Waterverordening waterschap Rijn en IJssel

Geldend van 18-06-2016 t/m 01-01-2019

Intitulé

Waterverordening waterschap Rijn en IJssel

PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND EN OVERIJSSEL

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Gelderland en Overijssel; Gelet op de artikelen 2.9 en 5.1 van de Waterwet;

BESLUITEN

Ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft, de volgende gewijzigde verordening vast te stellen: Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel

HOOFDSTUK 1 Begripsbepalingen, toepassingsbereik, toedeling beheer en toedeling aanwijzing

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder: -algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap; -beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet: -buitengebied: gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; -dagelijks bestuur: college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap; -Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, tenzij anders is bepaald; -Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; -peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet; -profiel van vrije ruimte: ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering; -projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.4 van de wet; -regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en als zodanig is aangewezen in deze verordening; -reglement: Reglement voor Waterschap Rijn en IJssel; -waterschap: Waterschap Rijn en IJssel; -wet: Waterwet.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze verordening is van toepassing op het gebied van het waterschap, bedoeld in artikel 2, van het reglement.

Artikel 1.3 Toedeling beheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het reglement.

Artikel 1.4 Toedeling aanwijzing

Voor de toepassing van artikel 3.12 van de wet wordt het toezicht uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie op wiens grondgebied het besluit, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid in hoofdzaak betrekking heeft.

HOOFDSTUK 2 Normen

Titel 2.1 Regionale waterkeringen

Artikel 2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen

Deze titel is van toepassing op de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten.

Artikel 2.2 Veiligheidsnorm
  • 1 Op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan een veiligheidsnorm aangegeven.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder.

  • 3 Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vast.

  • 4 Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.

Titel 2.2 Waterkwantiteit

Artikel 2.3 Normen waterkwantiteit
  • 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/100 per jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar.

  • 2 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, bedoeld in het eerste lid, als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar, met dien verstande dat geen norm geldt voor:

    • a

      gebieden, die zijn aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 of gebieden die voorlopig zijn aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998;

    • b

      Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Natuurbeschermingswet 1998;

    • c

      gebieden, voor zover niet behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, die op de Beleidskaart ruimtelijke structuur, behorende bij het Streekplan 2005 van de provincie Gelderland, als EHS Natuur zijn aangegeven, en

    • d

      gebieden, voor zover niet behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, die op de Overzichtskaart ontwikkelingsperspectieven, behorende bij de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel, als realisatie groene en blauwe hoofdstructuur zijn aangegeven.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aangaande de toepassing van het eerste en tweede lid.

  • 4 Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder.

  • 5 De inrichting van de regionale wateren voldoet in 2015 aan de in het eerste en tweede lid aangegeven normen.

Titel 2.3 Meten en beoordelen

Artikel 2.4 Verslag toetsing watersysteem
  • 1 Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, periodiek verslag uit over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer aan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad en voorschriften bedoeld in artikel 2.2 en de legger bedoeld in artikel 4.1.

  • 3 Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 2.3, periodiek verslag uit over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer aan Gedeputeerde Staten van de provincie waarin deze regionale wateren in hoofdzaak zijn gelegen.

  • 4 Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 2.3.

  • 5 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6 Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal worden uitgebracht en met welke frequentie de verslagen daarna worden uitgebracht.

Artikel 2.5 Regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht
  • 1 In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proces- en gietwater;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

    • c.

      beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2 In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      scheepvaart;

    • c.

      peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;

    • d.

      beregening gras of maïs;

    • e.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • f.

      doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie.

HOOFDSTUK 3 Beheerplannen

Artikel 3.1 Inhoud
  • 1 Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:

    • a

      de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b

      het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

    • c

      de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

    • d

      een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode; en

    • e

      de resultaten voor het buitengebied van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies.

  • 2 Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

    • a

      de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken, en

    • b

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid, onder c, genoemde maatregelen.

Artikel 3.2 Voorbereiding
  • 1 Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij de voorbereiding van het beheerplan, de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten van de betrokken provincies, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan zijn gelegen en de ten aanzien van grensvormende of grensoverschrijdende wateren bevoegde Duitse autoriteiten.

  • 2 Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat naast belanghebbenden ook de ingezetenen van het beheersgebied van het waterschap hun zienswijze over het ontwerp naar voren kunnen brengen.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan bij een herziening van het beheerplan dat op een onderdeel van het beheersgebied van het waterschap betrekking heeft, de kring van belanghebbenden en ingezetenen beperkt worden tot dat onderdeel van het beheersgebied.

Artikel 3.3 Goedkeuring
  • 1 Indien het beheerplan in zijn geheel wordt herzien, wordt het beheerplan ter goedkeuring gestuurd naar Gedeputeerde Staten. Indien het een herziening van beperkte strekking betreft, wordt de herziening ter goedkeuring gestuurd naar Gedeputeerde Staten van de provincie waarop de herziening van het beheerplan in hoofdzaak betrekking heeft. Als bijlagen voegt het dagelijks bestuur toe het verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.

  • 2 Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na de goedkeuring aan de ingevolge artikel 3.2 geraadpleegde bestuursorganen en aan de Minister.

Artikel 3.4 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste een maal per jaar aan Gedeputeerde Staten van Gelderland en Overijssel over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

HOOFDSTUK 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Titel 4.1 Legger

Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken
  • 1 De legger, bedoeld in artikel 5.1 van de wet bevat naast het bepaalde in het eerste lid van dat artikel in ieder geval:

    • a

      het lengte- en dwarsprofiel van de primaire en regionale waterkeringen;

    • b

      het dwarsprofiel van de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer, en

    • c

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering, alsmede van de oppervlaktewaterlichamen in zijn beheer.

  • 2 Bij het dwarsprofiel, bedoeld in het eerste lid, onder a, is tevens het profiel van vrije ruimte aangegeven.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op regionale waterkeringen die als “handhaven huidig profiel” zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten.

Artikel 4.2 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger
  • 1 Regionale waterkeringen die als “handhaven huidig profiel” zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten worden vrijgesteld van de leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, met betrekking tot vorm, afmeting en constructie.

  • 2 Bergingsgebieden worden vrijgesteld van de leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1. van de wet, met betrekking tot vorm en constructie.

  • 3 Oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van minder dan 25 liter per seconde en naar het oordeel van het waterschap niet van overwegend belang voor de aan- en afvoer van water en waterberging, worden vrijgesteld van de leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, met betrekking tot ligging, vorm, afmeting en constructie.

  • 4 Delen van oppervlaktewaterlichamen aanzienlijk breder dan noodzakelijk voor de waterafvoerende functie, waaronder plassen, meren, vijvers, oude rivierstrangen en natuurvriendelijk ingerichte en meanderende wateren, worden vrijgesteld van de leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, met betrekking tot vorm, afmeting en constructie.

     

Artikel 4.3 Tijdelijke vrijstelling waterkeringen

Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen, kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid van de wet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

Artikel 4.4 Procedure

Op de voorbereiding van de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, indien de legger niet wordt gecombineerd met de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Titel 4.2 Peilbesluiten

Artikel 4.5 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt één of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen in gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 4.6 Inhoud peilbesluit
  • 1 Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen zijn gelegen en waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2 Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken;

    • b

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; en

    • c

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 4.7 Openbare voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.8 Herziening
  • 1 Een peilbesluit wordt ten minste eens in de tien jaren herzien.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het algemeen bestuur eenmalig voor ten hoogste vijf jaren vrijstelling verlenen van de verplichting, genoemd in het eerste lid.

  • 3 Indien het peilbesluit betrekking heeft op het grondgebied van meerdere provincies, dan wordt de vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie, waarop het peilbesluit in hoofdzaak betrekking heeft.

Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 4.9 Projectprocedure

Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op:

  • a

    projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

  • b

    projectplannen tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen.

Artikel 4.10 Toezending projectplan

Een projectplan, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van de provincie Overijssel wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die provincie.

HOOFDSTUK 5 Grondwater

Artikel 5.1 Verstrekken gegevens
  • 1 Het dagelijks bestuur verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt:

    • a

      de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen,en

    • b

      een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

  • 2 De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aangaande de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aangeleverd.

Artikel 5.2 Melden, meten en registreren

Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 50.000 m³ per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 50.000 m³.

HOOFDSTUK 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekken verordeningen

De Verordening waterbeheer Rijn en IJssel wordt ingetrokken.

Artikel 6.2 Overgangsrecht
  • 1 De voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de verordening, genoemd in artikel 6.1 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders beslist.

  • 2 Op procedures op grond van de verordening, genoemd in artikel 6.1, die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening, blijft het op dat moment geldende recht van toepassing.

  • 3 De verplichting tot het aangeven van het profiel van vrije ruimte, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, in de legger, geldt vanaf 1 januari 2013.

Artikel 6.3 Aanbrengen doorlopende nummering, aanpassing aanhalingen
  • 1 Voor de plaatsing in het Provinciaal Blad stellen Gedeputeerde Staten de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vast en brengen zij de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.

  • 2 Voor de plaatsing in het Provinciaal Blad brengen Gedeputeerde Staten de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming.

Artikel 6.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt.

Artikel 6.5 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Waterverordening waterschap Rijn en IJssel.

Bijlage 1: kaarten regionale waterkeringen en de bij behorende normering Bijlage 2: kaart peilbesluiten

Ondertekening

Provinciale Staten  
 

Toelichting Waterverordening waterschap Rijn en IJssel

Algemene toelichting

De Waterwet is op 12 maart 2009 gepubliceerd in het Staatsblad 2009/107 en zal naar verwachting 22 december 2009 in werking treden. De Waterwet (verder genoemd: de wet) vervangt de huidige beheerwetten op het terrein van water, waaronder de Wet op de waterhuishouding, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Waterstaatswet 1900, de Wet op de waterkering en de Grondwaterwet. De Waterschapswet blijft als organieke wet bestaan. De wet voorziet in een modern juridisch instrumentarium om het waterbeheer te ondersteunen. Naast de integratie van wetgeving is modernisering, stroomlijning en vermindering van regels en administratieve lasten leidraad geweest bij de ontwikkeling van deze wet. De wet heeft tot gevolg dat de provinciale instrumentele waterregelgeving moet worden herzien. Deze herziening is dermate omvangrijk dat voor de leesbaarheid nieuwe waterverordeningen zijn opgesteld die zoveel mogelijk zijn geïntegreerd. Als gevolg hiervan komen de afzonderlijke verordeningen betreffende de waterhuishouding, de waterkering en het grondwater te vervallen. Naast een provinciale waterverordening die provinciebrede onderwerpen zoals het regionale waterplan en het onderwerp grondwater (voor zover nog een provinciale bevoegdheid) regelt, is er per waterschap een interprovinciale waterverordening die de waterschapseigen onderwerpen regelt. Deze verordening strekt tot het regelen van de waterschapseigen onderwerpen voor Waterschap Rijn en IJssel. Het merendeel van de in deze verordening opgenomen onderwerpen is overgenomen uit de huidige regelgeving. Nieuw voor het waterschap zijn de bepalingen inzake de normen waterkwantiteit, de projectprocedure en grondwater.

Artikelgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, toepassingsbereik, toedeling beheer en toedeling aanwijzing

In hoofdstuk 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen die in de wet en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald. Gemakshalve wordt voor de uitleg van die begripsbepalingen verwezen naar de wet en het Waterbesluit. De wet beoogt te bewerkstelligen dat landsdekkend is bepaald wie belast zijn met het beheer van watersystemen. Hiertoe is in artikel 3.1 van de wet bepaald dat alle watersystemen of onderdelen daarvan die bij het rijk in beheer zijn, worden aangewezen bij Algemene Maatregel van Bestuur. In artikel 2.2, tweede lid van de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging. De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij een waterschap in beheer zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid van de Waterschapswet.

Artikel 1.3 Toedeling beheer Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de wet moeten voor de niet bij het rijk in beheer zijnde watersystemen of onderdelen daarvan bij provinciale verordening beheerders worden aangewezen. Hierbij dient artikel 2, tweede lid van de Waterschapswet in acht te worden genomen. Ter uitvoering van artikel 3.2 van de wet is in artikel 1.3 van deze verordening het waterschap aangewezen als beheerder van het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. Met de in de taakopdracht opgenomen clausulering wordt bereikt dat de toedeling van beheer geen betrekking heeft op watersystemen die in beheer zijn bij het rijk of op vaarwegbeheer dat als onderdeel van het watersysteembeheer bij een gemeente of provincie berust. De aanwijzing van vaarwegbeheerders zal plaatsvinden in de provinciale waterverordeningen. De Invoeringswet Waterwet geeft overigens voor die aanwijzing uitstel van drie jaar.

Artikel 1.4 Toedeling aanwijzing Wat betreft het interprovinciale toezicht met betrekking tot de aanwijzing en in de plaatstreden is de normale systematiek gevolgd. Dit betekent dat de provincie bevoegd is op wiens grondgebied het besluit in hoofdzaak betrekking heeft.

Hoofdstuk 2 Normen

Titel 2.1 Regionale waterkeringen

Algemeen Op grond van artikel 2.4 van de wet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen worden vastgesteld. In deze titel wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. De desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten. Op die kaarten is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm aangegeven.

Door het stellen van normen wordt nader invulling gegeven aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van hun gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm van normen. In verband hiermee is ervan afgezien in deze titel een specifieke beheersopdracht op te nemen die inhoudt dat het waterschap er voor zorg draagt dat de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen. Hetzelfde geldt voor de normen wateroverlast (zie artikel 2.3).

Artikel 2.2 Veiligheidsnorm Om een bepaald veiligheidsniveau voor een gebied te verzekeren, behoeven de rond dat gebied gelegen waterkeringen niet alle aan dezelfde veiligheidseisen te voldoen. De te stellen eisen kunnen afhankelijk gesteld worden van factoren als het watervolume dat door een waterkering wordt gekeerd, het landgebruik direct achter de waterkering en de aanwezigheid van polderkades in het gebied. Om die reden is ervoor gekozen niet een gebied te normeren, maar de waterkeringen rondom een gebied.

Voor regionale waterkeringen gelden verschillende veiligheidsnormen. Voor de regionale waterkeringen die direct regionaal water keren is de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm. Het wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden. Hiertoe zijn de desbetreffende waterkeringen die op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten zijn opgenomen, naar gelang de mogelijk optredende schade in klassen ingedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar tot een overschrijdingskans van 1/1250 per jaar. De uitgangspunten voor de berekening van de schade en de vertaling naar de klassen zijn mede afgeleid van de IPO-Leidraden ter bepaling van normen voor boezemkaden en waterkeringen langs regionale wateren. Voor elk van de regionale waterkeringen, die direct regionaal water keren, is de veiligheidsnorm op de als bijlage 1 opgenomen kaarten opgenomen.  De wijze van normering van waterkeringen met (mede) een compartimenterende functie is afwijkend van de normering van regionale waterkeringen die direct regionaal water keren. Daarbij dient gemeld te worden dat er landelijk nog ontwikkelingen plaatsvinden in de nut en noodzaak bepaling van dit type waterkeringen. De komende jaren zullen hier naar verwachting nieuwe inzichten ontstaan, die bij de evaluatie van deze verordening kunnen worden meegenomen. Conform de Richtlijn Normering Compartimenteringskeringen (Stowa 2007) is onderzocht op welke wijze (met welke norm) deze waterkeringen moeten worden opgenomen in de verordening. In de afwegingen is daarbij ondermeer gekeken naar de eventueel benodigde investeringskosten, effecten op de gevolgschade en het aantal slachtoffers en de effecten op bestaande LNC-waarden (landschap, natuur en cultuurhistorie). Op basis hiervan geldt geen norm in de vorm van een overschrijdingskans, maar geldt de norm dat het huidig profiel van de waterkering gehandhaafd moet worden. De belangrijkste overwegingen worden hieronder genoemd.

Wat betreft de Noordelijke en Zuidelijke Rijnstrangendijken Deze waterkeringen hebben in de huidige situatie invloed op het overstromingsverloop na een doorbraak van een primaire waterkering, maar hebben weinig invloed op de schade en het aantal slachtoffers. Uiteindelijk zal toch het gehele gebied inunderen, doordat er geen sluitend  compartimenteringsstelsel is en de waterkeringen te laag en naar verwachting instabiel zijn. Het versterken van deze waterkeringen is bovendien qua maatschappelijke kosten/baten niet rendabel en heeft naar verwachting ook grote gevolgen voor de bestaande LNC-waarden. Toch is besloten deze waterkeringen aan te wijzen als regionale waterkering met als norm “handhaven huidig profiel” om het tracé van de waterkeringen te beschermen tegen ontwikkelingen die dijkverbeteringen in de toekomst veel duurder of zelfs onmogelijk maken. Toekomstige verbeteringen zijn niet ondenkbaar, gezien de ruimtelijke reservering voor de lange termijn maatregel “Retentie Rijnstrangen”, waarmee ook in het advies van de Deltacommissie rekening wordt gehouden. Daarnaast vindt er in samenwerking met Duitsland onderzoek plaats naar de wenselijkheid en de haalbaarheid van een  sluitend compartimenterend stelsel in dijkring 48.

Wat betreft de waterkering aan de zuidzijde van het Stroomkanaal van Hackfort Deze waterkering vormt een eenheid met de primaire noordelijke waterkering langs het Stroomkanaal. Samen vormen zij een dijkringscheidende kering tussen de dijkringen 49 en 50. Er is besloten deze waterkering aan te wijzen als regionale waterkering met als norm “handhaven huidig profiel” om het tracé van de waterkering te beschermen tegen ontwikkelingen die dijkverbeteringen in de toekomst veel duurder of zelfs onmogelijk maken. In verband met de samenhang tussen deze beide (primair en regionaal) waterkeringen langs het Stroomkanaal van Hackfort zal er nog onderzocht worden of deze waterkeringen als eenheid in de toekomst verbetering behoeven. De keuze voor handhaven van het huidige profiel betekent ook dat deze keringen geen volwaardige waterkerende functie hebben bij een grootschalige overstroming. Het aanwijzen van deze waterkeringen als regionale waterkeringen betekent dat deze moeten worden opgenomen in de legger van de beheerder. Hiermee komen ze ook onder de werkingssfeer van de keur te vallen. Met behulp hiervan kan het waterschap activiteiten weren die de huidige waterkerende functie kunnen aantasten. Ten slotte geldt voor deze waterkeringen dat er gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 5.1, derde lid van de wet. Dit betreft de vorm, afmeting en constructie. In artikel 4.1a, eerste lid, wordt hier invulling aan gegeven.

