Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767901
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767901/1
Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 20-10-2026
Intitulé
Algemene plaatselijke verordening Hollands KroonDe raad van de gemeente Hollands Kroon;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 2026;
gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994:
- -
20 november 2025 (deelgebied Wieringermeer);
- -
20 november 2025 (deelgebied Niedorp);
- -
20 november 2025 (deelgebied Wieringen);
- -
20 november 2025 (deelgebied Anna Paulowna).
- -
- b.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- c.
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
- d.
college: het college van burgemeester en wethouders;
- e.
gebouw: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
- f.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
- g.
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- h.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
- i.
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
- j.
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- k.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
- l.
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
- m.
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn
-
1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
-
2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
-
3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
-
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
-
2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
-
3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
-
1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
-
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
- a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
- c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
- d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
- e.
de houder dit verzoekt.
- a.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen
-
1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
-
2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden
-
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
- a.
de openbare orde;
- b.
de openbare veiligheid;
- c.
de volksgezondheid;
- d.
de bescherming van het milieu.
- a.
-
2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
-
1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.
-
2. Degene die op een openbare plaats:
- a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
- b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
- c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van een door het college of burgemeester aangewezen toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
- a.
-
3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te begeven op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
-
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
-
5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:2 (vervallen)
Artikel 2:3 betogingen op openbare plaatsen
-
1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
-
2. De kennisgeving bevat:
- a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
- b.
het doel van de betoging;
- c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
- d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
- e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
- f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
- a.
-
3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
-
4. Als de 48 uur voor de betoging valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag dan wordt het bericht 3 dagen voordat de betoging wordt gehouden (om uiterlijk 12.00 uur) gestuurd.
-
5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde periode verkorten en een mondeling bericht in behandeling nemen.
Artikel 2:4 (Vervallen)
Artikel 2:5 (Vervallen)
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [niet opgenomen]
Artikel 2:7 (Vervallen)
Artikel 2:8 (Vervallen)
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen [niet opgenomen]
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg (of een openbare plaats)
-
1. Het is niet toegestaan de openbare weg, een gedeelte van de openbare weg of een openbare plaats die in beheer is van de gemeente anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:
- a.
dat schade toebrengt aan de weg of openbare plaats;
- b.
dat een gevaar oplevert voor het gebruiken van de weg of openbare plaats of voor het doelmatig en veilig kunnen gebruiken van de weg of openbare plaats;
- c.
de weg of openbare plaats niet kan worden verzorgd en onderhouden;
- d.
de inrichting en/of het gebruik afwijkt van de publieke functie en openbare bestemming.
- a.
-
2. Burgemeester en wethouders kunnen, als dat nodig is voor de openbare orde of de woon- en leefomgeving, nadere regels bepalen voor terrassen en uitstallingen.
-
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van tweevlaks- of driehoeksborden en spandoeken in het kader van niet commerciële overheidscampagnes, culturele- of sportevenementen in en ten behoeve van de gemeente Hollands Kroon, alsmede alle verkiezingen, indien (voor wat betreft de borden) aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a.
een maximale breedte van 1,0 meter en een maximale hoogte van 1,35 meter;
- b.
de onderzijde van het bord niet hoger dan 0,5 meter boven de grond is geplaatst;
- c.
niet meer dan 5 per kern per overheidscampagne of cultureel- of sportevenement;
- d.
de borden binnen een week na het culturele of sportevenement worden verwijderd;
- e.
de borden ingeval van overheidscampagnes en verkiezingen na plaatsing gedurende een periode van maximaal 4 weken worden verwijderd.
- a.
-
4. Burgemeester en wethouders kunnen het aanbrengen van de borden en spandoeken als bedoeld in lid 3 verbieden als:
- a.
het gebruik schade toebrengt aan de weg;
- b.
het gebruik een gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg;
- c.
de weg niet kan worden verzorgd en onderhouden;
- d.
het bord is geplaatst aan een lichtmast met bewegwijzering of lichtbak.
- a.
-
5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 1 genoemde verbod.
-
6. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik als het gaat om lichtreclame of de opslag van materialen.
-
7. Het verbod geldt niet voor evenementen en standplaatsen.
-
8. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen, en veranderen van een weg (VFL)
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg [VFL]
Artikel 2:13 Vergunning deelmobiliteit [niet opgenomen]
Artikel 2:14 Winkelwagentjes [niet opgenomen]
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (VFL)
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen [niet opgenomen]
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting [niet opgenomen]
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijnen [niet opgenomen]
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs [niet opgenomen]
Afdeling 3. Evenementen
Artikel 2:24 Definities
-
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
- a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
- b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
- c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
- d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
- e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
- f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;
- g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
- a.
-
2. Onder evenement wordt mede verstaan:
- a.
een herdenkingsplechtigheid;
- b.
een braderie;
- c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
- d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
- e.
een straatfeest of buurtbarbecue;
- f.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
- a.
Artikel 2:24a Evenementenkalender
-
1. Jaarlijks wordt door de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord een regionale evenementenkalender vastgesteld. Deze regionale evenementenkalender geldt als Evenementenkalender als bedoeld in deze afdeling.
-
2. Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan jaarlijks van 1 september tot 1 oktober de burgemeester verzoeken een vergunningsplichtig evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid.
-
3. Het verzoek moet gedaan worden op een door de burgemeester vastgesteld formulier.
-
4. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 2:25c, tweede lid, onder a en b.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
-
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
-
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:25a en artikel 2:25b zijn evenementen als bedoeld in artikel 2:24 tweede lid onder f altijd vergunningplichtig.
-
3. Het verbod geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
-
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:25a Meldingsplichtige evenementen
-
1. Er is geen vergunning, maar een melding nodig als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
het aantal tegelijkertijd aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;
- b.
het gaat om een ééndaags evenement;
- c.
het evenement, inclusief op- en afbouw, plaatsvindt tussen 07:00 – 24:00, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een officiële feestdag tussen 07:00 – 24:00 uur en zondag tussen 13:00 – 23:00 uur;
- d.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement en een half uur voor beëindiging van het evenement de muziek en verkoop van dranken en etenswaren wordt gestaakt;
- e.
geen alcoholhoudende drank wordt verkocht; en
- f.
er een organisator is.
- g.
het evenement niet plaatsvindt op de weg, een (brom)fietspad, parkeerplaats of een andere locatie waardoor hinder ontstaat voor het verkeer of de hulpdiensten;
- h.
uitsluitend kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object;
- i.
de organisator het evenement ten minste vier weken voor de start van het evenement meldt bij de burgemeester;
- a.
-
2. De vrijstelling van de vergunning geldt niet voor de op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder f, door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Artikel 2:25b Algemene bepalingen
-
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, wordt aangevraagd of een melding als bedoeld in artikel 2:25a, eerste lid wordt gedaan door degene die voornemens is het evenement te organiseren, door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
-
2. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van de indieningsvereisten voor een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid en een melding als bedoeld in artikel 2:25a.
-
3. De burgemeester kan procedureregels vaststellen voor het toewijzen van evenementen.
-
4. Tenzij een evenementenvergunning dat uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een evenement, inclusief op- en afbouw, te organiseren voor 07.00 en na 24.00 uur, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een officiële feestdag voor 07.00 uur en na 01.00 uur en zondag voor 13.00 en na 24.00 uur.
-
5. De burgemeester stelt algemene voorschriften vast die van toepassing zijn voor het houden van evenementen.
-
6. Het is verboden om te handelen in strijd met de door de burgemeester vastgestelde algemene voorschriften.
-
7. Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk vergunningsplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen niet zijnde belastingen of retributievoorschriften.
Artikel 2:25c Weigeringsgronden
-
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 tweede lid kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren als de volledige aanvraag daarvoor minder dan vijf weken voor de datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Als de vergunningaanvraag een evenement betreft dat volgens de risicoscan gekwalificeerd is als "aandacht" of "risico" geldt een termijn van twaalf weken.
-
2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren als:
- a.
op de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:24a al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan, dan wel daarvoor een vergunning is verleend of melding is geaccepteerd.
- b.
het evenement niet voorkomt op de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:24a.
- c.
de organisator of vergunningaanvrager van een evenement van slecht levensgedrag is.
- a.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
-
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
-
2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definitie openbare inrichting
-
1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, (dorps)café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
-
2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
-
1. Voor het exploiteren van een openbare inrichting is een vergunning van de burgemeester nodig.
-
2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
-
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
- a.
de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
- b.
de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
- a.
