Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767865
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767865/1
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 17-10-2026
Intitulé
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;
Overwegende dat:
Het wenselijk is om Beleidsregels op te stellen voor het beleid over en de uitvoering van te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
Gelet op:
De Wmo 2015, voor een gezamenlijke toekomst, “visie Sociaal Domein gemeente Montferland 2025 – 2033”, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland 2026
Besluit vast te stellen de:
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026
1 Inleiding
1.1 Inleiding
Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid."
Geen algemeen verbindend voorschrift
Bij Beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wet interpreterend beleid of over de toepassing van de bepalingen in de Verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie.
De Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente Montferland die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De Beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken in deze Beleidsregels over de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die kunnen worden verstrekt en hoe het college de aanspraak daarop beoordeeld. Kernbegrippen zijn:
- •
eigen verantwoordelijkheid;
- •
uitgaan van te bereiken resultaten; en
- •
het leveren van maatwerk.
In artikel 1.1 van de Verordening wordt een aantal begripsbepalingen opgesomd. Het spreekt voor zich dat deze begrippen van toepassing zijn op deze Beleidsregels. Ook de bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze Beleidsregels. De volgende bijlagen zijn opgenomen:
- •
Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen
- •
Bijlage 2 Onderzoek naar overbelasting
- •
Bijlage 3 Uitgangspunten zorg ouder(s) voor kinderen
- •
Bijlage 4 Gebruikelijk hulp door kinderen of andere huisgenoten
- •
Bijlage 5 Hulp bij het huishouden (normtijden activiteiten en frequentie per week op basis van HHM 2025)
1.2 Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente
Gemeenten hebben op grond van de Wmo 2015 de brede verantwoordelijkheid voor de deelname van al hun burgers aan het maatschappelijke verkeer, waaronder in het bijzonder diegenen met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problematiek. Door de decentralisatie van de (langdurige) zorg is de personenkring die aanspraak maakt op maatschappelijke ondersteuning verruimd. De melding van een behoefte aan beschermd wonen en het eventueel afhandelen van de aanvraag in verband met beschermd wonen worden door centrumgemeente Doetinchem uitgevoerd en in verband met maatschappelijke opvang gebeurt dit door centrumgemeente Doetinchem of Arnhem. Maatschappelijke opvang blijft in deze Beleidsregels onbesproken.
1.3 Wat wordt van burgers verwacht
Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zo lang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf.
Een beroep doen op de sociale omgeving
Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burger behoort ook dat hij een beroep doet op zijn eigen sociale netwerk alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Uitgangspunt is derhalve dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen.
Eigen verantwoordelijkheid
Wat nog meer onder de eigen verantwoordelijkheid kan worden gerekend laat zich niet makkelijk in beleidsregels vertalen. Het is namelijk (ook) afhankelijk van het individuele geval. In de Verordening zijn een aantal beperkende voorwaarden dan wel criteria opgenomen waarin de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt zit besloten. Ook in deze Beleidsregels zijn bepalingen en/of voorbeelden opgenomen die daar betrekking op hebben. Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 6 Hulp bij het huishouden.
1.4 Wat mogen burgers van de gemeente verwachten
Geen enkele cliënt wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Een ieder kan zich melden met een ondersteuningsvraag. In het onderzoek dat het college na de melding zal uitvoeren, zullen alle mogelijke voorliggende oplossingen worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 staat nauwkeurig omschreven welke onderwerpen bij het onderzoek aan bod moeten komen. Het college beslist op de aanvraag of en zo ja welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
1.5 Positie in het zorgstelsel
Aanspraken op zorg zijn neergelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Beide wetten kunnen een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Wmo 2015.
Zorgverzekeringswet
De persoonlijke verzorging en verpleging op grond van de Zvw zijn sinds 1 januari 2015 als aanspraak ondergebracht in het Besluit zorgverzekering (Bzv). Verzorging en verpleging omvat zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden. Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die bieden, zintuiglijk gehandicaptenzorg, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, geriatrische revalidatie en paramedische zorg (zie met name art. 2.10 Bzv).
Hoog risico op een behoefte aan geneeskundige zorg
Is er sprake is van een hoog risico op een aandoening, ziekte of verergering hiervan dan valt de geneeskundige zorg die nodig is om dit te voorkomen, onder de Zvw. Er is dan sprake van geïndiceerde preventie. Dit betekent overigens dat verblijf ook aan de orde kan zijn als er nog geen sprake is van een acute aandoening, maar wel van een hoog risico op een aandoening. Het gaat in het algemeen vooral om mensen bij wie de gezondheidssituatie snel kan veranderen en verslechteren en die dikwijls al (intensief) te maken hebben met huisartsenzorg of ziekenhuiszorg.
Afbakening Wmo 2015
De behoefte aan (alleen) verzorging kan echter ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL). Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij ADL komt vooral voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze verzorging in de vorm van ondersteuning bij ADL is niet naar de Zvw overgeheveld, maar valt onder de Wmo 2015. Zie ook paragraaf 7.2 van deze beleidsregels
Wet langdurige zorg
De Wet langdurige zorg (Wlz) is het sluitstuk van het zorgstelsel. Uitgangspunt van de Wmo 2015 is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke ondersteuning van hun ingezetene tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wlz of kan krijgen maar daarvoor geen aanvraag wil indienen. Sinds 1 januari 2021 hebben mensen die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg nodig hebben toegang tot de Wlz. Mensen met een psychische stoornis worden dan niet anders behandeld dan mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of mensen met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. Maatwerkvoorzieningen voor cliënten met een Wlz-indicatie of zij die zo’n indicatie kunnen krijgen kunnen worden geweigerd, tenzij er sprake is van een uitzondering (art. 8.6a Wmo 2015). Zie verder onderdeel 2.7 van deze beleidsregels.
1.7 Kwaliteit
De Wmo 2015 biedt een kader voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid (art. 3.1 Wmo 2015). Dit kader vereist dat een voorziening in ieder geval:
- •
veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt;
- •
is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt;
- •
wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en
- •
wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.
1.8 Afwegingskader
Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag het ondersteuningsplan en als dat is ingediend het persoonlijk plan als uitgangspunt.
- •
Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie?
- •
Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, verbeteren of te behouden?
- •
Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, te verbeteren of te behouden?
Pas wanneer er sprake is van geobjectiveerde beperkingen én als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Hierbij wordt gekozen voor de goedkoopst passende bijdrage. Dat moet blijken uit het ondersteuningsplan en als dat aanwezig is het persoonlijk plan van de cliënt. Ook dienen daarbij de navolgende vragen beantwoord te worden.
Zijn er weigeringsgronden en/of beperkende voorwaarden van toepassing volgens de Verordening of Besluit?
- •
Leidt toepassing van deze beleidsregels tot het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening?
Zie verder hoofdstuk 2 Procedure van deze beleidsregels’.
2 De procedure
Artikelen 2.3.2 en 2.3.5 Wmo 2015
Hoofdstuk 2 en 3 Verordening
2.1 Inleiding
De procedureregels gaan over de manier waarop het college omgaat met de melding van een ondersteuningsvraag van cliënten, hoe het onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond en de regels over de aanvraag. De wettelijke termijn waarbinnen de procedure van de melding en het onderzoek moet zijn afgerond is zes weken. Voor de aanvraag geldt dat het college in beginsel binnen twee weken een besluit neemt. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt, die een melding heeft gedaan, in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen.
2.2 Algemeen
Bij het onderzoek zal het college in de eerste plaats nagaan wie de cliënt is, waarbij onder meer zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en persoonskenmerken in kaart worden gebracht. Bij het vaststellen van die behoefte gaat het college na wat diens beperkingen en problemen zijn en wat de ondersteuningsvraag precies is. Het feit dat iemand een aandoening heeft hoeft niet zonder meer te leiden tot beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Bij het onderzoek wordt gekeken in hoeverre aan de behoefte in maatschappelijke ondersteuning binnen de grenzen van de Wmo 2015 en de Verordening kan worden tegemoetgekomen. Zie ook hoofdstuk 3 Beoordelen van de aanspraak in deze Beleidsregels.
2.3 Melding van de ondersteuningsvraag
Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Dit is van belang omdat een melding van een ondersteuningsvraag leidt tot een onderzoek (art. 2.5 Verordening). Daarvan kan alleen worden afgezien, in overeenstemming met de cliënt (art. 2.5 lid 5 Verordening). Het college dient in het onderzoek na melding ook de belastbaarheid van de mantelzorgers mee te wegen.
Persoonlijk plan
Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling Verordening). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, als een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming.
Voorlichting eigen bijdrage
Op het college rust de wettelijke voorlichtplicht over de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn voor de maatwerkvoorziening of pgb. Door de cliënt vroegtijdig en goed te informeren over de hoogte van de verschuldigde bijdrage voor zijn ondersteuning kan de cliënt een goede afweging maken of hij daadwerkelijk een aanvraag wil doen of de ondersteuning juist zelf organiseert. De manier waarop het college de cliënt voorlichting biedt is vormvrij.
Voorlichting over pgb
Ook moet het college aan de cliënt op een begrijpelijke manier informatie over de mogelijkheden verstrekken waaronder begrepen de gevolgen van een keuze voor een pgb, zoals het blijven voldoen aan de voorwaarden. De manier waarop het college de cliënt voorlichting biedt is vormvrij. Zie verder hoofdstuk 12 Persoonsgebonden budget van deze beleidsregels.
Onafhankelijke cliëntondersteuning
Ook rust op het college de plicht om de cliënt te wijzen op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het college is overigens verplicht te zorgen voor de beschikbaarheid daarvan (art. 2.2.4 lid 1 onder a Wmo 2015). Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Cliëntondersteuning heeft dus niet alleen betrekking op de Wmo 2015.
Preventief
Cliëntondersteuning heeft een preventieve functie en kan een beroep op (zwaardere vormen van) ondersteuning voorkomen. Veel cliënten zullen zeer goed in staat zijn om zelf informatie te vergaren en eventueel zelf in staat zijn te beoordelen of de inhoud van het verslag van het college aansluit bij wat ze nodig hebben. Sommige cliënten zullen een familielid of iemand uit hun netwerk vragen om mee te denken. Deze personen kunnen ook aanwezig zijn, dan wel door het college worden uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek. In die gevallen zal cliëntondersteuning niet nodig zijn.
Verwijzen
Het college verwijst de cliënt bijvoorbeeld naar de organisatie die is gecontracteerd om cliëntondersteuning te bieden. Verder is het zo dat patiëntenverenigingen of andere belangenorganisaties beschikken over vrijwilligers of beroepskrachten die als cliëntondersteuner kunnen optreden. Een cliëntondersteuner kan ook een professional zijn in dienst van een welzijnsinstelling, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker.
Ondersteuning bij keuzes maken
Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning.
Onafhankelijkheid gewaarborgd
Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen.
Spoedeisende situatie
Er kunnen zich situaties voordoen waarin de cliënt die zich meldt, gelet op een spoedeisend karakter, niet kan wachten tot het college onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het gaat om doorgaans onvoorziene situaties die geen uitstel dulden qua het ondernemen van actie. Het ligt op de weg van de cliënt om het spoedeisende karakter aannemelijk te maken en zonodig nader te onderbouwen. Vervolgens ligt het op de weg van het college om zo nodig onverwijld een maatwerkvoorziening in zetten alvorens het onderzoek te doen. Welke termijn onder onverwijld wordt verstaan kan niet nader worden gedefinieerd. Het kan terstond zijn maar ook binnen bijvoorbeeld twee weken na de melding.
2.4 Algemene uitgangspunten onderzoek
Na de melding van de ondersteuningsvraag voert het college een onderzoek uit. Tijdens dat onderzoek stelt het college vast welke problemen de cliënt heeft op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie en welke resultaten bereikt moeten worden om die problemen te verminderen dan wel op te lossen. Daarna wordt vastgesteld of er voorliggende oplossingen zijn die aan een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de weg staat. Daaronder valt in ieder geval gebruikelijke hulp die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden (zie Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels).
2.5 Zelfredzaamheid en participatie
Zelfredzaamheid bevat twee elementen:
- 1.
het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl),
- 2.
het voeren van een gestructureerd huishouden.
Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen.
Participatie
Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer; anders dan het zich lokaal verplaatsen met een vervoersvoorziening.
2.6 Opstellen ondersteuningsplan
Het onderzoek wordt afgesloten met het opstellen van een ondersteuningsplan. Dat is het door het college opgestelde verslag over de uitkomsten van onderzoek waarin de te bereiken resultaten staan op een of meer leefgebieden of aandachtsgebieden op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie. Of de cliënt gelet op de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening van dit hoofdstuk worden de te bereiken resultaten onderzocht op de volgende leefgebieden:
- •
Lichamelijke gezondheid
- •
Psychisch welbevinden
- •
Activiteiten dagelijks leven
- •
Huiselijke relaties (gezinssamenstelling)
- •
Huisvesting
- •
Sociaal netwerk
- •
Financiën
- •
Werk en Opleiding
- •
Daginvulling
- •
Deelname aan de maatschappij
- •
Middelengebruik
- •
Justitie
Andere wetten
Het is van belang dat tijdens het onderzoek wordt vastgesteld of andere wetten de vastgestelde problematiek kunnen oplossen maar ook of de problemen die de cliënt ondervindt wel binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen. Zie 3.3 van deze beleidsregels.
2.7 Advisering
Artikel 2.7 Verordening
Voor de uitvoering van de Wmo 2015 kan het nodig zijn om advies te vragen omdat het college niet ter zake kundig is. Vereist is in ieder geval dat de beperkingen van de cliënt, of zijn huisgenoot ingeval van gebruikelijke hulp, objectiveerbaar zijn. Dit wordt vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567, CRVB:2012: BY0324). Zie verder hoofdstuk 15 Advisering van deze beleidsregels.
2.8 De aanvraag
Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Daarop wordt een uitzondering gemaakt als het college niet in staat is dat binnen twee weken te doen omdat het aan de cliënt te wijten is dat het onderzoek niet volledig of tijdig is afgerond of het college andere informatie nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen op de aanvraag. Denk dan vooral situaties waar een (extern) advies nodig is. Zie hoofdstuk 15 Advisering van deze beleidsregels.
Indienen aanvraag
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek (het gesprek) is uitgevoerd, tenzij dat niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 Wmo 2015).
Schriftelijke aanvraag
Een aanvraag kan ingediend worden middels ondertekening van het ondersteuningsplan dan wel door een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
Mondelinge aanvraag
Het college kan bepalen dat een aanvraag mondeling kan worden gedaan (art. 3.1 lid 4 Verordening). Het gaat alleen om situaties waarin na het onderzoek en het nog op te stellen ondersteuningsplan:
- •
volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en
- •
het college in de beschikking volledig tegemoetkomt aan de wens van de cliënt, of
- •
het eerst opsturen van een ondersteuningsplan bij de cliënt tot verwarring over de procedure kan leiden.
Inhoud beschikking
De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 3.2 van de Verordening de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking worden opgenomen.
2.9 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg)
De Wmo 2015 kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar geen medewerking wenst te verlenen om daarvoor een aanvraag te doen (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015).
Er zijn drie cliëntsituaties te onderscheiden. De cliënt die:
- 1.
Thuis woont en een hulpmiddel of woningaanpassing aanvraagt.
- 2.
Thuis woont en begeleiding (individueel/groepsverband), logeren of hulp bij het huishouden aanvraagt.
- 3.
In een Wlz-instelling woont en een maatwerkvoorziening aanvraagt.
Ad. 1
Onder thuis wonen als bedoeld in art. 8.6a onder a Wmo 2015 valt het ‘echte’ thuis wonen in een huurwoning of woning in eigendom en cliënten die niet in een instelling wonen waar de zorg én het verblijf wordt geboden (CRVB:2025:140). Woont de cliënt met een Wlz-indicatie ‘thuis’ dan valt het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een tillift, onder de Wmo 2015.
Subsidie of natura-verstrekking aan de woonvorm
Het college kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken. Het college beoordeelt of een eerder verstrekt hulpmiddel gebruikt kan worden door twee of meer cliënten. En zo ja, dan wordt de aanvraag afgewezen.
Ad. 2
Als uitgangspunt geldt dat het college aanvragen gericht op begeleiding, logeren en hulp bij het huishouden afwijst omdat deze voorzieningen onderdeel zijn van de Wlz-indicatie.
Ad. 3
Woont de cliënt in een Wlz-instelling, dan kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor het lokaal verplaatsen (sociaal vervoer), tenzij voorliggende oplossingen passend zijn.
3 Beoordelen van de aanspraak
Artikel 2.3.5 Wmo 2015
Hoofdstuk 4 van de Verordening
3.1 Inleiding
De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Montferland. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Montferland te verhuizen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. Het gaat om situaties waarin het voor de hand ligt dat de cliënt binnen een voorzienbare termijn problemen in de woning van zijn keuze zal gaan ondervinden.
3.2 Algemene criteria
Bereiken van een resultaat
De Wmo 2015 bestaat uit een voorzieningenstelsel waarbij op het college de verplichting rust om met dat stelsel een resultaat te bereiken waarbij de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid, participatie of het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149).
Wettelijk beoordelingskader
Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet:
- a.
op eigen kracht;
- b.
met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
- c.
met gebruikelijke hulp;
- d.
met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel
- e.
met gebruikmaking van algemene voorzieningen,
kan verminderen of wegnemen.
In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op aanvraag.
Zelf of met anderen
Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie.
Voorbeelden
Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei voorliggende oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. In die gevallen kent het college geen maatwerkvoorziening toe. Hierna staan voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen.
3.2.1 Therapeutische doelstelling en effect op gezondheid
Het al dan niet aanwezig zijn van een therapeutische doelstelling is niet het criterium dat het college moet beoordelen tijdens het onderzoek (CRVB:2023:349). Het gaat om de mate waarin een (gevraagde) maatwerkvoorziening een passende bijdrage vormt aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Therapeutische doelen hebben betrekking op behandeling op grond van de Zvw (zie verder 3.3.2 van deze beleidsregels). Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 (ook) niet relevant. Het werken aan bijvoorbeeld conditie is geen resultaatgebied waar gemeenten op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor zijn (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Een risico op zelfverwaarlozing kan wel aanleiding zijn om begeleiding te indiceren (vgl. CRVB:2020:3471).
3.2.2 Eigen kracht
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de eigen kracht van de cliënt. Daaronder wordt in het algemeen dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. Hij zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 echter niet verplicht. Tijdens het onderzoek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken.
Letterlijk eigen kracht
Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272).
Andere wetten
Tijdens het onderzoek wordt (ook) gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet. Dat valt binnen de eigen kracht (zie verder 3.3 van deze beleidsregels).
3.2.3 Algemeen gebruikelijke voorziening
Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, naar oordeel van het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in 2019 een uitspraak gedaan over het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft in die uitspraak aan dat deze uitleg van dit begrip voortbouwt op en een nadere precisering is van de uitspaak CRVB:2018:2182 (zie verder hierna). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze:
- 1.
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
- 2.
daadwerkelijk beschikbaar is;
- 3.
een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en;
- 4.
financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
De beoordeling
Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat.
1. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking
Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt of een boodschappendienst bij de supermarkt. In Bijlage 1 van deze Beleidsregels is een niet-limitatief aantal algemeen gebruikelijke voorzieningen opgenomen.
2. Daadwerkelijk beschikbaar
Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden.
3. Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is
Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen.
4. Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau
Het vierde en laatste criterium gaat over de aard van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat om voorzieningen die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar zijn te achten (CRVB:2024:1362). Daarbij speelt de hoogte van het inkomen geen rol. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan, het gaat om een ondergrens.
Meerkosten
Het kan ook voorkomen dat het college alleen een noodzakelijke aanpassing aan een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de algemeen gebruikelijke voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is.
Kosten boodschappendienst
Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Dat wil ook zeggen dat de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Het feit dat de kosten van zo’n maaltijd hoger zijn dan het Nibud berekent maakt dat niet anders. Zie verder hoofdstuk 6 hulp bij het huishouden.
Besteding pgb
Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 10.2 lid 1 onder a Verordening).
3.2.4 Gebruikelijke hulp
Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 en artikel 4.5 Verordening
In Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. In de Verordening is bepaald wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Het college bespreekt samen met de cliënt die zijn ondersteuningsvraag meldt wat redelijk is ook in het kader van deze Beleidsregels. Zie verder hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels.
3.2.5 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk
Een mantelzorger kan een huisgenoot zijn, maar dat hoeft niet. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg is de hulp voor de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Het verlenen van mantelzorg is vrijwillig en dus niet afdwingbaar, maar voelt vaak als een vanzelfsprekendheid voor degene die de mantelzorg biedt. Zie verder hoofdstuk 5 Mantelzorg van deze beleidsregels.
Sociaal netwerk
Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Net als mantelzorg is het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek.
3.2.6 Gebruik maken van algemene voorzieningen
Het college is gehouden algemene voorzieningen te treffen ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het Beleidsplan over het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarbij wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt het college wanneer er door of namens een cliënt een melding is gedaan met de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren.
Wat is een algemene voorziening
Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Algemene voorzieningen worden getroffen door het college en zijn, zoals ook blijkt uit de definitie, laagdrempelig toegankelijk. Dit neemt niet overigens niet weg dat het college algemene voorzieningen kan treffen die bestemd zijn voor burgers met specifieke persoonskenmerken, bijvoorbeeld ouderen of mensen met psychische kwetsbaarheid. Voorbeelden van algemene voorzieningen voor een zinvolle daginvulling zijn: de stadskamer ‘s-Heerenberg en de dorpskamer Didam.
3.2.7 Overige voorliggende oplossingen
Ook andere voorliggende oplossingen kunnen in aanmerking worden genomen tijdens het onderzoek en opgenomen worden in het ondersteuningsplan. Daar wordt de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening op gebaseerd. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college deze voorliggende oplossingen heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Denk bijvoorbeeld aan vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Het kan zo zijn dat deze voorliggende oplossingen passend zijn gelet op de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie. Het college zal moeten vaststellen waaruit de activiteiten bestaan en of de activiteiten een passende oplossing zijn voor de problemen die de cliënt heeft. Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn.
