Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR768343
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR768343/1
Geldend van 26-10-2026 t/m heden
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Dit programma is een programma zoals bedoeld in artikel 3.5 Omgevingswet en geldt voor het buitengebied van gemeente West Maas en Waal.
De aanleiding hiervoor is de omgevingsvisie van de gemeenteraad. Deze visie bevat een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. Daarnaast zijn de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de fysieke leefomgeving opgenomen. Daarmee geeft de gemeenteraad richting aan de opgaven, koers en ambities voor de gemeente.
Dit programma werkt het integrale beleid van de omgevingsvisie uit voor het buitengebied.
1.2 Inhoud/ karakter
Vrijwillig en gebiedsgericht programma
Het programma Vitaal Platteland is een vrijwillig en gebiedsgericht programma. Een vrijwillig programma bevat:
-
Uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving.
-
Maatregelen om te voldoen aan vastgestelde omgevingswaarden.[1]
-
Maatregelen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.
Het programma is zelfbindend. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders, dat het programma vaststelt, zichzelf daar zoveel mogelijk aan houdt. Het programma werkt daarmee als een beleidsregel in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB). Om discussies en interpretatiegeschillen te voorkomen, wordt in dit programma expliciet aangegeven wat het college als beleidsregel hanteert.
Doel van dit programma
Het doel van dit programma is ervoor te zorgen dat het college van burgemeester en wethouders en andere partijen, ieder afzonderlijk of gezamenlijk, aan de slag gaan om de opgaven en ambities voor het buitengebied uit de omgevingsvisie uit te voeren.
Wat is het buitengebied?
Dit programma Vitaal Platteland richt zich op het buitengebied. Het buitengebied is het gebied buiten de dorpen en de recreatiegebieden.
[1] In het tijdelijke omgevingsplan dat in werking trad per 1 januari 2024 zijn geen omgevingswaarden opgenomen. Bij het voorbereiden van het nieuwe omgevingsplan dat per 1 januari 2032 zal gaan gelden, wordt bekeken of er aanleiding is dat wel te doen. Omgevingswaarden zijn regels die de kwaliteit van de leefomgeving regelen.
1.3 Juridisch-politieke context
Relatie met de omgevingsvisie
Het programma werkt het integrale beleid in hoofdzaken van de omgevingsvisie uit voor
het buitengebied.
Relatie met het omgevingsplan
Dit programma vormt de verbindende schakel tussen de omgevingsvisie en de regels in
het omgevingsplan voor het buitengebied. Momenteel geldt een tijdelijk omgevingsplan,
waarin oude regelingen zijn opgenomen. Uiterlijk per 1 januari 2032 moet er een nieuw
omgevingsplan zijn vastgesteld, waarin voor zover nodig de beleidsdoelen uit de omgevingsvisie
van de gemeenteraad en de programma’s van het college een juridische vertaling hebben
gekregen.

Het nieuwe omgevingsplan bevat dan:
• Indien gewenst: omgevingswaarden, die alleen bindend zijn voor het gemeentebestuur;
• in ieder geval de functies die aan locaties worden toegekend, die bindend zijn voor
iedereen, inclusief de overheid;
• en eventueel beoordelingsregels voor activiteiten die bindend zijn voor degenen
die de activiteiten willen verrichten.
Daarmee bevat het toekomstige omgevingsplan alle gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving.
Relatie met ander beleid
Gelijktijdig met de ontwikkeling van dit programma werkt de gemeente ook aan ander
beleid aan en de uitvoering van beleid. Voorbeelden hiervan zijn het Actieplan internationale
werknemers, het Biodiversiteitsplan, het Uitvoeringsprogramma klimaatbestendig West
Maas en Waal en de visie (vrijetijds)economie. Zoveel mogelijk is dit programma afgestemd
op de inhoud van die andere beleidsstukken en omgekeerd. Zo sluit het beleid goed
op elkaar aan. Sommige maatregelen die we in dit programma voorstellen, kunnen ook
onder ander beleid worden opgepakt.
Bijstelling
Het kan zijn dat de totstandkoming van dit programma of de evaluatie ervan aanleiding
geeft om de omgevingsvisie, het omgevingsplan of ander beleid te wijzigen. Dat wordt
in dit programma dan als maatregelen vermeld.
1.4 Status
De gemeente heeft de ambitie om initiatieven en ontwikkelingen vanuit een integrale benadering tot stand te laten komen, met aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het gebied.
Hiervoor wil het college dit programma in de toekomst verder uitbreiden met kwaliteiten, beleidsregels en maatregelen voor ontwikkeling. Daardoor is dit programma een groeidocument met een dynamisch karakter. Het is met de vaststelling niet klaar, maar wordt – eventueel na evaluatie na een bepaalde termijn – steeds aangevuld en bijgesteld.
Tijdens het opstellen van dit programma hebben beleidsmedewerkers van verschillende thema’s meegedacht. Daarnaast is er een participatieproces doorlopen met agrarische ondernemers en belangenvertegenwoordigers. Het programma werkt daarmee als een gebiedsplan, dat samen met stakeholders, zoals agrariërs, het waterschap, de provincie en de gemeente, wordt vormgegeven. Door later een uitwerking van de verschillende gebiedstypen op te nemen, kan onderzocht en bepaald worden waar deze stapelingen op welke manieren mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Het beschrijft welke deelgebieden in het buitengebied kansen hebben voor landbouw, natuur, landschap, water en klimaatadaptatie in samenhang met elkaar.
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk worden de leidende principes besproken. Dit geeft duidelijkheid
over hoe het college wil sturen op het halen van de beleidsdoelen (sturingsfilosofie).
We geven daarbij aan in hoeverre het college een actieve rol voor zichzelf weggelegd
ziet en waar een meer faciliterende of afwachtende rol wordt gekozen.
In hoofdstuk 3 is een analyse opgenomen van het gebied. Hieraan zijn waardeoordelen
gekoppeld, die aanduiden welke kwaliteiten we willen behouden en voor welke kwaliteiten
ingezet wordt op verbetering.
In hoofdstuk 4 zijn de beleidsdoelen opgenomen, die leidend waren en kader stellend
voor het beleid dat in dit programma is opgenomen.
Hoofdstuk 5 bevat de beleidsuitwerking (gebiedsvisie) met de koppelkansen die gezien
worden met ander gemeentelijk beleid.
Hoofdstuk 6 bevat de maatregelen om beleidsdoelen te realiseren. Er zijn verschillende
typen maatregelen opgenomen, namelijk:
1. Publiekrechtelijke besluiten
2. Andere maatregelen dan publiekrechtelijke besluiten
3. Privaatrechtelijke besluiten
4. Feitelijke handelingen
5. Beschikbaar stellen van financiële middelen
6. Inzet van ambtenaren in het kader van samenwerking
7. Inzet van communicatie- en informatie-instrumenten en andere bijdragen aan kennisdeling
en monitoring
8. Signaleren en agenderen van thema’s en vraagstukken.
Per maatregel is beschreven hoe dit bijdraagt aan de ambities en welke rol het college hierbij kiest. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de beleidsregels die we willen hanteren bij het toepassen van de eigen taken en bevoegdheden. Hoofdstuk 8 gaat over het evalueren van dit programma.
2 Leidende principes
2.1 Sturingsfilosofie
De Omgevingswet streeft een grote verandering na:[2]
Van:
de bescherming van de fysieke leefomgeving via een werende benadering van activiteiten.
Naar:
een beleidscyclus, waarin:
-
de continue zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving centraal staat;
-
en ruimte bestaat voor ontwikkeling van activiteiten.
Gemeentebestuurders en ambtenaren hebben de verantwoordelijkheid om de ‘balans tussen beschermen en benutten’ te realiseren. De Omgevingswet gaat er daarbij vanuit dat niet alleen de overheid verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, maar dat dit ook geldt voor de samenleving (bedrijven en andere gebruikers).
Er zijn allerlei factoren bepalend voor de vraag of we zelf de beleidsdoelen kunnen realiseren. Het college heeft namelijk niet over alles zeggenschap.
Denk bijvoorbeeld aan de beschikbaarheid van voldoende capaciteit voor de uitvoering: in hoeverre er mensen beschikbaar zijn voor de uitvoering wordt mede bepaald door de huidige arbeidsmarkt. Of er financiële middelen zijn en hoeveel is aan de gemeenteraad om over te beslissen. Ook kunnen er eigendomsverhoudingen en andere rechten zijn die het actief oppakken van het realiseren van een beleidsdoel of maatregel kunnen bemoeilijken of zelfs belemmeren. Per maatregel kan dit verschillen. Daarom is in dit programma bij iedere maatregel opgenomen in hoeverre het college een actieve rol pakt en in hoeverre het college het realiseren van de doelen aan de samenleving overlaat. In het laatste geval gaat het dan om de vraag hoe we willen omgaan met initiatieven vanuit de samenleving. Ook hier zit een verandering vanuit de doelen van de Omgevingswet: initiatieven die bijdragen aan de beleidsdoelen moeten kunnen rekenen op een positieve beoordeling (van ‘nee tenzij’ naar ‘ja, mits’).
Per beleidsuitwerking is aangeven welke sturingsfilosofie daarbij hoort: zelf uitvoeren, stimuleren, faciliteren of reguleren en daarmee ook of de rol van het college een (meer) actieve of (meer) passieve rol inhoudt. Indien de omstandigheden of de politieke prioriteiten op een bepaald moment veranderen, bijvoorbeeld omdat er een nieuw college aantreedt na verkiezingen of omdat de gemeenteraad het budgetrecht anders inzet, kan op vrij eenvoudige wijze het programma worden aangepast door de nieuwe rol aan te duiden en in de maatregelen op te nemen hoe die nieuwe rol invulling krijgt. De sturingsfilosofie verbeelden we met een schuif waarop we aangeven waar we op inzetten, zie het voorbeeld hieronder.
Per beleidsuitwerking is aangeven welke sturingsfilosofie daarbij hoort: zelf uitvoeren, stimuleren, faciliteren of reguleren en daarmee ook of de rol van het college een (meer) actieve of (meer) passieve rol inhoudt. Indien de omstandigheden of de politieke prioriteiten op een bepaald moment veranderen, bijvoorbeeld omdat er een nieuw college aantreedt na verkiezingen of omdat de gemeenteraad het budgetrecht anders inzet, kan op vrij eenvoudige wijze het programma worden aangepast door de nieuwe rol aan te duiden en in de maatregelen op te nemen hoe die nieuwe rol invulling krijgt. De sturingsfilosofie verbeelden we met een schuif waarop we aangeven waar we op inzetten, zie het voorbeeld hieronder.

[2] In de Memorie van Toelichting wordt dit zelfs ‘paradigmawisseling’ genoemd, die voor de verschillende overheden een cultuuromslag inhoudt.
2.2 Samenwerking met andere partijen
Bij de uitvoering van de maatregelen kan de gemeente samenwerken met andere partijen. Bij de maatregelen wordt beschreven welke samenwerking we voor ogen hebben. Daarnaast wordt concreet beschreven of de gemeente of de samenwerkende partij de trekker is van de uitvoering van de maatregel.
3 Analyse
3.1 Beschrijving bestaande situatie
Een gebied heeft ruimtelijke kenmerken. Denk aan gebouwen, infrastructuur, landschapskwaliteiten, monumenten, bodemkwaliteit, waterstromen, luchtkwaliteit et cetera. Daarnaast zijn er mensen in het gebied actief, al dan niet bedrijfsmatig. Ze wonen er, ze werken er, ze recreëren er. Belangrijk is om te weten wie de gebruikers zijn, wat hun kenmerken zijn (leeftijdsopbouw, gezondheid, inkomensverhouding) en met name ook wat hun (maatschappelijke) behoeften zijn. In dit programma wordt dit beschreven in de vorm van een ruimtelijke kaart en een sociale kaart. Samen bepalen de kenmerken wat de huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving is en welke maatschappelijke behoeften er zijn.
Ruimtelijke kaart
Aan de hand van onderstaande thema’s lichtten we de ruimtelijke kenmerken van het
buitengebied van West Maas en Waal toe.
Landschap
De rivieren zijn vormend voor het landschap en de natuur in de gemeente. Er is tussen
de Maas en de Waal een rivierenlandschap ontstaan van uiterwaarden, oeverwallen en
komgronden. Ieder van deze verschillende gebieden heeft zijn eigen kenmerkende ontstaansgeschiedenis,
ontginning, landschapselementen en specifieke natuurwaarden. West Maas en Waal is
van oorsprong een sterk agrarische gemeente. Dit bepaalt ook het landschap. In de
gemeente zijn allerlei agrarische bedrijven vertegenwoordigd, waarvan bijna 70% veeteeltbedrijven
(inclusief toeleveranciers) betreft. Het merendeel van deze bedrijven bepaalt het
landschap van de komgrond. De overige 30% van de landbouw bestaat uit akkerbouw en
tuinbouw. Dat betekent dat in het landschap boomgaarden en kassen aanwezig zijn. Zij
bevinden zich hoofdzakelijk op de oeverwal.
Het buitengebied is op te delen in de komgronden, de oeverwallen en de uiterwaarden. Tussen de dorpen op de oeverwallen en de aangrenzende komgronden zijn overgangszones aangewezen. Ditzelfde is ook gedaan rondom de recreatiegebieden. Met de kaart in Figuur 2: Gebiedsindeling van het buitengebied geven we inzicht in de gebiedsindeling van het buitengebied.

