Beleidsregel toetsingskader ammoniak en Natura 2000

Geldend van 29-06-2007 t/m 31-12-2016

Intitulé

Beleidsregel toetsingskader ammoniak en Natura 2000

Afspraken van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) met gemeenten (VNG), provincies (IPO) en veehouders (LTO Nederland)

Doel

  • bescherming van natuurwaarden;

  • ontwikkeling van veehouderijen mogelijk maken

Bestemd voo

  • veehouders;

  • vergunningverleners bij gemeenten (milieuvergunning);

  • vergunningverleners bij provincies (natuurbeschermingswet-vergunning)

Van kracht

vanaf mei 2007 tot aan vaststelling beheerplan

Meer info

www.minlnv.nl/natura2000

Inhoud

Waarom dit toetsingskader?

De Vogel- en Habitatrichtlijnen van de Europese Unie schrijven voor dat elke lidstaat beschermde natuurgebieden aanwijst, de zogenoemde Natura 2000 gebieden.

In Nederland gaat het om 162 gebieden met een totale oppervlakte van ongeveer 300 duizend hectare land en 800 duizend hectare water (zie kaartje 1).

Voor de natuurgebieden gaan beheerplannen gelden. Zo¿n plan stelt per natuurgebied vast welke belasting toelaatbaar is. Uitgangspunt is dat de huidige natuur niet verslechtert en waar mogelijk wordt verbeterd.

Een belangrijke belasting is die van stikstof, waaronder ammoniak. Onder andere in de veehouderij komt ammoniak vrij; het komt via de lucht ook terecht in de natuurgebieden. Veel plantensoorten zijn gevoelig voor grote hoeveelheden ammoniak. Daarom gelden normen voor de ¿neerslag¿ van ammoniak in een natuurgebied: de ammoniakdepositie.

Zolang de beheerplannen er nog niet zijn, geldt voor de ammoniakdepositie dit toetsingskader*. Het is een leidraad voor veehouderijbedrijven in of nabij de Natura 2000 gebieden. Het kader bepaalt de spelregels die gelden bij aanpassing ¿ meestal uitbreiding ¿ van deze bedrijven. Gemeenten en provincies gebruiken deze regels bij het verlenen van een milieuvergunning of een natuurbeschermingsvergunning.

*    Dit toetsingskader geldt alleen voor de toetsing van ammoniak en niet voor eventuele andere mogelijke negatieve effecten. Als bedrijven op grond van dit toetsingskader mogen uitbreiden, moet worden nagegaan of er andere negatieve effecten op de natuur zijn (zoals geluid en licht).

Zonder dit toetsingskader zou elke veehouder zelf moeten aantonen dat een voorgenomen uitbreiding ¿geen significant effect¿ heeft op het natuurgebied. In de praktijk is het voor een individuele veehouder lastig om dit aan te tonen. Ook blijkt het begrip ¿significant effect¿ tot discussie te leiden. Dit toetsingskader biedt mogelijkheden voor ontwikkeling van veehouderijen binnen de grenzen van de afgesproken bescherming van de natuur.

Bij het toetsingskader hoort een lijst met de Natura 2000 gebieden en de kritische depositiewaarde die voor dat gebied geldt (de lijst is te raadplegen op www.minlnv.nl/natura2000). Het toetsingskader geldt niet voor gebieden met een kritische depositiewaarde hoger dan 2400 mol (zie de lijst) en voor gebieden die alleen zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied (niet opgenomen op de lijst). In deze gebieden spelen adres factoren dan ammoniak een grotere rol bij de vergunningverlening.

Uitgangspunten

Voor het toetsingskader gelden de volgende uitgangspunten.

1.   Bescherming van de natuur en ontwikkeling van veehouderij zijn in balans.

2.   Geen verslechtering van de natuur, noch door afname van het areaal, noch door aantasting van de kwaliteit (bijvoorbeeld soortenrijkdom).

3.   De gemiddelde ammoniakdepositie in de natuurgebieden moet afnemen. Binnen deze randvoorwaarde is wel ontwikkeling van veehouderijen mogelijk.

4.   Het toetsingskader is alleen van toepassing op een (voorgenomen) wijziging van de ammoniakdepositie door een veehouderijbedrijf (meestal uitbreiding) en dus niet op de huidige situatie (¿bestaand gebruik¿)*.

5.   Het toetsingskader is van toepassing in situaties waar de Natuurbeschermingswet een vergunning voorschrijft. Dat is het geval als er een kans op een negatief effect aanwezig is. Bij twijfel hierover wordt ondernemers geadviseerd contact op te nemen met de gemeenten of de provincie. Indien er geen kans op een negatief effect is, bijvoorbeeld omdat de afstand tot het natuurgebied groot is, is geen Natuurbeschermingswetvergunning vereist. In een dergelijke situatie is ook dit toetsingskader niet van toepassing. Voor Habitatrichtlijngebieden die nog niet formeel zijn aangewezen geldt dat toetsing en vergunningverlening vooralsnog verloopt via gemeenten (Wet milieubeheer) en niet via provincies (Natuurbeschermingswet 1998).

*    Onder ¿bestaand gebruik¿ verstaan we een activiteit die voor 1 oktober 2005 plaatsvond en sedertdien niet is gewijzigd

De spelregels stap voor stap

Voor een wijziging (o.a. uitbreiding of nieuwvestiging) van een veehouderijbedrijf is een milieuvergunning van de gemeente en/of een natuurbeschermingsvergunning van de provincie vereist. Deze situatie verschilt per Natura 2000-gebied. De gemeente kan ondernemers hierover informeren. Voor Habitatrichtlijngebieden die niet overlappen met Vogelrichtlijngebieden of beschermde natuurmonumenten (zie kaart 1), is de gemeente het bevoegd gezag. Voor de overige gebieden zal de gemeente ondernemers doorverwijzen naar de provincie.

Om na te gaan of die vergunning wat betreft ammoniak wel of niet kan worden verstrekt, gelden er criteria. Die geven we onderstaand stapsgewijs weer, met bij elke stap een toelichting.

stap 1

Stap 1.  Gaat het om een graasdierbedrijf dat (ook) na uitbreiding grondgebonden is?

Ja

Vergunning

Nee

Naar stap 2

Toelichting

Lokaal grondgebonden graasdierdrijven in de buurt van natuurgebieden zijn vaak van landschappelijke en ecologische betekenis. Daarom gelden als criteria voor grondgebondenheid:

-     het bedrijf past beweiding toe;

-     geen mestafzet (mestproductie tot 250 kg N/ha voor bedrijven met derogatie, tot 170 kg N/ha voor bedrijven zonder derogatie;

-     minimaal 60% van de percelen behoort tot de huiskavel*, de overige percelen bevinden zich binnen 10 kilometer van de bedrijfsgebouwen;

-     op het bedrijf zijn alleen graasdieren aanwezig en geen andere dieren;

-     bewijslast ligt bij de ondernemer, hij toont aan dat hij aan deze voorwaarden voldoet.

*    De huiskavel bestaat uit het complex van aaneengesloten percelen waarop ook de bedrijfsgebouwen staan en dat wordt begrensd door gronden van anderen, openbare wegen of niet-overschrijdbare waterwegen.

stap 2

Stap 2.  Valt de nieuwe depositie (na uitbreiding) binnen de drempelwaarde?

Ja

Vergunning

Nee

Naar stap 3

Toelichting

Een natuurgebied kan, afhankelijk van de natuurwaarden die er aanwezig zijn, een bepaalde hoeveelheid ammoniak verdragen. Deze hoeveelheid, waarbij er geen aantoonbare schade optreedt, is de

kritische depositiewaarde (voor een overzicht van deze waarde per

Natura 2000 gebied: zie bijlage 1). Om deze waarde om te rekenen naar een maatstaf voor de maximale depositie door een individueel veebedrijf, is onderzoek uitgevoerd. Het instituut Alterra van

Wageningen UR heeft in vijf proefgebieden uitgerekend hoe de ammoniakuitstoot zich de komende jaren naar verwachting ontwikkelt. Hieruit blijkt dat de gemiddelde ammoniakdepositie afneemt als de depositie van een bedrijf na uitbreiding niet hoger is dan vijf procent van de kritische depositie. Deze vijf procent noemen we de drempelwaarde.

Dus: als na uitbreiding de ammoniakdepositie door een veehouderij op de dichtstbijzijnde rand van het natuurgebied niet hoger is dan vijf procent van de kritische depositiewaarde voor het natuurgebied, wordt de vergunning verleend.

De ammoniakdepositie na uitbreiding (de depositiewaarde) stellen we vast op basis van het zogenoemde Ammoniak-depositiemodel.

Dit is ontwikkeld door KEMA en WageningenUR en heet in vaktaal ¿AAgro-Stacks¿ . De volgende gegevens zijn in ieder geval benodigd:

-     de diercategorie;

-     aantal dieren in de bestaande vergunning;

-     het stalsysteem incl. de emissiefactor en RAV-code;

-     de ligging van de stallen;

-     de ligging van het dichtstbijzijnde punt van het natuurgebied*.

Naast bovengenoemde punten spelen windrichting, ruwheid van het terrein en de hoogte van gebouwen een belangrijke rol bij het bepalen van de depositie op een natuurgebied. Het model houdt rekening met al deze factoren.

Is de depositiewaarde kleiner of gelijk aan de drempelwaarde (5% van de kritische depositie)?

Zo ja, vergunning verlenen. Zo nee, naar stap 3.

*    Een uitzondering geldt voor grotere wateren die zijn aangewezen als natuurgebied, namelijk de Waddenzee, IJsselmeer en Zeeuws/Zuidhollandse wateren (zie kaartje 2).

Hier geldt niet de kortste afstand tot de grens van het gebied, maar die tot aangewezen ammoniakgevoelige plekken in deze wateren. Deze uitzondering is er omdat:

-     in deze natuurgebieden slechts enkele kleine plekjes gevoelig zijn voor ammoniak;

-     anders de veehouderij in een groot gebied rondom deze wateren onnodig zou worden beperkt.

stap 3

Stap 3.  Is de nieuwe depositie (na uitbreiding) kleiner of gelijk aan de huidige depositie?

Ja

Vergunning, maatwerk voor piekbelastingen

Nee

Naar stap 4

Toelichting

Als een veehouderij na uitbreiding boven de drempelwaarde uitkomt, kan in bepaalde gevallen wel vergunning worden verleend. Voorwaarde is dat de nieuwe depositie (na uitbreiding) niet hoger is dan de huidige (vóór uitbreiding).

Bijvoorbeeld: een veehouderij veroorzaakt nu een depositie die overeenkomt met 18% van de kritische depositie. Dit bedrijf zit dus boven de drempelwaarde van 5%. Na uitbreiding komt de depositie uit op 17%.

Daarmee blijft het bedrijf de drempelwaarde overschrijden. Maar omdat de nieuwe depositie niet groter is dan de huidige (van 18 naar 17%) kan de vergunning in dit geval wel worden verleend.

Een speciale regeling geldt voor zogenoemde piekbelastingen. Dat zijn veehouderijen met een depositie die 100% of meer bedraagt van de kritische depositie in het natuurgebied. In deze uitzonderlijke situaties (bijvoorbeeld een bedrijf met een hoge uitstoot vlakbij of in een natuurgebied) past de vergunningverlener (gemeente of provincie) maatwerk toe.

stap 4

Stap 4.  Is er nog ruimte binnen de kritische depositie die het natuurgebied kan hebben?

Ja

Vergunning

Nee

Geen vergunning

Toelichting

Als de nieuwe depositie (na uitbreiding) boven de drempelwaarde komt en groter is dan de huidige depositie, kan slechts in uitzonderingssituaties een vergunning worden verleend. Het gaat dan om natuurgebieden waar de totale depositie lager is dan de kritische depositie. Er is dan ruimte voor groei van de depositie door uitbreiding van een bedrijf, zonder dat dit ten koste gaat van de natuur.

Deze situatie is alleen aan de orde in en rondom een klein aantal

Natura 2000 gebieden. De gemeenten waarin deze situatie van toepassing is, worden hierover geïnformeerd. De gemeente of de provincie bepaalt of, en zo ja hoe, er van deze uitzonderingssituatie gebruik kan worden gemaakt.

Aanpassing van de plannen

Als een uitbreidingsplan op basis van bovenstaande stappen niet in aanmerking komt voor een vergunning, is aanpassing een mogelijkheid.

Door bijvoorbeeld extra technische voorzieningen (zoals luchtwassers) of een minder forse uitbreiding kan wellicht toch worden voldaan aan de criteria.

"Passende beoordeling"

Ten slotte kan een ondernemer, als dit toetsingskader geen ruimte biedt voor uitbreiding, altijd zelf proberen aan te tonen dat de uitbreiding ¿geen significant effect¿ zal hebben op de natuur. Dit is de zogenoemde ¿passende beoordeling¿ uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hiertoe is veelal een omvangrijk onderzoek vereist, waarvoor mogelijk hoge kosten moeten worden gemaakt.

WETENSCHAPPELIJKE EN JURIDISCHE INBEDDING TOETSINGSKADER AMMONIAK EN NATURA 2000

1, INLEIDING

Dit toetsingskader is ontwikkeld om een houvast te bieden aan veehouders en vergunningverleners bij het vinden van een antwoord op de vraag of voor een wijziging van de situatie die moet leiden tot een aanpassing van de vergunning (inclusief nieuwvestiging) van een veehouderijbedrijf vanwege de ammoniakdepositie ten gevolge daarvan op een Natura 2000-gebied:

1.   een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, of

2.   bij de beoordeling van een vergunningaanvraag in het kader van de Wet milieubeheer een habitattoets moet worden uitgevoerd (zie paragraaf 2 voor toepas-singsbereik Natuurbeschermingwet 1998)

3.   en zo ja, wanneer een vergunning verleend kan worden.

De aanleiding voor het opstellen van het toetsingskader is dat sinds 2004 de Raad van State ook bij geringe toenames van de ammoniakemissies geregeld vergunningen voor bedrijfsuitbreiding vernietigde, omdat niet kon worden uitgesloten dat de ammoniakemissie significante gevolgen kon hebben voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied (Tweede Kamer, 2006-2007, 30654, nr. 27).

Het ontbrak tot dusverre aan een inhoudelijk handvat, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of significante gevolgen zullen optreden. Dit toetsingskader beoogt zo¿n handvat, als het gaat om ammoniakuitstoot, te bieden.

Het toetsingskader is alleen bedoeld voor wijzigingen die niet passen binnen de geldende vergunning (zoals nieuwvestiging, bedrijfsuitbreiding en wijziging van het emissiepunt) en richt zich dus niet op bestaand gebruik. Met de term bestaand gebruik wordt dus niet gedoeld op de bestaande depositie, maar op de activiteiten die de depositie tot gevolg hebben. Het toetsingskader heeft daarnaast een tijdelijk karakter. Het is van kracht totdat de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden zijn vastgesteld. In de Natuurbeschermingswet 1998 is bepaald dat deze beheerplannen worden gemaakt binnen drie jaar na het aanwijzen van de gebieden. In de beheerplannen wordt per gebied afgesproken welke maatregelen noodzakelijk zijn ¿ ook op het gebied van ammoniakuitstoot- om de instandhoudingsdoelstellingen te halen.

Het toetsingskader is van toepassing op de in bijlage 3 van het Alterrarapport vermelde Habitatrichtlijngebieden. Voor Habitatrichtlijngebieden met een kritische depositiewaarde van 2400 mol of hoger (waarvan de natuur nauwelijks gevoelig is voor ammoniak) behoeft, conform de bestuurlijke afspraak uit november 2006, de ammoniaktoets niet te worden doorlopen. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden die alleen zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied geldt dat geen overtuigende gronden zijn om te veronderstellen dat deze gebieden extra bescherming moeten hebben tegen ammoniak vanwege de aangewezen soorten. Deze gebieden zijn dan ook niet opgenomen in bijlage 3 van het Alterrarapport.

2, HET WETTELIJK KADER

Artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verbiedt het zonder vergunning uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Artikel 19f van die wet bepaalt dat de initiatiefnemer een passende beoordeling moet maken van de gevolgen van het project wanneer er een kans is dat het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen heeft.

In dat geval mag, ingevolge artikel 19g, geen vergunning worden verleend wanneer niet op basis van de passende beoordeling met zekerheid vaststaat dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied plaatsvindt.

Deze bepalingen zijn de omzetting in Nederlands recht van artikel 6, tweede en derde lid van de Habitatrichtlijn. Voor gebieden die niet zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 gelden bovenstaande bepalingen uit de wet nog niet*. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn heeft wel rechtstreekse werking. Dit betekent dat in bepaalde omstandigheden de richtlijn rechtstreeks toegepast moet worden.

*    Zie ABRvS februari 2007, zaaknr. 200604026/1.

Het is de overheid niet toegestaan om richtlijnbepalingen die niet zijn omgezet naar

Nederlands recht tegen te werpen aan burgers. Een belanghebbende mag zich wel ten opzichte van de overheid beroepen op rechtstreeks werkende richtlijnbepalingen die niet zijn omgezet. Met betrekking tot artikel 6 van de Habitatrichtlijn betekent dit dat het bevoegd gezag voor de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer gehouden is artikel 6 toe te passen wanneer een belanghebbende daarom verzoekt.

Bij rechtstreekse werking in andere gevallen is een veehouder niet verplicht aan te tonen dat zijn plannen passen binnen het toetsingskader en dus binnen de voorwaarden van artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

Het is echter verstandig om desalniettemin deze toets uit te voeren. Na de aanwijzing van de gebieden zal de Natuurbeschermingswet 1998 wél gelden en zal bij het opstellen van het beheerplan en/of bij de vergunningverlening worden beoordeeld of de activiteit aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied in de weg staat (tenzij dit al bekend is omdat bij de verlening van de vergunning op basis van de Wet milieubeheer de habitattoets is uitgevoerd.) De activiteit zal na de aanwijzing niet zijn aan te merken als bestaand gebruik. De activiteit bestond immers niet voordat het gebied werd aangemeld als Habitatricht-lijngebied en ook niet vóór 1 oktober 2005 (de inwerkingtreding van artikelen 19d e.v. van de Natuurbeschermingswet 1998. Als het niet aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in de weg staat, kan het opgenomen worden in het beheerplan voor het Natura 2000-gebied en dan is het niet vergunningplichtig. Als de activiteit wél schadelijk kan zijn en niet wordt gereguleerd in een beheerplan, mag de activiteit niet worden voortgezet zonder Natuurbeschermingswetvergunning.

De inhoudelijk toetsing bij rechtstreekse werking is hetzelfde als bij toepassing van de Natuurbeschermingswet 1998. Er kan dus gewerkt worden met dezelfde criteria.

Bij vergunningverlening op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998, zonder toepassing van artikel 19f e.v., is het toegestaan een belangenafweging te maken. In dergelijke gevallen wordt artikel 19d namelijk gebruikt om toepassing te geven aan de verplichting in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechtert of er verstorende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, voor zover deze verstoring een significant effect kan hebben. Bij het nemen van deze maatregelen mag rekening worden gehouden met sociale en economische vereisten*. Zoals uit het navolgende zal blijken gaat het bij het toepassen van dit toetsingskader om het naleven van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn en is toestemmingverlening voor een plan of project met mogelijk significante gevolgen (artikel 6, derde lid) hier niet aan de orde.

*    Zie in deze MvT p. ¿ en Leidraad van de Europese Commissie p. ¿

3, HOOFDLIJNEN TOETSINGSKADER

Het Toetsingskader ammoniak en Natura 2000 bestaat uit de volgende elementen.

-     Een stappenplan voor veehouders en vergunningverleners dat uitwijst of uitbreiding op grond van het toetsingskader mogelijk is (inclusief een kaart van de Natura 2000-gebeiden en een kaart met de ammoniakgevoelige gebieden binnen de grote wateren).

-     Het verspreidingsmodel Aagro-Stacks, dat volgens het stappenplan benodigd is om de (toekomstige) ammoniakdepositie te berekenen (inclusief handleiding).

-     Deze wetenschappelijke en juridische inbedding.

-     Het Alterrarapport Aanvullend onderzoek naar de effecten van de ammoniakdepositie op 5 habitatgebieden ten behoeve van het interim-toetsingskader Natura 2000 en ammoniak¿ (2007) (hierna: Alterrarapport).

-     De uit het Alterrarapport overgenomen lijst met kritische depositiewaarden per Natura 2000-gebied en een kaart met de Natura 2000-gebieden.

3.1, Depositie lager dan drempelwaarde

Wanneer na de uitbreiding van het bedrijf, het bedrijf een depositie op het Natura 2000-gebied veroorzaakt die gelijk is aan of kleiner dan 5% van de meest kritische depositiewaarde van dat Natura 2000-gebied (de drempelwaarde), dan kan de vergunning vanuit het oogpunt van ammoniakdepositie zonder meer worden verleend (stap 2 in het stappenplan).

De verwachte bedrijfseigen depositie na uitbreiding wordt in dit toetsingskader bepaald op grond van het door Wageningen UR en KEMA ontwikkelde verspreidingsmodel `Aagro-Stacks¿. Dit model is samen met vergunningverleners en andere betrokkenen uitvoerig getest. Voor het toepassen van dit model moet de bijgevoegde handleiding worden gebruikt.

Voor het bepalen van de kritische depositiewaarde in het betreffende Natura 2000-gebied wordt verwezen naar de tabel in bijlage 3 van het Alterrarapport. In afwijking hiervan wordt, voortvloeiend uit de afspraken die in het bestuurlijk overleg zijn gemaakt over De Peel, voor de Groote Peel de kritische depositiewaarde vastgesteld op 400 mol/ha/jaar.

3.2, Depositie hoger dan drempelwaarde

Wanneer de bedrijfseigen depositie van bedrijven na uitbreiding boven de drempelwaarde ligt, is het in een aantal situaties mogelijk alsnog een vergunning te verlenen.

Dit is ten eerste het geval wanneer de bedrijfseigen depositie na uitbreiding lager is dan of gelijk is aan de bedrijfseigen depositie voor uitbreiding (stap 3 in het stappenplan). De beide deposities worden berekend met het verspreidingsmodel Aagro-Stacks. Voor het berekenen van de depositie voor uitbreiding wordt uitgegaan van het aantal dieren volgens de actuele vergunning. Als sprake is van een piekbelasting (veehouderijen met een depositie van 100% of meer van de kritische depositie van het Natura 2000-gebied), kan een vergunning niet zonder meer worden verleend. In deze uitzonderlijke gevallen past het bevoegd gezag maatwerk toe.

Als het verlenen van een vergunning volgens stap 3 niet mogelijk is, bestaat nog een tweede mogelijkheid. Wanneer de actuele depositie in en rondom een Natura 2000-gebied lager is dan de kritische depositiewaarde van het betreffende Natura 2000-gebied en er daarmee nog ruimte is voor uitbreiding binnen de kritische depositie-waarde van het gebied, kan in principe een vergunning worden verleend (stap 4 in het stappenplan).

Het bevoegd gezag stelt zo nodig nadere regels bij het verlenen van een vergunning, mede gelet op de eventuele situatie dat de (gezamenlijke) toename van depositie van een (of meerdere) ondernemers de nog beschikbare ruimte binnen de kritische depositiewaarde overschrijdt. Voor het bepalen van de actuele depositie in en rondom het Natura 2000-gebied kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van de jaarlijkse gegevens van het Milieu en Natuurplanbureau (MNP).

Omdat in verreweg de meeste gebieden de actuele depositie boven de kritische depositiewaarde ligt, zal deze stap in de praktijk vermoedelijk weinig worden doorlopen.

3.2.1, Norm voor grondgebonden graasdierhouderij

Naast de drempelwaarde, die geldt voor alle veehouderijbedrijven, is voor graasdierbedrijven die lokaal grondgebonden zijn en beweiding , een extra norm ontwikkeld. De kern hiervan is dat door de veebezetting te koppelen aan de beschikbare oppervlakte grond, de depositie gelimiteerd wordt op een voor de natuur aanvaardbaar niveau (zie ook Alterrarapport). Reden hiervoor is onder andere dat graasdierbedrijven veel minder dan andere veehouderijen via technische maatregelen hun emissie kunnen terugdringen, terwijl via het toetsingskader wel de gehele ammoniakdepositie van de veehouderij tezamen voldoende wordt gereguleerd om significante gevolgen te voorkomen. Landschappelijke waarde Aan melkveehouderijbedrijven die lokaal grondgebonden zijn kan een vergunning worden verleend, ook als hun bedrijfseigen depositie na uitbreiding de drempelwaarde overschrijdt (stap 1 in het stappenplan).

Graasdierhouders moeten voldoen aan de volgende voorwaarden.

a.   Bedrijf met enkel graasdieren en met beweiding

b.   Geen mestafzet ((graasdier)mestproductie tot 250 kgN/ha voor bedrijven met derogatie, 170 kgN/ha voor bedrijven zonder derogatie)

c.   Ten minste 60% van de percelen is huiskavel (huiskavel is complex van kavels aaneengesloten aan bedrijfsgebouwen, begrensd door gronden van anderen, openbare wegen (behalve die met een veetunnel ter plaatse) of nietoverschrijdbare waterwegen), overige percelen binnen 10 km om bedrijfgebouwen.

3.3, Aanpassen plan of passende beoordeling

Veehouderijbedrijven die op grond van het stappenplan geen vergunning krijgen, kunnen volgens het toetsingskader niet uitbreiden. Zij zullen, om toch te kunnen groeien, hun plan moeten aanpassen (bijvoorbeeld door de inzet van technische maatregelen, zoals luchtwassers) en daarmee opnieuw het stappenplan moeten doorlopen.

Daarnaast bestaat, los van dit toetsingskader, voor iedereen op grond van de

Natuurbeschermingswet 1998 de mogelijkheid een passende beoordeling te laten verrichten naar de effecten van de beoogde activiteit op de natuur. Uit zo¿n passende beoordeling moet dan blijken dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied optreedt.

3.4, Te hanteren begrenzing Natura 2000-gebieden

De kaarten van de Habitatrichtlijngebieden kunnen alle geraadpleegd worden op de website van het Ministerie van LNV.

Voor de gebieden waarvan reeds ontwerp-besluiten zijn gepubliceerd moet uit worden gegaan van de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden op de bij deze ontwerpbesluiten behorende kaarten: http://www2.minlnv.nl/thema/groen/natuur/Natura2000_2006/Provincies.htm Dit betreft ten eerste de gebieden die op de kaart "Natura 2000-gebieden in Nederland, ontwerpbesluiten 1e tranche" in groen of geel zijn aangeduid.

Ook van zes gebieden in het Waddengebied zijn in mei 2007 ontwerpbesluiten gepubliceerd (Waddenzee, Duinen en lage Land Texel, Duinen Vlieland, Duinen Terschelling, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog). Naar verwachting zullen in de tweede helft van 2007 nog meer gebieden in procedure worden gebracht.

Kaarten van de overige Habitatrichtlijngebieden kunnen worden geraadpleegd middels de Gebiedendatabase (met zoekfunctie): http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ De snelkoppeling naar de kaarten van het Habitatrichtlijngebied is te vinden onder het kopje "Documenten" onderaan de webpagina van het betreffende gebied.

4, WETENSCHAPPELIJKE ONDERBOUWING TOETSINGSKADER

Dit toetsingskader biedt ruimte aan economische ontwikkeling van de veehouderij in en rondom Natura 2000-gebieden waar dat ecologisch verantwoord is gelet op artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (zie ook paragraaf 2). Het bepalende criterium is daarbij, op grond van de Vogel-en Habitatrichtlijn, dat bedrijfsuitbreiding geen significante gevolgen mag hebben voor de Natura 2000-gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden mogen niet in gevaar worden gebracht. In dit toetsingskader zijn daarom op basis van wetenschappelijk onderzoek normen ontwikkeld (de drempelwaarde en de norm voor grondgebondenheid) die aan dit criterium voldoen.

4.1, Drempelwaarde

Met het bovenstaande als uitgangspunt is in het bestuurlijk overleg van 16 november 2006, op basis van voorlopige resultaten van een scenariostudie door Alterra, gekozen voor een richtinggevende drempelwaarde van 5% van de kritische depositiewaarde.

Alterra heeft daarna de gevolgen van het gebruik van de drempelwaarde van 5% nader onderzocht. Dit is gebeurd voor vijf gebieden die representatief zijn voor alle Natura 2000-gebieden. Alterra hanteert hierbij een toekomstscenario (tot en met 2015 dat rekening houdt met een realistische ontwikkeling van de veehouderijsector in de komende jaren (een gelijkblijvend aantal dieren). Voor de vijf onderzochte gebieden is vervolgens onderzocht wat de gevolgen van een drempelwaarde van 5% zullen zijn voor zowel bedrijfsontwikkeling als gebiedseigen depositie op de natuur. De uitkomst is dat in alle gebieden de depositie zal afnemen.

Alterra heeft daarna nog twee `worst case¿-scenario¿s in beeld gebracht. In het eerste scenario worden, uitgaande van een gelijk blijvend aantal dieren, de dieren van de stoppers zo veel mogelijk zijn toebedeeld aan groeiers zo dicht mogelijk bij het natuurgebied. In vier van de vijf onderzochte gebieden zal in dat scenario de depositie nog steeds afnemen, in één gebied blijft de depositie gelijk. In het tweede `worst case¿-scenario wordt uitgegaan van een groei van het aantal dieren met 10% in 2015. In dat geval blijft de depositie ongeveer op het niveau van 2004.

Voor het beantwoorden van de vraag of negatieve effecten op de natuur ontstaan, is niet alleen de bedrijfseigen depositie van individuele veehouderijen of van de groep bedrijven waarvoor het onderhavige toetsingskader zal gelden van belang, maar tevens de ontwikkeling van de achtergronddepositie.

De totale stikstofdepositie op de natuur in Nederland vertoont al jaren een sterk dalende trend. Tussen 1990 en 2003 is de stikstofdepositie met bijna 35% afgenomen (Natuurbalans 2006, MNP). Deze trend zal zich ¿zo blijkt ook uit het Alterrarapport- de komende jaren voortzetten, in elk geval tot en met 2015.

Uit het Alterrarapport blijkt dat toepassing van het toetsingskader en het generieke beleid voor deze bedrijven (het toepassen van emissiearme technieken) zal leiden tot een afname van door deze bedrijven veroorzaakte stikstofbelasting op de onderzochte gebieden. Daarnaast zullen volgens studies van het MNP de effecten van onder andere landbouwactiviteiten op grotere afstand, verkeer en industrie ook de komende jaren verder afnemen (p. 25 Alterrarapport). Deze afname is onder andere het gevolg van het generieke emissiebeleid. Een en ander betekent dat ondanks het feit dat met het toetsingskader een (beperkte) individuele toename van de belasting mogelijk is, de totale belasting op de onderzochte Natura2000-gebieden zal afnemen.

Daar komt bij dat de gemiddelde depositie die wordt veroorzaakt door de `gebieds-eigen¿ stal- en opslagemissie slechts een klein deel (4-8 %) is van de totale stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied.

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het opnemen van de drempelwaarde van 5% in het toetsingskader geen significante gevolgen zal hebben op de beschermde natuurwaarden. Op deze grond kunnen vergunningen worden verleend tot een drempelwaarde van 5%.

Wel zal de ammoniakdepositie in de meeste gebieden ook na toepassing van het toetsingskader te hoog blijven om op langere termijn een duurzaam beschermingsniveau te garanderen (hoger dan de kritische depositiewaarde). Dit toetsingskader is niet een middel om deze depositie terug te brengen richting het niveau van de kritische depositiewaarden. Daarvoor is het gegenereerde generieke ammoniakbeleid van groot belang. Dat zal de komende jaren dan ook met kracht worden voortgezet.

4.2, Norm voor grondgebondenheid

Naast de drempelwaarde is aanvullend gezocht naar een ecologisch verantwoorde norm voor de grondgebonden melkveehouderij. Uit het Alterrarapport blijkt dat ca. 85% van de melkveebedrijven die kunnen groeien tot 200 stuks melkvee en bijbehorend jongvee (conform de Wet ammoniak en veehouderij), kan groeien binnen de drempelwaarde van 5%. Slechts een beperkt aantal bedrijven zal daarom gebruik willen en kunnen maken van een norm voor grondgebondenheid van 250 kg. N/ha om zich verder te kunnen ontwikkelen. Uitgaande van het scenario dat deze bedrijven met 25% zullen groeien, zal de depositietoename hierdoor 1-3 mol gemiddeld per hectare zijn. In combinatie met de drempelwaarde voor de andere bedrijven, leidt dit nog steeds tot een depositiedaling. Alleen in combinatie met de worst case scenario¿s is er kans op een minieme toename tot maximaal 6 mol/ha. Daar staat tegenover dat de achtergronddepositie zal dalen met ten minste enkele honderden molen tot 2015 (zie tabel 3.5 in het Alterrarapport)

Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat het opnemen van een mogelijkheid voor lokaal grondgebonden melkveehouderijen van 250 kg/ha in het toetsingskader, in combinatie met het hanteren van de drempelwaarde van 5 %, geen significante gevolgen zal hebben voor de beschermde natuurwaarden.

4.3, Conclusie

Het toepassen van het toetsingskader met de hierboven beschreven normen zal niet leiden tot significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Het toetsingskader zal de instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden dan ook niet in gevaar brengen. In de beheerplannen zal, zoals vermeld, per gebied worden beoordeeld welke maatregelen nodig zijn om de uiteindelijke doelstellingen te halen als aanvulling op het generieke ammoniakbeleid.

5, PLAATS TOETSINGSKADER IN WETTELIJK KADER

Op grond van het hierboven beschreven wettelijke kader en de onderbouwing van de in het toetsingskader gehanteerde normen, kan worden geconcludeerd dat het toetsingskader past binnen de kaders van de Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000) en de Natuurbeschermingwet 1998.

Het is vaste jurisprudentie dat bij het bepalen van de significantie van een nieuwe situatie moet worden uitgegaan van de veranderingen ten opzichte van de onderliggende voor de inrichting geldende vergunningen*. Het Europese Hof heeft bepaald dat de gevolgen van een project niet significant zijn wanneer het project de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt*2. Dat is hier, zoals hierboven nader onderbouwd, het geval.

*     Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 7 september 2005, zaak no. 200409681/1,Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 20 september 2006, zaak no.200509110/1

*2    Het ¿kokkelvisserij-arrest¿, HvJEH, 7 september 2004, zaak C-127/02, r.o.

Nu vaststaat dat uitbreidingen tot 5% van de kritische depositiewaarde en bij het hanteren van de norm voor lokaal grondgebonden melkveehouderij van 250 kg N/jaar, afzonderlijk noch in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kunnen hebben, is het niet nodig dat bij vergunningverlening een passende beoordeling plaatsvindt.

Zoals in paragraaf 1 aangegeven is het bij vergunningverlening op grond van artikel 19d, zonder toepassing van artikel 19f e.v., is het toegestaan een belangenafweging te maken. In dergelijke gevallen wordt artikel 19d namelijk gebruikt om toepassing te geven aan de verplichting in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechtert of er verstorende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, voor zover deze verstoring een significant effect kan hebben. Bij het nemen van deze maatregelen mag rekening worden gehouden met sociale en economische vereisten*3.

*3.   Zie in deze zin MvT p. ¿ en Leidraad van de Europese Commissie p. ¿

Deze belangenafweging heeft plaatsgevonden bij het opstellen van het toetsingskader. Gelet op de economische belangen van de veehouderij en de bijdrage die de grondgebonden melkveehouderij levert aan het landschap en op het feit dat de totale belasting in alle gebieden zal afnemen, ondanks de mogelijkheid van (beperkte) plaatselijke, individuele toename wenselijk en verantwoord om deze wijzigingen toe te staan.

5.1, Verhouding tot de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet milieubeheer

De Wet ammoniak en veehouderij en de Wet milieubeheer zijn geen onderdeel van dit toetsingskader. Voor de volledigheid wordt hier wel de samenhang met deze wetten vermeld.

Wanneer een Natura 2000-gebied is aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, hoeft bij het verlenen van een milieuvergunning aan een veehouderij geen rekening te worden gehouden met de gevolgen voor dat Natura 2000-gebied*. Maar vanwege de systematiek van de Wav en Wm zal een veehouderij in of nabij een Natura 2000-gebieden toch veelal met beide beoordelingskaders te maken hebben. Hieronder wordt nader ingegaan op de samenloop van beide beoordelingskaders. Daarbij is uitgegaan van de Wav zoals die luidt na de recente wijziging (Stb. 2007, 103).

*    Vz. ABRvS 26 februari 2007, nr. 200609149/2 (Meijel), ABRvS 7 maart 2007, nr. 200604689/1 (Ermelo) en ABRvS 14 maart 2007, nr. 200606229/1 (Oirschot)

Voorzover een zeer kwetsbaar gebied deel uitmaakt of samenvalt met een Natura 2000-gebied, kan de betreffende veehouderij in dat (deel)gebied of in de zone van 250 meter te maken krijgen met aanvullende voorwaarden op grond van de Wav. Dat houdt in dat voor een intensieve veehouderij een ammoniakemissieplafond geldt op basis van de vergunde ammoniakemissie, maar gecorrigeerd voor de toepassing van `beste beschikbare technieken¿ (BBT). Dat betekent dat de ammoniakemissie van de meeste intensieve veehouderijen in die gebieden en zones (op termijn) aanzienlijk zal afnemen, tenzij de veehouderij al BBT toepaste. In het laatste geval zal de ammoniakemissie in elk geval niet mogen toenemen. Voor deze veehouderijen zal het toetsingskader ammoniak en Natura 2000 nauwelijks betekenis hebben, omdat bij een voorgenomen uitbreiding het zoneringsregime van de Wav de beperkende factor zal vormen. Dat geldt niet of in mindere mate voor melkrundveehouderijen in een dergelijk gebied of de zone daaromheen, omdat deze bedrijven vanwege het ruimere emissieplafond (2446 kg NH3) veelal nog uitbreidingsruimte zullen hebben. Dit komt overeen met het grondgebondenspoor in het toetsingskader (200 melkkoeien met bijbehorend jongvee). Of en in hoeverre deze ruimte ook daadwerkelijk kan worden benut, zal in deze gebieden en zones worden bepaald door het toetsingskader ammoniak en Natura 2000. Daarnaast zullen veehouderijen op grond van de Wm/Wav ook BBT moeten toepassen.

Op grond van de Wm/Wav gelden voor veehouderijen die onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn vallen strengere eisen dan BBT, indien dat vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de veehouderij of vanwege de lokale milieusituatie noodzakelijk is. Dit is ten behoeve van de vergunningverlening uitgewerkt in een beleidslijn IPPC. In grote lijnen komt deze beleidslijn er op neer dat veehouderijen met een ammoniakemissie van meer dan 5.000 kg (bij toepassing van BBT) over het meerdere een emissiereductie van 70% moeten realiseren en indien de ammoniakemissie dan nog meer dan 10.000 kg bedraagt, de emissie daarboven met 90% dienen te reduceren (Tweede Kamer, 2006-2007, 22343, nr. 142)).

6, OVERIGE AANDACHTSPUNTEN

Tot slot is het van belang nog de volgende aandachtspunten onder de aandacht te brengen bij de toepassing van de Natuurbeschermingswet 1998 voor veehouderijen.

-     Dit toetsingskader betreft alleen de gevolgen van ammoniakdepositie. Er zal altijd moeten worden bekeken of andere effecten van de wijziging (significante) negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied.

-     Wanneer een uitbreiding van een veehouderij gevolgen kan hebben voor meerdere Natura 2000-gebieden, moet voor al deze gebieden het toetsingskader worden gehanteerd. Hierbij zijn zowel de afstand tot de gebieden als de hoogte van de verschillende kritische depositiewaarden van invloed op het resultaat.

-     Volgens de afspraak uit het bestuurlijk overleg van 15 februari 2007 maakt de mogelijkheid van salderen geen deel uit van het toetsingskader. Dit is ook niet mogelijk omdat individuele belastingen anders meer kunnen toenemen dan tot de drempelwaarde van 5%. In dat geval zouden significante negatieve gevolgen niet uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan en zal dan ook niet meewerken aan verzoeken tot bedrijfsuitbreiding door middel van saldering.

Bijlage, Meest kritische depositiewaarde per habitatgebied

MEEST KRITISCHE DEPOSITIEWAARDE PER HABITATGEBIED

De tabel komt uit de publicatie ¿Te veel van het goede¿ van Stichting Natuur en Milieu (2004). Het gebiedsnummer is nog een oude codering.

Verder is in deze studie is voor de Maria- en Deurnese Peel een kritische depositiewaarde van 400 mol/ha/jr. gehanteerd (zie paragraaf 2.3). In de oorspronkelijke publicatie van Stichting Natuur en Milieu was dit 1071 mol/ha/jr.

MEEST KRITISCHE DEPOSITIEWAARDE PER HABITATGEBIED

Gebied

Kritische depositiewaarde

gebiedscode

nummer (oud)

gebiedsnaam

mol N/ha/jaar

NL2003001

79

Aamsveen

1071

NL2003002

80

Abdij Lilbosch en voormalig Klooster Mariahoop

n.v.t.

NL2003003

81

Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek

779

NL3000044

1

Alde Feanen

1293

NL2003004

82

Amerongse Bovenpolder

1693

NL9801004

2

Bakkeveense Duinen

1071

NL2000002

3

Bargerveen

1071

NL2003005

83

Bekendelle

1336

NL9801076

4

Bemelerberg en Schiepersberg

829

NL2003006

84

Bennekomse Meent

729

NL2003007

85

Bergvennen en Brecklenkampse Veld

1071

NL3000040

5

Biesbosch

1300

NL2003008

86

Boddenbroek

729

NL2003009

87

Boetelerveld

736

NL3004001

135

Boezem van Brakel

1300

NL9801016

6

Borkeld

1071

NL2003010

88

Boschhuizerbergen

1071

NL9801044

7

Botshol

514

NL1000029

8

Brunssumerheide

1071

NL2003011

89

Bruuk

736

NL2003012

90

Bunder- en Elsloerbos

1557

NL9801019

9

Buurserzand en Haaksbergerveen

1071

NL2003013

91

Canisvlietse Kreek

n.v.t.

NL1000030

10

Coepelduynen

1193

NL9801021

11

Dinkelland

1071

NL9801009

12

Drentsche Aa

1071

NL9803011

13

Drents-Friese Wold en Leggelerveld

1071

NL2003014

92

Drouwenerzand

743

NL2003057

14

Duinen Ameland

771

NL1000009

22

Duinen Den Helder - Callantsoog

771

NL9801079

15

Duinen Goeree

771

NL2003058

16

Duinen Schiermonnikoog

771

NL1000010

17

Duinen Schoorl

779

NL2003059

8

Duinen Terschelling

771

NL2003060

19

Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol

771

NL2003061

20

Duinen Vlieland

771

NL3000016

21

Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen

771

NL3000070

23

Dwingelderveld

1071

NL3004002

136

Eilandspolder-oost

514

NL2003015

93

Elperstroom

729

NL1000004

24

Engbertsdijksvenen

1071

NL9801007

25

Fochteloërveen en Esmeer

1071

NL1000002

26

Friese IJsselmeerkust

1129

NL9801024

27

Gelderse Poort

1300

NL2003016

94

Geleenbeekdal

1621

NL9801041

28

Geuldal

829

NL2003017

95

Gouwzee en kustzone Muiden

n.v.t.

NL9801075

29

Grensmaas

1786

NL4000021

30

Grevelingen

779

NL2003018

96

Groot Zandbrink

736

NL2003019

97

Groote Gat

1557

NL9801036

31

Groote Heide - De Plateaux

1071

NL1000025

32

Groote Peel

1071**

NL2003020

98

Groote Wielen

736

NL1000015

33

Haringvliet

1807

NL9801071

34

Havelte-oost

1071

NL2003021

99

Hollands Diep (oeverlanden)

2564

NL2003022

100

IJsseluiterwaarden

1300

NL2003023

101

Ilperveld / Oostzanerveld / Varkensland

514

NL3000401

35

Kampina en Oisterwijkse Bossen en Vennen

1071

NL1000022

36

Kempenland

1071

NL1000012

37

Kennemerland-zuid

771

NL2003024

102

Kolland en Overlangbroek

1336

NL1000017

38

Kop van Schouwen

771

NL9801072

39

Korenburgerveen

779

NL1000021

40

Krammer-Volkerak

1486

NL2003025

103

Kunderberg

829

NL3004003

139

Landgoederen Oldenzaal

1336

NL2003026

104

Langstraat bij Sprang-Capelle

1129

NL2003027

105

Lemselermaten

736

NL9803039

41

Leudal

2400

NL3004005

141

Leusveld, Voorstonden en Empensche/

Tondensche heide

714

NL2003028

106

Lieftinghsbroek

2164

NL2003029

107

Lonnekermeer

1071

NL9803030

42

Loonse en Drunense Duinen, De Brand en de Leemkuilen

1071

NL2003030

108

Luistenbuul en Koekoeksche Waard

1300

NL1000028

43

Maasduinen

1071

NL1000020

44

Manteling van Walcheren

779

NL2003031

109

Mantingerbos

2007

NL2003032

110

Mantingerzand

1071

NL1000027

45

Mariapeel en Deurnese Peel

400*

NL1000013

46

Meijendel en Berkheide

800

NL2000008

47

Meinweg

1071

NL3000061

48

Naardermeer

514

NL3000036

49

Nieuwkoopse Plassen en de Haeck

514

NL2003033

111

Noorbeemden

1621

NL9801080

50

Noordhollands Duinreservaat

771

NL2003062

51

Noordzeekustzone

n.v.t.

NL2003034

112

Norgerholt

2043

NL2003035

113

Oeffeltermeent

1300

NL2003063

52

Olde Maten en Veerslootslanden

514

NL2003036

114

Oostelijke Vechtplassen

514

NL1000018

53

Oosterschelde

1486

NL2003038

115

Oudegaasterbrekken, Gouden Bodem en Fluessen

1550

NL2003037

116

Oude Maas

1557

NL9801055

54

Ossendrecht

1071

NL2003039

117

Polder Stein

1536

NL2003040

118

Polder Westzaan

514

NL9803073

55

Regte Heide en Riels Laag

1071

NL2003041

119

Rijswaard en Kil van Hurwenen

1300

NL2003065

56

Ringselven en Kruispeel

1193

NL2003042

120

Roerdal

1300

NL9803006

57

Rottige Meenthe en Brandemeer

514

NL9803015

58

Sallandse Heuvelrug

1071

NL2003043

121

Sarsven en de Banen

1193

NL9801040

59

Savelsbos

1471

NL1000016

60

Solleveld

800

NL9801064

61

Springendal en Dal van de Mosbeek

1071

NL2003044

122

Stelkampsveld (Beekvliet)

1071

NL3004004

138

St. Jansberg

1786

NL9801025

62

St. Pietersberg en Jekerdal

1436

NL1000024

63

Strabrechtse heide en Beuven

1071

NL2003045

123

Swalmdal

1300

NL2003046

124

Teeselinkven

1071

NL2003047

125

Ulvenhoutse Bos

921

NL9801017

64

Vecht- en Beneden-Regge

1071

NL9801023

65

Veluwe: NW (incl. enclave)

1071

NL9801023

65

Veluwe: NO

1071

NL9801023

65

Veluwe: midden

1071

NL9801023

65

Veluwe: ZO

1071

NL9801023

65

Veluwe: zoom

1071

NL9801023

65

Veluwe: omg Ede

1071

NL2003048

126

Veluwemeer-Wolderwijd

n.v.t.

NL9801049

66

Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek

729

NL2003049

127

Vogelkreek

n.v.t.

NL4000017

67

Voordelta

1486

NL9803077

68

Voornes Duin

771

NL1000001

69

Waddenzee

771

NL9801013

70

Weerribben

514

NL9801035

71

Weerterbos

1964

NL1000014

72

Westduinpark en Wapendal

800

NL9803061

73

Westerschelde

1271

NL2003064

74

Wieden

514

NL9801018

75

Wierdense veld

1071

NL2003050

128

Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar

729

NL2003051

129

Willinks Weust

729

NL2003052

130

Witte Veen

1071

NL1000003

76

Witterveld

1071

NL2003053

131

Wooldse Veen

1071

NL2003054

132

Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder

514

NL2003055

133

Zeldersche Driessen

1300

NL3004006

140

Zouweboezem

n.v.t.

NL3004007

137

Zuider Lingedijk - Diefdijk Zuid

1557

NL2003056

134

Zwarte Meer

1536

NL1000005

77

Zwarte Water

1071

NL3000027

78

Zwin

1007

*    Gewijzigde waarde t.o.v. oorspronkelijke waarde (zie paragraaf 2.3)

**  Afwijkend van deze waarde wordt, conform de afspraken in het bestuurlijk overleg over De Peel, voor de Groote Peel, net als voor de Maria en Deurnese Peel, een waarde van 400 mol gehanteerd.