-
4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
- a.
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
- b.
zorginstelling;
- c.
museum; of
- d.
bedrijfskantine of – restaurant
- a.
-
5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.
Artikel 2:29 Sluitingstijden
-
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten en er zijn geen bezoekers aanwezig op:
- a.
maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur;
- b.
op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur;
- c.
op 1 januari tussen 04.00 uur en 06.00 uur.
- a.
-
2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
-
3. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
-
4. Het eerste en het tweede lid gelden niet in die situaties waarvoor in of volgens de Wet milieubeheer, de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving bepalingen zijn opgenomen.
-
5. Na 01.00 uur mogen geen bezoekers meer worden toegelaten in een openbare inrichting.
-
6. Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben of daarop bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23:00 en 6:00 uur.
-
7. De burgemeester kan maximaal zes keer per jaar voor een terras ontheffing verlenen van de sluitingstijd tot 1:00 uur.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
-
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:30a Sluiting horecabedrijf
-
1. De burgemeester kan een horecabedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd sluiten indien:
- a.
dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;
- b.
het horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
- c.
zich een of meer van de omstandigheden als bedoeld in artikel 2:28, derde lid, voordoen.
- a.
-
2. Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:30b Sluiting gebouw of ruimte
-
1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:
- a.
zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen;
- b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
- c.
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
- d.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of
- e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat.
- a.
-
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:30c Regels met betrekking tot sluiting
-
1. De burgemeester kan het besluit tot sluiting verlengen indien de gronden die tot sluiting hebben geleid nog steeds aanwezig zijn.
-
2. De burgemeester kan het sluitingsbevel intrekken dan wel niet verlengen als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
-
3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.
-
4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
-
5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.
-
6. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.
-
7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bijbehorend erf.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
-
1. Het is verboden in een openbare inrichting:
- a.
de orde te verstoren;
- b.
zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid, artikel 2:30a of artikel 2:30b.
- c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
- a.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2:34a Definities
-
1. De definities van artikel 1 van de Alcoholwet zijn op deze afdeling van toepassing.
-
2. Onder wijk- en buurtcentra wordt verstaan: een openbaar gebouw dat als centrum dient voor het sociaal maatschappelijke en culturele leven van een buurt met plaats voor vergaderingen en voorzieningen voor activiteiten van recreatieve en educatieve aard.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
-
1. Een para-commerciële rechtspersoon mag alleen zwak alcoholhoudende drank schenken als zij daarvoor een vergunning als bedoeld in de Alcoholwet hebben.
-
2. Een paracommerciële rechtspersoon mag uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op maandag tot en met zondag vanaf 12:00 uur tot ten hoogste twee uur na beëindiging van de laatste activiteit die binnen de doelstelling van de rechtspersoon valt, waarbij de verstrekking in geen geval plaatsvindt na 24:00 uur.
-
3. De burgemeester kan 12 keer per jaar ontheffing verlenen van de schenktijden zoals opgenomen in lid 2.
-
4. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, alsmede tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken en die kunnen leiden tot oneerlijke mededinging met de reguliere horeca.
-
5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het vierde lid, indien sprake is van een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard, met een aantoonbare maatschappelijke betekenis, waarbij elk commercieel belang is uitgesloten.
Artikel 2.34c Verbod sterke drank bij paracommerciële rechtspersonen
Het is paracommerciële rechtspersonen verboden sterke drank te verstrekken.
Artikel 2.34d Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen
-
1. Paracommerciële rechtspersonen mogen bijeenkomsten van persoonlijke aard organiseren, alsmede bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken.
-
2. Het is verboden bij de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten alcoholhoudende drank te verstrekken.
-
3. In afwijking van het tweede lid is het toegestaan dat paracommerciële rechtspersonen per kalenderjaar ten hoogste zes bijeenkomsten van persoonlijke aard aanwijzen waarbij wel alcoholhoudende drank wordt verstrekt.
Artikel 2.34e Schenktijden en verbod verstrekken van sterke drank
-
1. Het is verboden buiten de tijden zoals opgenomen in artikel 2:34b alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, niet zijnde een paracommerciële inrichting, welke:
- a.
deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruik om onderwijs te geven aan leerlingen die merendeels de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.
- b.
deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties.
- c.
deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij één of meer sportorganisaties of –instellingen.
- a.
Artikel 2.34f Verbod ‘Happy hours’ [Niet opgenomen]
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie inrichting
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister (Vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities speelgelegenheid
-
1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
-
2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
-
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
-
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
-
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
- a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
- b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het Omgevingsplan.
- a.
-
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
-
1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
-
2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
-
1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
-
3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
-
1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
-
2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:45a Vervoer geprepareerde voorwerpen
-
1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
-
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
1. Het is verboden op een openbare plaats:
- a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
- b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
- a.
-
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
-
1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
-
2. Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
- b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
- a.
Artikel 2:48a [vervallen]
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
1. Het is verboden zonder redelijk doel:
- a.
zich in een portiek of poort op te houden;
- b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;
- c.
zich zonder redelijk doel op te houden op het terrein van een school.
- a.
-
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
-
1. Het is verboden om op een openbare plaats of in een voor het publiek bereikbare ruimte zonder reden aanwezig te zijn, op een manier die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
-
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarvoor in de artikelen 424, 426b is of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 andere bepalingen zijn opgenomen.
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
-
1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
-
2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
-
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke [niet opgenomen]
Artikel 2:53 Bespieden van personen
-
1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
-
2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats [niet opgenomen]
Artikel 2:55 (Vervallen)
Artikel 2:56 (Vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden
-
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
- a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
- b.
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
- c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
- d.
op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
- a.
-
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
-
3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
-
1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
-
3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
-
1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
-
2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
-
3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
- a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
- b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
- c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
- a.
-
4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
-
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op eigen terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester, een aanlijngebod of aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft medegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporing- en verdedigingswerk.
-
2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
- a.
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
- b.
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
- c.
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
- a.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren [niet opgenomen]
Artikel 2:61 (Vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee [niet opgenomen]
Artikel 2.63: Duiven [niet opgenomen]
Artikel 2:64 Bijen [niet opgenomen]
Artikel 2:65 Bedelarij [niet opgenomen]
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
-
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
- a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
- b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
- c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
- d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en;
- e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
- a.
-
2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
-
3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
- a.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
- I.
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
- II.
van een verandering van de onder I bedoelde adressen;
- III.
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
- IV.
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
- I.
- b.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
- c.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
- d.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 (Vervallen)
Artikel 2:70 (Vervallen)
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbid
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a.
consumentenvuurwerk: vervallen
- b.
carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee vergelijkbaar voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water met gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen (vervallen)
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk (vervallen)
Artikel 2:73a Carbid schieten
-
1. Het is verboden:
- a.
acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbid-chemische formule CAC2) water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen;
- b.
al dan niet vernevelde, vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen, in een wel of niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden op zo een manier dat daardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.
- a.
-
2. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor publiek bereikbare plaats bij zich te hebben of achter te laten zodat anderen per ongeluk met de stof in contact kunnen komen.
-
3. Het is verboden carbid af te leveren en voor aflevering bij zich te hebben als wordt vermoed of als bekend is dat daarvan gebruik wordt gemaakt zoals wordt omschreven in lid 1.
-
4. Het bepaalde in lid 2 en 3 geldt niet voor de persoon die kan aantonen dat het carbid niet bedoeld is voor het genoemde in lid 1.
-
5. Het verbod zoals opgenomen in lid 1 onder b geldt niet voor het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren.
-
6. Het verbod zoals opgenomen in lid 1 onder a, geldt niet voor het gebruik van carbid voor het bereiken van een knaleffect of het verschieten van voorwerpen, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
- a.
Het gebruik mag alleen plaatsvinden met een of meer melkbussen, of voorwerpen die daarop lijken, met elk een maximale inhoud van 50 liter.
- b.
Het gebruik mag alleen plaatsvinden op 31 december van 10.00 uur tot 18.00 uur.
- c.
Bij het verschieten van voorwerpen moet de schootsrichting zijn aangegeven en de plaats vanwaar geschoten wordt. Deze plaats moet gelegen zijn:
- •
op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing, en
- •
op een afstand van tenminste 300 meter van voorzieningen die worden gebruikt worden voor het houden van dieren.
- •
- d.
