jaarlijks vast te stellen vierjarenplan, gevraagd worden adviezen en/of bouwstenen voor het beleid aan te dragen.

Artikel 3

De inspraaktermijn is overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gesteld op 4 weken. Deze termijn moet als voldoende worden beschouwd voor het indienen van meningen en/of adviezen.

Er zal naar gestreefd worden deze termijn niet in de vakantieperiode te laten vallen.

Indien er sprake is van wijzigingen van het beleid op belangrijke onderdelen, zoals de normharmonisatie, herspreiding of schaalvergroting kan de termijn worden verlengd tot maximaal 6 weken.

Bij overige betrokkenen op het terrein van de jeugdhulpverlening wordt onder andere gedacht aan de gemeente- en provinciebesturen, de Ministeries van WVC en

Justitie, de Inspectie JHV, de landelijke verenigingen voor jeugdhulpverlening en dergelijke.

Artikel 6

Overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vindt inspraak plaats naar aanleiding van het ontwerpplan. Dit artikel vormt een uitbreiding van afdeling 3.4 in die zin dat degenen die de inspraakmogelijkheden hebben benut reeds voor de vaststelling van het definitieve plan door provinciale staten inzicht krijgen in de wijze waarop gedeputeerde staten rekening hebben gehouden met de door hen ingebrachte zienswijzen.

Artikel 7

Een samenvatting van de inspraakreacties, het commentaar van gedeputeerde staten hierop, alsmede de eventuele nadere wijzigingen van het ontwerpplan worden opgenomen in het statenvoorstel betreffende het Plan jeugdhulpverlening.

Zij worden ook op de hoogte gesteld van de vaststelling van het plan door provin-ciale staten.

Artikel 8

Beklag doen over de uitvoering van deze verordening kan betrekking hebben op handelingen en beslissingen van het provinciebestuur gedurende de besluitvormingsprocedure van het plan.