3.2.8 Geheel aan maatregelen en afstemmen
Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan het concreet tot stand brengen van contact (afspraak) tussen de vrijwilligersorganisatie en de cliënt (vergelijk CRVB:2011:BR7013). Het geheel van maatregelen kan ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015.
Afstemmen
Bij het onderzoek moet het college bij de cliënt informeren of hij op andere terreinen binnen het sociale domein zorg, ondersteuning of diensten ontvangt (art. 2.3.2 lid 4 onder f Wmo 2015). De eventueel toe te kennen maatwerkvoorziening wordt daar, als daartoe aanleiding is, op afgestemd (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015). Doel is te komen tot een zo goed mogelijk op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie.
3.3 Specifieke criteria
3.3.1 Niveau van maatschappelijke ondersteuning
Artikel 4.3 lid 1 onder a Verordening
De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat erom dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. Daarbij wordt ook de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt niet uit het oog verloren.
Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie
Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt:
- •
al dan niet met behandeling door paramedische hulp gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272),
- •
met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224), met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas maatwerkvoorziening collectief vervoer) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222).
In die gevallen hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken.
3.3.2 Gebruikmaken van een andere wet (voorliggende voorziening)
Artikel 4.3 lid 2 onder a en 1.1 lid 1 onder v Verordening (begripsbepaling)
Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015 (CRVB:2023:1046).
Onderzoek aanspraak andere wet
Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden.
Keuze in de voorliggende voorziening
Het college mag de keuze volgen die in de voorliggende voorziening is gemaakt om bepaalde kosten gedeeltelijk of niet (meer) te vergoeden. Dat wil zeggen: de maatwerkvoorziening afwijzen.
Psychiatrische hulphond
Volgens de CRvB (CRVB:2026:618) is het college alleen verplicht om een psychiatrische hulphond te verstrekken als:
- 1.
een cliënt zeer ernstig beperkt is in zijn zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, én
- 2.
het onomstotelijk vast staat dat een hulphond de enige resterende oplossing is.
Verplicht eigen risico
De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel.
Reële mogelijkheden van behandeling
Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk bijvoorbeeld aan: ergotherapie, fysiotherapie, oefentherapie of ggz-behandeling vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444).
Onderzoek maatwerkvoorziening en mogelijke behandeling
Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast ook nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of hulp bij het huishouden en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan (CRVB:2023:1508, CRVB:2025:876).
Gelden met een specifieke bestemming
Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet WIA of Wet Wajong (CRVB:2012:BV9433).
3.3.3 In redelijkheid te verwachten
Artikel 4.3 lid 2 onder c Verordening
De toepassing van de wet dan wel de bepaling in de Verordening heeft betrekking op de eigen verantwoordelijkheid van cliënt. Daaronder kan eigen kracht worden verstaan.
Herinrichting woning
Van de cliënt mag worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290, CRVB:2016:429).
Aanspreken woningeigenaar
Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren.
Privaatrechtelijke verbintenis
Het college mag verwachten dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen.
3.3.4 Risicosfeer
Artikel 4.3 lid 2 onder d Verordening
Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951, CRVB:2020:944, CRVB:2021:3070, CRVB:2022:515). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. In artikel 8.3 van de Verordening is nader invulling gegeven aan omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt.
3.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget
Artikel 4.4 Verordening
3.4.1 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding
Het kan voorkomen dat de cliënt zijn ondersteuningsvraag pas meldt nadat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met de ondersteuningsvraag tot het college. Of een cliënt die eerst verhuist van een ongeschikte naar een geschikte woning en daarna een vergoeding van de kosten wenst. Voor die situaties bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening wordt geweigerd omdat deze grondslag niet in de wet zelf is opgenomen (CRVB:2020:1099, CRVB:2024:1398). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).
3.4.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname
Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert hangende de procedure van de melding en de beslissing op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen waar nog aanpassingen voor nodig zijn en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Het kan ook voorkomen dat de cliënt tijdens de procedure een scootmobiel aanschaft zonder daarvoor toestemming te vragen. Het college kan ook dan de aanvraag afwijzen omdat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd voordat is besloten.
3.4.3 Nog niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen
Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer maar deze nog niet klaar is (gerealiseerd). Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). De vraag is of het college op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is.
3.4.4 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode
Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818).
Rekening en risico budgethouder
Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren.
3.4.5 Ingangsdatum diensten
Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd, kan er wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd.
3.4.6 Technisch geschikte maatwerkvoorziening
De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (zelf aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen dat ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura. Het ligt op de weg van de cliënt om zijn ondersteuningsvraag te onderbouwen. Dat wil zeggen dat vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk is. Het kan zijn dat het college een onderzoek doet of laat doen naar de technische geschiktheid van maatwerkvoorziening waarvoor vervanging wordt gevraagd.
3.4.7 Afdoende verzekeren
Neemt de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel.
3.4.8 Afsluiten opstalverzekering
Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing, waaronder een woonunit, is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering.
3.5 Primaat en kortdurende maatwerkvoorziening
Artikel 5.2 Verordening
Primaat collectieve maatwerkvoorziening
Het hanteren van primaten is een verbijzondering van het uitgangspunt dat het college de goedkoopst passende bijdrage verstrekt. De hoofdregel is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Denk bijvoorbeeld aan het collectief vervoer (zoals de Regiotaxi) in plaats van een individuele vervoersvoorziening. Zie verder hoofdstuk 10 Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer van deze beleidsregels.
Kortdurend en ontwikkelingsgericht
De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verleend. De maatwerkvoorziening wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte begeleiding wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of zorg op grond van de Zvw worden verstaan. Verder kan een kortdurende maatwerkvoorziening aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp mag worden verwacht dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren.
3.6 Bijdrage in de kosten
Hoofdstuk 11 Verordening
Cliënten aan wie één of meerdere maatwerkvoorzieningen is verstrekt zijn daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd: het abonnementstarief. Het gaat om een vast bedrag per maand, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Het abonnementstarief wordt door het CAK altijd volledig in rekening gebracht bij degene die een bijdrage verschuldigd zijn. Dit volgens de Verordening en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het kan voorkomen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatvoorziening(en) of het pgb. Het valt binnen de beleidsvrijheid van het college om te bepalen of het abonnementstarief wordt opgeschort bij tijdelijk niet-gebruik (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155-157).
3.6.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik
Abonnementstarief
Als uitgangspunt geldt dat het verschuldigd zijn van het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt.
Beschermd wonen
Verblijft een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen tijdelijk elders en blijft de plek wel voor de cliënt beschikbaar, dan blijft de bijdrage in de kosten verschuldigd. Onder tijdelijk wordt een periode van drie maanden verstaan.
3.6.2 Bijdrage niet verschuldigd
Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).
Tijdelijk geen betalingscapaciteit
Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie.
Zorgmijders
Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Montferland. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen.
3.7 Regresrecht
Artikel 2.4.3 Wmo 2015
Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden. Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval.
Cliënt heeft een keuze
In het algemeen mag van een cliënt in het kader van de eigen kracht niet worden verlangd dat hij zich voor de kosten van de benodigde maatwerkvoorzieningen (eerst) tot de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker wendt. De uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat de cliënt keuzevrijheid heeft: melding bij het college of de schadeveroorzaker aanspreken. De enkele omstandigheid dat de cliënt met de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, brengt niet mee dat het een cliënt niet meer vrijstaat zich tot het college te wenden (CRVB:2024:2410 en vgl. CRVB:2025:84).
Regres plegen
Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de een onrechtmatige daad heeft begaan. Gemeenten kunnen besluiten om de Wmo-kosten zelf te verhalen, maar kunnen ook opdracht geven aan een in het aansprakelijkheidsrecht gespecialiseerd advocatenbureau. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019. Daarvoor waren convenanten van toepassing op grond waarvan deelnemende gemeenten geen zelfstandig regres hoefden te plegen. Erkenning van de onrechtmatige daad kan overigens een langdurige kwestie zijn, maar dat hoeft niet per se. Het college kan vanzelfsprekend niet meer verhalen dan wat daadwerkelijk aan de cliënt is verstrekt. Het ligt verder voor de hand dat de cliënt zelf ook een procedure voert om overige geleden schade te verhalen op de aansprakelijke partij of diens verzekeraar.
4 Gebruikelijke hulp
Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling)
Artikel 4.5 Verordening
4.1 Inleiding
Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning (leefeenheid). Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. In dit hoofdstuk wordt verder de term partner gebruikt omdat er een verschil kan zijn wat van een partner of een andere huisgenoot wordt verwacht. Met een partner wordt bedoeld: echtgenoot, geregistreerde partner of zij die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1.1.2 Wmo 2015.
4.2 Algemene uitgangspunten
Naar oordeel van het college
Het is ter beoordeling aan het college of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van huisgenoten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in onze samenleving het normaal wordt geacht dat de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Een huishouden heeft in dit kader niet alleen betrekking op de huishoudelijke taken maar moet in een breder verband worden opgevat. Ondervindt een huisgenoot beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, dan heeft dat betrekking op het (functioneren van het) huishouden binnen de leefeenheid.
Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de ‘sociale relatie’ tussen huisgenoten, waarin het gemeenschappelijk voeren van een huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden.
Wet modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (Stb. 2014, 565)
In de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur zijn de regels voor verlof vereenvoudigd. Denk aan het gebruik van verlofrechten en de mogelijkheid van aanpassing van de arbeidsduur. Ook is het opnemen van ouderschapsverlof, adoptie- en pleegzorgverlof en langdurend zorgverlof eenvoudiger geworden. De reikwijdte van het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid naar werknemers die zorgen voor andere huisgenoten dan partner, ouder of kind. De personenkring voor het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid met familieleden in de tweede graad en anderen met wie de werknemer een sociale relatie heeft. De werkingssfeer van het langdurend zorgverlof is verbreed met de zorg voor zieken en hulpbehoevenden. Deze regels kunnen betrokken worden bij de vraag of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van de huisgenoot. Kan aanspraak gemaakt worden op deze wet, dan wordt deze aangemerkt als een voorliggende voorziening. Het college moet bij de beoordeling wel rekening houden met het verlies aan inkomsten bij gebruikmaking van dergelijk verlof.
Ouderschapsverlof
Sinds 2 augustus 2022 hebben ouders recht op negen weken betaald ouderschapsverlof. Per genoemde datum geldt 70% (in plaats van 50%) van het dagloon. Ouders kunnen dat verlof aanvragen als de negen weken worden opgenomen in het eerste levensjaar van het kind. In totaal hebben ouders recht op 26 weken ouderschapsverlof in de eerste zeven jaar van een kind. Als niet alle negen weken betaald verlof worden opgenomen in het eerste jaar kunnen deze worden toegevoegd aan de resterende 17 weken ouderschapsverlof. Deze weken zijn onbetaald. Het blijft voor werkgevers en werknemers wel mogelijk om daar aanvullende afspraken over te maken, bijvoorbeeld in de CAO. Het college moet bij de beoordeling wel rekening houden met het verlies aan inkomsten bij gebruikmaking van dergelijk verlof.
4.3 Afwegingskader
Onderzoek
Uitgaande van de ondersteuningsvraag worden tijdens het onderzoek de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid of participatie. Op basis daarvan stelt het college vast welke resultaten bereikt moet worden (zie 2.6 van deze beleidsregels). Pas dan kan op juiste wijze worden vastgesteld of gebruikelijke hulp mag worden verwacht van huisgenoten (bijv. CRVB:2018:3243 en CRVB:2018:3108). Het college baseert zich bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp op de volgende feiten en omstandigheden:
- 1.
De aard, de omvang en de duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.
- 2.
De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt.
- 3.
De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen.
- 4.
De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd.
4.4 Algemeen aanvaardbare opvattingen
Onder hulp of ondersteuning die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval:
- a.
het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken;
- b.
het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie;
- c.
het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren.
Activiteiten die onder gebruikelijke hulp kunnen vallen zijn:
- •
Overname van huishoudelijke taken,
- •
Overname van of hulp bij de thuisadministratie,
- •
Hulp gericht op zelfzorg,
- •
Hulp bij het doen van aankopen,
- •
Hulp bij structureren van de dag/week,
- •
Hulp bij participatie,
- •
Legen en reinigen van de toiletemmer,
- •
Zorg voor minderjarige inwonende kinderen.
Niet-professionele hulp
Het gaat bij gebruikelijke hulp om hulp die dus niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114, CRVB:2021:823). Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere hulp van huisgenoten kan naar oordeel van het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen.
4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten
Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Wanneer het onderzoek daartoe aanleiding geeft, dan zal het college moeten (laten) vaststellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden. De individuele situatie heeft in ieder geval betrekking op:
- •
de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de uitstelbare maar vooral ook de niet-uitstelbare taken,
- •
mogelijke overbelasting van de huisgenoot,
- •
de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.
Voor de vaststelling of de huisgenoot in staat is tot het bieden van gebruikelijke hulp kan het college om (medisch) advies vragen (zie Hoofdstuk 15 Advisering van deze beleidsregels).
4.5.1 Aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte
Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt, tenzij het hulp bij het huishouden betreft. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij de zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit gaan, etc. De totale omvang van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere (voorliggende) oplossingen beschikbaar en geschikt, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken.
4.5.2 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot
Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) nog geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht van de huisgenoot. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet hoe de gebruikelijke hulp geboden kan worden, maar dat wel kan aanleren. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor hulp bij het huishouden.
4.5.3 Overname van huishoudelijke taken
Voor hulp bij het huishouden geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om hulp bij het huishouden toe te kennen (CRVB:2016:3665).
Inwonende kinderen
Heeft de cliënt thuiswonende kinderen, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Zie bijlage 4 Gebruikelijk hulp door kinderen of andere huisgenoten van deze beleidsregels.
Leefeenheid
Het gaat bij gebruikelijke hulp om personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen. Bij het begrip leefeenheid gaat het om personen die in dezelfde woning gezamenlijk een huishouden voeren. Dat wil zeggen dat huisgenoten met een commerciële huurders- of kostgangersrelatie daar geen deel van uitmaken. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer hulp bij het huishouden moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie.
Hulp in de keuken
Onder gebruikelijke hulp valt ook het aangegeven van spullen uit de keukenkasten waar de cliënt niet bij kan. In zo’n geval weigert het college een aanpassing van de keuken (CRVB:2025:1461).
4.5.4 Overname van of hulp bij de thuisadministratie
Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, zorgdragen voor de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van zijn oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen.
Bewindvoering
Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met cliënten die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt.
4.5.5 Hulp gericht op zelfzorg
Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg.
Ouders en meerderjarige kinderen
Afhankelijk van de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte mag van ouders worden verwacht dat zij bij bepaalde hulpvragen van een meerderjarig kind hulp bieden in het kader van de gebruikelijke hulp. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding wordt dan afgewezen (CRVB:2024:941). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het onder meer om hulp dan wel aansturing om:
- •
‘s ochtends op tijd uit bed te komen;
- •
te voorkomen dat te veel eten wordt opschept en betrokkene gaat kokhalzen tijdens het eten;
- •
te kunnen werken met een agenda;
- •
bij het ondernemen van nieuwe activiteiten.
4.5.6 Hulp bij het doen van aankopen
Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken of andere normale aankopen anders dan de reguliere boodschappen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) hier incidenteel begeleiding bieden.
4.5.7 Hulp bij structureren van de dag/week
Van partners wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken van en bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan:
- •
Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d.,
- •
Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d.,
- •
Bezoek aan familie,
- •
Deelname aan een zinvolle daginvulling (brengen en/of opgehaald worden).
Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter.
4.5.8 Hulp bij participatie
Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder valt ook het vervoer, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland (kunnen) worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil ook zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind mag worden verwacht dat hij incidenteel vervoer of begeleiding bij vervoer aan de cliënt biedt. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.
Vervoer en ondersteuning bij vervoer
Of vervoer of ondersteuning bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een zelfstandige vervoersbehoefte van de cliënt.
Zelfstandige vervoersbehoefte
De cliënt kan een zelfstandige lokale vervoersbehoefte hebben waar met het verstrekken van een vervoersvoorziening in wordt voorzien. In die gevallen kan (mag) de cliënt niet voor alle ondersteuning bij vervoer afhankelijk zijn van diens partner of huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening zijn aangewezen.
4.5.9 Legen en reinigen van de toiletemmer
Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen.
4.5.10 Zorg voor minderjarige inwonende kinderen
Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie bijlage 3 Uitgangspunten zorg ouder(s) voor kinderen bij deze beleidsregels.
4.6 Overbelasting of dreigende overbelasting
Steeds moet duidelijk zijn hoe de (dreigende) overbelasting zich uit en wat deze feitelijk inhoudt. Dat wil zeggen de stelling overbelast te zijn of te geraken aannemelijk moet worden gemaakt en zo nodig nader moet worden onderbouwd. Is dat het geval, dan zal het college een (nader) onderzoek (laten) uitvoeren. Bijvoorbeeld door een medisch advies te vragen. De huisgenoot is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen. Zie bijlage 2 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels.
Omvang planbare en onplanbare ondersteuning
Soms is het duidelijk dat de huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare ondersteuning, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Denk bijvoorbeeld aan de beschikbare huisgenoot die geacht wordt om niet-uitstelbare taken in het kader van gebruikelijke hulp te bieden.
Aard van de beperkingen
Het kan voorkomen dat de huisgenoot weliswaar psychische beperkingen heeft maar geen aantoonbare fysieke beperkingen om de huishoudelijke taken uit te voeren (bijv. CRVB:2018:3101). In geval van psychische beperkingen kan het nodig zijn om vast te stellen dat de cliënt de betreffende huisgenoot kan aansturen bij de uitvoering van de huishoudelijke activiteiten (schoonmaakwerkzaamheden).
Geen overbelasting
Uit het medisch advies kan ook blijken dat de huisgenoot medisch gezien in staat is om huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo uit te voeren (bijv. CRVB:2018:2721).
4.7 Boven-gebruikelijke hulp
Het kan zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen geachte gebruikelijk hulp (substantieel) wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp met de persoonlijke verzorging in het kader van de Zvw. Dat wil zeggen dat een optelling van (beoogde) gebruikelijke hulp kan leiden tot het vaststellen van boven-gebruikelijke hulp. Voor boven-gebruikelijke hulp kan een indicatie worden afgegeven (bijv. CRVB:2015:3576).
4.8 Geen gebruikelijk hulp
Toezicht
Het bieden van permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp.
In dit soort situaties kan de cliënt mogelijk aangewezen zijn op een indicatie op grond van de Wlz (zie 2.9 van deze beleidsregels).
Overige situaties
In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden:
- •
de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting;
- •
de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken;
- •
de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(n) niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk met name aan niet-uitstelbare taken;
- •
de huisgenoot is (nog) niet leerbaar;
- •
er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan.
Tijdelijke maatwerkvoorziening
Het college kan ook tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken. Bijvoorbeeld tot het moment dat de huisgenoot niet meer is overbelast. Dat geldt ook als van de cliënt wordt verwacht dat een oplossing wordt gezocht in verband met de zorg voor minderjarige kinderen. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang.
5 Mantelzorg
5.1 Inleiding
Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp.
Wettelijke begrip
In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). In de beleidsregels houden we dit begrip aan.
Niet verzilveren van een aanspraak
De hulp of zorg, die door de mantelzorger wordt geboden, vertegenwoordigt een wettelijke aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd.
Beleidsuitgangspunt mantelzorg
Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek na de melding.
Wet langdurige zorg
Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling op grond van de Wlz (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden gebruik maken van algemene voorzieningen op grond van de Wmo 2015. Dergelijke voorzieningen zijn immers ‘vrij’ toegankelijk.
5.2 Respijtzorg
Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend. Daarvoor is overigens een bijdrage in de kosten verschuldigd, tenzij de Verordening anders bepaalt. Respijtzorg moet worden onderscheiden van:
- a.
de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en
- b.
de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de ondersteuningsvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening.
Kortdurend verblijf (logeren)
De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten. Het gaat om kortdurend verblijf (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).
Ondersteuning mantelzorgers algemeen
Tijdens het gesprek onderzoekt het college de mogelijke behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(s) van de cliënt. Dat behoort tot de wettelijke opdracht. Zie verder hoofdstuk 2 De procedure van deze Beleidsregels.
Overbelasting van de mantelzorger
Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Dit kan pas nadat gebleken is dat voorliggende oplossingen niet beschikbaar, geschikt of toereikend zijn. Van cliënt en mantelzorger wordt in principe verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. Eventueel met ondersteuning van een medewerker van het sociaal team. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hier ook een rol in spelen. Ook het ondersteuningsaanbod vanuit het Steunpunt Mantelzorg kan ingezet worden om overbelasting te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn: gesprekken met de mantelzorgconsulent, lotgenotencontact, mantelzorgmaatjes en het trainingsaanbod voor mantelzorgers.
Draagkracht/draaglast mantelzorger
De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden altijd meegewogen bij het gesprek met de cliënt. Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. In geval de mantelzorger persoonlijke verzorging (zoals bedoeld in de Zvw) biedt, kan het college bespreekbaar maken dat daar een aanvraag voor wordt gedaan.
Een indicatie wordt gesteld door de wijkverpleegkundige. Persoonlijke verzorging op grond van de Zvw kan door de zorgverzekeraar in natura of als pgb worden toegekend. Met de inzet van de wijkverpleging kan het verstrekken van een maatwerkvoorziening worden voorkomen omdat de (dreigende) overbelasting wordt weggenomen en de huisgenoot (voormalig mantelzorger) nu wel gebruikelijke hulp kan bieden.
Jonge mantelzorgers
Ongeveer een kwart van de Nederlandse kinderen groeit op in een gezin waarin sprake is van ziekte of beperking van een gezinslid. Te denken valt aan: een depressieve vader, een lichamelijk gehandicapte broer of een zus met een verslavingsproblematiek. In deze gevallen spreken we van ‘jonge mantelzorgers’. Deze kinderen lopen een risico op overbelasting. Ter ondersteuning van jonge mantelzorgers zijn er algemene voorzieningen zoals lotgenotencontact (Steunpunt Mantelzorg), KOPP-groepen (GGNet) en een maatjesproject (Welcom).
GGZ-mantelzorgers
Mantelzorgers rondom mensen met een ernstige psychische beperking lopen een verhoogd risico op overbelasting. Het is daarom extra belangrijk om hierbij zorgvuldig de draagkracht mee te wegen. Ter ondersteuning van deze mantelzorgers heeft GGNet een preventief aanbod bestaande uit gesprekken, lotgenotencontact en een cursusaanbod. Daarnaast kan de persoon aan wie mantelzorg verleend wordt, gestimuleerd worden om deel te nemen aan de stadskamer ‘s-Heerenberg en de dorpskamer Didam. Deze algemene voorziening kan fungeren als ontlasting van de mantelzorger.
5.3 Eerstelijnsverblijf
Eerstelijnsverblijf is een aanspraak onder de Zvw. Medisch noodzakelijk logeren (= aangewezen op geneeskundige zorg) in de eerste lijn onder de verantwoordelijkheid van de huisarts is één van de varianten van het Zvw-verblijf. Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college – in het kader van de eigen verantwoordelijkheid – mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan.
5.4 Mantelzorgwoning
Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt.
Bouwregels mantelzorgwoning
Een cliënt kan bij de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente Montferland informatie inwinnen over de regels rondom een mantelzorgwoning.
6 Hulp bij het huishouden
6.1 Inleiding
Hoofdstuk 6 Verordening
Het te bereiken resultaat ten aanzien van een schoon en leefbaar huis bestaat allereerst uit het kunnen wonen in een woning die schoongehouden is. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het te bereiken resultaat is beperkt tot de gebruiksruimten die voor de cliënt onder zijn normale gebruik van de woning vallen. Kamers die niet in gebruik (hoeven te) zijn in dat kader vallen hierbuiten. Maar dat wil niet zeggen dat in deze ruimte(n) helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. In de meeste gevallen kunnen deze huishoudelijke taken worden gedaan binnen de indicatie die wordt gesteld op basis van HHM 2025. Het gaat hier namelijk niet om extra ruimtes die in gebruik zijn als bedoeld in HHM 2025.
Herstelgerichte ondersteuning
Artikel 6.1 onder Verordening
Het college kan een maatwerkvoorziening Krachtig Ouder Worden inzetten gericht op het versterken of bevorderen van de eigen kracht van de cliënt of diens huisgenoot. Dit in plaats van hulp bij het huishouden.
Definitie van het resultaat:
Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft:
De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.
De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet:
Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (buitenzijde ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van hulp bij het huishouden.
Huishoudelijke taken
Artikel 6.3 Verordening
Is een cliënt aangewezen op ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis dan kan het college een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van hulp bij het huishouden die kan bestaan uit het overnemen van en/of ondersteuning bij huishoudelijke taken.
Hulp bij het huishouden overig
Onder hulp bij het huishouden kan ook worden verstaan:
- •
het klaarzetten of bereiden en zonodig aanreiken van maaltijden;
- •
het kunnen beschikken over normaal benodigde boodschappen;
- •
de dagelijkse zorg voor de in het huishouden aanwezige kinderen;
- •
de (dagelijkse) organisatie van het huishouden.
Deze vormen van hulp bij huishouden zullen in uitzonderlijke situaties tot een indicatie leiden.
6.2 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025
Voor de beoordeling en onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden gebruiken we het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van bureau HHM (hierna: HHM 2025). Zie bijlage 5 bij deze beleidsregels.
Maatwerk
HHM 2025 biedt de mogelijkheid om af te wijken van de basisnorm voor een schoon en leefbaar huis (verhogen of verlagen). Dat is afhankelijk van kenmerken van het huishouden en de woning. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisnorm voor een schoon en leefbaar huis, kan binnen HHM 2025 maatwerk geleverd worden om een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden te realiseren.
Wasverzorging
Voor de wasvoorziening in natura maakt de gemeente Montferland gebruik van een externe wasservice ((RBGEL:2023:7081, RBGEL:2025:4514).
Voor zover deze wasservice in het individuele geval niet passend is, wordt de maatwerkbehoefte aan wasverzorging afzonderlijk beoordeeld met inachtneming van HHM 2025.
6.3 Beleidsuitgangspunten
Bij het verlenen van hulp bij het huishouden gelden de volgende beleidsuitgangspunten.
Eigen kracht algemeen
Ervaring leert dat cliënten het schoonmaken op middenniveau en algemeen opruimen (voorheen licht huishoudelijke werk) meestal nog zelf kunnen. Dit kan leiden tot een vermindering van de inzet met 15 minuten per week volgens HHM 2025 (zie bijlage 5 van deze beleidsregels).
Eigen kracht: met inachtneming van leefregels
Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308, CRVB:2021:583).
Aanwezigheid van algemeen gebruikelijke voorziening
Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen waarmee de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Zie ook 3.2.3 van deze beleidsregels. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde voorzieningen die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau of een handwringer voor het uitwringen van werkdoekjes. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de cliënt zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Een eenvoudige robotstofzuiger kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt, als daarmee extra inzet vanwege stof, haren, zand of vergelijkbare vervuiling kan worden beperkt.
Inzet eenmaal per twee weken
Kan de cliënt tussen de ondersteuningsmomenten door de algemene hygiëne in huis op orde houden, dan kan ondersteuning eenmaal per twee weken, volgens HHM 2025, een passende oplossing zijn.
Gebruikelijke hulp
Voor hulp bij het huishouden geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels.
Zo efficiënt mogelijk
Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking zodat de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (te) volle vensterbanken die - voordat de ramen gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij - als mogelijk - voorbereidingen treft.
Houden van huisdieren
Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. De aanwezigheid van huisdieren leidt niet automatisch tot meer inzet van hulp bij het huishouden (CRVB:2019:2585). Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Leiden huisdieren aantoonbaar tot extra vervuiling of extra bewerkelijkheid, dan kan overeenkomstig HHM 2025 extra tijd worden toegekend. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen. Heeft de cliënt een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, dan houdt het college daar wel rekening mee (RBGEL:2018:1741). De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88).
Gesaneerde woning
Verder is het zo dat bij de hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar worden deze dieren wel door de cliënt gehouden dan geldt geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd.
Opname in hospice
De gemeentelijke zorg voor de inwoners van de gemeente Montferland is uitgebreid naar een verblijf in een hospice buiten de gemeente Montferland. Met de betreffende hospices worden op het moment er daar een cliënt van de gemeente wordt ondergebracht nadere afspraken gemaakt over o.a. de facturering. De praktische invulling van hulp bij het huishouden wordt overgelaten aan de cliënt en het hospice samen.
6.3.1 Hulp bij het huishouden
Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt onderscheid gemaakt tussen variant a en variant b. Het verschil tussen deze varianten is gelegen in de mate waarin de cliënt in staat is de huishoudelijke taken te organiseren. Van cliënten met bijvoorbeeld ernstige visusbeperkingen, cognitieve- en geheugenbeperkingen, psychosociale problematiek of zij die zich in hun laatste levensfase bevinden kan het college vaststellen dat zij niet of slechts in beperkte mate in staat zijn de huishoudelijke taken: adequaat in te schatten, te bepalen (te zien), te plannen, te organiseren, voor te bereiden en te overzien. Kort gezegd: het regelen. Hoewel het om dezelfde soort ondersteuning kan gaan als bij variant a, spreekt het voor zich dat bij cliënten met een ‘beperkt regelvermogen’ (variant b) andere eisen worden gesteld aan de persoon die de ondersteuning biedt.
Wanneer de cliënt geen regie kan voeren maar een huisgenoot heeft die dat kan overnemen dan wordt variant a. ingezet.
Variant b. wordt ingezet wanneer:
- •
de cliënt onvoldoende zelfredzaam is,
- •
de cliënt een beperkte verandercapaciteit heeft en/of
- •
leerbaar is, in die situaties waar er tijdelijk sprake is van coachen/geven van advies, instructie en voorlichting (gericht op het zelfstandig uitvoeren van het huishouden),
- •
er verzorging van kinderen nodig is.
Hulp bij het huishouden variant b is geen begeleiding als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Leidt het beperkte regelvermogen of de noodzaak van extra afstemming, organisatie of aansturing van de hulp aantoonbaar tot extra werkzaamheden, dan kan hiervoor aanvullend tijd worden toegekend overeenkomstig HHM 2025.
6.3.2 Hulp bij het huishouden overig
Broodmaaltijd
Onder een broodmaaltijd wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten. Een broodmaaltijd kan 1 keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijktijdig bereid en in koelkast klaargezet.
Warme maaltijden
Onder een warme maaltijd wordt in principe verstaan het opwarmen en klaarzetten van een warme maaltijd wanneer de cliënt zelf hiertoe niet in staat is. Een warme maaltijd kan één keer per dag worden geboden. In bijzondere gevallen kan het nodig zijn dat er een verse warme maaltijd wordt bereid. Het bereiden van een maaltijd wordt alleen ingezet als er geen andere oplossingen zijn, zoals de maaltijdservice of kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt.
Verzorging en verpleging
Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is om zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw. Dat geldt ook als er tijdens het eten toezicht moet worden gehouden vanwege een aandoening waarbij bijvoorbeeld verslikkingsgevaar aan de orde kan zijn. In dat geval loopt de cliënt een verhoogd risico aangewezen te raken op geneeskundige zorg.
Boodschappen
Het kunnen beschikken over normale benodigde boodschappen valt onder de hulp bij het huishouden. De ondersteuningsplicht heeft betrekking op levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Deze ondersteuningsplicht is alleen aan de orde wanneer de cliënt geen gebruik kan maken van voorliggende oplossingen zoals een boodschappendienst. In lijn met HHM 2025 worden boodschappen in het algemeen niet meer geïndiceerd.
Algemeen gebruikelijke voorziening
Het is doorgaans mogelijk en wordt als gangbaar beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Bij de boodschappendienst bestelt iemand de boodschappen via een app op de telefoon of via de PC. Boodschappendiensten zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen, tenzij het onmogelijk is daar gebruik van te maken. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service.
Zelf boodschappen doen
Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is om met bijvoorbeeld een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen.
Wasvoorziening buitenshuis
De dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat gewassen worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed. Strijken wordt in beginsel niet geïndiceerd. De cliënt kan kiezen voor strijkvrije bovenkleding (CRVB:2024:1487), mede in relatie tot de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger.
Voldoende linnengoed
Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (dubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning ook zo efficiënt mogelijk worden gedaan.
De was wordt bij zorg in natura buiten de deur gedaan. Per week kan er standaard een waszak van 8 kilo (gemengde) was aangeboden worden. Deze wordt thuis opgehaald en de volgende week schoon, gevouwen en de bovenkleding waar nodig gestreken weer thuisgebracht. In bijzondere gevallen kan een indicatie voor 2 waszakken per week plaatsvinden, denk hierbij aan grote huishoudens.
Wasverzorging thuis
In uitzonderlijke situaties kan de was in uren/minuten geïndiceerd worden, zodat de hulp de was thuis bij de cliënt kan doen. Alleen als de externe wasvoorziening niet passend is. Dat wil zeggen dat de was niet kan blijven liggen tot het moment dat deze wordt opgehaald. Denk bijvoorbeeld aan incontinentieproblematiek waarbij gebruikelijke hulpmiddelen en/of behandeling onvoldoende oplossing bieden. Een voorbeeld van behandeling is een training van de bekkenbodemspieren.
Verzorgen kinderen
De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouder(s). Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas oma, diverse vormen van kinderopvang, e.d.), het is een eigen verantwoordelijkheid daarvoor te zorgen. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Het college kan dan ook slechts tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat er ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Voor de zorg voor jonge minderjarige kinderen geldt in het algemeen dat gebruik kan worden gemaakt van diverse vormen van opvang (zie art. 6.2 lid 2 onder c Verordening).
Tijdsduur indicatie
De tijdsduur van de indicatie kan tijdelijk van aard zijn of voor een onbeperkte periode geldig zijn.
In de beschikking wordt de duur van deze periode aangegeven.
Als er geen veranderingen worden verwacht in de situatie van de aanvrager dan bestaat de mogelijkheid om de indicatie voor hulp bij het huishouden voor onbepaalde tijd af te geven.
Worden er veranderingen verwacht in de situatie van de aanvrager of als hier onduidelijkheid over is, dan wordt er een indicatie voor hulp bij het huishouden voor een bepaalde periode afgegeven. Na beëindiging van deze periode, vindt op aanvraag een nieuwe beoordeling plaats.
Redenen om een indicatie voor bepaalde tijd af te geven kunnen bijvoorbeeld zijn geen stabiele medische situatie en/of de levensfase waarin hij/zij zich bevindt.
6.4 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025
Normenkader als richtlijn
Het doel van het gebruik van HHM 2025 is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige professionele overname van huishoudelijke activiteiten bij een gemiddelde cliëntsituatie. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisnorm schoon en leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. Hierbij geeft het college gemotiveerd aan waarom de basisnorm wordt verhoogd of verlaagd.
6.4.1 Basisnorm
De basisnorm voor een schoon en leefbaar huis is 125 minuten volgens HHM 2025. Zoals gezegd kan de basisnorm worden verlaagd of verhoogd. Dat is afhankelijk van de situatie van de cliënt. Zie Bijlage 5 voor het normenkader voor de omvang van de verlaging of verhoging van de basisnorm. In deze bijlage staat ook hoe het normenkader moet worden toegepast. Het normenkader gaat uit van:
- •
Een gemiddelde cliëntsituatie.
- •
Individuele situaties op basis van kenmerken.
6.4.2 Gemiddelde cliëntsituatie
Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:
- •
Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;
- •
Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;
- •
Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;
- •
De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;
- •
De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
- •
Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
- •
Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;
- •
De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.
6.4.3 Individuele situaties op basis van kenmerken
Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:
- a.
Kenmerken cliënt
- •
Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
- •
Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
- 1.
Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).
- 2.
Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt van een gesaneerde woning.
- 1.
- •
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.
- •
- b.
Kenmerken huishouden
- •
Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).
- •
De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.
- •
Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen. Zie 6.3 van deze beleidsregels voor het te hanteren uitgangspunt over huisdieren.
- •
- c.
Kenmerken woning
- •
Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.
- •
Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.
- •
Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
- •
6.4.4 Middeling van tijden
HHM 2025 bestaat uit totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die ten grondslag ligt aan dit normenkader. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd van elkaar. Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. De CRvB accepteert HHM 2025 als objectieve maatstaf.
7 Ondersteuning, begeleiding individueel, begeleiding groep en logeren
Verordening hoofdstuk 7
7.1 Inleiding
Met de maatwerkvoorzieningen ondersteuning, begeleiding individueel en begeleiding groep wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding waaronder ook een zinvolle daginvulling wordt verstaan. Met de maatwerkvoorziening logeren wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip kortdurend verblijf (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Dit om de mantelzorger te ontlasten.
De maatwerkvoorziening logeren is bestemd voor cliënten die mantelzorg krijgen. Is de mantelzorger tijdelijk niet beschikbaar, dan kan logeren worden toegekend. Onder begeleiding worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie wil zeggen dat de cliënt zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kan doen aan de samenleving. De compensatieplicht van het college is echter niet gericht op het optimaliseren. Dat wil zeggen: niet alle beperkingen hoeven te worden opgelost.
7.2 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015
Persoonlijke verzorging en verpleging
De behoefte aan (alleen) verzorging kan ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo 2015. Is sprake van een lichamelijke aandoening waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zal de wijkverpleegkundige een indicatie stellen voor persoonlijke verzorging en verpleging.
7.3 Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
Reikwijdte
Het kan voorkomen dat de cliënt die een beroep doet op de Wmo 2015 in aanmerking kan komen voor ondersteuning bij zijn arbeidsparticipatie op grond van de Participatiewet (gemeente) of van het UWV. In dat geval zal de cliënt een verzoek moeten indienen bij de betreffende organisatie. Ondersteuning in de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt niet binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. Tijdens het onderzoek stelt het college vast of daar sprake van is. Daarbij wordt opgemerkt dat ondersteuning in de arbeidsparticipatie en een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 samen kunnen gaan.
Arbeidsvermogen
Ontvangt de cliënt een uitkering van het UWV dan is doorgaans door een arbeidsdeskundige vastgesteld of er sprake is van arbeidsvermogen of dat de cliënt dat kan ontwikkelen. Denk aan een uitkering op grond van: de Wajong of Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). De cliënt kan bij het UWV een aanvraag indienen voor ondersteuning bij zijn re-integratie.
Doelgroepregister
In het kader van de arbeidsparticipatie is het bijvoorbeeld van belang om te weten of de cliënt is opgenomen in het doelgroepregister. Dat is een register waarin mensen staan die vallen onder de doelgroep van de banenafspraak. Het UWV beheert het doelgroepregister. De volgende personen vallen in het doelgroepregister:
- •
die onder de doelgroep van de Participatiewet valt en waarvan is vastgesteld dat die persoon niet zelfstandig het minimumloon kan verdienen.
- •
die zelf bij het UWV een beoordeling arbeidsvermogen of werken met een voorziening heeft aangevraagd.
- •
die een WSW-indicatie (Wet Sociale Werkvoorziening) heeft of had.
- •
die een oude Wajong of Wajong 2010 uitkering ontving en die kan werken.
- •
die een WIW-baan (voormalige Wet inschakeling werkzoekenden) of een ID-baan (voormalig Besluit in- en doorstroombanen) had of heeft.
- •
schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het praktijkonderwijs (pro) die zich schriftelijk hebben aangemeld bij UWV.
- •
die alleen met een voorziening (hulp, hulpmiddelen en regelingen) het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.
Doelgroep Participatiewet
Wie onder de doelgroep van de Participatiewet valt staat in artikel 7 lid 1 onder a, van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk is voor ondersteuning richting werk door het aanbieden van een voorziening als iemand daarop is aangewezen.
Het onderzoek
Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2 lid 4 onder f Wmo 2015). Bijvoorbeeld de medewerker van de gemeente Montferland zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet of een arbeidsdeskundige van het UWV.
Aanspraak ondersteuning arbeidsparticipatie
Valt de cliënt namelijk onder de doelgroep van de Participatiewet of het UWV, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de begeleiding op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015).
Verklaring arbeidsdeskundige
Het kan voorkomen dat de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie dusdanig zijn dat de cliënt weliswaar beschikt over arbeidsvermogen (verdiencapaciteit heeft) maar een traject tot arbeidsparticipatie nog geen kans van slagen heeft. De problematiek in de zin van de Wmo 2015 kan daar bijvoorbeeld aan in de weg staan. Dat kan blijken uit een verklaring van een (arbeids)deskundige.
7.4 Begeleiding individueel
De cliënt ervaart op één of enkele leefgebieden beperkingen in de zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek.
De onderliggende problematiek van de cliënt is stabiel (evenals evt. medicijngebruik), maar er kunnen wel schommelingen optreden. Deze schommelingen leiden niet tot een instabiele situatie die (acuut) ingrijpen vergt. Er kan ook sprake zijn van een ziektebeeld waarbij op den duur verslechtering wordt verwacht (psycho-geriatrie). Dit kan leiden tot een sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven.
De cliënt:
- •
Beseft dat er begeleiding nodig is en staat hiervoor open maar heeft soms hulp nodig in het formuleren van zijn of haar vraag.
- •
Is leerbaar en heeft mogelijkheden tot het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden.
- •
Kan ook beperkt of niet leerbaar zijn. Het lukt dan niet of heel langzaam om te ontwikkelen naar een hogere mate van zelfstandigheid.
- •
Heeft mogelijk het maximaal haalbare bereikt. Begeleiding zal moeten aansluiten bij de beperkte ontwikkelmogelijkheden. Deze cliënt heeft baat bij veel herhaling.
- •
Heeft (vaak structurele) begeleiding nodig welke gericht is op activeren, stimuleren, samendoen (praktische begeleiding), oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden. Soms is overname van taken noodzakelijk.
- •
Kan zijn ondersteuningsvraag uitstellen tot een volgend contactmoment. De ondersteuningsvraag is voorspelbaar.
- •
Leert omgaan met zijn of haar problematiek.
7.5 Begeleiding individueel extra
De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De onderliggende problematiek van cliënt is niet stabiel en er kunnen schommelingen optreden. Die leiden tot een instabiele situatie wat incidenteel acuut ingrijpen vergt. De situatie is niet zodanig instabiel dat 24/7 bereikbaarheid noodzakelijk is. Er is sprake van multi problematiek waarbij de cliënt (en zijn systeem) tegelijkertijd problemen ervaart(/ervaren) op meerdere leefgebieden. Dit maakt dat de kans op ernstige gevolgen op deze leefgebieden op korte of lange termijn aanwezig zijn of het risico daarop groot is.
De cliënt:
- •
Heeft beperkt of geen inzicht in de eigen problematiek en de gevolgen daarvan op zijn dagelijks leven. Hierbij is ondersteuning nodig.
- •
Is over het algemeen gemotiveerd en staat open voor hulpverlening.
- •
Heeft soms een moeizame relatie met de hulpverlening. Dan is er extra inspanning nodig om cliënt gemotiveerd te krijgen en te houden voor hulpverlening.
- •
Is (beperkt) leerbaar en heeft in principe mogelijkheden tot het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden, het aanbrengen van structuur en regie te leren voeren over zijn of haar eigen leven.
- •
Kan over het algemeen zijn of haar ondersteuningsvraag uitstellen en de begeleiding op geplande momenten ontvangen. Soms is contact buiten de geplande momenten, maar tijdens kantoortijden, noodzakelijk als de (acute) situatie daar om vraagt.
- •
Reageert soms onvoorspelbaar. De cliënt is beperkt belastbaar en kan snel (psychisch) uit balans raken.
7.6 Begeleiding individueel beschermd thuis
De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De problematiek van de cliënt is in principe stabiel, maar er kunnen schommelingen optreden die maken dat acuut ingrijpen noodzakelijk is. Cliënt is daarom aangewezen op 24/7 bereikbaarheid naast de geplande contactmomenten. Soms is overname van regie nodig. Er kan sprake zijn van multi problematiek waarbij de cliënt problemen ervaart op meerdere leefgebieden.
Beschermd thuis kan ook van toepassing zijn bij een stabiele situatie, waarbij de stap van een beschermde woonsetting naar zelfstandig wonen (nog) te groot is. Beschermd thuis kan ook nodig zijn om juist het zelfstandig wonen te kunnen behouden. Bijvoorbeeld bij een terugval op het gebied van psychiatrie of verslaving of het doorkomen van een moeilijke periode. Soms is er extra inspanning nodig op het gebied van communicatie. Afstemmen met het (informele) netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante ketenpartners is dan noodzakelijk.
De cliënt:
- •
Kan zelfstandig wonen.
- •
Kan grotendeels zelf de ondersteuningsvraag stellen maar niet uitstellen. Hierdoor is planbare begeleiding onvoldoende.
- •
Is gemotiveerd en staat open voor hulpverlening.
- •
Is bereid de situatie aan te pakken, maar wordt soms overvallen door de eigen problematiek. Cliënt weet dan niet meer wat te doen of wat nodig is om het probleem op te lossen. Cliënt is dan het overzicht kwijt, heeft tijdelijk geen grip meer en kan niet uit het (vaste) patroon komen.
- •
Heeft een ontwikkelpotentieel: is leerbaar, heeft voldoende verandercapaciteit en kan vaardigheden ontwikkelen. Het kan ook gaan om de cliënt met hardnekkige patronen of juist onvoorspelbaar gedrag.
- •
Leert vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren.
7.7 Begeleiding groep belevingsgericht
De cliënt heeft meer ondersteuning nodig dan in het voorliggend veld/sociale basis geboden kan worden en ontwikkelingsgerichte (geïndiceerde) dag invulling is voor deze groep een stap te ver of niet meer mogelijk. Bij de cliënt kan sprake zijn van een onomkeerbaar verlies van regie en afhankelijkheid van ondersteuning. Het kan gaan om cliënten die beperkt zijn in hun zelfredzaamheid (denk aan cognitieve en/of fysieke beperkingen ten gevolge van ziekte of ouderdom) en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dag structuur vorm te geven. Wanneer een cliënt beperkt is in de zelfredzaamheid kan dit leiden tot sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. Cognitieve beperkingen kunnen ook al op jonge leeftijd optreden. De cliënt heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven, ter voorkoming van een sociaal isolement. De begeleiding draagt bij aan het behouden van vaardigheden en ontlasten van de mantelzorger of thuissituatie.
7.8 Begeleiding groep ontwikkelgericht
De cliënt heeft meer ondersteuning nodig dan in het voorliggend veld/sociale basis geboden kan worden en ontwikkelingsgerichte (geïndiceerde) dag invulling is voor deze groep een stap te ver of niet meer mogelijk. Bij de cliënt kan sprake zijn van een onomkeerbaar verlies van regie en afhankelijkheid van ondersteuning. Het kan gaan om cliënten die beperkt zijn in hun zelfredzaamheid (denk aan cognitieve en/of fysieke beperkingen ten gevolge van ziekte of ouderdom) en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dag structuur vorm te geven. Wanneer een cliënt beperkt is in de zelfredzaamheid kan dit leiden tot sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. Cognitieve beperkingen kunnen ook al op jonge leeftijd optreden. De cliënt heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven, ter voorkoming van een sociaal isolement. De begeleiding draagt bij aan het behouden van vaardigheden en ontlasten van de mantelzorger of thuissituatie.
7.9 Stapelingsmatrix Wmo Begeleiding
|
|
Begeleiding individueel |
Begeleiding individueel extra |
Begeleiding groep Belevings-gericht |
Begeleiding Groep Ontwikkelings-gericht |
Beschermd Thuis |
|
Begeleiding individueel |
Nee |
Nee |
Ja |
Ja |
Nee |
|
Begeleiding individueel extra |
Nee |
Nee |
Ja |
Ja |
Nee |
|
Begeleiding groep Belevingsgericht |
Ja |
Ja |
Nee |
Nee |
Ja |
|
Begeleiding Groep Ontwikkelingsgericht |
Ja |
Ja |
Nee |
Nee |
Ja |
|
Beschermd Thuis |
Nee |
Nee |
Ja |
Ja |
Nee |
7.10 Zorgplan
Nadat het college het te bereiken resultaat of resultaten heeft vastgesteld is het aan de aanbieder om te bepalen hoe het resultaat of resultaten worden bereikt. Daarvoor stelt de aanbieder samen met de cliënt een zorgplan op waarin de invulling en inzet van de ondersteuning staat en de wijze waarop dit bijdraagt aan de realisatie van resultaten in het ondersteuningsplan.
7.11 Logeren
Artikel 7.9 Verordening
De cliënt die geen indicatie heeft of kan krijgen op grond van de Wlz kan in aanmerking komen voor logeren als:
- a.
dit noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten; en
- b.
de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning die gepaard gaat met het overnemen van permanent toezicht dan wel 24 uurs ondersteuning in de nabijheid, niet zijnde het bieden van intramurale geneeskundige zorg.
7.11.1 Eerstelijns verblijf of Wet langdurige zorg
Het college onderzoekt ook of de cliënt aanspraak kan maken op eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het gaat in die gevallen om medisch noodzakelijk verblijf (= aangewezen op geneeskundige zorg). Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college, mede gelet op de eigen verantwoordelijkheid, mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan. Het kan nodig zijn gebruik te maken van de deskundigheid van bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige. Ook kan het zijn dat de cliënt een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen, zie 2.9 van deze beleidsregels. Het kan nodig zijn gebruik te maken van de deskundigheid van bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige.
7.12 Time-out
De maatwerkvoorziening time out is bestemd voor cliënten zonder mantelzorger die:
- •
door complexe problematiek tijdelijk niet in hun eigen huis kunnen verblijven; en
- •
aangewezen zijn op een beschermende woonomgeving waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd.
Het doel van een time-out is het creëren van stabiliteit in de (thuis)situatie van de client. Deze maatwerkvoorziening is gericht op het:
- •
geven van ruimte om op adem te komen en te herstellen;
- •
bieden van activiteiten gericht op sociale interactie en activering,
om zo de kwaliteit van het leven van de cliënt te verbeteren. Er komt stabiliteit. Deze maatwerkvoorziening wordt in beginsel geïndiceerd voor een duur van maximaal 6 weken. Het college kan deze indicatie in uitzonderlijke gevallen verlengen met nogmaals maximaal 6 weken.
8 Wmo-wonen
8.1 Inleiding
Met de maatwerkvoorziening Wmo-wonen wordt invulling gegeven aan beschermd wonen voor cliënten die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving. In dit hoofdstuk wordt gesproken van Wmo-wonen.
8.2 Doelgroep
Tot de doelgroep van Wmo-wonen behoren cliënten van 18 jaar of ouder met complexe psychische en/of psychosociale problematiek op een of meerdere leefgebieden. Bijvoorbeeld bij het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine. Cliënten zijn bij het voorkomen en/of oplossen van problemen en het nemen van besluiten afhankelijk van anderen. De cliënt kan zijn ondersteuningsvraag niet (uit)stellen en heeft hierdoor 24-uurs toezicht of bereikbaarheid nodig. Het spreekt voor zich dat de ondersteuning aansluit aan op de behoeften en leefwereld van de cliënt en zo veel als mogelijk gericht is op het behoud en ontwikkelen van de regie op het eigen leven.
8.3 Wmo-wonen
Het segment Wmo-Wonen kent vier sub-segmenten:
- 1.
Beschermd wonen (24-uurszorg).
- 2.
Beschut wonen (24-uurs begeleiding).
- 3.
Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ (24-uurs nabijheid).
- 4.
Safehouses (24-uurs nabijheid).
8.3.1 Beschermd Wonen (24-uurszorg)
De cliënt is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. Vanwege deze problematiek is de cliënt (tijdelijk) aangewezen op wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding. Beschermd wonen kan passend zijn bij verschillende cliënten. De cliënt met het lerende vermogen en de cliënt die een beperkte ontwikkelmogelijkheid heeft. Dit betekent dat een cliënt kan doorstromen naar een lichtere vorm van ondersteuning of mogelijk doorstroomt naar een langdurige vorm van zorg en ondersteuning. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. Het betreft cliënten met een wisselend ziektebeeld. Er is sprake van actieve psychiatrie en/of psychosociale problematiek en problemen met het regievoeren. Er kan ook sprake zijn van verslavingsproblematiek; de ondersteuningsvraag van de cliënt kan gericht zijn op het stabiel houden hiervan na- of in combinatie met behandeling. Het ziektebeeld van de cliënt vraagt om een continue vorm van directe nabijheid waarbij de cliënt op ieder moment van de dag een beroep op de begeleiding kan doen.
De cliënt:
- •
Heeft psychische problematiek of een ziektebeeld met een wisselend karakter
- •
Heeft onvoldoende inzicht in eigen problematiek.
- •
Heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek.
- •
Is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen.
- •
Heeft een niet uitstelbare ondersteuningsvraag.
- •
Is gebaat bij een beschermde woonomgeving, met agogisch klimaat (woonzorg) en met 24- uurs directe nabijheid.
- •
Heeft dagelijkse begeleiding nodig gericht op stabilisatie, herstel, stimuleren, samendoen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden.
- •
(En zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren.
Drie vormen
Beschermd wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. Begeleiding is flexibel inzetbaar. Afstemmen met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante partners is noodzakelijk en onderdeel van de integrale begeleiding. De begeleiding heeft ook een signalerende rol.
|
Begeleiding individueel basis Gemiddeld 3 uren per week |
Begeleiding individueel plus Gemiddeld 6 uren per week |
|
In de basis gaan we uit van een gemiddelde inzet van 3 uren per week. Als er sprake is van een instabiel psychiatrisch ziektebeeld al dan niet in combinatie met regieverlies, waarbij sturing en overname noodzakelijk is, kan een hoger gemiddeld aantal uren van toepassing zijn. De mate van ondersteuningsbehoefte is bepalend voor hoeveel uur er per week ingezet wordt. Hierbij valt te denken aan:
|
|
|
Bij cliënten die geen gebruik maken van individuele begeleiding kan ervoor gekozen worden om beschermd wonen zonder toevoeging van individuele uren in te zetten. Hierbij valt te denken aan cliënten die klaar zijn om uit te stromen of cliënten die langer dan 4, maar korter dan 12, weken afwezig zijn bijvoorbeeld als gevolg van een opname. |
|
Indicatie Dagbesteding
Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan als nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.
8.3.2 Beschut Wonen (24-uurs begeleiding)
De cliënt is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperkingen en/of verslavingsproblematiek De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. De cliënt is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen en gebaat bij een beschutte woonomgeving.
De cliënt:
- •
Heeft een stabiel ziektebeeld, maar het kan voorkomen dat er in periodes sprake is van een instabieler beeld.
- •
Is in stabiele periodes in staat om zelf hulp te vragen.
- •
Kan omgaan met een uitgestelde ondersteuningsvraag, waarbij nabijheid volstaat.
- •
Over het algemeen kan de cliënt een minder stabiele periode bij zichzelf herkennen en weet dat hij dan een beroep op de begeleiding moet doen. Tevens heeft de begeleiding een signalerende rol om passende interventies uit te voeren.
- •
Heeft beperkt of voldoende inzicht in eigen problematiek.
- •
Heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek.
- •
Is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen.
- •
Heeft een niet uitstelbare ondersteuningsvraag.
- •
Is gebaat bij een beschutte en geclusterde woonomgeving, met agogisch klimaat (woonzorg) en met 24- uurs nabijheid door bereikbaarheid en een kantoor in de nabije omgeving.
- •
Heeft dagelijkse begeleiding nodig gericht op stabilisatie, herstel, stimuleren, samendoen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden.
- •
(En zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren.
Drie vormen
Beschut wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus.
|
Begeleiding individueel basis Gemiddeld 2 uren per week |
Begeleiding individueel plus Gemiddeld 5 uren per week |
|
In de basis gaan we uit van een gemiddelde inzet van 2 uren per week. Als er sprake is van een instabiel psychiatrisch ziektebeeld al dan niet in combinatie met regieverlies, waarbij sturing en overname noodzakelijk is, kan een hoger gemiddeld aantal uren van toepassing zijn. De mate van ondersteuningsbehoefte is bepalend voor hoeveel uur er per week ingezet wordt. Hierbij valt te denken aan:
|
|
|
Bij cliënten die geen gebruik maken van individuele begeleiding kan ervoor gekozen om beschut wonen zonder toevoeging van individuele uren in te zetten. Hierbij valt te denken cliënten die klaar zijn om uit te stromen of cliënten die langer dan 4, maar korter dan 12, weken afwezig zijn bijvoorbeeld als gevolg van een opname. |
|
Indicatie Dagbesteding
Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan als nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.
8.3.3 Stapelingsmatrix Wmo-wonen
|
Locatie |
Individuele begeleiding |
Begeleiding groep |
|
Beschermd wonen basis |
Nee |
Ja |
|
Beschermd wonen plus |
Nee |
Ja |
|
Beschut wonen basis inclusief en exclusief huisvestingscomponent |
Nee |
Ja |
|
Beschut wonen plus inclusief en exclusief huisvestingscomponent |
Nee |
Ja |
8.4 Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ (24-uurs nabijheid)
Dit product richt zich op cliënten die veelal in de leeftijdscategorie tussen de 17 en 27 jaar zitten. Het doel van dit product is onder andere om een soepele overgang van Jeugdwet naar Wmo te bewerkstelligen. Instroom vanuit Wmo is mogelijk. De cliënt dient vaardigheden te ontwikkelen passend bij de hersenontwikkeling die doorgaans plaatsvindt op de leeftijd van 17 tot 27 jaar. Bij deze cliënt kan sprake zijn van psychiatrische problematiek en/of psychosociale problematiek die van invloed is op het zelfstandig functioneren in het dagelijks leven. Ook kan er sprake zijn van een verslaving of een licht verstandelijke beperking.
De cliënt werkt toe naar het zo zelfstandig mogelijk deel kunnen nemen aan de maatschappij en het vergroten van vaardigheden die daarbij nodig zijn. Het gaat hierbij om:
- 1.
Praktische vaardigheden, zoals wassen, schoonmaken, koken, budgetteren.
- 2.
Vaardigheden die horen bij het volwassen worden, zoals onderwijs en/of werk volgen, vrije tijd zinvol invullen, sociale contacten onderhouden, omgaan met instanties en zorgdragen voor gezondheid, persoonlijke verzorging en een gezond dag- en nacht ritme.
- 3.
Het verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische en/ of psychosociale problematiek.
De cliënt leert in welke situaties hij/zij om hulp kan vragen. En weet bij wie hij hiervoor terecht kan. Cliënten die over voldoende basisvaardigheden beschikken wonen in een pand van de zorgaanbieder waar de begeleiding dagelijks aanwezig is. We gaan hierbij uit van een gemiddelde collectieve (fysieke) inzet van 24 uur per week bij een gemiddelde groepsgrootte van 6 cliënten. Minimaal één van de bezoeken wordt door de persoonlijk begeleider gedaan. Samen met de cliënt wordt door de persoonlijk begeleider gevolgd hoe het werken aan de doelen uit het perspectiefplan/begeleidingsplan verloopt. Tijdens de dagelijkse begeleidingsmomenten werken de cliënt en begeleiding aan het aanleren van vaardigheden, zoals hierboven genoemd. Naast de dagelijkse begeleiding die geboden wordt vanuit het agogische klimaat kan de cliënt een individuele begeleidingsbehoefte hebben. Hierbij valt te denken aan:
- •
Ondersteunen bij contacten onderhouden met naasten, behandelaren en instanties;
- •
Overzicht aanbrengen op het gebied van post, administratie en financiën.
Deze individuele begeleiding is onderdeel van dit product. We gaan hierbij uit van een gemiddelde begeleidingsintensiteit van 1,5 uur per week per cliënt.
Indicatie Dagbesteding
Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan als nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.
8.4.1 Stapelingsmatrix
|
Product |
Individuele begeleiding |
Begeleiding groep |
Jeugdproducten (behandeling niet GGZ, behandeling Groep Niet GGZ, BGGZ, SGGZ, Diagnostiek, Medicatiecontrole |
|
Wonen gericht op zelfstandigheid |
Nee (is integraal) |
Ja |
Ja, alleen bij cliënten vallend onder de Jeugdwet |
8.5 Safehouses (24-uurs nabijheid)
Een Safehousetraject duurt nooit langer dan 1 jaar. In eerste instantie wordt een indicatie voor 6 maanden afgeven, evaluatie na 6 maanden. Mogelijkheid tot verlengen met nog eens 6 maanden, max 1 jaar. Safehouses richten zich met name op cliënten die:
- •
Net zijn afgekickt van een vorm van verslaving (bijvoorbeeld maar niet limiterend aan: middelengebruik, gameverslaving, gokverslaving).
- •
Daarnaast kampen met complexe multi- problematiek, zoals (nog niet gediagnosticeerde) psychische problematiek en psychosociale problematiek (zoals schulden, justitiële achtergrond, werk- en relatieproblematiek).
- •
Na eerdere behandel(detox)pogingen terug zijn gevallen in de verslaving.
- •
Gebaat zijn bij een veilige “oefenplek” zonder de verleiding van het oude (verslavings) netwerk.
Woonvorm
Accommodatie van de aanbieder, 24-uurs bereikbaarheid. Cliënten ondersteunen en moedigen elkaar aan in het herstelproces. Exclusief woonkosten.
Begeleiding gericht op
Dagelijkse begeleiding in een veilige en gezonde, abstinente omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die essentieel zijn voor blijvend herstel na een verslaving, worden aangeleerd en geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten.
De begeleiding heeft een signalerende rol bij schommelingen in het ziektebeeld. En pleegt tijdige interventies bij terugval of escalaties. Van de aanbieder wordt in dat geval extra inspanning op het gebied van communicatie met het netwerk en netwerkpartners van de cliënt verwacht.
De aanbieder en de cliënt hebben vanaf de start van het traject periodiek overleg met de gemeente van herkomst over de voortgang. Bij de start van het traject maken aanbieder en cliënt samen een begeleidingsplan. Uitstroom na het safehouse traject is hier onderdeel van. Zodat er tijdig een plan van aanpak afgestemd is t.b.v. uitstroom.
Zero-tolerance beleid
Safehouses hanteren een zero-tolerance beleid. Bij aanvang plaatsing safehouse worden tussen de cliënt en aanbieder afspraken gemaakt rondom een terugval of bij escalaties. Wanneer verblijf in het safehouse niet meer mogelijk blijkt, blijft de aanbieder verantwoordelijk zorg te dragen voor een redelijk alternatief (vervolgplek inclusief begeleiding) en daarbij behorende warme overdracht.
Noodzaak nabijheid
Nabijheid op afroep, begeleiding moet binnen 45 minuten ter plekke zijn.
Zelfstandig wonen
Cliënt is tijdelijk niet in staat zelfstandig te wonen, begeleiding is gericht op herstel en abstinent blijven.
Gemiddelde collectieve inzet
Gemiddelde collectieve inzet voor het dagprogramma van 14 uren per week bij een gemiddelde groepsgrootte van 6 cliënten. Aanwezigheid van de begeleiding op locatie is afgestemd op de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.
Begeleiding individueel
Individuele begeleiding is onderdeel van dit product. We gaan hierbij uit van een gemiddelde begeleidingsintensiteit van 4 uur per cliënt per week.
Dagbesteding
Niet inbegrepen. Bij een Safehouse volgt de cliënt het dagprogramma en heeft daarnaast vrijwilligerswerk of betaald werk, of maakt gebruik van een voorziening in de lokale basis. Alleen als dit niet mogelijk is, kan bij uitzondering dagbesteding worden ingezet. Dit moet dan apart geïndiceerd worden.
Locatievoorzieningen
De cliënt heeft een eigen (slaap)kamer. Andere voorzieningen (kunnen) worden gedeeld. De aanbieder zorgt dat er een gemeenschappelijke ruimte aanwezig is waar groepsmomenten en activiteiten kunnen plaatsvinden.
8.6 Indicatieduur
De indicatie voor Wmo-Wonen wordt in beginsel afgegeven voor maximaal twee jaar. Dat geeft de mogelijkheid om beter vinger aan de pols te houden over de mogelijkheid van het op- of afschalen van de indicatie maar ook om te beoordelen of een Wlz-indicatie mogelijk is.
Wanneer bij een herindicatie wordt vastgesteld dat Beschermd Wonen of Beschut wonen niet meer is aangewezen, dan wordt een indicatie voor Wmo-Wonen voor maximaal zes maanden afgegeven. Met deze indicatie worden ook afspraken vastgelegd over bijvoorbeeld de verwachte inspanningen van de cliënt en aanbieder om zelfstandige woonruimte te vinden. Ook worden, als nodig, afspraken gemaakt over de overdracht van de cliënt naar de aanbieders voor begeleiding. De aanbieder bereidt cliënten voor op uitstroom uit beschermd wonen (oud), beschermd wonen en beschut wonen (nieuw). Zij doen dit tijdig, reeds voordat tot daadwerkelijke uitstroom wordt overgegaan. Deze werkwijze is afgestemd met de woningcorporaties uit de regio. In het plan van aanpak van de cliënt, zijn afspraken opgenomen over inkomen, uitkering en dagbesteding.
Wanneer duidelijk is dat de cliënt niet binnen de gestelde tijd kan uitstromen wordt contact opgenomen met de gemeente om te bespreken of verlenging van de indicatie Wmo-wonen mogelijk en nodig is.
8.7 Bijzonderheden
8.7.1 Beschermd wonen niet direct beschikbaar
Wanneer een passende plek nog niet beschikbaar is, wordt de cliënt op de wachtlijst van de instelling geplaatst. De cliënt is hier medeverantwoordelijk voor in samenspraak met de betrokken consulent en als nodig in overleg met de aanbieder die reeds betrokken is. Met hen wordt besproken hoe de periode tot plaatsing kan worden overbrugd.
8.7.2 Tijdelijk verblijf andere regio
Tijdelijk verblijf is verblijf van maximaal één jaar, waarbij vanaf het begin de intentie regio aanwezig is om de cliënt terug te laten keren naar eigen regio. Het kan voorkomen dat een cliënt uit de gemeente Montferland tijdelijk in een instelling in een andere regio moet verblijven wanneer er geen passend aanbod in de eigen regio is. In dergelijke gevallen zal met de (centrum) gemeente van plaatsing worden afgestemd en afspraken worden gemaakt.
8.7.3 Tijdelijke afwezigheid Wmo-wonen met verblijf
Verblijft een cliënt tijdelijk elders, voor bijvoorbeeld een behandeling of vanwege detentie, dan kan dat gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van zijn Wmo-wonen met verblijf plek. Binnen één week na de afwezigheid van de cliënt rapporteert de aanbieder van het Wmo-wonen met verblijf dit naar de gemeente. Dit geldt ook wanneer de cliënt op eigen initiatief de Wmo-wonen met verblijf plek heeft verlaten.
Vervallen woonplek
Wanneer duidelijk is dat de cliënt langer dan twaalf weken elders zal verblijven, dan vervalt in principe zijn plek bij de aanbieder voor Wmo-wonen met verblijf. Wanneer de cliënt na deze periode weer gebruik wil maken van Wmo-wonen met verblijf, kan hij zijn ondersteuningsvraag hiervoor melden.
9 Ondersteuning gericht op het wonen
9.1 Inleiding
Hoofdstuk 8 van de Verordening
Uitgangspunt is dat iedere burger zelf voor een eigen woning moet zorgen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen met vaste standplaats wordt gezien als een woning. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) en erkende instellingen of instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning waarover men beschikt. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (zie verder hierna). Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.
9.2 Verordening
In hoofdstuk 8 van de Verordening staan maatwerkvoorzieningen genoemd die het college kan verstrekken en waar deze op zijn gericht. Verder is het zo dat beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. Het te bereiken resultaat van ondersteuning gericht op het wonen bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het college kan aan de cliënt maatwerkvoorzieningen verstrekken in de vorm van:
- a.
woningaanpassingen of hulpmiddelen;
- b.
hulpmiddelen om zich in en om de woning verplaatsen. Denk aan een rolstoel of een traplift.
Langdurige noodzaak
Voor nagelvaste hulpmiddelen en woningaanpassingen geldt dat deze langdurig noodzakelijk moeten zijn.
Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid
Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet gaan om elementaire woonfuncties en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden in beginsel geen maatwerkvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de Verordening.
Woningaanpassingen
De eigenaar moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 Wmo 2015 dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd.
Overleg
Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede dat wel te doen.
Derde-belanghebbende
Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengt die in strijd is met het vigerende Bouwbesluit.
Wettelijke afbakening hulpmiddelen bij het wonen
Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die eerder gold. Zodra dan voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.
9.3 Primaat van verhuizen
Artikel 8.2 van de Verordening
Wanneer er hoge kosten verbonden zijn aan het aanpassen van de huidige woning of van nagelvaste hulpmiddelen nodig zijn, zal de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning worden beoordeeld. Het primaat kan pas worden toegepast als de te verwachten kosten meer zullen bedragen dan het grensbedrag zoals bepaald in het Besluit. Bij de vaststelling van dat bedrag kan het college ook rekening houden met eventuele aanpassingen of nagelvaste hulpmiddelen die op korte termijn nodig zullen zijn. Het primaat van verhuizen kan ook worden toegepast als de woning niet kan worden aangepast.
Ook wordt meegewogen of de financiële tegemoetkoming goedkoper is dan de kosten van de noodzakelijke maatwerkvoorziening(en). Het primaat van verhuizen is immers een verbijzondering van de goedkoopst passende bijdrage (art. 4.3 lid 1 onder b Verordening).
Belangenafweging
Het spreekt voor zich dat er een woning (huur of koop) beschikbaar moet zijn en verhuizen ook een geschikte oplossing is die goedkoper is (bijv. CRVB:2022:477). Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie anders kan zijn. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van relevante factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat.
Zwaarwegende redenen
Uit de belangenafweging kunnen zwaarwegende redenen naar voren komen waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden daarvan zijn:
- 1.
Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als niet verwacht wordt dat een (dementerende) cliënt binnen een redelijke termijn zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving.
- 2.
Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.
- 3.
De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg professionele hulp overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.
- 4.
Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast.
- 5.
De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.
- 6.
Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd.
Woonlastenconsequenties woning
Een nieuwe huurwoning kan een aanzienlijke stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele partner of echtgenoot niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te (kunnen) betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag. Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop. Of daarvan sprake is, beoordeelt het college in het individuele geval.
Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit
Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:
- •
Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten).
- •
Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom.
- •
Opstalverzekering.
Kosten verhuizing
Het kan voorkomen dat cliënten bij wie het primaat van verhuizen wordt toegepast, geconfronteerd worden met verhuiskosten. In die gevallen kan het college een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de verhuizing van de nieuwe woning (art. 5.3.1 lid 1 onder c Verordening).
Doelverstrekking
De financiële tegemoetkoming voor de verhuizing is een doelverstrekking. Dat wil zeggen dat het niet voor andere doeleinden mag worden ingezet.
Verhuizen uit vakantie- of recreatiewoning
Het primaat van verhuizen geldt niet als de cliënt in een vakantie- of recreatiewoning woont want die woningen zijn uitgesloten van het verstrekken van aanpassingen zoals hier bedoeld. Dat betekent ook dat geen financiële tegemoetkoming voor de verhuizing naar een andere woning wordt verstrekt.
9.4 De procedure woningaanpassing overig
Aanpassingen in bijvoorbeeld de keuken zijn mogelijk, tenzij van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten kan worden verlangd dat de taakverdeling wordt aangepast waarmee een aanspraak kan worden voorkomen of beperkt in omvang. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college hoeft te zijn.
Offertes
Is de cliënt aangewezen op een woningaanpassing, dan wordt een programma van eisen opgesteld voor de goedkoopst passende bijdrage in dat kader. Het college of de cliënt vragen op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij aannemers op. In geval van een huurwoning bij Plavei vraagt het college zelf offertes aan bij bouwbedrijven. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst passende bijdrage biedt en geeft de opdracht. In geval van een pgb voor een eigen huisbezitter geldt ook deze werkwijze met dien verstande dat de budgethouder (cliënt) de opdracht verstrekt nadat het college het pgb heeft toegekend.
Starten met de werkzaamheden
Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden (zie ook 3.4 van deze beleidsregels). Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college dit aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing.
Werkwijze pgb
Na de voltooiing van de werkzaamheden dient de woningeigenaar of huurder binnen uiterlijk 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen betreffende de werkzaamheden in te leveren en wordt het definitieve pgb door het college bepaald. Bij de gereedmelding dient een verklaring te zijn bijgevoegd waaruit blijkt dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verleend. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om definitieve vaststelling van het pgb door het college (mandaat SVB eenmalig Pgb) aan de derde die de woningaanpassing heeft gerealiseerd.
9.5 Hulpmiddelen
Dit zijn roerende zaken die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen. Het kan gaan om een vervoersvoorziening maar ook om roerende woonvoorzieningen zoals een douchestoel. Of de cliënt in aanmerking komt voor een roerende woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de aanwezige beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van roerende woonvoorzieningen in plaats van een woningaanpassing (aard en nagelvast).
Patiëntenliften
Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur-, plafond- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken:
- •
de te verwachten transfers;
- •
de mogelijkheden van de cliënt/het kind;
- •
de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen;
- •
de beschikbare ruimte;
- •
de noodzakelijke lichamelijke begeleiding van de cliënt/het kind.
Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen
Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, vaste douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.
10 Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer
10.1 Inleiding
Verordening hoofdstuk 9
Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. De cliënt wordt hiermee in staat gesteld om:
- a.
winkels en andere noodzakelijke voorzieningen te bereiken;
- b.
sociale contacten te kunnen onderhouden;
- c.
aan maatschappelijke activiteiten deel te nemen.
10.2 Beleidsuitgangspunten
10.2.1 Regulier Openbaar Vervoer
Kan de cliënt door gebruik te maken van het Openbaar Vervoer de gewenste vervoersbestemmingen bereiken, dan is hij niet aangewezen op een vervoersvoorziening van de gemeente (bijv. CRVB:2022:224).
Bereiken en gebruiken van het reguliere openbaar vervoer
Het reguliere Openbaar Vervoer is een passende oplossing. Daaronder valt ook de HaltetaxiRRReis. Bij het onderzoek wordt ook bekeken of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer te voet, per fiets of per bus kan worden bereikt. Voor de vraag of de cliënt bijvoorbeeld de bushalte kan bereiken en gebruiken is het redelijk om uit te gaan dat de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met algemeen gebruikelijke voorziening zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte bevindt. Is een rollator niet geschikt, dan beoordeelt het college of de cliënt de afstand van huis tot bijvoorbeeld de bushalte kan overbruggen met een voor hem algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Denk bijvoorbeeld aan een fiets of een brommer.
10.2.2 Andere voorliggende oplossingen
Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen
Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie verder 3.2.3 van deze beleidsregels.
MEE op Weg
Naast de Regiotaxi wordt door nagenoeg alle MEE organisaties in het land de mogelijkheid geboden om mensen met een beperking meer mogelijkheden te laten zien om deel te nemen aan het verkeer. De gedachte hierbij is dat er niet automatisch vanuit wordt gegaan dat speciaal vervoer nodig is. MEE op Weg werkt met vrijwilligers, zoals een OV-maatje of een fiets maatje. Het gebruik van MEE op Weg kan van de cliënt worden verlangd zeker als daarmee een aanspraak wordt voorkomen en het vanzelfsprekend als passende oplossing kan worden aangemerkt.
Hulp van anderen
Ondersteuning bij vervoer kan als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Zie voor hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. Daarnaast kan de cliënt hulp mogelijk krijgen van personen uit de sociale omgeving van de cliënt.
Beschikbare voorzieningen
Het kan voorkomen dat een cliënt een (extra) vervoersvoorziening aanvraagt terwijl met de tot zijn beschikking staande vervoersvoorzieningen wordt voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:2123). In dat geval heeft het college geen compensatieplicht.
10.2.3 Lokale vervoersbehoefte
Onder lokaal kunnen verplaatsen wordt een afstand van 15-20 kilometer rondom de woning als redelijk aangemerkt (art. 9.3 lid 2 Verordening). Deze afstand komt overeen met vijf zones openbaar vervoer. Het is wel zo dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een treinstation met dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen en het ziekenhuis. Dat betekent ook dat een bezoek aan een specialist, paramedicus of huisarts onder de ondersteuningsplicht van het college kan vallen (CRVB:2010:BL4037).
Bovenlokale vervoersbehoefte
Wil de cliënt zich bovenlokaal verplaatsen, dan is daarvoor het landelijke vervoersysteem Valys beschikbaar (standaard- en hoog persoonsgebonden kilometerbudget). Dit betekent ook dat maatwerkvoorzieningen om zich bovenlokaal te kunnen verplaatsen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen.
Omvang
Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wmo 2007 blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van maximaal 1500 tot 2000 kilometer per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in artikel 9.3, derde lid, van de Verordening.
Maatwerk
Artikel 9.3 lid 4 Verordening bepaalt dat het college kan afwijken van de gestelde normen. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven de algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Het college zal daar dan onderzoek naar moeten doen.
Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken
Bij een cliënt met (ernstige) beperkingen in de mobiliteit, moet bij de keuze van de vervoersvoorziening in beginsel betrokken worden of de zorgtaken voor minderjarige kinderen effectief uitgevoerd kunnen worden(bijv. RBDHA:2022:1641, vgl. CRVB:1998:AA8703 WVG). De fysieke of mentale stoornissen van het kind die problemen kunnen opleveren bij het zich lopend of op de fiets verplaatsen spelen een rol (CRVB:2025:1002). Dit kan betekenen dat het collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden verlangd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn.
10.3 Passende bijdrage
Welke vervoersvoorziening een passende bijdrage levert is afhankelijk van de bestemmingen die bereikt moeten worden. Voor gerichte bestemmingen (waarover afspraken gemaakt kunnen worden) zal het collectief vervoerssysteem een passende bijdrage leveren (zie verder onder 10.4). Dat is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Voor ongerichte bestemmingen zal een scootmobiel of een driewielfiets meer zijn aangewezen.
10.4 Primaat collectief vervoer
Als hoofdregel geldt dat het primaat ligt bij het collectief vervoer als dat als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt. Het collectief vervoer bestaat uit de Regiotaxi en individueel taxivervoer.
Passende bijdrage
Collectief vervoer wordt als een passende bijdrage gezien wanneer de cliënt medisch gezien in staat is om hiervan gebruik te maken en wanneer dit past bij de vervoersbehoefte. Voor gerichte verplaatsingen geldt in ieder geval dat het collectief vervoer passend is. Dat kan ook voor de wat kortere afstand (vergelijk CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het collectief vervoer niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een voorziening die voldoende compensatie biedt. In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van het collectief vervoer gehanteerd (CRVB:2019:3669 en vergelijk CRVB:2014:1491). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte en middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen worden verstrekt (CRVB:2018:1643).
Niet gezamenlijk kunnen reizen
Bij de toekenning van collectief vervoer kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat het collectief vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van het collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101).
Begeleiding nodig
Heeft de cliënt begeleiding nodig bij dat vervoer, dan moet hij daar zelf zorg voor dragen. Het college kan een begeleiderskaart toekennen voor de medisch begeleider.
Ritbijdrage voor de Regiotaxi
Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht of iemand beperkingen heeft - een OV-tarief verschuldigd. Gebruikers van de Regiotaxi zijn in dat kader een zogenoemde ritbijdrage verschuldigd (art. 11.4 Verordening).
10.5 Andere wettelijke aanspraak
Het college is in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen is de cliënt niet aangewezen op maatschappelijke ondersteuning en behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt de aanspraak te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staat een aantal voorbeelden genoemd.
Ziekenvervoer
Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden:
- •
die nierdialyses moeten ondergaan,
- •
die oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan,
- •
die zich uitsluitend met een rolstoel kunnen verplaatsen, of
- •
van wie het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kunnen verplaatsen,
- •
jonger is dan achttien jaar en vanwege complexe somatische problematiek of vanwege een lichamelijke handicap is aangewezen op verpleging en verzorging, waarbij sprake is van de behoefte aan permanent toezicht of aan de beschikbaarheid van vierentwintig uur per dag van zorg in de nabijheid,
- •
die is aangewezen op geriatrische revalidatie als bedoeld in art. 2.5c Besluit zorgverzekering (Bzv),
- •
die is aangewezen op dagbehandeling die in een groep wordt verleend en die onderdeel is van een zorgprogramma bij chronisch progressieve degeneratieve aandoeningen, niet-aangeboren hersenletsel of in verband met een verstandelijke beperking.
Er geldt een enkele reisafstand van maximaal 200 kilometer. Met toestemming van de zorgverzekeraar kan daarvan worden afgeweken (art. 2.14 lid 4 Bzv). Cliënten die niet onder de hiervoor beschreven doelgroep vallen kunnen mogelijk op grond van de hardheidsclausule toch in aanmerking voor ziekenvervoer op grond van de Zvw.
Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Het college mag van de cliënt verwachten dat bij de zorgverzekeraar wordt verzocht om een schriftelijk gemotiveerde afwijzing van een aanspraak op ziekenvervoer. Daaronder wordt ook een vergoeding van de reiskosten verstaan.
Medisch vervoer
Onderdeel van een vervoersbehoefte kan ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn (CRVB:2010:BL4037). Het feit dat de cliënt met het collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat van het collectief vervoer niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). Verplaatsingen in verband met medische (spoed)situaties vallen niet onder deelname aan het maatschappelijk verkeer (CRVB:2020:128).
Doelgroep vervoersvoorziening WIA-Wajong
Het college kan de cliënt ook verwijzen naar het UWV. Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan namelijk aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35 lid 3 WIA of art. 2:22 lid 3 Wajong). Allereerst moet vaststaan dat aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening (art. 35 lid 2 onder a WIA of art. 2:22 lid 2 onder a Wajong). Die kan worden verstrekt aan de persoon met een structurele functionele beperking of jonggehandicapten, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten. De vervoersvoorziening is nodig voor verzekerden om de werkplek of opleidingslocatie te bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. Er zijn personen die zijn uitgesloten waaronder die werkzaam zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening.
Leefvervoer WIA-Wajong
De zogeheten leefvervoersvoorziening kan worden verstrekt aan de verzekerde aan wie een vervoersvoorziening is toegekend op grond van WIA of Wajong. De leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015 niet toegestaan.
Vervoer onderwijs
Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.
10.6 Soorten vervoervoorzieningen
Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen in de vorm van vervoersvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals:
- •
Scootmobiel
- •
Fietsvoorziening
- •
Autoaanpassing
Scootmobiel
Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.
Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:
- •
een scootmobielpool geen passende oplossing is;
- •
er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers;
- •
de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel;
- •
het collectief vervoer alleen niet in de vervoersbehoefte kan voorzien;
- •
de cliënt zelf de scootmobiel veilig kan bedienen en besturen (rijvaardigheidstest);
- •
er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.
Stalling
Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook.
Eigen mogelijkheden
Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het (veilig) stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college.
Gemeenschappelijke ruimten
Sinds 1 januari 2024 bepaalt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen.
Geen stalling
Is er geen adequate stalling aanwezig, kan deze ook niet worden gerealiseerd of mag de cliënt de vervoersvoorziening niet stallen door het bepaalde in het Bbl, dan weigert het college de vervoersvoorziening (art. 9.2 lid 3 Verordening).
Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen
Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen, tenzij de cliënt met het gebruik van zijwielen op een gewone fiets kan (leren) fietsen. Te denken valt daarbij aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied en waarvoor het gebruik van zijwielen geen passende oplossing is. Ook andere groepen cliënten met beperkingen kunnen een driewielfiets nodig hebben, bijvoorbeeld vanwege een gestoorde motoriek. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt. Driewielfietsen die speciaal bedoeld zijn voor kinderen met beperkingen kunnen in beginsel voor verstrekking in aanmerking komen.
Autoaanpassingen
Autoaanpassingen zijn gericht om zich lokaal te kunnen verplaatsen voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op een eigen auto.
Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing
- •
Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel én is het collectief (individueel) vervoer geen passende bijdrage?
- •
Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?
- •
Kan de cliënt, gelet op diens beperkingen, de aangepaste auto nog langdurig gebruiken? Daaronder wordt een periode van tenminste twee jaar verstaan.
- •
Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijke vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is.
- •
Is een auto zeven jaar of ouder en zijn er een aanzienlijk aantal kilometers mee gereden? Dan kan een aanpassing niet meer verantwoord zijn.
- •
Een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) is nodig om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. De kosten van de keuring komen voor rekening van het college.
- •
Bij een aanpassing moet de auto nog minimaal zeven jaar veilig kunnen rijden. Heeft een middenklasser al meer dan 150.000 kilometer gereden gaat het college daar niet van uit.
- •
Het college kan hiervan afwijken als de aanpassing, zonder al te hoge kosten, in een volgende auto kan worden overgezet.
10.4 Sportvoorziening
Artikel 5.3 lid 1 onder e Verordening
Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland
Sportbeoefening is participatie in de zin van de Wmo 2015 als de cliënt daar in redelijke mate aan deelneemt (CRVB:2018:3348). De CRvB verstaat onder het in redelijke mate deelnemen een situatie waarin de cliënt al geruime tijd een sport beoefent en dat niet meer kan doen zonder een maatwerkvoorziening vanwege het optreden van beperkingen. Dit wordt beoordeeld aan het in staat zijn tot participatie, zie hierna 10.4.1 Participatie in de Wmo 2015 en 10.4.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden.
Gezondheid en persoonlijke ontwikkeling
Dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen (blijven) sporten, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Is een sportvoorziening gericht op de persoonlijke ontwikkeling van de cliënt, dan valt dat niet binnen de compensatieplicht van het college. Onder persoonlijke ontwikkeling valt ook sportbeoefening op (een hoog) wedstrijdniveau; een hoger niveau dan 'normale' sportbeoefening waarmee sociale contacten kunnen worden onderhouden. Wil iemand 'topsport' beoefenen dan zal hij daarvoor - net als valide topsporters - aangewezen zijn op sponsors en een sportbond.
10.4.1 Participatie in de Wmo 2015
Voor het beoordelen van de mate van participatie moet beoordeeld worden in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149‑150). In het algemeen kan gezegd worden dat door het verstrekken van een vervoersvoorziening of begeleiding groep iemand in redelijke mate kan participeren.
10.4.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden
Er zijn echter situaties denkbaar waarin alleen door het verstrekken van een (gevraagde) sportvoorziening het mogelijk wordt gemaakt om deel te nemen aan het leven van alle dag van de cliënt. Het gaat om activiteiten die zo zeer zijn verbonden aan de cliënt dat de beperkingen daarin niet anders dan door het verstrekken van een sportvoorziening kunnen worden opgelost (CRVB:2013:CA0088). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het om een cliënt die al 25 jaar lid was van een wielervereniging. In die periode heeft de cliënt sociale contacten opgebouwd; met hen werden allerlei activiteiten gedaan rondom wielrennen. Deze activiteiten waren, mede gelet op omvang van de periode, zo zeer aan de cliënt verbonden dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening was aangewezen. Dat zal in de praktijk niet vaak voorkomen. De compensatieplicht van het college is immers niet gericht op het optimaliseren. Er geldt dus geen verplichting om ‘alles’ te compenseren op het gebied van zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:1502).
Financiële tegemoetkoming
Om toch enigszins tegemoet te komen aan de wens van een cliënt om te kunnen sporten staan in het Besluit staan de criteria op grond waarvan een cliënt in aanmerking kan komen voor een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van een sportvoorziening.
11 Rolstoel
11.1 Inleiding
Cliënten kunnen aangewezen zijn op een rolstoel omdat ze geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Het college kan een rolstoel verstrekken voor dagelijks zittend gebruik. Dat heeft meestal betrekking op het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.
11.2 Vervoersvoorziening
Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. De cliënt kan een (elektrische) rolstoel immers ook gebruiken voor lokale verplaatsingen.
11.3 Incidenteel gebruik
Het kan ook voorkomen dat een cliënt een rolstoel niet voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft maar incidenteel om korte afstanden af te leggen. Doorgaans wordt deze rolstoel gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals: winkelcentra, ziekenhuizen, pretparken, dierentuinen en dergelijke.
12 Persoonsgebonden budget
Hoofdstuk 10 Verordening
Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
12.1 Inleiding
Een pgb is een bedrag waarmee de budgethouder tenminste de geïndiceerde maatwerkvoorziening kan inkopen als wordt voldaan aan de voorwaarden. De wet bepaalt een aantal voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen. Het college moet dit beoordelen (art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015). Tijdens het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag krijgt de cliënt voorlichting over de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen (art. 2.3.2 lid 6 Wmo 2015).
12.2 Spoedeisende situatie: geen pgb
Een pgb is niet mogelijk als het college, na melding van de ondersteuningsvraag, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening inzet vanwege een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo 2015. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd. Zie verder 2.3 in deze beleidsregels.
12.3 Beoordelen voorwaarden recht op pgb
Heeft het college vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening (natura), dan kan de cliënt verzoeken om deze in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat het college daar een besluit over moet nemen. In deze beleidsregels staan verschillende criteria die het college hanteert bij de beoordeling van de pgb-aanvraag. De voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen: aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Het gaat om:
- •
Pgb-vaardigheid.
- •
Motivatie-eis wens pgb.
- •
Voldoen aan kwaliteitseisen.
- •
Besteding pgb is geschikt voor het doel.
12.4 Budget- en uitvoeringsplan
Artikel 10.1 lid 2 Verordening
Om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden geldt de verplichting om een budget- en uitvoeringsplan in te dienen. Dat is niet vrijblijvend. Aan de cliënt die een pgb-aanvraag doet wordt een budget- en uitvoeringsplan verstrekt. Wordt geen budget- en uitvoeringsplan ingediend of is het niet juist of niet volledig ingevuld, dan stelt het college de cliënt in de gelegenheid dat alsnog te doen. Doet de cliënt dat niet of voldoet het (opnieuw) ingediende budget- en uitvoeringsplan niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden, dan weigert het college het pgb (bijv. CRVB:2021:2748). Het college kan in dat geval overgaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura.
Ook voor andere maatwerkvoorzieningen die de cliënt in de vorm van een pgb wenst te ontvangen zal de cliënt een budget- en uitvoeringsplan moeten indienen.
12.5 Pgb-vaardigheid
De budgethouder moet pgb-vaardig zijn. Dat wil zeggen: in staat zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren (bijv. CRVB:2021:2575). Bij deze taken wordt in ieder geval gedacht aan het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de ondersteuner op zijn verplichtingen (TK 2013/2014, 33 841, nr. 3, p. 38). Het college moet vaststellen of:
- 1.
de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd.
- 2.
de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld.
12.5.1 Vaststellen pgb-vaardigheid
Het college moet vaststellen of sprake is van pgb-vaardigheid. Daarvoor wordt onderzocht of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger:
- 1.
Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden.
- 2.
Weet welke regels er horen bij een pgb.
- 3.
Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.
- 4.
Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.
- 5.
Zelfstandig kan handelen en zelf in staat is voor ondersteuners te kiezen.
- 6.
Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan kan houden.
- 7.
Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past.
- 8.
Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners.
- 9.
Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.
- 10.
Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.
Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Hoe de beoordeling van de pgb-vaardigheid door het college wordt gedaan is mede afhankelijk van de soort maatwerkvoorziening die de cliënt wenst in te kopen en aan wie het pgb wordt besteed.
Extra aandacht
Het college besteedt extra aandacht aan de beoordeling van de pgb-bekwaamheden bij cliënten die tot 1 januari 2026 hulp bij het huishouden of begeleiding inkochten voor minder 4 dagen per week (Regeling Dienstverlening aan Huis). Bij een arbeidsovereenkomst gelden namelijk niet alleen de verplichte werknemersverzekeringen, maar ook de reguliere regels voor loondoorbetaling tijdens ziekte, verlof en ontslag. Voor hulp die wordt ingekocht bij familieleden of eerste en tweede graad bloedverwanten verandert er niets. De budgethouder sluit met deze personen geen arbeidsovereenkomst.
12.5.2 Hulp bij pgb-vaardigheid
Het kan voorkomen dat de budgethouder zelf niet pgb-vaardig is en dat een vertegenwoordiger wordt ingeschakeld. Dat is een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een vertegenwoordiger kan de budgethouder gewaarborgde hulp bieden (zie begripsbepaling van de Verordening).
Gewaarborgde hulp
De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Een vertegenwoordiger kan er ook aan bijdragen dat misbruik van de budgethouder wordt voorkomen. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de intrekking van het pgb-besluit of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.
Machtiging
Voorbeelden van personen die de budgethouder kan machtigen zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, de ouder, kind, broer of zus (art. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015). Zonder volmacht kunnen de hiervoor genoemde personen niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Omdat het college moet vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is zal deze persoon aanwezig (moeten) zijn bij het gesprek waarin de voorwaarden en het ingediende budget-en uitvoeringsplan worden beoordeeld. Zie de 10 punten over pgb-bekwaamheid in 12.5.1 van deze beleidsregels. Het college gaat ook na of er een machtiging is.
Vertegenwoordiger pgb-vaardig
Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder of curator). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is in de zin van de Wmo 2015 (zie verder hierna). Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar objectieve twijfel over bestaat, dan stelt het college de cliënt in de gelegenheid om een andere vertegenwoordiger te machtigen. Lukt dat niet, dan wordt het pgb geweigerd en zal de maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.
Wettelijk vertegenwoordiger
Het spreekt voor zich dat het college niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Dat geldt ook voor de taken van een curator. Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940). Het college stelt wel vast of de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitgevoerd zullen worden.
Woningaanpassingen
Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb zijn de volgende aspecten van belang. Is de cliënt of diens vertegenwoordiger in staat om:
- •
een goede opdracht aan een aannemer te verlenen?
- •
de uitvoering/oplevering te controleren?
12.5.3 Rolvermenging
Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen: de vertegenwoordiger is tevens ondersteuner van de cliënt. Er is sprake van rolvermenging bij de uitvoering van de pgb-taken (CRVB:2024:1557, CRVB:2024:2412, CRVB:2024:1557).In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Er kan dan immers niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (CRVB:2019:3761). Het kan ook gaan om een vertegenwoordiger die gelieerd is aan de derde en het met voldoende afstand en kritisch vervullen van de beheerstaken zodanig kan beïnvloeden, dat geen sprake meer is van een verantwoorde uitvoering van die taken (CRVB:2019:2803). Denk bijvoorbeeld aan een medewerker die bij deze derde in dienst is, de partner van de ondersteuner of een persoon waarmee op een andere manier (zakelijke) verwevenheid bestaat. Daaronder kunnen ook zogeheten makelaarskantoren vallen die bemiddelen in personen aan wie het pgb wordt besteed maar ook de pgb-administratie doen.
12.5.4 De derde is persoon uit sociaal netwerk
Rolvermenging kan ook aan de orde als het een persoon uit het sociaal netwerk betreft. Slechts in zeer hoge uitzondering wordt een pgb toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Denk aan de situatie waarin:
- •
de ondersteuning alleen kan worden geboden door die persoon, en
- •
er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen.
12.6 Motivatie-eis wens pgb
De cliënt moet om een pgb verzoeken en daarbij aangeven waarom dat passende ondersteuning is. Er gelden geen specifieke voorwaarden aan de motivatie. De cliënt zal wel moeten aangeven waarom in zijn situatie het pgb een geschikte oplossing is. Dat zal ook blijken uit het budget- en uitvoeringsplan.
12.7 Kwaliteit
De met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. Deze eisen gelden voor voorzieningen in natura (art. 3.1 lid 1 Wmo 2015).
12.7.1 Kwaliteit en veiligheid
Ook een met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet vanzelfsprekend veilig zijn. De veiligheid is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit.
Uitgangspunt
Artikel 10.4 lid 1 Verordening
Het uitgangspunt is dat de eisen voor het gecontracteerde aanbod ook gelden als de ondersteuning voor diensten wordt ingekocht met een pgb. Dat geldt niet voor alle eisen. Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zijn daarvan uitgezonderd. Denk bij voorbeeld aan rapportageverplichtingen jegens de gemeente. Ook gelden niet alle eisen van professionals voor personen uit het sociaal netwerk of andere niet-professionals. Denk bijvoorbeeld aan opleidingseisen (vakbekwaamheid). Het college beoordeelt natuurlijk wel of de niet-professional in staat is om de aangewezen ondersteuning te bieden en het vastgestelde resultaat (of meerdere) te bereiken.
Diensten en VOG
Artikel 10.4 lid 2 Verordening
Voor de professionele ondersteuner is de veiligheid gekoppeld aan het opleidingsniveau maar ook aan het beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. Van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder wordt ook verwacht dat zij beschikken over een VOG, tenzij het pgb voor hulp bij het huishouden wordt besteed aan iemand uit het sociaal netwerk. Ook deze VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. De kosten van een VOG komen voor rekening van de budgethouder dan wel voor degene op wie de VOG betrekking heeft. Het college kan de duur van de indicatie afstemmen op het opnieuw aanvragen van de VOG.
Welke soort VOG
Ondersteuners die direct cliëntcontact hebben beschikken over een VOG met screeningsprofiel 45 (gezondheidszorg en welzijn mens en dier).
Meldcode huiselijk geweld of kindermishandeling bij diensten (algemeen)
Deze meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed en zal moeten blijken uit het budget- en uitvoeringsplan. Dit naar analogie van art. 3.3 Wmo 2015. De derde moet aan het college stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daaruit moet blijken dat na zo’n melding zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De melding van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt gedaan bij Veilig Thuis Noord Oost Gelderland.
Hulpmiddelen
Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een hulpmiddel is in ieder geval van belang of de cliënt in staat is een hulpmiddel te selecteren om het resultaat mee te bereiken volgens de kwaliteitseisen die aan het hulpmiddel mogen worden gesteld. Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op een vereist kwaliteitskeurmerk. Maakt de cliënt die rolstoelgebonden is gebruik van rolstoeltaxivervoer, dan gelden de aangepaste eisen van code Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers (VVR). Daarnaast is de budgethouder verplicht het hulpmiddel zonodig te verzekeren en periodiek het juiste onderhoud te laten plegen. De hoogte van het pgb voor de zogeheten instandhoudingskosten is hier op afgestemd.
Woningaanpassingen
Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een woningaanpassing zijn de volgende aspecten in ieder geval van belang:
- •
is de cliënt in staat om de opdracht aan een aannemer te verlenen conform het programma van eisen en de overige vereisten?
- •
is de cliënt in staat de uitvoering aan te sturen en de oplevering te controleren conform het programma van eisen?
Een offerte zal mede gebaseerd zijn op een door het college goedgekeurd Programma van Eisen. Woningaanpassingen zullen in dat kader in ieder geval ook moeten voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of de afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk.
Meldingsplicht calamiteiten en geweld (algemeen)
Deze meldingsplicht geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed en zal moeten blijken uit het budget- en uitvoeringsplan hoe zo’n melding wordt gedaan (art. 3.4 Wmo 2015). De derde is verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van:
- •
iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden,
- •
geweld bij het bieden van de ondersteuning.
Begripsbepaling
Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).
12.7.2 Kwaliteit: doeltreffend en doelmatig
Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het resultaat wordt bereikt’. Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat resultaat te bereiken (art. 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Onder doelmatig wordt verstaan het zo goed mogelijk bereiken wat met het pgb is beoogd. Zie ook hiervoor. Het college kan gedurende de budgetperiode onderzoek doen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het pgb maar doet dat in ieder geval bij een volgend verzoek om een pgb. Dat wil zeggen als de cliënt zich opnieuw meldt met een ondersteuningsvraag en een daaropvolgende aanvraag.
12.7.3 Kwaliteit en cliëntgericht
Het spreekt voor zich dat de ondersteuning gericht moet zijn op de cliënt, met zijn belangen en wensen als uitgangspunt. Gaat het om derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn, dan zijn kwaliteit en cliëntgerichtheid onderdeel van de professionele standaarden die gelden binnen de beroepsgroep. Denk in dat kader aan de opleidingseisen.
Kwaliteit: aangewezen op professionele ondersteuning
Uit de vastgestelde noodzaak van de maatwerkvoorziening in natura zal doorgaans blijken of de cliënt -gelet op de problematiek- aangewezen is op professionele ondersteuning. Dat wil zeggen dat aan de ondersteuning specialistische eisen verbonden zijn die (alleen) een beroepskracht kan bieden. Denk in dit geval ook aan de noodzaak van voldoende professionele distantie (CRVB:2021:2987). Wanneer het college dat heeft vastgesteld, kan (mag) de ondersteuning niet worden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk (CRVB:2022:724). De budgethouder zal een door het college goed te keuren professionele ondersteuner moeten inschakelen. Lukt dat niet, dan weigert het college het pgb en zal een maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.
Kwaliteit: besteding pgb sociaal netwerk
Het college beoordeelt in ieder geval of:
- •
de cliënt zijn keus om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te schakelen voldoende kan motiveren (zie ook bij pgb-vaardigheid).
- •
de persoon uit het sociale netwerk op geen enkele wijze druk uitoefent op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de cliënt mag niet door deze persoon worden beïnvloed (zie ook bij pgb-vaardigheid). Het ligt voor de hand dat het college een gesprek heeft met de cliënt zonder dat de betreffende persoon uit het sociale netwerk daarbij aanwezig is. Het college kan er voor zorgen dat de cliënt bij dat gesprek gebruik kan maken van een onafhankelijke cliëntondersteuner.
- •
de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit?
- •
voldoende aannemelijk is dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken.
- •
de persoon uit het sociale netwerk de omvang (ook qua intensiteit) van de ondersteuning wel kan bieden. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek die deze persoon heeft. Reguliere werkzaamheden, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen.
- •
de kwaliteit van de ondersteuning voldoende is gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de cliënt zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn.
- •
voldoende distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie cliënt-ondersteuner. De cliënt kan daardoor ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk.
- •
De derde aan wie het pgb wordt besteed beschikt over een VOG (zie hiervoor).
Kwaliteit: besteding pgb professionele ondersteuner
Het kan gaan om een derde die in dienst is bij een professionele organisatie, namens zo’n organisatie ondersteuning biedt of als Zzp’er werkzaam is. Het college beoordeelt in ieder geval of:
- •
de ondersteuning aansluit aan bij de te behalen resultaten (lees ook: beperkingen van de cliënt).
- •
de ondersteuner beschikt over een relevante opleiding. De opleidingseis kan verschillen naar gelang de aard van de te behalen resultaten ((lees ook: beperkingen van de cliënt).
- •
de ondersteuner de omvang van de ondersteuning kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij Zzp’ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouders (cliënten) kunnen worden ingekocht. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek.
- •
de beoogde ondersteuner niet al (te) lang betrokken is bij de budgethouder (cliënt), zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat wil zeggen: het college doet onderzoek naar de vraag of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het te behalen resultaat te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van voortuitgang bij een eerdere indicatie.
- •
De derde aan wie het pgb wordt besteed beschikt over een VOG (zie hiervoor).
12.7.4 Geschikt voor het doel
De door de budgethouder in te kopen maatwerkvoorziening moet in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (art. 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Dat blijkt uit de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (indicatie in natura) en de te behalen resultaten. In het budget- en uitvoeringsplan staan de resultaten van het pgb.
Voorbeelden hulpmiddel
Is vastgesteld dat een traplift in natura geen veilige maatwerkvoorziening is, dan mag de budgethouder met een pgb geen traplift aanschaffen. Is vastgesteld dat de cliënt geen veilige transfers kan maken op een scootmobiel, dan mag de budgethouder met een pgb geen scootmobiel aanschaffen.
12.8 Besteding pgb
Bestedingsvrijheid
Voor de budgethouder geldt een ruime bestedingsvrijheid (CRVB:2018:819). Dat wil zeggen het hoeft niet besteed te worden aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening in natura. Het pgb moet wel worden besteed aan een maatwerkvoorziening waarmee het vastgestelde resultaat wordt bereikt. Zie verder ook onder 12.4 kwaliteit van deze beleidsregels.
Aangewezen op professionele ondersteuning
Het pgb mag niet aan niet-professionele ondersteuners worden besteed als professionele ondersteuning is aangewezen (CRVB:2022:724).
Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers (VVR)
De rolstoel die voldoet aan het Programma van Eisen voor de rolstoel maar niet aan de code Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers (VVR), is geen reden om het pgb voor de rolstoel te weigeren. Maar het kan wel aanleiding zijn om de gebruikerspas van het collectief vervoer in te trekken.
12.8.1 Termijn besteding pgb
Artikel 10.3 lid 2 Verordening
De termijn waarbinnen het pgb wordt besteed is 6 maanden. Heeft de budgethouder het pgb niet binnen deze termijn besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. Voor woningaanpassingen is een termijn van zes maanden niet altijd realistisch omdat het langer kan duren om de woningaanpassing te realiseren. Zie onderdeel 9.4 van deze beleidsregels voor de uiterlijke bestedingstermijn.
12.9 Afsluiten overeenkomst diensten
Artikel 10.1 lid 4 Verordening
De budgethouder moet een (model)overeenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gebruiken die past bij de situatie (art. 2a lid 2 Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Die wordt ter goedkeuring aan de SVB én het college voorgelegd (art. 3 Uitvoeringsregeling Wmo 2015). In de overeenkomst worden onder meer de afspraken over het aantal te leveren uren en uurtarieven vastgelegd.
12.10 Beleidskeuzen: kostensoorten en declareren (diensten)
Artikel 10.3 Verordening
Het college is bevoegd tot het vaststellen van beleidskeuzes voor wat betreft kostensoorten of betalingen uit het pgb. Het gaat om de volgende beleidskeuzes.
Geen vast maandloon
Declaratie van het pgb vindt plaats op basis van een factuur waarop de ondersteuning in tijd wordt gedeclareerd. Betaling van een vast maandloon is niet toegestaan.
Verantwoordingsvrij bedrag
Er wordt geen gebruik gemaakt van een verantwoordingsvrij bedrag.
Feestdagenuitkering
Er wordt geen gebruik gemaakt van een Feestdagenuitkering.
Eenmalige uitkering
Er wordt geen gebruik gemaakt van een eenmalige uitkering.
Overlijden budgethouder
In geval van overlijden van de budgethouder kan bij een indicatie voor begeleiding, logeren of hulp bij het huishouden nog een declaratie worden uitbetaald uit het nog beschikbare pgb. Het gaat om een van rechtswege stoppen van een overeenkomst vanwege overlijden.
Kostensoorten
Het pgb mag niet worden besteed aan:
- •
bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers),
- •
het voeren van een pgb-administratie,
- •
ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het persoonsgebonden budget,
- •
contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo),
- •
het volgen van cursussen over het persoonsgebonden budget,
- •
een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG),
- •
de bekostiging van aanvullende zorgkosten of de betaling van eigen bijdragen,
- •
reiskosten van de ondersteuner.
12.11 Geen doorkruising wettelijke systematiek
Artikel 10.2 Verordening
Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan:
- a.
een algemeen gebruikelijke voorziening; en
- b.
een persoon die tot de leefeenheid van de budgethouder behoort en gebruikelijke hulp op zich zou moeten nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting.
Het gaat hier om de systematiek van de Wmo 2015. Dat de budgethouder het pgb niet mag besteden aan persoonlijke verpleging en verzorging als bedoeld in de Zvw spreekt voor zich.
12.12 Overige weigeringsgronden pgb
Er zijn nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb (art. 2.3.6 lid 5 Wmo 2015).
1.Duurdere maatwerkvoorziening
Het kan voorkomen dat de budgethouder een duurdere maatwerkvoorziening wil inkopen dan het toereikende pgb dat wordt verstrekt. In dat geval weigert het college het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn (CRVB:2018:2829). Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel het college beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) maatwerkvoorziening voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Als college twijfelt of de budgethouder de in te kopen maatwerkvoorziening wel kan bekostigen, zal de budgethouder daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch een maatwerkvoorziening van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de budgethouder een maatwerkvoorziening inkoopt waarmee niet gedurende de (gehele) budgetperiode kan worden voorzien in de ondersteuningsbehoefte. Het dient als bescherming van de budgethouder omdat een nieuw pgb binnen de budgetperiode in beginsel wordt geweigerd.
Bijstorten diensten
De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders.
2. Pgb-besluit eerder ingetrokken
Wanneer de cliënt een pgb wenst, dan controleert het college of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10 lid 1 onder a, d of e Wmo 2015 (art. 2.3.6 lid 5 onderdeel b Wmo 2015). Er wordt gesproken van een zogeheten preventieve weigering. Dat wil zeggen dat het college een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden van een pgb. Doen zich bij zo’n ‘tweede’ aanvraag om een pgb nog steeds dezelfde feiten en omstandigheden voor die aanleiding waren om het eerdere pgb in te trekken, dan kan het college de pgb-aanvraag afwijzen (CRVB:2026:46). Denk bijvoorbeeld aan de cliënt of diens vertegenwoordiger:
- •
die niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden;
- •
die het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
12.14 Hoogte pgb
Artikel 10.5 tot en met 10.7 Verordening
De Verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb voor de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld. Er gelden gedifferentieerde tarieven of bedragen voor professionals, personen uit het sociaal netwerk en zij die geen professional zijn. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zijn de tarieven/bedragen opgenomen.
Professionals (beroepshalve werkzaam)
Een van de voorwaarden om als professional aangemerkt te worden is de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) voor het verlenen van maatschappelijke ondersteuning. Uit de inschrijving bij de KvK blijkt ook de rechtsvorm. Zzp’ers kunnen bijvoorbeeld een eenmanszaak of een besloten vennootschap zijn (directeur-eigenaar). Ook kunnen Zzp’ers samenwerken in een coöperatie. Een coöperatie kan als rechtspersoon personeel in dienst hebben, maar dat hoeft niet.
12.14.1 Hoogte pgb diensten
Onder diensten worden aangemerkt: de maatwerkvoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7 en artikel 4.2 van de verordening.
Hulp bij het huishouden
Voor hulp bij het huishouden variant a en b geldt een tarief voor professionals. Voor personen uit het sociaal netwerk en niet-professionals wordt het wettelijke minimumloon gehanteerd. De indicatie voor hulp bij het huishouden (natura en pgb) wordt vastgesteld in tijd en frequentie, zie bijlage 5 bij deze beleidsregels.
Diensten overig
Onder diensten overig vallen: ondersteuning, individuele begeleiding, groepsbegeleiding, logeren en Wmo-wonen. Ook hier is de hoogte van het pgb afhankelijk van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het tarief voor professionals is bepaald in de verordening. Voor personen uit het sociaal netwerk, ook als zij professional zijn, en niet-professionals wordt het wettelijke minimumloon gehanteerd. De indicatie voor deze overige diensten in de vorm van een pgb wordt vastgesteld in: uren (of een naar rato tijdsindicatie), dagdelen of etmalen.
Verhoging wegens werkgeverslasten
Is de budgethouder werkgeverslasten verschuldigd, dan wordt het pgb daarmee verhoogd.
12.14.2 Hulpmiddel of woningaanpassing
De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. Daarbij wordt uitgegaan van de goedkoopste uitvoering en de eventuele vaste categorieprijzen vastgesteld op basis van de tarieven van de gecontracteerde leveranciers. Dat kan ook afhankelijk zijn of particulieren bij door het college gecontracteerde leveranciers een hulpmiddel kunnen aanschaffen met een pgb.
Offerte hulpmiddelen
Voor maatwerkvoorzieningen waarvoor geen vaste categorieprijzen gelden, wordt het pgb vastgesteld op basis van één of meerdere offertes. De cliënt kan (desgevraagd) offertes aanleveren maar het college kan die ook zelf opvragen. Het kan voorkomen dat een pgb wordt afgestemd op de kosten van een tweedehandse maatwerkvoorziening. Daar wordt dan de budgetperiode ook op afgestemd.
Verhoging pgb hulpmiddelen
Het pgb wordt, als dat nodig is, verhoogd met een bedrag voor de jaarlijkse kosten van onderhoud, reparaties van de voorziening en (eventueel) de WA-verzekering. Ook hier geldt als uitgangspunt, dat wordt aangesloten bij de tarieven van gecontracteerde leveranciers en aanbieders in geval de voorziening in natura zou zijn verstrekt (zie hiervoor).
Woningaanpassing
De hoogte van een pgb voor een woningaanpassing wordt gebaseerd op het Programma van Eisen en één of meerdere offertes. Het kan zijn dat daarnaast nog andere noodzakelijke kostenposten zijn die het college in aanmerking neemt. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten.
13 Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet
Hoofdstuk 12 Verordening
13.1 Inleiding
De Wmo 2015 schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dit heeft in beginsel betrekking op alle partijen die daarbij betrokken kunnen zijn. Dat zijn: de cliënt (budgethouder), de aanbieder (natura) en de derde aan wie het pgb wordt besteed.
13.1.1 De cliënt
Voor de cliënt gelden de voorwaarden op grond van de wet en de verordening. Het college informeert cliënten in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik (art. 12.2 Verordening).
13.1.2 Aanbieder (natura)
Voor de gecontracteerde aanbieders verlopen de regels over de gevolgen in beginsel via een civiele procedure. Zie ook 14.6 van deze beleidsregels voor de bestuurlijke procedure. Dit hoofdstuk heeft daarom voornamelijk betrekking op de budgethouder (cliënt) en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt, kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.
13.1.3 Derde aan wie het pgb wordt besteed
Voor de derde aan wie het pgb wordt besteed kan het niet voldoen aan de voorwaarden van de wet of de verordening gevolgen hebben. Zie verder in de onderstaande onderdelen en zie ook 14.6 van deze beleidsregels.
13.2 Voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik
Artikel 12.2 Verordening
Op het college rust een voorlichtingsplicht om de cliënt tijdens het onderzoek te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (fraudepreventie). In de beschikking staan de rechten en plichten van de cliënt genoemd (natura of pgb). De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent de maatwerkvoorziening in natura, het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de cliënt, dan wel budgethouder.
13.3 Controle pgb
Ter aanvulling op het trekkingsrecht kan het college via een steekproef bij cliënten (budgethouders) de pgb-administratie (onder meer facturen en betalingsbewijzen) controleren en zo of het pgb besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Bij de controle beoordeelt het college ook of de budgethouder nog voldoet aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen.
13.3.1 Besteding pgb binnen de termijn
De budgethouder besteedt het toegekende pgb binnen de termijn zoals genoemd in het toekenningsbesluit. Wordt die termijn overschreden dan onderzoekt het college wat de reden daarvan is.
13.4 Onderzoeksbevoegdheid college
Het college is op grond van artikel 12.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. Dit op basis van de contractafspraken die zijn gemaakt. De gevolgen van wat in een onderzoek naar voren is gekomen in geval van gecontracteerde aanbieders worden middels een civiele procedure afgedaan. Daarom wordt daar in deze beleidsregels geen aandacht aan besteed. De onderzoeksbevoegdheden gelden ook in geval van een pgb. De budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 12.4 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden.
13.5 Weigering pgb
Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde budgetplan en een uitvoeringsplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen budgetplan en een uitvoeringsplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een budgetplan en een uitvoeringsplan in te dienen dan wel het ingediende budgetplan en een uitvoeringsplan te bespreken. Wordt daaraan geen gehoor gegeven, dan weigert het college het pgb omdat niet kan worden vastgesteld of wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 2.3.6 Wmo 2015 (CRVB:2023:1088).
13.5 Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen
Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan:
- •
onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin,
- •
de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve ondersteuning is ingekocht.
Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Inschrijving BRP
Als de derde aan wie het pgb wordt besteed niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), dan roept dat de vraag op of de continuïteit van de aangewezen ondersteuning wel kan worden geboden. De derde die niet staat ingeschreven in de BRP moet daar een afdoende verklaring voor geven.
13.6 Opschorten betaling pgb
Artikel 12.5 Verordening
Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Het college kan de Svb verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om de Svb te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college wel een reden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a, d of e Wmo 2015. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn.
Onderzoek
Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden.
Handelen of nalaten
Het gaat om de volgende drie verplichtingen en/of voorwaarden.
1. Gegevens (inlichtingenplicht)
Artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a Wmo 2015 heeft betrekking op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de cliënt die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid.
2. Voorwaarden
Artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder d Wmo 2015 heeft betrekking op de cliënt die niet voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het pgb zijn verbonden.
3. Gebruik
Artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder e Wmo 2015 heeft betrekking op de cliënt die de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn:
- •
Een door de Svb -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het Budget- en uitvoeringsplan. Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst.
- •
Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen.
- •
Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie).
- •
Een (plotselinge) toename van het aantal cliënten waar een derde ondersteuning aan biedt, die qua omvang van een 40-urige werkweek overschrijdt.
Schriftelijke kennisgeving
Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de cliënt in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de cliënt, dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. De uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de cliënt tegen de opschorting van de betaling van het pgb rechtsmiddelen kan inzetten. In de rechtspraak is nog niet uitgesproken of de opschorting van de betaling als besluit moet worden aangemerkt.
14 Heroverweging, beëindigen, herzien of intrekken, terug- en invordering
14.1 Inleiding
Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen van een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de cliënt om op verzoek van het college, maar ook uit eigen beweging, relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid (kan-bepaling) gaat, zal een belangenafweging moeten plaatsvinden waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid.
14.2 Heroverweging besluit
Het college is bevoegd om besluiten (natura en pgb) periodiek te heroverwegen (art. 2.3.9 Wmo 2015). De wet schrijft niet voor wanneer het college dat moet doen. Het is aan het college om daar een inschatting van te maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstreken; het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarin ondersteuning is toegekend. Dat wil ook zeggen dat de beoordeling of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb onderdeel kan zijn van de heroverweging. Het college hoeft bij de heroverweging echter niet opnieuw een ondersteuningsplan op te stellen. Het ligt minder voor de hand dat er aanleiding is om een besluit waarmee een woningaanpassing is verstrekt te heroverwegen. Bij diensten zoals begeleiding of hulp bij het huishouden ligt dat in het algemeen anders.
Wel of geen nieuw besluit
Nadat het college een bestaand besluit heeft heroverwogen, kan daar een ander (nieuw) besluit op volgen, maar dat hoeft niet. Dat ligt aan de uitkomst van de heroverweging. Het bestaande besluit kan dus intact blijven, maar kan ook worden herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 2.3.10 Wmo 2015 of een verordeningsbepaling. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt of de partner aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz of dat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is gewijzigd.
14.3 Beleidsuitgangspunt
Het college hanteert als uitgangspunt dat als er: geen recht, slechts een gedeeltelijk recht of een gewijzigd recht bestaat op ondersteuning dat in principe gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om over te gaan tot: beëindiging, herziening of intrekking van het recht. In het geval van de terugvordering van het pgb of de geldswaarde van de maatwerkvoorziening in natura geldt dat de terugvordering een noodzakelijk en geschikt middel is om het gerechtvaardigde doel (de besteding van gelden) te bereiken. Het college weegt wel ook nog de belangen (evenredigheidbeginsel).
Kenbare belangenafweging
De besluitvorming bevat in ieder geval een kenbare belangenafweging (CRVB:2024:1565). Dat wil zeggen: uit het besluit moet duidelijk blijken welke belangen op welke manier zijn gewogen en hebben geleid tot de bevoegdheid tot terugvordering.
14.4 Beëindiging
Artikel 13.1 Verordening
Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het beëindigingsbesluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. De beëindiging van de maatwerkvoorziening of het pgb kan het gevolg zijn van de heroverweging van het besluit. Andere voorbeelden zijn: verhuizing naar een andere gemeente, inwoning van een persoon die de gebruikelijke hulp op zich kan nemen, het niet meer aangewezen zijn op ondersteuning of het overlijden van de cliënt.
Datum beëindiging
De datum waarop het besluit wordt beëindigd, is afhankelijk van de situatie. Bij de verhuizing naar een andere gemeente zal dat de datum zijn waarop de cliënt feitelijk niet meer woonachtig is in de gemeente Montferland.
14.5 Herziening of intrekking van het besluit
De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan heeft te maken:
- •
met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing hebben geleid,
- •
met het niet voldoen aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden,
- •
als de maatwerkvoorziening of het pgb wordt niet of voor een ander doel wordt gebruikt.
Het college beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a, d of e Wmo 2015).
14.6 Terugvordering geldswaarde: schending inlichtingenplicht
Artikel 2.4.1 Wmo 2015 bepaalt de bevoegdheid van het college tot het (geheel of gedeeltelijke) vorderen van de geldswaarde van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming of een pgb (terugvordering) als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015 (schending inlichtingenplicht). Omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al verstrekte maatwerkvoorziening in natura terug te vorderen, kan het college de waarde van die maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.
Uitgangspunt terugvordering
Het belang van het college is gelegen in de juiste besteding van de beschikbare middelen voor maatschappelijke ondersteuning. In het geval van de terugvordering van het pgb of de geldswaarde van de maatwerkvoorziening, maakt het college in beginsel gebruik van de bevoegdheid omdat terugvordering een noodzakelijk en geschikt middel is wat bijdraagt aan een zorgvuldige besteding van die middelen (vgl. CRVB:2022:2207). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de cliënt de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Dat weegt zwaar.
Belangenafweging
Hoewel het niet nakomen van de inlichtingenverplichting zwaar weegt zal het terugvorderingsbesluit altijd gebaseerd moeten zijn op een belangenafweging. Degene van wie wordt teruggevorderd moet omstandigheden (belangen) aanvoeren die het college mee kan wegen in de besluitvorming. De belangenafweging kan betrekking hebben op suïcidaal gedrag of het niet (meer) tot stand komen van een minnelijk schuldsaneringstraject (vergelijk CRVB:2020:832, CRVB:2021:1475, CRVB:2024:726). Het kan ook gaan om onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene (CRVB:2015:4067). Daarbij wordt wel opgemerkt dat de bescherming van de beslagvrije voet maakt dat er, volgens de rechtspraak vóór de nieuwe toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, praktisch gezien vrijwel nooit sprake kan zijn van onaanvaardbare financiële consequenties (CRVB:2016:3749). Een aannemelijk gemaakte uitzichtloze situatie maakt onderdeel uit van de belangenafweging. Dat zal afhankelijk zijn van de hoogte van de terugvordering al dan niet in combinatie met andere schulden die betrokkene heeft. Het komt er op neer dat het college bij de terugvordering rekening houdt met de situatie en financiële draagkracht van de cliënt.
Opzetvereiste
De wettelijke grondslag om van een cliënt terug te kunnen vorderen is alleen mogelijk bij de opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting. Het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b wijzigt onder meer art. 2.4.1 Wmo 2015. De datum waarop de wetswijziging in werking treedt is nog niet bekend. De opzetvereiste als voorwaarde om de geldswaarde van de maatwerkvoorziening (natura) of het pgb van de cliënt terug te kunnen vorderen blijft bestaan. Het college kan ook de geldswaarde van de maatwerkwerkvoorziening van de aanbieder (natura) of van de derde aan wie het pgb is besteed terugvorderen. Voor deze partijen geldt het opzetvereiste niet meer, maar wel de opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting door de cliënt.
Van wie wordt teruggevorderd
Na inwerkingtreding kan het kiezen van wie wordt teruggevorderd: de cliënt, de aanbieder of de derde aan wie het pgb is besteed. Bij dit besluit kan een belangenafweging niet ontbreken.
Terugvordering cliënt
Heeft het college de opzettelijke schending van de inlichtingenplicht aannemelijk gemaakt, dan wordt, met inachtneming van de belangenafweging, in principe overgegaan tot terugvordering van de geldswaarde.
Terugvordering derde
Bij de bevoegdheid om van een derde terug te kunnen vorderen geldt, tot het moment dat het gewijzigde art. 2.4.1 Wmo 2015 in werking treedt, een dubbele opzetvereiste. Dat wil zeggen eerst moet de opzettelijke schending door de cliënt aannemelijk zijn. Is dat het geval, dan moet het college aannemelijk maken dat derde hieraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. Ook bij dit besluit kan een belangenafweging niet ontbreken.
Hoogte terugvordering maatwerkvoorziening in natura
Ingeval natura-verstrekking zal de geldswaarde bestaan uit het bedrag van de facturen die het college daarvoor (ten onrechte) aan de aanbieder heeft betaald.
Hoogte terugvordering pgb
In geval van een pgb bedraagt de hoogte van de terugvordering het bedrag dat ten onrechte is verstrekt. Het kan wel zo zijn dat de Svb nog niet het (gehele) pgb heeft uitbetaald. In dat geval zal de Svb overgaan tot het terugstorten van het (resterende) pgb en is er voor dat deel geen aanleiding om tot terugvordering over te gaan.
Onwetende cliënt
Er kan zich de situatie voordoen dat het college het pgb-besluit herziet of intrekt onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015 wegens toerekenbaar handelen van de derde aan wie het pgb wordt besteed. Het gaat om een ‘frauduleuze derde’ die een ‘onwetende’ cliënt (budgethouder) benadeelt. Dat wil zeggen: de budgethouder is te goeder trouw. In zo’n geval kan art. 2.4.1 Wmo echter niet worden toegepast. Sinds 1 april 2017 geldt daarom dat in de zorgovereenkomst (SVB) voor diensten een derdenbeding opgenomen moet zijn (art. 2a lid 2 onder c Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Tot 1 april 2022 gold overgangsrecht.
Derdenbeding
Op grond van het derdenbeding kan het college degene aan wie het pgb is besteed aanspreken als het pgb ten onrechte is betaald als gevolg van toerekenbaar handelen van die persoon. Zonder derdenbeding kan dat niet omdat het college (pgb-verstrekker) geen juridische relatie heeft met degene aan wie het pgb wordt besteed. De privaatrechtelijke vordering, die ontstaat nadat de omstandigheden in het beding zich hebben voorgedaan, ligt bij de gemeente als rechtspersoon en niet bij het college als bestuursorgaan. Er moet zijn voldaan aan twee voorwaarden:
- 1.
Het college heeft het pgb herzien of ingetrokken; en
- 2.
Deze herziening of intrekking is het gevolg van het toerekenbaar handelen van degene aan wie het pgb is besteed.
14.7 Invordering
Artikel 13.3 Verordening
De cliënt of de derde is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de cliënt of de derde zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de cliënt of de derde zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de cliënt of de derde nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 2.4.1 lid 2 Wmo 2015). Verder biedt de verordening ook de bevoegdheid tot verrekenen met de verstrekte uitkering voor het levensonderhoud.
14.8 Kwijtschelding
De Wmo 2015 kent geen bepalingen over de mogelijkheid tot kwijtschelding van vorderingen. Dat betekent dat de regels van de Awb van toepassing zijn. Artikel 4:94a Awb bepaalt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, een bestuursorgaan een geldschuld geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden indien de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen.
15 Advisering
15.1 Inleiding
De Wmo 2015 schrijft niet voor dat het college verplicht is om deskundigenadvies te vragen. Alleen als het college zelf niet ter zake kundig is en een deskundigenadvies nodig is om te kunnen beslissen op de aanvraag, vraagt het college advies. In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn:
- •
de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie te kunnen vaststellen (wettelijk toetsingskader);
- •
te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn waaraan het recht op een Pgb in de weg staat (wettelijke voorwaarden);
- •
de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren aan de hand van vastgestelde beperkingen;
- •
zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing.
15.2 Advies vragen
Als vuistregel geldt dat als het oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn. Bijvoorbeeld of de lichamelijke problematiek zodanig is dat de cliënt niet in staat kan worden geacht om huishoudelijke taken te verrichten of de cliënt niet leerbaar is. Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Gaat het niet om het vaststellen van beperkingen dan kan het advies bijvoorbeeld ook door een paramedicus worden gegeven.
Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Een advies mag ook ingewonnen worden over huisgenoten. Ook wanneer het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015 kan er aanleiding zijn om advies op te vragen.
15.3 Beoordeling advies
Het college boordeelt of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Dat wil zeggen:
- •
Wanneer, op welke manier en door welke adviseur (qua deskundigheid) is het onderzoek gedaan. Dit moet gebaseerd zijn op feiten.
- •
Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn en antwoord geven op de vraagstelling van het college.
- •
De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op diens bevindingen en mogen daar niet mee in tegenspraak zijn.
- •
Uit het advies moet inzichtelijk blijken of de cliënt (langdurig) beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie. En zo ja, welke dat zijn en in welke mate.
16. Citeertitel en inwerkingtreding
- 1.
De beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
- 2.
De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2023 worden per die datum ingetrokken.
- 3.
De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2023 blijven van toepassing op genomen besluiten gedurende de looptijd van het betreffende besluit. Dit laat onverlet dat het college in alle gevallen bevoegd is om heronderzoek te doen waarmee het oude besluit kan worden beëindigd en er een nieuw besluit wordt genomen conform de op dat moment geldende beleidsregels.
- 4.
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld te Didam op 6 oktober 2026
Burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland,
de secretaris:
B. F. M. Booltink
de burgemeester:
A. C. V. Fellinger
Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen
In deze bijlage staat een overzicht van voorzieningen die als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Het betreft een niet-limitatieve lijst.
Categorie huishouden
- •
Afwasmachine
- •
Magnetron
- •
(robot)stofzuiger
- •
Wasmachine
- •
Wasdroger/condensdroger
- •
Kookplaat
- •
Korflades
Categorie kinderen
- •
Aankoppelingsfiets voor kinderen
- •
Box tot 4 jaar;
- •
Buggy (tot 4 jaar)
- •
Commode tot 4 jaar
- •
Driewieler tot 4 jaar
- •
Fietskarren voor kinderen (voor zowel fiets als scootmobiel)
- •
Fietszitje regulier
Categorie vervoer/mobiliteit
- •
Zijwielen op fiets
- •
Rollator
- •
Fiets of tandem (al dan niet met lage instap)
- •
Bakfiets
Categorie autoaanpassing
- •
Automatische transmissie
- •
Neerklapbare achterbank
- •
Verstelbaar stuurwiel
- •
Stuurbekrachtiging
- •
Rembekrachtiging
- •
(Verwarmde) buitenspiegels
- •
Blindering auto
- •
Elektrisch bedienbare ramen
- •
Airconditioning
Categorie wonen
- •
Aanrechtblad
- •
Airconditioning
- •
Anti-slipvoorziening voor het douchen
- •
Intercom
- •
Thermostatische kranen en radiatorkranen
- •
Toiletpot (al of niet verhoogd of verlaagd, al of niet verstelbaar)
- •
Toiletverhoger
- •
Ventilatiesysteem badkamer
- •
Sleutelkastje
- •
Zonwering
- •
Douchekop met glijstang
- •
Eenhendelmengkraan
- •
Eenvoudige wandbeugels en grepen
- •
Meterkast uitbreiding met meerdere groepen (bij zelf aanpassen of bouwen woning
- •
Stangen voor raambediening van hoge ramen
- •
Douchestoel (los)
Bijlage 2 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting
Algemeen
Een onderzoek naar (dreigende) overbelasting kan aan de orde zijn bij huisgenoten waarvan verwacht wordt dat zij gebruikelijke hulp bieden, maar ook bij de mantelzorger. Een mantelzorger zal in de meeste gevallen een huisgenoot zijn maar kan ook niet woonachtig zijn bij de cliënt.
Het college onderzoekt, als daar aanleiding voor is, of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels over gebruikelijke hulp en/of weegt de belangen van de mantelzorger. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken.
Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. Het gaat over een (dis)balans tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht:
- •
lichamelijke conditie huisgenoot/mantelzorger
- •
geestelijke conditie huisgenoot/mantelzorger
- •
wijze van omgaan met problemen (coping)
- •
motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak
- •
sociaal netwerk
Factoren die van invloed zijn op de draaglast:
- •
omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose
- •
inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt
- •
woonsituatie
- •
bijkomende sociale problemen
- •
bijkomende emotionele problemen
- •
bijkomende relationele problemen
Onderzoek naar de draaglast en draagkracht
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal dit in het gesprek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak moeten worden onderzocht. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de huisgenoot/mantelzorger dienen in principe te worden beoordeeld door een deskundige (meestal een arts of iemand die op dat niveau functioneert). In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.
Het onderzoeken van overbelasting
Onderzoeksvragen van het college aan de adviseur zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de huisgenoot/mantelzorger. Soms kan een vraag alleen betrekking hebben op mantelzorg:
- •
Wat zegt de huisgenoot/mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het ondersteunen en/of bieden van zorg?
- •
Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de huisgenoot/mantelzorger?
- •
Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?
- •
Heeft de mantelzorger een uitlaatklep? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen?
- •
Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?
- •
Hoe is de relatie tussen de huisgenoot/mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de huisgenoot/mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de huisgenoot/mantelzorger en de cliënt?
- •
Heeft de huisgenoot/mantelzorger inzicht in de beperkingen van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit bijvoorbeeld een ziekte of aandoening voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren)
- •
Hoeveel tijd heeft de huisgenoot/mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat ondersteuning of zorg (verpleging en verzorging) behoeft? Bijvoorbeeld. Een echtgenoot ondervindt beperkingen terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.
- •
Is de ondersteuning of de zorg te plannen of is er continu controle en toezicht nodig?
- •
Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn)
- •
Wat zijn de knelpunten in de ondersteuning en/of de zorg?
- •
Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de huisgenoot/mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Vaak gaat het hierbij om aspecifieke symptomen die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan zonodig bij een extern adviseur moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
- •
Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug
- •
Hoge bloeddruk
- •
Gewrichtspijn
- •
Gevoelens van slapte
- •
Slapeloosheid
- •
Migraine, duizeligheid
- •
Spierkrampen
- •
Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid
- •
Opvliegingen
- •
Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst
- •
Plotseling hevig zweten
- •
Gevoelens van beklemming in de hals
- •
Spiertrekkingen in het gezicht
- •
Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen, ongeduld
- •
Vaak huilen
- •
Neerslachtigheid
- •
Isolering
- •
Verbittering
- •
Concentratieproblemen
- •
Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen
- •
Rusteloosheid
- •
Perfectionisme
- •
Geen beslissingen kunnen nemen
- •
Denkblokkades
Bijlage 3 Uitgangspunten zorg ouder(s) voor kinderen
Kinderen van 0 tot 3 jaar
- •
hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;
- •
ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
- •
zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- •
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 3 tot 5 jaar
- •
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- •
kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
- •
ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;
- •
hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
- •
hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
- •
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
- •
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar
- •
kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
- •
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
- •
hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- •
zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
- •
hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
- •
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
- •
hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
- •
kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
- •
kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;
- •
kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
- •
hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
- •
hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
- •
hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Bijlage 4 Gebruikelijk hulp door kinderen of andere huisgenoten
Het college hanteert de inhoud van deze bijlage als richtlijn voor de gebruikelijke hulp die van kinderen of andere huisgenoten mag worden verwacht op het gebied van huishoudelijke activiteiten.
Gebruikelijke hulp wil zeggen dat als de cliënt huisgenoten heeft die de huishoudelijke taken over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen noodzaak bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishouden. Dat betekent ook dat als degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 21 jaar wordt men verondersteld volledig een meer persoonshuishouden te kunnen draaien.
Bijdrage van kinderen (jonger dan 18) aan het huishouden
In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan wordt er van uitgegaan, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. De volgende indeling wordt gehanteerd:
- •
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.
- •
Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.
- •
Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen naast bovengenoemde taken ook hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).
Taken van huisgenoten van 18 tot 21 jaar
Van een volwassen gezonde huisgenoot (18 jaar) wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de cliënt uitvalt. Een 18-21-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.
De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
- •
schoonhouden van sanitaire ruimte;
- •
keuken, kamer en slaapkamer;
- •
de was doen;
- •
boodschappen doen;
- •
maaltijd verzorgen;
- •
afwassen en opruimen.
Als dat nodig is kan ook de verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.
Bij de bepaling van gebruikelijke hulp wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.
Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen wordt alleen rekening gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het is niet toegestaan chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.
Bijlage 5 Hulp bij het huishouden (normtijden activiteiten en frequentie per week op basis van HHM 2025)
|
Resultaat Schoon en leefbaar huis |
Resultaat Wasverzorging |
Resultaat Boodschappen |
Resultaat Regie/ organisatie, AIV |
|
Basiscliëntsituatie, volledige overname: 125 min/week |
Overname (externe wasverzorging is niet passend): Was 1-pers. huishouden: 41 min/week Was 2-pers. huishouden: 50 min/week Strijken (1 of 2 pers): 22 min/week |
Overname: Boodschappen 51 min/week |
Regie/organisatie: 30 min/week AIV (6 weken): max 90 min/week |
|
+ |
+ |
+ |
|
|
Minder inzet: |
Minder inzet: |
Minder inzet: |
|
|
Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk (zelf uitvoeren activiteiten) één of meerdere keren |
Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk |
Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk |
+ |
|
-/- 15 min |
-/- 20 min |
-/- 10 min |
|
|
+ |
+ |
+ |
|
|
Meer inzet: |
Meer inzet: |
Maaltijden |
Kindzorg (tijdelijk) |
|
Beperkingen en belemmeringen cliënt of samenstelling huishouden
Extra kamer
En/of extra inzet vanwege
bewerkelijkheid woning + 15 min |
Extra wasmachine/week
en belemmeringen cliënt + 19 min |
2 broodmaaltijden: + 20 min/dag Opwarmen maaltijd:+ 20 min/dag 1 Afwassen en opruimen afwas valt binnen dit resultaat.
Bereken minuten per week |
Tijden voor diverse activiteiten Maatwerk mogelijk Bereken minuten per week |
|
|
|
|
|
|
Totaal …..minuten/week + |
Totaal …..minuten/week + |
Totaal …..minuten/week + |
Totaal …..minuten/week |
|
Afronden naar boven op 5 minuten |
|||
|
Toepassing minder/meer inzet |
|
|
Minder inzet dan volledige overname/afschalen |
Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten) |
|
Eigen mogelijkheden: uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat schoon en leefbaar te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau en algemeen opruimen (voorheen licht huishoudelijke werk). Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden. |
Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.
|
|
Gebruikelijke hulp: bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn. |
Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. |
|
Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 20 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d. |
Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. |
|
Aandachtspunt: inzetten van medisch advies kan eventueel nodig zijn om duidelijk te krijgen wat op objectieve medische gronden noodzakelijk is om aan extra ondersteuning in te zetten. |
|
|
In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera: overweeg of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan. |
|
|
Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer!) |
Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken |
|
Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is. |
Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer. |
|
Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen. |
Grote bijkeuken: een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is. |
|
Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader (bijv. voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera. |
Tweede badkamer: kern: bespreken met de cliënt dat deze in principe niet wordt gebruikt als badkamer en deze dan aanmerken als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week. |
|
Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon. |
Separaat toilet boven: als er geen toilet in de badkamer zit: zien als onderdeel van ‘het sanitair boven’: vergt geen extra tijdsinzet. |
|
Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op. |
Kantoor: als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dan is het geen Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. |
|
De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer. |
Grote kelder: afwegen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’. |
|
Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten. |
|
|
Het professionele oordeel van de consulent is uiteindelijk leidend. |
|
|
Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp) |
Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken) |
|
In het normenkader is de mogelijkheid benoemd om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. |
Zie uitgangspunt over huisdieren in 6.3 van deze beleidsregels. Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. |
|
Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er minder dan volledige overname of meer dan volledige overname moet worden ingezet. |
|
|
Het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd. |
|
|
Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen. |
|
|
Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting |
Strijken en boodschappen (meestal voorliggend op te lossen) |
|
Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken? Pas dit alleen toe in heel duidelijke gevallen. |
Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar. |
|
Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing. |
|
|
|
|
|
Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend. |
|
|
Regie en organisatie; Advies-instructie-voorlichting |
|
|
Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor 30 minuten per week structureel extra worden geïndiceerd. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk. |
|
|
Advies-instructie-voorlichting gaat over het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van individuele begeleiding. |
|
Resultaat: Schoon en leefbaar huis |
|
|
|
Basisnorm bij basiscliëntsituatie (zie schema Normenkader hulp bij het huishouden op basis van HHM 2025). |
125 min/week |
|
|
De indirecte tijd maakt standaard onderdeel uit van de (integrale) normtijd. Indirecte tijd is de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan: aankomst, vertrek, administratie, sociale interactie met de cliënt en het pakken en opruimen van schoonmaakspullen. |
|
|
|
Minder inzet |
|
|
|
Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk |
-/- 15 min/week |
|
|
Zelf uitvoeren huishoudelijke activiteiten (één of meerdere keren per week). |
|
|
|
Meer inzet per huishouden |
|
|
|
|
|
|
Normtijd meer inzet (per huishouden) |
|
|
|
+ 30 min/week |
|
|
+ 60 min/week |
|
|
Extra kamer (per huishouden) |
|
|
|
+ 18 min/week |
|
|
+ 5 min/week |
|
|
En/of extra inzet per huishouden vanwege: |
|
|
|
Vervuiling huisdier. |
+ 15 min/week |
|
|
Omvang, inrichting of bewerkelijkheid woning. |
+ 15 min/week |
|
|
Resultaat Boodschappen |
|
|
|
Normtijd overname boodschappen |
51 min/week |
|
|
Minder inzet |
|
|
|
Eigen kracht cliënt en/of netwerk: opstellen boodschappenlijst, opruimen boodschappen. |
-/- 10 min/week |
|
|
Resultaat wasverzorging |
|
|
|
Bij noodzaak overname (collectieve wasvoorziening is geen passende oplossing) |
|
|
|
Was bij 1 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2 wasgangen per week) |
41 min/week |
|
|
Was bij 2 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2,5 wasgang per week) |
50 min/week |
|
|
Strijken, alleen bij medische noodzaak (1- of 2 persoonshuishouden, 1 x keer per week) |
22 min/week |
|
|
Minder inzet |
|
|
|
Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk: zelf uitvoeren van bijv.: was sorteren, was in de wasmachine of droger stoppen, etc. |
-/- 20 min/week |
|
|
Meer inzet gerelateerd aan cliënt |
|
|
|
Extra wasmachine per week (als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt). |
+ 19 min/week |
|
|
Maaltijden |
|
|
|
Onder dit resultaat valt ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Frequentie maaltijden 1 x per dag tenzij de cliënt zelf of met hulp van anderen hierin kan voorzien. |
|
|
|
Twee broodmaaltijden per dag (1 op tafel + 1 in de koelkast) |
+ 20 min per dag (bereken per week) |
min/week |
|
Warme maaltijd (opwarmen) |
+ 20 min per dag (bereken per week)2 |
min/week |
|
Regievoering/organisatie van het huishouden |
30 min/week |
|
|
De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. De Wmo 2015 kent geen definitie van regievermogen. Het onderzoek kan er op gericht zijn vast te stellen of de cliënt regieproblemen heeft. Het gaat dan over de vraag of de cliënt beperkingen heeft in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie. |
|
|
|
Tot organisatie van het huishouden wordt gerekend het (samen met de cliënt) kunnen bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden) waaronder in incidentele gevallen het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden. |
|
|
|
Meer of minder inzet |
|
|
|
Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd wanneer het niet alleen gaat om het aansturen maar ook om het “samen opwerken” met betrekking tot huishoudelijke taken.. |
min/week |
|
|
Advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden |
90 min/week |
|
|
Instructie gericht op aanleren van huishoudelijke activiteiten waaronder het plannen (huishoudelijk werk, wasverzorging, boodschappen doen en koken). Maar denk ook aan het (beter) leren omgaan met en het gebruik van hulpmiddelen, indeling woning en verdeling van huishoudelijke taken over de week. |
|
|
|
Inzet is tijdelijk en in beginsel gemaximeerd: 1 x keer per week voor 6 weken. |
min/week |
|
|
Activiteiten voor verzorging van minderjarige kinderen (normtijden op basis van protocol Kindzorg van CIZ, HHM 2025) |
|
|
|
Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging van gezonde kinderen uit te voeren. Denk aan de persoonlijke verzorging en begeleiding. |
|
|
|
Verzorging van kinderen < 12 jaar. De ouder(s) blijft altijd verantwoordelijk voor de kinderen. Zie ook 6.2.3 Hulp bij het huishouden overig van deze beleidsregels. |
|
|
|
Een kind van 3 maanden of ouder kan 5 dagen naar een kinderdagverblijf. Verder is de crèche, kinderdagverblijf, overblijven op school, voor- en naschoolse opvang een voorliggende oplossing. |
|
|
|
Tot en met 7 jaar heeft een kind in ieder geval hulp nodig bij: |
Normtijden |
|
|
naar bed brengen en uit bed halen (per kind) |
10 min per keer |
min/week |
|
wassen en aankleden (per kind) |
30 min per keer |
min/week |
|
eten en drinken geven |
20 min per broodmaaltijd en 25 minuten per warme maaltijd |
min/week |
|
luiers verschonen (per kind) |
10 min per keer |
min/week |
|
naar school/crèche brengen/halen (per gezin) |
15 min per keer |
min/week |
|
Maatwerk (meer of minder inzet) |
|
|
|
Wanneer meer hulp nodig is, dan kan tot maximaal 40 uur per week een indicatie gesteld worden. De maximale duur van zo’n indicatie is 3 maanden. Specifieke voorliggende oplossingen voor opvang (zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussen schoolse opvang, gastouder etc.) gaan vóór op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. |
min/week |
|
|
Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis (HHM 2025) |
||||||||
|
|
Woonruimten |
|||||||
|
Schoon en leefbaar huis |
Woonkamer |
Slaapkamer(s) |
Keuken |
Badkamer en toilet |
Hal |
|||
|
Afnemen nat en droog |
• Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter • Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Zitmeubels afnemen (droog/nat) • Radiatoren reinigen |
• Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter • Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen |
• Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen |
• Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen |
• Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter • Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen |
|||
|
Stofzuigen en dweilen |
• Stofzuigen • Dweilen |
• Stofzuigen • Dweilen |
• Stofzuigen • Dweilen |
|
• Stofzuigen • Dweilen • Trap stofzuigen |
|||
|
Ramen en gordijnen |
• Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen |
• Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen |
• Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen |
• Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen |
|
|||
|
Bed verschonen |
|
Bed verschonen Matras draaien |
|
|
|
|||
|
Keuken schoonmaken |
|
|
• Keukenblok en –apparatuur (buitenzijde) • Afval opruimen • Keukenkastjes (binnenzijde) • Koelkast (binnenzijde) • Oven/magnetron • Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) • Afzuigkap reinigen (binnenzijde) • Bovenkant keukenkastjes • Tegelwand (los van keukenblok) |
|
|
|||
|
Sanitair schoonmaken |
|
|
|
• Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen) • Toilet schoonmaken • Tegelwand badkamer afnemen |
|
|||
|
Opruimen |
Opruimen |
Opruimen |
|
|
|
|||
|
Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten HHM 2025) |
||||||||
|
Ruimte |
Basisactiviteit |
Frequenties |
||||||
|
Woonkamer (en andere kamers) |
Stof afnemen hoog incl. luchtfilters |
1 x per 2 weken |
||||||
|
Stof afnemen midden |
1 x per week |
|||||||
|
Stof afnemen laag |
1 x per week |
|||||||
|
Opruimen |
1 x per week |
|||||||
|
Stofzuigen |
1 x per week |
|||||||
|
Dweilen |
1 x per week |
|||||||
|
Slaapkamers |
Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters |
1 x per 6 weken |
||||||
|
Stof afnemen midden |
1 x per week |
|||||||
|
Stof afnemen laag |
1 x per week |
|||||||
|
Opruimen |
1 x per week |
|||||||
|
Stofzuigen |
1 x per week |
|||||||
|
Dweilen |
1 x per 2 weken |
|||||||
|
Bed verschonen of opmaken |
1 x per 2 weken |
|||||||
|
Keuken |
Stofzuigen |
1 x per week |
||||||
|
Dweilen |
1 x per week |
|||||||
|
Keukenblok(buitenzijde)inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel |
1 x per week |
|||||||
|
Keukenapparatuur (buitenzijde) |
1 x per week |
|||||||
|
Afval opruimen |
1 x per week |
|||||||
|
Afwassen (* onderdeel van maaltijden) |
|
|||||||
|
Sanitair |
Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen) |
1 x per week |
||||||
|
Toilet schoonmaken |
1 x per week |
|||||||
|
Hal |
Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters |
1 x per week |
||||||
|
Stof afnemen midden |
1 x per week |
|||||||
|
Stof afnemen laag |
1 x per week |
|||||||
|
Stofzuigen |
1 x per week |
|||||||
|
Trap stofzuigen (binnenshuis) |
1 x per week |
|||||||
|
Dweilen |
1 x per week |
|||||||
|
Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten HHM 2025) |
||||||||
|
Ruimte |
Incidentele activiteit |
Frequenties |
||||||
|
Woonkamer (en andere kamers) |
Gordijnen wassen |
1 x per jaar |
||||||
|
Reinigen lamellen/luxaflex |
2 x per jaar |
|||||||
|
Ramen binnenzijde wassen |
4 x per jaar |
|||||||
|
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten |
2 x per jaar |
|||||||
|
Zitmeubels afnemen (droog/nat) |
1 x per 8 weken |
|||||||
|
Radiatoren reinigen |
2 x per jaar |
|||||||
|
Slaapkamers |
Gordijnen wassen |
1 x per jaar |
||||||
|
Reinigen lamellen/luxaflex |
2 x per jaar |
|||||||
|
Ramen binnenzijde wassen |
4 x per jaar |
|||||||
|
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten |
2 x per jaar |
|||||||
|
Radiatoren reinigen |
2 x per jaar |
|||||||
|
Matras draaien |
2 x per jaar |
|||||||
|
Keuken |
Gordijnen wassen |
2 x per jaar |
||||||
|
Reinigen lamellen/luxaflex |
3 x per jaar |
|||||||
|
Ramen binnenzijde wassen |
4 x per jaar |
|||||||
|
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten |
2 x per jaar |
|||||||
|
Radiatoren reinigen |
3 x per jaar |
|||||||
|
Keukenkastjes (binnenzijde) |
2 x per jaar |
|||||||
|
Koelkast (binnenzijde) |
3 x per jaar |
|||||||
|
Oven/magnetron (grondig schoonmaken) |
4 x per jaar |
|||||||
|
Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) |
1 x per jaar |
|||||||
|
Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasserbestendig |
2 x per jaar |
|||||||
|
Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig |
2 x per jaar |
|||||||
|
Bovenkant keukenkastjes |
1 x per 6 weken |
|||||||
|
Tegelwand (los van keukenblok) |
2 x per jaar |
|||||||
|
Sanitair |
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten |
2 x per jaar |
||||||
|
Radiatoren reinigen |
2 x per jaar |
|||||||
|
Tegelwand badkamer afnemen |
4 x per jaar |
|||||||
|
Gordijnen wassen |
1 x per jaar |
|||||||
|
Ramen binnenzijde wassen |
4 x per jaar |
|||||||
|
Reinigen lamellen/luxaflex |
3 x per jaar |
|||||||
|
Hal |
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten |
2 x per jaar |
||||||
|
Radiatoren reinigen |
2 x per jaar |
|||||||
|
Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging (HHM 2025) |
|||||
|
Activiteiten wasverzorging (één complete wasgang) |
Frequentie eenpersoonshuishouden |
Frequentie tweepersoonshuishouden |
|||
|
Wasgoed sorteren (eenmalig; voor meerdere wasgangen) |
1 x per week |
1 x per week |
|||
|
Behandelen van vlekken (indien noodzakelijk) |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was in machine stoppen en aanzetten |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Wasmachine leeghalen |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Sorteren droger – waslijn |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was in de droger stoppen |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Droger leeghalen |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was ophangen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt) |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was afhalen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt) |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was opvouwen |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was opbergen en opruimen |
2 x per week |
2,5 x per week |
|||
|
Was strijken indien medisch noodzakelijk |
1 x per week |
1 x per week |
|||
|
Activiteiten en frequentie benodigd voor de boodschappen (HHM 2025) |
|||||
|
Onderdeel |
Activiteit |
Frequentie |
|||
|
Boodschappen |
Het opstellen van boodschappenlijst |
1 x per week |
|||
|
Het doen van boodschappen |
1 x per week |
||||
|
Het opruimen van de boodschappen |
1 x per week |
||||
|
Activiteiten en frequentie benodigd voor de maaltijden |
|||||
|
Onderdeel |
Activiteit |
Frequentie |
|||
|
Maaltijden |
Broodmaaltijden: tafeldekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen |
1 x per dag* |
|||
|
Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafeldekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen |
1 x per dag* |
||||
|
* Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien. |
|||||
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl