Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2011

Geldend van 16-12-2010 t/m 03-01-2012

VERORDENING RECLAMEBELASTING 2011

De raad van de gemeente Bussum;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Bussum

d.d. 8 oktober 2010, nummer RV2010-079;

gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en invorderingvan reclamebelasting 2011.

Begripsomschrijvingen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt verstaat onder:

  • a.

    reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg;

  • b.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is hetzij directe of indirecte steun vindt in of op de grond;

  • c.

    vestiging: een gebouw, of een deel daarvan, dat door één organisatie of bedrijf wordt gebruikt;

  • d.

    exploitant: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van reclameobjecten op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten;

  • e.

    maand: een kalendermaand;

  • f.

    jaar: een kalenderjaar.

Gebiedsomschrijving

Artikel 2

De verordening is van toepassing binnen het centrumgebied van de gemeente Bussum, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart.

Belastbaar feit

Artikel 3

Onder de naam reclamebelasting wordt onder de in de bij deze verordening behorende tarieventabel gestelde voorwaarden binnen het gebied als bedoeld in artikel 2 een belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg.

Belastingplicht

Artikel 4

  • 1.

    De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondiging wordt aangetroffen.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting ter zake van reclameobjecten die door tussenkomst van een exploitant zijn aangebracht, geheven van die exploitant.

Vrijstellingen

Artikel 5

De reclamebelasting wordt niet geheven ter zake van openbare aankondigingen:

  • a.

    die uitsluitend het openbaar belang dienen;

  • b.

    die uitsluitend dienen ten behoeve van de regulering van het verkeer over openbare land- en waterwegen;

  • c.

    van politieke partijen;

  • d.

    die korter aanwezig zijn dan 13 weken;

  • e.

    die door het kerk- of schoolbestuur zonder commercieel oogmerk zijn aangebracht op of rond gebedshuizen en scholen.

  • f.

    die door (semi) overheden of cultureel-maatschappelijke instellingen of verenigingen zijn aangebracht en die een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen;

  • g.

    die zich bevinden binnen in een woning of bedrijf op een grotere afstand dan 1½ meter van een raam of een deur, met uitzondering van openbare aankondigingen die zich bevinden in een etalage of een vitrine(kast);

  • h.

    op bouwterreinen voor zover deze rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden;

  • i.

    aangebracht op een voertuig of (lucht)vaartuig, tenzij deze kennelijk in hoofdzaak zijn bestemd voor openbare aankondigingen met een verkoop- of verhuur bevorderend karakter;

  • j.

    die zijn gedaan in verband met de verhuur of de verkoop van roerende woonruimten, roerende bedrijfsruimten of onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren ruimte of zaak;

  • k.

    op sportvelden, met uitzondering van openbare aankondigingen die uitdrukkelijk zijn gericht op de openbare weg;

  • l.

    aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of wijkorganen, waarbij de openbare aankondiging uitsluitend bevat een aanduiding van de winkeliersvereniging of het wijkorgaan;

  • m.

    aangebracht op terrasafscheidingen welke zijn geplaatst op een terras bij een horecaonderneming;

  • n.

    aangebracht op parasols welke zijn geplaatst op een terras bij een horecaonderneming;

  • o.

    waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst betaling aan de gemeente moet geschieden, dan wel onderscheidenlijk een vergoeding aan de gemeente verschuldigd is;

  • p.

    alleen bestaande uit de Europese-, Nederlandse-, provinciale- of gemeentelijke vlag

Maatstaf van heffing en belastingtarief

Artikel 6

  • 1.

    De reclamebelasting wordt geheven per vestiging naar de oppervlakte van een reclameobject, met inachtneming van het overige in deze verordening bepaalde.

  • 2.

    Voor de toepassing van dit artikel worden de op basis van artikel 7, tweede lid bepaalde oppervlakten van reclameobjecten, die bij één vestiging, bouwwerk of deel daarvan behoren, bij elkaar opgeteld. Indien meerdere bouwwerken of delen daarvan direct naast elkaar gelegen zijn en tezamen worden gebruikt door één belastingplichtige voor één vestiging worden de oppervlakten van reclameobjecten die bij deze bouwwerken of delen daarvan behoren voor de toepassing van dit artikel bij elkaar geteld.

  • 3.

    Reclameobjecten behoren in elk geval tot één bouwwerk indien zij daarmee fysiek zijn verbonden of daarmee tezamen worden gebruikt.

  • 4.

    Het tarief van de reclamebelasting is opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Berekening van de reclamebelasting

Artikel 7

  • 1.

    Voor de berekening van de reclamebelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    De oppervlakte van een reclameobject wordt vastgesteld als volgt:

    • a.

      Indien de openbare aankondiging wordt gedaan op een zuil, bord, vlag, (span)doek, poster of soortgelijk aankondigingsvoorwerp, wordt de oppervlakte van de openbare aankondiging bepaald op de oppervlakte van het voorwerp waarop de openbare aankondiging wordt gedaan. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte van het aankondigingsvoorwerp bepaald door de lengte of de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit;

    • b.

      Indien de openbare aankondiging bestaat uit het aankondigings-voorwerp zelf, wordt de oppervlakte van de openbare aankondiging bepaald op de oppervlakte van het voorwerp. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte van het aankondigingsvoorwerp bepaald door de lengte of de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit;

    • c.

      Indien de openbare aankondiging wordt gedaan door middel van een combinatie van verschillende losse voorwerpen of een opschrift van losse letters of symbolen, wordt de oppervlakte van het reclameobject bepaald door de lengte of de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die de voorwerpen of het opschrift omsluit.

  • 3.

    Indien het reclameobject slechts voor een deel zichtbaar is vanaf de openbare weg wordt de oppervlakte van het reclameobject bepaald op het van de openbare weg zichtbare gedeelte van het reclameobject.

Belastingtijdvak

Artikel 8

Het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar.

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Artikel 9

  • 1.

    De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak.

  • 2.

    Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel maanden als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle maanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, dan wel vermindert, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Wijze van heffing

Artikel 10

De reclamebelasting wordt geheven door middel van een aanslag.

Termijnen van betaling

Artikel 11

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 90,-- doch minder is dan € 3.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Eventuele afrondingsverschillen moeten in de laatste termijn worden betaald.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden genoemde termijnen.

Kwijtschelding

Artikel 12

Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Artikel 13

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de reclamebelasting.

Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 14

  • 1.

    De ‘Verordening reclamebelasting 2010’ van 18 maart 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reclamebelasting 2011’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bussum, gehouden op 2 november 2010.

de griffier, de voorzitter,

TARIEVENTABEL, BEHORENDE BIJ DE VERORDENING RECLAMEBELASTING 2011

Het tarief voor het belastingtijdvak bedraagt per vestiging voor een reclameobject met een oppervlakte:

  • 1.

    tot 0,1 m2 € nihil;

  • 2.

    vanaf 0,1 m2 tot 1 m2 € 150,--;

  • 3.

    vanaf 1 m2 tot 10 m2 € 470,--;

  • 4.

    vanaf 10 m2 of meer € 685,--.

    Behoort bij raadsbesluit van 2 november 2010.

    de griffier,

    (mr. L.A. Wieringa)

KAART CENTRUMGEBIED, BEHORENDE BIJ DE VERORDENING RECLAMEBELASTING 2011

Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 2 van de Verordening reclamebelasting 2011 geldt het gebied dat op onderstaande kaart is aangegeven.

Behoort bij raadsbesluit van 2 november 2010.

De griffier,

(mr. L.A. Wieringa)