Er wordt een melding gedaan waarbij ten minste de volgende gegevens worden verstrekt:
- 1°.
een kaart waarop de locatie van dat terrein staat;
- 2°.
een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein waar dat gebruik zal plaatsvinden;
- 3°.
bij het verschieten van voorwerpen moet de schootsrichting zijn aangegeven en de plaats vanwaar geschoten wordt.
- 1°.
- a.
-
7. Dit artikel is niet van toepassing als de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht geldt.
Afdeling 11. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen:
- •
2:1 (samenscholingsverbod),
- •
2:3 (betogingen op openbare plaatsen),
- •
2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen),
- •
2:49 (verboden gedrag in of bij gebouwen),
- •
2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten)
- •
2:73a (gebruik van vuurwerk en carbid)
of 8.30 (verbod om afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of op een andere manier vuur te stoken) van de Verordening fysieke leefomgeving Hollands Kroon groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan volgens artikel 151b van de Gemeentewet een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. De burgemeester doet dat als de openbare orde wordt verstoord door de aanwezigheid van wapens of als er ernstige vrees is dat dit kan ontstaan.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
-
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen 6 maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 12 weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijke ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
-
4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.
-
5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
-
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
-
2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
- a.
geluid- of geurhinder
- b.
hinder van dieren
- c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn
- d.
overlast door vervulling of verwaarlozing van een woning of een erf
- e.
intimidatie van derden vanuit een woning of bijbehorend erf
- a.
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
-
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
-
3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
-
4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
-
5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
-
6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Afdeling 12a. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
-
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3;
- b.
beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;
- c.
exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
- a.
-
2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
-
3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.
-
4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:
- a.
voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;
- b.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;
- c.
het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
- d.
het nummer van inschrijving in het Handelsregister;
- e.
voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;
- f.
voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
- g.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
- h.
een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.
- a.
-
5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
- a.
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
- b.
als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- c.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
- d.
als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;
- e.
als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- f.
als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het Omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
- a.
-
6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.
-
7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
-
8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.
-
9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:
- a.
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- b.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
- c.
er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
- d.
er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- e.
de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of
- f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
- a.
-
10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
-
11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.
-
12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
-
13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.
-
14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.
-
16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 13. Huisvesting arbeidsmigranten
Artikel 2:82 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a.
arbeidsmigrant: een persoon van ten minste 18 jaar, afkomstig uit een ander land, die op grond van zijn of haar nationaliteit (een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland) dan wel een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, legaal in Nederland mag verblijven en hier actieve arbeid verricht.
- b.
huisvestingsvoorziening: voor (tijdelijke) bewoning van arbeidsmigranten geschikt gemaakte woningen of gebouwen of tijdelijke bouwwerken.
Artikel 2:83 Exploitatievergunning huisvestingsvoorziening arbeidsmigranten
-
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een huisvestingsvoorziening te exploiteren voor de huisvesting van meer dan vier arbeidsmigranten.
-
2. Een vergunning wordt per huisvestingsvoorziening aangevraagd door:
- a.
een in de gemeente Hollands Kroon gevestigde ondernemer ten behoeve van de huisvesting van voor zijn onderneming werkzame arbeidsmigranten;
- b.
een Algemene Branchevereniging voor Uitzendondernemingen (ABU);
- c.
een door de Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars (VIA) gecertificeerd uitzendbureau; of
- d.
de eigenaar van de locatie waar gehuisvest wordt,
- a.
-
3. In de aanvraag voor de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
- a.
de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en beheerder;
- b.
het adres van de huisvestingsvoorziening;
- c.
het aantal personen dat in de huisvestingvoorziening verblijf wordt verschaft;
- d.
de periode waarin in de huisvestingsvoorziening aan de personen verblijf wordt verschaft;
- e.
de totale woonoppervlakte die in de huisvestingvoorziening voor verblijf beschikbaar is;
- f.
het aantal beschikbare parkeerplaatsen.
- a.
-
4. Het college kan ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 1:8 en in het belang van de bescherming van de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.
-
5. Een vergunning wordt verleend voor een bepaald aantal huisvestingsplaatsen.
-
6. Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:84 Gedragseisen exploitant en beheerder
De exploitant en de beheerder:
- a.
staan niet onder curatele;
- b.
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van het college;
- c.
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2:85 Weigeringsgronden
-
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de exploitatievergunning indien:
- a.
aannemelijk is dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de huisvestingsvoorziening op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
- b.
het beoogde gebruik in strijd is met het omgevingsplan.
- c.
niet voldaan wordt aan de Beleidsregels huisvesting arbeidsmigranten gemeente Hollands Kroon dan wel de regeling die daarop volgt;
- d.
de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:84 gestelde eisen.
- a.
Artikel 2:86 Verschaffing gegevens nachtregister
Op deze afdeling is afdeling 6 van overeenkomstige toepassing, voor zover sprake is van het verschaffen van nachtverblijf.
Artikel 2:87 Intrekking van de vergunning
-
1. Aanvullend op het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de vergunning intrekken wanneer:
- a.
zich een omstandigheid voordoet of blijkt op grond waarvan de vergunning op grond van artikel 2:85 zou zijn geweigerd.
- a.
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 3:1 Afbakening
De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 3:2 Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a.
advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;
- b.
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;
- c.
bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;
- d.
escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;
- e.
exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;
- f.
klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;
- g.
prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
- h.
prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
- i.
prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;
- j.
raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;
- k.
seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;
- l.
seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
- m.
werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:3 Vergunning
-
1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
-
2. Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.
-
3. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
-
4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
-
5. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.
-
6. De vergunning wordt voor de duur van 5 jaar verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.
Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen [niet opgenomen]
Artikel 3:5 Maximumaantal vergunningen
Er kan voor in totaal ten hoogste twee seksbedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, vergunning worden verleend.
Artikel 3:6 Aanvraag
-
1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
-
2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
- a.
de persoonsgegevens van de exploitant;
- b.
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
- c.
of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;
- d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
- e.
het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;
- f.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
- a.
-
3. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;
-
4. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;
-
5. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;
-
6. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;
-
7. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;
-
8. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.
-
9. Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.
-
10. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 3:7 Weigeringsgronden
-
1. Een vergunning wordt geweigerd als:
- a.
de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
- b.
de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
- c.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
- d.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overlegd vallen hier ook onder;
- e.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
- f.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
- g.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
- h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
- 1°.
bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de deze verordening;
- 2°.
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
- 3°.
artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- 4°.
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 5°.
de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
- 6°.
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
- 1°.
- i.
er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt.
- j.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal opleveren met het Omgevingsplan Hollands Kroon van rechtswege dan wel diens rechtsopvolger, of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan.
- a.
-
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld:
- a.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
- b.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.
- a.
-
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
-
4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
-
5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
- a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
- b.
als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
- c.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;
- d.
als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;
- e.
als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;
- f.
als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
- g.
als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
- a.
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
-
1. De vergunning vermeldt in ieder geval:
- a.
de naam van de exploitant;
- b.
voor zover van toepassing, die van de beheerder;
- c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
- d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
- e.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
- f.
voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
- g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
- h.
de geldigheidsduur van de vergunning;
- i.
het nummer van de vergunning.
- a.
-
2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend.
Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
-
1. De vergunning wordt ingetrokken als:
- a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
- b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
- c.
is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
- d.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
- e.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;
- f.
de vergunninghouder dat verzoekt;
- g.
de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het Omgevingsplan.
- a.
-
2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:
- a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
- b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder weegt dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
- c.
een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
- d.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
- e.
is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
- f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
- g.
de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
- h.
er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
- i.
gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
- a.
Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Artikel 3:11 Verlenging vergunning
-
1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.
-
2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.
Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven
Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
-
1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 en 06:00, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
-
2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.
-
3. Het is een prostituee verboden zich te bevingen in een seksrichting tussen 00:30 en 7:30, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
-
4. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
-
5. Met het oog op de openbare orde en veiligheid kan het bevoegd bestuursorgaan tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of, tijdelijk of voor altijd, een gedeelte of de gehele inrichting sluiten.
Artikel 3:13 Adverteren
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
- a.
geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;
- b.
vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en
- c.
als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees
Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf
-
1. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:
- a.
nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;
- b.
in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
- a.
-
2. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.
Artikel 3:15 Bedrijfsplan
-
1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:
- a.
op het gebied van hygiëne;
- b.
ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;
- c.
ter bescherming van de gezondheid van de klanten;
- d.
ter voorkoming van strafbare feiten.
- a.
-
2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:
- a.
de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;
- b.
inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;
- c.
in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;
- d.
in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;
- e.
de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;
- f.
de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;
- g.
de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;
- h.
de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;
- i.
de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;
- j.
aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;
- k.
de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;
- l.
de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;
- m.
de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;
- n.
de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;
- o.
de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
- a.
-
3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.
-
4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
-
5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.
-
6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.
Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte [niet opgenomen]
Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
-
1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
-
2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:
- a.
de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;
- b.
er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;
- 1°.
de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;
- 2°.
de verhuuradministratie;
- 3°.
met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;
- 4°.
de werkroosters van de beheerders;
- 1°.
- c.
de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;
- d.
medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;
- e.
onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;
- f.
onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;
- g.
gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.
- a.
Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie
Artikel 3:18 Raamprostitutie [niet opgenomen]
Artikel 3:19 Straatprostitutie
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.
Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie [niet opgenomen]
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten [niet opgenomen]
Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
-
1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Artikel 4:1 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- •
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
- •
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
- •
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
- •
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
- •
inrichting : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
- •
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten (VFL)
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten (VFL)
Artikel 4:4 (Vervallen)
Artikel 4:5 Onversterkte muziek [Niet opgenomen]
Artikel 4:5a Traditioneel schieten (VFL)
Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht
-
1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
-
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
-
4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a.
het maximale geluidsniveau;
- b.
de situering van geluidsbronnen;
- c.
de frequentie en tijden van gebruik.
- a.
-
5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren
Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Artikel 4:5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
Artikel 4:5e Geluidhinder door vrachtauto’s
-
1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
-
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 4:5f Routering [niet opgenomen]
Artikel 4:5g Geluidhinder van knalapparaten
-
1. Het is verboden om zonder voorafgaande melding knalapparatuur te gebruiken.
-
2. Een knalapparaat mag alleen in werking zijn als:
- a.
het alleen wordt gebruikt voor de noodzakelijke verjaging van wild en/of gevogelte om schade aan gewassen te voorkomen dan wel te verminderen;
- b.
tussen 07.00 uur en 21.00 uur;
- c.
het op een geluidsgevoelig object van een derde een waarde van maximaal 75 dB(A) veroorzaakt;
- d.
de afstand tussen een knalapparaat en een geluidsgevoelig object van een derde minimaal 250 meter bedraagt;
- e.
de afstand tussen een knalapparaat en de openbare weg minimaal 50 meter bedraagt;
- f.
de loop van een knalapparaat niet op een geluidsgevoelig object staat gericht;
- g.
de knalfrequentie maximaal 6 knallen per uur bedraagt;
- h.
binnen 50 meter van een knalapparaat geen ander knalapparaat in werking is;
- i.
dit apparaat iedere keer na 3 dagen, tenminste 25 meter wordt verplaatst;
- j.
dit apparaat op hetzelfde perceel, tijdens een aangesloten periode van maximaal 4 weken in werking is.
- a.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
-
1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
-
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:6a Mosquito [Niet opgenomen]
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:7 Straatvegen [Niet opgenomen]
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (VFL)
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10 Definities (VFL)
Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (VFL)
Artikel 4:12 (Vervallen)
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (VFL)
Artikel 4:14 (Vervallen)
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
-
1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
-
2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
-
3. Reclameborden zijn alleen op eigen terrein toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a.
niet hoger dan 1 meter;
- b.
de oppervlakte is niet meer dan 2 m².
- c.
binnen een beschermd dorpsgezicht of welstandsintensief gebied moet de plaatsing voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Langs wegen zijn reclameborden waarop filmpjes worden vertoond niet toegestaan. Wisselen van beelden mag wel, als er niet te vaak wordt gewisseld.
- d.
het reclamebord is gelijk aan de rijbaan en in één blik zichtbaar.
- e.
reclameborden in strijd met de goede zeden zijn niet toegestaan.
- a.
-
4. Het plaatsen van verrijdbare handelsreclame binnen de bebouwde kom is niet toegestaan. Dit verbod geldt niet als lid 5 van toepassing is.
-
5. Het plaatsen van verrijdbare handelsreclame binnen de bebouwde kom is toegestaan wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
niet meer dan 1 per kern;
- b.
de plaatsing het doelmatig en veilig gebruik en het onderhoud van de weg niet belemmert;
- c.
de verrijdbare handelsreclame na plaatsing gedurende een periode van maximaal 2 weken wordt verwijderd;
- d.
bij plaatsing op gemeentegrond een melding gebruik gemeentegrond moet zijn gedaan, minimaal 4 weken voor plaatsing van de verrijdbare handelsreclame;
- e.
maximale hoogte 3 meter gemeten vanaf het maaiveld en een oppervlakte van maximaal 9 m2.
- a.
Artikel 4:16 (Vervallen)
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:17 Definitie
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
-
1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
-
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
-
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:
- a.
natuur en landschap; of
- b.
een stadsgezicht.
- a.
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
-
1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
-
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod
Artikel 5:1 (Vervallen)
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke [Niet opgenomen]
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen [Niet opgenomen]
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
-
1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
-
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:5a Weesmotorvoertuigen
-
1. Het is verboden om een voertuig langer dan 56 dagen onafgebroken op de weg stil te laten staan.
-
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet als andere artikelen van deze afdeling al voorzien in regels over hetzelfde onderwerp.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
-
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
- a.
langer dan gedurende zeven achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;
- b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
- a.
-
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.
-
3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
-
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:7 Reclamevoertuigen
-
1. Het is verboden een voertuig of aanhangwagen dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
-
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8 Grote voertuigen
-
1. Het is verboden om een voertuig dat inclusief lading, een lengte heeft van meer dan 6,4 meter of een hoogte van meer dan 2,9 meter, te parkeren op de openbare weg binnen de bebouwde kom.
-
2. Het verbod geldt niet op de locaties die in het uitvoeringsbesluit: ‘kaart vrachtwagen parkeerplekken’ aangegeven staan. Deze kaart is toegevoegd als bijlage bij de Verordening.
-
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
-
4. Het verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
-
5. Het college kan in bijzondere situaties een ontheffing verlenen.
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen [Niet opgenomen]
Artikel 5:10 (Vervallen)
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen [Niet opgenomen]
Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen
-
1. Het is in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente en/of ter voorkoming van overlast dan wel hinder of gevaarzetting dan wel ter voorkoming van schade verboden op door het college aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden op of aan een openbare plaats, dan wel in of buiten de openbare fietsparkeervoorzieningen, (brom)fietsen of vergelijkbare vervoermiddelen
- a.
langer dan een maand onafgebroken te laten staan;
- b.
die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeren langer dan drie achtereenvolgende dagen te laten staan
- a.
Afdeling 2. Collecteren
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurswerving
-
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
-
2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
-
3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:
- a.
in besloten kring;
- b.
door een instelling met een CBF-keurmerk wordt uitgevoerd;
- c.
door een andere, door het college aangewezen instelling.
- a.
-
4. Het collecteren is toegestaan op maandag t/m zaterdag tussen 08:00 en 20:00 uur.
-
5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 3. Venten
Artikel 5:14 Definitie
-
1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.
-
2. Onder venten wordt niet verstaan:
- a.
het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
- b.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
- c.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.
- a.
Artikel 5:15 Ventverbod
-
1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten tussen 22:00 en 09:00 uur.
-
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 5:16 (Vervallen)
Afdeling 4. Standplaatsen
Artikel 5:17 Definitie
-
1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
-
2. Onder standplaats wordt niet verstaan:
- a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
- a.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
-
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
-
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
-
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
- a.
de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of
- b.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
- a.
-
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
-
1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
-
2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:21 (Vervallen)
Afdeling 5. Snuffelmarkten
Artikel 5:22 Definitie
-
1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.
-
2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:
- a.
een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- b.
een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
- a.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
-
1. Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren:
- a.
wegens strijd met het omgevingsplan;
- b.
als de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu; of
- c.
zonder voorafgaande melding.
- a.
-
2. De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, binnen vier weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van:
- a.
naam en adres van de organisator;
- b.
adres van de locatie waar de snuffelmarkt gehouden wordt;
- c.
de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;
- d.
de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;
- e.
het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;
- f.
het aantal standplaatsen; en
- g.
het te verwachten aantal bezoekers.
- a.
-
3. De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen 2 weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen een week na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.
