Verordening bijzondere bijstand

Geldend van 06-02-2007 t/m 31-12-2011

Intitulé

Verordening bijzondere bijstand

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

1. In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort;

  • 2.

    WWB: de Wet werk en bijstand;

  • 3.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • 4.

    IOAW: de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • 5.

    IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • 6.

    Wvg: de Wet voorzieningen gehandicapten;

  • 7.

    bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5 onderdeel d van de WWB;

  • 8.

    bijstandsnorm: de bijstand bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de WWB;

  • 9.

    inkomen: het totale netto-inkomen van de aanvrager, volgens de bepalingen van artikel 32 en 33 van de Wet werk en bijstand;

  • 10.

    draagkrachtruimte: het inkomen van (het gezin van) de aanvrager voor zover dit uitstijgt boven 120% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm;

  • 11.

    langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 5 onderdeel e WWB;

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de WWB en de Awb.

Hoofdstuk 2 bijzondere bijstand algemeen en draagkrachtcriteria

Artikel 2 Bijzonder bijstand
  • 1. Bijzondere bijstand wordt verleend, indien de belanghebbende niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en de draagkrachtruimte.

  • 2. De bijzondere bijstand wordt verstrekt met inachtneming van de bepalingen inzake de draagkracht in artikelen 3 en 4 van deze verordening.

Artikel 3 Vrij te laten vermogen
  • 1. Voor de vaststelling van de draagkracht in het vermogen van de aanvrager wordt 100% van het vermogen, dat uitstijgt boven het vrij te laten bescheiden vermogen ingevolge artikel 34 WWB, in aanmerking genomen.

  • 2. De artikelen 31, tweede lid en 34 tweede lid onderdelen a tot en met f WWB zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4 Inkomen
  • 1. Voor de vaststelling van de draagkracht in het inkomen, wordt 35% van de draagkrachtruimte in aanmerking genomen.

  • 2. In afwijking van lid 1 wordt voor aanvragers vanaf 55 jaar en/of aanvragers met een WMO-relatie de draagkracht in het inkomen gesteld op 20% van de draagkrachtruimte.

  • 3. Bij toepassing van de artikelen 11 tot en met 13 van deze verordening met betrekking tot woonkostentoeslag wordt, in afwijking van lid 1, 100% van de draagkrachtruimte in aanmerking genomen.

  • 4. De artikelen 31, tweede lid en artikel 33 lid 5 van de WWB zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 Draagkrachtperiode
  • 1. De draagkracht in het inkomen wordt in beginsel voor de periode van een jaar vastgesteld.

  • 2. De draagkrachtperiode gaat in op de eerste dag van de maand, waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 6 Reserveringsruimte
  • 1. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt de reserveringsruimte in het inkomen vastgesteld op 6% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm.

  • 2. Indien bijstand wordt verleend op grond van artikel 8 en/of 14 van deze verordening moet de reserveringsruimte, zoals bedoeld in lid 1, bij de beoordeling worden betrokken.

Artikel 7 Terugwerkende kracht

Geen bijzondere bijstand wordt verleend, indien de in artikel 2, eerste lid van deze verordening bedoelde kosten gemaakt zijn op een eerder tijdstip dan 12 maanden voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.

Hoofdstuk 3 (Leen)bijstand en aflossingscriteria

Artikel 8 Duurzame gebruiksgoederen
  • 1. Bijzondere bijstand kan worden verleend in de kosten van aanschaf, vervanging of reparatie van noodzakelijke, duurzame gebruiksgoederen.

  • 2. Aan huishoudens, die 3 jaar of langer een inkomen ontvangen, ingevolge de WWB, de IOAW of de IOAZ, dan wel een ander inkomen op niet hoger dan 120% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm, kan voor de kosten genoemd in bijlage 1, bijstand om niet worden verleend.

  • 3. De bijstand zoals bedoeld in het tweede lid bedraagt maximaal het hoogste bedrag in bijlage 1 per 3 jaar.

  • 4. Aan huishoudens, die korter dan 3 jaar een inkomen ontvangen, zoals bedoeld in het tweede lid, wordt de bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in beginsel verleend in de vorm van leenbijstand, met inachtneming van artikel 9 van deze verordening.

  • 5. De noodzaak tot aanschaf, vervanging of reparatie wordt desgewenst vastgesteld door middel van een huisbezoek.

  • 6. Voor de afschrijvingsduur van de duurzame gebruiksgoederen wordt een termijn van 7 jaar gehanteerd.

  • 7. Bij de verlening van bijstand voor duurzame gebruiksgoederen gelden richtbedragen.

Artikel 9 Aflossing leenbijstand
  • 1. De aflossing van verstrekte leenbijstand wordt in beginsel vastgesteld op 6% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2. Individuele omstandigheden kunnen aanleiding geven om af te wijken van het eerste lid. De aflossing bedraagt echter nooit meer dan 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 3. Indien de leenbijstand wordt toegekend aan een belanghebbende, die op grond van artikel 4 van deze verordening over draagkrachtruimte beschikt, wordt de in de vorige leden bedoelde aflossingsverplichting verhoogd met de in dat artikel aangegeven percentages van de draagkrachtruimte.

  • 4. Aflossing geschiedt in beginsel gedurende 36 maanden naar draagkracht. Deze termijn wordt verlengd, indien de individuele omstandigheden hier aanleiding toe geven.

Artikel 10 Gewijzigde omstandigheden

Het aflossingsbedrag ingevolge artikel 9 van deze verordening wordt herzien, indien een wijziging van de omstandigheden van het gezin of de alleenstaande hiertoe aanleiding geeft.

Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand voor woonkosten

Artikel 11 Woonkostentoeslag bij huurwoning
  • 1. Indien een huurwoning wordt bewoond, waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag en onvoldoende aanspraak op huurtoeslag bestaat wordt een toeslag verleend. De toeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag dat volgens de Wet op de huurtoeslag zou worden ontvangen verminderd met de (eventuele) aanspraak op huurtoeslag.

  • 2. Onder woonkosten, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de huurprijs zoals omschreven in artikel 1 van de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 12 Woonkostentoeslag bij koopwoning
  • 1. Indien een eigen woning wordt bewoond, waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag wordt een toeslag verleend. De toeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag dat volgens de Wet op de huurtoeslag zou worden ontvangen.

  • 2. Onder woonkosten genoemd in het eerste lid wordt verstaan de tot een bedrag per jaar herleide kosten, welke de eigenaar is verschuldigd.

Artikel 13 Woonkosten boven huursubsidiegrens
  • 1. Indien een woning wordt bewoond, waarvan de woonkosten hoger zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, wordt een toeslag verleend ter hoogte van de woonkosten, verminderd met het bedrag dat maximaal voor eigen rekening van de belanghebbende zou blijven, indien zijn woonkosten gelijk zouden zijn aan de maximale subsidiabele huur in het kader van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2. Aan de verlening van de toeslag ingevolge het eerste lid wordt in beginsel de voorwaardeverbonden, dat de belanghebbende woonruimte betrekt, waarvan de woonkosten niet meer bedragen dan de maximale subsidiabele huur volgens de Wet op de huurtoeslag.

  • 3. De voorwaarde als bedoeld in het tweede lid wordt niet gesteld indien er sprake is van:

    • a.

      gehandicapten die in een aangepaste woning wonen;

    • b.

      mensen van 55 jaar en ouder;

    • c.

      bewoners van een eigen woning, zolang de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek, tot het bereiken van de hypotheekgrens.

  • 4. De toeslag ingevolge het eerste lid wordt in beginsel voor de duur van maximaal een jaar verleend.

Artikel 14 Kosten van verhuizing en inrichting
  • 1. Indien een voorwaarde tot verhuizing is opgelegd ingevolge artikel 13, tweede lid, kan ter zake van aantoonbare, noodzakelijke kosten van verhuizing en herinrichting bijstand om niet worden verleend.

  • 2. De bijstand ingevolge het eerste lid wordt in beginsel slechts verleend, indien de hoogte van de woonkosten na verhuizing niet meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.

  • 3. Bij een vrijwillige verhuizing van een woning met woonkosten, die meer bedragen dan de toepasselijke aftoppingsgrens op grond van de Wet op de huurtoeslag kan in individuele gevallen ter zake van aantoonbare, noodzakelijke kosten van verhuizing en herinrichting bijstand om niet worden verleend.

  • 4. De bijstand ingevolge het derde lid wordt in beginsel slechts verleend, indien de hoogte van de woonkosten na de verhuizing zodanig is, dat een eventueel te ontvangen tegemoetkoming in de woonkosten, in de vorm van huursubsidie of anderszins, niet uitstijgt boven € 170,00 per maand.

  • 5. Indien er sprake is van een noodzakelijke verhuizing op grond van sociale en/of medische omstandigheden kan ter zake van aantoonbare, noodzakelijke kosten van verhuizing en herinrichting bijstand om niet worden verleend.

  • 6. Indien op grond van dit artikel bijzondere bijstand wordt verstrekt worden de noodzakelijke, dubbele woonkosten in beginsel als bijstand om niet verstrekt.

Hoofdstuk 5 Periodieke bijzondere bijstand algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan

Artikel 15 Periodieke bijzondere bijstand voor een alleenstaande ouder bij verblijf in een inrichting

De algemene bijstand bedoeld in 23 lid 1 onder a WWB wordt voor alleenstaande ouders aangevuld met bijzondere bijstand tot 90% van de norm voor gehuwden.

Artikel 16 Verblijf in een inrichting voor jongeren beneden de 21 jaar
  • 1. Bij verblijf in een inrichting door een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar, die geen beroep kan doen op zijn ouders om redenen zoals genoemd in artikel 12 WWB, kan bijstand worden verleend overeenkomstig de bijstandsnormen genoemd in artikel 23 lid 1 onder a WWB, eventueel aangevuld met een toeslag als bedoeld in artikel 15 van deze verordening.

  • 2. De bijstand die op grond van het eerste lid is verleend wordt verhaald volgens artikel 61 lid 1 onder a WWB en de hierop gebaseerde beleidsregels.

Artikel 17 Levensonderhoud beneden de 21 jaar
  • 1. Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij geen beroep kan doen op zijn ouders om redenen zoals genoemd in artikel 12 WWB.

  • 2. De algemene bijstand wordt aangevuld tot maximaal de hoogte van de algemene bijstand die voor belanghebbende zou gelden als ware hij 21 jaar.

  • 3. De bijstand die op grond van het eerste lid is verleend wordt verhaald volgens artikel 61 lid 1 onder a WWB en de hierop gebaseerde beleidsregels.

Artikel 18 Garantietoeslag voormalige alleenstaande ouders
  • 1. Indien het laatste kind dat tot het gezin van de alleenstaande ouder behoort niet meer ten laste komt van de ouder, als gevolg waarvan op de ouder de bijstandsnorm van een alleenstaande van toepassing wordt, wordt aan die alleenstaande een garantietoeslag verleend ter hoogte van 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden gedurende 3 maanden, met ingang van de eerste dag waarop de alleenstaande ouder een uitkering naar de norm van een alleenstaande ontvangt.

  • 2. Na afloop van de termijn van 3 maanden, zoals bedoeld in lid 1, wordt gedurende een periode van 3 maanden een toeslag verleend van 10% van de bijstandsnorm voor gehuwden.

  • 3. Indien de belanghebbende een inkomen gaat ontvangen, dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande wordt het inkomen boven deze norm in mindering gebracht op de toeslag zoals bedoeld in lid 1 en 2. De vrijlating op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB wordt niet bij de berekening betrokken.

  • 4. De toeslag wordt beëindigd, indien de belanghebbende niet langer is aan te merken als alleenstaande in de zin van artikel 4 onder a WWB of de belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting.

Hoofdstuk 6 specifieke voorzieniningen

Artikel 19 Kosten herintredingsactiviteiten
  • 1. Alle aantoonbare, noodzakelijke kosten die een werkloze direct of indirect moet maken om te kunnen deelnemen aan activiteiten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om zijn kansen op (her)intreding in het arbeidsproces te vergroten – zoals kosten van om-, her- of bijscholing, kosten verbonden aan het opdoen van werkervaring, kosten van kinderopvang – en die niet op grond van een andere regeling kunnen worden vergoed, worden met inachtneming van de draagkrachtcriteria ingevolge artikel 3, 4 en 5 van deze verordening in beginsel volledig vergoed.

  • 2. Of de in het eerste lid bedoelde activiteiten redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht om de kansen van de werkloze op (her)intreding in het arbeidsproces te vergroten, wordt bepaald door het college, al dan niet op advies van het CWI.

  • 3. Aan de bijstand die ingevolge het eerste lid wordt verleend, worden verplichtingen verbonden.

Hoofdstuk 7 Betaling van de bijstand

Artikel 20 Betaling van de bijzondere bijstand
  • 1. De periodieke bijstand die met toepassing van deze verordening wordt verleend wordt maandelijks uitbetaald overeenkomstig artikel 45, eerste lid WWB.

  • 2. Incidentele bijzondere bijstand die met toepassing van deze verordening wordt verleend wordt betaald op het eerste betalingsmoment volgend op de datum van toekenning.

Hoofdstuk 8 Overige en slotbepalingen

Artikel 21 Kennelijke hardheid

Het college kan van de bepalingen en criteria van deze verordening afwijken, indien toepassing zou leiden tot kennelijke onrechtvaardigheid en/of onbillijkheid, dan wel tot kennelijke strijd met de strekking van de verordening.

Artikel 22 Overige bepalingen
  • 1. Aanvragen betreffende verhuis- en herinrichtingskosten, reparatie c.q. vervanging van duurzame gebruiksgoederen alsmede woonkostentoeslag moeten in beginsel worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt.

  • 2. Overige aanvragen op grond van deze verordening moeten voorzover mogelijk worden ingediend, voordat de kosten worden gemaakt.

  • 3. Voor het aanvragen van bijzondere bijstand geldt een administratieve drempel van € 45,00 per jaar.

  • 4. Van de gemaakte kosten moeten originele nota’s c.q. aankoopbewijzen worden overgelegd.

Artikel 23 Mandatering

Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Deze bevoegdheid is gemandateerd aan de afdelingsmanager Sociale Zaken.

Artikel 24 Slotbepalingen
  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening bijzondere bijstand”.

  • 2. Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2007 en vervangt de “Verordening bijzondere bijstand 2005.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering vande raad voornoemd d.d. 2007,de griffier,                                    de voorzitter,J.A.M.G. van Bodegom              mr. J.J.G.M. Geukers

Bij de verordening bijzondere bijstand 1

Lijst van duurzame gebruiksgoederen waarbij verstrekking bijzondere bijstand om niet (onder voorwaarden) tot de mogelijkheden behoort Huishoudelijke apparatuur e.d.1-1-2007 comfoor electrisch 2-plaats € individueelelectrisch 4-plaats € 170,00gas 4-pits € 125,00gasfornuis 4-pits + gasoven € 290,00 koelkast met vriesvak € 240,00stofzuiger € 80,00wasautomaat € 350,00computer € 700,00Meubilairbankstel (2 + 3 zits) € 850,00 eetkamertafel € 140,00 eetkamerstoel € 140,00fauteuil € 27500 salontafel € 105,00Slaapkamerartikelenmatras-polyether 1-persoons € 115,00 2-persoons € 155,00Stoffering, vloerbedekking e.d.gordijnen 1.40 m breed, per meter € 14,00 maakloon, per baan € 9,50 gordijnrail compleet, per meter € 4,50tapijt kamerbreed (4 mtr. breed, incl. € 50,00legloon), per meter vitrage 1.80 m breed, per meter € 11,00De kosten van verwijderingsbijdrage kunnen eveneens in aanmerking komen voor bijstand om niet, mits deze kosten de maximale bedragen zoals hierboven genoemd niet overschrijden.

Toelichting 1

1. AlgemeenOp grond van artikel 35 WWB heeft een alleenstaande of een gezin recht op bijzondere bijstand, indien zij niet meer over de middelen beschikt om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en naar het oordeel van het college deze kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Deze verordening geeft de hoofdlijnen van het beleid terzake. De verlening van bijzondere bijstand betekent echter in alle gevallen maatwerk. Individualisering blijft het belangrijkste aspect in de concrete toepassing van het beleid. Naast deze verordening wordt ook gewerkt met de Richtlijnen van de gemeente Arnhem, die op bepaalde aspecten een concretisering geven van de in deze verordening opgenomen regels.2. Artikelsgewijs Artikel 1 BegripsomschrijvingenBij de begripsomschrijvingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de begrippen, zoals deze worden gebruikt in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover daarvan niet bij deze verordening wordt afgeweken, hebben de begrippen dezelfde betekenis als in beide genoemde wetten.Artikel 2 Bijzondere bijstandDit artikel is de basis voor de bijzondere bijstandverlening en volgt derhalve de tekst van artikel 35 WWB. In principe wordt de landelijke bijstandsnorm inclusief gemeentelijke toeslag toereikend geacht om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Als een belanghebbende echter in bijzondere omstandigheden verkeert, waardoor hij hogere kosten heeft dan waarin de algemene bijstand voorziet, kan de gemeente bijzondere bijstand verlenen.Een aantal kostensoorten wordt specifiek in deze verordening behandeld. Voor het overige kan bijzondere bijstandsverlening plaatsvinden op grond van dit artikel. Nadere regels worden ook weergegeven in de door de gemeente gehanteerde richtlijnen. Het uitgangspunt blijft echter dat het om noodzakelijke kosten moet gaan.Bij medische kosten zal in veel gevallen een medisch advies worden opgevraagd bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) of de Dienst Hulpverlening Gelderland Midden (HGM).Het is niet noodzakelijk dat aan de persoon die bijzondere bijstand ontvangt, ook algemene bijstand wordt verstrekt. Ook belanghebbenden met een ander inkomen komen hiervoor in aanmerking. Uitgangspunt is wel dat dit inkomen niet toereikend is om bepaalde bijzondere bestaanskosten te kunnen voldoen.Artikel 3 Vrij te laten vermogenArtikel 35 WWB geeft als voorwaarde voor de verlening van bijzondere bijstand dat de noodzakelijke kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Er wordt derhalve rekening gehouden met de draagkracht van betrokkene. Het is aan het college om te beoordelen in hoeverre rekening gehouden wordt met deze draagkracht.In de Algemene bijstandswet gold de basisregel dat het vermogen, dat meer was dan het vrij te laten bescheiden vermogen, in aanmerking werd genomen. In de WWB zijn gemeenten vrij om deze vermogensgrens anders vast te stellen. Het is voor de uitvoering praktischer de vermogenstoets op gelijke wijze plaats te laten vinden dan bij de algemene bijstand. Dit levert ook de meest rechtvaardige toets op. De vermogensgrens voor de algemene bijstand wordt dus ook bij de bijzondere bijstand in aanmerking genomen. Het vermogen boven deze grens wordt voor 100% in aanmerking genomen.In het tweede lid wordt bepaald dat de vrijlatingsbepalingen van artikel 31 lid 2 WWB en 34 lid 2 WWB mede van toepassing zijn. Deze bepalingen gelden alleen voor de algemene bijstand. De gemeente kan zelf een keuze maken of deze middelen bij het bepalen van het recht op bijstand mede in aanmerking genomen worden. Het zijn vaak middelen waar ook kosten tegenover staan. In dit licht en vanwege de uniformiteit met het bepalen van het recht op algemene bijstand, is ervoor gekozen deze vrijlatingsbepalingen van toepassing te verklaren.Artikel 4 InkomenBij het inkomen wordt eerst de draagkrachtruimte vastgesteld (het verschil tussen het inkomen van de belanghebbende en 120% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm). Van deze draagkrachtruimte wordt een bepaald percentage in aanmerking genomen.Bij de beoordeling van het recht op woonkostentoeslag wordt 100% van de draagkracht in aanmerking genomen. Het inkomen boven bijstandsniveau dient volledig te worden aangewend voor deze kosten. Indien dit niet zou gebeuren, zouden mensen met een inkomen boven bijstandsniveau een hogere woonkostentoeslag ontvangen dan de geldende huurtoeslag bij dat inkomen.Artikel 5 DraagkrachtperiodeDe draagkrachtperiode is de periode waarover de draagkracht wordt berekend. In beginsel wordt hierbij uitgegaan van een periode van 12 maanden vanaf de eerste van de maand waarop de aanvraag betrekking heeft. Op deze manier wordt de draagkracht in aanmerking genomen die geldt in de periode dat de kosten door belanghebbende feitelijk worden gemaakt.Artikel 6 ReserveringsruimteEen percentage van 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm is bestemd voor reservering. Indien er geen bijzondere bestaanskosten zijn of aflossingsverplichtingen kan een belanghebbende derhalve 6% van de bijstandsnorm reserveren. Deze reserveringsruimte kan worden aangewend voor duurzame gebruiksgoederen en verhuis- en inrichtingskosten. Deze wordt in mindering gebracht op de te verlenen bijstand op grond van artikel 8 en 14 van deze verordening.Artikel 7 Terugwerkende krachtHet is bij de bijzondere bijstand mogelijk dat bijstand wordt verleend voor kosten die eerder zijn gemaakt. Om te voorkomen dat kosten nog jarenlang kunnen worden aangevraagd, is het wenselijk te komen tot een begrenzing van de in aanmerking te nemen periode. De maand van aanvraag is in casu bepalend. Zijn de kosten langer dan 12 maanden voor deze datum gemaakt, dan worden deze kosten niet meer vergoed. In het voorlichtingsmateriaal zal hier nadrukkelijk aandacht aan worden besteed.Artikel 8 Duurzame gebruiksgoederenArtikel 51 WWB geeft aan dat bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel als een bedrag om niet. Hoofdregel is dat hiervoor leenbijstand verstrekt wordt. De aflossingsbedragen en de duur ervan worden geregeld in artikel 9.In afwijking van de hoofdregel wordt bijstand om niet verleend voor duurzame gebruiksgoederen aan belanghebbenden, die reeds gedurende 3 jaar een inkomen niet hoger dan 120% van de bijstandsnorm hebben. De datum van aanvraag is hierbij bepalend. Na de periode van 3 jaar is de rek eruit om van een minimuminkomen grotere uitgaven te kunnen doen. Over een periode van 3 jaar kan een bedrag ter hoogte van het hoogste individuele bedrag op bijlage 1 om niet worden verstrekt (dit is thans het bankstel). Er wordt gebruik gemaakt van richtprijzen. Zodra deze worden aangepast, wordt ook de bijlage aangepast en wijzigt het maximumbedrag. De richtprijzen staan vermeld in de Richtlijnen Arnhem.Voor personen die korter dan 3 jaar een inkomen op bijstandsniveau hebben, geldt dat de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen als lening verstrekt wordt.De noodzaak voor vervanging of reparatie wordt desgewenst door middel van een huisbezoek vastgesteld. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde afschrijvingsduur van 7 jaar. Dit betekent dat – behoudens bijzondere omstandigheden buiten de schuld van de belanghebbende – tenminste 7 jaar moeten zijn verstreken alvorens opnieuw voor deze kosten bijzondere bijstand kan worden verstrekt.Artikel 9 Aflossing leenbijstandIndien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, volgens artikel 51 lid 2 WWB. De beslagvrije voet conform het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering wordt als ondergrens aangegeven.De aflossingscriteria in dit artikel zijn afgestemd op het wettelijk beslagrecht, het vroeger geldende bijstandsbesluit landelijke normering en het advies van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet. Dit leidt tot de hoofdregel dat de aflossing gesteld wordt op 6% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. In individuele omstandigheden kan dit percentage worden verhoogd of verlaagd. Het percentage kan echter nooit hoger dan 10% worden vastgesteld. Een reden om het percentage hoger vast te stellen is tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Is er sprake van draagkracht, dan wordt de aflossing verhoogd met het van toepassing zijnde draagkrachtpercentage.In principe dient 36 maanden te worden afgelost. Een langere termijn kan in individuele omstandigheden worden toegepast, bijvoorbeeld bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.Artikel 10 Gewijzigde omstandighedenIndien er wijzigingen plaatsvinden in de situatie van een belanghebbende (niet louter financieel), kan het aflossingsbedrag worden herzien.Artikel 11 Woonkostentoeslag bij huurwoningIn de volgende gevallen is woonkostentoeslag bij huurders mogelijk:A. De duur van de besluitvormingHet is mogelijk dat de besluitvorming bij de Belastingdienst enige tijd vergt. De Belastingdienst dient binnen 8 weken een voorschot te verstrekken. Eventueel kan bijzondere bijstand verstrekt worden in de tussentijd. Deze bijzondere bijstand zal met toepassing van artikel 48 lid 2 onder a WWB in de vorm van een lening worden verstrekt, omdat te verwachten is dat belanghebbende binnen afzienbare tijd over voldoende middelen beschikt. De latere uitbetaling van de huurtoeslag over de voorgaande periode kan dan gebruikt worden om de bijzondere bijstand af te lossen.B. De woonvormEr is alleen recht op huurtoeslag, indien de gehuurde woonruimte een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage of een onzelfstandige woonruimte in een door de Belastingdienst/Toeslagen aangewezen woongebouw of woning moet zijn. Voor het recht op huurtoeslag bij huur van een woonwagen geldt als voorwaarde dat de woonwagen is geplaatst op een erkende standplaats. Bij het bewonen van een niet erkende standplaats of een woonschip, is er geen recht op huurtoeslag. Artikel 15 WWB is dan echter geen grond om de aanvraag af te wijzen (CRvB 25-04-2000, nr. 98/5173 NABW en CRvB 06-07-2004, nr. 02/791 NABW). De redenering met betrekking tot bewoning van een caravan op een niet erkende standplaats of bewoning van een woonschip gaat ook op bij bewoning van een kamer.C. Gebroken periodeOp grond van artikel 49 Awir wordt huurtoeslag voor de kosten van huur in een bepaalde maand alleen verstrekt indien men gedurende de volledige maand huur voor de woning verschuldigd is. Gaat de huur pas halverwege de maand in, dan bestaat er over die maand geen recht op huurtoeslag. Het gemis aan huurtoeslag over de periode waarin men wel al huurt maar nog geen recht heeft op huurtoeslag wordt via de bijzondere bijstand gecompenseerd met bijzondere bijstand voor woonkosten.D. InkomensdalingDeze situatie is het beste uit te leggen aan de hand van de in het Handboek WWB genoemde voorbeelden:Voorbeeld 1Betrokkene ontvangt geen huurtoeslag. Met ingang van 1 mei daalt zijn inkomen. Betrokkene komt daarom in aanmerking voor een huurtoeslag over de periode van 1 januari tot en met 1 december:€ 100,-- per maand. Het inkomen vanaf 1 mei 2006 zou echter, als dit inkomen in het gehele kalenderjaar zo hoog zou zijn, een huurtoeslag van € 175,-- hebben opgeleverd. De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt met ingang van 1 mei 2006 voorschotten die zijn gebaseerd op het nieuwe (geschatte) jaarinkomen: € 100,-- per maand, verhoogd met € 50,-- aan ingedikte toeslag per maand (totaal: € 150,-- per maand). In dit geval kan met ingang van 1 mei 2006 bijzondere bijstand voor woonkosten worden verleend van € 25,--.Voorbeeld 2Betrokkene ontvangt geen huurtoeslag. Met ingang van 1 april 2006 daalt zijn inkomen. De inkomensdaling heeft niet tot gevolg dat er recht op huurtoeslag ontstaat. Het inkomen vanaf 1 april 2006 zou echter, als dit inkomen in het gehele kalenderjaar zo hoog zou zijn, een huurtoeslag van € 50,-- opleveren. In dit geval kan met ingang van 1 april 2006 bijzondere bijstand voor woonkosten worden verleend van € 50,--.Bij ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid kan de woonkostentoeslag in de vorm van leenbijstand worden verstrekt (artikel 48 lid 2 onder b WWB)Artikel 12 Woonkostentoeslag bij koopwoningDe woonkostentoeslag bij koopwoningen wordt eveneens berekend aan de hand van de subsidietabellen van het ministerie van VROM. Het verschil met de huurwoning is de bepaling van de woonkosten. Deze vaststelling vindt plaats aan de hand van de regeling in de door onze gemeente gehanteerde Richtlijnen Arnhem. De aflossing van de hypotheek wordt niet als woonkosten meegenomen, omdat de aflossing leidt tot vermogensvorming. Indien een rijkssubsidie wordt ontvangen, wordt deze van de woonkosten afgetrokken. Het totaalbedrag aan subsidiabele woonkosten is dan uitgangspunt voor de bepaling van de woonkostentoeslag.Artikel 13 Woonkosten boven huursubsidiegrensAls de woonkosten voor een huurwoning of een koopwoning meer bedragen dan de maximaal subsidiabele huurgrens, bestaat geen recht op huurtoeslag en dus ook geen recht op woonkostentoeslag. Het is mogelijk dat belanghebbenden met woonkosten boven de subsidiabele grens door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of anderszins op een inkomen op bijstandsniveau aangewezen raken. Het inkomen kan dan ontoereikend zijn om in het levensonderhoud inclusief woonkosten te voorzien. Bijstand voor woonkosten is dan mogelijk voor de periode van een jaar. In dat jaar dient gezocht te worden naar goedkopere huisvesting, waarvan de woonkosten lager liggen dan de subsidiabele huurgrens. Deze periode kan met maximaal een jaar worden verlengd indien betrokkene buiten zijn schuld binnen het eerste jaar niet over goedkopere huisvesting kan beschikken.Deze termijn geldt voor een aantal categorieën niet.Artikel 14 Kosten van verhuizing en inrichtingDit artikel geeft de mogelijkheid om belanghebbenden die wegens hun bijstandsafhankelijkheid een huurwoning of koopwoning verplicht moeten verlaten, omdat de woonkosten te hoog zijn (artikel 13 van deze verordening), een tegemoetkoming te verlenen in de kosten van verhuizing en inrichting. Voorwaarde is dat bij het betrekken van de dure woning de bijstandsafhankelijkheid redelijkerwijs niet te voorzien was. De nieuwe huur mag tevens niet meer bedragen dan het huurbedrag dat is gekoppeld aan de maximale huursubsidie. In een dergelijke situatie zijn de woonkosten tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht. Er zal dan recht op huurtoeslag bestaan.Ook bij een vrijwillige verhuizing naar goedkopere huisvesting kan eventueel een beroep worden gedaan op bijstand voor kosten van verhuizing en herinrichting. Door de vrijwillige verhuizing dient sprake te zijn van een lastenverlichting. Als richtlijn wordt gesteld dat de huursubsidie c.q. woonkostentoeslag na de verhuizing niet meer bedraagt dan €170,00 per maand.Onder “verhuiskosten” wordt verstaan: de kosten van of in verband met het verplaatsen van de inboedel.Onder “herinrichtingskosten” ingevolge dit artikel wordt verstaan: de (overname)kosten van stoffering van de nieuwe woning, zoals vloerbedekking en gordijnen. Vervanging van duurzame gebruiksgoederen valt hier niet onder, tenzij de vervanging noodzakelijk is vanwege de verhuizing (bijvoorbeeld als een gasfornuis dient te worden vervangen door een elektrisch fornuis).Indien er sprake is van dubbele woonkosten bij verhuizing kan bijstand om niet worden verstrekt voor de woonlasten van een woning waarvoor de cliënt de hoogste eigen bijdrage is verschuldigd. In beginsel worden dubbele woonlasten slechts vergoed gedurende maximaal een maand.De kosten van een waarborgsom worden op grond van artikel 48 lid 2 WWB als leenbijstand verstrekt.Artikel 15 Periodieke bijzondere bijstand voor een alleenstaande ouder bij verblijf in een inrichtingIn de WWB zijn de bijstandsnormen voor in een inrichting verblijvende personen ouder dan 21 jaar vastgelegd. De normen voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder zijn gelijk. De wetgever gaat ervan uit dat de alleenstaande ouder de kosten van levensonderhoud voor het kind kan voldoen van de kinderbijslag. De alleenstaande ouder heeft echter meer kosten dan de alleenstaande. Er wordt hier derhalve geregeld dat de norm voor een alleenstaande ouder gesteld wordt op 90% van de norm voor gehuwden bij verblijf in een inrichting.Artikel 16 Verblijf in inrichting jongeren beneden de 21 jaarJongeren die in een inrichting verblijven zijn volgens artikel 13 lid 2 WWB uitgesloten van algemene bijstand. Zij dienen in principe een beroep te doen op de ouders. Indien dit op grond van de omstandigheden, zoals genoemd in artikel 12 WWB niet mogelijk is, kan bijzondere bijstand worden verleend. De hoogte van de bijstand wordt afgestemd op de bijstandsnorm voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder die in een inrichting verblijven.In dit artikel gaat het met name om jongeren, waarvan de ouders niet kunnen bijdragen of niet wensen bij te dragen vanwege een verstoorde relatie. In het laatste geval worden de kosten verhaald op de ouders.Artikel 17 Levensonderhoud jongeren beneden de 21 jaarDe landelijke bijstandsnormen voor jongeren beneden de 21 jaar zijn gelijkgesteld aan de kinderbijslag. De jongere met een bijstandsuitkering zal derhalve in dezelfde mate een beroep op de onderhoudsplicht van de ouders moeten doen als de jongere die geen bijstand ontvangt en waarvoor de ouders kinderbijslag ontvangen. Indien de jongere echter aantoonbaar hogere kosten van bestaan heeft en hij daarvoor om redenen zoals genoemd in artikel 12 WWB geen beroep op de ouders kan doen, kan bijzondere bijstand worden verleend.Er dient derhalve te worden beoordeeld of de hogere kosten daadwerkelijk noodzakelijk zijn en of de ouders onderhoudsplichtig zijn en een bijdrage kunnen leveren. Zijn de kosten niet noodzakelijk, dan wordt geen aanvullende bijzondere bijstand verstrekt. Dit is wel mogelijk, als de ouders niet in staat zijn bij te dragen in de kosten, bijvoorbeeld als zij zelf bijstandsafhankelijk zijn, in het buitenland wonen of zijn overleden.Indien de ouders niet wensen bij te dragen, bijvoorbeeld vanwege een verstoorde verhouding is bijzondere bijstand ook mogelijk. De kosten van de bijzondere bijstand worden dan op de ouders verhaald.Indien de jongere op de ingangsdatum van bijstandsverlening 12 maanden of langer niet meer op het adres van zijn ouder(s) woont is het niet redelijk om te verlangen dat hij weer bij zijn ouder(s) gaat wonen. Indien de jongere in deze situatie redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken kan bijzondere bijstand worden verleend.De bijzondere bijstand bedraagt maximaal het verschil tussen de hoogte van de algemene bijstand, die de jongere zou hebben ontvangen als hij 21 jaar oud zou zijn geweest en de bijstandsnorm voor een18, 19 en 20-jarige. Indien er geen noodzaak is om tot dit bedrag aan te vullen, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand afgestemd.Artikel 18 Garantietoeslag voormalige alleenstaande oudersOp het moment dat het laatste kind van een alleenstaande ouder 18 jaar wordt, wordt aan de ouder de norm van een alleenstaande toegekend. Om te voorkomen dat het gezinsinkomen een te grote terugval ondergaat, kan recht op een garantietoeslag bestaan, mits het kind tot het gezin blijft behoren.Er wordt een toeslag ter hoogte van 20% van de norm voor gehuwden verstrekt gedurende 3 maanden. Deze periode vangt aan op de dag dat de uitkering van de alleenstaande ouder wordt omgezet naar de norm van een alleenstaande. Hiermee is de overgang naar de norm van een alleenstaande gemakkelijker gemaakt. De regeling wordt echter wel afgebouwd. Na de periode van 3 maanden wordt nog gedurende een nieuwe periode van 3 maanden een toeslag van 10% van de norm voor gehuwden toegekend.Indien de belanghebbende gedurende de periode waarin de garantietoeslag wordt verstrekt, inkomsten heeft die hoger zijn dan de norm van een alleenstaande, wordt het meerdere op de toeslag in mindering gebracht. De vrijlating van inkomsten van arbeid op grond van artikel 31 lid 2 onder o WWB wordt buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de garantietoeslag. Van deze vrijlating gaat een stimulans om arbeid te aanvaarden uit. Deze stimulans zou verloren gaan als deze inkomsten zouden worden meegenomen.De toeslag wordt beëindigd, indien de belanghebbende niet langer is aan te merken als alleenstaande (bijvoorbeeld als men gaat samenwonen) of in een inrichting wordt opgenomen.Artikel 19 Kosten herintredingsactiviteitenVergoeding van kosten van herintredingsactiviteiten hebben het doel om leemten in het herintredings-proces op te vullen. Voor veel vormen van her-, om- of bijscholing en werkervaring bestaan onkosten-vergoedingen bij verschillende regelingen. Toepassing van bijzondere bijstand is derhalve aan de orde als voorliggende voorzieningen zijn uitgeput. De regeling via de bijzondere bijstand kan worden gezien als een bodemvoorziening. Alle kosten die de werkloze voor noodzakelijke herintredings-activiteiten zelf moet betalen moeten volledig via de bijzondere bijstand kunnen worden gedeclareerd. Het college bepaalt, al dan niet met het CWI, of een herintredingsactiviteit noodzakelijk is. Voorbeelden van kosten zijn: cursusgelden, studiemateriaal, reiskosten etc. Aan deze bijstands-verlening worden voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden hebben betrekking op de inzet van debelanghebbende. Deze is verplicht om binnen zijn mogelijkheden en omstandigheden een opleiding of traject met goed gevolg af te sluiten. Indien belanghebbende door zijn eigen toedoen zorgt dat de opleiding of het traject beëindigd dient te worden, zal er aanleiding zijn om een maatregel op te leggen op grond van de Afstemmingsverordening. De verstrekte bijzondere bijstand zal dan tevens worden teruggevorderd.Artikel 20 Betaling van de bijzondere bijstandDe periodieke bijzondere bijstand wordt tegelijk met de algemene bijstand maandelijks verstrekt. De incidentele bijzondere bijstand kan met tussentijdse betalingen worden verstrekt.Artikel 21 Kennelijke hardheidIn artikel 18 WWB is geregeld dat de bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Hierdoor kan maatwerk worden geboden. Ook bij de bijzondere bijstand kan dit artikel worden toegepast. Gelet op het belang van een individuele benadering van de belanghebbende bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is ook in deze Verordening een individualiseringsartikel opgenomen. Afwijking kan alleen in het voordeel van de belanghebbende, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een afwijking moet altijd goed worden gemotiveerd.Artikel 22 Overige bepalingen

In dit artikel wordt geregeld dat de bijzondere bijstand voor verhuis- en/of (her)inrichtingskosten vooraf dient te worden aangevraagd. Dit is nodig om de noodzakelijkheid te kunnen beoordelen. Voor de overige aanvragen geldt, dat deze zoveel mogelijk vooraf dienen te worden aangevraagd. Voor sommige aanvragen bijzondere bijstand is dit echter onmogelijk en voor andere aanvragen is het gezien de administratieve drempel en de mogelijkheid van terugwerkende kracht onlogisch om te bepalen dat een aanvraag vooraf dient te worden ingediend.In dit artikel is een administratieve drempel van € 45,00 per jaar opgenomen. Dit drempelbedrag is opgenomen om te voorkomen dat voor hele kleine bedragen bijstand wordt aangevraagd. Zodra de kosten op jaarbasis boven dit bedrag uitkomen wordt de aanvraag in behandeling genomen en worden de volledige kosten vergoed.Op grond van lid 4 van dit artikel moet de belanghebbende de originele nota’s c.q. aankoopbewijzen overleggen of tonen. Dit dient ter verificatie of de verleende bijstand ook daadwerkelijk voor het doel waarvoor het is verleend wordt aangewend.Artikel 23 MandateringDe uitvoering van deze Verordening ligt bij het college. De beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de uitvoering van de Verordening is gemandateerd aan de afdelingsmanager Sociale Zaken. Dit houdt in dat deze beslist in naam van het college.Artikel 24 SlotbepalingenIn dit artikel zijn de ingangsdatum alsmede de citeertitel van de Verordening opgenomen.