Tweede en derde lid Zoals hiervoor is aangegeven is op de kaarten voor de verschillende regionale waterkeringen of delen daarvan de veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte norm dient voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van een voorschrift voor de toetsing en anderzijds in de vorm van een technische leidraad voor het ontwerp van een regionale waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling in handen van Gedeputeerde Staten gelegd. Om te bereiken dat de toetsing van de actuele veiligheidssituatie door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt, hebben de daarvoor gestelde regels het karakter van een bindend voorschrift. Afwijking hiervan is niet mogelijk. Wat betreft het ontwerp hebben de regels het karakter van een richtlijn. Dat betekent dat de beheerder een bepaalde ruimte wordt gelaten om in verband met specifieke plaatselijke omstandigheden af te wijken. Een afwijking kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om voor de langere termijn een optimum te realiseren tussen aanleg- en onderhoudskosten.

Voor de regionale waterkeringen waarvoor het huidig profiel de norm is, behoeft slechts te worden aangetoond dat de huidige situatie is gehandhaafd. Hieraan kan voldaan worden door een goed gedocumenteerd handhavingsdossier op te bouwen.

Vierde lid Ten behoeve van de beoordeling van het waterkerend vermogen is het nodig dat Gedeputeerde Staten naast voorschriften over de wijze van toetsing tevens de maatgevende hoogwaterstanden vaststellen. Voor regionale waterkeringen langs de boezem wordt de maatgevende waterstand bepaald door het maatgevend boezempeil, de scheefstand van de boezem door opwaaiing en de werking van de boezemgemalen. Voor de regionale waterkeringen langs vrij afstromende wateren wordt de maatgevende waterstand berekend door middel van een hydrologische analyse. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van afvoernormen, metingen en/of modellen. Het vaststellen van het tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen, is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder en is derhalve een aangelegenheid van het provinciaal bestuur. Er is echter om de volgende reden niet voor gekozen dat tijdstip in deze verordening vast te leggen. De omvang van het door de beheerder uit te voeren maatregelenpakket wordt bepaald door de uitkomst van het toetsingsproces. De (financiële) inspanningen die de beheerder zal moeten leveren om de regionale waterkeringen te laten voldoen aan de vastgestelde veiligheidsnorm worden verder in hoge mate bepaald door het tijdsbestek waarbinnen de gevraagde inspanning geleverd moet worden. Het bepalen van het tijdstip waarop de waterkeringen op orde moeten zijn, vereist een afweging tussen enerzijds wat wenselijk is wat betreft veiligheid en anderzijds wat aanvaardbaar is wat betreft lastenstijging.  Dat is maatwerk. Om die reden is die bevoegdheid in handen van Gedeputeerde Staten gelegd en is bepaald dat Gedeputeerde Staten overleg voeren met het dagelijks bestuur van de beheerder alvorens zij een dergelijk besluit nemen.

Titel 2.2 Waterkwantiteit

Normen waterkwantiteit

Artikel 2.3 Normen waterkwantiteit Algemeen Op grond van artikel 2.8 van de wet moeten bij provinciale verordening met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, normen worden gesteld met betrekking tot de gemiddelde overstromingskans per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. In deze titel wordt daarin voorzien.

Voor verschillende te onderscheiden gebieden worden normen gegeven waarbij de kans op overstroming als gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De normen drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De normering bakent de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag. Zij geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2003 zijn werknormen opgenomen die voor de verschillende vormen van landgebruik de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik die daarbij worden onderscheiden zijn grasland, akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. Deze werknormen zijn uitgangspunt geweest bij het bepalen van het beschermingsniveau voor de verschillende te onderscheiden delen van het waterschapsgebied. Hierbij wordt nog opgemerkt dat bij de NBW-werknormen het zogenaamde maaiveldcriterium geldt. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied (op perceelsniveau bezien) niet aan die norm behoeft te voldoen. Voor grasland is dat 5%, voor akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw en glastuinbouw is dat 1% en voor bebouwd gebied 0%. De maatregelen die nodig zijn om de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in deze verordening vastgelegde norm te laten voldoen, neemt de beheerder op in het beheerplan, bedoeld in artikel 4.6 van de wet.

Eerste en tweede lid Binnen het gebied van het waterschap is een aantal gebieden met de daarbij behorende normen onderscheiden. Wat betreft het gebied binnen de bebouwde kom (is geregeld in het eerste lid) is onderscheid gemaakt tussen:

  • a het gebied dat in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, provinciaal of rijksinpassingsplan) is 

       bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen waarvoor de 

       hoogste norm van 1/100 per jaar geldt, en

  • b overig gebied, zoals openbaar groen, sportvelden, lokale infrastructuur en parkeerterreinen, 

        waarvoor de ‘graslandnorm’ van 1/10 per jaar geldt.

Wat betreft het gebied buiten de bebouwde kom (is geregeld in het tweede lid) is onderscheid gemaakt tussen:

  • c natuurgebied waarvoor geen norm geldt;

  • d overig gebied waarvoor de ‘graslandnorm’ van 1/10 per jaar geldt.

Aan deze indeling liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

Derde lid De in dit artikel neergelegde normen waterkwantiteit zijn nieuw. Het is van belang dat voor de burger duidelijk is welke norm waar geldt. Niet uitgesloten kan worden dat hieromtrent in de praktijk toch nog vragen rijzen. Met het oog op de gewenste duidelijkheid is daarom in dit lid aan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geboden omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid nadere regels te stellen.

Vierde lid Om te bereiken dat de toetsing van het actuele beschermingsniveau door de verschillende waterschappen op uniforme wijze tot stand komt, is in dit lid voorgeschreven dat Gedeputeerde Staten daarvoor een technische leidraad vaststellen. Deze strekt de beheerder tot aanbeveling. Daarmee wordt dat bestuur een bepaalde ruimte gelaten om bijvoorbeeld wat betreft toe te passen rekenmethodieken gemotiveerd af te wijken. Ook de beschikbaarheid van gegevens kan daarvoor een reden zijn. 

Vijfde lid De in dit lid opgenomen datum sluit aan bij de in het in 2008 geactualiseerde NBW (NBWactueel) vastgelegde afspraak dat de regionale watersystemen in 2015 op orde zijn. In het NBWactueel zijn enkele uitzonderingssituaties benoemd wat betreft het tijdstip-op-orde. Dat betreft bestaand stedelijk gebied waar geen sprake is van een urgente wateropgave. Voor dergelijk gebied geldt dat de opgave uiterlijk in de periode tot en met 2027 wordt uitgevoerd door gemeente en waterschap. Eenzelfde termijn geldt voor maatregelen die veel goedkoper kunnen worden uitgevoerd door ze op een later tijdstip dan 2015 te koppelen aan andere projecten. Deze situaties doen zich in het beheersgebied evenwel niet voor. Bij het op orde zijn in 2015 moet overeenkomstig de tekst van het NBW-actueel worden uitgegaan van het ‘middenklimaatscenario 2050’ daterende uit  2000, hetgeen qua opgave overeenkomt met het KNMI’06 klimaatscenario. Het waterschap heeft het watersysteem volgens dit scenario getoetst. 

Tot slot wordt opgemerkt dat drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening wordt bekeken of het normeringssysteem aanpassing behoeft. Deze eventuele aanpassing is dan voldoende tijdig om mee te kunnen worden genomen bij de eerste toetsingsronde. Mocht uit nadere onderzoeken van het waterschap blijken dat er gebieden zijn waarvoor het om goede redenen niet mogelijk is om aan de norm te voldoen, dan kan dit in de aanpassing worden meegenomen.  

Titel 2.3 Meten en beoordelen  

Artikel 2.4 Verslag toetsing watersysteem Uit artikel 2.14 van de wet volgt dat bij of krachtens provinciale verordening, regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het periodiek door de beheerder meten van daarbij aan te geven grootheden en het aan de hand van de meetresultaten beoordelen van de mate van verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde normen met betrekking tot de waterkering en de waterkwantiteit. Het is gelet op de Memorie van Toelichting bij artikel 2.14 van de wet gewenst dat de beheerder de vinger “aan de pols van het watersysteem houdt” en periodiek nagaat in hoeverre de normen verwezenlijkt zijn. 

De resultaten van de beoordeling van het watersysteem en de bevindingen bij de beoordeling worden door de beheerder vervat in een verslag, dat wordt toegezonden aan Gedeputeerde Staten. Het verslag heeft een ander karakter en wordt met een andere frequentie opgesteld dan de algemene voortgangsrapportage bedoeld in artikel 3.4. Om die reden maakt het verslag als bedoeld in artikel 2.4 geen onderdeel uit van de algemene voortgangsrapportage. De beheerder draagt zorg voor de periodieke beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de veiligheid van de regionale waterkering respectievelijk het tegengaan van wateroverlast. De beheerder rapporteert de uitkomsten van deze beoordeling periodiek aan Gedeputeerde Staten, zodat Gedeputeerde Staten kunnen nagaan of aan de normen is voldaan. Hierbij zij opgemerkt (zie ook de toelichting bij artikel 2.2, tweede en derde lid) dat deze beoordeling voor de regionale waterkeringen waarvoor het huidig profiel de norm is, slechts hoeft aan te tonen dat de huidige situatie is gehandhaafd door middel van een goed gedocumenteerd handhavingsdossier.

Artikel 2.5 Regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht In artikel 2.9, tweede lid, van de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening voor de regionale wateren de rangorde kan worden bepaald van de maatschappelijke en ecologische behoeften bij watertekorten. In dit artikel wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod van water. Hierbij gaat het om de beschikbaarheid van voldoende water van de kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het beheer van het regionale watersysteem is er, onder andere, op gericht alle watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te voorzien. In tijden van watertekort is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over welke behoeften in een situatie van watertekort voorgaan boven de anderen en draagt bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van watertekorten.

In artikel 2.1 van het Waterbesluit is de landelijke verdringingsreeks vastgelegd. De landelijke verdringingsreeks bepaalt hoe het beschikbare water in de door het Rijk beheerde wateren wordt verdeeld in tijden van watertekort. De reeks is daardoor van toepassing in alle rijkswateren. In de landelijke verdringingsreeks zijn de watergebruikers ingedeeld in 4 categorieën. Binnen de categorieën 1 en 2 is sprake van een door het Rijk vastgestelde prioriteitsvolgorde. Deze is bindend. Daarnaast is er een groot aantalgebieden waar het oppervlaktewater niet door het Rijk wordt beheerd. Daarom is er binnen de categorieën 3 en 4 ruimte voor een regionale prioritering op basis van minimalisatie van de maatschappelijke en ecologische schade. Dat kan in principe betekenen dat elke partij of regio binnen categorieën 3 en 4 anders prioriteert. Hierover heeft echter afstemming plaatsgevonden tussen de betrokken partijen.

In opdracht van de Coördinatiecommissie Twenthekanalen/Overijsselsche Vecht is in 2010 onderzoek verricht naar prioritering van de watervraag in het aanvoergebied van de Twentekanalen en de Overijsselse Vecht. Het advies van de Coördinatiecommissie is verwerkt in het Waterakkoord Twenthekanalen/Overijsselsche Vecht, dat de basis vormt voor de verdringingsreeks voor de aanvoer naar dit watersysteem. Op basis van dit Waterakkoord hebben de provincies Drenthe en Overijssel de verdringingsreeks voor onttrekkingen uit het systeem Twentekanalen/Overijsselse Vecht vastgelegd in de omgevingsverordening. Nu wordt dit op dezelfde wijze in Gelderland en Overijssel vastgelegd in de Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel.

De regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht heeft betrekking op onttrekkingen uit de Twentekanalen, de Overijsselse Vecht en andere wateren die gevoed worden vanuit het gemaal Eefde. Er zijn een paar gebieden die rechtstreeks water inlaten vanuit het systeem Twentekanalen-Overijsselse Vecht. Verder wordt water bij de Stieltjeskanaalsluis doorgevoerd. Hier mengt het zich met water vanuit de aanvoerroute IJsselmeergebied. Op dat moment is de verdringingsreeks IJsselmeergebied van toepassing, omdat deze aanvoerroute het grootst is en zeer waarschijnlijk het langste door gaat.

Artikel 2.5, eerste lid, onder a en bIn voorkomende gevallen wordt eerst op doorspoeling gekort (zie lid b). Omdat dit kan leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit wordt de bruikbaarheid van dit water voor procesdoeleinden of gietwater overgelaten aan de gebruikers. Pas wanneer door de toename van droogteknelpunten een verdere prioritering van de watervraag nodig is, worden onttrekkingen voor procesdoeleinden verboden.

Artikel 2.5, eerste lid, onder cHet gaat hier om akker- en tuinbouwgewassen als met relatief kleine hoeveelheden water relatief grote sociaaleconomische gevolgen zoals faillissementen te voorkomen zijn. Kan structureel van toepassing zijn of er kan in voorkomende gevallen incidenteel gebruik van worden gemaakt.

Artikel 2.5, tweede lid, onder aAlgen en botulisme in zowel stedelijke als landelijke wateren worden veelal als overlast ervaren. De bestrijding hiervan middels doorspoeling valt onder de subcategorie genoemd in artikel 2.5, tweede lid, onder f. Alleen als de volksgezondheid in het geding is, heeft de doorspoeling binnen deze categorie de hoogste prioriteit.

Artikel 2.5, tweede lid, onder bOp de Twentekanalen kan de functie scheepvaart een aanzienlijke hoeveelheid water vragen. Het kan dus voorkomen dat ook deze categorie gekort moet worden om aan de behoeften van andere meer zwaarwegende functies te kunnen voldoen.

Artikel 2.5, tweede lid, onder c Het gaat hierbij om beregening van alle akker- en tuinbouwgewassen, inclusief bloembollen, maar exclusief gras en maïs. Ook sportvelden, greens en dergelijke vallen in deze categorie.

Artikel 2.5, tweede lid, onder dVoor het beperken van de beregening van gras en maïs in een vroeg stadium is gekozen vanwege de lage rentabiliteit van deze beregening.

Artikel 2.5, tweede lid, onder eBij het opleggen van beperkingen komt eerst de peilhandhaving voor niet kwetsbare natuur te vervallen.

Artikel 2.5, tweede lid, onder fHet gaat hierbij om het voldoen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Tijdelijk kan daar niet aan worden voldaan. Hierbij moet ook gedacht worden aan de tijdelijke stopzetting van de lokstroom bij vistrappen. Alleen voor soorten die in de betreffende periode trekken heeft dat een tijdelijk effect op de visintrek. Van een onomkeerbaar effect is geen sprake.

Hoofdstuk 3 Beheerplannen

Algemeen De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het beheerplan en de voortgangsrapportage. De bestaande planstructuur van de Wet op de waterhuishouding is grotendeels overgenomen in de wet. Provinciale Staten stellen het regionaal waterplan vast. De waterschappen houden hier rekening mee bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt ingebed in het breder afgewogen regionaal waterplan.

Artikel 3.1 Inhoud Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. Het beheerplan gaat ook in op het Gewenste Grondwater- en Oppervlaktewaterregime (GGOR). Dat betekent dat het in beheerplan de resultaten van het GGOR worden opgenomen conform de afspraken uit het NBW-Actueel. In het NBW-Actueel is ook opgenomen dat het gaat om de GGOR voor het buitengebied. De hiervoor genoemde resultaten van het GGOR dienen verschillende doelen. Het biedt een beleidskader voor wateraanvoer en gebieden met een geringe drooglegging en gaat in op de belangrijkste knelpunten in functies. Daarnaast vormt het een toetsingskader voor onder andere (uitvoerings)besluiten die door het waterschap worden genomen zoals peilbesluiten en vergunningen voor drainage en grondwateronttrekkingen. Gedeputeerde Staten van Gelderland geven de volgende inhoudelijke uitwerking aan het opnemen van de resultaten van het GGOR in het beheerplan. Vóór eind 2010 moet via een partiële herziening het volgende in het beheerplan worden opgenomen:

  • - een gedetailleerde GGOR voor de Gelderse TOP-lijst gebieden die vóór 2014 moeten zijn

      uitgevoerd.

  • - een GGOR, die minimaal gelijk is aan AGOR (actueel grond- en oppervlaktewaterregime) voor alle 

      overige Gelderse gebieden.

     

Artikel 3.2 Voorbereiding Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van het beheerplan. Het derde lid is opgenomen voor een herziening die ziet op een onderdeel van het beheersgebied van het waterschap. Dit kan bijvoorbeeld bij een GGOR aan de orde zijn.

Artikel 3.3. Goedkeuring Het waterschap stuurt, als bijlage, mee het goed te keuren beheerplan en de in het artikel genoemde bijlagen. Deze zijn geen onderdeel van het beheerplan. Gedeputeerde Staten gebruiken de bijlagen bij de beoordeling van het plan en bij het beantwoorden van de vraag of het beheerplan is voorbereid en vastgesteld volgens de daarvoor geldende procedure. De mogelijkheid van een herziening van beperkte strekking en goedkeuring daarvan door de provincie waar de herziening plaatsvindt, kan bijvoorbeeld worden ingezet voor aanpassingen in het kader van de GGOR’s. De GGOR’s kunnen dan stapsgewijs aan het beheerplan worden toegevoegd. Voor wat betreft de goedkeuring van een gehele herziening van het beheerplan is Gedeputeerde Staten van Gelderland bevoegd. Hierbij wordt in voorkomende gevallen (ambtelijk) advies gevraagd aan de provincie Overijssel.

Artikel 3.4 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan In artikel 3.10 van de wet is bepaald dat bij provinciale verordening met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer regels kunnen worden gesteld omtrent de door de besturen van waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen uitoefenen van toezicht is het van belang dat Gedeputeerde Staten over adequate en voldoende actuele informatie beschikken.

In dit artikel is geregeld dat de beheerder, ten minste eenmaal per jaar, aan Gedeputeerde Staten rapporteert over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt. Deze voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie en het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de afspraken die het IPO en de Unie van Waterschappen hebben neergelegd in de rapportage "Afstemming van taken in het regionale waterbeheer" (2005). Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming (met ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het toezicht op de uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een afstemming van taken op basis van partnerschap en complementariteit.

In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen betreffende het regionaal waterbeheer, het regionaal waterplan en het waterbeheerplan aan de orde worden gesteld. Ook de wijze waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen hiervan deel uitmaken.

In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent kan onder meer worden ingegaan op de aspecten en planonderdelen, genoemd in artikel 4.6 van de wet en hetgeen daaromtrent is bepaald in het Waterbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van de uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde financiële middelen, de gekwantificeerde opgaven en de condities (zoals de mogelijkheden voor de ruimtelijke inpassing van waterhuishoudkundige voorzieningen, het draagvlak bij belanghebbenden, de acceptatie van de financiële gevolgen die nodig zijn om de strategische doelen te kunnen realiseren en overige, voor de realisatie, relevante omstandigheden).

Bij de rapportage en het bepalen van de prioriteiten kan een relatie worden gelegd met het verslag inzake de beoordeling van het watersysteem, bedoeld in artikel 2.4. Op basis van het verslag en het periodiek overleg ziet de provincie erop toe dat de gestelde strategische doelen worden bereikt. In voorkomende gevallen, wanneer blijkt dat de strategische doelen niet worden bereikt, kunnen specifieke nadere afspraken worden gemaakt. Indien nodig kan, na voorafgaand overleg, het toepassen van instrumenten om te kunnen bijsturen worden overwogen. Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerkenTitel 4.1. LeggerAlgemeen In artikel 5.1 van de wet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een  legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en  constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de wet is bepaald welke beheersobjecten onder  waterstaatswerken zijn begrepen. De wet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel  uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones worden aangegeven  op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de wet: aan een  waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen  kunnen gelden. In de wet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke  herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere  voorschriften kunnen worden gegeven. In deze titel wordt dit onderwerp nader uitgewerkt.Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor  de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire en regionale waterkeringen of ondersteunende  kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke  besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd. De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de  waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbods- en  beheerbepalingen ingevolge de wet of de waterschapskeur (de werkingssfeer voor het vereiste  van vergunningen of ontheffingen). De legger op grond van de wet moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel  78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkering (en ondersteunende  kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm, de technische leidraad en de voorschriften,  bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening. Met behulp van situatietekeningen en dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van  de (primaire en regionale) waterkering en de daaraan grenzende beschermingszones zijn. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden  zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in artikel 2.2 van  deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren  moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast). Het opstellen van deze legger is mede van belang gelet op de uit het NBW voor de beheerder  voortvloeiende verplichting om de regionale watersystemen te toetsen in samenhang met het  GGOR. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de  bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven  afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen  en daaraan grenzende beschermingszones zijn.

Artikel 4.2 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de waterbeheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. De legger is van belang voor de toetsing van de watersystemen aan de werknormen voortvloeiend uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Gelet op de discussies over veiligheid, wateroverlast, schaderegelingen en kostenverdeling is het van groot belang dat de toetsing van de watersystemen, voor wat betreft de waterafvoerende functie, op een goede manier uitgevoerd kan worden. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger bepalend voor het toepassingsbereik van de waterschapskeur. De legger en de keurvormen samen het instrumentarium waarmee het waterschap handelingen kan tegengaan die nadeligkunnen zijn voor het functioneren van waterstaatswerken.

In het derde lid van artikel 5.1 van de Waterwet is een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen ten aanzien van het vermelden van de ligging, vorm, afmeting of constructie van waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn. In dit artikel wordt van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik gemaakt voor oppervlaktewaterlichamen met een geringe afvoer en delen van oppervlaktewaterlichamen welke aanzienlijk breder zijn dan noodzakelijk voor de waterafvoerende functie.

Deze leggerplicht en vrijstellingsmogelijkheid op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de leggerplicht zoals bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, te weten een register van onderhoudsverplichtingen en onderhoudsplichtigen. In de praktijk worden de legger als normatieve staat van werken en de onderhoudslegger veelal gecombineerd tot één legger. In dat verband wordt op deze plaats expliciet opgemerkt dat de in dit artikel verleende vrijstellingsmogelijkheid enkel is ingegeven vanuit het (ondergeschikte) belang van genoemde waterstaatswerken voor wat betreft de waterafvoerende functie gelet op de normen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Dat betekent dat waterstaatswerken die op basis hiervan worden vrijgesteld van de leggerplicht op grond van de Waterwet, nog steeds in de (onderhouds)legger kunnen of moeten worden opgenomen indien zulks noodzakelijk wordt geacht vanuit onderhoudsoverwegingen, bijvoorbeeld bij wateren van het hoogst ecologischeniveau.

Oppervlaktewaterlichamen met geringe afvoer Op de hierboven reeds aangehaalde (onderhouds-)legger van de waterschappen op grond van de Waterschapswet, worden in principe de regionale wateren van overwegend belang opgenomen. Waterschap Rijn en IJssel hanteert als indicatie voor plaatsing van een watergang op de legger een maatgevende afvoer van rond de 20 liter per seconde of meer. Het komt in de praktijk voor dat de werkelijke afvoer iets hoger ligt (tot 25 liter per seconde) of lager ligt (tot 5 liter per seconde). Dat komt omdat het waterschap kiest voor een praktische grens, bijvoorbeeld bij een kruising met een weg. Er kan ook sprake zijn van een overwegend belang om een andere reden dan de afvoer of van een historisch gegroeide situatie. Als de maatgevende afvoer van het oppervlaktewaterlichaam kleiner is dan 25 liter per seconde en het oppervlaktelichaam niet van overwegend belang is voor de aan- en afvoer van water en waterberging, dan is dat voldoende reden om het oppervlaktelichaam vrij te stellen van de leggerplicht op grond van de Waterwet, gelet op de ondergeschikte waterafvoerende functie en de normen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water.

Delen van oppervlaktewaterlichamen aanzienlijk breder dan noodzakelijk voor de waterafvoerende functie Indien oppervlaktewaterlichamen vanwege hun natuur- of landschapsfunctie aanzienlijk breder zijn dan noodzakelijk voor hun waterafvoerende functie lenen zij zich niet voor het vastleggen van een theoretisch dwarsprofiel. Bovendien ligt het vaak in het karakter van dergelijke oppervlaktewaterlichamen dat het profiel juist moet kunnen veranderen door natuurlijke processen. Om deze reden worden plassen, meren, vijvers, oude rivierstrangen en natuurvriendelijk ingerichte en meanderende wateren vrijgesteld van de leggerplicht, voor wat betreft de vorm, afmeting en constructie. De ligging van deze waterstaatswerken blijft wel van belang en derhalve wordt hiervoor geen vrijstelling van de leggerplicht verleend.Artikel 4.3 Tijdelijke vrijstelling leggerplicht waterkeringen Artikel 2.14 van de Invoeringswet behorende bij de wet biedt de mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat de legger voor een daarbij te bepalen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen. In deze verordening is daarvan gebruik gemaakt in artikel 4.3.Artikel 4.4 Procedure De gegevens in de legger zijn mede van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van verbods- en beheerbepalingen ingevolge de wet of de waterschapskeur (de werkingssfeer voor het vereiste van vergunningen of ontheffingen). Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger, de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gevolgd. Deze procedure is echter alleen voorgeschreven voor de situatie dat de legger niet wordt gecombineerd met de onderhoudslegger, bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Wanneer sprake is van een gecombineerde legger gelden de in artikel 79 van de Waterschapswet opgenomen bepalingen voor de totstandkoming van de onderhoudslegger. Titel 4.2 PeilbesluitenAlgemeen Op grond van artikel 5.2 van de wet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In deze titel is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit geeft aan de ingezetenen van het waterschap die verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting, droge kruipruimte) aan welk peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan waar hij of zij het gebruik op kan instellen. De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening opgelegd voor die oppervlaktewateren waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende oppervlaktewateren dan wel gebieden zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart. Deze kaart kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald. Als er geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren.

Artikel 4.6 Inhoud peilbesluit In artikel 4.6 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit ten minste bevat. In verband met de wisselvalligheid van weeromstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen behoefte aan een flexibel  peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de wet voorziet er daarom in dat peilbesluiten door toepassing van bandbreedten flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het jaar worden aangehouden. Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te geven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewaterregime.Artikel 4.8 Herziening Een peilbesluit dient ten minste eenmaal in de tien jaar te worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het peilbesluit is bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht. Verlenging van deze termijn is voor ten hoogste vijf jaren mogelijk.Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken De wet geeft voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormingsprocedures bespoedigd en vereenvoudigd. De wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen maar geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling ook open te stellen voor andere projecten. Het gaat om projecten die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze alleen kunnen worden gerealiseerd door het gebruiken van de projectprocedure. In titel 4.3 is aangegeven voor welke projecten de projectprocedure ook kan worden ingezet. Er is ten behoeve van de flexibiliteit van de besluitvorming voor gekozen de inzet van de projectprocedure neer te leggen bij  Gedeputeerde Staten. Dat biedt het voordeel dat per project door het waterschap kan worden overwogen of de inzet van de projectprocedure voordelen oplevert. Daartoe kan het dagelijks bestuur van het waterschap een verzoek indienen. Ten behoeve van de transparantie is er voor gekozen om in de verordening de projecten te benoemen die onder de projectprocedure kunnen worden gebracht. De projectprocedure heeft immers belangrijke gevolgen. Er komt een goedkeuringsprocedure en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen Gedeputeerde Staten, indien nodig, in de plaats treden van mede-overheden. Overigens is in de wet een nadere clausulering opgenomen. Alleen werken van bovenlokale betekenis die met spoed tot stand moeten worden gebracht kunnen door middel van de projectprocedure worden gerealiseerd. Gelet op deze clausule is in de verordening de mogelijkheid om Gedeputeerde Staten de projectprocedure van toepassing te laten verklaren beperkt tot regionale waterkeringen (zie bijlage 1) en waterbergingsgebieden. Hoofdstuk 5 GrondwaterAlgemeen In lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de wet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien.

De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De wet maakt hierop één uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft grondwateronttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten. Grondwateronttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De wet laat de waterschappen de mogelijkheid een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering hiervan te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet. Van deze mogelijkheid is in deze verordening, met uitzondering van een instructiebepaling ten behoeve van het grondwaterregister, geen gebruik gemaakt. De waterschappen zijn derhalve bevoegd om zelf te bepalen welke onttrekkingen en infiltraties vergunningplichtig zijn. Uit artikel 6.13 van de wet volgt dat de keuze om voor een bepaalde handeling een vergunning te eisen er automatisch toe leidt dat die handeling onder het regime van de watervergunning komt te vallen. Op deze wijze is verzekerd dat er voor handelingen in een watersysteem altijd slechts één vergunning vereist is, de watervergunning.Artikel 5.1 Verstrekken gegevens De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de wet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij de provincie conform bestuurlijke afspraken tussen het IPO en de Unie van Waterschappen. In overleg tussen het IPO en de Unie van Waterschappen wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk register. Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij Gedeputeerde Staten neer te leggen. De aangewezen bestuursorganen kunnen gezamenlijk besluiten een landelijk register in te richten en te vullen.Artikel 5.2 Melden, meten en registreren Dit artikel bepaalt dat het algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit biedt, niet kan toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 50.000 m³ per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 50.000 m³. Door middel van dit artikellid wordt de vrijstellingsmogelijkheid van het waterschap beperkt. Een registratieplicht voor alle onttrekkingen (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan 50.000 m³ van de registratieplicht kan uitzonderen. Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen aan Gedeputeerde Staten. Artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit bepaalt dat degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet of een verordening van het waterschap, dit bij het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling. Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister (artikel 5.1) en is opgenomen vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is belangrijk, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningen) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar register heeft met name waarde indien de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen.Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingenArtikel 6.2 Overgangsrecht Op grond van dit artikel blijven besluiten die zijn gebaseerd op de in artikel 6.1 genoemde verordeningen van kracht.Artikel 6.3 Door middel van de Invoeringswet Waterwet is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de Waterwet. In verband daarmee zullen de artikelen van de Waterwet hernummerd worden. Ook wat betreft het Waterbesluit en de Waterregeling zal er naar verwachting nog een hernummering van artikelen plaatsvinden. Het is wenselijk dat de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering in overeenstemming worden gebracht. Dit artikel voorziet er in dat Gedeputeerde Staten de desbetreffende aanhalingen aanpassen voor plaatsing van de verordening in het Provinciaal Blad. Omdat gedurende de besluitvormingsprocedure een enkel artikel kan worden ingevoegd dan wel vervallen kan zijn, voorziet dit artikel er op  overeenkomstige wijze in dat de in het Provinciaal Blad te plaatsen tekst van de verordening een doorlopende nummering krijgt.