-
4. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water [Niet opgenomen]
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen [Niet opgenomen]
Artikel 5:26 (Vervallen)
Artikel 5:27 (Vervallen)
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken [Niet opgenomen]
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen [Niet opgenomen]
Artikel 5:30 Veiligheid op het water [Niet opgenomen]
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
-
1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
-
2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Artikel 5:31a Vaartuigwrakken
-
1. Het is verboden een vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud, in een kennelijke verwaarloosde toestand, deels gezonken of geheel gezonken is in de openbare wateren te laten liggen.
-
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:32 Crossterreinen (VFL)
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden [Niet opgenomen]
Afdeling 8. Vuurverbod
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken (VFL)
Afdeling 9. Verstrooiing (VFL)
Artikel 5:35 Definitie (VFL)
Artikel 5:36 Verboden plaatsen (VFL)
Artikel 5:37 Hinder of overlast (VFL)
Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6:1 Strafbepaling
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op basis van deze verordening gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 6:2 Toezichthouders
-
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:
- o
medewerkers Handhaving I;
- o
medewerkers Handhaving II;
- o
medewerkers Handhaving III;
- o
medewerkers handhaving IV, zowel werkzaam als ingehuurd bij team Veiligheid en Handhaving alsmede de medewerkers van de Nationale Politie.
- o
-
2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4 Intrekking oude verordening
De Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon, vastgesteld bij raadsbesluit van 29 januari 2026 wordt ingetrokken.
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
-
1. Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
-
2. Nieuwe huisvestingsvoorzieningen voor de huisvesting van meer dan vier arbeidsmigranten moeten vanaf de datum waarop de wijzigingen in deze verordening in werking treedt een exploitatievergunning voor de huisvesting arbeidsmigranten aanvragen. Zonder exploitatievergunning mag niet worden gestart met de huisvesting van arbeidsmigranten. Bestaande huisvestingsvoorzieningen voor de huisvesting van arbeidsmigranten die vóór de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen in deze verordeningen APV zijn gevestigd, ontvangen binnen de overgangsperiode van tien jaar een uitnodiging om een exploitatievergunning aan te vragen. Zij mogen hun activiteiten voortzetten totdat er een besluit is genomen over de aanvraag. Na afloop van de overgangsperiode van tien jaar moet iedere huisvestingsvoorziening voor de huisvesting van arbeidsmigranten beschikken over een exploitatievergunning.
Artikel 6.6 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat zij bekend is gemaakt.
Artikel 6:7 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 oktober 2026.
Griffier,
J.M.M. Vriend
Burgemeester,
A. van Dam
Bijlage 1 kaart vrachtwagen parkeren
Parkeren grote voertuigen - Gemeente Hollands Kroon voor een meer gedetailleerde kaart.
Toelichting
Algemeen
Bij de herziening van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de modelverordening van de VNG als uitgangspunt genomen. De modelverordening wordt breed geaccepteerd als basis voor gemeentelijke regelgeving. Aanpassing vindt plaats als gewijzigde wetgeving en jurisprudentie die vereisen.
Opbouw APV
Deze nieuwe APV volgt de opbouw en artikelnummering van de model APV van de VNG.
- •
Bij sommige artikelen staat (vervallen). Dit houdt in dat deze artikelen in de model APV niet meer zijn opgenomen.
- •
Bij sommige artikelen staat (VFL). Dit betekent dat dit onderwerp geregeld is in de Verordening Fysieke leefomgeving Hollands Kroon.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities
In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.
Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.
Bebouwde kom: voor het begrip bebouwde kom is aangesloten bij de bebouwde kommen die op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 zijn vastgesteld. Binnen de gemeente Hollands Kroon betreft dit de besluiten voor de deelgebieden Wieringermeer, Niedorp, Wieringen en Anna Paulowna van 20 november 2025.
Verschillende bepalingen in deze verordening zijn uitsluitend van toepassing binnen de bebouwde kom. Door aan te sluiten bij de op grond van de Wegenverkeerswet vastgestelde grenzen is duidelijk welke gebieden daaronder vallen.
Bouwwerk: voor het begrip bouwwerk is aangesloten bij de definitie in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.
Bromfiets: de definitie van bromfiets sluit aan bij artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. Hierdoor wordt voorkomen dat binnen de APV een afwijkende uitleg van dit begrip ontstaat.
Gebouw: deze omschrijving verwijst naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.
Handelsreclame: de definitie van handelsreclame sluit aan bij artikel 7, vierde lid, van de Grondwet. Daaronder wordt iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten verstaan waarmee een commercieel belang wordt gediend.
Motorvoertuig: voor het begrip motorvoertuig is aangesloten bij de definitie in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Openbaar water: de term openbaar heeft geen bijzondere juridische betekenis. Het gaat om water dat feitelijk voor het publiek toegankelijk is.
Openbare plaats: de definitie is ontleend aan artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. Hieronder vallen onder meer de weg en bepaalde voor het publiek toegankelijke ruimten.
Parkeren: de definitie van parkeren sluit aan bij artikel 1 van het RVV 1990. Daaronder wordt verstaan het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
Rechthebbende: Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.
Voertuig: De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.
Weg: de definitie is ontleend aan artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Het betreft, kort gezegd, de voor het openbaar verkeer openstaande wegen met de daarbij behorende paden, bermen en andere toebehoren. De weg maakt tevens onderdeel uit van het begrip openbare plaats.
Artikel 2:1 Beslistermijn
Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. De VNG heeft een beslistermijn van acht weken als voorbeeld opgenomen (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere of langere, beslistermijn of zelfs per type besluit voor verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in de APV op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn.
Artikel 4:14 van de Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen ingevolge artikel 6:2, onder b, van de Awb in bezwaar en beroep gaan.
Artikel 4:14 van de Awb schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit. Zie hierover ook bijvoorbeeld Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 10 (MvT Wet dwangsom en beroep). Daar wordt zelfs gezegd dat een dergelijk briefje in feite juist 'een uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan (is) dat het in gebreke is'.
Hoofdstuk 2. Openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Algemeen
In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder ander voor demonstraties, optochten en feesten, vragen om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Algemeen
Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204).
Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.
Jurisprudentie
HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 (bromfietsverbod Sneek), HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 (rijverbod Schiermonnikoog) en ARRS 05-03-1981, Gst. 1981, 6678 (rijverbod Vlieland). De raad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer op wegen – ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.
In de verordening zijn regels voor handelsreclame toegevoegd. Deze regels werden gemist in beoordeling van aanvragen voor het plaatsen van reclame. Reclame is alleen toegestaan op eigen terrein. Voor het plaatsen van reclame is een omgevingsvergunning nodig. In bepaalde situaties is dit, binnen de bebouwde kom niet noodzakelijk. Het plaatsen van tijdelijke reclame in de vorm van driehoeksborden rondom lantaarnpalen blijft verboden. Dit verbod is opgenomen met het oog op tegengaan van verrommeling en ontsiering van de openbare ruimte. Dat geldt niet voor niet-commerciele activiteiten als overheidscampagnes, sport- en cultuurevenementen. Dit zijn geen commerciele activiteiten en beogen een algemeen belang. Deze zijn onder voorwaarden vrijgesteld van het verbod tot plaatsen van tweehoeks- of driehoeksborden of spandoeken.
Afdeling 3. Evenementen
Artikel 2:24 Definities
Dit artikel bevat de begripsbepalingen die specifiek gelden voor evenementen. De definities zijn opgenomen om duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de evenementenregels in deze afdeling.
Algemeen
Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid en dergelijke.
Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden.
In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het artikel geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Algemeen
Deregulering
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2009 bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de APV gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met een overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is er niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. Anderzijds hebben veel gemeenten toch behoefte aan de horeca-exploitatievergunning. Deze gemeenten zijn namelijk van mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare orde en het tegengaan van de overlast.
De VNG heeft gekozen voor het handhaven van het model horeca-exploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die
- •
niet onder de Alcoholwet vallen, dit in verband met de Bibob-toets, en
- •
wel onder de Alcoholwet vallen en die voor ernstige overlast hebben gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een vrijstelling van de vergunningplicht. In de toelichting bij artikel 2:28, vijfde lid, wordt dit nader uitgewerkt.
Het staat gemeenten uiteraard vrij om de horeca-exploitatievergunning geheel af te schaffen of geheel te handhaven. Het hier weergegeven systeem is een alternatief. In ieder geval geldt ook bij het alternatieve systeem dat het zo lastenarm mogelijk uitgevoerd moet worden.
Dienstenrichtlijn
De Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, wel noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om vestiging van een openbare inrichting waarvoor artikel 9 van de Dienstenrichtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang.
Dit begrip omvat onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de Dienstenrichtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de landsgrens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een vergunningstelsel kent.
Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn vereist duidelijke, ondubbelzinnige, objectieve, vooraf bekendgemaakte, transparante en toegankelijke criteria om te voorkomen dat bestuursorganen hun bevoegdheden op willekeurige wijze uitoefenen.
Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet volstaat voor de regeling van de horeca is de VNG van mening dat een algemene regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de vergunning. Alleen door het stellen van vergunningvoorwaarden aan de ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het confectiepak voldoet hier niet. Zie ook ABRvS 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:350: Negatief Bibob-rapport geen vrijbrief voor negatieve vergunningbeslissing. Volgend op een negatief Bibob-rapport mag namelijk niet automatisch een voor het betrokken bedrijf negatieve beslissing worden genomen. De overheid dient eerst te toetsen of er met de besluitvorming wordt voldaan aan het evenredigheidsbeginsel.
Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.
Omgevingsplan
Een regeling via het Omgevingsplan acht de VNG minder adequaat. Een omgevingsplanplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een omgevingsplan een horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied een maximumstelsel in het leven te roepen. En dat gebeurt ook. Maar de burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar voor) verstoring van de openbare orde of om overlast buiten de inrichting tegen te gaan.
Natte en droge horeca
De reikwijdte van de Alcoholwet wordt bepaald door het begrip ‘horecabedrijf’ zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig ex artikel 3 van de Alcoholwet. Die vergunningplichtige bedrijven duiden we aan met de term natte horeca.
In artikel 2:27, eerste lid, wordt de term ‘openbare inrichting’ gebruikt.
Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende dranken – bijvoorbeeld lunchrooms of tearooms – en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders, en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops onder de APV te laten vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen.
Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond van de APV daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.
Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is er geen vergunning nodig.
Zijn afhaalzaken openbare inrichtingen?
Zaken waar etenswaren worden verkocht of bereid die direct voor consumptie geschikt zijn maar waarin het niet mogelijk is om die etenswaren ter plekke te consumeren, vallen niet onder de definitie van ‘openbare inrichting’ in artikel 2:27, eerste lid. Het gaat bijvoorbeeld om traiteurs, pizzabakkers, sushi- of shoarmazaken die louter maaltijden op bestelling thuis afleveren of waar de maaltijden kunnen worden afgehaald.
Bibob-toets en VOG
Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteitstoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Alcoholwet juncto artikel 3, van de Bibob. De Alcoholwet geldt niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de vergunningplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een VOG te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De horeca-exploitatievergunning is immers op grond van artikel 1:5 persoonsgebonden.
Artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob bepaalt dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 (bijvoorbeeld als sprake is van het plegen van of het verkrijgen van voordeel uit het plegen van strafbare feiten). Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen (tweede lid).
Ditzelfde geldt voor een gemeentelijke ontheffing (derde lid). Dit betekent dat voor het verlenen van een exploitatievergunning in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor. De Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek. Overigens mag een negatief Bibob-rapport niet automatisch leiden tot een voor het betrokken bedrijf negatieve beslissing op de vergunningaanvraag. De overheid dient eerst te toetsen of met de besluitvorming wordt voldaan aan het evenredigheidsbeginsel (ABRvS 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:350).
Overige wet- en regelgeving
Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Alcoholwet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Omgevingswet, Wok en Opiumwet.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Algemeen
Oneerlijke mededinging
De op basis van artikel 4 van de Alcoholwet door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de MvT (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, p. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Concreet komt het er op neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden.
Verplichte en niet verplichte bepalingen
Verplichte en niet verplichte bepalingen
Een regeling op grond van artikel 4 van de Alcoholwet, in deze modelverordening uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen 2:34c tot en met 2:34f, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a, 25b, 25c, 25d en 25e van de Alcoholwet. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Bestuurlijke boete, strafbaarstelling en bestuursdwang
Uit de eerder aangehaalde MvT (p. 51) blijkt dat aan de bestaande arrangementen niets verandert als het gaat om de afbakening tussen bestuursrechtelijke handhaving via bestuurlijke boeten en strafrechtelijke handhaving op grond van de WED. “Uitgangspunt is en blijft dat de handhaving van de DHW zal geschieden door het opleggen van bestuurlijke boeten. Alleen indien de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft of het door de wetsovertreder genoten economisch voordeel groter is dan de bestuurlijke boetes zal er behoefte kunnen zijn om de zaak voor te leggen aan het OM om via de WED af te doen: de WED voorziet namelijk in een breder arsenaal aan sancties, zoals hogere maxima voor boetes en de mogelijkheid tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zolang dit duale stelsel bestaat heeft deze situatie zich nog geen enkele keer voorgedaan. We mogen constateren dat tot op heden het duale stelsel in het kader van de DHW probleemloos functioneert.”
De grondslag voor het opleggen door de burgemeester van een bestuurlijke boete voor overtreding van onder meer de op basis van deze modelverordening vastgestelde bepalingen is artikel 44a van de Alcoholwet. Op grond van datzelfde artikel 44a kan de burgemeester ook voor overtreding van een aantal andere bepalingen uit de Alcoholwet een bestuurlijke boete opleggen. Informatie over de toepassing van de bestuurlijke boete vindt u op de website van de NVWA, https://www.nvwa.nl/over-de-nvwa/hoe-de-nvwa-werkt/toezicht-maatregelen-en-boetes/bestuurlijke-boete.
Overtredingen van de op basis van deze modelverordening aan de APV toegevoegde bepalingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid, juncto 1, onder 4˚, van de WED. De desbetreffende artikelen zijn daarom niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 ‘Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen’ opgenomen.
In artikel 44 van de Alcoholwet is voorts bepaald dat de Minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van een krachtens dit artikel opgelegde ontzegging. Dit betreft de ontzegging dat een supermarkt, een warenhuis dat ook levensmiddelen verkoopt of een snackbar, e.d. nog langer (zwak)-alcoholhoudende drank mag verkopen als het bedrijf in een periode van 12 maanden driemaal alcoholhoudende drank aan iemand jonger dan 18 jaar heeft verstrekt. Ditzelfde geldt voor een slijter die in een periode van 12 maanden driemaal de regels omtrent de verkoop op afstand heeft overtreden.
Toezichthouders
De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester. Zij kunnen worden vermeld in artikel 6:2. Op grond van artikel 42 van de Alcoholwet hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen te treden zonder toestemming van de bewoners, als de toezichthouder vermoedt dat daar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of als dat daadwerkelijk gebeurt.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Dit artikel heeft als doel dat de burgemeester een actueel overzicht heeft van de in de gemeente aanwezige inrichtingen waarin nachtverblijf wordt verschaft en kampeerinrichtingen. Door de kennisgeving beschikt de burgemeester over de noodzakelijke informatie voor het toezicht op deze inrichtingen.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Op grond van artikel 438 van het WvSr is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het WvSr bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht (HR 10-04-1979, NJ 1979, 442). Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension.
De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities
Eerste lid
Het begrip ‘speelgelegenheid’ betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wok is een uitputtende regeling neergelegd voor de kansspelen bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen wordt hier bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waarop de Wok geen betrekking heeft.
Tweede lid
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wok zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 30 en artikel 30c, vierde lid, van de wet bevatten definities van:
- -
speelautomaat (onderdeel a);
- -
behendigheidsautomaat (onderdeel b);
- -
kansspelautomaat (onderdeel c);
- -
hoogdrempelige inrichting (onderdeel d);
- -
laagdrempelige inrichting (onderdeel e).
Deze definities gelden ook bij de toepassing van afdeling 10.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Eerste, tweede en derde lid
De vergunningplicht geldt voor het exploiteren of laten exploiteren van een speelgelegenheid waarop de Wet op de kansspelen (Wok) niet van toepassing is.
Het doel van dit artikel is het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De vergunningplicht maakt het mogelijk om voorwaarden te stellen aan de exploitatie van speelgelegenheden en om toezicht te houden op mogelijke risico’s voor de omgeving.
De reikwijdte van deze vergunningplicht is beperkt, omdat speelgelegenheden waarop de Wok van toepassing is onder de landelijke regelgeving vallen.
Jurisprudentie
Rb. Maastricht 07-01-2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AF2782. Vergunning ingetrokken, illegaal casino.
Speelautomatenhallen
Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening wordt gehouden met de woon- en leefsituatie.
Vierde lid
Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Hoewel kansspelen niet onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen en de lex silencio positivo dus niet uit dien hoofde van toepassing is, geldt dat behendigheidsspelen wel onder de reikwijdte van de richtlijn vallen. Voor zover van toepassing bepaalt het vierde lid daarom ten aanzien daarvan dat paragraaf 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is uitgezonderd. Een lex silencio positivo is niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid.
Jurisprudentie
ABRvS 29-01-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF3507 en Rb. Almelo 11-03-2002, ECLI:NL:RBALM:2002:AE4559. Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid, burgemeester kan handhavend optreden.
Rb. Maastricht 07-01-2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AF2782. Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning.
Rb. Arnhem 17-07-2002, . Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter. Burgemeester kan optreden indien er geen vergunning is.
Rb. Arnhem 17-07-2002, ECLI:NL:RBARN:2002:AE5840. Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt en is daarom vergunningplichtig. De vergunning is gevraagd noch verleend, dus kan bestuursdwang worden toegepast.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
Dit artikel is een uitwerking van artikel 30c, tweede lid, van de Wok. Hierin staat dat bij gemeentelijke verordening het aantal kansspelautomaten wordt vastgesteld waarvoor per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning wordt verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen kan dat voor maximaal twee kansspelautomaten.
Kansspelautomaten zijn speelautomaten, die geen behendigheidsautomaat (zoals een flipperkast) zijn, maar gokkasten waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.
Jurisprudentie
CBb 11-04-2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7697. Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een laagdrempelige activiteit.
CBb 17-07-2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE7540. Sportkantine niet per definitie laagdrempelig.
CBb 15-02-2002, ECLI:NL:CBB:2002:AD9977. Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Algemeen
Deze afdeling bevat bepalingen die gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van overlast, gevaar en schade in de openbare ruimte en de leefomgeving. De artikelen bieden de gemeente mogelijkheden om op te treden tegen gedragingen die de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of het woon- en leefklimaat kunnen aantasten.
De bepalingen hebben verschillende doelen. Enerzijds zijn zij gericht op het voorkomen van hinder en overlast, bijvoorbeeld door regels te stellen over gedrag in de openbare ruimte, het gebruik van openbare plaatsen, het houden van dieren en het voorkomen van vervuiling. Anderzijds bieden de bepalingen mogelijkheden om preventief op te treden tegen situaties die kunnen leiden tot gevaar of verstoring van de openbare orde.
Bij de toepassing van deze bepalingen moet steeds een belangenafweging plaatsvinden. Beperkingen van rechten en vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting of het gebruik van de openbare ruimte, moeten noodzakelijk, evenredig en gebaseerd zijn op een wettelijke grondslag. De gemeente moet daarbij rekening houden met hogere regelgeving, waaronder de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de Algemene wet bestuursrecht en bijzondere wetgeving.
De bepalingen in deze afdeling vullen bestaande wettelijke regelingen aan en zijn bedoeld voor situaties waarin gemeentelijk optreden noodzakelijk is ter bescherming van lokale belangen. Waar hogere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet, de Wet wapens en munitie, de Opiumwet of het Wetboek van Strafrecht, al voorziet in een regeling, wordt deze regelgeving gerespecteerd en wordt alleen aanvullend opgetreden wanneer daarvoor ruimte bestaat.
De gemeente kan, afhankelijk van de aard en ernst van de situatie, gebruikmaken van verschillende handhavingsmogelijkheden. Daarbij geldt dat maatregelen proportioneel moeten zijn en afgestemd moeten worden op de concrete omstandigheden van het geval.
Met deze afdeling wordt beoogd een veilige, leefbare en openbare ruimte te behouden waarin inwoners, bezoekers en ondernemers hun activiteiten op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijke aanvulling vormen op het strafrechtelijk optreden.
Het WvSr bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn de artikelen 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is – ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed – te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het WvSv.
De in artikel 141 van het WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Awbi in acht worden genomen. De politie kan voorwerpen in beslag nemen. Op grond van artikel 142 van het WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk 6 ‘Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen’.
Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 van het WvSv neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren. Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan. In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 en verder van het WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren. Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek , (brom)fiets en autohandel). Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen.
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbid
Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling geldt een totaalverbod voor het afsteken van consumentenvuurwerk met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk (categorie F1).
De burgemeester is op basis van deze wet bevoegd tot het verlenen van een ontheffing. De voorwaarden waaronder de burgemeester kan ontheffen zijn neergelegd in het Besluit veilige jaarwisseling en eventueel door de burgemeester vast te stellen beleid. Ook de verkoop van vuurwerk aan ontheffingshouders is in die wet en dat besluit geregeld. Nu de door de Apv genormeerde gedragingen en achterliggende doelstellingen samenvallen met hetgeen is geregeld in de wet en het besluit, vervalt de bevoegdheid van de gemeenteraad om het vuurwerkverbod bij verordening nader uit te werken.
Daarenboven bevat de Wet veilige jaarwisseling geen bevoegdheid voor de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over de uitoefening van bijvoorbeeld de wettelijke ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Hoewel de ontheffingssystematiek in het besluit op zichzelf lokale differentiatie mogelijk maakt, vindt deze differentiatie uitsluitend plaats via de burgemeester en binnen de kaders die bij het Besluit veilige jaarwisseling zijn gesteld. Dit laat onverlet dat een burgemeester nog altijd binnen het reguliere proces van kaderstelling en verantwoording op grond van artikel 180 van de Gemeentewet verantwoording moet afleggen aan de gemeenteraad over het gevoerde bestuur. Vanuit dat oogpunt kan het wenselijk zijn voor burgemeesters de gemeenteraad vooraf al te betrekken bij de beslissing van de burgemeester om al dan niet gebruik te maken van de ontheffingsbevoegdheid en eventueel bij het op te stellen ontheffingsbeleid, inclusief aangewezen afsteeklocaties en maximumaantallen voor te verlenen ontheffingen, incluis verdeelsystematiek.
De Wet veilige jaarwisseling is op 1 augustus 2026 in werking getreden. Dit raadsbesluit tot wijziging van de APV is na 1 augustus 2026 genomen en bekendgemaakt, waardoor deze wijziging met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2026 van kracht wordt. Omdat belanghebbenden bekend zijn met genoemde wet en het daarop gebaseerde besluit, is de terugwerkende kracht van dit onderdeel evenredig en gerechtvaardigd. Gevolg van de wijzigingen voor uitvoeringsbesluiten Als gevolg van de wijzigingen vervallen:
- -
besluiten van het college tot aanwijzing van gebieden op grond van de gewijzigde of vervallen artikelen;
- -
ontheffingen, vergunningen en sanctiebesluiten die op grond van de gewijzigde of vervallen artikelen zijn verleend of opgelegd.
Afdeling 11. Drugsoverlast
De bepalingen binnen deze afdeling zijn gericht op het voorkomen en tegengaan van overlast, verstoring van de openbare orde en aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van druggerelateerde activiteiten in de openbare ruimte.
De bepalingen vormen een aanvulling op de Opiumwet. De Opiumwet bevat strafrechtelijke regels over onder andere het bezit, de handel, het vervoer en de verstrekking van verdovende middelen. Deze afdeling van de APV heeft echter niet tot doel om de Opiumwet aan te vullen of gedragingen die daarin al strafbaar zijn gesteld opnieuw te reguleren. Het doel van deze bepalingen is het voorkomen en bestrijden van openbare-ordeproblemen die kunnen ontstaan door bijvoorbeeld drugshandel op straat of openlijk drugsgebruik.
Drugshandel in de openbare ruimte kan leiden tot gevoelens van onveiligheid, hinder en verstoring van de openbare orde. Door een verbod op dergelijke gedragingen kan de gemeente optreden tegen situaties waarin sprake is van bijvoorbeeld het aanbieden, ontvangen of bemiddelen bij de handel in drugs op straat. Hierbij kan ook worden opgetreden tegen situaties waarin sprake is van middelen die sterk lijken op verboden middelen en waarbij sprake is van een risico op verstoring van de openbare orde.
Ook openlijk drugsgebruik kan aanleiding geven tot overlast en gevoelens van onveiligheid in de openbare ruimte. Het verbod op openlijk drugsgebruik is daarom gericht op de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van hinder voor inwoners en bezoekers van de gemeente. De bepalingen sluiten aan bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en het bevorderen van een veilig en leefbaar woon- en leefklimaat.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Deze afdeling bevat verschillende bevoegdheden van de burgemeester die zijn gericht op de handhaving van de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid binnen de gemeente. Het gaat om bevoegdheden die kunnen worden ingezet wanneer sprake is van (dreigende) ernstige verstoringen van de openbare orde, overlast, veiligheidsrisico’s of situaties waarin het woon- en leefklimaat onder druk staat.
De bevoegdheden in deze afdeling vinden hun grondslag in de Gemeentewet en in de algemene verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad stelt met deze bepalingen de kaders waarbinnen de burgemeester zijn bevoegdheden kan uitoefenen. De burgemeester dient bij de toepassing daarvan steeds de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder proportionaliteit en subsidiariteit, in acht te nemen. Dit betekent dat een maatregel noodzakelijk moet zijn om het beoogde doel te bereiken en dat geen minder ingrijpend middel beschikbaar is.
De in deze afdeling opgenomen instrumenten verschillen in aard en zwaarte. Zo kan de burgemeester onder voorwaarden groepen tijdelijk ophouden bij grootschalige ordeverstoringen, gebieden aanwijzen als veiligheidsrisicogebied, cameratoezicht inzetten, gebiedsontzeggingen opleggen, optreden tegen ernstige woonoverlast en maatregelen nemen tegen gebouwen of bedrijfsmatige activiteiten die de openbare orde of leefbaarheid aantasten.
Bij de toepassing van deze bevoegdheden is een zorgvuldige belangenafweging noodzakelijk. De burgemeester zal de noodzaak, proportionaliteit en duur van een maatregel moeten motiveren en rekening moeten houden met de gevolgen voor betrokken personen en ondernemers. De inzet van deze bevoegdheden vindt plaats binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van de waarborgen die gelden op grond van onder meer de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 12a. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Algemeen
Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd.
Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch-technisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten, maar dat de inzet van deze bevoegdheid wel goed moet worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester dient te onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig). Zie bijvoorbeeld ABRvS 03-03-2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg).
Aandachtspunten bij de onderbouwing kunnen zijn:
- •
De kwetsbaarheid van het aangewezen gebied of de aangewezen branche. Waarom staat de openbare orde en/of de leefbaarheid door de bedrijfsmatige activiteit daar onder druk?
- •
De mate waarin de vergunningplicht geschikt is om deze problematiek aan te pakken. Welk doel wordt met de introductie van de vergunningplicht bereikt? Hoe draagt de vergunningplicht bij aan de oplossing?
- •
De vraag of in het aangewezen gebied of branche malafide bedrijven zijn gevestigd. Waaruit blijkt dat bedrijven zijn gelieerd aan een malafide ondernemersklimaat?
- •
De ervaringen van buurtbewoners of inwoners van de gemeente. Welke signalen ontvangt de gemeente van hen over de bedrijven of het aangewezen gebied?
- •
Het type bedrijven dat in het aangewezen gebied of in de branche aanwezig zijn. Zijn dit in zijn algemeenheid ‘ondermijningsgevoelige’ bedrijven?
- •
Een bredere aanpak van een bepaald gebied of een bepaalde branche. Is de vergunningplicht ingebed in een bredere aanpak van een bepaalde branche, wijk of gebied? Sluit de vergunningplicht goed aan bij het doel van deze bredere aanpak en de daarvoor genomen maatregelen?
Afdeling 13. Huisvesting arbeidsmigranten
Deze afdeling bevat een vergunningstelsel voor de exploitatie van huisvestingsvoorzieningen voor arbeidsmigranten. Met dit stelsel wordt beoogd de kwaliteit en veiligheid van de huisvesting te waarborgen en de gevolgen voor de woon- en leefomgeving te beperken.
De huisvesting van arbeidsmigranten kan, met name wanneer grotere groepen worden gehuisvest, gevolgen hebben voor de omgeving, zoals een toename van parkeerdruk of een onevenwichtige belasting van de woonomgeving. Door middel van een vergunningplicht kan het college vooraf beoordelen of een huisvestingsvoorziening voldoet aan de gestelde eisen.
Bij de beoordeling van een aanvraag wordt onder meer gekeken naar de locatie, het aantal huisvestingsplaatsen, de naleving van gemeentelijk beleid en de betrouwbaarheid van de exploitant en beheerder. De vergunning wordt verleend voor een bepaald aantal huisvestingsplaatsen, zodat toezicht kan worden gehouden op de omvang van de huisvesting.
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Het doel van hoofdstuk 3 ‘Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen’ is onder meer onvrijwillige prostitutie te bestrijden. Als een prostituee nauwelijks zelfredzaam is, geen Nederlands of Engels spreekt of bijvoorbeeld niet makkelijk geld kan wisselen, omdat ze niet kan rekenen, is moeilijk voor te stellen dat zij vrijwillig voor de prostitutie heeft gekozen.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Dit hoofdstuk bevat regels ter bescherming van de fysieke leefomgeving. De bepalingen richten zich op het voorkomen van hinder, overlast en aantasting van natuur, milieu en openbare ruimte. Daarnaast worden regels gesteld voor onder meer geluidhinder, recreatief nachtverblijf en activiteiten die de leefbaarheid kunnen beïnvloeden.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Dit hoofdstuk bevat diverse regels die betrekking hebben op het gebruik van de openbare ruimte en de bescherming van de leefomgeving. De bepalingen zien onder meer op parkeren, inzamelen, venten, standplaatsen, markten, openbaar water en activiteiten die hinder of overlast kunnen veroorzaken.
De regels zijn gericht op het voorkomen van overlast, het behouden van de openbare orde en veiligheid en het waarborgen van een verzorgd en toegankelijk gebruik van de openbare ruimte.
Hoofdstuk 6 straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6:1 Strafbepaling
Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Het is uiteindelijk wel de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie.
Op grond van artikel 91 in samenhang gelezen met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht vallen ook rechtspersonen onder de werking van de gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid van het Wetboek van Strafrecht). Dat betekent dat voor overtredingen van deze verordening door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen.
De hoogte van een op te leggen boete moet in overeenstemming zijn met de aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van deze verordening wordt als algemene lijn gehanteerd dat op overtredingen een boete van de tweede categorie wordt gesteld. Op overtredingen die minder ernstig zijn, wordt een boete van de eerste categorie gesteld.
Bepalingen die zien op overtreding van de (voorschriften van de) Wet openbare manifestaties (artikel 2:3) en de bepalingen die zien op de bestrijding van heling, zijn uitgezonderd. De reden is dat de strafbaarstelling van overtreding hiervan is geregeld in bijzondere (formele) wetten.
Artikel 6:2 Toezichthouders
n dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De meeste bepalingen in deze verordening bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk – door onder andere het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom – en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden.
Er kan dus een onderscheid worden gemaakt tussen opsporingsbevoegdheden enerzijds en controlerende of toezichthoudende bevoegdheden anderzijds. Van opsporing kan eerst worden gesproken als uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van een strafbaar feit voortvloeit. Onderzoek zonder dat een redelijk vermoeden van een strafbaar feit aanwezig is, heeft het karakter van toezicht (controle). Toezichthoudende bevoegdheden kunnen worden toegepast over al degenen tot wie de betrokken voorschriften zijn gericht. Uiteraard kan de uitoefening van toezicht wel feiten of omstandigheden aan het licht brengen die leiden tot een redelijk vermoeden van een strafbaar feit en dus tot het intreden van de opsporingsfase.
Alleen voor de aanwijzing van de toezichthouders is deze bepaling opgenomen. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
De bevoegdheid van toezichthouders om andere plaatsen dan woningen te betreden volgt uit artikel 5:15 van de Awb. Artikel 5:3 regelt in aanvulling daarop het binnentreden van woningen, zonder toestemming van de bewoner. Als wel toestemming wordt verleend gelden de voorschriften van de Algemene wet op het binnentreden.
Dat de gemeenteraad bevoegd is om personen aan te wijzen die zonder toestemming mogen binnentreden volgt uit artikel 149a van de Gemeentewet. Het gaat om personen die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of de bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
Artikel 6:4 Intrekking oude verordening
De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt.
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Awb beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc).
Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).
Artikel 6:6 Inwerkingtreding
Dit artikel spreekt voor zich.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl