Regeling vervallen per 01-04-2016

CAR/UWO

Geldend van 28-02-2011 t/m 27-02-2011

1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:

    • a

      ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;

    • b

      betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten;

    • c

      pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;

    • d

      pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • e

      arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • f

      arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;

    • g

      formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling;

    • h

      feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;

    • i

      seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling;

    • j

      arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;

    • k

      volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;

    • l

      overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;

    • m

      werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten;

    • n

      werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • o

      uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand;

    • p

      Zvw: de Zorgverzekeringswet;

    • q

      CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten;

    • r

      UWO: Uitwerkingsovereenkomst;

    • s

      functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver;

    • t

      waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking;

    • u

      LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;

    • v

      WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • w

      arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;

    • x

      WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

    • y

      WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • z

      IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;

    • aa

      IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;

    • bb

      WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten;

    • cc

      WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;

    • dd

      WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten;

    • ee

      WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

    • ff

      i30281.pdf [Klik hier om het document te downloaden] : Wet arbeid en zorg;

    • gg

      SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;

    • hh

      uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

    • ii

      pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • jj

      WPA: de Wet privatisering ABP;

    • kk

      FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;

    • ll

      FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;

    • mm

      deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt;

    • nn

      ZW: de Ziektewet;

    • oo

      ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;

    • pp

      UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.

  • 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.

Artikel 1.1.0.1 Arbeidsduur per jaar

De gemiddelde arbeidsduur per jaar bedraagt in de gemeente Nijmegen 1827,3 uur in plaats van 1836 uur zoals vastgesteld in artikel 1:1 sub k. In de gemeente Nijmegen zijn 5 mei en de vrijdagmiddag na de Nijmeegse vierdaagse namelijk ook lokale feestdagen. Opgemerkt dient te worden dat de vergoeding met betrekking tot zon- en feestdagen niet van toepassing is coor deze lokale feestdagen.

Artikel 1:2 Geen ambtenaar

  • 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:

    • a

      het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs;

    • b

      het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

    • c

      de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig;

    • d

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;

    • e

      de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;

    • f

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid;

    • g

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid;

    • h

      hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;

    • i

      de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.

  • 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.

  • 3 Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.

Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar

  • 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing

  • 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.

  • 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.

Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan

  • 1

    Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden.

  • 2

    Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.

  • 3

    De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar.

  • 4

    Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende.

  • 5

    Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.

  • 6

    De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 1.

  • 7

    Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente.

  • 8

    Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 17.

Artikel 1:2:3 Instapplan

  • 1

    Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen.

  • 2

    Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.

  • 3

    In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar.

Artikel 1:3 Toepassing

  • 1 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.

  • 2 Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.

Artikel 1:3a Toepassing

Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.

Artikel 1.3a (Q) Toepassing

V.w.b. de rechtspositieregelingen heeft de gemeenteraad op 14 maart 2002 besloten dat de AGN met bijlagen van toepassing is op de griffier en de griffiemedewerkers.

De raad heeft verder in zijn vergadering van 12 maart 2003 vastgesteld hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk wordt uitgeoefend.

  • 1

    De bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie en de bevoegdheid tot aanstelling, schorsing en ontslag zijn niet gedelegeerd of gemandateerd en derhalve blijft de raad in deze zelf het bevoegd gezag.

  • 2

    Voor de overige uitvoering van het werkgeverschap heeft de raad vastgesteld dat ten aanzien van de griffier de voorzitter van de gemeenteraad is gemandateerd en voor zover het de overige griffiemedewerkers betreft is terzake mandaat verleend aan de griffier.

Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies

Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:

  • a

    bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst;

  • b

    instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.

Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO

  • 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.

  • 2 Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken:

    • a

      de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    • b

      de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales;

    • c

      de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;

    • d

      ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.

Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO

  • 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

  • 2 Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen

De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Artikel 1:5 Omvang van de betrekking

Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.

Artikel 1:6 Vrijstelling

  • 1 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.

  • 2 De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden.

Artikel 1.6.0.1 Vrijstelling

Lid 1

Voor de functie van gemeentesecretaris of directeur van een directie kan de vrijstellings-mogelijkheid in artikel 1:6 AGN van toepassing worden verklaard.

Lid 2

In aanvulling op het gestelde in lid 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • a

    De functionaris krijgt een aanstelling voor bepaalde tijd;

  • b

    De aanvullende afspraken hebben betrekking op de duur van de tijdelijke aanstelling, het salarisniveau en de hoogte en duur van een uitkering;

  • c

    Tegenover bijvoorbeeld ‘plussen’ in het salaris zullen altijd ‘minnen’ in andere arbeidsvoorwaarden moeten staan;

  • d

    Indien door de gemeentesecretaris of het College van B&W wordt overwogen tot aanstelling op grond van dit artikel over te gaan, wordt altijd vooraf het hoofd P&O-beleid geraadpleegd;

  • e

    Aanstelling in een dergelijke functie is voorbehouden aan het College van B&W.

Lid 3

Dit artikel zal vooralsnog gelden van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010, waarbij de Ondernemingsraad jaarlijks zal worden geïnformeerd over de toepassing van dit artikel”.

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag

Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.

Artikel 2.1 (Q) Aanstelling; het bevoegd gezag

Bij benoeming in vaste dienst na een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef dient een personeelsbeoordeling te worden opgemaakt.

Artikel 2.1.0.1 Aanstelling in algemene dienst

Tenzij anders bepaald, geschiedt aanstelling in algemene dienst.

Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

  • 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.

  • 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.

  • 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.

  • 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 2.2 (Q) Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

Lid 1

In aanvulling op de toelichting van artikel 2:2 wordt nog het volgende vermeld: Als regel worden de bekwaamheids- en geschiktheidseisen op een heldere manier vastgelegd in een functiebeschrijving of functieprofiel. Bij de beoordeling of een kandidaat aan de benodigde bekwaamheids- en geschiktheidseisen voldoet kan o.a. gebruik gemaakt worden van een psychologisch onderzoek en/of andere gekwalificeerde toetsingsmethoden. Indien daar gebruik van gemaakt wordt, dient daar in principe van tevoren, bijvoorbeeld bij de interne vacaturemelding of bij de externe personeelsadvertentie melding van te worden gemaakt.

Lid 2

Voor wat betreft de vertrouwelijkheid van de gegevens en bejegening van de kandidaten kan aansluiting worden gezocht bij de sollicitatiecode die de Nederlandse Vereniging van Personeelsbeleid (NVP) daaromtrent heeft vastgesteld. De code is gebaseerd op de conclusies van de zogenaamde (regerings)commissie Hessel. Ook de Stichting van de Arbeid heeft daaromtrent een aantal aanbevelingen gedaan die in grote lijnen overeenkomen met de code van de NVP. In hoofdlijnen komen de rechten van de sollicitant op het volgende neer.

  • -

    Recht op een eerlijke kans op aanstelling. Dat betekent gelijke kansen bij gelijke geschiktheid. Maar ook het recht van de arbeidsorganisatie om de meest geschikte kandidaat te kiezen.

  • -

    Het recht op goede informatie over o.a. de functie-inhoud, de  arbeidsorganisatie, de procedure, etc. De werkgever dient zich hierbij  actief op te stellen.

  • -

    Het recht op privacy. Hierbij wordt o.a. gedoeld op de soort en de diepgang van de in te winnen informatie.

  • -

    Het recht op vertrouwelijke behandeling van persoonlijke gegevens. Dat wil zeggen de vertrouwelijke wijze waarop met de ingewonnen informatie wordt omgegaan.

  • -

    Het recht op een instrumenteel doelmatige procedure. Dat betekent o.a. geen onnodig zware middelen (bijvoorbeeld een zware selectiecommissie of psychologisch onderzoek) toepassen bij functie waarbij dat niet nodig (functioneel) is.

  • -

    Het recht van klacht. De mogelijkheid van de sollicitant om zijn beklag te doen als deze van mening is dat op voornoemde rechten inbreuk is gedaan.

Lid 3

Gezien de complexiteit van deze regelgeving verdient het aanbeveling hieromtrent informatie in te winnen bij de instantie die de vreemdelingenwet uitvoert.

Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek

  • 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.

  • 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4 Duur van de aanstelling

  • 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.

  • 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter.

  • 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen.

  • 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden.

  • 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.

Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling

  • 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:

    • a

      de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);

    • b

      de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar

    • c

      de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:

      • I

        in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

      • II

        voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef;

      • III

        voor een project met een eenmalig en uniek karakter;

      • IV

        hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming;

      • V

        als vakantiekracht;

      • VI

        voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen;

      • VII

        als werkzoekende in tijdelijke dienst.

  • 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.

  • 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.

Artikel 2:4:2 Vacatures

  • 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.

Artikel 2.4.2.1 Vacaturevoorziening

Wat te doen als er binnen de gemeente een vacature ontstaat?

  • 1

    Allereerst moet gekeken worden of de vacature kan worden vervuld door "herplaatsings- of herschikkingskandidaten” (zie plaatsingsbeleid herschikkings- en herplaatsingskandidaten)

  • 2

    Als stap 1 niet kan leiden tot de vacaturevoorziening, wordt vervolgens gekeken welke "andere interne kandidaten" voor de functie in aanmerking zouden kunnen komen (zie artikel 2:4:2:2 van de AGN).

  • 3

    Als stap 2 ook niet tot resultaten leidt kan extern geworven worden. Bij externe werving dient rekening te worden gehouden met  de regeling "Inspraak bij benoemingen".

  • 4

    Voor de benoeming van "directeuren" geldt een aparte sollicitatieprocedure (zie wervings- en benoemingsprocedure directeuren).

  • 5

    Bij sollicitatieprocedures wordt de sollicitatiecode in acht genomen (zie de toelichting op artikel 2:2 van de AGN).

Artikel 2.4.2.2 Interne kandidaten

Onder interne kandidaten wordt verstaan:

  • -

    De medewerker met een vast of tijdelijk dienstverband;

  • -

    De medewerker met een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN);

  • -

    De medewerker behorende tot een categorie personeel waarvan instroom in de gemeentelijke organisatie in de rede ligt /de bedoeling is, indien zulks in het overleg tussen bestuurder en Centrale Ondernemingsraad is overeengekomen (bijvoorbeeld diegenen die werkzaam zijn in het kader van de WIW/zie hieronder).

Op grond van het hierboven bepaalde, alsmede van in de verleden gemaakte afspraken zijn interne kandidaat, werknemers werkzaam bij:

  • -

    De gemeentelijke directies en de brandweer;

  • -

    Onderwijsondersteunend personeel bij het Openbaar Onderwijs;

  • -

    WNO op basis van een ambtelijke aanstelling;

  • -

    Recreatieschap Nijmegen e.o.;

  • -

    Voormalige - inmiddels verzelfstandigde - gemeentelijke diensten, directies en commissies ex artikel 84 Gemeentewet, voor een periode van twee jaren na de datum van de verzelfstandiging (artikel 3, lid 8 van het Sociaal Statuut), tenzij anders overeengekomen;

  • -

    Bovengenoemde directies en de brandweer, indien werkzaam in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), of de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW);

  • -

    Werknemers die ontslag hebben genomen voor de verzorging van een kind tot vier jaar na het ontslag.

Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst

  • 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.

  • 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.

  • 3 Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.

Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst

Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten

De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.

Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst

De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:

  • a

    de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden;

  • b

    de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;

  • c

    een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;

  • d

    de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;

  • e

    een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim;

  • f

    indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.

Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht

  • 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .

  • 2 De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.

  • 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.

Artikel 2:6 Overgangsrecht

  • 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden.

  • 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001.

  • 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 .

  • 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 .

Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur

  • 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie.

Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur

  • 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.

  • 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:

    • -

      de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode;

    • -

      het salaris evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;

    • -

      instemming van de ambtenaar is vereist;

    • -

      artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.

  • 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.

  • 4 Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.

Wervings- en benoemingsprocedure Directeuren

Vastgesteld door B&W op 23 april 2002.

Deze procedure is tevens van toepassing op de commandant van de brandweer.

De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor het wervings- en selectieproces. Voorafgaand aan dit proces wordt door B&W het functieprofiel vastgesteld. Daarbij worden geraadpleegd: het directieteam, de COR, het MT en de OR van de betreffende directie (zie verder bij benoemingsprocedure).

Artikel 1  Commissies

Bij het proces spelen verder de volgende commissies een rol.

Selectiecommissie organisatie Door de gemeentesecretaris wordt een selectiecommissie gevormd die als volgt  is samengesteld:

  • -

    de gemeentesecretaris, tevens voorzitter;

  • -

    een lid van het directieteam;

  • -

    een lid van het managementteam van de betreffende directie;

  • -

    een adviseur van het bureau POI van DBO, tevens secretaris.

Selectiecommissie bestuur Er wordt een selectiecommissie bestuur gevormd die bestaat uit:

  • -

    de wethouder P&O, tevens voorzitter;

  • -

    de burgemeester;

  • -

    een ander lid van het college;

  • -

    de gemeentesecretaris of een adviseur van het bureau POI, tevens secretaris.

Inspraakcommissie Door de gemeentesecretaris wordt ook een inspraakcommissie gevormd, waarin zitting hebben:

  • -

    MT-leden van de betreffende directie;

  • -

    COR en OR-leden

Artikel 2 Benoemingsprocedure

Lid 1

De Selectiecommissie Organisatie zorgt voor het opstellen van een functieprofiel en advertentietekst en maakt tevens een planning voor het werving- en selectieproces met inachtneming van artikel 2:4:2:1 van de AGN.

Lid 2

De Selectiecommissie Organisatie maakt een voorselectie van de sollicitanten en voert aan de hand van deze selectie sollicitatiegesprekken met de kandidaten. Daarna maakt de Selectiecommissie Organisatie een keuze voor meerdere kandidaten die worden voorgedragen aan de Selectiecommissie Bestuur. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden volstaan met een voordracht van één kandidaat.

Lid 3

De Selectiecommissie Bestuur voert selectiegesprekken met de voorgedragen kandidaten en koppelt haar keuze via de gemeentesecretaris terug naar de Selectiecommissie Organisatie. Indien geen kandidaat geschikt wordt bevonden, worden nieuwe kandidaten gepresenteerd. Na terugkoppeling van de Selectiecommissie Bestuur wordt de geselecteerde kandidaat  voorgedragen aan de Inspraakcommissie.

Lid 4

De Inspraakcommissie voert een gesprek met de geselecteerde kandidaat waarbij opdracht is bijzondere aandacht te schenken aan de toekomstige samenwerkingsrelatie. Zij koppelen hun bevindingen terug naar de Selectiecommissie Organisatie.

Lid 5

De COR en/of de OR van de betreffende directie wordt in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen. Hierna worden door de gemeentesecretaris desgewenst de overige selectie-instrumenten zoals bijvoorbeeld  psychologisch onderzoek, assesment, en inwinnen referenties, e.d. benut.

Lid 6

Tenslotte vindt een voordracht plaats aan het college van Burgemeester en Wethouders door de gemeentesecretaris. Het advies van de Inspraakcommissie en de COR/OR wordt in de voordracht vermeld. De gemeentesecretaris onderhandelt met de voorgedragen kandidaat over de arbeidsvoorwaarden  en doet daarover voorstellen aan het college als deze afwijkend zijn van de gebruikelijke voorwaarden.

Lid 7

Het college beslist over de voordracht en de eventuele afwijkende arbeidsvoorwaarden.

Lid 8

Na de benoeming wordt de raad geïnformeerd.

Artikel 3 Interne kandidaten en herschikking

De algemene richtlijn vacatureprocedure, zoals opgenomen in artikel 2:4:2:1 van de AGN, wordt gevolgd

Artikel 4 Privacy

Leden van de commissies behandelen de verkregen informatie strikt vertrouwelijk. Referenties en uitkomsten van eventuele assesments of psychologisch onderzoek worden niet ingewonnen c.q. aan de selectiecommissie kenbaar gemaakt dan nadat de sollicitanten daarvoor toestemming hebben gegeven.

Regeling inspraak bij benoemingen

Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 11 juni 1980

RaamprocedureBevattende de richtlijnen voor het verlenen van inspraak bij benoemingen van leidinggevenden.

Artikel 1  De inhoud van de inspraak

Het toevoegen van een inspraakprocedure aan de bestaande selectieprocedure kan uiteraard géén afbreuk doen aan de formele benoemingsbevoegdheid, zoals die nu is geregeld. De consequentie hiervan is, dat de bevoegdheid van een inspraakcommissie beperkt moet blijven tot een adviserende functie, gericht op het aandragen van bouwstenen voor een zo goed mogelijke benoemingsbeslissing door hen die formeel ook voor die beslissing verantwoordelijk zijn. Rekening houdend met deze beperking zal de inspraak in grote lijnen betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten van het selectieproces:

  • -

    de advisering met betrekking tot de inhoud van een interne oproep, dan wel een advertentie;

  • -

    de advisering over de mogelijkheid tot interne vervulling van de vacature;

  • -

    de advisering omtrent de mogelijkheid tot samenwerking met de voorgeselecteerde kandidaat of kandidaten.

Artikel 2 Functie waarop de inspraak betrekking heeft

Lid 1

De regeling strekt zich uit tot leidinggevende functies, waarbij een onderscheid is twee categorieën noodzakelijk is:

  • -

    diensthoofden: in geval van benoeming van een diensthoofd wordt een inspraakcommissie gevormd;

  • -

    overige leidinggevende functionarissen.

Lid 2

Het hoofd van dienst wijst de functies aan binnen zijn dienst, waarvoor de inspraak geldt. Gestreefd dient te worden zoveel mogelijk leidinggevende functies aan te wijzen, maar buiten dit kader vallen alle functies waarvan de drager slechts partieel met de leiding van een eenheid is belast (sous-chefs, plaatsvervangers en dergelijke).

Artikel 3 Samenstelling van de inspraakcommissie

Lid 1

In de regel is het praktisch niet mogelijk alle tot inspraak gerechtigden ondergeschikten ook rechtstreeks bij de inspraak te betrekken. Zulks zou tot onhanteerbare en zeer tijdrovende procedures leiden, maar zou ook voor de kandidaat/kandidate niet acceptabel zijn. Daarom zal bij iedere vacature voor een functie, die in het kader van deze regeling voor inspraak is aangewezen, een inspraakcommissie worden samengesteld, die zo goed mogelijk de belangen van het betrokken organisatie-onderdeel kan vertegenwoordigen.

Lid 2

Bij een vacature voor hoofd van dienst: de functionaris, op het moment van bekend worden van de vacature belast met de leiding van de dienst (veelal het vertrekkende hoofd van dienst zelf) draagt zorg voor een voordracht voor een samen€stelling in het overleg met staf, MC of overleggroep. Bovendien raadpleegt hij overleg over deze samenstelling met het hoofd van de concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie. De definitieve beslissing over de samenstelling is voorbehouden aan het college.

Lid 3

Bij een vacature voor andere leidinggevenden: Het hoofd van dienst (of een door hem aan te wijzen functionaris) beslist met betrekking tot de samenstelling van een te vormen inspraakcommissie op voorstel van de met de selectie belaste chef en personeelsfunctionaris. Aan iedere te vormen inspraakcommissie wordt bovendien de voor de dienst aangewezen personeelsfunctionaris ter ondersteuning toegevoegd. Het aantal leden van de inspraakcommissie dient beperkt te blijven tot drie.

Artikel 4 Taken en werkwijze van de inspraakcommissie

Lid 1

De hoofdtaak van een gevormde inspraakcommissie bestaat uit het zo goed mogelijk inschatten van de mogelijkheden tot samenwerking in geval van plaatsing van de betrokken kandidaat.

Lid 2

Door toedoen van de betrokken personeelsfunctionaris zullen de leden van de commissie worden voorzien van die informatie die strikt nodig is om het onder lid 1 van dit artikel gestelde doel te bereiken. Ter bescherming van de privacy van kandidaten zullen conclusies van psychologische onderzoeken en naar aard vergelijkbare informatie niet aan de leden van de commissie worden voorgelegd.

Lid 3

Het is de leden van de commissie verboden op persoonlijk initiatief bij derden inlichtingen in te winnen over één of meer kandidaten. De mate van behoefte aan dergelijke informatie kan in gezamenlijke overleg worden vastgesteld, waarna de betrokken personeelsfunctionaris zorg draagt voor de effectuering.

Lid 4

De commissieleden zijn verplicht tot geheimhouding van persoonlijke gegevens, die aan hen in deze inspraakprocedure ter kennis komen.

Lid 5

Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot interne vervulling van een vacature, voor een voor inspraak aangewezen functie, wordt de commissie door de personeelsfunctionaris daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Lid 6

Indien de meerderheid van de commissie bezwaren heeft tegen de voorgenomen interne vervulling, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat deze bezwaren schriftelijk ter kennis worden gebracht aan het hoofd van dienst. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld.

Lid 7

Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot externe werving wordt de conceptadvertentie zo spoedig mogelijk door de betrokken personeelsfunctionaris met de commissie besproken. Met de opmerkingen van de commissie zal bij het vaststellen van de definitieve advertentietekst zoveel mogelijk rekening worden gehouden.

Lid 8

Indien de commissie in meerderheid van mening is dat tot interne vervulling dient te worden overgegaan, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat dit standpunt schriftelijk aan het hoofd van dienst wordt voorgelegd. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld.

Lid 9

Aan sollicitanten zal, tegelijk met de ontvangstbevestiging van hun sollicitatiebrief, worden medegedeeld dat een gesprek met een inspraakcommissie uit het personeel onderdeel kan uitmaken van de selectieprocedure.

Lid 10

De commissie wordt (indien van de kant van de kandidaat hiertegen geen dringende bezwaren bestaan) in de gelegenheid gesteld een gesprek te voeren met de daartoe geselecteerde kandidaat of kandidaten, die in principe in aanmerking kunnen komen voor benoeming. De personeelsfunctionaris is daarbij aanwezig. Indien de kandidaat niet wil en er desondanks grote behoefte bestaat hem te benoemen, ontstaat er een impasse die op andere wijze moet worden opgelost.

Lid 11

De betrokken personeelsfunctionaris draagt er zorg voor dat de zienswijze van de commissie inzake de verwachte samenwerkingsmogelijkheden met de geselecteerde kandidaat of kandidaten schriftelijk ter kennis wordt gebracht aan het hoofd van dienst.

Lid 12

Indien het hoofd van dienst voornemens is een kandidaat ter benoeming voor te dragen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt door hem nader overleg gepleegd met de commissie.

Lid 13

Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel het afwijkende standpunt van de commissie te worden overlegd. De kandidaat wordt van het standpunt van de commissie in kennis gesteld.

Lid 14

Indien het een vacature van een hoofd van dienst betreft, wordt in de leden 6, 8 en 11 van dit artikel in plaats van 'hoofd van dienst' gelezen: 'het college'. In dat geval geldt in plaats van lid 12 en 13 van dit artikel het volgende:

  • -

    indien het college voornemens is een kandidaat aan de Raad ter benoeming voor te stellen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt namens hen door een lid van het college nader overleg gepleegd met de commissie;

  • -

    indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel aan de Raad het afwijkende standpunt van de inspraakcommissie vertrouwelijk aan de Commissie van Bijstand te worden overgelegd;

  • -

    de kandidaat wordt van het standpunt van de inspraakcommissie in kennis gesteld.

3 Salaris en vergoedingsregelingen

Artikel 3:1 Bezoldiging

  • 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend.

  • 2 In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt:

    • a

      schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop;

    • b

      salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag;

    • c

      bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage.

  • 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR.

    • a

      Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is.

    • b

      Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op:

      • -

        de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en

      • -

        de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken.

  • 4 Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II .

  • 5 Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken:

    • -

      dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ;

    • -

      en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa .

  • 6 Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.

  • 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.

  • 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.

Artikel 3:1:1 Bezoldiging

  • 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn.

  • 2 Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.

  • 3 Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen.

  • 4 Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.

Artikel 3.1.0.1 Definitie salaris en bezoldiging

Lid 1

Onder salaris wordt tevens verstaan: de (aflopende) inconveniëntentoeslag als omschreven in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling.

Lid 2

Onder bezoldiging wordt tevens verstaan: de vergoeding toegekend krachtens de door het college opgestelde regelen als bedoeld in artikel 3:3:1.

Artikel 3.1.2.0 Waarnemingstoelage

Lid 1

De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hoger salaris geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid.

Lid 2

De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt voor elke volle dag der waarneming:

  • a

    8% van het 1/22 gedeelte van het eigen schaalbedrag per maand van de ambtenaar en

  • b

    het 1/22 gedeelte van de bij de waargenomen functie behorende inconveniëntentoeslag,

met dien verstande dat, indien voor de waargenomen functie geen hogere schaal geldt, de vergoeding slechts bestaat uit het hiervoor onder b vermelde gedeelte. De vergoeding, tezamen met het salaris, bedraagt per dag niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen als salaris indien hij was ingeschaald op de hoogste periodiek van de bij de waargenomen functie behorende schaal. Voor de ambtenaar wiens schaalbedrag hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald.

Lid 3

Over de periode gedurende welke een vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt genoten, wordt de volgens het tweede lid berekende vergoeding slechts voor zover deze meer bedraagt dan de bij de eigen functie van de ambtenaar behorende inconveniëntentoeslag. Het college kan voor die gevallen waarin toepassing van het in dit en het voorgaande lid bepaalde tot kennelijk-onredelijke resultaten mocht leiden, een nadere regeling treffen.

Lid 4

De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1. Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan één betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als één geval van waarneming.

Lid 5

Geen vergoeding ingevolge het eerste en vierde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt.

Lid 6

Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar hun oordeel, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.

Artikel 3:2 Overwerkvergoeding

De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding

  • 1 De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde.

  • 2 Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.

  • 3 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 4 Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100.

  • 5

    • a

      Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt:

      • -

        100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;

      • -

        75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;

      • -

        75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur

      • -

        50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur;

      • -

        50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;

      • -

        25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur

    • b

      Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.

    • c

      Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%.

  • 6 Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.

  • 7 Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen.

  • 8 Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.

Artikel 3.2.1.1 Overwerkvergoeding

Lid 1

In uitwerking van artikel 3:2:1, lid 6 komen ambtenaren ingedeeld in een salarisschaal vanaf salarisschaal 12 niet in aanmerking voor een overwerkvergoeding.

Lid 2

In aanvulling op het bepaalde in artikelen 3:2 en 3:2:1 heeft de ambtenaar die volgens rooster is ingedeeld in de consignatiedienst voor de gladheidbestrijding recht op een vergoeding krachtens de regeling vergoeding voor gladheidbestrijders.”

Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst

  • 1 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op:

    • a

      maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur;

    • b

      zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur;

    • c

      zondag tussen 00.00 en 24.00 uur.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld.

  • 4 In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten

Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden.

Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding

Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.

Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde:

    • a

      feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven;

    • b

      werktijd, deze werktijd wordt verschoven.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd.

  • 3 De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon.

Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie

De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald:

  • a

    in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef;

  • b

    op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.

Artikel 3.5.1.0 Ambtsjubileumgratificatie

Lid 1

Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met 70% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Indien gedurende de diensttijd gelegen vóór het tijdstip van zijn jubileum een wijziging in de bezoldiging is opgetreden als gevolg van een ontslag als bedoeld in artikel 8:5, gevolgd door een nieuwe aanstelling met recht op een herplaatsingstoelage als bedoeld in artikel 9:1 van het Pensioenreglement, wordt de gratificatie naar evenredigheid van de diensttijd bepaald op zowel de grondslag van de bezoldiging en van de vakantietoelage zoals deze gold onmiddellijk vóór dat ontslag, als de bezoldiging en de vakantietoelage over de maand waarin hij het jubileum gedenkt.

Lid 2

Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen:

  • -

    op grond van artikel 8:4;

  • -

    op grond van artikel 8:5 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

  • -

    op grond van artikel 8:10 of artikel 8:11 indien en voor zover het een volledig ontslag betreft;

en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.

Lid 3

Het college bepaalt in een afzonderlijke regeling welke diensttijden in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de datum van een jubileum in overheidsdienst.

Lid 4

Indien aan de ambtenaar op grond van het bij of krachtens lid 1 tot en met 3 van dit artikel bepaalde een gratificatie zou kunnen worden toegekend, maar hij terzake van zijn betrekking  (bijvoorbeeld als militair) reeds een naar haar aard daarmee overeenkomende gratificatie of uitkering heeft ontvangen, vindt geen toekenning van de gratificatie plaats.

Lid 5

Indien de ambtenaar tijdens een hem verleend buitengewoon verlof - mede dan wel overwegend in het algemeen belang gegeven - jubileert, wordt de gratificatie eerst toegekend zodra hij na beëindiging van het verlof zijn werkzaamheden hervat.

Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering

  • 1 De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

  • 2 De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

  • 3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

Artikel 3:7:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:5 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:7 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage

  • 1 Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat.

  • 2 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.

4 Arbeidsduur en werktijden

Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden

  • 1 Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden.

  • 2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.

  • 3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft.

Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden

  • 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld.

  • 2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen:

    • a

      dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is;

    • b

      dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt;

    • c

      dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken;

    • d

      dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken.

  • 3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.

Artikel 4.2.0.1 Kaderregeling werktijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage

In aanvulling op artikel 4:1 betreffende arbeidsduur en werktijden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Kaderregeling werk- en arbeidstijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage van de gemeente Nijmegen.

Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden

  • 1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.

  • 2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.

  • 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd.

  • 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.

  • 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.

Artikel 4.2.1.1 Resumé zon- en feestdagen en lokale vrije dagen

De gemeente Nijmegen kent de volgende zon- en feestdagen (zie artikel 1.1.0.1)

  • -

    Nieuwjaarsdag

  • -

    2e paasdag (1e paasdag valt altijd op een zondag)

  • -

    Koninginnedag

  • -

    Hemelvaartdag

  • -

    2e Pinksterdag

  • -

    Beide kerstdagen

  • -

    Bevrijdingsdag 5 mei

  • -

    De vrijdagmiddag van de 4-daagse

Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden

Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.

Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;

    • b

      kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

  • 2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.

  • 3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.

  • 4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed

  • 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.

  • 8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.

  • 10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

Artikel 4:3:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 4:3:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 4:3:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 1 Begrippenkader

Kaderregeling werk- en arbeidstijden Besluit van Burgemeester en wethouders d.d. 21 januari 1997

Bij het vaststellen van een werktijdenregeling voor de directie dient rekening te worden gehouden het begrippenkader, zoals opgenomen in de Arbeidstijdenwet (ATW) en de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN).

Artikel 2 Bevoegdheid en voorwaarden

In een voor een directie vast te stellen regeling worden, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens wetten houdende bepalingen tot beperking van de arbeidsduur, en met inachtneming van hetgeen overigens in hoofdstuk 4 van de AGN en in deze regeling is bepaald, de werktijden vastgesteld. De vaststelling van een regeling voor de dienst behoeft de instemming van de OR/OC.

Artikel 3

De onderlinge bereikbaarheid van de directies dient bij vaststelling van de roosters te worden gegarandeerd. Daarbij dient de leiding er zorg voor te dragen dat elk bureau op maandag tot en met vrijdag bereikbaar is tussen 's-morgens 08.30 uur en 's-middags 17.00 uur.

Artikel 4 Variabele werktijden

Van de voor een directie vast te stellen werktijdenregeling kan een regeling inzake variabele werktijden deel uitmaken. Hieronder wordt verstaan een regeling waarbij de individuele werknemer het begin en einde van zijn werktijd en de middagpauze dagelijks binnen bepaalde grenzen zelf kan bepalen.

Artikel 5

Bij de vaststelling van de in het vorige artikel bedoelde regeling van variabele werktijden kan worden bepaald dat voor bepaalde functies de regeling niet, danwel in beperkte mate van toepassing zal zijn.

Artikel 6

Indien een variabele werktijdenregeling binnen de directie wordt vastgesteld, worden daarin bloktijden opgenomen. Onder bloktijden wordt verstaan de tijdsperioden waarin alle werknemers aanwezig moeten zijn, danwel hun werkzaamheden moeten verrichten. De bloktijden zijn -onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling- ten minste gelegen tussen 09.00 uur en 12.30 uur en tussen 14.00 uur en 16.00 uur.

Artikel 7

In de regeling van variabele werktijden dienen in ieder geval tevens bepalingen te worden opgenomen inzake:

  • -

    de grenzen van begin en einde van de werktijd en de middagpauze, uiteraard met inachtneming van het bepaalde in artikel 6;

  • -

    de minimale duur van de middagpauze, namelijk een half uur;

  • -

    de bloktijden als bedoeld in artikel 6;

  • -

    de mogelijkheid om, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3 van deze regeling, via inroostering de keuzevrijheid van een individuele werknemer te beperken;

  • -

    de wijze van registratie van de feitelijke werktijd;

  • -

    de relatie tussen verlof voor doktersbezoek en de variabele werktijdenregeling.

Artikel 8

Lid 1

De negatieve en positieve verschillen tussen werktijd en feitelijke arbeidsduur worden periodiek gesaldeerd.

Lid 2

Een negatief saldo mag de in de regeling bepaalde grens niet overschrijden. Deze grens wordt op maximaal 10 uren bepaald. Een eventuele overschrijding wordt ten laste van het verloftegoed gebracht.

Artikel 9

Lid 1

Het is niet toegestaan een eventueel positief saldo aan te wenden voor extra verlof in de vorm van één of meer dagdelen of ter compensatie van dagen die zijn aangewezen voor collectieve sluiting van de gemeentelijke directies.

Lid 2

Het is evenmin toegestaan een positief saldo uit te betalen.

Artikel 10 Het opstellen van roosters

Lid 1

In verband met het bepaalde in artikel 3 van deze regeling en het uitgangspunt van handhaving van de bedrijfstijden en de daarmee samenhangende noodzakelijke minimale bezetting, worden de werktijden indien nodig via inroostering bepaald.

Lid 2

Er mogen collectief geen werkroosters worden vastgesteld waarbij structureel 4 x 9 uren dan wel 5 x 7,2 uren worden ingeroosterd.

Lid 3

Hoewel bij het opstellen van roosters zoveel als mogelijk is rekening zal worden gehouden met belangen en wensen van deeltijders, komen de werktijden van deeltjders indien nodig ook voor inroostering in aanmerking.

Lid 4

Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11, eerste en eventueel achtste lid, worden deze extra uren in het rooster verwerkt. De gemiddelde feitelijke arbeidsduur zal dan als gevolg daarvan langer zijn dan de formele arbeidsduur (38 i.p.v. 36 uur bij een volledige betrekking indien geen gebruik wordt gemaakt van bandbreedte).

Artikel 11 Compensatie-uren

Lid 1

In de regeling dient te worden verwerkt dat, indien de werknemer dit wenst, op jaarbasis maximaal 101,6 uren bij een volledige betrekking als compensatie-uren vrij opneembaar zijn, voor zover de werkzaamheden dat toelaten.

Lid 2

Compensatie-uren dienen in het begin van elk kalenderjaar, of aanvang van het dienstverband, bijgeschreven te worden op de verlofkaart. Zij worden echter wel apart vermeld.

Lid 3

De opname van compensatie-uren (compensatieverlof) geschiedt op dezelfde wijze als opname van verlofuren; daarbij wordt wel vermeld dat het compensatie-uren betreft.

Lid 4

Bij ziekte tijdens ingeroosterd compensatie-verlof worden deze uren als opgenomen beschouwd.

Lid 5

Bij ziekte langer dan drie maanden, wordt de werknemer geacht voor elke 4 weken dat de ziekte langer duurt, 8 uren compensatieverlof te hebben opgenomen.

Lid 6

De aan het einde van een kalenderjaar niet opgenomen compensatie-uren kunnen niet worden overgeschreven, en vervallen derhalve.

Lid 7

De teveel opgenomen compensatie-uren bij beëindiging van het dienstverband worden verrekend (bijvoorbeeld met de resterende verlofdagen). Niet-genoten compensatie-uren worden daarentegen uitbetaald.

Lid 8

Voor de werknemer met een niet-volledige betrekking wordt voorde toepassing van het in het eerste en vijfde lid bepaalde een berekening naar evenredigheid toegepast.

Artikel 12

(vervallen)

Artikel 13 Collectieve sluiting

Lid 1

Het college behoudt zich het recht voor om, met instemming van de COR, tot collectieve sluiting van de gemeentelijke directies te besluiten.

Lid 2

Aanwijzing van deze collectieve sluiting voor het daaropvolgende kalenderjaar geschiedt telkenjare zo mogelijk voor 1 december van het lopende kalenderjaar.

Lid 3

In overeenstemming met de OR mag de directeur van de directie voor (onderdelen van) zijn dienst een verdere collectieve sluiting overeenkomen.

Lid 4

Bij het vaststellen van de roosters en werktijden van enig kalenderjaar, wordt rekening gehouden met de collectieve sluiting en kunnen daaromtrent nadere afspraken worden gemaakt. Deze dagen worden derhalve, indien de ambtenaar dat wenst, ingeroosterd.

Lid 5

Indien de collectieve sluiting niet conform het bepaalde in het vorige lid in het rooster is verwerkt, dienen voor de collectieve sluiting compensatie-uren c.q. verlofuren te worden ingezet.

Artikel 14 Overgangs- en slotbepalingen

Lid 1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

Lid 2

Met ingang van de in het vorige lid genoemde datum worden de bestaande regelingen inzake variabele werktijden ingetrokken. Indien en voor zolang op dat moment nog geen regeling voor de dienst is vastgesteld, en deze kaderregeling niet volledig in de gewenste behoefte voorziet, kunnen tijdelijke aanvullende afspraken worden gemaakt.

Algemene toelichting

Op basis van een sectoraal accoord inzake verdere arbeidsduurverkorting geldt per 1 januari 1997 een gemiddeld 36-urige werkweek. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over mogelijkheden tot meer flexibele inzet van het gemeentelijk personeel alsmede een spaarvariant in het kader van de vormgeving van de arbeidsduurverkorting. Deze afspraken zijn in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) vastgelegd.

Een verdere detaillering van door sociale partners gemaakte afspraken geschiedt op lokaal niveau. Daarbij komen lokaal bestaande afspraken omtrent invulling van de vorige ADV-ronde van 40 naar 38 uur in beginsel te vervallen. In het 'Accoord Arbeidsvoorwaarden april 1996-januari 1998 zijn daarom enkele randvoorwaarden omtrent de vormgeving van de 36-urige werkweek geformuleerd, en is besloten tot vaststelling van een kaderregeling werk- en arbeidstijden, te hanteren bij de regeling van werk- en arbeidstijden op directieniveau.

Deze randvoorwaarden zijn:

  • a

    er vindt geen algehele inkrimping van bedrijfstijden plaats.

  • b

    werkroosters van structureel 4 x 9 uur en van 5 x 7,2 uur worden niet collectief vastgesteld; een dergelijk rooster kan wel in voorkomende gevallen met individuele werknemers worden overeengekomen.

  • c

    de huidige regelingen met betrekking tot variabele werktijden en bloktijden kunnen per dienst worden geactualiseerd, met instemming van de OR/OC.

  • d

    de onderlinge bereikbaarheid van diensten zal worden gegarandeerd.

  • e

    bij de invulling van werktijden en roosters wordt waar mogelijk rekening gehouden met individuele wensen en omstandigheden.

Bij nader inzien is het noodzakelijk gebleken om de onder c genoemde randvoorwaarde minder vrijblijvend te formuleren. Zulks in verband met hetgeen is bepaald inzake de inzet van compensatie- of verlofuren bij collectieve sluiting (artikel 13).

Deze kaderregeling moet in acht worden genomen bij de op directieniveau met de OR/OC te maken bindende afspraken over een regeling voor werk- en arbeidstijden. De OR/OC heeft instemmingsbevoegdheid.

Bij het inrichten van de werkprocessen moet de 36-urige werkweek als vertrekpunt worden genomen. Aangezien in de lokale CAO ook afspraken zijn gemaakt omtrent het vrij opneembaar blijven van 101,6 uren per jaar -zoals dat tot op heden ook het geval was in de vorm van 12 adv-dagen- zal dat, indien de medewerker van deze regeling gebruik wenst te maken, in een patroon van gemiddeld 38 arbeidsuren bij een volledige betrekking in het rooster tot uitdrukking komen.

Indien er in enige periode meer dan 36 uren gemiddeld zijn ingeroosterd, kan dat ook het gevolg zijn van:

  • -

    ingeroosterde uren als gevolg van het gebruik maken van de bandbreedte, of:

  • -

    uren als gevolg van de spaarregeling als bedoeld in artikel 4:3 van de AGN.

Indien individueel een spaarverlofregeling wordt overeengekomen, is het noodzakelijk dat -alvorens feitelijk hiertoe wordt overgegaan- de afspraken schriftelijk worden vastgelegd. De voorbeeld-spaarovereenkomst van het College voor Arbeidszaken van de VNG dient hierbij als uitgangspunt.

De spaarregeling is opgenomen als artikel 4:3 in de AGN.

In het verleden gemaakte principe-afspraken over dagen waarop de gemeentelijke directies of onderdelen collectief gesloten zullen zijn, zijn nu formeel vastgelegd in deze kaderregeling.

4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden

Artikel 4a:0:0:1 Arbeidsvoorwaardenregeling

In aanvulling op Hoofdstuk 4a betreffende het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” het Keuzemenu Individueel Arbeidsvoorwaardenpakket Nijmegen (KIAN) en de Fietsregeling.

Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld

  • 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

  • 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.

  • 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:1:1:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld

In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:1 kan de ambtenaar bij het college voor 1 februari van het betreffende jaar een verzoek indienen om gedurende het kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren

  • 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

  • 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:2:2:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren

In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:2 kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding

  • 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

  • 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.

Artikel 4a.3.0.1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen

Lid 1

De ambtenaar kan bij het college voor 1 november een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

Lid 2

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het deel van de vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 21,6 uren. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

Lid 3

De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het deel van de vakantie-uren maximaal zoveel maal 1/12 gedeelte van de in het tweede lid genoemde aantal vakantie-uren als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Hij ontvangt, in afwijking van artikel 4a:1, vijfde lid voor elk vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet op de datum van indiensttreding.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid dient de ambtenaar het verzoek  voor het kalenderjaar 2005 uiterlijk voor 1 februari 2005 te hebben ingediend.

Lid 5

Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld.

Artikel 4a:3:0:1:1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen

In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:3. kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden genoemd in lid 7 van artikel 4a:3:0:2.

Artikel 4a:3:0:2 Persoonlijk budget voor bestedingsdoelen

Lid 1

De ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om hem gedurende het betreffende kalenderjaar een bedrag aan persoonlijk budget beschikbaar te stellen.

Lid 2

De ambtenaar kan het toegekende bedrag van het persoonlijk budget slechts benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

Lid 3

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking stelt het college het bedrag van het persoonlijk budget per kalenderjaar vast. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager bedrag als persoonlijk budget per kalenderjaar.

Lid 4

De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het persoonlijk budget zoveel maal 1/12 gedeelte van het in het derde lid genoemde bedrag als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult.

Lid 5

De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar uit dienst treedt, hoeft het op grond van dit artikel toegekende bedrag aan persoonlijk budget niet terug te betalen.

Lid 6

Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld.

Lid 7

De bestedingsdoelen voor het persoonlijk budget zijn:

  • a

    Fiets voor woon- werkverkeer

  • b

    Spaarloon

  • c

    Premie voor bijverzekering pensioen

  • d

    Premie voor bijverzekering ANW

  • e

    Lidmaatschap beroepsvereniging

  • f

    Abonnement(en)/ supplementen vakliteratuur

  • g

    Aanvullende verhuiskostenvergoeding

  • h

    Vergoeding vakbondscontributie.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze regeling verstaat onder:

  • a

    werkgever:de gemeente Nijmegen;

  • b

    werknemer:de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld voor de duur van tenminste één jaar; de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen voor tenminste één jaar; Diegenen wier verzoek om de bestaande duurzame arbeidsrelatie om te zetten in een dienstbetrekking zoals geregeld in artikel 4, onderdeel f van de wet op de loonbelasting 1964, door de Belastingdienst is ingewilligd.

  • c

    fiets:Een fiets is een rijwiel zonder hulpmotor. Ook de Spartamet en zoemfietsen zijn als fiets aan te merken. Zoemfietsen zijn fietsen met een elektrisch of motorisch aangedreven trapondersteuning zoals de Epacs en Saxonette.

  • d

    verzekering:een gangbare verzekering voor de fiets voor de duur van drie jaar, die dekking geeft tegen nieuwwaarde bij diefstal en schade;

  • e

    accessoires: de met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, waaronder mede begrepen fiets- en regenkleding.

  • f

    brutoloon:de eindejaarsuitkering waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling; de vakantietoelage, voor zover meer bedragend dan 8% van het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling.

  • g

    nettoloon:de bezoldiging na aftrek van verschuldigde premies en loonbelasting;

  • h

    AGN:de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

Artikel 2 Voorfinanciering fiets

Lid 1

Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van een fiets met verzekering , dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een volledig ingevulde "Verklaring inzake aanschaf en terugbetaling van vergoede fiets" te overleggen. Hierin verklaart de werknemer dat hij op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer de fiets zal gebruiken, waaronder mede begrepen het gebruik van de fiets in voor- of natransport (bijvoorbeeld van en naar NS-station). Deze verklaring wordt door de werkgever bevestigd. In de verklaring wordt tevens - op de wijze zoals in lid 4 van dit artikel is bepaald - aangegeven op welke wijze het brutoloon van de werknemer zal worden verlaagd.

Lid 2

De werknemer vult tevens een bestelformulier in, dat namens de werkgever door de afdeling P&O van de dienst\directie wordt voorzien van handtekening en stempel.

Lid 3

Na ontvangst van de factuur (met kopie van het bestelformulier) betaalt de werkgever rechtstreeks aan de leverancier dan wel de werknemer de kosten van de te vergoeden fiets, en de verzekering. Een fiets wordt slechts één keer per drie jaren vergoed. De verzekering dient bij de bestelling van de fiets te worden afgesloten.

Lid 4

De werknemer dient schriftelijk te verklaren dat hij in een periode van maximaal drie jaren na datum van vergoeding van de kosten afstand doet van zijn brutoloon ter grootte van het aanschafbedrag van de fiets dan wel maximaal het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001.

Lid 5

Indien bij beëindiging van de arbeidsverhouding nog verrekening dient plaats te vinden, wordt het restant verrekend met de vakantietoelage en eventueel de eindejaarsuitkering. Indien de vakantietoelage en/of eventueel de eindejaarsuitkering daartoe niet toereikend zijn, zal het restant op het nettoloon in mindering worden gebracht.

Artikel 3 Voorfinanciering fiets

In verband met, en tegelijk met de overdracht van het eigendom van de fiets en de vergoeding van de kosten daarvan aan de werknemer, wordt bij de eerstvolgende loonbetaling aan de werknemer, indien het aankoopbedrag van de fiets meer bedraagt dan het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001, eenmalig op zijn nettoloon ingehouden het meerdere boven dit bedrag.

Artikel 4 Voorfinanciering accessoires

Lid 1

Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires, dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een door het college vastgesteld formulier inzake de vergoeding van de accessoires volledig in te vullen.

Lid 2

Gedurende de looptijd van de regeling kunnen de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires éénmaal per kalenderjaar worden gedeclareerd tot het maximumbedrag als genoemd in artikel 37, lid 5 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001. Het gedeclareerde bedrag wordt vervolgens in mindering gebracht op de vakantie-uitkering of op de eindejaarsuitkering van de medewerker van het betreffende jaar.

Lid 3

Indien het gedeclareerde bedrag het in lid 2 van dit artikel bedoelde maximumbedrag overstijgt, wordt het restant in mindering gebracht op het eerstvolgende nettoloon.

Artikel 5 Slotbepalingen

Indien controle door de inspecteur der belastingen er toe leidt dat alsnog een naheffing wordt opgelegd, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele rente en boete) voor rekening van de werknemer. Voorts aanvaardt de werkgever geen enkele verantwoordelijkheid voor de mogelijk in andere (wettelijke) regelingen opkomende gevolgen van de verlaging van het brutoloon bij het gebruikmaken van deze regeling.

Artikel 6 Slotbepalingen

De werknemer is verplicht een verzekering af te sluiten.

Artikel 7

Bij de toepassing van de regeling wordt geen rekening gehouden met eventuele inruil.

Artikel 8

Lid 1

Deze regeling treedt, onder intrekking van de regeling “Regeling faciliteiten ter zake van verstrekking / aanschaf van een fiets 1 april 1999”, in werking met ingang van heden.

Lid 2

De regeling kan worden aangehaald als regeling “Faciliteiten ter zake van aanschaf van een fiets 2008".

5 Seniorenmaatregelen

Artikel 5:1 56-jarenregeling

  • Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

  • 1 De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die

    • a

      een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en

    • b

      geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren.

  • 2 Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.

  • 3 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur.

Artikel 5:2 Pré-vut

  • Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

  • 1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april 1997.

  • 2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt.

  • 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd.

Artikel 5:3 60-jarigenregeling

  • Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

  • 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die:

    • a

      een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en;

    • b

      een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt;

    op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren.

  • 2

    • a

      Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1;

    • b

      Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%.

  • 3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid.

  • 4 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week.

  • 5 Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan 50. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling.

  • 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur.

  • 7 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd.

  • 8 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn.

  • 9 Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.

  • 10 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken.

  • 11 Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid.

  • 12 Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven.

  • 13 Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen.

  • 14 Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend.

Artikel 5.3.0.1 Werktijdenverkorting 60 jaar en ouder

Lid 1

De ambtenaar die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, een volledige betrekking vervult en geen gebruik maakt van de voorziening als bedoeld in artikel 5:1 kan, indien hij zulks wenst, in aanmerking komen voor een vermindering van zijn werktijd met een half uur per dag.

Lid 2

Indien naar het oordeel van het college het dienstbelang zich tegen toepassing van het in het voorgaande lid bepaalde verzet, heeft de ambtenaar echter recht op een vrije dag zodra een periode verstreken is waarin het totaal aantal halve uren dat hem met toepassing van het eerste lid aan werktijdverkorting zou zijn toegestaan, overeenkomt met een werkdag.

Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen

Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:3.

Artikel 5:5 Overgangsbepaling

Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is.

Artikel 5:6 Slotbepalingen

  • 1 Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.

  • 2 Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.

Artikel 5.6.0.1 Slotbepalingen

In aanvulling op het gestelde in artikel 5:6 lid 2 (waarin gesteld wordt dat een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren geen recht meer heeft op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen) dient vermeld te worden dat dit geldt met uitzondering van het bepaalde in artikel 5.3.0.1.

Artikel 1 Rechthebbende

Onder “ambtenaar” als bedoeld in deze regeling wordt verstaan: De ambtenaar als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1:1, eerste lid onder a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (verder: AGN) die de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en:

  • a

    die door het bevoegd gezag door organisatieverandering of bezuinigingsmaatregel (meestal na toepassing van een sociaal plan/personeelsplan) als herschikker is aangewezen of

  • b

    die door het bevoegd gezag als herplaatser is aangewezen omdat betrokkene om andere redenen de functie niet meer kan uitoefenen of

  • c

    wiens functie op basis van door het bevoegd gezag te maken inschattingen op korte termijn dreigt te vervallen en daardoor mogelijk als herschikker zal worden aangewezen of

  • d

    die weliswaar niet voldoet aan het bepaalde onder a., b. of c., doch die door uit te treden de mogelijkheid biedt - al dan niet via verschuiving - aan een herschikker of toekomstige herschikker in een functie in te stromen, zulks ter beoordeling van het college.

Artikel 2 Ontslag met FPU

Om voor toepassing van deze regeling in aanmerking te komen verplicht de ambtenaar zich ontslag te nemen op grond van artikel 8:11 van de AGN. In afwijking van het bepaalde in artikel 8:11, lid 2 van de AGN dient voor toepassing van deze regeling het ontslag voor de volledige omvang van de op dat moment geldende formele arbeidsuur per week te worden verzocht.

Artikel 3 Aanvulling FPU

  • 1

    De ambtenaar die een verzoek om ontslag heeft ingediend als bedoeld in artikel 2 van deze regeling heeft recht op een aanvulling van zijn FPU-uitkering tot:

    • a

      het percentage van de FPU-grondslag waarop hij recht had kunnen doen gelden bij uitreden op de eerste dag van de maand volgende op die waarop hij de 58-jarige leeftijd zou hebben bereikt, indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 55, 56 jaren of 57 heeft bereikt;

    • b

      80% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 58 jaren heeft bereikt;

    • c

      82% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 59 jaren heeft bereikt en

    • d

      84% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt.

  • 2

    Indien de ambtenaar in deeltijd werkzaam is, geldt het in lid 1 van dit artikel genoemde percentage slechts voor dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht.

  • 3

    Indien de in het tweede lid bedoelde ambtenaar reeds eerder gedeeltelijk van de FPU-regeling gebruik heeft gemaakt, zal de som van de FPU-uitkering en aanvulling nooit meer bedragen dan waarop hij recht zou kunnen doen gelden indien hij bij het bereiken van de 58- jarige leeftijd (1a) respectievelijk de voor hem geldende spilleeftijd (1b, 1c en 1d) c.q. de datum van zijn 42-jarig dienstjubileum volledig zou zijn uitgetreden.

  • 4

    Voor de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in hoofdstuk 5 van de AGN bedoelde seniorenmaatregelen wordt een afzonderlijke regeling getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de periode en omvang van de verminderde arbeidsduur.    

Artikel 4 Pensioenopbouw

Lid 1

De werkgever neemt voor de ambtenaar die is geboren vóór 1 april 1947 de aan de pensioenopbouw van de ambtenaar verbonden kosten voor haar rekening gedurende de periode dat deze regeling geldt, tot uiterlijk het moment waarop de zogenoemde spilleeftijd voor FPU-ontslag zou worden bereikt, evenwel met een maximum van vier jaren.   Lid 2Deze voortgezette pensioenopbouw is conform artikel 16.5 van het pensioenreglement qua duur de helft van de gebruikelijke pensioenopbouw. De in het eerste lid genoemde kosten worden voor rekening van de werkgever genomen, voor zover het betreft dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht.

Artikel 5 Inkomsten

Lid 1

De ambtenaar dient van het verkrijgen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen op of na de datum van ontslag, onder overlegging van de terzake noodzakelijk geachte specificaties, onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen.

Lid 2

Naast een eventuele korting op de uitkering door het ABP, wordt door de gemeente indien nog van toepassing een korting op de in artikel 3 bedoelde aanvulling toegepast gelijk aan het gedeelte waarmee de som van de (gekorte) fpu-uitkering, de aanvulling en de inkomsten 100% van de fpu-grondslag te boven gaan.

Artikel 6 Geldigheidsduur

Van deze regeling kan gebruik gemaakt worden tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2006

Artikel 7 Algemene bepalingen

Lid 1

Het belang van de organisatie moet met de beoogde maatregel duidelijk zijn gediend; bij de afweging met het individuele belang van de ambtenaar is het belang van de organisatie altijd doorslaggevend.

Lid 2

Van de in artikel 1 onder d. genoemde medewerkers wordt een lijst gemaakt van functies. Deze functielijst wordt in de organisatie bekend gemaakt om het domino-effect te bevorderen en te kunnen bewerkstelligen.

Artikel 8 Niet-voorziene gevallen

In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet kan een besluit worden genomen zonodig in afwijking van het in deze regeling bepaalde.

Artikel 9 Besluit

Alle besluiten ten aanzien van de uitvoering van deze regeling worden door het college -op voorstel en advies van de directeur van een directie- genomen.

Artikel 10 Titel

Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling uitstroom ouderen 2005".  

Artikel 11 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005

i30283.pdf [Klik hier om het document te downloaden]

Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005

Artikel 12 Melding kandidaat regeling uitstroom ouderen 2005

i30285.pdf [Klik hier om het document te downloaden]

Melding kandidaat Regeling Uitstroom Ouderen 2005

5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen

Artikel 5a.0.0.1 Lokale FPU-maatregelen

In aanvulling op Hoofdstuk 5a “FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen”, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de lokale FPU-maatregelen van de gemeente Nijmegen.

Artikel 5a:1 Recht op uitkering

De ambtenaar die:

  • a

    ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en

  • b

    geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en

  • c

    geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld,

heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.

Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag

  • 1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.

  • 2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.

Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever

  • 1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:

    Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005

    Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd

    56

    6,9

    57

    8,0

    58

    9,4

    59

    11,3

    60

    14

    61 of ouder

    16

  • 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.

  • 3

    • a

      De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren

      • I

        vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;

      • II

        na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

    • b

      Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.

Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

  • 1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

  • 2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.

  • 3

    • a

      de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren:

      • I

        vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;

      • II

        na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

    • b

      Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.

Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

  • 1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

  • 2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.

  • 3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren:

    • a

      vóór of op 1 april 1947: 60 jaar

    • b

      na 1 april 1947: 61 jaar

Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

  • 1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van:

    • a

      de FPU-uitkering;

    • b

      de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11;

    • c

      de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11;

    • d

      de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.

  • 2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.

  • 3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.

  • 4 Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.

  • 5 Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.

Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever

Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.

Artikel 5a:6 Pensioenopbouw

De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.

Artikel 5a:7 Lokaal beleid

Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.

Artikel 5a:8 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan

Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof

Artikel 6:1 Recht op vakantie

In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.

Artikel 6:1:1 Vakantieverlening

  • 1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.

  • 2 De vakantie wordt verleend door het college.

Artikel 6:2 Duur vakantie

  • 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.

  • 2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Artikel 6.2.0.1 Duur vakantie

In aanvulling op artikel 6:2 betreffende de duur van de vakantie, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de vakantieregeling van de gemeente Nijmegen.

Artikel 6:2:1 Nadere regels

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.

  • 2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

  • 3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 4 De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.

  • 5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.

  • 6 In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel.

  • 7 Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.

Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode

  • 1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.

  • 2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.

  • 3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.

Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid

  • 1 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.

  • 2 Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:

    • a

      gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de ambtenaar;

    • b

      in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste oefening;

    • c

      indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.

    Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.

  • 4 Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.

  • 5 Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.

Artikel 6.2.3 (Q) Praktijkvoorbeeld opbouw vakantierechten

Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten, geen vermindering wordt toegepast gedurende de laatste zes maanden van de periode van afwezigheid. Of er een vermindering plaatsvindt, kan pas na afloop van de periode van afwezigheid worden vastgesteld. In praktijk betekent dat het volgende. Vanaf het moment dat de ambtenaar ziek wordt bouwt hij geen vakantierechten meer op. Gaat betrokkene na zijn ziekteperiode weer aan het werk dan wordt voor de opbouw van vakantierechten vanaf de hersteldatum 6 maanden teruggeteld. Is betrokkene bijvoorbeeld 7 maanden ziek, dan bouwt hij over de 6 maanden vóór zijn hersteldatum de gebruikelijke vakantierechten op en voor 1 maand niet. Is iemand korter dan 6 maanden ziek, dan heeft dat geen enkel effect op de opbouw van zijn vakantierechten. Hij bouwt dus gewoon het volle pond op. Is betrokkene ziek en wil hij toch met vakantie, dan kan dat alleen met toestemming van de bedrijfsarts. Geeft deze toestemming en blijft de ambtenaar tijdens de vakantieperiode gewoon ziek, dan hoeft hij voor deze vakantie geen vakantiedagen in te leveren.

Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang

  • 1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.

  • 2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.

Artikel 6:2:5 Intrekking

  • 1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.

  • 2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie

  • 1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:

    • a

      op verzoek van de ambtenaar;

    • b

      als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of

    • c

      als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening,

    wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.

  • 2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.

  • 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.

Artikel 6.2.6.1 Overschrijving verlofdagen

(Gedeelte uit) circulaire aan hoofden van diensten d.d. 14 december 1981

Een verzoek tot overschrijving van niet-genoten vakantie-uren naar een volgend jaar hoeft niet meer aan u als hoofd van dienst ter beslissing te worden voorgelegd in die gevallen waarin dit aantal 20% of minder bedraagt van het aantal uren waarop men recht heeft. Indien de uitkomst van de berekening minder dan een uur bedraagt vindt afronding naar boven plaats op een heel uur.

Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking

Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.

Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage

  • 1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.

  • 2 De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.

Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage

  • 1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.

  • 2

    • a

      Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

    • b

      Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

  • 3 Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.

Artikel 6:4 Buitengewoon verlof

  • 1 De ambtenaar die op grond van de i30286.pdf [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.

  • 2 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.

  • 3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.

  • 4 In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.

Artikel 6.4.0.1 Informatie sociale premies

In aanvulling op artikel 6:4 betreffende buitengewoon verlof, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” meer informatie over sociale premies e.d. bij buitengewoon verlof van de gemeente Nijmegen.

Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof

  • 1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.

  • 2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.

Artikel 6.4.1.1 Buitengewoon verlof i.v.m. zitting stembureau

In aanvulling op artikel 6:4:1 is door het college bepaald dat eveneens verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend op de dag dat de ambtenaar zitting heeft op een stembureau binnen de gemeente Nijmegen.

Artikel 6.4.1.2 Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden

In aanvulling op artikel 6:4:1 lid 1 sub a betreffende buitengewoon verlof, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden van de gemeente Nijmegen.

Artikel 6.4.1.3 Buitengewoon verlof i.v.m. consultatie eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg

Voor consultatie van de zogenoemde eerstelijns gezondheidszorg wordt geen buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging toegekend. De medewerker dient eigen verlof op te nemen voor bijvoorbeeld een bezoek aan huisarts, tandarts of fysiotherapeut. Het verlof kan in uren van de verlofkaart worden afgeschreven. Voor de zogenoemde tweedelijns gezondheidszorg wordt wel buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Uiteraard slechts voor de tijd die noodzakelijk is voor dit bezoek. Onder tweedelijns gezondheidszorg wordt specialistische gezondheidszorg gerekend waar men enkel van gebruik kan maken indien men door een (huis)arts is doorverwezen.

Ter compensatie van het vervallen van aanspraken op buitengewoon verlof voor o.a. het verzoek aan huisarts of tandarts is het vakantieverlof met ingang van 1 januari 2001 vermeerderd met 14,4 uren voor de voltijder. De deeltijder krijgt een compensatie naar evenredigheid.

Artikel 6.4.1.4 Vaderschapsverlof

De werknemer heeft na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij het kind erkent, in aanvulling op het kraamverlof als bedoeld in het bepaalde in artikel 6:4 recht op extra verlof (vaderschapsverlof) met behoud van bezoldiging. Het aantal uren verlof waarop de werknemer in totaal recht heeft bedraagt tweemaal de formele arbeidsduur per week. Het verlof dient eenmalig of gespreid te worden opgenomen binnen vier weken, volgend op de dag van de bevalling.

Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof

  • 1 De ambtenaar die op grond van de i30287.pdf [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.

  • 2 Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.

  • 3 De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.

  • 4 De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.

  • 5 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

  • 6 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.

  • 7 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.

Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:

    • a

      Centrales van overheidspersoneel:

      • 1

        de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);

      • 2

        de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);

      • 3

        de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).

    • b

      Verenigingen van ambtenaren:

      de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.

  • 2 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar:

    • a

      voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;

    • b

      voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;

    • c

      voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.

  • 3 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:

    • a

      om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;

    • b

      voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.

  • 4 Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.

  • 5 Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:

    • a

      lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten;

    • b

      lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.

  • 6 Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 7 Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.

  • 8 Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.

Artikel 6:4:2a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof

  • 1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de i30288.pdf [Klik hier om het document te downloaden] .

  • 2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.

  • 3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.

  • 4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.

Artikel 6:4:4 Non-activiteit

  • 1 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.

  • 2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

  • 3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.

Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof

Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.

Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof

  • 1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.

  • 2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie

Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.

Artikel 6:5 Ouderschapsverlof

  • 1 De ambtenaar die op grond van de i30289.pdf [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.

  • 2 Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens:

    a

    schaal 1:

    90%;

    b

    schaal 2:

    85%;

    c

    schaal 3:

    80%;

    d

    schaal 4:

    70%;

    e

    schaal 5:

    60%;

    f

    schaal 6 en hoger:

    50%.

  • 3 Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 4 Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

Artikel 6:5:1 Voorwaarden

De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.

Artikel 6.5.2.0 Meerlingen

Bij twee- of meerlingen bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op gedeeltelijke doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 6:5.

Artikel 6:5:3 Ziekte

  • 1 Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.

  • 2 De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.

Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage

  • 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.

  • 2 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

  • 3 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.

  • 4 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.

Artikel 6:5:5 Terugbetaling

  • 1 De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.

  • 2 Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:

    • a

      het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente;

    • b

      en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

  • 3 De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.

  • 4 De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.

Artikel 6:5:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.

Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof

  • 1 De ambtenaar die op grond van de i30290.pdf [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien:

    • a

      hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en

    • b

      hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.

  • 2 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.

  • 3 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.

  • 4 Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 5 Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.

  • 6 Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

Artikel 6:5a:1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof

Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof

Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling

  • 1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.

  • 2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.

  • 3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.

  • 4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.

  • 5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.

  • 6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.

  • 7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.

  • 8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.

  • 9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.

Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof

  • 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.

  • 2 Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.

  • 3 Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.

  • 4 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:11 Samenloop met ziekte

  • 1 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.

  • 2 Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.

Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof

Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

Buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging

Circulaire van Burgemeester en Wethouders, afd. IV, nummer 4297/84, aan directeuren van diensten en bedrijven en afdelingshoofden ter Secretarie.

In december 1983 heeft de Raad het personeelsplan behorende bij de Meerjarenbegroting 1984-1987 aanvaard. Doel van dit plan was zoveel mogelijk te voorkomen dat de gemeente tot gedwongen ontslagen zou moeten gaan. Het nemen van maatregelen tot vermindering van de loonkosten/arbeidstijd werd als een van de middelen tot het bereiken van het gestelde doel beschouwd. In verband daarmee heeft ons College de Raad medegedeeld een ruime toepassing van artikel 6:4:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen te willen bevorderen. Bedoeld artikel verschaft ons College ondermeer de bevoegdheid om - indien een ambtenaar zulks verzoekt - buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging, dus voor eigen rekening van de ambtenaar te verlenen. Wij hebben nu besloten om dergelijke verzoeken zo enigszins mogelijk te verlenen, en wel tot een maximum van 20 dagen per jaar. Een verzoek als hierboven bedoeld zal door ons College alleen dan worden geweigerd indien het desbetreffende hoofd van dienst aantoont dat het verlenen van verlof in strijd is met het dienstbelang. Wij verzoeken u uw personeel op ruime schaal hierover te informeren. Voor wat betreft de materiële consequenties nog het volgende: gedurende de periode van het buitengewoon verlof zal geen bezoldiging worden doorbetaald. Voor rekening van de ambtenaar komt bovendien de over de bedoelde periode verschuldigde IZA-premie (zowel het werknemers- als het werkgeversaandeel) alsmede de gebruikelijk op de ambtenaar te verhalen pensioenpremie. Overigens dient betrokkene wel de keuze te worden gelaten om voor de duur van het buitengewoon verlof al dan niet IZA-deelnemer te blijven. Bij de tijdelijke beëindiging van het IZA-deelnemerschap is dan geen premie verschuldigd. Hoewel op grond van de bestaande bepalingen bij een periode van langer dan 14 dagen ook de mogelijkheid bestaat de door de werkgever verschuldigde pensioenpremie op de ambtenaar te verhalen, hebben wij van deze mogelijkheid afgezien, aangezien het dienstbelang met het verlenen van buitengewoon verlof mede is gediend.

Circulaire dokters- en tandartsbezoek

Tot 1-1-2001 was het gebruikelijk dat een werknemer voor een bezoek aan huisarts, tandarts, specialist of fysiotherapeut buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging ontving. In de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) was daarvan feitelijk niets geregeld, maar er was een soort gewoonterecht op dit terrein ontstaan. In het kader van een versobering en vereenvoudiging van de bestaande verlofregelingen is besloten per 1 januari 2001 voor consultatie van de zogenoemde eerstelijns gezondheidszorg geen buitengewoon verlof meer toe te kennen. Concreet betekent dit dat een bezoek aan huisarts , fysiotherapeut of tandarts voor rekening van de werknemer komt. Het verlof kan in uren van de verlofkaart worden afgeschreven. Voor bezoeken aan specialist, etcetera wordt wel buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend, uiteraard slechts voor de tijd die noodzakelijk is voor dit bezoek. Ter compensatie van het vervallen van aanspraken op buitengewoon verlof voor o.a. het bezoek aan huisarts of tandarts is het vakantieverlof met ingang van 1 januari 2001 vermeerderd met 14,4 uren voor de voltijder. De deeltijder krijgt een compensatie naar evenredigheid.

Premies bij buitengewoon verlof

1 IZA.

Basisuitgangspunt. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 9, lid 3 van de IZA-regeling Nederland kan de medewerker géén aanspraak maken op voorzieningen ingevolge deze regeling en is geen procentuele en/of nominale bijdrage verschuldigd.

Evenwel: Indien de medewerker wel IZA-deelnemer wenst te blijven gedurende de verlofperiode, dient dit tijdig schriftelijk kenbaar te worden gemaakt bij de IZA-correspondent van de dienst. Van gemeentewege zal dan aan het IZA-regiokantoor Gelderland -ingevolge artikel 9, lid 4 van de IZA-regeling Nederland- worden verzocht de medewerker ook tijdens de verlofperiode IZA-deelnemer te laten zijn. Een dergelijk verzoek zal dezerzijds slechts aan het IZA worden gericht, indien de werknemer schriftelijk verklaart zowel de eigen bijdrage als die van de gemeente, alsmede de nominale premie voor eigen rekening te nemen. Deze bijdragen zullen door het IZA-regiokantoor Gelderland bij de werknemer in rekening worden gebracht.

2. ABP-Pensioenreglement.

  • a

    Verlof, uitsluitend in het persoonlijk belang. Dezerzijds wordt hieraan de voorwaarde verbonden dat alle werkgeversafdrachten van de afzonderlijke premies die van gemeentewege aan de betreffende fondsen zijn verschuldigd, voor rekening van de werknemer komen. Het betreft i.c. de premies OP/NP/ANW 8,55%, FPU-standaard 2,65%, VSG 0,05%, IP+ 1,35% en de UFO-premie van 0,80%. Uiteraard komen ook de werknemerspremies voor rekening van de verlofganger. Het betreft hier OP/NP/ANW 3,25% (franchise ƒ. 30.900,--), FPU-standaard 2,65%, VSG 0,05% en IP+ 0,45 of 0,20% (franchise ƒ. 32.900,--), zulks afhankelijk van de situatie of al dan niet tot 70% is bijverzekerd.

  • b

    Verlof, mede in het algemeen belang. De werkgeversafdrachten blijven voor rekening van de werkgever en op de werknemer worden 'slechts' de verschillende werknemerspremies verhaald.

3. Sociale verzekeringswetten.

Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging zijn werknemers niet verplicht verzekerd ingevolge de sociale verzekeringswetten. Dat betekent dat ook de premie-inhouding stopt bij de start van het onbetaalde verlof. Na afloop van de verlofperiode herleeft de verplichte verzekering weer en start dus ook weer de inhouding van de premies.

3a. WAO.

Op 1 oktober 1998 is de 'Wet onbetaald verlof' in werking getreden, bedoeld om belemmeringen in de sociale verzekeringen voor het opnemen van onbetaald verlof weg te nemen. De wet zorgt er voor dat werknemers na de verlofperiode geen nadeel ondervinden voor ondermeer de WAO. Het normaal geldende arbeidspatroon van de verlofganger blijft uitgangspunt voor vaststelling van het recht op een uitkering. Een periode van verlof wordt er als het ware tussenuit geknipt en telt niet mee voor het vaststellen van het recht. Het wegnemen van deze belemmeringen geldt voor verlofperioden die niet langer dan 18 maanden duren. In andere gevallen kan onder bepaalde voorwaarden een vrijwillige WAO verzekering worden afgesloten. Tijdens voltijd onbetaald verlof kan er geen sprake zijn van inkomensderving als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Een zieke verlofganger is dus in beginsel niet verzekerd voor de WAO. Als een werknemer tijdens onbetaald verlof ziek of arbeidsongeschikt raakt, heeft hij desondanks na afloop van het verlof recht op een uitkering. Als eerste ziektedag geldt de eerste werkdag na afloop van het onbetaalde verlof. Ziekte van de verlofganger kan een reden zijn de verlofperiode voortijdig af te breken. In overleg met de werkgever kan daartoe worden besloten. Dan wordt ook de datum van de eerste ziektedag vervroegd en kan zo spoedig mogelijk met de reïntegratie van de werknemer worden gestart. Bij deeltijd onbetaald verlof kunnen de reïntegratie-activiteiten direct beginnen. Een verzoek tot vrijwillige verzekering WAO dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend en moet worden gericht aan USZO BV Heerlen, ten name van de eenheid Verzekerdenadministratie (VZA), Postbus 4837, 6401 JM HEERLEN.

3b. WW.

Daarnaast kwam tot 1 januari 2001 de pseudo-WW-premie voor rekening van de werknemer. Hoewel de naam anders doet vermoeden ging het tot dat ogenblik niet om een premie die aan een wettelijke verzekering was verbonden, maar om een inkomensmaatregel. Vanaf 1 januari 2001 vallen ook ambtenaren onder de WW. Bij buitengewoon verlof is er geen sprake van verzekering en dus mag er geen pseudopremie WW meer worden ingehouden omdat de inhouding gekoppeld is aan de verzekering.

Alle bovengenoemde premies en franchisebedragen gelden naar de toestand op 1 januari 2001.

Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden

Onder ernstige ziekte dient in dit verband te worden verstaan “ziekte in een terminaal stadium”.

Na verzoek van de ambtenaar neemt het hoofd van dienst de beslissing. Indien aangenomen kan worden dat dit buitengewoon verlof maximaal één week zal gaan duren vindt geen vooroverleg met de bedrijfsarts plaats.

Indien verwacht wordt dat de periode van verlof langer dan één week zal gaan duren, of indien er sprake is van regelmatige herhaling of van gevoelens omtrent misbruik, dan zal de bedrijfsarts voor advies worden ingeschakeld. Komt er een positief advies uit dan wordt dit de ambtenaar schriftelijk medegedeeld met een indicatie omtrent de maximale duur van het buitengewoon verlof.

Tevens zal er in overleg met de bedrijfsarts gezocht dienen te worden naar alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld gezinshulp of opname in een verpleeghuis e.d..

Mocht achteraf blijken dat het buitengewoon verlof ten onrechte is genoten dan worden deze dagen op de vakantie ingehouden.

Vakantieregeling

Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 4 juli 1972, laatstelijk gewijzigd 19 november 1998.

Artikel 1 Vakantieregeling

Lid 1

De duur van het vakantieverlof voor de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, alsmede diegene met wie op grond van het bepaalde in artikel 2:5 van die regeling een arbeidsovereenkomst is aangegaan, en werkzaam is in een volledige betrekking, wordt per kalenderjaar vastgesteld op het aantal uren dat is aangegeven achter de salarisschaal waarin hij is ingedeeld.

Schaal  1 t/m 8

172,8 uren

Schaal  9 en 10

180 uren

Schaal 11 en hoger

187,2 uren

Lid 2

Indien voor het personeelslid als bedoeld in het voorgaande lid geen salarisschaal is vastgesteld, bedraagt het vakantieverlof 172,8 uren per kalenderjaar.

Artikel 2 Vakantieregeling

Lid 1

De duur van het vakantieverlof wordt, met ingang van de kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 30, 40, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt wordt, telkens met 7,2 uren vermeerderd.

Lid 2

Voor de ambtenaar die op of na 1 januari 1998 wordt aangesteld geldt, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, dat de duur van het vakantieverlof telkens met 7,2 uren wordt vermeerderd met ingang van de kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 45, 50, 55, of 60 jaar wordt bereikt.

Lid 3

De duur van het vakantieverlof van personeelsleden jonger dan 22 jaar wordt vermeerderd met:

  • a

    21,6 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • b

    14,4 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • c

    7,2 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 21-jarige leeftijd bereikt wordt.

Lid 4

De duur van het vakantieverlof wordt met ingang van 1 januari 2001 jaarlijks vermeerderd met 14,4 uur, zulks ter compensatie van het vervallen van een aantal buitengewoon verlofsituaties als gevolg van een vereenvoudiging van de verlofregeling. De omvang van het hier bedoelde verlof wordt afzonderlijk op de verlofkaart zichtbaar gehouden.

Artikel 3 Vakantieregeling

Lid 1

Het vakantieverlof van de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het vakantieverlof dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking.

Lid 2

Het vakantieverlof van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is teruggebracht, wordt naar evenredigheid verminderd.

Artikel 4 Vakantieregeling

Deze regeling geldt niet voor het personeel van de vaste kern van de Gemeente Brandweer.

Artikel 5 Vakantieregeling

Deze regeling welke wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1972, kan worden aangehaald als "Vakantieregeling". Met ingang van laatstgenoemde datum vervalt de verordening, vastgesteld op 22 mei 1957, zoals die nadien is gewijzigd.

Vakantieregeling brandweer

Besluit van burgemeester en wethouders van 4 juli 1972, laatstelijk gewijzigd 26 november 1996.

Artikel 1 Vakantieregeling brandweer

De duur van het vakantieverlof wordt per kalenderjaar vastgesteld op het aantal uren dat is aangegeven achter de schaal, waarin de personeelsleden zijn ingedeeld:

Schaal  1 t/m 8

172,8 uren

Schaal  9 en 10

180 uren

Schaal 11 en hoger

187,2 uren

Artikel 2 Vakantieregeling brandweer

Lid 1

De duur van het vakantieverlof wordt, met ingang van kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 30, 40, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt wordt, telkens vermeerderd met 7,2 uur.

Lid 2

Voor de ambtenaar die op of na 1 januari 1998 wordt aangesteld geldt, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, dat de duur van het vakantieverlof telkens met 7,2 uren wordt vermeerderd met ingang van de kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 45, 50, 55, of 60 jaar wordt bereikt.

Lid 3

De duur van het vakantieverlof van personeelsleden jonger dan 22 jaar wordt vermeerderd met:

  • a

    21,6 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • b

    14,4 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • c

    7,2 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 21-jarige leeftijd bereikt wordt.

Lid 4

De duur van het vakantieverlof wordt met ingang van 1 januari 2001 jaarlijks vermeerderd met 14,4 uur, zulks ter compensatie van het vervallen van een aantal buitengewoon verlofsituaties als gevolg van een vereenvoudiging van de verlofregeling. De omvang van het hier bedoelde verlof wordt afzonderlijk op de verlofkaart zichtbaar gehouden.

Artikel 3 Vakantieregeling brandweer

Lid 1

Ter bepaling van de duur van het vakantieverlof voor het brandweerpersoneel, dat werkzaam is in de 24-uurdienst wordt een omrekeningsfactor toegepast van 1,5 met inachtneming van het volgende:

  • a

    als grondslag voor de omrekening geldt de duur van het vakantieverlof bedoeld in artikel 1, vermeerderd met het aantal uren als bedoeld in artikel 2 en artikel 6:2:1, vierde lid van de AGN;

  • b

    afronding vindt plaats tot op één decimaal volgens de gangbare afbreekregel.

Lid 2

Voor de vakantiedag opgenomen in de 24-uurdienst worden 24 uren in mindering gebracht.

Lid 3

Voor een vakantiedag opgenomen in de dagdienst wordt het aantal voor die dag ingeroosterde uren in mindering gebracht.

Artikel 4 Vakantieregeling brandweer

Het volgens deze regeling vastgestelde vakantieverlof wordt verleend volgens een door de commandant der brandweer vast te stellen rooster.

Artikel 5 Vakantieregeling brandweer

Deze regeling wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1972. Met ingang van genoemde datum vervalt de regeling van het vakantieverlof voor het personeel van de vaste kern van de Gemeente Brandweer, vastgesteld op 9 april 1969, zoals die nadien is gewijzigd.

6a De gemeentelijke levensloopregeling

Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

  • b

    instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;

  • c

    levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • d

    levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • e

    levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.

Artikel 6a:2 Doel

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling

  • 1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.

  • 2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.

  • 3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling

  • 1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

  • 2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.

  • 3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.

  • 4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6a:5 Inleg

  • 1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.

  • 2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.

  • 3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.

Artikel 6a:6 Bronnen

De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:

  • a

    het salaris;

  • b

    de vakantietoelage;

  • c

    de eindejaarsuitkering;

  • d

    de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;

  • e

    de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1;

  • f

    het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.

Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage

  • 1 De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.

  • 3 De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.

  • 4 De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

  • 5 Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

  • 6 De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 6a:7a Uitbetaling levensloopbijdrage 2008

De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling

  • 1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden

  • 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:

    • a

      bij overlijden van de ambtenaar;

    • b

      bij ontslag van de ambtenaar;

    • c

      op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.

Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed

  • 1 Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:

    • a

      ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6;

    • b

      ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.

  • 2 Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

  • 3 Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.

  • 4 Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.

Artikel 6a:10 Slotbepaling

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.

Artikel 6a:11 Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op i30303.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

Artikel 7:1 Definities

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

    • b

      werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • d

      arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

      • -

        de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

      • -

        in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

      en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;

    • e

      restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;

    • f

      arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • g

      inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente;

    • h

      postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;

    • i

      geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar NV.

  • 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.

Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.

Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

  • 1 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen regels.

Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.

Artikel 7:2:4 Periodiek geneeskundig onderzoek

De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.

Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek

  • 1 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:

    • a

      indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

    • b

      indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.

  • 2 De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.

Artikel 7:2:6 Buitendienststelling

  • 1 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.

  • 2 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.

Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar

  • 1 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.

  • 2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 7:3 Recht op bezoldiging

  • 1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.

  • 2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.

  • 3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.

  • 4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging

  • 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.

  • 6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij:

    • a

      zijn arbeid verricht;

    • b

      passende arbeid verricht;

    • c

      werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;

    • d

      scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.

  • 7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

  • 8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.

  • 9 De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.

  • 10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.

  • 11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.

  • 13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.

  • 14 Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.

Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof

  • 1 De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

  • 2 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • 1 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.

  • 2 De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer:

    95%

    65 tot 80%

    68,875%

    55 tot 65%

    57%

    45 tot 55%

    47,5%

    35 tot 45%

    38%

  • 3 De aanvullende uitkering eindigt:

    • a

      indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;

    • b

      met ingang van de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.

  • 4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7.5.0.1 Verhaalwet ongevallen ambtenaren (VOA)

In aanvulling op artikel 7:5 van de AGN geldt het volgende:

De VOA kent aan de overheid een eigen verhaalsrecht toe. De wet is van toepassing voor personeel waarvan de bezoldiging ten laste komt van de openbare geldmiddelen, en aan de nagelaten betrekkingen van dat personeel.

Jaarlijks gebeuren veel ongevallen die tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben. De VOA biedt overheidswerkgevers de mogelijkheid loonkosten te vorderen op een aansprakelijke derde indien de ambtenaar tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt is geworden.

Als een ambtenaar bij een ongeval betrokken is geweest en er sprake is van lichamelijk letsel, is het belangrijk dat er door de ambtenaar zo snel mogelijk een aanmeldingsformulier VOA wordt ingevuld. Desgewenst kunt u contact opnemen met het bureau Verzekeringen van de directie Stadsbedrijven. Dit bureau zal, nadat het aanmeldingsformulier door u en de betrokken medewerker is ingevuld, voor verdere afwikkeling zorgen.

Artikel 7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • 1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

  • 2 Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.

Artikel 7:8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a

  • 1 De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.

  • 2 De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.

Artikel 7:9 Verplichtingen college

  • 1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.

  • 2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.

  • 3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

  • 4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie

  • 1 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:

    • a

      gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.

  • 2 Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.

Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek

  • 1 De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:

    • a

      of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte;

    • b

      in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;

    • c

      of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt;

    • d

      of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;

    • e

      of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • f

      of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;

    • g

      wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.

  • 2 Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.

Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging

Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:

  • a

    indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

  • b

    indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging

  • 1 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;

    • b

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen;

    • c

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;

    • d

      zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • e

      er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    • f

      tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;

    • g

      weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;

    • h

      zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    • i

      weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2 De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.

Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar

  • 1 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.

  • 2 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;

    • b

      weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b.

    • c

      weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.

  • 3 De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.

Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar

  • 1 Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 2 Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.

Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid

  • 1 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen:

    • a

      door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • b

      door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • c

      bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.

  • 2 Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.

  • 3 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.

  • 4 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.

  • 5 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.

  • 6 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 7 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 8 De termijn van 24 maanden wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 9 De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.

Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na ziekte

  • 1 Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.

  • 2 Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.

Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging.

Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging

  • 1 Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering

  • 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

  • 2 Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 3 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 4 De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.

  • 5 Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.

Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering

Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de WIA

  • 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.

  • 2 Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.

  • 3 Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.

  • 6 De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.

Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing va dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.

Artikel 7:23:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:24 Zorgverzekering

De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten

  • 1 De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een aanvullende Classic- of Perfectverzekering bij IZA Zorgverzekeraar NV heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.

  • 2 De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.

  • 3 Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in ziektekosten.

Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming

  • 1 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.

  • 2 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.

  • 3 De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.

  • 4 De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.

Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden

Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.

Artikel 7:25b Inhouding ziektekostenpremies

Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging van de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de geselecteerde zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de som van de af te dragen premies hoger is dan de netto bezoldiging van de ambtenaar.

Artikel 7:25:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:26 Overgangsbepaling

  • 1 Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.

  • 2 De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.

Artikel 7:27 Garantie-uitkering

  • 1 De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.

  • 2 De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.

  • 3 Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.

  • 4 Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.

  • 5 De garantie-uitkering eindigt:

    • a

      met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;

    • b

      bij ontslag.

Artikel 7:28 Overgangsartikel

  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op i30304.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

  • 3 Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.

  • 4 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op i30305.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .

  • 5 Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 7:28:1 Overgangsartikel

  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op i30306.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

Artikel 7:28a Overgangsartikel

  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is i30307.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

Artikel 7:28b Overgangsartikel

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

Verzuimprotocol

De medewerker

Van de medewerker wordt verwacht dat hij actief bijdraagt aan het voorkomen van ziekte en het meewerken aan herstel indien hij toch ziek wordt. Anders gezegd wordt er een actieve houding van de medewerker verwacht, tenzij dit medisch gezien niet mogelijk is. Zo kan de medewerker al direct bij het ontstaan van klachten gebruik maken van de interventietrajecten die IZA biedt. Van de medewerker wordt ook verwacht dat hij van het hele proces een logboek bijhoudt. Dit kan hij nodig hebben als zijn ziekte leidt tot een WAO-aanvraag (zie ook reïntegratieverslag).

De leidinggevende

De rol van de leidinggevende is die van begeleider van het verzuimproces. Dat wil zeggen dat de leidinggevende inspanningen levert om verzuim te voorkomen door het voeren van bijvoorbeeld preventief RSI-beleid, beleid gericht op het voorkomen van bovenmatige werkdruk enz.. Daarnaast is de leidinggevende eigenaar van het proces van verzuimbegeleiding. Hij kan daarbij een beroep doen op de adviseurs van P&O, arbodienst, arbocoördinator e.d., echter nooit met het doel de regisseursrol uit handen te geven. De leidinggevende kan ook gebruik maken van de mogelijkheden die het IZA Bedrijfszorgpakket. Dit kan hij doen ten behoeve van de medewerker, maar ook ten behoeve van versterking en ondersteuning bij zijn eigen rol als verzuimbegeleider. Ook de leidinggevende houdt van het hele proces een logboek bij over het ziekteverloop.

De casemanager

Deze rol wordt vervuld door de P&O-adviseur. De casemanager bewaakt de procedure rondom de Wet Verbetering Poortwachter. Hiertoe initieert en signaleert de casemanager en ziet er op toe dat  afspraken worden gemaakt en nagekomen. Dit laat echter onverlet dat de regie voor de verzuimbegeleiding bij de leidinggevende ligt en dat hij onverminderd verantwoordelijk is voor het proces. De leidinggevende is verantwoordelijk voor het reïntegratieproces, en daarmee voor het functioneren van de casemanager. de casemanager houdt het ziekteverloop bij. Alle feitelijke gegevens, documenten, gespreksverslagen en correspondentie worden door de casemanager vastgelegd. Deze gegevens worden gebruikt voor het plan van aanpak en het reïntegratieverslag. Relevante stukken worden voor de medewerker gekopieerd.

IZA BedrijfsZorgPakket

Het IZA BedrijfsZorgPakket biedt de mogelijkheid van curatieve interventietrajecten. Door de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van deze curatieve interventietrajecten, krijgen deze een preventieve werking op het ziekteverzuim. De medewerker hoeft – met andere woorden – niet ziek te zijn om gebruik te maken van het pakket. Integendeel. Gehoopt wordt dat door het tijdig inzetten van het pakket verzuim kan worden voorkomen. Bij het curatief inzetten van interventietrajecten wordt altijd eerst gekeken of deze gevonden kunnen worden in het IZA BedrijfsZorgPakket. Pas wanneer deze niet in het pakket gevonden kunnen worden, kunnen andere interventietrajecten overwogen worden. Hierover worden dan aanvullend afspraken gemaakt met leidinggevende.

i30309.pdf [Klik hier om het document te downloaden]

8 Ontslag

Artikel 8:1 Ontslag op verzoek

  • 1 Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.

Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek

  • 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

  • 2 Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.

  • 3 Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 8:2 Ontslag wegens ouderdomspensioen

  • 1 Aan de ambtenaar die de volgens artikel 7.3, eerste lid van het pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de bedoelde leeftijd bereikt eervol ontslag verleend.

  • 2 Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt.

  • 3 Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken

Artikel 8.2.0.1 Ontslag wegens ouderdomspensioen

Extra toelichting vanuit de Gemeente Nijmegen bij artikel 8:2

Deze wijziging in het ABP Pensioenreglement geldt alleen voor medewerkers die onder het ABP-keuzepensioen vallen. Niet voor medewerkers met recht op FPU. Als zij niet voor hun vijfenzestigste volledige gebruik hebben gemaakt van de FPU, dan blijft voor hen de ingangsdatum van het ouderdomspensioen zoals die was: de eerste van de maand volgend op die waarin de deelnemer 65 jaar is geworden.

Volledig FPU

Medewerkers die met FPU gaan worden namelijk vóór hun 65ste ontslagen op grond van artikel 8:11 (ontslag wegens FPU). De maand van ontslag waar artikel 8:2 over gaat is voor deze medewerkers niet relevant.

Deeltijd FPU

Voor medewerkers die niet volledig met FPU gaan geldt het volgende. Zij hebben op de eerste van de maand waarin zij 65 worden nog een gedeeltelijke aanstelling bij de gemeente. Omdat het maar een beperkte groep betreft én omdat artikel 8:2, tweede lid het mogelijk makt om af e wijken van de ontslagdatum bij ouderdomspensioen, is het niet nodig om dit artikel aan te passen. Voor medewerkers die op hun 65ste nog niet volledig met FPU zijn gegaan, geldt dat het ontslag wegens ouderdomspensioen (voor de resterende dienstbetrekking) toegekend moet worden op de eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene 65 jaar is geworden (de oude regel uit artikel 8:2). Dit kan op grond van artikel 8:2 tweede lid.

Geen gebruik maken van recht op FPU

Het kan zijn dat een medewerker recht heeft op FPU, maar hier geen gebruik van maakt. Er is dan geen sprake van ontslag op grond van 8:11 gedurende de laatste fase van zijn loopbaan. Betrokkene werkt door tot 65 jaar. Voor deze persoon geldt hetzelfde ontslagmoment als voor de medewerker die gedeeltelijk met FPU was gegaan. Deze ontslagdatum is de eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene 65 is geworden. Het ontslag vindt dan plaats op grond van 8:2, tweede lid.

Geboren vóór 1950, geen FPU

De medewerkers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en niet onder de overgangsbepalingen FPU vallen, vallen onder het ABP-keuzepensioen. Ook voor hen geldt de nieuwe standaard ingangsdatum: de eerste van de maand waarin de medewerker 65 jaar wordt. Op die datum krijgen zij ontslag op grond van artikel 8:2.

Artikel 8:2:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:2a Ontslag wegens ouderdompensioen

De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.

Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie

  • 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3 Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.

Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie

Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.

Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid

  • 1 Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:

    • a

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;

    • b

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.

  • 2 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 3 Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.

  • 4 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 5 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.

  • 6 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 7 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 8 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 9 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 10 De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

  • 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 2 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien:

    • a

      er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;

    • b

      het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

  • 3 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 4 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.

  • 5 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 6 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 7 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 8 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 9 De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 10 Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.

Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid

  • 1 De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    • a

      gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;

    • c

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;

    • d

      een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.

  • 2 Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.

Artikel 8:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid

  • 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:7 Overige ontslaggronden

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:

  • a

    verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking geldt;

  • b

    aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking zou uitsluiten;

  • c

    staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • d

    toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • e

    onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

  • f

    het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

Artikel 8:8 Overige ontslaggronden

  • 1 Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden

De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.

Artikel 8:9 Overige ontslaggronden

Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

Artikel 8:10 Ontslag wegens Pré-vut

  • 1 Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar op zijn verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van zijn ontslag recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 5:2.

  • 2 Ontslag wegens pré-vut wordt slechts verleend, indien het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.

Artikel 8:10:1 Ontslag wegens Pré-vut

  • 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering bestaat.

  • 2 Het bepaalde in artikel 8:1:1, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van toepassing is.

Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU

  • 1 Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.

Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU

  • 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.

  • 2 Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding

  • 1 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

  • 2 De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.

  • 3 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.

  • 4 De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.

  • 5 Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.

  • 6 Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.

Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding

  • 1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

  • 2 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd

  • 1 Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:

    • a

      van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;

    • b

      van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;

    • c

      van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.

  • 2 Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.

Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf

Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties

  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      wet: Wet op de ondernemingsraden;

    • b

      ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;

    • c

      ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.

  • 2 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:

    • a

      wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;

    • b

      wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;

    • c

      wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;

    • d

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;

    • e

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.

  • 3 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.

  • 4 In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.

  • 5 Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.

Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:

    • a

      wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

    • b

      wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

    • c

      wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

    • d

      in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

  • 2 Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

    • a

      een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

    • b

      een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

    • c

      een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel

  • 1 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 2 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.

  • 3 Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.

  • 4 De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

  • 5 De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening

  • 1 Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.

  • 2 Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.

  • 3 Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.

Artikel 8:16:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering

  • 1 De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.

  • 2 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3 Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

  • 4 Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering

  • 1 Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.

  • 2 Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.

Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst

  • 1 Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen.

  • 2 De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.

  • 3 Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.

Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur

Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.

Artikel 8:18 Overgangsbepaling

  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op i30310.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

  • 3 Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a , is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 4 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op i30311.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

Artikel 8:19 Overgangsbepaling

  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, i30312.pdf [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

Artikel 8:20 Overgangsbepaling

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op i30313.pdf [Klik hier om het document te downloaden] .

Voorwoord

Het Sociaal Statuut Deze wordt toegepast bij interne organisatieveranderingen.Dit document treedt in werking op 1 januari 2010 en komt in de plaats van de Leidraad bij organisatieveranderingen vastgesteld op 18 maart 1996, en gewijzigd op 8 juli 1998 en 1 juni 2006.De Leidraad bij Privatisering van 30 maart 1994 en gewijzigd op 10 juli 1996 blijft ongewijzigd van kracht.

De wijzigingen van het Sociaal Statuut ten opzichte van de versie die gold van 2006 tot 2010 zijn marginaal. De tekst is veel meer compacter geworden en geactualiseerd, dan dat er inhoudelijke wijzigingen zijn opgenomen. Ook zijn passages die het algemeen personeelsbeleid van de gemeente betreffen uit dit document gehaald ten behoeve van de leesbaarheid en hanteerbaarheid.Dit Sociaal Statuut, dat een uitvloeisel is van de lokale CAO 2010-2012, is geactualiseerd in de wetenschap dat de gemeenten tijden met ingrijpende bezuinigingen tegemoet gaan. Hoe ingrijpend deze bezuinigingen zullen zijn is op dit moment echter nog niet helder. Wij vertrouwen erop dat de gemeente Nijmegen als werkgever ook in het tijdsbestek van 2010-1012 in staat zal zijn om iedereen, die ten gevolge van interne organisatieveranderingen zijn baan verliest, naar ander werk te kan geleiden. Mocht dit een onmogelijke opdracht blijken te zijn, dan zal nader overleg met de bonden plaatsvinden over de aanpassing van de afgesproken regels.

Uitgangspunten en kaders

De samenleving ontwikkelt zich snel en de burger stelt andere eisen aan de lokale overheid. Daarnaast zorgen de bezuinigingen voor veel turbulentie en dwingen de gemeente keuzes te maken en tot inkrimping van onze vergrijsde personele formatie. In deze moeilijke tijden is het een uitdaging op een zakelijke maar zorgvuldige wijze te voldoen aan de veranderende eisen in de samenleving en van de individuele burger, de inkrimping van onze formatie en de instroom van voornamelijk jongeren te realiseren.Om flexibel en adequaat te anticiperen op de ontwikkelingen vinden we dat:

  • -

    klantoriëntatie en de klantvraag leidende principes zijn;

  • -

    we één gemeenschappelijk dienstverleningsconcept moeten hanteren;

  • -

    we voor de hele organisatie een uniforme en beperkte hiërarchische lagenstructuur moeten gaan hanteren;

  • -

    we in de operationele processen de klantvraag centraal stellen en deze processen eenduidig houden met zo min mogelijk overdrachtsmomenten;

  • -

    we de verantwoordelijkheden zo laag mogelijk in de organisatie moeten leggen om trage besluitvormingsprocedures te voorkomen;

  • -

    het primaat voor kwaliteitsborging bij het lijnmanagement ligt;

  • -

    control bijdraagt aan 'het geweten' van de organisatie. Control toetst achteraf (achterkant van het proces) en adviseert aan de voorkant van het proces met als motto dat voorkomen beter is dan genezen.

Gemeenschappelijk willen we deze uitgangspunten verwezenlijken. We willen hierbij binnen de organisatie en naar buiten optreden als één werkgever en één rechtspersoon. We hebben één gezicht dat zich kenmerkt door transparantie, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en duidelijkheid.

De ontwikkelingen en veranderingen in de wereld om ons heen vergen van ons een andere manier van werken. Het gevolg is dat we andere eisen stellen aan onze eigen organisatie en aan de medewerkers.Het flexibel en snel meebewegen bieden organisatie en medewerkers de mogelijkheden aan de veranderende eisen te voldoen.Als werkgever stellen wij daarom op onze beurt andere eisen aan onze medewerkers. We vragen hun zich permanent bewust te zijn van de veranderingen en hierop flexibel, tijdig en adequaat te anticiperen.We willen graag dat alle medewerkers van onze gemeente zich realiseren dat zij dat eenduidige en klantgerichte gezicht naar buiten zijn.Als organisatie bieden we onze werknemers perspectief. Het management van onze organisatie draagt hieraan bij door een ambiance te bieden waarin ontwikkelen kan en mag. Het aanbieden van opleidingen, begeleiding en een goede aansturing op competenties, houding en gedrag is een taak van het management.

Van werk-naar-werkgarantie

Zowel de werkgever als de werknemers hechten aan waarborgen rond werkgelegenheid. Eind 2005 is afgesproken dat er tot 1 januari 2010 geen gedwongen ontslag zal plaatsvinden als gevolg van bezuinigingen en reorganisaties, inclusief privatisering. Daarbij gingen partijen ervan uit dat door de accenten die gelegd werden in het sociaal beleid op inzetbaarheid, uitstroom, doorstroom en instroom voldoende medewerkers vrijwillig zouden uitstromen. Dit is ook waargemaakt in genoemde periode.Thans staat een dergelijke garantie onder druk wegens de sterk verslechterde economische omstandigheden. We kunnen niet lang vooruit zien. Vandaar dat voor een periode van twee jaar een garantie geldt in de vorm van een “Werk-naar-werk-garantie”. Deze garantie, die eindigt met ingang van 1 januari 2012 vraagt uiterste flexibiliteit en creativiteit van beide partijen.Het is de intentie van zowel werkgever als de SBO om ook na die datum gedwongen ontslag te voorkomen. Over de eventuele verlenging van de werk-naar werkgarantie, wordt in de zomer van 2011 het overleg opgestart.

Artikel 1 Definities

  • a

    AGN:Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

  • b

    Ambtenaar:de ambtenaar als bedoeld in de AGN met een vaste aanstelling dan wel een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.

  • c

    Anciënniteit:het aantal dienstjaren doorgebracht in overheidsdienst.

  • d

    Bezoldiging:het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen, niet zijnde onkostenvergoedingen.

  • e

    Commissie voor Georganiseerd Overleg (GO):de commissie voor georganiseerd overleg zoals bedoeld in artikel 12:1 van de AGN.

  • f

    Functie:het geheel van werkzaamheden dat de ambtenaar volgens zijn functiebeschrijving verricht.

  • g

    Gelijke functie:een functie die (nagenoeg) overeen komt met de functie die de ambtenaar voor de organisatiewijziging vervulde. Onder "nagenoeg overeen komt" wordt in dit verband ook verstaan: een wijziging waarbij één of meer niveaubepalende taken uit de functie vervallen en/of de wijziging minder dan 25% van de functieomvang betreft.Er is nooit sprake van een gelijke functie als de inschaling afwijkt (naar boven of beneden) van de oude functie.

  • h

    Nulsituatie:De rechtspositie (functie, plaats in de organisatie, salarispositie etc.) van de ambtenaar op het moment vlak vóór de organisatiewijziging.

  • i

    Onderdeelcommissie (OC):de onderdeelcommissie zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • j

    Ondernemingsraad (OR):de ondernemingsraad zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • k

    Organisatiewijziging:iedere inkrimping of wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel daarvan) of een belangrijke wijziging van de laatst vastgestelde organisatiestructuur van de gemeente (of een onderdeel daarvan), die niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met zich meebrengt.

  • l

    Passende functie:een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen en dus voldoet aan de criteria zoals geformuleerd in artikel 15:1:10, eerste en tweede lid van de AGN. Een functie van meer dan twee salarisschalen lager wordt in ieder geval als niet passend beschouwd.Er is geen sprake van een passende functie als deze hoger is ingeschaald dan de oude functie.

  • m

    Personeelsplan:Een overzicht waarin voor elke betrokken ambtenaar de rechtspositionele gevolgen van de organisatiewijziging zijn opgenomen, waarbij ook de nulsituatie van elke ambtenaar is vermeld.

  • n

    Personele gevolgen:gevolgen voor de functie of de rechtspositie van de betrokken ambtenaren.

  • o

    Privatisering:organisatiewijziging die het gevolg is van de verzelfstandiging van een deel van de organisatie tot een nieuwe (privaatrechtelijke) rechtspersoon of de overdracht van een deel van de organisatie aan een derde (privaatrechtelijke) partij.

  • p

    Publiekrechtelijke taakoverheveling:organisatiewijziging als gevolg van de overheveling van een deel van de organisatie naar een ander publiekrechtelijk orgaan.

  • q

    Salaris:het voor de ambtenaar geldende bedrag van de aan de ambtenaar toegekende schaal als bedoeld in artikel 3:1 van de AGN, vermeerderd met een eventuele toeslag voor inconveniënten als bedoeld in artikel 3:1:0:1 van de AGN.

  • r

    Salarisperspectief:de opeenvolgende salarisperiodieken tot en met het hoogste bedrag van de functieschaal van de ambtenaar en eventuele diensttijduitlopen tot het moment van overplaatsing en eventuele schriftelijk vastgelegde extra individuele salarisafspraken.

  • s

    Toelage:de toelage waarmee het salaris wordt vermeerderd ingevolge de Bezoldigingsverordening.

  • t

    Werkgever:de Gemeente Nijmegen.

Artikel 2 Werkingssfeer

Dit Sociaal Statuut is van toepassing op alle organisatiewijzigingen in de gemeentelijke organisatie, niet zijnde een organisatiewijziging als gevolg van een gemeentelijke herindeling, niet zijnde privatisering of publiekrechtelijke taakoverheveling.Paragraaf 2 is van toepassing tenzij de bestuurder en OR/OC overeen komen dat het een onbelangrijke organisatiewijziging betreft.

Artikel 2a Werk naar Werk-garantie

De “Werk-naar-werkgarantie” geldt voor medewerkers, waarvan als gevolg van reorganisaties, privatiseringsoperaties of bezuinigingen de functie vervalt in de periode tot 1 januari 2012. De garantie houdt in dat er geen ontslagdatum ingevolge artikel 8:3 AGN wordt bepaald ten aanzien van medewerkers, die vóór 1 januari 2012 de herschikkerstatus krijgen als gevolg van reorganisaties of bezuinigingen.Zowel de werkgever als de werknemer zullen zich inspannen om de werknemer van werk naar werk te leiden. Hierbij zal de aandacht en inspanning gericht zijn op het verwerven en aanbieden van werk binnen en/of buiten de gemeentelijke organisatie.

Artikel 2b Herschikkerstatus

Medewerkers, die onder de van Werk-naar werkgarantie vallen krijgen de herschikkerstatus. De overige bepalingen van paragraaf 4 van hoofdstuk 10d Voorzieningen bij werkloosheid zijn van overeenkomstige toepassing. Het plaatsingsbeleid is van toepassing.

Artikel 3 Bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot organisatiewijziging

Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd tot het nemen van besluiten over de wijziging van de ambtelijke organisatie.

Artikel 4 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende individuele ambtenaren

Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd tot het nemen van besluiten over wijziging van de aanstelling, overplaatsing en ontslag van ambtenaren, tenzij bij of krachtens wet, raadsbesluit of mandaat anders is bepaald.

Artikel 5 Procedure

Bij een organisatiewijziging worden de volgende stappen doorlopen:stap 1. Onderzoek organisatiewijziging (artikel 6)stap 2. Adviesfase (artikel 7)stap 3. Kennisgeving en uitvoering besluit (artikel 8)stap 4. Vaststellen plaatsingscriterium (artikel 9)stap 5. Vaststellen personeelsplan (artikel 10)stap 6. Plaatsing (artikel 11)stap 7. Invulling nieuwe en niet ingevulde functies (artikel 12)

Artikel 6 Onderzoek naar organisatiewijziging

Lid 1

Als de werkgever zich voorneemt de mogelijkheid en wenselijkheid van een organisatiewijziging, waarop dit Sociaal Statuut van toepassing zal zijn, te onderzoeken, worden de ondernemingsraad/ onderdeelcommissie en de betrokken ambtenaren hierover geïnformeerd.

Lid 2

Het tijdstip van kennisgeving van het voornemen is dusdanig, dat de onderdeelcommissie/ondernemingsraad een advies over de onderzoeksopdracht kenbaar kunnen maken.

Artikel 7 Advies over organisatiewijziging

Lid 1

Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de organisatiewijziging, wordt de onderdeelcommissie/ondernemingsraad schriftelijk om advies gevraagd, conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden.

Lid 2

De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het voorgenomen besluit, de beweegredenen van het besluit, de verwachte personele gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen personele maatregelen.

Lid 3

De OC/OR brengt advies uit conform artikel 25 van de WOR.

Artikel 8 Kennisgeving en uitvoering besluit

Zodra de werkgever een definitief besluit heeft genomen tot wijziging van de organisatie, wordt dit besluit meegedeeld aan de onderdeelcommissie, de ondernemingsraad en de betrokken ambtenaren. De commissie voor Georganiseerd Overleg wordt geïnformeerd over het besluit.Bij de mededeling wordt tevens op hoofdlijnen een schets gegeven van de personele gevolgen van het besluit.

Artikel 9 Vaststellen plaatsingscriterium

Lid 1

De werkgever moet overeenstemming bereiken met de OR dan wel de OC of het criterium kwaliteit of het criterium anciënniteit bij plaatsing wordt gehanteerd, in het geval er teveel ambtenaren zijn voor dezelfde gelijke functie. Indien gekozen wordt voor het anciënniteitbeginsel, wordt ook over de toepassing van lid vijf overlegd.

Lid 2

De werkgever moet de keuze voor een van de twee criteria motiveren.

Lid 3

Nadat overeenstemming is bereikt over het plaatsingscriterium worden alle betrokken ambtenaren en het GO hierover geïnformeerd.

Lid 4

Als wordt gekozen voor 'kwaliteit' worden minstens twee beoordelingen meegenomen voor zover deze langer dan een half jaar, maar niet langer dan 3 jaar geleden zijn opgemaakt , gerekend vanaf het moment dat de werkgever het verzoek tot instemming over het plaatsingcriterium heeft voorgelegd aan de OR/OC.

Lid 5

Als wordt gekozen voor 'anciënniteit' kan, als er 10 of meer ambtenaren bij de organisatiewijziging zijn betrokken, het anciënniteitbeginsel per onderstaande leeftijdsgroep worden toegepast: groep A: 55 jaar en oudergroep B: 45 t/m 54 jaargroep C: 35 t/m 44 jaargroep D: 25 t/m 34 jaargroep E: 15 t/m 24 jaar

Artikel 10 Vaststellen personeelsplan

Lid 1

De werkgever stelt een personeelsplan op.

Lid 2

De gemeentesecretaris stelt het personeelsplan vast bij directieoverstijgende processen nadat hij daarover overeenstemming heeft bereikt met de OR.

Lid 3

De directeur stelt het personeelsplan vast bij processen die zich beperken tot zijn directie nadat hij daarover overeenstemming heeft bereikt met de OC.

Lid 4

Pas nadat de OR/OC haar instemming heeft gegeven krijgen alle betrokken ambtenaren een plaatsingsbesluit.

Artikel 11 Plaatsing

Lid 1

Plaatsing van de bij de organisatiewijziging betrokken ambtenaren geschiedt op de wijze zoals in de volgende leden aangegeven.

In een gelijke functie:

Lid 2

Plaatsing geschiedt zoveel mogelijk in gelijke functies volgens het principe "mens volgt functie".

Lid 3

Als er voor een ambtenaar meerdere gelijke functies zijn, dan wordt de ambtenaar geplaatst, waarbij rekening worden gehouden met zijn voorkeur.

Lid 4

Als er meer kandidaten dan gelijke functies zijn, dan wordt er geplaatst op basis van kwaliteit of anciënniteit, volgens artikel 9.  

Lid 5

Optie A: plaatsing in gelijke functie op basis van kwaliteit:

  • -

    Als eerste worden ambtenaren geplaatst die in hun laatste beoordeling een gemiddelde waardering hebben van C of hoger hebben. Indien er daarbij meer kandidaten zijn dan plaatsen, dan moet een assessment uitsluitsel te geven. Geeft dat geen uitsluitsel dan geldt anciënniteit.

  • -

    Vervolgens worden de ambtenaren geplaatst die gemiddeld lager score dan een C op hun beoordeling. Indien ook daarbij meer kandidaten zijn dan plaatsen, dan dient een assessment uitsluitsel te geven. Geeft dat geen uitsluitsel dan geldt anciënniteit.

Lid 6

Optie B: plaatsing in een gelijke functie op basis van anciënniteit.De ambtenaren worden geplaatst in volgorde van anciënniteit met in achtneming van het bepaalde in artikel 9, lid 5.

Lid 7

Aan een plaatsing in een gelijke functie worden geen extra voorwaarden of eisen verbonden, dan die aan de vervulling van de functie zijn verbonden.

In een passende functie:

Lid 8

Is de ambtenaar niet plaatsbaar in een gelijke functie, dan wordt hij geplaatst in een passende functie.

Lid 9

Als er voor een ambtenaar meerdere passende functies beschikbaar zijn, wordt er bij de plaatsing rekening gehouden met de voorkeur van de ambtenaar.

Lid 10

Indien er meer ambtenaren zijn dan functies wordt er geplaatst volgens het overeengekomen criterium als bedoeld in artikel 9, lid 4.

Lid 11

Optie A: plaatsing in passende functie op basis van kwaliteit:Er wordt geplaatst op basis van een assessment. Indien dat geen uitsluitsel geeft dan op basis van anciënniteit.

Lid 12

Optie B: plaatsing in passende functie op basis van anciënniteit: De ambtenaren worden in een passende functie geplaatst in volgorde van anciënniteit, met in achtneming van artikel 9, lid 5.

Lid 13

Aan een plaatsing in een passende functie kunnen voorwaarden / eisen verbonden worden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een ontwikkelingstraject voor een ambtenaar. De werkgever moet de ambtenaar na maximaal 1 jaar beoordelen. Als de beoordeling negatief is en de conclusie luidt dat handhaven in de functie niet wenselijk is, wijst de werkgever de ambtenaar aan als herschikker. Vindt er binnen een jaar geen beoordeling plaats dan is de plaatsing definitief en vervallen alle voorwaarden.

Artikel 12 Invulling nieuwe en niet gevulde functies

Lid 1

Indien na plaatsing bepaalde functies niet vervuld zijn, worden deze functies vrij gegeven als vacature, volgens de geldende regels. Dit gebeurt echter niet voordat is gebleken dat:

  • -

    bekeken is of de bij de reorganisatie betrokken ambtenaren plaatsbaar zijn op die functies;

  • -

    alle bij de organisatiewijziging betrokken en al dan niet geplaatste ambtenaren de kans hebben gekregen met voorrang te solliciteren.

Lid 2

Aan de plaatsing op basis van een sollicitatie kunnen voorwaarden verbonden worden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een ontwikkelingstraject voor een ambtenaar. Hierbij kan het voorkomen dat de ambtenaar tijdelijk nog niet bevorderd wordt naar de functieschaal van de nieuwe functie. De werkgever moet de ambtenaar na maximaal 1 jaar beoordelen. Bij een positieve beoordeling wordt de ambtenaar met terugwerkende kracht tot het moment van plaatsing naar de functieschaal bevorderd. Als de beoordeling negatief is en de conclusie luidt dat handhaven in de functie niet wenselijk is, wijst de werkgever de ambtenaar aan als herschikker.

Lid 3

Als geen functie voorhanden is wordt de ambtenaar aangewezen als herschikker en is op hem de procedure als beschreven in het plaatsingsbeleid van toepassing. Aanwijzing als herschikker geschiedt zo snel mogelijk en in ieder geval uiterlijk drie maanden na vaststelling van de nieuwe functieprofielen van de nieuwe organisatie.

Artikel 13 Functiewaardering

Maximaal 1 jaar na plaatsing op een functie met een indicatieve waardering, zorgt de werkgever voor een definitieve waardering, in principe met terugwerkende kracht.

Artikel 14 Salarisgarantie

Lid 1

De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt bij plaatsing in een functie met gelijke schaal of 1 schaal lager, recht op het schaalniveau en schaalnummer en de doorgroei binnen de schaal zoals die voor hem golden in de oude functie.

Lid 2

Bij plaatsing in een nieuwe functie die 2 of meer schalen lager is gewaardeerd dan de oude functie, geldt dat het salaris op het moment van plaatsing in de nieuwe functie wordt bevroren op het schaalniveau en schaalnummer zoals dat bereikt was in de oude functie direct voorafgaand aan de plaatsing in de nieuwe functie.Eventuele doorgroei binnen de schaal is vervolgens alleen nog mogelijk tot aan het schaalbedrag dat overeenkomt met het maximale schaalbedrag van de nieuwe functie waarin de ambtenaar is geplaatst.

Lid 3

Bij plaatsing in een lagere schaal sluiten werkgever en werknemer een loopbaancontract met elkaar af op voorwaarde van instemming van beide partijen. Het contract heeft tot doel dat beide partijen actief streven naar een functie op minimaal het oude schaalniveau.

Artikel 15 Vergoedingen en toe(s)lagen

Lid 1

Als en zodra de ambtenaar met een functie wordt belast waaraan geen, dan wel in mindere mate toe(s)lagen en vergoedingen zijn verbonden voor gemaakte kosten, ongerief e.d. komt hij in aanmerking voor een afbouwregeling van maximaal 2 jaar als hij deze vergoeding of toelage minstens gedurende 1 jaar heeft genoten gerekend vanaf de dag van plaatsing in de nieuwe functie.

Lid 2

De som van de afbouwregeling bedraagt maximaal 150% van het bedrag dat per jaar aan toelage of vergoeding wordt uitgekeerd en wordt in maximaal 2 jaar uitgekeerd. De som wordt bepaald op basis van het recht op vergoeding zoals dat gold op de dag voor plaatsing.

Lid 3

Indien de regeling op grond waarvan de vergoeding of toe(s)lagen werd (en) toegekend een eigen afbouwregeling heeft, wordt die regeling toegepast.

Artikel 16 Persoonsgebonden toelagen

De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt recht op zijn persoonsgebonden toelagen.

Artikel 17 Studiefaciliteiten

Lid 1

Toegekende rechten op grond van de studiefaciliteitenregeling (hoofdstuk 15 AGN, bijlage 5 ) blijven gehandhaafd, indien de studie wordt voortgezet.

Lid 2

Indien de ambtenaar besluit te stoppen met zijn studie, wordt hij ontheven van terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de studiefaciliteitenregeling. Deze ontheffing is alleen mogelijk als voltooiing van de studie geen vereiste is voor uitoefening van de nieuwe functie en hierover afspraken zijn gemaakt met de leidinggevende.

Artikel 18 Aanvullende scholing

De werkgever onderzoekt of het nodig is de ambtenaar, die is overgeplaatst naar een passende functie binnen de gemeentelijke organisatie, bij of om te scholen voor het vervullen van zijn nieuwe functie. De kosten van dergelijke scholing zijn voor rekening van de gemeente.

Artikel 19 Bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels ter uitvoering van het Sociaal Statuut vast te stellen, met instemming van de Commissie voor Georganiseerd Overleg.

Artikel 20 Hardheidsclausule

In geval toepassing van het sociaal statuut leidt tot een onbillijke situatie of in geval waarin het sociaal statuut niet voorziet, beslist het college van B en W.

Artikel 21 Werkingsduur

Dit Sociaal Statuut treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en loopt tot 1 januari 2012.Tenminste een half jaar voor afloop wordt in de commissie voor Georganiseerd Overleg een voorstel besproken voor een nieuw statuut.Zolang geen nieuw Statuut is vastgesteld, blijven de bepalingen van dit Statuut van kracht, met uitzondering van artikel 2a en 2b.Alle op 1 januari 2010 reeds lopende reorganisaties vallen onder de werking van het oude sociaal statuut.

Artikel 22 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als 'Sociaal Statuut Gemeente Nijmegen 2010 - 2012 interne reorganisatiewijzigingen'.Aldus overeengekomen in het GO van 17 maart 2010 en vastgesteld in het college d.d.

Definitie

Onder privatisering wordt in deze leidraad verstaan: Het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken van een dienstonderdeel of een gedeelte daarvan aan een andere rechtspersoon. Hierbij gaan de betrokken personeelsleden een dienstverhouding aan met deze rechtspersoon als gevolg waarvan de daar geldende c.q. te ontwikkelen arbeidsvoorwaarden op deze nieuwe dienstverhouding van toepassing worden.

Bij privatisering worden drie hoofdvormen onderscheiden:

  • 1

    het volledig overdragen (afstoten) van overheidstaken aan het bedrijfsleven;

  • 2

    het uitbesteden van taken waarbij de overheid als opdrachtgever wel verantwoordelijk blijft voor de wijze waarop deze taken worden uitgevoerd;

  • 3

    het verzelfstandigen van overheidsdiensten of bedrijven door het overdragen van taken aan juridisch verzelfstandigde organisaties (N.V.'s, stichtingen e.d.) die intern door de overheid beheerst worden.

Fasering

Fase 1 VOORONDERZOEK PRIVATISERING

(het besluit een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van privatisering) Deze onderzoeksfase omvat de volgende punten:

  • -

    melding van bevoegd gezag aan betrokken medewerkers OR en GO inzake het voornemen tot onderzoek naar privatisering en eventuele alternatieven; deze melding bevat tevens de doelstelling, uitgangspunten en randvoorwaarden van het onderzoek;

  • -

    bepalen, door het bevoegd gezag, of het onderzoek in- of extern wordt verricht; bij de keuze voor een extern onderzoek heeft het GO en/of de OR adviesrecht over het in te schakelen extern adviesbureau;

  • -

    bewaken in het GO dat het betrokken personeel een wenselijke bijdrage kan leveren aan het onderzoek;

  • -

    afspreken hoe voldoende schriftelijke en mondelinge informatie aan het personeel gedurende het hele proces kan worden gegeven.

Fase 2 PRIVATISERINGSONDERZOEK

2a.

  • -

    samenstellen begeleidingsgroep; het aangeven van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de uitvoering van het onderzoeksproces;

  • -

    concreet aangeven op welke momenten en hoe de OR alsmede de betrokken medewerkers in het proces worden betrokken alsmede mogelijke deelname in werkgroepen. Instellen van een hulpstructuur daar waar geen OR aanwezig is;

  • -

    het uitvoeren van het privatiseringsonderzoek;

  • -

    het aangeven op hoofdlijnen, van effecten op bestuurlijk, organisatorisch, juridisch, financieel en sociaal en personeel gebied;

  • -

    formuleren van oplossingen en oplossingsrichtingen;

  • -

    het kiezen van de oplossingsrichting.

2b.

  • -

    uitwerking van effekten op bestuurlijk, organisatorisch, juridisch, financieel en sociaal gebied;

  • -

    het voeren van overleg met mogelijke nieuwe werkgever(s), vakorganisaties en personeelsvertegenwoordiging over het op te stellen Sociaal Plan, op basis van het door de raad vastgestelde Sociaal Statuut Privatisering;

  • -

    opstellen van een sociaal plan waarin opgenomen: pakketvergelijking, garantie- en overgangsregelingen, formatieplan en plaatsingsprocedure;

  • -

    presenteren van het (privatiserings)plan met toetsing aan oorspronkelijke doelstellingen;

  • -

    informatievoorziening personeel.

Fase 3 BESLUITVORMING TOT PRIVATISERING

  • -

    nemen van een principe beslissing door het bevoegd gezag inzake de privatisering;

  • -

    nemen van een beslissing over de wijze waarop aan de gevolgen van de privatisering gestalte gegeven wordt, inclusief het Sociaal Plan, zulks met instemming van het GO;

  • -

    nemen van een definitieve beslissing door het bevoegd gezag inzake de privatisering.

Fase 4 UITVOERING VAN DE PRIVATISERING

  • -

    plan van aanpak met betrekking tot invoering plus een daarbij behorende tijdsplanning;

  • -

    regelen medezeggenschap in overgangsperiode;

  • -

    uitvoering geven aan Sociaal Plan, waaronder:

    • o

      plaatsingsproces

    • o

      opstellen personeelsplan waarbij de consequenties op individueel niveau zijn uitgewerkt

    • o

      aanbieden individuele arbeidsovereenkomsten en het aanzeggen van ontslag.

Fase 5 EVALUATIE

  • -

    na een periode van 1 tot 2 jaar wordt door het bevoegd gezag een evaluatierapport opgesteld, waarin de relatie zichtbaar gemaakt wordt tussen de oorspronkelijke te verwachten doelen en de realisatie;

  • -

    met het GO wordt over de uitkomsten van dit rapport door het bevoegd gezag overleg gevoerd.

Opm. : Het afsluiten van een fase en de start van een volgende fase wordt aan het GO gemeld.

Artikel 1 Algemeen

Lid 1

Bij elk proces van privatisering wordt een Sociaal Plan opgesteld. Hieronder wordt verstaan een reglement waarin zowel het College van B&W van de gemeente Nijmegen als de direktie van de nieuwe werkgever en de organisaties van overheidspersoneel vertegenwoordigd in de Commissie voor Georganiseerd Overleg, t.b.v. de ambtenaren afspraken vastleggen over wederzijdse rechten en plichten bij de privatisering en de personele aspekten daarvan.

Lid 2

Het Sociaal Plan heeft een in overleg tussen onder 1 genoemde partijen te bepalen maximale looptijd. Evenwel kan ten aanzien van sommige bepalingen, in verband met door de ambtenaar opgebouwde rechten c.q. bestaande vooruitzichten, een afwijkende werkingsduur worden overeengekomen.

Lid 3

Bij het Sociaal Plan hoort een bijlage met de namen van de personeelsleden, die in het kader van de privatisering overgaan naar de nieuwe werkgever.

Lid 4

Met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 kunnen aan de bepalingen uit de leidraad bij Organisatieveranderingen door individuele personeelsleden geen rechten worden ontleend.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Lid 1

In deze leidraad wordt verstaan onder:

  • a

    AGN: De Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

  • b

    Arbeidsvoorwaarden: De regelingen, bepalingen en voorschriften als vastgelgd in de AGN, respektievelijk de bij de nieuwe werkgever geldende regelingen.

  • c

    Ambtenaar:

    • -

      De ambtenaar in de zin van de AGN met uitzondering van diegene die is aangesteld op grond van artikel 2:4, tweede lid sub a, b en c;

    • -

      De werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub d van de AGN.

  • d

    De gemeente: Het college.

  • e

    Funktie: Het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar wordt verricht.

  • f

    Gelijke funktie: Een funktie bij de nieuwe werkgever die geheel, of nagenoeg geheel overeenkomt met de funktie die de ambtenaar vervulde vóór de privatiseringsdatum.

  • g

    Passende funktie: Een funktie van maximaal één werk- en denknivo lager waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden en vooruitzichten van de ambtenaar. In het Sociaal Plan wordt nader aangegeven wat onder persoonlijke omstandigheden en vooruitzichten dient te worden volstaan.

  • h

    Geschikte funktie: Een funktie die niet valt onder het begrip "passend", maar die de ambtenaar wordt aangeboden, en die de ambtenaar bereid is te gaan vervullen.

  • i

    Salaris: Het voor de ambtenaar geldende bedrag van de schaal als bedoeld in artikel 3:1 tweede lid van de AGN, vermeerderd met een eventuele toeslag voor inconveninten of indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag, respektievelijk het bedrag van de schaal volgens de bij de nieuwe werkgever van toepassing zijnde salarisregeling.

  • j

    Bestaande vooruitzichten: Aanspraken op basis van gemeentelijke regelingen waarvan op de privatiseringsdatum reeds vaststaat c.q. is vastgelegd dat de individuele ambtenaar daar op enig moment recht op kan doen gelden.

  • k

    Netto-nettogarantie: De afspraak dat de som van salaris en vakantietoelage bij privatisering zodanig zal worden vastgesteld - eventueel in de vorm van een toelage - dat het netto ambtelijk salaris alsmede de vakantietoelage zoals dat gold op de laatste dag van het dienstverband met de gemeente wordt gegarandeerd.

  • l

    Toelagen: Toelagen, niet zijnde persoonlijke of garantietoelagen, waarmee het salaris ingevolge de bezoldigingsregeling als bedoeld in de AGN wordt vermeerderd.

  • m

    Salarisaanspraken: De opeenvolgende salarisnummers van de schaal waarin de ambtenaar op het moment van privatisering is ingedeeld, of waarop in zijn funktie uitzicht bestaat, vermeerderd met een eventuele toeslag voor inconveniënten.

  • n

    Nieuwe werkgever: De rechtspersoon waaraan de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken van een gemeentelijke dienst of gedeelte daarvan wordt overgedragen.

  • o

    Adviescommissie Sociaal Plan: De commissie, als bedoeld in artikel 7, die partijen adviseert over geschillen die zijn gerezen m.b.t. de toepassing van bepalingen in het Sociaal Plan.

  • p

    Privatisering: Het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken van een dienstonderdeel of een gedeelte daarvan aan een andere rechtspersoon. Hierbij gaan de betrokken personeelsleden een dienstverhouding aan met deze rechtspersoon als gevolg waarvan de daar geldende, c.q. te ontwikkelen arbeidsvoorwaarden op deze nieuwe dienstverhouding van toepassing worden.

  • q

    Privatiseringsdatum: De door de gemeente en de nieuwe werkgever vastgestelde datum waarop de privatisering wordt geëffectueerd.

  • r

    Personeelsplan: Een overzicht waarin voor elke ambtenaar de rechtspositionele gevolgen van de in het Sociaal Plan gemaakte afspraken zijn opgenomen.

Lid 2

In het Sociaal Plan is afwijking van bovenstaande begripsbepalingen alleen toegestaan in voor de ambtenaar positieve zin.

Artikel 3 Werkgelegenheid

Lid 1

Het overleg tussen de gemeente en de nieuwe werkgever is gericht op behoud van werkgelegenheid van de bij het proces van privatisering betrokken ambtenaren.In principe zal aan elke ambtenaar, of in ieder geval aan zoveel mogelijk ambtenaren, een gelijke, danwel indien dat niet mogelijk is, een passende funktie worden aangeboden. Mocht er geen gelijke of passende funktie beschikbaar zijn, dan kan de ambtenaar in aanmerking komen voor een geschikte funktie.

Lid 2

Indien voor een ambtenaar overgang naar de nieuwe werkgever niet mogelijk is, zal hij worden aangemerkt als herschikkingskandidaat voor een funktie in de gemeentelijke organisatie. De regels m.b.t. het herschikkings- en plaatsingsbeleid zoals opgenomen in de Leidraad bij Organisatieveranderingen zijn van overeenkomstige toepassing evenals het op dat moment geldende gemeentelijke beleid ter bevordering van de mobiliteit (flankerend beleid).

Lid 3

Met de nieuwe werkgever wordt een afspraak gemaakt met betrekking tot de termijn gedurende welke een voormalig ambtenaar niet als gevolg van reorganisatie of het opheffen van zijn functie mag worden ontslagen, anders dan wegens faillissement of beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Deze termijn zal minimaal op 3 jaar worden bepaald.

Lid 4

In geval van reorganisatie of het opheffen van de functie van de ambtenaar, anders dan wegens faillisement of beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, binnen de hierboven bedoelde termijn, rust op de nieuwe werkgever de plicht de mogelijkheid tot plaatsing in een andere passende functie na te gaan en zonodig faciliteiten te verlenen in verband met her- of bijscholing.

Lid 5

Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn naar het oordeel van de gemeente, de Adviescommissie Sociaal Plan gehoord, blijkt, dat de functie die de ambtenaar met ingang van de privatiseringsdatum bij de nieuwe werkgever is gaan vervullen niet passend is, kan, onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, door de nieuwe werkgever ontslag worden verleend. De ambtenaar heeft in dat geval met ingang van de datum van ontslag aanspraak op een uitkering ten laste van de gemeente overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken 10 of 11 van de AGN als ware op de datum van de privatisering ontslag uit gemeentedienst verleend.

Lid 6

Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn blijkt dat de functie die de ambtenaar met ingang van de privatiseringsdatum bij de nieuwe werkgever is gaan vervullen niet geschikt is, kan, onverminderd het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, door de nieuwe werkgever ontslag worden verleend. In dat geval is het bepaalde in de laatste volzin van het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 7

Bij faillissement of beëindiging van de werkzaamheden bij de nieuwe werkgever gedurende de op grond van het in het derde lid overeengekomen termijn verplicht de gemeente zich ertoe een voormalig ambtenaar desgewenst opnieuw in dienst te nemen voor minimaal het nog niet verstreken gedeelte van die termijn. Op de ambtenaar is dan het bepaalde in lid 2 van dit artikel van toepassing. Indien na afloop van bedoelde termijn ontslag wordt verleend omdat geen passende functie beschikbaar is vindt het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, sub b dan wel artikel 11:3, derde lid, sub b van de AGN geen toepassing. Tevens vindt het bepaalde in de artikelen 10:3, derde lid, sub a en 11:3, derde lid, sub a van de AGN geen toepassing voor zover dit de onderbreking betreft, veroorzaakt door het ontslag als gevolg van privatisering.

Lid 8

Ambtenaren die in het kader van de privatisering zijn overgegaan, worden bij sollicitatie naar een functie bij de gemeente tot twee jaar na de privatiseringsdatum aangemerkt als interne sollicitant.

Artikel 4 Rechtspositie

Lid 1

De gemeente stelt een inventarisatie op, minimaal op hoofdlijnen, met de overeenkomsten en verschillen van de arbeidsvoorwaarden, zoals deze bij de gemeente en de nieuwe werkgever gelden.

Lid 2

Een verslechtering, op essentiële punten, van de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Met de nieuwe werkgever worden afspraken gemaakt m.b.t. zodanige maatregelen dat gelijkwaardigheid - per saldo - wordt gewaarborgd. Tevens worden daarbij afspraken gemaakt door wie de daarmee samenhangende a-structurele en structurele kosten worden gedragen.

Lid 3

Bepalingen inzake terugbetalingsverplichtingen bij ontslag worden niet toegepast.

Lid 4

De nieuwe werkgever verplicht zich ertoe, wanneer zulks ontbreekt, voor de betrokken ambtenaren per de privatiseringsdatum een pensioenregeling te treffen die qua lasten en voorzieningen geen nadelige consequenties heeft. Pensioenbreuk mag niet plaatsvinden. Wanneer de bestaande pensioenregeling qua lasten en/of voorzieningen nadelige consequenties heeft, dient hiervoor een volledige vaste of eenmalige compensatieregeling (afkoop) getroffen te worden.

Lid 5

Onverlet het bepaalde in het voorgaande lid wordt de bij de gemeente vastgestelde diensttijd die geldt voor de opbouw van rechten door de nieuwe werkgever overgenomen, tenzij een andere - gelijkwaardige - voorziening wordt getroffen.

Artikel 5 Indiensttreding

Lid 1

Ambtenaren die bij de nieuwe werkgever in dienst treden krijgen een dienstverband aangeboden dat gelijk is aan het dienstverband dat zij hebben bij de gemeente. Dit betekent bijvoorbeeld dat een vaste aanstelling wordt omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd.  

Lid 2

Indiensttreding geschiedt zonder nadere selectie, psychologische keuring of proeftijd. Behoudens het bepaalde in de volgende leden, zal geen medische keuring plaatsvinden.

Lid 3

Ingeval van ziekte op de datum van overgang, die van dien aard is dat in redelijkheid mag worden aangenomen dat sprake zal zijn van een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zal de desbetreffende ambtenaar voor de duur van de ziekte, doch maximaal tot aan het moment waarop ontslag op grond van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen kan worden verleend, worden gedetacheerd bij de nieuwe werkgever. In deze detacheringsperiode dient in overleg met de nieuwe werkgever, de gemeente en de ambtenaar een schriftelijke afspraak te worden gemaakt over wat er na die periode dient te geschieden. Aandacht wordt daarbij besteed aan de vraag op wie een eventuele plicht tot herplaatsing rust en op wie de kosten worden verhaald van een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. Op het moment van overgang naar de nieuwe werkgever is het Sociaal Plan van kracht.

Lid 4

Indien een medische keuring voor een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering verplicht is, heeft de uitslag daarvan geen invloed op de indiensttreding bij de nieuwe werkgever. Het risico van gehele of gedeeltelijke invaliditeit wordt voor rekening van de nieuwe werkgever gedekt, tot het nivo van de financiële aanspraken ingevolge de aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Artikel 6 Inpassing, salaris, salarisaanspraken en toelagen

Lid 1

In het Sociaal Plan worden afspraken vastgelegd over de hoogte van het salaris dat bij de nieuwe werkgever zal worden genoten. Daarbij geldt als uitgangspunt de netto-nettogarantie, waarbij indien mogelijk ook de bestaande vooruitzichten worden gegarandeerd.

Lid 2

Indien de netto-nettogarantie niet kan worden gegeven, geschiedt de inpassing in ieder geval op een zodanig salaris dat het netto-salaris hoger is dan het nettobedrag berekend tegen 73% van het salaris dat op de laatste dag van het dienstverband met de gemeente werd genoten.

Lid 3

In de gevallen bedoeld in het voorgaande lid heeft de ambtenaar gedurende een bepaalde periode recht op een aanvulling, en wel zodanig dat de som van netto-salaris en netto-aanvulling gelijk is aan het netto-salaris zoals dat op de privatiseringsdatum bij de gemeente gold, c.q. zou gaan gelden. De periode gedurende welke de aanvulling wordt genoten is gelijk aan de periode gedurende welke recht op wachtgeld of uitkering ten laste van de gemeente bestaat i.v.m. reorganisatie-ontslag op de datum van privatisering, en minimaal gelijk aan een termijn van vier jaren. Bij de vaststelling van bovenbedoelde periode wordt het bepaalde in de artikelen 10:8, vierde lid en 11:8, vierde lid van de AGN buiten beschouwing gelaten.

Lid 4

Salarisverhogingen van algemene aard bij de nieuwe werkgever worden niet gekort op de hoogte van de aanvulling.

Lid 5

De eventuele toelagen, worden afgebouwd volgens de voor betreffende toelage vastgestelde of vast te stellen regels.

Lid 6

Indien de ambtenaar in zijn nieuwe functie geen aanspraak meer kan maken op bepaalde (onkosten-) vergoedingen dient hem een aflopende toelage te worden toegekend, volgens nader overeen te komen regels. Tevens dienen afspraken te worden gemaakt over bestaande aanspraken in het kader van de toekenning van bepaalde faciliteiten (b.v. toepassing van de studiefaciliteitenregeling).

Lid 7

Zolang de privatisering nog slechts in voorbereiding is behoudt de ambtenaar niet alleen de aanspraak op zijn salaris met eventuele bijkomende emolumenten, maar ook zijn aan de funktie verbonden directe vooruitzichten. Evenmin kunnen periodieke verhogingen de normaal en/of goed functionerende ambtenaar worden onthouden.

Artikel 7 Adviescommissie Sociaal Plan

Lid 1

Ten behoeve van de geschillen die voortvloeien uit de toepassing van de regelen in het Sociaal Plan, alsmede in verband met een noodzakelijk advies als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, is er een Adviescommissie Sociaal Plan.

Lid 2

Deze commissie is paritair samengesteld en bestaat uit vijf leden:

  • a

    een lid aan te wijzen door de gemeente niet zijnde de gemeentesecretaris of een bestuurder van de gemeente;

  • b

    twee leden aan te wijzen door de in het GO vertegenwoordigde vakorganisaties, niet zijnde een adviseur van de plaatselijke GO-leden, en niet zijnde een ambtenaar van de gemeente;

  • c

    een lid aan te wijzen door de direktie van de nieuwe werkgever;

  • d

    een door de leden onder a, b en c aan te wijzen onafhankelijke voorzitter.

Lid 3

De Adviescommissie brengt -afhankelijk van de verantwoordelijkheid voor de te nemen beslissing- hetzij aan de gemeente, hetzij aan de nieuwe werkgever, hetzij aan beiden, een gemotiveerd advies uit binnen dertig dagen nadat haar het geschil is voorgelegd, c.q. om advies is gevraagd.

Lid 4

De Adviescommissie kan adviseurs c.q. deskundigen raadplegen.

Lid 5

De Adviescommissie heeft inzage in naar haar mening alle relevante bescheiden.

Lid 6

De gemeente draagt in overleg met de Adviescommissie zorg voor de vervulling van het secretariaat van de commissie.

Lid 7

De Adviescommissie stelt haar adviezen vast bij meerderheid van stemmen. Een unaniem advies is bindend.

Lid 8

De vergaderingen van de Adviescommissie zijn besloten.

Lid 9

Partijen ontvangen een afschrift van het advies.

Lid 10

De verantwoordelijke partij beslist binnen 10 weken na de datum waarop het geschil aan de Commissie werd voorgelegd. Deze beslissing kan ten hoogste voor een termijn van 4 weken worden verdaagd. Daarvan wordt schriftelijk en met redenen omkleed mededeling gedaan. Bij de beslissing wordt mededeling gedaan van de verdere rechtsgang.

Lid 11

Het bepaalde in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid om tegen een door de gemeente genomen ontslagbesluit bezwaar aan te tekenen bij de gemeentelijke bezwarencommissie rechtspositie.

Artikel 8 Planmatige uitwerking

Lid 1

Ten behoeve van de verdere uitwerking van de bepalingen in het Sociaal Plan stelt de nieuwe werkgever een personeelsplan op, in overleg met de gemeente.

Lid 2

Indien daarbij blijkt van gevallen waarin het Sociaal Plan niet, of niet in redelijkheid voorziet, kan een aanvullende regeling worden getroffen. Eventueel daaruit voortvloeiende geschillen worden voorgelegd aan de Adviescommissie Sociaal Plan als bedoeld in artikel 7.

Lid 3

De gemeente is verantwoordelijk voor de opstelling van een uitvoeringsplan met betrekking tot onder andere voorlichting, informatie en tijdsplanning.

Artikel 9 Planmatige uitwerking

In het Sociaal Plan worden verder afspraken vastgelegd met betrekking tot in ieder geval:

  • a

    tijdige en gelijktijdige mededeling over aard en inhoud van de nieuwe functie en werkzaamheden, inclusief gelijktijdige toezending van een concept-arbeidsovereenkomst en een voorlopig besluit inzake ontslag uit gemeentedienst;

  • b

    de wijze waarop en bij wie bezwaar kan worden aangetekend;

  • c

    introductie bij de nieuwe werkgever;

  • d

    om-, her-, of bijscholing.

Artikel 10 De oudere ambtenaar

Lid 1

Ambtenaren die op de datum van privatisering 50 jaar of ouder zijn, dienen met bijzondere zorg tegemoet getreden te worden.

Lid 2

Op de ambtenaar die op de privatiseringsdatum 55 jaar of ouder is, berust niet de verplichting een passende functie bij de nieuwe werkgever te aanvaarden. Hij komt in dat geval in aanmerking voor een regeling als bedoeld in artikel 3 tweede lid.

Lid 3

Ten aanzien van oudere ambtenaren die als gevolg van het tijdstip van indiensttreding bij de nieuwe werkgever toekomstige aanspraken op een VUT-voorziening dreigen te verliezen, c.q. aanspraken krijgen op een VUT-voorziening die slechter is dan de voor hen bij de gemeente geldende regeling, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen.

Artikel 11 Informatie

Lid 1

De gemeente is verantwoordelijk voor het zo tijdig mogelijk en volledig mogelijk informeren van alle, bij de privatisering betrokken ambtenaren.

Lid 2

De ten aanzien van een ambtenaar ter uitvoering van het Sociaal Plan genomen beslissingen zullen in een duidelijk voor beroep vatbare vorm aan de ambtenaar worden toegezonden.

Artikel 12 Reikwijdte

Lid 1

Indien bij het te privatiseren organisatie-onderdeel personeel werkzaam is met een arbeidsovereenkomst op basis van artikel 2:5, eerste lid sub a t/m c en e van de AGN, danwel middels een tijdelijke aanstelling op grond van artikel 2:4, tweede lid, sub a, b en c van de AGN dient de positie van dat personeel in het Sociaal Plan te worden geregeld.

Lid 2

Bij de regeling als boven bedoeld zal voor zover mogelijk en redelijk, uitgegaan worden van hetgeen ten aanzien van ambtenaren in het Sociaal Plan wordt bepaald.

Lid 3

Ook aan de positie van werknemers, niet zijnde ambtenaar of personeel als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dient in voldoende mate aandacht te worden besteed.

Artikel 13 Hardheidsclausule

Voor gevallen waarin het Sociaal Statuut niet, of niet in redelijkheid voorziet, wordt een aanvullende regeling getroffen.

Artikel 14 Slotbepalingen

Lid 1

Iedere ambtenaar, die betrokken is bij het privatiseringsproces ontvangt een exemplaar van de Leidraad bij Privatisering, het Sociaal Plan, en de bij de nieuwe werkgever van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenregeling.

Lid 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 30-03-1994 en kan worden aangehaald als de "Leidraad bij Privatisering".

Artikel 4

Lid 1

De vergelijking bevat in ieder geval de volgende elementen: salarissystematiek en - inschaling, functiewaarderingssysteem, pensioenvoorziening, VUT-regeling, uitkeringsregelingen bij onvrijwillig ontslag, FLO, voorziening ter vergoeding ziektekosten, vaste en variabele vergoedingen en toelagen, arbeidsduur, (buitengewoon) verlofregelingen, ATV, ouderschapsverlof, kinderopvang, studiefaciliteiten ,gratificaties en medezeggenschap.

9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag

Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO

Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering toegekend.

Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO

Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO

  • 1 De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1, bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.

  • 2 Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.

Artikel 9:2 Bedrag en duur

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel doch ten hoogste 10 malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.

  • 2 Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is toegekend.

  • 3 Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging.

  • 4 De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en nabestaandenpensioen.

Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten

  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten;

    • b

      Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de financiering van het functioneel leeftijdsontslag.

  • 2 De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling bedoelde bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling moet worden afgedragen.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald op de bij de instellingen in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt afgedragen.

Artikel 9:4 Samenloop met FPU

  • 1 Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de uitkering krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te laten komen.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet volledig ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben aangevraagd.

  • 3 De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat, verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.

  • 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van lid 3 van dit artikel geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid

  • 1 Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.

  • 3 Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 4 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid

  • 1 Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en derde lid.

  • 2 Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.

  • 3 De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.

Artikel 9:4:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval

Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan.

Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar

  • 1 Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.

    De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van:

    • a

      de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;

    • b

      dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9:5 lid 1;

    • c

      de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • d

      de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.

  • 2 De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in de drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.

Artikel 9:6:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9:7:1 Verval van uitkering

  • 1 De uitkering vervalt:

    • a

      met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden;

    • b

      op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaren bereikt.