Natuur
Het Groene Netwerk West Maas en Waal bestaat uit natuurgebieden en natuurverbindingen.
De natuurgebieden zijn onderdeel van het GNN, zoals natuurgebied De Meren, en Natura
2000, zoals delen van de uiterwaarden. Natuurverbindingen zijn bijvoorbeeld bermen,
water of bomenrijen. Vooral in de uiterwaarden en in natuurgebied De Meren zijn op
dit moment veel natuurwaarden aanwezig, met een relatief grote hoeveelheid rode-lijstsoorten.
In het landbouwgebied zijn weinig rode-lijstsoorten aanwezig en liggen de grootste
opgaven op het gebied van natuur en biodiversiteit. Dit komt onder andere doordat
er aanzienlijke hoeveelheden landschapsstructuren zijn verdwenen, zoals sloten en
laanstructuren, waardoor het landschap monotoner is geworden. Dit heeft negatieve
gevolgen voor zowel de biodiversiteit als de beleving van het landschap.
Water
De gemeente West Maas en Waal ligt ingeklemd tussen de rivieren Maas en Waal. Via
de Grote Wetering en het gemaal Quarles van Ufford watert de gemeente af op de Maas.
Het systeem zorgt voor berging en afvoer bij neerslag, maar ook voor aanvoer in perioden
van droogte.
Bebouwing
Door de afname van het aantal agrarische bedrijven zijn er voormalige agrarische bedrijfsgebouwen
ontstaan die geen agrarische functie meer hebben. In sommige gevallen zijn deze verloederd.
Erfgoed[3]
Het buitengebied kent veel karakteristieke boerderijstraten, historische beplantingsstructuren
en monumentale bebouwing. Stille getuigen van vroegere overstromingen en ingrepen
voor waterbeheersing zijn de binnendijkse wielen en (restanten van) oude stoomgemalen
en dijkhuisjes. Zij zijn karakteristiek voor het verhaal van een gemeente gelegen
tussen Maas en Waal.
Infrastructuur
De bestaande infrastructuur leidt soms tot problemen. Bij veel verkeer worden er bermen
stuk gereden met gevolgen voor de verkeersveiligheid. De (recreatieve) verkeersdruk
neemt bovendien toe door de ontwikkeling van onder andere de recreatieve poorten en
door de veranderende functies in het buitengebied.
De veren, maasveren en veer Wamel-Tiel, zijn van groot belang voor de leefbaarheid en bereikbaarheid in deze regio. Op dit moment zijn de veerdiensten in de gemeente van verschillende stichtingen en organisaties. Hierdoor loopt de communicatie naar gebruikers toe via verschillende kanalen.
Sociale kaart
De sociale kaart gaat over de maatschappelijke behoeften van de mensen die in het
buitengebied van West Maal en Waal verblijven. Hieronder lichten we deze verder toe
aan de hand van de verschillende functies en activiteiten.
West Maas en Waal is van oorsprong een sterk agrarische gemeente. Het buitengebied wordt derhalve bewoond door bewoners en gebruikers met affiniteit met de agrarische sector. Steeds vaker ontplooien zij nevenactiviteiten.
Daarnaast wonen er ook mensen die om andere redenen het buitengebied aantrekkelijk vinden, zoals voormalige agrariërs die ter plekke zijn blijven wonen, hobbyboeren en andere woonvormen.
Naast vaste bewoners in het buitengebied is er ook een groep tijdelijke bewoners,
namelijk internationale werknemers. Dit zijn personen die niet woonachtig zijn in
Nederland en die hier tijdelijk komen om te werken en verblijven. Zij hebben meestal
(nog) niet de intentie om zich hier permanent te vestigen.
Tenslotte is recreatie een belangrijke economische motor voor West Maas en Waal, waarbij
de recreatie aan de Maaszijde afgelopen decennia enorm is gegroeid. Het ruime aanbod
aan overnachtingsmogelijkheden, musea en de diverse faciliteiten voor waterrecreatie
zijn belangrijke trekkers in het gebied. Via het uitgebreide routenetwerk voor fietsers
en wandelaars in de gemeente, de dijken langs de Maas en struinroutes zijn de recreatiegebieden
en publiekstrekkers onderling en met de rest van de gemeente verbonden. Dit levert
gebruikers van het buitengebied op, die hier tijdelijk en recreatief verblijven, waardoor
zij andere maatschappelijke behoeften hebben dan de permanente of tijdelijke bewoners
van het gebied. De inwoners van West Maas en Waal geven aan zich op dit moment weinig
uitgenodigd te voelen om van de aanwezige recreatieve voorzieningen gebruik te maken.
Er is behoefte aan een goede verdeling van de recreatie over de gemeente en de seizoenen.
De diverse recreatieondernemingen, vooral rond de Gouden Ham, brengen veel bezoekers
naar het gebied. In de hoogseizoenen kan dit (verkeers) overlast tot gevolg hebben.
De gemeente kent een redelijk gemêleerde leeftijdsopbouw, maar de groepen jongeren zijn in de minderheid ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen. De meeste mensen zijn woonachtig in de kernen op de oeverwal, de komgebieden zijn relatief dunbevolkt. De afgelopen decennia is de populatie van de gemeente gestaag gestegen. West Maas en Waal heeft een aantrekkingskracht op woningzoekenden vanuit verschillende omliggende (stedelijke) agglomeraties. Er is een afwisseling aan woonmilieus met veel groen, ruimte en een relatief betaalbare woningvoorraad ten opzichte van omliggende steden als Utrecht, Den Bosch, Ede en Nijmegen. Dat is een kwaliteit, maar zorgt ook voor een toenemende druk op de woningmarkt vanuit die gebieden. Er is behoefte aan meer woningen voor diverse doelgroepen, maar in het bijzonder voor jongeren en ouderen.

[3] Erfgoed is een verzamelbegrip voor de sporen, gebouwen, patronen, beplanting, structuren en gebieden die de geschiedenis van de gemeente heeft achtergelaten in de leefomgeving.
3.2 Waardeoordeel
In dit hoofdstuk is de waardering opgenomen die we geven aan de kwaliteiten van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. Dat heeft de vorm van waardeoordelen.
Een waardeoordeel beschrijft wat het college vindt van de bestaande kwaliteiten. Het ‘waarderen’ geeft antwoord op de vraag: wat moet er behouden blijven en wat moet verbeteren?
Het doel hiervan is een duidelijk vertrekpunt vast te leggen voor het beleid. Dit sluit aan bij artikel 1.3 van de Omgevingswet. Het is belangrijk om de kwaliteiten niet alleen te benoemen, maar ook te waarderen, omdat meningen hierover kunnen verschillen. Tenslotte is het voor de verbeterdoelen uit de Omgevingswet, de verdere beleidscyclus en het later kunnen evalueren op effecten van belang om vooraf helder te hebben wat de uitgangspositie is.
Kwaliteiten van de leefomgeving
Landschap
De unieke kwaliteiten van de kom, oeverwallen en uiterwaarden zijn waardevol. Die
willen we behouden en versterken. Het landgebruik volgt op dit moment nog enigszins
de natuurlijke condities en dat is een goede uitgangspositie voor de toekomst.
Landschap & Natuur
Onze leefomgeving, ook het buitengebied, is zeer kwetsbaar voor perioden van weersextremen,
die steeds vaker voorkomen. We zien steeds vaker hevigere en/of langdurige neerslag
en kwelperioden voorkomen.
De komgronden liggen laag in het landschap en door de dikke kleilaag blijven deze
langer nat.
Langere perioden van droogte hebben als gevolg dat grote delen van het gebied niet
van water worden voorzien. Dit is goed te zien op de kaart in figuur 4.

Droogte geeft verschillende problemen. De waterzekerheid komt onder druk te staan. Verder heeft het invloed op de stabiliteit en inrichting van (natuurvriendelijke) oevers en naastgelegen wegen.
Er is dus aandacht en verbetering nodig voor de volgende aspecten:
-
Daar waar natte natuur aanwezig is moet worden voorkomen dat langdurige droogte leidt tot onherstelbare schade aan de natuurwaarden.
-
Ook heeft droogte een groot negatief effect op de vitaliteit van de bodem; zowel in opbouw als in kwaliteit. Steeds meer verzilt ons grondwater. Op termijn is dat een probleem, terwijl het nu nog relatief onzichtbare gevolgen heeft. Van belang is om grotere gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen.
-
Ook hitte levert steeds meer schade op aan ons buitengebied. Hoewel de kleigronden langer vocht vasthouden dan de zandgronden heeft ook de temperatuur en de zonintensiteit invloed op het gebied.
Het komgebied kent een zeer open, doch groen karakter. Bij (langdurige) perioden van extreme hitte, kan de zonintensiteit, hoge gevoelstemperaturen en het gebrek aan schaduw leiden tot overlast, schade en gezondheidsproblemen. De combinatie droogte en hitte heeft ook invloed op gewassen en graspercelen. Ook vee ondervindt hinder van hitte met een verminderde productie tot gevolg.
Voor meer biodiversiteit liggen de grootste verbeterkansen in het agrarisch gebied, door hier de ecologische verbindingen te versterken.
Erfgoed
Het ruilverkavelingsgebied in de kom is één van de wederopbouwgebieden van nationaal
belang. Lange tijd was dit het grootste en meest ingrijpende ruilverkavelingsgebied.
Het is van groot belang om dit te beschermen. Het erfgoed staat soms onder druk doordat
historische beplantingsstructuren, zoals landschapselementen van voor de ruilverkaveling,
door de jaren zijn verdwenen. Ook historische bebouwing staat onder druk doordat het
in sommige gevallen een nieuwe bestemming krijgt.
Infrastructuur & mobiliteit
Zowel voor de verkeersveiligheid in het buitengebied als voor de overlast voor landbouwverkeer
moet zorg worden gedragen. Een toename van (recreatief) verkeer op landbouwwegen en
dijken kan tot overlast zorgen voor de agrarische bedrijfsvoering en een onveilig
gevoel geven. Dit verdient aandacht en er is verbetering nodig.
De veerponten moeten in stand worden gehouden. Dit is van belang voor de inwoners, de ondernemers en de recreant. Hiermee wordt de leefbaarheid van het platteland gewaarborgd.
4 Beleidsdoelen
4.1 Doelen uit provinciaal beleid
Kwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Land van Maas en Waal
Bij nieuwe activiteiten in het buitengebied van de gemeente dient rekening te worden gehouden met de vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap, zoals opgenomen in de bijlage van de provinciale omgevingsverordening. Daarnaast biedt de provincie een bijbehorende streekgids voor inspiratie. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. Er zijn voor het Land van Maas en Waal 11 kernkwaliteiten en bijbehorende ontwikkeldoelen gesteld. Aanvullend hierop biedt de streekgids ter inspiratie ook concrete ontwikkeldoelen en -principes voor West Maas en Waal, namelijk:
-
Versterk herkenbaarheid van de kommen: onderscheidend grondgebruik en inrichting
-
Versterk het landschapsmozaïek van de oeverwal.
-
(Her)ontwikkeling agrarische erven
-
De Grote Wetering als snoer van groene parels
Handreiking plussenbeleid
De provincie heeft de ‘Handreiking Plussenbeleid’ opgesteld. De provincie stimuleert hiermee niet-grondgebonden veehouderijen die duurzamer willen produceren door ze meer ontwikkelruimte te bieden. Of die ontwikkelruimte wordt geboden hangt af van de vraag welke ‘maatschappelijke plussen’ een initiatiefnemer kan bieden. De provincie voert dit beleid om verduurzaming van niet-grondgebonden veehouderijen mogelijk te maken. Er is nog geen gemeentelijk plussenbeleid.
Het provinciale plussenbeleid speelt zodra een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij aan de orde is, die niet wordt toegestaan in het tijdelijke omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het toestaan van een overschrijding van het bouwvlak, ander bebouwingspercentage, een andere bouwhoogte, het afwijken van een stikstofdepositieplafond of het afwijken van dieraantallen. Dit zijn allemaal vormen van uitbreiding van planologische mogelijkheden waarop het plussenbeleid van toepassing is.
De invulling van de plussen kan per gemeente verschillen. De provincie geeft in deze handreiking een richting aan de gewenste invulling. Voor bedrijven die qua planologische mogelijkheden meer dan 500 m2 (dit mag eens per 5 jaar) groeien, zijn één of meer ‘maatschappelijke plussen’ vereist. Het gaat daarbij om aanvullende maatregelen van ruimtelijke kwaliteit op het gebied van milieu, landschappelijke inpassing en/of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn. Deze ‘maatschappelijke plussen’ bestaan naast wettelijke eisen en andere voorwaarden zoals een goede landschappelijke inpassing op basis van provinciaal en gemeentelijk beleid.
De provincie vraagt aan gemeenten om deze voorwaarden in hun beleid voor de fysieke leefomgeving mee te nemen. De volgende punten zullen op gemeentelijk niveau moeten worden uitgewerkt:
-
Wat is de gewenste werkwijze en dialoog voor de voorgenomen uitbreiding?;
-
Welke inhoudelijk accenten zijn gewenst vanuit het lokale beleid, passend bij het gebied, zodat lokaal maatwerk mogelijk is in de geest van de Omgevingswet, Gelderse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening;
-
Wat is de ondergrens van de extra duurzaamheidsmaatregelen (wat zijn ‘plus-investeringen’?);
-
Hoe worden de afspraken met de ondernemer gemaakt?
Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone
De actuele natuurdoelen van de provincie Gelderland zijn vooral gericht op herstel
van biodiversiteit, versterking van bestaande natuurgebieden en het verbinden van
natuur binnen én buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De belangrijkste doelen zijn:
1. Biodiversiteit herstellen en versterken
2. Een robuust natuurnetwerk realiseren
3. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) afronden en beheren
4. Natuur buiten natuurgebieden versterken
5. Aanpak van drukfactoren
Naast het GNN heeft de provincie ook de Groene ontwikkelingzone (GO) aangewezen. De provincie heeft ook een Handreiking versterking GO opgesteld en een webformulier voor het berekenen van de versterkingsopgave.
Er zijn zes zones in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal aangewezen waar kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen voor zijn opgesteld. Dit zijn:
-
Land van Maas en Waal
-
Winssen – Wamel
-
Waaluiterwaarden Weurt – Beneden Leeuwen
-
Waaluiterwaarden Wamel – Zaltbommel
-
St. Andries – Maas
-
Maasuiterwaarden Heumen – Alphen
Met de Uitvoeringsagenda Biodiversiteit 2024‑2027 richt Gelderland zich op:
-
biodiversiteit in het landelijk gebied;
-
biodiversiteit in steden en dorpen;
-
betrokkenheid van inwoners bij natuurontwikkeling. De provincie ziet grote kansen in natuurinclusieve landbouw, vergroening van de bebouwde omgeving en samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties.
Water en klimaatadaptatie
Het provinciale belang voor water richt zich, naast het waarborgen van de kwaliteit
van het grond- en drinkwater, op waterberging en bescherming van het watersysteem.
Klimaatadaptatie ziet specifiek op het omgaan met waterveiligheid, wateroverlast,
droogte en hitte. De provincie vraagt gemeenten om bij nieuwe activiteiten of ontwikkelingen
in de fysieke leefomgeving klimaatadaptatie te bevorderen. De streekgids van de provincie
gaat hier verder op in met het specifieke ontwikkeldoel ‘Maak reliëf en ondergrond
weer sturend’. Voorbeelden hiervan zijn dat het grondgebruik de ondergrond volgt en
de laagste delen van de kom vernat worden.
Wonen
Het provinciale beleid gaat uit van het concentreren van woningbouw binnen bestaande
kernen en het zoveel als mogelijk voorkomen van verspreide verstedelijking in het
buitengebied.
Overige relevante onderwerpen in de verordening
4.2 Doelen uit gemeentelijk beleid
In het buitengebied ontstaat meer diversiteit en ruimte voor groen en beleving. De landbouw krijgt nog altijd goed de ruimte, maar wel op een plek die past bij de aard van het agrarisch bedrijf en met meer incorporatie van natuur. In de verschillende deelgebieden uit zich dit op verschillende manieren. De oeverwal is ‘hoog en droog’ en biedt daarmee andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen dan de ‘lage en natte’ komgronden en uiterwaarden.
Er zijn vier pijlers waar de Omgevingsvisie op inzet. Deze zijn verder uitgewerkt in ambities. Hieronder geven we per pijler de ambities uit de Omgevingsvisie die betrekking hebben op het buitengebied.
1. Herkenbare, unieke gebieden
De gemeenteraad kiest voor een buitengebied met een nog beter herkenbare identiteit. Dat vraagt om versterken van de unieke kwaliteiten van de verschillende gebieden. Dit betekent weidse, natuurlijke uiterwaarden, een dynamische, afwisselende oeverwal en rust en ruimte in de open komgrond. Er is gekozen om via groene, recreatieve verbindingen te werken aan biodiversiteit en wateropvang. Aandacht is er voor de plekken waar de grenzen tussen oeverwal en kom zijn vervaagd. Hier wordt ingezet op goede overgangszones.
De gemeenteraad kiest dus voor:
-
Het juiste grondgebruik op de juiste plek in het buitengebied;
-
Het inzetten op een divers mozaïek van landbouw, recreatie, wonen en natuur op de oeverwal;
-
Het inzetten op een goed groenblauw dooraderd komgebied met agrarische activiteiten als hoofdfunctie;
-
Het in samenwerking met agrariërs herstellen van historische landschapsstructuren ten behoeve van de groenblauwe verbindingen in het buitengebied;
-
Het inzetten op de ontwikkeling van klimaatbuffers met wateropvang/berging in de overgangszone oeverwal-komgrond.
2. Rustig en groen wonen in kleine dorpen
De gemeenteraad heeft gekozen voor rustig, ruim en groen wonen in kleine, klimaatadaptieve
dorpen in een landelijke omgeving die op een passende manier kunnen groeien met een
focus op wonen voor lokale jongeren en ouderen. De gemeenteraad zet in op levendige,
sociale dorpen en buurtschappen die zoveel mogelijk hun eigen basisvoorzieningen behouden.
Hiertoe ondersteunt de gemeente de sociale netwerken en daarmee de leefbaarheid in
de dorpen.
De gemeenteraad kiest dus voor:
-
Woningbouw in het kader van het VAB-beleid onderbrengen in de dorpsuitbreidingen of in het mozaïek op de oeverwal in plaats van in de open kom met als belangrijkste functie agrarisch.
-
Goede huisvesting van internationale werknemers.
-
Het bij voorkeur ontwikkelen van zorginitiatieven voor ouderen, gehandicapten of andere zorggroepen in of rond de dorpskernen en nabij voorzieningen. Het realiseren van zorginitiatieven in het buitengebied (komgebied) ver van de voorzieningen is niet mogelijk.
3. Agrarische sector als ruimtelijke drager
De gemeenteraad kiest voor een vitale lokale economie en behoud van de agrarische sector als ruimtelijke drager van de gemeente. Er is ruimte voor de juiste agrariër op de juiste plek. Dit betekent in principe fruitteelt en akkerbouw op de hogere, drogere oeverwal en veeteelt in de lagere komgrond. Hierbij wordt ondersteuning geboden aan agrariërs om natuurinclusiever te werken en nevenactiviteiten te ontplooien als aanvullend verdienmodel.
De gemeenteraad kiest dus voor:
-
Het faciliteren van de verbreding van verdienmodellen van agrariërs.
-
Het waar mogelijk ondersteunen van agrariërs in het overschakelen naar kringlooplandbouw/ natuurinclusieve landbouw.
-
Hulp aan agrariërs bij het verduurzamen en vergroenen van hun bedrijf en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan.
-
Het inzetten op facilitair grondbeleid. Op die manier wordt de behoefte van lokale agrariërs om te extensiveren of over te schakelen op natuurinclusief ondernemen ondersteund.
-
Activiteiten anders dan agrarische mogen aantoonbaar geen hinder opleveren voor de omliggende agrarische bedrijven.
4. Evenwichtige recreatie
De gemeenteraad streeft naar een balans in recreatie, wat het versterken en ondersteunen van de grote recreatieve hotspots betekent, maar ook het zorgen voor betere spreiding over de gemeente. Zo profiteren de Waalzijde en het buitengebied meer van het toerisme en wordt de druk op de Maaszijde verlaagd. Hiervoor worden verschillende recreatieve ‘poorten’ ontwikkeld met ieder hun eigen karakter, kwaliteiten en aantrekkingskracht voor landelijk toerisme. Daarbij is er ook aandacht voor de uitloopgebieden van de dorpen: de recreatie dicht bij huis.
De gemeenteraad kiest dus voor:
-
Het ontwikkelen van recreatieve poorten aan de Waalzijde en bij samenkomst van Maas en Waal in het westen van de gemeente.
-
Het instand houden van de veerponten.
-
Het goed monitoren van de (recreatieve) verkeersstromen op bijvoorbeeld de dijken om eventuele overlast te beperken.
-
Het toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie in het buitengebied mits het geen hinder oplevert voor de agrarische ondernemers in het gebied.
-
Het beter spreiden van toerisme over de seizoenen door meer ‘slecht weer’ voorzieningen toe te voegen.
-
Het verbeteren en toevoegen van (recreatieve) fietsroutes tussen de Gouden Ham, de dorpen en het buitengebied .
5 Beleidsuitwerking
5.1 Inleiding
Het college heeft de ambitie om initiatieven en ontwikkelingen vanuit een integrale benadering tot stand te laten komen. Hierbij worden alle onderdelen en kenmerken van het buitengebied samenhangend bekeken en niet afzonderlijk van elkaar. Het gaat daarbij om onderwerpen als milieu, water, natuur, duurzaamheid, gezondheid, cultuur, infrastructuur en identiteit/ruimtelijke kwaliteit, die in relatie tot elkaar worden afgewogen. Dat krijgt een plaats in de beleidsdoelen die het college nastreeft. Zij bepalen welke maatregelen het college kan en wil nemen en bieden inzicht aan de gemeenteraad voor het toedelen van de gewenste functies aan locaties en het regelen van de activiteiten in het buitengebied.
Het doel van de integrale benadering is om tot een beter evenwicht tussen al die onderwerpen te komen, wat bijdraagt aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 1.3 Omgevingswet.
Bij deze benadering wordt in eerste instantie gezocht naar het zoveel mogelijk koppelen van kansen. Bijvoorbeeld het verbeteren van natuurwaarden aan de uitvoering en vormgeving van fietspaden en dijken, die nodig is vanwege het verbeteren van de verkeersveiligheid. Soms is het niet mogelijk om alle ambities te halen of blijken bepaalde ambities niet of nog niet uitvoerbaar te zijn. De integrale benadering onderbouwt dan de keuze, die nodig is.
5.2 Klimaatadaptatie West Maas en Waal
Het klimaat en daarmee de weersomstandigheden veranderen. Het sterk wisselende karakter in extremen leidt tot diverse problemen, zoals beschreven in paragraaf 3.1. Dit vraagt om een robuust en adaptief watersysteem. Klimaatadaptatie is een verzameling van ingrepen met als doel onze leefomgeving klimaatbestendig te maken, waarbij we ernaar streven de negatieve gevolgen door hevige neerslag, droogte en hitte te verminderen. Hiermee sluiten we ook aan op de doelen van de provincie voor klimaatadaptatie, namelijk het het omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor klimaatadaptatie:
De gemeente werkt aan het ontwikkelprincipe ‘Grondgebruik volgt de ondergrond’ uit
de streekgids van de provincie Gelderland, door ruimtelijke ordening te laten volgen
aan de ondergrond. Nieuwe woningen vanuit het VAB beleid wil de gemeente onderbrengen
op de oeverwal en op de overgangszone oeverwal-kom. Hiermee blijft de kom groen en
agrarisch.
Verder vergroten we het aanpassingsvermogen (adaptatiecapaciteit) van de ruimtelijke omgeving van het buitengebied van de gemeente aan een veranderend klimaat (definitie uit Klimaatadaptatieplan gemeente West Maas en Waal, IMOSS, 2022). Dit beleid is verder uitgewerkt in het thematisch programma Klimaatbestendig West Maas en Waal. Hierin is gekozen om in te zetten op besparen - vasthouden - bergen – afvoeren van water. Met deze reeks draagt de gemeente bij aan de doelen van de provincie om beter om te gaan en waar mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte.
Besparen doen we door zo min mogelijk water te verbruiken en het water dat we hebben, proberen we zo veel mogelijk te hergebruiken. We stimuleren anderen om hetzelfde te doen. We proberen het water zo veel mogelijk vast te houden waar het valt. Dit kan bijvoorbeeld door structuurwijzigingen om water vast te houden of door te werken aan bodemstructuur om de doorlatendheid te verhogen. Het waterbergend vermogen van watergangen kan vergroot worden door verbreding of door het toevoegen van natuurlijke oevers. Dat laatste heeft ook een meerwaarde voor biodiversiteit. Dat betekent ook dat particulieren het regenwater op hun terrein moeten bergen, tenzij dat echt niet kan. Wij zorgen ervoor dat het water op een plek komt waar het geen schade oplevert. Overlast proberen we te minimaliseren, door ruimte te maken waar water de bodem in kan trekken. Zo zorgen we er ook voor dat het water bijdraagt in de bestrijding van droogte.
De ruimte voor klimaatadaptatie in West Maas en Waal is heel beperkt en staat ook
onder druk van andere maatschappelijke opgaven. In het Uitvoeringsprogramma Klimaatbestendig
West Maas en Waal is dit beschreven. Daarin is onderscheid gemaakt in ‘huisregels’
(werkwijzen die het college zoveel mogelijk altijd wil nakomen) en ‘kansenpakkers’
(werkwijzen die extra voordeel opleveren).
Vanuit dit beleid en de waargenomen trends wil het college voor het buitengebied inzetten
op het volgende beleid voor klimaatadaptatie:
-
Klimaatproblematiek mag niet worden afgewenteld op andere gebieden.
-
Bij herinrichtingen, reconstructies en/of (ruimtelijke) ontwikkelingen is een robuust watersysteem leidend.
-
Bij versterkingen van de groenstructuur vooral inheemse planten gebruiken ten gunste van de biodiversiteit. Daarbij richten op de zogeheten groenblauwe dooradering.
-
Klimaataanpak primair richten op behoud van het komgebied (landschappelijk, economisch, recreatief) en waar mogelijk het gebied versterken in samenwerking met gebiedspartijen. Hierbij stimuleren we initiatieven op perceelsniveau die bijdragen aan het waterbergend vermogen van de kom.
‘Kansenpakkers’ zijn:
-
Bij (her)inrichtingen, reconstructies en/of (ruimtelijke) ontwikkelingen worden kansen voor meer niet-agrarisch groen en biodiversiteit onderzocht.
-
Bij elke herinrichting van de openbare ruimte stimuleert het college inwoners om een bijdrage te leveren aan afkoppelen en bergen van regenwater.
Voor een meer uitgebreide beschrijving van dit beleid wordt verwezen naar het (thematisch) uitvoeringsprogramma Klimaatbestendig West Maas en Waal.
Verder liggen er ook kansen om de provinciale doelen voor biodiversiteit, waterbeheer en klimaatadaptatie in één integrale aanpak te combineren. Gelderland stimuleert een robuust biodiversiteitsnetwerk, klimaatbestendige landschappen en versterking van natuur buiten de formele natuurgebieden. Onderstaande functiecombinaties zijn kansrijk in West Maas en Waal:
-
Groenblauwe dooradering komgebied.
-
Klimaatbuffers langs weteringen en sloten.
-
Bloemrijke dijken en bermen als biodiversiteitslint.
-
Natuurinclusieve landbouw rondom dorpen.
-
Waterberging gecombineerd met recreatie en natuurontwikkeling.
-
Herstel van poelen en natte graslanden.
Dit zijn projecten die tegelijk bijdragen aan de provinciale doelen voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en waterbeheer én vaak kansrijk zijn voor subsidiëring vanuit provincie, waterschap Rivierenland en soms het GLB of het Nationaal Programma Landelijk Gebied.
Sturingsfilosofie
We maken zoveel mogelijk gebruik van gemeentelijke eigendommen om zelf klimaatadaptieve
maatregelen uit te voeren, maar in het buitengebied is maar weinig gemeentelijk eigendom.
Daar waar particulieren bereid zijn een bijdrage te leveren, nemen wij deze kansen
graag aan en zet de gemeente zich in om agrariërs waar mogelijk te ondersteunen. Daarnaast
zullen maatregelen door het waterschap en de provincie worden uitgevoerd. Regionaal
is er een werkgroep waarin gemeente, waterschap en provincie samenwerken. De provincie
Gelderland is trekker van deze werkgroep.

5.3 Agrarische activiteiten
De afgelopen 20 jaar is het aantal landbouwbedrijven geleidelijk afgenomen. Hierbij zien we dat bijna alle typen bedrijven zijn afgenomen, behalve geitenhouderijen. Er is vooral een grote afname van melkveehouders. Dit heeft niet geleid tot een even grote afname van het aantal dieren. Het aantal runderen is wel afgenomen, waarbij de grootste afname zit in het aantal melkvee. Het aantal varkens is sterk toegenomen. Daarnaast zien we dat in de omliggende gemeenten de laanbomenteelt en pot- en containerteelt toeneemt. Dit zou ook in West Maas en Waal kunnen. De grootste zorg bij agrariërs is het verlies van landbouwgrond aan andere ruimtevragers of dat er beperkingen bij komen voor het agrarisch gebruik door andere activiteiten in het buitengebied.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor agrarische
activiteiten:
We versterken het onderscheid tussen het komgebied, de oeverwal en de uiterwaarden.
Het komgebied behoudt zijn focus op grondgebonden agrarisch gebruik. Hier is ook ruimte
voor intensieve landbouwbedrijven, maar enkel op de plekken die hiervoor zijn aangewezen
en niet op nieuwe plekken. Op de oeverwal is een kleinschalig landschap met een mix
van functies en activiteiten voorzien, zoals agrarisch gebruik, wonen en recreatie.
De uiterwaarden behouden de focus op riviernatuur. Andere functies, zoals landbouw
en extensieve recreatie, zijn hier ook mogelijk wanneer ze samen opgaan met de natuur.
Verplaatsen intensieve landbouwbedrijven
Vanwege de milieugevoeligheid van wonen en recreatie willen we op de oeverwal en rondom
de dorpen intensieve landbouwbedrijven afbouwen. We zullen de intensieve landbouwbedrijven
op deze locaties stimuleren om vrijwillig te verplaatsen. Doordat er maar een beperkt
aantal plekken is in het komgebied, kan er pas verplaatst worden wanneer er een intensief
landbouwbedrijf in de kom stopt. Wanneer dit gebeurt, neemt de gemeente een actieve
rol in en gaat het gesprek aan met intensieve bedrijven op de oeverwal en in de overgangszone
om te onderzoeken hoe ze te laten verplaatsen. Hierbij kan ook financiële ondersteuning
nodig zijn. Hiervoor moet nog financiering worden geregeld. Daarnaast zou het plussenbeleid
hierbij een mogelijkheid kunnen bieden, waarbij de sloop van de agrarische bebouwing
op de oeverwal als plusinvestering geldt en de ondernemer een groeimogelijkheid aangeboden
krijgt in het komgebied.
Sturingsfilosofie
De gemeente neemt een stimulerende rol op zich.

Toegestane hoofd- en nevenactiviteiten in het buitengebied
Het buitengebied is hoofdzakelijk bedoeld voor agrarische activiteiten. Bedrijven
mogen daarnaast een nevenactiviteit ontwikkelen. Nevenactiviteiten onderscheiden zich
van hoofdactiviteiten doordat ze naast de agrarische hoofdactiviteit plaatsvinden
en ondergeschikt zijn aan deze hoofdactiviteit.
Hiervoor gelden beperkingen in vloeroppervlak. Daarnaast mag de nevenactiviteit geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben. Wanneer een agrarisch bedrijf stopt kan het middels het VAB-beleid veranderen van hoofdfunctie. Hierbij geldt een maximale oppervlakte van 500 m2 dat daarvoor mag worden hergebruikt. De rest van de bebouwing moet worden gesloopt. Het beleid voor toegestane hoofd- en nevenactiviteiten onderscheid verschillende gebieden.
In het komgebied ligt de nadruk op het agrarisch gebruik en vitale agrarische bedrijven. Laanbomenteelt en pot- en containerteelt is hier vanwege de openheid niet toegestaan. Andere hoofd- en nevenactiviteiten zijn alleen gewenst als ze dit ondersteunen of als het bedrijven zijn die ook zijn gebonden aan het buitengebied. Toegestane hoofdactiviteiten zijn bijvoorbeeld loonbedrijven, kaasmakerijen en maneges. Voorbeelden van activiteiten die alleen zijn toegestaan als nevenactiviteiten zijn een B&B, een zorgboerderij en huisvesting voor internationale werknemers.
Hiermee kiezen we ervoor om in het komgebied minder recreatieve hoofdactiviteiten toe te staan ten opzichte van beleid uit het verleden. Dit doen we zodat we de agrarische bedrijven die hier zitten voldoende ruimte hebben voor hun agrarische activiteiten en niet in de knel komen met andere activiteiten in hun omgeving.
Op de oeverwal ligt de nadruk op een mix van activiteiten, passend in het landschapsmozaïek van de oeverwal. Hier zijn agrarische activiteiten, kleinschalige recreatieve activiteiten, zorgbedrijven en dagopvang met een agrarisch karakter en huisvesting van internationale werknemers als hoofdactiviteit en nevenactiviteit toegestaan. De gemeente kiest ervoor om laanbomenteelt op de oeverwallen niet toe te staan, vanwege het risico op aantasting van het karakteristieke afwisselende landschap door de grootschaligheid en intensiteit van de teelt. Het komgebied rondom de dorpen is aangewezen als overgangsgebied van de kom naar de oeverwal.
Hier gelden dezelfde regels als voor de oeverwal. Hiermee kiezen we ervoor om op de oeverwal en de overgangsgebieden hiernaartoe meer recreatieve hoofdactiviteiten toe te staan ten opzichte van het beleid uit het verleden. Hiermee versterken we de recreatie en toegankelijkheid van het landelijk gebied en volgen we het ontwikkelprincipe van de provincie Gelderland uit de streekgids.
Het beleid onderscheidt verder een recreatieve overgangszone en het GNN en ecologische verbindingszone. In de recreatieve overgangszone zijn nog meer recreatieve hoofdactiviteiten mogelijk. In de GNN en ecologische verbindingszone worden beperkingen voor recreatie gesteld om de natuurwaarden te beschermen.
Er zijn ook activiteiten waarvan het niet wenselijk is dat deze ontwikkelen vanuit milieu overwegingen en ruimtelijke kwaliteit. Het geitenmoratorium blijft onverkort van kracht om bescherming van de volksgezondheid te borgen. Uitbreiding en nieuwvestiging van geitenhouderijen is niet mogelijk. Daarnaast is laanbomenteelt en pot- en containerteelt niet toegestaan. Dit geldt in de kom en op de oeverwal.
Sturingsfilosofie
Met de aanpassingen van het nevenbeleid worden nevenactiviteiten per zone beter gereguleerd.
Door meer helderheid te bieden in de mogelijkheden worden nevenactiviteiten gefaciliteerd.

Plussenbeleid
Agrarische bedrijven mogen een bouwvlak tot 1,5 ha grootte hebben. De gemeente kiest
ervoor om intensieve veehouderijen in het komgebied een groeimogelijkheid tot 2,5
ha te geven, waarvan maximaal 70% mag worden bebouwd, wanneer de ondernemer gebruik
maakt van het plussenbeleid.
Hiermee sluit de gemeente aan bij het provinciale beleid. We zoeken hiermee naar een
evenwichtige benadering waarin agrariërs perspectief houden, terwijl gezondheid, natuur
en leefbaarheid worden beschermd. Voorwaarden hierbij zijn daarom dat de uitbreiding
zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast, de omgeving niet onevenredig wordt geschaad
en dat er geen toename is van dieraantallen. Bestaande, strenge kaders en randvoorwaarden
voor natuur, landschap, water, gezondheid, luchtkwaliteit, geur, mest en stikstof
vanuit de provincie en gemeente blijven leidend. Daarnaast investeert de ondernemer
in een bovenwettelijke plusmaatregel. De ondernemer kan kiezen uit deze plussen: milieu,
dierenwelzijn, ruimtelijke kwaliteit, sociale binding, veiligheid of een extra bijdrage
aan het gebied. Daarbij kiest de gemeente ervoor om het accent van de plusmaatregelen
te leggen op ruimtelijke kwaliteit, door dit financieel aantrekkelijker te maken.
Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om maatregelen die bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit
of ecologische verbindingszones. Verder is participatie met de omgeving verplicht
wanneer gebruik wordt gemaakt van het plussenbeleid.
Groei van het bedrijf in andere vormen, zoals toename van dieraantallen, is niet toegestaan, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die het toelaten van meer dieren toch rechtvaardigen. Dit betekent dat we in principe geen uitbreiding van het aantal dieren toelaten. Die bijzondere omstandigheden zijn dan gelegen in een fundamentele of cruciale verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving, die op voorhand aan te tonen is. Daarmee is er dus een zware motiveringsplicht vanuit de te bereiken kwaliteitsverbetering om ondanks ‘nee-beleid’ toch positief te besluiten.
Uitbreidingen van intensieve veehouderijen op de oeverwal en in de overgangszone oeverwal – kom en de recreatieve overgangszone zijn niet mogelijk.
Sturingsfilosofie
Met deze voorstellen faciliteert de gemeente de wens om te kunnen groeien. Daarnaast stimuleert de gemeente gewenste ontwikkelingen in het buitengebied.

5.4 Leegstand van gebouwen
Leegstaande vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (VAB) is gevoelig voor verloedering en illegale of verdachte activiteiten. Met name bij grotere schuren is hergebruik of sloop complex. Dit komt doordat niet alles mag in het buitengebied en doordat onderhoud van panden of sloop duur is. Om het buitengebied mooi te houden is het van belang dat verloedering wordt tegengegaan. De gemeente heeft te weinig capaciteit en mankracht om hierop te handhaven. Het mogelijk maken van passende andere activiteiten in de leegstaande schuren, of het versoepelen van de sloop is dus erg belangrijk om leegstand tegen te gaan.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor leegstand
van gebouwen:
Met het VAB-beleid wil de gemeente mogelijkheden bieden aan eigenaren van vrijgekomen
agrarische bebouwing (VAB), waarbij bedrijfsbebouwing mag worden omgezet naar een
woonfunctie door transformatie of door sloop en vervangende nieuwbouw. Tot 1000 m2
gesloopte bebouwing is alleen uitbreiding van de bestaande woning mogelijk. Boven
1000 m2 sloop is nieuwbouw van één tot drie woningen toegestaan, afhankelijk van het
oppervlak van de bedrijfsbebouwing dat gesloopt wordt. Oppervlakten van meerdere eigenaren
mag bij elkaar worden opgeteld (salderen) om zo het te slopen oppervlak uit te breiden.
De gedachte achter het VAB-beleid is dat op deze manier voldoende financiële middelen
worden gegenereerd zodat de vrijkomende agrarische bebouwing kan worden gesloopt.
Hiermee is het beleid ten opzichte van het verleden verruimd, voorheen mocht er maximaal
één compensatiewoning worden gebouwd.
Naast functieverandering naar wonen kan de vrijkomende agrarische bebouwing ook omgezet worden naar een andere niet-agrarische functie, bijvoorbeeld extensieve verblijfsrecreatie of opslag. Hierbij geldt beleid over hoofd- en nevenactiviteiten. Hierbij geldt een sloopverplichting voor de overtollige bedrijfsgebouwen die geen nieuwe functie krijgen.
Vanwege de focus op agrarisch gebruik zet de gemeente in het komgebied in op sloop van leegstaande bebouwing, maar herbouw van compensatiewoningen op de oeverwal of de overgangszone. Woningbouw in het komgebied is niet mogelijk omdat het kan zorgen voor beperkingen voor agrarisch gebruik in de directe omgeving en het meer verkeer oplevert. De eigenaar van de te slopen gebouwen mag zelf de compensatiewoningen bouwen op een locatie op de oeverwal of met een voucher de bouwrechten aan een andere partij doorverkopen.
Hiermee is het beleid aangepast ten opzichte van het verleden, toen mochten in het komgebied wel nieuwe woningen worden ontwikkeld.
Sturingsfilosofie
Met deze voorstellen faciliteert de gemeente ondernemers met vrijkomende agrarische bebouwing om hier een nieuwe functie voor te vinden of te slopen. Ook reguleert de gemeente dat er geen nieuwe woningen worden toegevoegd in de kom.

5.5 Natuur, landschap en biodiversiteit
West Maas en Waal is een groene agrarische gemeente. Als gemeente houden we in ons werk al rekening met de biodiversiteit. We hebben de afgelopen jaren diverse projecten uitgevoerd om de biodiversiteit te verbeteren. De grootste opgave voor biodiversiteit, zoals ook benoemd in hoofdstuk 3, is het versterken van de ecologische verbindingen in het landbouwgebied.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor natuur, landschap
en biodiversiteit in het buitengebied:
De gemeente zet in op het behoud van het kenmerkende landschap van West Maas en Waal
met onderscheid tussen oeverwal en komgebied.
West Maas en Waal wil zich de komende jaren samen met inwoners en organisaties inzetten voor het verbeteren van biodiversiteit. Dit is vastgelegd in het biodiversiteitsplan (vastgesteld 10 oktober 2024).
Daarbij wordt beoogd:
-
Te zorgen dat de kwaliteit van die plekken beter wordt, zodat ze geschikt worden voor meerdere soorten planten en dieren;
-
Te zorgen dat al deze plekken zo goed mogelijk met elkaar verbonden zijn, zodat planten en dieren er ook kunnen komen en er tussen populaties voldoende genetische uitwisseling is.
Voor het buitengebied willen we veel winst voor biodiversiteit behalen, door groenblauwe verbindingen te ontwikkelen passend binnen het omliggende agrarisch gebruik en waar mogelijk in combinatie met recreatie. Hiermee sluiten we ook aan op de ontwikkelprincipes van de streekgids van de provincie Gelderland. Groenblauwe dooradering is een essentieel ondersteunend instrument voor het Gelders Natuurnetwerk. Het vergroot de ecologische samenhang, versterkt biodiversiteit en verbindt natuurgebieden in het agrarisch landschap, waardoor het GNN beter functioneert als robuust natuurnetwerk. Voor projecten in West Maas en Waal kan GBDA bovendien een belangrijke schakel zijn tussen natuurontwikkeling, agrarisch natuurbeheer, wateropgaven en landschappelijke kwaliteit. Concreet betekent dit dat de gemeente inzet op versterking van de lijnvormige landschapselementen die verspreid liggen door het landschap, zoals hagen, bomen, natuurlijke oevers en bloemrijke bermen en bloem- en kruidenrijke randen langs percelen. Dit gecombineerd met losse elementen als poelen, kleine bosjes en dergelijke. Dit soort elementen leveren schuilmogelijkheden, mogelijkheden om langs te trekken en leefgebied voor planten en dieren. De kwaliteit van het agrarische gebied voor biodiversiteit wordt hiermee in zijn geheel verbeterd. Deze kwaliteit wordt nog verder verbeterd met gerichte kleine voorzieningen, zoals nestkasten voor steenuil of voor andere vogels zoals de torenvalk.
We leggen hierbij de nadruk op het ontwikkelen van noord-zuidverbindingen. Hierbij beginnen we met het versterken van één noord-zuidverbinding als pilot. Het doel van deze pilot is enerzijds om te laten zien hoe de ambities in een concreet gebied gestapeld kunnen worden zodat ze elkaar versterken en er een aantrekkelijk landschap wordt gecreëerd. Als stakeholders zien hoe dit uitpakt, kunnen ze eerder bereid zijn om mee te doen aan een volgend onderdeel van het gebiedsplan. Anderzijds is het doel om te testen hoe verschillende stakeholders met behulp van verschillende middelen (subsidies provincie en waterschap, plussenbeleid, grondruil etc.) tot een gezamenlijk plan kunnen komen. Zie hiervoor hoofdstuk 6 Maatregelen. Vrijwillige deelname van agrariërs is het uitgangspunt. Zij worden gestimuleerd via het plussenbeleid en subsidies. Voor de gemeente zien we hier een regierol, met samenwerking met het gebied en betrokken partners vanaf de start.
Verder is de bestemming en ontwikkeling van de buitendijkse gebieden gericht op behoud en versterking van de natuurfunctie in combinatie met hoogwaterveiligheid. Grote delen van de uiterwaarden zijn al ontwikkeld tot natuurgebied. In de uiterwaarden richt de ontwikkeling zich op versterking van stroomdalgraslanden, leefgebied voor weidevogels, foerageergebied voor watervogels en verbetering van de ecologische verbinding tussen de uiterwaarden en aangrenzende natuurgebieden. Om dit te realiseren kunnen onderstaande maatregelen worden ingezet:
-
Extensief maaibeheer.
-
Gefaseerd maaien.
-
Beperken van bemesting.
-
Ontwikkeling van plas-dras situaties.
-
Aanleg van struweel en ooibos op geschikte locaties.
-
Behoud van openheid voor weidevogels.
De grote wetering wordt momenteel opgepakt binnen de groene mantel met het Waterschap als kartrekker.
Voor de gemeente is in deze zone de combinatie met agrarische activiteiten belangrijk. Langs de Grote Wetering wordt ingezet op natuurvriendelijke oevers, verbetering van water- en oevervegetaties en versterking van leefgebied voor amfibieën, insecten en kleine zoogdieren. Om dit te realiseren kunnen onderstaande maatregelen worden ingezet:
-
Aanleg of behoud van natuurvriendelijke oevers.
-
Verbreden van oeverzones.
-
Verminderen van harde beschoeiingen.
-
Inzaaien van inheemse kruidenrijke vegetaties.
-
Verbeteren van waterkwaliteit en doorstroming.
-
Realiseren van ecologische verbindingszones.
Andere maatregelen om aan de doelen te werken liggen op eigen grondeigendom. Hierbij gaat het onder andere om het toepassen van ecologisch bermbeheer. Dit is ook in hoofdstuk 6 Maatregelen terug te vinden. Zie ook het biodiversiteitsplan van de gemeente.
Sturingsfilosofie
De gemeente voert zoveel mogelijk van de maatregelen zelf uit, op eigen grondgebied. Daarnaast stimuleert de gemeente andere grondeigenaren in het buitengebied om groenblauwe verbindingen verder te versterken.

5.6 Wonen in het buitengebied
West Maas en Waal heeft vanwege de centrale ligging en het diverse woonaanbod een grote aantrekkingskracht op de omgeving. Er is in de gemeente behoefte aan voldoende passende en betaalbare woonvormen. De huidige inwoners hebben behoefte aan met name meer woningen voor starters en ouderen. Er zijn ook woningzoekenden uit andere gemeenten. Agrariërs hebben de wens om het buitengebied zoveel mogelijk te sparen. Een van de actuele vraagstukken in het buitengebied is huisvesting van internationale werknemers, die vooral werkzaam zijn in de fruitteelt en dan met name in het plukseizoen.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor wonen in het
buitengebied:
De gemeente maakt onderscheid tussen mogelijkheden voor wonen op de oeverwal en mogelijkheden
in het komgebied. Op de oeverwal zetten we in op een mix van functies, waarvan wonen
er één is. Hier mag in de toekomst meer gewoond worden. In het komgebied zien we juist
het agrarische gebruik als belangrijkste functie, waardoor we hier de mogelijkheden
voor wonen willen beperken.
Tijdelijke huisvesting internationale werknemers
Er is beleid ontwikkeld vanuit het ‘Actieplan internationale werknemers’ en uitgewerkt
in dit programma. Het nieuwe beleid moet goede, veilige en tijdelijke huisvesting
voor internationale werknemers mogelijk maken. De gemeente staat drie varianten toe
voor huisvestigingsmogelijkheden voor internationale werknemers (IW’s) die aansluiten
bij de praktijkbehoefte van agrariërs:
-
Variant 1: een ondernemer kan op eigen terrein seizoensgebonden huisvesting voor de eigen IW’s realiseren. Dit is toegestaan tot 50 werknemers.
-
Variant 2: een ondernemer kan op eigen terrein huisvesting voor IW’s werkzaam bij andere bedrijven realiseren. Dit is toegestaan tot 50 werknemers, inclusief eigen werknemers. Hier geldt beleid voor nevenactiviteiten in het buitengebied en dus ook een begrenzing tot 350 m2 voor huisvestigingsmogelijkheden als nevenactiviteit.
-
Variant 3: een ondernemer stopt met het huidige agrarische bedrijf en wil het vastgoed transformeren tot huisvesting van internationale werknemers voor andere ondernemers. Dit valt ook onder het beleid van toegestane hoofd- en nevenactiviteiten in het buitengebied. Als hoofdactiviteit is dit alleen toegestaan op de oeverwal en heeft een maximum tot 100 werknemers, waarbij 24/7 een beheerder aanwezig is.
Voor de varianten 1 en 2 zijn regels vastgelegd in de beleidsregels in hoofdstuk 7. Voor de varianten 2 en 3 geldt de 80‑10‑10 regel: ‑ 80% is voor de lokaal werkende IW’ers; ‑ 10% is voor regionale opvang; - 10% is voor bovenregionale opvang. Landschappelijke inpassing is in alle gevallen verplicht. Werkgevers die huisvesting aan IW’s aanbieden zijn in het bezit van een certificaat SNF of een certificaat AKF, of gelijkwaardig. Werkgevers houden toezicht op het naleven van de bij het certificaat behorende afspraken en verplichtingen.
Sturingsfilosofie
Met de aanpassingen van het beleid wordt de huisvesting van internationale werknemers
beter gereguleerd.

5.7 Recreatie in het buitengebied
Recreatie concentreert zich met name aan de Maaszijde. De Gouden Ham en De Schans zijn twee grote recreatiegebieden, gelegen in het buitendijkse gebied aan de Maas. Dit zijn economisch waardevolle gebieden, maar ze zorgen ook voor extra druk op het buitengebied, bijvoorbeeld in de vorm van extra verkeersdrukte.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor recreatie
in het buitengebied:
De gemeente zoekt een balans tussen de recreatiebehoefte en de impact op de inwoners
van de gemeente. De gemeente wil daarom dat de inwoner beter mee kan profiteren van
de aanwezige voorzieningen. Intensieve recreatie blijft geconcentreerd in de Gouden
Ham en De Schans, maar we willen een positieve wisselwerking tussen deze gebieden
en de rest van het buitengebied.
Recreatieve poorten
Met de ontwikkeling van verschillende recreatieve ‘poorten’, met ieder hun eigen karakter,
kwaliteiten en aantrekkingskracht, wordt recreatie beter verdeeld over de gemeente
en de seizoenen en kan de inwoner mee profiteren van de aanwezige voorzieningen. De
gemeente gaat onderzoeken hoe in samenwerking met bewoners, agrariërs en lokale organisaties
in het zoekgebied mogelijkheden en kansen benut kunnen worden voor de ontwikkeling
van de recreatieve poorten.
Sturingsfilosofie
Door het te onderzoeken, kan de gemeente een stimulerende rol op zich nemen.

Recreatieve overgangszones
Dit betekent onder andere het inzetten op recreatie in het buitengebied. Rondom de
recreatiegebieden wijzen we recreatieve overgangszones aan. Deze overgangsgebieden
zijn hoofdzakelijk agrarisch, maar geven ook ruimte aan recreatie, zoals B&B’s en
streekwinkels. Dit kunnen hoofdactiviteiten zijn, maar ook nevenactiviteiten bij agrarische
bedrijven. Dit is terug te vinden in het beleid voor hoofd- en nevenactiviteiten.
Hiermee is het beleid in de overgangszone met het recreatiegebied aangepast ten opzichte
van het verleden, doordat er meer mogelijk is voor recreatie.
Sturingsfilosofie
De gemeente maakt ontwikkeling van extensieve recreatie mogelijk in regelgeving en
beleid en is daarmee faciliterend.

Recreatieve ontsluiting
Daarnaast zet de gemeente in op een betere recreatieve ontsluiting van het buitengebied
door het toevoegen van (recreatieve) fietsroutes en het verbeteren van wandelverbindingen
van het buitengebied. Er moet nog onderzocht worden waar deze verbindingen komen en
of deze gecombineerd kunnen worden met de groenblauwe noord-zuidverbindingen. Daarnaast
zal de gemeente verkeersstromen in het buitengebied gaan monitoren, zodat beter inzicht
is in de verkeersstromen, de benodigde capaciteit en veiligheid van de wegen.
Sturingsfilosofie
De gemeente kan hier een uitvoerende rol pakken, door zelf de gronden te vinden en
verbindingen aan te leggen.

5.8 Veren
De veren zijn van groot belang voor de leefbaarheid en bereikbaarheid in deze regio. Dat geldt voor de Maasveren en ook voor het veer Wamel-Tiel. In het verleden waren de veerdiensten van verschillende stichtingen en organisaties. Ook waren ze afhankelijk van vrijwilligers.
Vanuit deze trends wil het college inzetten op het volgende beleid voor de veren:
De gemeente zet zich in voor de instandhouding van de veren en goede communicatie
over de veerdiensten.
Voor de maasveren maakt de gemeente afspraken met de gemeenten Oss en Maasdriel en levert een financiële bijdrage. Daarnaast maakt de gemeente afspraken met de veerdiensten over communicatie om deze voor de gebruikers helderder en toegankelijker te maken, bijvoorbeeld over de beschikbare vaartijden.
Sturingsfilosofie
Door afspraken te maken met organisaties stimuleert de gemeente het instandhouden
van de veerdiensten.

6 Maatregelen
6.1 Samenwerking met andere partijen en financiën
De gemeente is trekker van een groot aantal van de hieronder voorgestelde maatregelen en heeft middelen, inzet en financiering beschikbaar gesteld. Ook is er een aantal projecten die de gemeente niet alleen kan financieren en waarvoor aanspraak wordt gedaan op subsidies van de provincie.
6.2 Andere maatregelen dan publiekrechtelijke besluiten
Verplaatsen intensieve bedrijven
Op het moment dat er een intensief landbouwbedrijf in de kom stopt, is er plek voor
een bedrijf op de oeverwal om te verplaatsen. De gemeente zal dan een actieve rol
innemen en in gesprek gaan met de intensieve bedrijven op de oeverwal en in de overgangszone
om te onderzoeken hoe ze te laten verplaatsen. Wanneer er een bedrijfscontactfunctionaris
voor agrariërs komt, zie paragraaf 6.7, dan zou deze ook dit project kunnen uitvoeren.
Indicatie uitvoeringstermijn
Afhankelijk van wanneer er een intensief bedrijf stopt in het komgebied.
Recreatieve poorten
De gemeente gaat onderzoeken in samenwerking met bewoners, agrariërs en lokale organisaties
in het zoekgebied welke mogelijkheden en kansen benut kunnen worden voor de ontwikkeling
van de recreatieve poorten. Zo kan er ook beter worden ingezet op het laten meeprofiteren
van lokale inwoners van de recreatieve voorzieningen.
Indicatie uitvoeringstermijn
Het project start op korte termijn.
6.3 Feitelijke handelingen
Ecologisch bermbeheer
De gemeente gaat ecologisch bermbeheer toepassen. De volgende onderdelen worden uitgewerkt
om het ecologische bermbeheer invulling te geven:
-
Het opstellen van een nieuw bermbeheerplan, waarin het aantal bermen dat ecologisch wordt beheerd wordt vergroot en waarin wordt beschreven hoe het maaibeheer wordt uitgevoerd (maaifrequentie, maaiperiodes, gefaseerd maaien, te gebruiken maaimaterieel);
-
Op basis van het verschil in kosten tussen regulier beheer en ecologisch beheer met de maaizuiger met ecokop bepalen welke bermen ecologisch kunnen worden beheerd;
-
Het opnemen van de nieuwe beheereisen uit het bermbeheerplan in de aanbestedingsdocumenten en contracten (gefaseerd werken, gebruik materieel en certificaat uitvoerders, of kortgezegd: werken volgens Kleurkeur).
Indicatie uitvoeringstermijn
Het project wordt uitgevoerd zodra dat planningstechnisch mogelijk is. De praktische
uitvoering van het nieuwe maaibeheer vindt plaats op het moment dat de nieuwe beheercontracten
zijn afgesloten.
Groenblauwe noord-zuid verbinding
De ontwikkeling van groenblauwe noord-zuid verbindingen leveren een belangrijke bijdrage
aan de ontwikkeling van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het zijn de “haarvaten” die
natuurgebieden in het agrarisch landschap met elkaar verbinden, waardoor het GNN beter
functioneert als robuust natuurnetwerk. Door middel van een pilot kan een specifieke
noord‑zuidverbinding worden uitgewerkt. In overleg met agrariërs en andere betrokken
partners onderzoekt de gemeente waar een groenblauwe noord-zuidverbinding concreet
kan worden. Hierbij kijkt de gemeente naar kansen op eigen grondgebied en zoekt daarbij
vrijwillige deelname van agrariërs. Zij worden gestimuleerd via het plussenbeleid
en subsidies. Hierbij zet de gemeente in op samenwerking met het gebied en betrokken
partners vanaf de start. Een mogelijke locatie voor de pilot kan de Hommelstraat bij
Wamel zijn. Hier kan klein worden begonnen, zodat er een voorbeeld ontstaat waarmee
draagvlak gecreëerd kan worden voor grotere projecten. Een alternatief is de Nieuwstraat-Lindelaan.
Het is aan het project om hier een afgewogen keuze in te maken.
Indicatie uitvoeringstermijn
Bij voorkeur start het project, met allereerst de pilot, op korte termijn. Dit is
afhankelijk van de financiering, zoals het toekennen van de subsidie van de provincie.
Klimaatbuffers
Naast hele natte perioden komen steeds vaker hele droge perioden voor. Ons gebied
is zeer kwetsbaar voor deze perioden. Via primaire watergangen wordt het water aangevoerd.
Omdat onze gemeente zich aan het eind van de gebruikersketen bevindt, staat de waterzekerheid
onder druk. Met name voor het landelijk gebied en de agrarische activiteiten rondom
Dreumel en Wamel is wateraanvoer in perioden van droogte penibel. Om die reden hebben
wij samen met het waterschap vijf klimaatbuffers gerealiseerd, samen ongeveer 5 ha
groot. In deze buffers slaan we water op die in tijden van droogte aan het systeem
worden losgelaten. Samen met het waterschap onderzoeken we in deze planperiode de
mogelijkheid om nog meer klimaatbuffers te realiseren.
Indicatie uitvoeringstermijn
Uitvoering op korte termijn.
Financiering veerdiensten
Door afspraken te maken tussen de provincie, gemeente en de organisaties kunnen veerdiensten
beter worden ondersteunt. De gemeente maakt afspraken met de gemeente Oss, Maasdriel,
Tiel en de provincie Gelderland over de financiering en communicatie van de veerdiensten.
Daarbij maken ze afspraken over hoe er helder gecommuniceerd kan worden naar gebruikers,
bijvoorbeeld over de beschikbare vaartijden.
Indicatie uitvoeringstermijn
Er zijn afspraken gemaakt met Maasdriel en Oss om komende tijd de veren tussen deze
gemeenten financieel te ondersteunen.
Goed contact agrariërs en inwoners
De gemeente ondersteunt lokale organisaties zoals Boerenbewust om activiteiten tot
stand te brengen, of te faciliteren in de communicatie van activiteiten die door ondernemingen
worden georganiseerd. De gemeente onderzoekt of budgetten gereserveerd kunnen worden
om acties of activiteiten te subsidiëren.
Indicatie uitvoeringstermijn
Stichting Boert Bewust is al actief in de gemeente.
6.4 Beschikbaar stellen van financiële middelen
Er is financiering beschikbaar voor de volgende maatregelen4:
-
Recreatieve poorten, het project is onderdeel van onderzoek i.r.t. visie (vrijetijds)economie. Van hieruit is financiering beschikbaar.
-
Onderzoek ruimtelijke kwaliteit, mits spreiding over meerdere jaren.
-
Ecologisch bermbeheer, financiering vindt plaats vanuit het reguliere budget voor het bermbeheer.
-
Regionale klimaatbuffers, regionaal is er een onderzoeksbudget beschikbaar en gedeeltelijke financiering voor de uitvoering, lokaal is er een uitvoeringsbudget aangevuld met subsidies en co‑financiering.
-
Veerdiensten, de gemeente draagt hieraan bij samen met de andere gemeenten. De provincie ondersteunt de gemeente voor 50% bij het dekken van tekorten van de veerdiensten. Deze ondersteuning is echter alleen voor veren met een tekort boven € 50.000.
Voor de volgende maatregelen is vooralsnog geen financiering georganiseerd:
-
Verplaatsen intensieve bedrijven
-
Goed contact agrariërs en inwoners
-
Groenblauwe noord-zuid verbinding, mogelijk kunnen er combinaties worden gezocht met andere programma’s (zoals financiering voor klimaatadapatie vanuit de regio) en het plussenbeleid, maar aanvullende financiering zal nodig zijn voor de uitvoering van het project en zodat er waar nodig ook compensatie geboden kan worden aan ondernemers. Een andere mogelijkheid is om subsidie van de provincie voor groenblauwe dooradering te krijgen. Ondernemers die meedoen kunnen kijken naar budget voor agrarisch natuurbeheer. Vanaf 2026 komen hier nieuwe gelden voor.
-
Monitoren verkeersstromen, er is op dit moment 1 verkeerskundige bij de gemeente West Maas en Waal in dienst. Dit is niet voldoende capaciteit om dit project uit te voeren.
-
Communicatieplan leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing.
-
Bedrijfscontactfunctionaris, er is al een bedrijfscontactfunctionaris binnen de gemeente, maar de genoemde werkzaamheden passen niet binnen het huidige takenpakket van de bedrijfscontactfunctionaris en deze heeft niet voldoende tijd voor alle werkzaamheden. Er zijn nog geen budgetten gereserveerd voor een extra bedrijfsfunctionaris.
[4] In het verleden heeft gemeente West Maas en Waal beleid vooral sectoraal vormgegeven. Daardoor verliepen begroting en beschikbaar stellen van financiering ook sectoraal. Dit programma bevat een integrale gebiedsbenadering. Hier hoort een financiering bij, die daarop is afgestemd. De implementatie van de Omgevingswet en de cultuuromslag van sectoraal naar integraal, gebiedsgericht benaderen, vraagt dus om betere afstemming met het financieel beleid. Daarom wordt in dit programma nog gebruik gemaakt van gelden die sectoraal zijn geraamd en beschikbaar gesteld, zoals bijvoorbeeld het reguliere budget voor bermbeheer, dat wordt ingezet voor de maatregelen die in dit programma opgenomen zijn voor ecologisch bermbeheer.
6.5 Bijdragen aan kennisdeling en monitoring
Monitoren verkeersstromen
De gemeente gaat verkeersstromen monitoren in het buitengebied om zo goede oplossingen
voor de knelpunten in verkeersveiligheid te kunnen vinden en overlast te beperken.
Indicatie uitvoeringstermijn
Het project kan starten op middellange of lange termijn, afhankelijk van de capaciteit
binnen de gemeente.
Communicatieplan leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing
Met de aanpassingen voor het VAB-beleid en het beleid voor de nevenactiviteiten zijn
er meer mogelijkheden om leegstaande schuren invulling te geven of te slopen, om leegstand
tegen te gaan. Wanneer het nieuwe beleid is vastgesteld informeert de gemeente, eventueel
in samenwerking met LTO, de agrariërs over de nieuwe mogelijkheden.
Dit kan bijvoorbeeld door een flyer/nieuwsbrief of informatie avond waar de nieuwe mogelijkheden helder worden uitgelegd. Ook kan hierbij aandacht besteed worden aan voorlichting over criminele activiteiten.
Wat doe je als er iemand voor je deur staat die iets schimmigs wil doen? Hoe ga je daarmee om? Een laatste manier is om bijvoorbeeld ook eigenaren van leegstaande schuren worden benaderd om samen in gesprek te gaan over de mogelijkheden.
Indicatie uitvoeringstermijn
Bij voorkeur worden er op de korte termijn budgetten gereserveerd om het project na
vaststelling te kunnen uitvoeren.
Aanstellen bedrijfscontactfunctionaris landbouw
Een bedrijfscontactfunctionaris (voor de landbouw) kan een centraal aanspreekpunt
zijn voor de agrariër bij de gemeente. Deze bedrijfscontactfunctionaris kan meedenken
met de agrariër en binnen de gemeentelijke organisatie effectief procedures organiseren.
Het doel van een bedrijfscontactfunctionaris is om agrariërs te ondersteunen en helpen
bij het procedurele aspect van de bedrijfsvoering. Een bedrijfscontactfunctionaris
verkleint de afstand tussen de gemeente en de agrariër, en vervult een expertise gerichte
rol bij de gemeente om lopende zaken effectief te navigeren. Er is onderzoek nodig
hoe er vorm worden gegeven aan de wens voor een bedrijfscontactfunctionaris. Hierbij
kan gekeken worden naar de mogelijkheden binnen de gemeente, maar ook naar de mogelijkheden
bij bijvoorbeeld de provincie Gelderland.
Overzicht met maatregelen
|
Maatregel |
Trekker |
Benodigde stakeholders |
Financiering |
Termijn uitvoeirng |
|
Verplaatsen intensieve bedrijven |
Gemeente West Maas en Waal |
Agrariërs |
Nog geen financiering beschikbaar. Er liggen kansen in het VAB-beleid en het plussenbeleid. |
Wanneer een locatie in het komgebied vrij komt. |
|
Recreatieve poorten |
Gemeente West Maas en Waal |
Inwoners, agrariërs, (lokale) ondernemers |
Onderdeel van onderzoek i.r.t. visie (vrijetijds) economie, |
Aanpassing op korte termijn, na vaststelling |
|
Ruimtelijke kwaliteit |
Gemeente West Maas en Waal |
Bewoners, agrariërs, Gelder Genootschap, provincie Gelderland, RCE |
Financiering beschikbaar mits spreiding over meerdere jaren. |
Start project op korte termijn |
|
Ecologisch bermbeheer |
Gemeente West Maas en Waal |
Biodiversiteitswerkgroep, agrariërs, ZLTO |
Financiering vindt plaats vanuit het reguliere budget voor het bermbeheer |
Uitvoering op korte termijn |
|
Groenblauwe noord-zuid verbinding |
Gemeente West Maas en Waal |
Agrariërs, provincie Gelderland, waterschap Rivierenland |
Nog geen financiering beschikbaar. Hiervoor zoeken we koppeling met het biodiversiteitsplan, het plussenbeleid en subsidies voor groenblauwe dooradering van de provincie |
Start project op korte termijn mits de subsidie van de provincie wordt toegekend |
|
Klimaatbuffers |
Gemeente West Maas en Waal samen met Waterschap Rivierenland |
Agrariërs, provincie Gelderland, waterschap Rivierenland, belangenorganisaties agrariërs en natuur (ZLTO, etc.) |
Regionaal is er een onderzoeksbudget beschikbaar en gedeeltelijke financiering voor de uitvoering, lokaal is er een uitvoeringsbudget aangevuld met subsidies en co‑financiering |
Uitvoering op korte termijn |
|
Veerdiensten |
Gemeente West Maas en Waal |
Gemeente Oss, gemeente Maasdriel, provincie Gelderland |
Financiering beschikbaar |
In uitvoering |
|
Monitoren verkeersstromen |
Gemeente West Maas en Waal |
n.v.t. |
Er is 1 verkeerskundige bij de gemeente West Maas en Waal, om dit project uit te voeren is meer capaciteit nodig, hier is nog geen financiering voor beschikbaar |
Start project op middellange of lange termijn, afhankelijk van capaciteit binnen de gemeente |
|
Goed contact agrariërs en inwoners |
Stichting Boer Bewust |
Gemeente West Maas en Waal, agrariërs |
Stichting Boert Bewust is al actief in de gemeente, er is nog geen financiering beschikbaar vanuit de gemeente |
In uitvoering |
|
Communicatieplan leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing |
Gemeente West Maas en Waal |
ZLTO, agrariërs, stakeholders binnen en buiten de gemeente die zich inzetten voor een veilig buitengebied |
Er is nog geen financiering beschikbaar |
Uitvoering op korte termijn, na vaststelling beleid |
|
Bedrijfscontact-functionaris landbouw |
Gemeente West Maas en Waal |
Provincie Gelderland |
Er is nog geen financiering beschikbaar voor een bedrijfscontactfunctionaris specifiek voor agrariërs |
Onderzoek op korte termijn, uitvoering afhankelijk van resultaten van dit onderzoek en financieringsmogelijkheden |
7 Beleidsregels
Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel van het college van burgemeester en wethouders, die niet bindend is voor iedereen, maar alleen voor het college zelf. Daarbij wordt vastgelegd hoe in de toekomst het college bij een bepaalde bevoegdheid belangen zal afwegen, feiten zal vaststellen of een wettelijk voorschrift zal uitleggen (art. 1:3 lid 4 Awb). Bij een beleidsregel geeft het college dus vooraf aan hoe het zal omgaan met zijn ‘beslisruimte’. Dit hoeft dan niet meer bij ieder individueel besluit apart gemotiveerd te worden. Artikel 4:84 Awb bepaalt namelijk dat een bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
De wettelijke eis dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb) mag dan zo ingevuld worden dat verwezen wordt naar de beleidsregel, omdat die een vaste gedragslijn inhoudt (art. 4:82 Awb). Als een aanvraag past bij het beleid uit dit programma, kan de motivering van het besluit op de aanvraag dus bestaan uit een verwijzing naar het programma. Aan het afwijken van de beleidsregel worden wel motiveringseisen gesteld. Dat kan alleen bij bijzondere omstandigheden waardoor het vasthouden aan de beleidsregel niet meer bijdraagt aan het doel waarvoor die beleidsregel is gesteld. Het besluit op een aanvraag al dan moeten aangeven wat die bijzondere omstandigheden zijn, wie daarvan de effecten ondervindt en waarom deze niet gewenst zijn gelet op het doel van de beleidsregel.
De juridische betekenis van beleidsregels is dus het vergemakkelijken van de motivering bij besluiten die passen bij het programma en een deugdelijke motiveringsplicht als daarvan wordt afgeweken.
De praktische betekenis hiervan is dat besluiten sneller genomen kunnen worden en er per aanvraag minder onderzoek en beleidsonderbouwing nodig is.
Huisvesting internationale werknemers op eigen terrein voor de ter plaatse uitgeoefende agrarische bedrijfsactiviteit
Agrarische bedrijven mogen seizoensgebonden internationale werknemers werkzaam op het eigen bedrijf huisvesten onder deze voorwaarden:
-
De huisvestingsvoorzieningen zijn zodanig in de omgeving ingepast dat de omgeving geen onevenredige hinder ondervindt van de bebouwing en dat de bebouwing geen afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteiten van het gebied.
-
De huisvestingsvoorzieningen worden geplaatst binnen het agrarisch bouwvlak.
-
Een aanvaardbaar woonmilieu moet gewaarborgd zijn.
-
De huisvesting dient buiten de spuitzone (50m afstand vanaf de boomgaard) plaats te vinden. Als dit niet mogelijk is, mag de huisvesting binnen de spuitzone geplaatst worden, mits er niet gespoten wordt op het moment dat er bewoning plaatsvindt. Of wanneer wet- en regelgeving het mogelijk maakt om locatie specifieke maatregelen te treffen.
-
Het is niet toegestaan een huisvestingslocatie buitendijks te realiseren;
-
Er moet worden voldaan aan de geldende wet- en regelgeving die geldt voor gebouwen voor (tijdelijke) huisvesting.
-
De huisvesting is alleen mogelijk als voldaan is aan de geldende randvoorwaarden vanuit natuur, landschap, milieu en agrarische bedrijfsvoering. Omliggende bedrijven mogen niet worden beperkt in hun (agrarische) bedrijfsvoering.
Plussenbeleid
Het agrarisch bouwvlak van intensieve veehouderijen in het komgebied mag vergroten tot maximaal 2,5 ha onder de volgende voorwaarden:
-
Bij locaties in het Gelders Natuur Netwerk of een Groene Ontwikkelingszones mag er geen significant negatief effect op natuurwaarden plaatsvinden.
-
Alle voorzieningen (waaronder landschappelijke inpassing en mestopslag) moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
-
Uitbreidingsmogelijkheden kunnen alleen plaatsvinden in het komgebied, uitbreidingen op de oeverwal en in de overgangszone oeverwal – kom en de recreatieve overgangszone zijn uitgesloten.
Eisen bovenwettelijke plusmaatregelen:
-
Participatie met de omgeving verplicht.
-
Minimum investeringsniveau van €20 per m2 bruto uitbreiding van de bebouwing.
-
Het is mogelijk om van de €20 per m2 af te wijken, naar €15 m2, als gebleken is dat de betreffende plusmaatregel(en) en grote ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert voor de omgeving.
-
De uitvoering van maatregelen wordt juridisch geborgd.
-
Recent uitgevoerde bovenwettelijke maatregelen (uit eigen beweging, maximaal twee jaar oud en niet gesubsidieerd) mogen ook meetellen als plus-investering.
-
De plusmaatregel moet na aanleg in stand worden gehouden door de ondernemer gedurende de bedrijfsvoering.
VAB-beleid
Alleen van toepassing op vrijkomende en vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied die met een vergunning is opgericht en minstens vijf jaar rechtmatig is gebruikt (d.w.z. conform de bestemming uit het vigerende omgevingsplan).
Hergebruik voor andere functie:
-
Zie bijlage 1 ‘overzicht van hoofd- en nevenactiviteiten’ voor de toegestane functies als nieuw hoofdgebruik.
-
Functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
-
Bij functieverandering moet de bestaande infrastructuur toereikend zijn voor de nieuwe functie; nieuwe functies mogen geen grote verkeersaantrekkende werking hebben;
-
Nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied;
-
De vestiging van bepaalde typen bedrijvigheid wordt alleen toelaatbaar geacht wanneer het deel van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing dat niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt wordt gesloopt. De te behouden oppervlakte bedrijfsgebouwen is afhankelijk van de functie van het bedrijf dat zich er wil vestigen en is te zien in het ‘overzicht van hoofd- en nevenactiviteiten’ in bijlage 1;
-
Bij functieverandering naar huisvesting voor internationale werknemers moet er voldaan worden aan de aanbevelingen in het Actieplan internationale werknermers van West Maas en Waal en van het Aanjaagteam bescherming Arbeidsmigranten, zoals beschreven in de handreiking effectrapportage van het VNG.
-
Hergebruik voor wonen kan alleen bij karakteristieke of beeldbepalende bedrijfsbebouwing. Hierbij dient alle vrijgekomen (agrarische) bedrijfsgebouwen zonder karakteristieke of monumentale waarde gesloopt worden.
Sloop en herbouw van compensatiewoningen:
-
De initiatiefnemer heeft bij sloop van alle (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen de keuze zijn bestaande woning uit te breiden, een extra woning te bouwen of nieuwe bijbehorende bouwwerken op te richten.000
-
Bij sloop mag worden gekozen om de (voormalige) bedrijfswoning tot maximaal 1.200 m3 uit te breiden. De toegestane inhoud van de uitbreiding is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte gebouwen, zoals vermeld in de volgende tabel:
|
Gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen in m2 |
Extra uitbreiding woning in m3 |
|
0‑750 m2 |
0,5 m3 per gesloopte m2 |
|
>750 m2 |
0,35 m3 per gesloopte m2 |
|
Gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen in m2 |
Compensatiewoningen |
|
0‑1000 m2 |
geen woningbouw |
|
1000‑2000 m2 |
1 vrijstaande woning |
|
2000‑3000 m2 |
2 vrijstaande woningen |
|
>3000 m2 |
3 vrijstaande woningen |
De bouw van compensatiewoningen is gekoppeld aan een zonering:
-
Compensatiewoningen mogen worden gerealiseerd op de oeverwal en in de overgangszone oeverwal-kom. Er mogen geen compensatiewoningen gerealiseerd worden in het komgebied.
Om bij de bouw van een extra woning voor saldering in aanmerking te komen gelden voor elk van de bij desaldering betrokken percelen de volgende voorwaarden:
-
voor elk perceel geldt dat alle vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met een minimum van 250 m2;
Om ongewenste situaties, functioneel gezien of vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, kan van de grenswaarde van 1000 m2 worden afgeweken om toch in aanmerking te komen voor de bouw van één compensatiewoning. Daarvoor in ruil kan de gemeente wel extra maatregelen eisen voor het verwijderen van verharding en/of versterking van natuur en landschap.
Voorstellen voor sloop en herbouw moeten aan volgende randvoorwaarden voldoen:
-
Goede landschappelijk en stedenbouwkundig inpassing conform de spelregels uit de dorpskwaliteitsplannen en landschapskwaliteitsplan
-
De huidige bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken, tuin en erf krijgt een bestemming wonen. De rest van het perceel behoudt de agrarische bestemming, maar dan zonder bouwvlak.
Hoofd- en nevenactiviteiten
Uitbreiding en nieuwvestiging van geitenhouderijen is niet mogelijk. Laanbomenteelt en pot- en containerteelt is niet toegestaan. Dit geldt in de kom en op de oeverwal.
Een ondernemer mag naast de agrarische hoofdfunctie één of meerdere nevenactiviteiten oprichten, onder deze voorwaarden:
-
De toegelaten nevenactiviteiten vinden plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering;
-
De functie is toegestaan als nevenactiviteit in het overzicht ‘Toegestane hoofd- en nevenactiviteiten in het buitengebied’;
-
Een totaal maximaal vloeroppervlakte van 350 m² mag worden gebruikt ten behoeve van alle nevenfuncties tezamen, waarbij ook rekening gehouden wordt met de toegestane groottes voor nevenactiviteiten zoals genoemd in het overzicht van ‘Toegestane hoofd- en nevenactiviteiten in het buitengebied’. Hierbij gaat het om de feitelijk bruikbare vloeroppervlakte binnen het bouwwerk (verdiepingsvloeren worden ook meegeteld);
-
Een vergunde nevenactiviteit op de verdiepingsvloer mag worden uitgebreid, alleen wanneer het om een uitbreiding van dezelfde nevenactiviteit gaat en onder de voorwaarden dat:
-
de nevenactiviteit ondersteunend blijft aan de agrarische bedrijfsvoering,
-
Alle parkeervoorzieningen ten behoeve van de nevenfunctie dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd.
-
De 80‑10‑10 regel is van toepassing bij de huisvesting van IW’ers die niet werkzaam zijn op het eigen bedrijf.
Verandering van hoofdactiviteit is alleen mogelijk bij gebruik van het VAB-beleid, zie hiervoor de vorige paragraaf.
Bijlage 1 Toegestane hoofd- en nevenactiviteiten
N = als nevenactiviteit mogelijk bij een agrarisch bedrijf
H = als hoofdactiviteit mogelijk bij toepassing van het VAB-beleid


[1] Hierbij gaat het om de feitelijk bruikbare vloeroppervlakte binnen het bouwwerk. Verdiepingsvloeren moeten dus meegeteld worden.
[2] Mits is aangetoond dat de nevenfunctie de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de natuur niet aantast.
[3] Deze activiteit is niet aan een maximum vloeroppervlakte gebonden.
[4] Huisvesting van IW’s is als hoofdactiviteit niet aan een maximum vloeroppervlakte gebonden.
Bijlage 2 Begrippenlijst
Agrarisch bedrijf
Dit begrip ziet op alle bedrijven die zien op het houden van dieren en het telen van gewassen. Agrarische bedrijven worden onderverdeeld in grondgebonden agrarische bedrijven en nietgrondgebonden agrarische bedrijven.[1]
[1] Bestemmingsplan thematische herziening agrarische bedrijven, gemeente West Maas en Waal, 2020.
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Een grondgebonden agrarisch bedrijf is een agrarisch bedrijf dat functioneel van - hoofdzakelijk zelfstandig in eigendom zijnde, gehuurde of gepachte - grond, als productiefactor afhankelijk is voor het houden van dieren, de teelt van (voeder)gewassen of de weidegang van vee, zoals een veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf.[1]
[1] Bestemmingsplan thematische herziening agrarische bedrijven, gemeente West Maas en Waal, 2020.
Niet-grondgebonden agrarisch bedrijf
Wanneer een agrarisch bedrijf niet afhankelijk is van de grond als productiefactor geldt het bedrijf als niet-grondgebonden. Voor zover het een veehouderij betreft: een intensieve veehouderij; Voor zover het een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij betreft: een agrarisch bedrijf dat functioneel niet of nagenoeg niet afhankelijk is van grond als productiefactor, maar waarvan de productie geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt in gebouwen, zoals een champignonkwekerij of pot- en containerteelt.
Intensieve veehouderij
In verband met de onduidelijkheid die ontstaat bij de beoordeling of een specifieke veehouderij als grondgebonden of niet-grondgebonden moet worden beschouwd, is ervoor gekozen om voor een limitatief aantal diersoorten aan te geven dat uitsluitend deze bedrijven als intensief moeten worden beschouwd. Dit zijn agrarische bedrijven gericht op het houden van varkens, kippen, vleeskuiken, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders.[1]
[1] Bestemmingsplan thematische herziening agrarische bedrijven, gemeente West Maas en Waal, 2020.
Natuurinclusieve landbouw
Vormen van land- en tuinbouw, die in hun bedrijfsvoering de natuur bovengemiddeld benutten, sparen en ervoor zorgen. Deze natuurlijke principes zijn onderdeel van het verdienmodel.[2]
[2] Kadernota Agrifood, provincie Gelderland, 2024.
Biologisch bedrijf
‘Biologisch’ is een wettelijk erkend Europees keurmerk, waar een agrarisch bedrijf voor moet worden gecertificeerd.[3] Tijdens een omschakelingsperiode kan men al wel biologisch boeren, maar pas na goedkeuring krijgt het bedrijf een bio‑certificaat, waarbij producten vanaf dan ook het keurmerk mogen dragen. Bij biologische landbouw staat het natuurlijke ecosysteem centraal, waarbij er dus geen kunstmest en synthetisch-chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dit is beter voor de biodiversiteit, bodem- en waterkwaliteit en dierenwelzijn. Skal-Biocontrole regelt de controle en certificering, en geeft ook richtlijnen waar een biologisch bedrijf aan moet voldoen en hoe deze kan omschakelen.
[3] Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2024
Kringlooplandbouw
Vorm van duurzame landbouw, waarbij de kringloop van toelevering van grondstoffen en mineralen en afzet van hoofd- en bijproducten zoveel mogelijk binnen Noord West Europa (ca. 600 km) wordt gesloten. Daarbij geldt: de kringloop zo klein als mogelijk (vooral grondstoffen en mineralen), en zo groot als nodig (import en afzet van de producten).[2]
[2] Kadernota Agrifood, provincie Gelderland, 2024.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl