Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 17-10-2026

Intitulé

Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;

Overwegende dat:

Het wenselijk is om Beleidsregels op te stellen voor het beleid over en de uitvoering van te verstrekken individuele voorzieningen op het terrein van de jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet (Jw);

Gelet op:

De Jeugdwet, voor een gezamenlijke toekomst, “visie Sociaal Domein gemeente Montferland 2025 – 2033”, de Verordening jeugdhulp Montferland 2026 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland 2026

Besluit vast te stellen de:

Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2026

1 Algemene bepalingen

1.1 Inleiding

Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid."

Geen algemeen verbindend voorschrift

Bij Beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wet interpreterend beleid of over de toepassing van de bepalingen in de Verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie.

De Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van individuele voorzieningen al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te komen voor jeugdigen en ouders. De Beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Kernbegrippen zijn:

  • •

    eigen verantwoordelijkheid;

  • •

    uitgaan van te bereiken resultaten; en

  • •

    het leveren van maatwerk.

1.2 Begripsbepalingen

Alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Awb.

2 De procedure

Artikelen 2.3 lid 1 en 2.6 Jeugdwet

Hoofdstuk 2 Verordening

2.1 Inleiding

De Jeugdwet bepaalt onder meer dat het college verantwoordelijk is om jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare manier aan te bieden en dat deze te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. Daarvoor moet het college ook zorgen voor een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

  • •

    gezond en veilig op te groeien;

  • •

    te groeien naar zelfstandigheid, en

  • •

    voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Deze wettelijke jeugdhulpdoelen (te bereiken resultaten) worden hierna kort uitgelegd.

Gezond en veilig opgroeien en groeien naar zelfstandigheid

Bij het gezond en veilig opgroeien gaat het niet alleen om de lichamelijke gezondheid, maar ook om de geestelijke gezondheid, een gezonde leefstijl en continuïteit in opvoeding en verzorging. Bij het veilig opgroeien moet gedacht worden aan geborgenheid, structuur en regelmaat, veiligheid thuis en veiligheid buitenshuis. Onder het groeien naar zelfstandigheid wordt bedoeld dat jeugdigen zelfstandigheid bereiken om mee te kunnen doen aan de maatschappij.

Zelfredzaamheid

Activiteiten gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen kunnen in de vorm van persoonlijke verzorging of begeleiding worden geboden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het aanleren van de activiteiten. Ook groepsondersteuning kan gericht zijn op de zelfredzaamheid.

Maatschappelijk participeren

Dit gaat over het mee kunnen doen in de maatschappij. Het gaat dan om de mogelijkheden van de jeugdige om actief betrokken te zijn bij de maatschappij, maar ook op hoe hij zelf zijn steentje bij kan dragen aan de maatschappij, mee kan denken en mee kan doen, mogelijkheden heeft voor het beoefenen van sport en cultuur en voorbereid is op zijn toekomst door het behalen van een diploma, het vinden van werk en het zelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Leeftijd en ontwikkelingsniveau

Dat wat hiervoor is gezegd, is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Dit in vergelijking met leeftijdsgenoten zonder behoefte aan jeugdhulp. Het is niet altijd mogelijk om bijvoorbeeld volledige zelfstandigheid te bereiken. Dit omdat het gelet op de beperkingen van een jeugdige simpelweg niet mogelijk is om hun tekort aan zelfredzaamheid met jeugdhulp op te heffen. Het college heeft dan een inspanningsverplichting om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken.

Toegang tot jeugdhulp

Omdat de wet geen regels stelt over het indienen van een aanvraag, gelden de regels van de Awb. De jeugdige of zijn ouder(s) met een behoefte aan jeugdhulp kunnen hun ondersteuningsvraag melden bij het college en een aanvraag indienen. Het college doet dan onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. Uit de wet volgen de voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen (CRVB:2017:1477). Het onderzoek behoort tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 Awb). Het onderzoek wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van de SKJ-geregistreerde persoon die ook kan bepalen of er nog andere deskundigen nodig zijn (art. 2.7 Verordening).

Verordening

De verordening is voor wat betreft de toegang tot jeugdhulp procedureel ingericht zodat het voor jeugdigen en ouders duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat een aanvraag is ingediend. De verordening bepaalt dat algemene voorzieningen vrij toegankelijk zijn en dat een verzoek om jeugdhulp ook kan verlopen via de wettelijke verwijzers, zonder tussenkomst van de gemeente. Een jeugdige of zijn ouder(s) kan gebruik maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon (art. 2.1 Verordening). De verordening schrijft verder voor dat het college een ondersteuningsplan aan de jeugdige en zijn ouder(s) verstrekt met daarin de onderzoeksresultaten. Ook wordt de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid gesteld een familiegroepsplan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de jeugdige of zijn ouder(s) van mening is dat hij (aanvullend) jeugdhulp van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de jeugdige of zijn ouder(s) onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Bij de beslissing op de aanvraag vormen het ondersteuningsplan en het eventueel ingediende familiegroepsplan het uitgangspunt.

Criteria verordening

In de verordening zijn afwegingsfactoren over eigen kracht vastgesteld. Die criteria die gelden voor individuele jeugdhulp verschillen naar gelang de aard van de jeugdhulp waarop de jeugdige of zijn ouder(s) is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening.

2.2 Maatwerk

Jeugdigen en ouders die hun hoofdverblijf hebben in de gemeente Montferland kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp (al dan niet als individuele voorziening) in de vorm van ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. De gemeente Montferland kan ook verantwoordelijk zijn om jeugdhulp te bieden (betalen) voor jeugdigen die niet in Montferland wonen; dit op grond van het woonplaatsbeginsel. Jeugdhulp kan bestaan uit:

  • 1.

    Ondersteuning van en hulp en zorg (niet zijnde preventie) aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van:

    • •

      psychische problemen en stoornissen,

    • •

      psychosociale problemen,

    • •

      gedragsproblemen, of

    • •

      een verstandelijke beperking van de jeugdige,

    • •

      opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen.

  • 2.

    Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen jonger dan 18 jaar met een:

    • •

      somatische beperking,

    • •

      verstandelijke beperking,

    • •

      lichamelijke beperking,

    • •

      zintuiglijke beperking,

    • •

      chronisch psychisch probleem, of

    • •

      psychosociaal probleem.

  • 3.

    Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen:

    • •

      met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking,

    • •

      die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Passende jeugdhulp

Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat het moet gaan om passende jeugdhulp waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

  • •

    gezond en veilig op te groeien;

  • •

    te groeien naar zelfstandigheid, en

  • •

    voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek naar de ondersteuningsvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de jeugdige, zijn ouder(s) en mogelijk andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de jeugdige of de ouder(s) zelf en hun sociale omgeving.

2.3 Uitgangspunten

Er gelden een aantal algemene uitgangspunten:

  • •

    De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kunnen zijn en maatschappelijk kunnen participeren van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders zelf (eigen kracht).

  • •

    Het herstellen dan wel versterken van eigen kracht staat voorop staat bij het verlenen van individuele jeugdhulp. Dit uitgangspunt sluit aan bij de bedoeling van de wet. Dit betekent ook dat het college eerst kijkt of dat met opvoedondersteuning of ondersteuning aan het gezin kan worden bereikt. Jeugdhulp voor de jeugdige kan worden gecombineerd met de eigen kracht.

  • •

    Om te zorgen dat ouders hun rol als verzorgers en opvoeders kunnen blijven vervullen kan een maatwerkvoorziening worden verleend om ouders (het gezin) tijdelijk te ontlasten als dat nodig is.

  • •

    Het college kan besluiten dat geen jeugdhulp wordt verleend omdat de gevraagde hulp volgens het college niet noodzakelijk is.

2.4 Onderzoeksverplichting

Uit de wet volgt dat het college een onderzoek moet doen naar de behoefte aan jeugdhulp als de jeugdige of zijn ouder(s) dat bij het college heeft gemeld. In tegenstelling tot de Wmo 2015 schrijft de wet niet voor welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Uit de jurisprudentie blijkt overigens dat het college niet altijd alleen kan uitgaan van de ondersteuningsvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). Het college moet daarom zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439).

2.5 Verklarende analyse

De wet schrijft niet voor op welke manier het college het onderzoek moet doen. Van belang is dat het onderzoek voldoet aan het stappenplan zoals voorgeschreven door de Centrale Raad van Beroep (zie hierna). Afhankelijk van de ondersteuningsvraag en de problematiek kan het college gebruik maken van de zogeheten Verklarende analyse.

2.6 Vastellen identiteit

Artikel 2.8 Verordening

De wet kent geen identificatieplicht. Maar het college zal zich wel moeten vergewissen dat het burgerservicenummer betrekking heeft op de persoon of personen van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. Jeugdigen jonger dan 14 jaar hoeven nog niet te beschikken over een identiteitsbewijs. Onverminderd de hiervoor genoemde vergewisplicht maakt het college een afweging of het noodzakelijk is om een identiteitsbewijs aan te schaffen of dat het op een andere manier wordt vastgesteld met een minder verstrekkende manier. Bijvoorbeeld door controlevragen te stellen die middels het systeem gecontroleerd kunnen worden. Ook kunnen jeugdigen via hun ouders geïdentificeerd worden; zij beschikken immers over een identiteitsbewijs. Of het noodzakelijk is om een identiteitsbewijs aan te schaffen is afhankelijk van de aard en zwaarte van de jeugdhulp. Dit mede gelet op het belang van het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik en de noodzaak van het vaststellen van het gezag over de jeugdige.

2.7 Stappenplan voor het onderzoek

In CRVB:2017:1477 heeft de Centrale Raad van Beroep zich uitgesproken over de vraag waar een onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een jeugdige of zijn ouder(s) zich melden met een ondersteuningsvraag en een aanvraag indienen. Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) plaatsvindt, alleen dan kan de ondersteuningsvraag goed in kaart worden gebracht. Ook anderen kunnen bij het onderzoek aanwezig zijn. Denk aan personen uit het sociaal netwerk. Bij elke stap van het onderzoek moet het college zorgen voor voldoende deskundigheid. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn dat een specifieke (jeugdhulp)deskundige bij het onderzoek wordt betrokken. Bijvoorbeeld een gedragswetenschapper of een (jeugd)arts. Van jeugdigen en ouders wordt verwacht dat zij medewerking verlenen aan het onderzoek.

Het onderzoek bestaat uit de volgende stappen:

  • 1.

    In stap 1 wordt vastgesteld wat de (eigenlijke) ondersteuningsvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is.

  • 2.

    In stap 2 wordt vastgesteld of er opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen zijn. En zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn.

  • 3.

    In stap 3 wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen.

  • 4.

    In stap 4 wordt vastgesteld of er sprake is van eigen kracht (zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels) en of het gebruik van algemene voorzieningen een passende oplossing is.

  • 5.

    In stap 5 wordt uiteindelijk vastgesteld of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke en in welke vorm die wordt verleend.

Bij de uitvoering van het stappenplan kunnen meerdere gesprekken nodig zijn.

Woonplaatsbeginsel

Het college beoordeelt bij het onderzoek ook welke gemeente verantwoordelijk is voor het verlenen dan wel betalen van de noodzakelijke jeugdhulp.

Aanvraag pgb

Pas wanneer duidelijk is dat een individuele voorziening nodig is, kan een aanvraag worden gedaan om deze in de vorm van een pgb te ontvangen. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels.

Specifieke deskundigheid

Art. 2.7 Verordening

Het college zorgt voor de benodigde deskundigheid bij het vaststellen van de noodzaak tot een individuele voorziening.

Jeugdige vanaf 12 jaar

Jeugdigen hebben (in ieder geval) vanaf 12 jaar het recht een mening te vormen en die vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Dat wil zeggen dat het college de mening van jeugdigen vanaf deze leeftijd moet betrekken bij het onderzoek. De hoofdregel is daarom dat de jeugdige tijdens het onderzoek, ook door een deskundige, wordt gezien en gesproken (art. 2.6 lid 4 en art. 2.9 lid 3 Verordening). Vanaf 16 jaar kan de jeugdige een ondersteuningsvraag zelf melden, tenzij hij niet handelingsbekwaam is.

2.7.1 Stap 1 van het stappenplan

Een volledig beeld is nodig

Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de ondersteuningsvraag die de jeugdige of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. Het college moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins)situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Zij kunnen informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kunnen zij onderdeel uitmaken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s). Of dat het geval is komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod. In het gesprek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) bekeken welk resultaat men wil bereiken en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn.

Er wordt specifiek jeugdhulp gevraagd

De ondersteuningsvraag kan niet bestaan uit de vraag aan het college om een specifieke jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het college houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde individuele voorziening te ontvangen.

2.7.2 Stap 2 van het stappenplan

Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door de problematiek van de jeugdige opvoedingsproblemen ondervinden.

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.

Zorgmomentenoverzicht

Als dat nodig is kan het college van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft adequaat worden beschreven. Het college kan dit overzicht vergelijken met de Richtlijn Uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid van de verordening.

2.7.3 Stap 3 van het stappenplan

In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen.

Welke individuele voorziening is nodig

Zoals gezegd wordt bij deze stap beoordeeld of er volgens het college een individuele voorziening nodig is waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

  • •

    gezond en veilig op te groeien en groeien naar zelfstandigheid; en

  • •

    voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld.

Blijkt bij stap 2 en 3 van het onderzoek dat er (ook) andere hulp nodig is, dan op grond van de Jeugdwet, dan komt de beoordeling daarvan bij stap 5 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de jeugdhulp die het college daadwerkelijk zal gaan verlenen.

2.7.4 Stap 4 van het stappenplan

Bij stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of de eigen kracht toereikend is. Zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. En ook of het gebruik van algemene voorzieningen een passende oplossing is. Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat gebruikmaking van algemene voorzieningen (vrij-toegankelijk aanbod) voldoende oplossing biedt voor de bij stap 3 vastgestelde problematiek. Datzelfde geldt voor voorzieningen die niet op grond van de Jeugdwet zijn gecontracteerd en die in Montferland beschikbaar en geschikt zijn.

2.7.5 Stap 5 van het stappenplan

Na het doorlopen van het stappenplan wordt bij stap 5 vastgesteld of het college een individuele voorziening zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken.

2.7.6 Andere aspecten die een rol spelen

Het college beoordeelt of de volgende aspecten aan de orde zijn:

  • 1.

    Gebruikmaking van een andere wet.

  • 2.

    Er is geen sprake van jeugdhulp.

  • 3.

    Geen noodzaak tot het verlenen van jeugdhulp.

  • 4.

    Welke individuele voorziening is aangewezen en in welke vorm die wordt verleend.

  • 5.

    Er is sprake van afbakening met andere domeinen.

Ad. 1. Gebruikmaking van een andere wet

Hoofdstuk 5 Verordening

Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan het college vinden dat, gelet op de problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Het college zorgt voor hulp als dat nodig is. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt. Dat is het geval als de jeugdhulp voor de jeugdige noodzakelijk is (RBZWB:2017:4537). Denk bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning.

Ad. 2. Geen jeugdhulp

Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet (zie hiervoor onder 1) maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:

  • •

    Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder de Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma (RBDHA:2018:8310, RBROT:2020:5711).

  • •

    Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp (RBROT:2019:7883).

  • •

    Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie (RBOVE:2016:4171).

  • •

    Begeleiding van en naar de zwemles (RBOVE:2016:5199).

  • •

    Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige.

Ad. 3. Geen noodzaak

Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat het college kan vinden dat er geen noodzaak is voor het verlenen van een individuele voorziening ondanks de wens van ouders. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.

Ad. 4. Verlenen individuele voorziening

Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek volgens het stappenplan wordt bepaald welke individuele voorziening wordt verleend gericht op het bereiken van de vastgestelde resultaten.

Ad. 5 Afbakening met andere domeinen

In hoofdstuk 5 van de verordening is de afstemming met andere domeinen opgenomen. Het gaat voornamelijk over: afspraken die het college maakt met andere partijen en factoren die een rol spelen bij de afstemming met de andere domeinen.

2.7.7 Inzet begeleiding in onderwijs (BIO)

Artikel 2.5 en Bijlage II Verordening

Tijdens het onderzoek kan ook naar voren komen dat jeugdhulp in de vorm van begeleiding of persoonlijke verzorging nodig is tijdens het onderwijs. Bijlage II van de verordening bevat de richtlijnen over hoe het college daarmee omgaat. Uit deze bijlage volgt onder meer dat het college de inzet van jeugdhulp mede vaststelt op basis van het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) dat door de school wordt opgesteld. Het is daarom van belang dat ouders dat plan overleggen als een aanvraag om BIO wordt ingediend. De kern van is BIO is dat (mede) op grond van het OPP en eventuele observaties wordt vastgesteld waar de jeugdhulp zich op moet richten. Zie ook bijlage 2 Richtlijnen voor inzet BIO bij de verordening. Er vindt zo nodig (periodiek) overleg plaats met het onderwijs en ouders zodat ook de leer- en leefomgeving van de jeugdige daar op kan bijgesteld.

2.7.8 Spoedhulp

Artikel 2.6 lid 1 onder b Jw bepaalt onder meer dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. De verplichting tot het zorgen voor spoedhulp laat zich niet vertalen in beleidsregels, maar is afhankelijk van de individuele situatie.

2.8 Inlichtingen- en medewerkingsplicht

Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren, is het van belang dat de jeugdige of zijn ouder(s) het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (art. 4:2 Awb).

2.8.1 Inlichtingenplicht

Alleen de inlichtingenplicht voor jeugdigen of zijn ouder(s) die is verbonden aan een verstrekt pgb is wettelijk geregeld (art. 8.1.2 Jw). De verordening bepaalt daarom dat de jeugdige of zijn ouder(s) ook verplicht zijn op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden te doen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit over jeugdhulp in natura (art. 8.2 lid 1 Verordening).

2.8.2 Medewerkingsplicht

Ouders en jeugdigen verlenen medewerking aan het onderzoek als het college daar om vraagt (art. 8.1.2 lid 3 Jw). Deze algemene medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet geldt niet alleen bij de aanvraag maar ook gedurende de looptijd van de indicatie als daar aanleiding voor is. Het niet verlenen van medewerking kan ertoe leiden dat het college de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Het kan gaan om een onderzoek naar de concrete gezinssituatie en de daarin aanwezige problematiek waarvoor ook onderzoek in de thuissituatie (door middel van observatie) verricht moet worden door een deskundige (RBGEL:2023:5013).

Blokkeringsrecht

Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de betrokkene (bijv. CRVB:2025:1015). In de praktijk zal dit inhouden dat het college de noodzaak tot het verstrekken van jeugdhulp niet kan vaststellen.

2.8.3 De jeugdige

In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt bij het onderzoek als ook bij de vraag om deskundigenadvies (zie art. 2.6 lid 4 en 2.9 lid 2 Verordening). Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van (in ieder geval) 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe niet in staat is. De mening van de jeugdige moet worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, tenzij de jeugdige zijn mening niet kan geven gelet op de problematiek of leeftijd.

2.9 Beslistermijn en ingangsdatum

De Jeugdwet kent geen regels over de aanvraag. Daarom geldt de redelijke beslistermijn van acht weken als bedoeld in art. 4:13 Awb.

Dit betekent concreet dat als er een aanvraag is ingediend op het door het college beschikbaar gestelde aanvraagformulier (artikel 2.4.lid 3 Verordening), de procedure van start gaat. Het aanvraagformulier wordt uitgereikt tijdens of na het eerste huisbezoek, of eerder indien daarom wordt verzocht.

Verlengen beslistermijn

De beslistermijn kan worden verlengd (art. 4:14 lid 1 Awb). De mededeling van zo’n verlenging bevat tevens de termijn waarbinnen de jeugdige of de ouder(s) de beslissing tegemoet kan zien. Bij een verlenging van de beslistermijn kan belanghebbende het college nog steeds in gebreke stellen vanwege het niet tijdig beslissen. Is de beslistermijn opgeschort dan kan dat niet.

Ingebrekestelling

Ondanks de verlenging van de beslistermijn kan belanghebbende het college na het verstrijken van de beslistermijn van acht weken in gebreke stellen omdat verlenging van de beslistermijn niet (automatisch) ook is opgeschort als bedoeld in art. 4:15 lid 2 Awb. Dat wil zeggen dat ná de ingebrekestelling nog steeds binnen 14 dagen een besluit op de aanvraag moet worden genomen om te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd. Een bezwaarschrift tegen de verlenging van de beslistermijn (zie hiervoor) wordt aangemerkt als een ingebrekestelling.

Ingangsdatum

Artikel 2.5 Verordening

De datum waarop de indicatie ingaat ligt niet voor de datum waarop het college beslist op de aanvraag. De Verordening bepaalt dat het college de jeugdhulpaanbieder toestemming kan geven om de jeugdhulp in natura eerder te starten. De beslissing op de aanvraag volgt nadat de jeugdhulpaanbieder is gestart. Een PGB wordt in beginsel niet met terugwerkende kracht toegekend, zie 5.4 van deze beleidsregels.

3 Eigen kracht

Artikel 2.3 Jw

Hoofdstuk 1 verordening (begripsbepalingen)

Hoofdstuk 3 verordening

3.1 Inleiding

Het college hoeft geen individuele voorziening te verlenen als de eigen kracht van jeugdigen en ouders toereikend is. Dat wordt beoordeeld bij stap 4 van het stappenplan. De eigen kracht is van toepassing op ouders die de jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgen en opvoeden (art. 3.2 lid 2 verordening).

3.2 Zorg van ouders voor kinderen

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Deze verplichting voor ouders is terug te zien in de artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen, tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert. De overheid moet ervoor waken de zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen of als de jeugdige verdacht wordt of veroordeeld is voor een strafbaar feit. Bij de zorgplicht van ouders past een actieve rol van hen en het kind om in eerste instantie te proberen de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op te lossen (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 19-20, 128, 136). Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dat overneemt.

Ouders gescheiden of niet meer samenwonend

Ook in de situatie dat ouders gescheiden zijn (of niet meer samenwonen) blijft de zorgplicht bestaan. Het onderzoek richt zich ook op de ouder (waarbij de jeugdige niet woonachtig is) in geval van een omgangsregeling. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van hen wordt verwacht dat zij samen de ouderlijke zorgplicht vervullen. Immers, bij co-ouderschap verdelen gezaghebbende ouders feitelijk de zorg voor het kind.

3.2.1 Inhoud zorgplicht ouders

De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:

  • a.

    de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede;

  • b.

    het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid;

  • c.

    de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen;

  • d.

    het bieden van een beschermende woonomgeving.

De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.

3.2.2 Kernpunten goed ouderschap

De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen 1 :

  • 1.

    Een onvoorwaardelijke toewijding.

  • 2.

    Continuïteit in de opvoedingsrelatie.

  • 3.

    Verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn.

  • 4.

    Opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie.

  • 5.

    Het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein.

  • 6.

    Zorg dragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind.

  • 7.

    Zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.

  • 8.

    Een veilige opvoedsituatie van het kind.

Het college kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.

3.2.3 Uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid

Bijlage 1 Verordening

Ouderlijke verantwoordelijkheid houdt in verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Het college neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt.

Leeftijd van het kind

De Richtlijn gaat, zoals gezegd, uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Hulp of zorg bij kinderen kan in het kader van eigen kracht ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.

De aard van de zorghandeling

Hulp of zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

De frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is

De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van eigen kracht. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp of zorg nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt beoordeeld of deze extra tijd nog binnen de eigen kracht van ouders valt. Het college hanteert de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging (bijlage bij deze beleidsregels). Het college beoordeelt de eigen kracht van ouders op basis van de afwegingsfactoren (zie hierna).

3.3 Beoordelingskader eigen kracht

Artikel 1.1 Verordening

De Verordening bepaalt wat onder eigen kracht wordt verstaan: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet hetgeen voortvloeit uit de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en volgens de uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid (bijlage verordening) en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de verordening

3.3.1 Afwegingsfactoren

Artikel 3.1 Verordening

Het college neemt bij de beoordeling van de eigen kracht (ouderlijke zorgplicht) tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd wordt. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen kracht van de ouders niet toereikend is. Het college hanteert de afwegingsfactoren van de Verordening.

  • a.

    (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden;

  • b.

    een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

  • c.

    het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat;

  • d.

    overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouders of van het sociaal netwerk totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

Hierna worden bovenstaande afwegingsfactoren nader toegelicht.

3.3.2 Geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden (onderdeel a)

Het college stelt vast of bij ouders een geobjectiveerde beperking aanwezig is op grond waarvan zij niet in staat zijn om de verzorging, begeleiding en opvoeding van de jeugdige voor hun rekening te nemen. Hiervoor zal in het algemeen een (medisch) advies nodig zijn.

Mogelijkheden ouders (beschikbaarheid)

Het college beoordeelt of de ouder(s) beschikbaar is of zou kunnen zijn. Dit laatste omdat van hen verwacht mag worden dat daar zelf een oplossing voor wordt gezocht. Dit bezien tegen de achtergrond dat ouders de regie hebben en houden en dat wordt verwacht dat zij die ook nemen. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen.

Mogelijkheden ouders algemeen

Het college stelt vast of ouders in staat zijn tot het bieden van de verzorging, begeleiding en opvoeding in de zin van eigen kracht. Dat is bijvoorbeeld het geval als:

  • •

    de ouder(s) deze hulp kan bieden en dat (desgevraagd) ook blijft doen, ook als geen indicatie voor een individuele voorziening wordt verleend, zonder dat daardoor problemen zullen ontstaan;

  • •

    op het moment van de ondersteuningsvraag zelf al maatregelen zijn getroffen om de hulp aan de jeugdige te kunnen bieden, zonder dat daardoor problemen zijn ontstaan. Bijvoorbeeld door het (deels) opzeggen van een baan, opgenomen zorgverlof of het anders organiseren van de beschikbare tijd en verdeling van taken.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Acute situatie

Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de verzorging, begeleiding en opvoeding te bieden. Denk bijvoorbeeld aan het plotseling overlijden van een ouder (partner) of een echtscheiding. In deze gevallen is er feitelijk tijdelijk geen draagkracht.

3.3.3 Gebrek aan kennis of vaardigheden

Het gaat om capaciteiten en vaardigheden.

Opvoedkundige capaciteiten

Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om verzorging, begeleiding en opvoeding te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LvB-problematiek. In die gevallen wordt beoordeeld of een algemene voorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke individuele voorziening is aangewezen.

Opvoedkundige vaardigheden

Onder capaciteiten kunnen ook vaardigheden worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Maar ook de vaardigheid in het verrichten van zorghandelingen door het hebben van bijvoorbeeld een verpleegkundige achtergrond.

3.3.4 Het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat (onderdeel c)

Het gaat hier om situaties waarin het CIZ de blijvende behoefte op Wlz-zorg nog niet kan vaststellen. Of er is sprake van psychiatrische problematiek. Jeugdigen hebben in dat geval, tot hun 18de jaar, (nog) geen toegang tot de Wlz. Mogelijk dat de jeugdige aanspraak heeft op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet. Denk aan: geneeskundige verzorging of verpleging of behandeling bij een zintuiglijke handicap.

Toezicht en begeleiding

Toezicht dan wel 24-uurszorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid, bijlage I bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.

Voortdurend toezicht

Bij voortdurend toezicht moeten ouders continu in de nabijheid zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet.

Permanent toezicht

Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vgl. CRVB:2017:3709). Permanent toezicht valt niet onder de ouderlijke verantwoordelijkheid (eigen kracht van ouders).

3.3.5 Overbelasting of dreigende overbelasting (onderdeel d)

Het kan voorkomen dat sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting waardoor van de ouders geen noodzakelijke verzorging, begeleiding en opvoeding kan worden verwacht of van het sociaal netwerk totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

Aannemelijk maken

Ouders zullen de (dreigende) overbelasting eerst aannemelijk moeten maken.

Draagkracht en draaglast

Overbelasting of dreigende overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast. Hierdoor kunnen fysieke of psychische klachten ontstaan op grond waarvan ouders mogelijk (tijdelijk) niet (meer) in staat zijn om de verzorging, begeleiding en opvoeding aan hun kinderen te bieden.

Wat wordt verwacht

Het uitgangspunt is dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken of houden. Dit bezien van wat vanuit hun zorgplicht mag worden verwacht.

Life events

Emotionele gebeurtenissen, ook wel aangeduid als life events, kunnen iemands leven behoorlijk beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan: het verlies van een dierbare, arbeidsongeschikt raken, een baan verliezen, een echtscheiding/uit elkaar gaan, etc. Ouders kunnen door een life event (tijdelijk) niet over eigen kracht beschikken. Dat wil zeggen: het is (deels) ontoereikend.

Causaal verband

Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de benodigde verzorging of begeleiding aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting. Dat wil zeggen dat (dreigende) overbelasting die voortkomt uit te veel uren werken of andere omstandigheden in beginsel door ouders zelf moet worden opgelost, tenzij dit een onverantwoord risico voor de jeugdige oplevert.

Bij de vaststelling van de (dreigende) overbelasting houdt het college rekening met de volgende aspecten:

  • a.

    De behoefte en mogelijkheden van de jeugdige.

  • b.

    De duur van de inzet.

  • c.

    De planbaarheid van de hulp.

  • d.

    De benodigde ondersteuningsintensiteit.

  • e.

    De samenstelling van het gezin en de woonsituatie.

Ad. a. De behoefte en mogelijkheden van de jeugdige

Bij stap 2 en 3 van het stappenplan stelt het college vast:

  • •

    of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,

  • •

    en zo ja, welke problemen en stoornissen dat qua aard en omvang zijn, en

  • •

    welke hulp naar aard en omvang nodig is.

Behoefte van de jeugdige

Het gaat om welke hulp naar aard en omvang nodig is (stap 3 van het stappenplan). Denk aan: toezicht, begeleiding bij of overname van de ADL of begeleiding in de vorm aansturing. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bestaat de behoefte aan jeugdhulp uit behandeling of andere specialistische jeugdhulp waarvoor een gekwalificeerde beroepskracht nodig is, dan valt die hulp niet onder de ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiervoor kan een individuele voorziening worden verleend.

Mogelijkheden jeugdige

Het gaat om de mate waarin de jeugdige:

  • •

    leerbaar is;

  • •

    toezicht nodig heeft;

  • •

    begeleiding nodig heeft in de vorm van aansturing.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Ad. b. De duur van de inzet

Bij de duur gaat het erom hoe lang de jeugdige aangewezen zal zijn op de hulp. Dat is afhankelijk van de problemen en stoornissen. In geval van de oudertaak in de vorm van persoonlijke verzorging en de beoordeling of sprake is van eigen kracht maakt het college gebruik van de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging. Zie bijlage I bij deze beleidsregels. Het college beoordeelt of persoonlijke verzorging qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht.

Ad. c. De planbaarheid van de hulp

Bij stap 3 van het stappenplan is onder meer de aard van de behoefte aan jeugdhulp vastgesteld. Daaruit blijkt ook of de hulp planbaar is.

Ad. d. De benodigde ondersteuningsintensiteit

De ondersteuningsintensiteit wordt mede bepaald door de vastgestelde problemen en stoornissen. Bijvoorbeeld door een ontwikkelingsachterstand of het functioneren op licht verstandelijk (beperkt) niveau. De jeugdige kan aangewezen zijn op hulp die:

  • •

    onplanbaar is wat vraagt om flexibiliteit en voortdurende beschikbaarheid van ouders. Denk aan hulp die ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is;

  • •

    gelet op de aard van de problemen of stoornissen, noodzakelijkerwijs door de ouders geboden moet worden omdat de jeugdige vreemden niet (goed) toelaat en een vaste, vertrouwde en altijd beschikbare ondersteuner vereist is.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Ad. e. De samenstelling van het gezin en de woonsituatie

Een kind met een behoefte aan jeugdhulp kan een zware wissel trekken op het gezin. Denk in dit verband ook aan gezinnen met minderjarige kinderen die geen behoefte aan jeugdhulp hebben of meerderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het gezin. Het college onderzoekt:

  • •

    Is er sprake van twee ouders of is één persoon verantwoordelijk voor de verzorging, begeleiding en opvoeding van de jeugdige(n)?

  • •

    Kunnen er taken worden herverdeeld waardoor de ouder die de verzorging, begeleiding en opvoeding normaal gesproken biedt hierin wordt ontlast?

  • •

    Wat van andere kinderen binnen het gezin kan worden verwacht. Dit is afhankelijk van de leeftijd en het individu. Het ene kind is het andere niet.

  • •

    Of een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, wordt belemmerd in zijn ontwikkeling, moet worden voorkomen.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

3.4 Vervoer locatie jeugdhulp

Artikel 3.1 lid 3 Verordening

Het uitgangspunt is dat de ouder(s) het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie bieden aan de jeugdige (RBOBR:2021:5719, CRVB:2023:655). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken. De verordening bepaalt de afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen in geval van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige voor vervoer. Het niet beschikbaar zijn van ouders vanwege werkzaamheden of het volgen van scholing kan ook reden zijn op grond waarvan het college niet uitgaat van eigen kracht. Dat moet blijken uit een werkgeversverklaring met een weekrooster en werktijden of een lesrooster. Het college beoordeelt nog steeds of er andere oplossingen mogelijk zijn.

3.4.1 Afwegingsfactoren eigen kracht jeugdhulpvervoer

Het college beoordeelt de afwegingsfactoren, al dan niet, in onderlinge samenhang.

1. Eigen mogelijkheden jeugdige

Het college onderzoekt of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Dit onderzoek kan samenlopen met een aanvraag om leerlingenvervoer.

Vergroten zelfredzaamheid jeugdige

Het college onderzoekt of de zelfredzaamheid van de jeugdige kan worden vergroot door het inzetten van een Mee op weg Traject. Het college kan een jeugdige aanmelden voor het project Mee op Weg. Mee op Weg adviseert het college over de mogelijkheid van deelname.

2. Auto of openbaar vervoer

Het gaat hier om de feitelijke mogelijkheid van de ouder(s) om de jeugdige het vervoer te bieden of te begeleiden tijdens het openbaar vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.

Medische problematiek

In geval van medische problematiek van de ouders vraagt het college om medisch advies (niet zijnde de huisarts).

3. Afstand en gemoeide tijd

De tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en te halen speelt vanzelfsprekend ook een rol. Zijn ouders beschikbaar, dan kan nog steeds sprake zijn van eigen kracht. Het college kan ook onderzoeken of een andere passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar is waardoor de reisafstand en de daarmee gemoeide (reis)tijd wordt ingekort. Voor de afstand hanteert het college de routeplanner van de ANWB, optie kortste weg. Neemt het vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulplocatie meer dan vier uur per dag in beslag, dan gaat het college niet uit van eigen kracht, tenzij ouders het vervoer kunnen combineren met andere jeugdigen. Ouders kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de vervoerskosten (zie hierna).

4. Tijdstippen van het vervoer

De tijdstippen van het vervoer hebben met name betrekking op de beschikbaarheid van ouders. Van ouders mag worden verwacht dat eerst zelf een oplossing wordt gezocht in het kader van de eigen kracht. Denk aan overleg met de werkgever over aanpassen van werktijden, overleg met de basisschool om de (eventuele) andere kinderen eerder of later te mogen brengen, hulp vragen aan het netwerk of buren, etc.

5. Frequentie

De frequentie van het vervoer heeft betrekking op de omvang van de indicatie.

6. Draaglast en draagkracht

Het college beoordeelt of er een disbalans is in de draaglast en draagkracht op grond waarvan ouders niet in staat zijn om voor het vervoer te zorgen.

Tegemoetkoming vervoerskosten eigen auto

Voor de tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt aangesloten bij de kilometervergoeding volgens het leerlingenvervoer; ook de lege rit. Het gaat om vergoeding van de ritten die ouders rijden (van huis naar de jeugdhulplocatie). De vergoeding betreft € 0,23 per kilometer. Als meerdere kinderen in hetzelfde gezin vervoerd worden naar dezelfde locatie, geldt de vergoeding één keer. Vervoert een ouder meerder jeugdigen van het eigen gezin of andere gezinnen? Dan wordt de vergoeding berekend op basis van de afstand tussen de woning en jeugdhulplocatie van de verst wonende jeugdige. Het kan gaan om een eigen auto maar ook als ouders gebruik maken van een auto van iemands anders.

Tegemoetkoming kosten Openbaar Vervoer (OV)

Beschikken ouders niet over een auto, dan kunnen de kosten van het OV (tweede klas) in aanmerking komen voor een vergoeding. Het college onderzoekt of de kosten van een railrunnerkaart een passende oplossing zijn. De kosten van de begeleider als van de jeugdige kunnen worden vergoed.

Alleen kosten vervoer

Het gaat alleen om de tegemoetkoming in de kosten van het vervoer en niet de tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en ophalen van de jeugdhulplocatie.

3.5 Aanvullende zorgverzekering

Artikel 3.1 lid 4 Verordening

Een aanvullende zorgverzekering kan onder de eigen kracht vallen wanneer ouders daarover beschikken en de kosten voor de aangewezen hulp daaruit (deels) worden vergoed. Van ouders wordt verwacht dat zij deze verzekering aanspreken.

3.6 Personen uit het sociaal netwerk

Personen uit het sociaal netwerk kunnen een bijdrage leveren aan de oplossing van de ondersteuningsvraag. Dat valt ook binnen de eigen kracht. Van ouders wordt een hoge mate van inspanning verwacht om het sociaal netwerk aan te spreken. Het leren omgaan van het sociaal netwerk met de jeugdige valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid.

3.7 Nadere uitleg en voorbeelden

Dit onderdeel bestaat uit een nadere uitleg van een aantal onderwerpen met voorbeelden.

3.7.1 Ouderlijke verantwoordelijkheid bij zorghandelingen

Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind.

Handelingen die ouderlijke zorghandelingen vervangen

  • •

    het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen;

  • •

    bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

3.7.2 Voorbeelden ouderlijke verantwoordelijkheid persoonlijke verzorging

  • •

    Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar valt onder de normale oudertaak, ook als het om sondevoeding gaat. Dat geldt ook als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten.

  • •

    Voor zover de persoonlijke verzorging van niet-uitstelbare aard is en degene die deze hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind.

  • •

    Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden.

  • •

    Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat.

  • •

    Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

3.7.3 Situatie van ouders

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.

Opvangvraagstuk

Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de benodigde verzorging, begeleiding en opvoeding voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd.

Sociaal Medische Indicatie

Ouders die geen gebruik kunnen maken van de reguliere opvang kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.

Afbakening Wmo 2015 en Jeugdwet

Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan hoeft het college geen jeugdhulp te verlenen. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In zulke gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.

4 Individuele voorzieningen

Hoofdstuk 4 Verordening

4.1 Inleiding

De wettelijke begripsbepaling van jeugdhulp is erg breed en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning, hulp en zorg die gericht is op:

  • •

    het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van specifieke problematiek (jeugdigen en ouders),

  • •

    het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen,

  • •

    het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en/of participatie,

  • •

    het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen.

4.2 Beschikbare individuele voorzieningen en criteria

De individuele jeugdhulp is in de regio gezamenlijk ingekocht (Sociaal Domein Achterhoek). In hoofdstuk 4 van de Verordening is het gecontracteerde aanbod opgenomen en onder welke voorwaarden (criteria) aanspraak bestaat.

5 Persoonsgebonden budget

Artikel 8.1.1 Jw

Hoofdstuk 6 Verordening

Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (tarieven)

5.1 Inleiding

Een pgb is een bedrag waarmee de budgethouder tenminste de geïndiceerde individuele voorziening kan inkopen als wordt voldaan aan de voorwaarden. De wet bepaalt een aantal voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen. Het college moet dit beoordelen (art. 8.1.1 lid 2 en 3 Jw). Tijdens het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag krijgt de jeugdige of zijn ouder(s) voorlichting over de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen (art. 8.1.6 Jw).

5.2 Spoedeisende situatie: geen pgb

Het kan voorkomen dat een vorm van jeugdhulp met spoed moet worden ingezet voordat het college het onderzoek naar de ondersteuningsvraag heeft afgerond. In die gevallen kan een pgb niet aan de orde zijn omdat het onderzoek volgens het stappenplan (nog) niet is uitgevoerd.

5.3 Voldoen aan voorwaarden

Artikel 8.1.1 lid 2 Jw

Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de drie wettelijke voorwaarden:

  • 1.

    De jeugdige of zijn ouder(s) zijn pgb-bekwaam (art. 8.1.1 lid 2 onder a Jw).

  • 2.

    De jeugdige of zijn ouder(s) motiveren waarom een pgb een passende oplossing biedt (art. 8.1.1 lid 2 onder b Jw).

  • 3.

    De in te kopen jeugdhulp is van goede kwaliteit (art. 8.1.1 lid 2 onder c Jw).

De jeugdige of zijn ouder(s) verschaft het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens dan wel verleent zijn medewerking aan het onderzoek (art. 8.1.2 lid 3 Jw, art. 2.6 lid 4 Verordening). De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan.

5.4 Pgb met terugwerkende kracht

Artikel 6.1 lid 2 Verordening

De datum waarop de indicatie ingaat ligt niet voor de datum waarop het college beslist op de aanvraag. Dat brengt mee dat het college niet met terugwerkende kracht kosten vergoed die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. Een uitzondering geldt voor kosten die ná het indienen van de aanvraag worden gemaakt en waarvoor het college toestemming heeft gegeven.

Beoordeling pgb met terugwerkende kracht

Onbekendheid van jeugdigen of ouders met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).

Ingangsdatum jeugdhulp

In het geval een aanvraag wordt gedaan voor jeugdhulp in de vorm van een pgb kan er wel een indicatie worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Bij een pgb-aanvraag geldt dat eerst beoordeeld moet worden of wordt voldaan aan de pgb-voorwaarden. Het college maakt gebruik van een budgetplan (zie hierna).

5.5 Budgetplan

Artikel 6.2 Verordening

Om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden geldt de verplichting om een budgetplan in te dienen. Dat is niet vrijblijvend. Aan jeugdige of zijn ouder(s) die een pgb-aanvraag doet wordt een budgetplan verstrekt. Wordt geen Budgetplan ingediend of is het niet volledig of op juiste wijze ingediend, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Doen zij dat niet of voldoet het (opnieuw) ingediende budgetplan niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden, dan weigert het college het pgb (bijv. CRVB:2021:2748). Er kan niet worden vastgesteld of wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 8.1.1 Jw (vgl. CRVB:2023:1088). Het college kan in dat geval overgaan tot het verstrekken van een individuele voorziening in natura.

Bespreken Budgetplan

Artikel 6.3 Verordening

Het college zal het ingevulde Budgetplan met de budgethouder en eventueel de gewaarborgde hulp bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Verschijnt betrokkene zonder tegenbericht niet, dan nodigt het college betrokkene nogmaals uit. Wordt daaraan wederom geen gehoor gegeven, dan weigert het college het pgb omdat niet kan worden vastgesteld of wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 8.1.1 Jw (vgl. CRVB:2023:1088). Het college kan in dat geval overgaan tot het verstrekken van een individuele voorziening in natura.

5.6 Pgb-vaardigheid

De budgethouder moet pgb-vaardig zijn. Dat wil zeggen: in staat zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren (bijv. CRVB:2021:2575). Bij deze taken wordt in ieder geval gedacht aan het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de ondersteuner op zijn verplichtingen. Het college moet vaststellen of:

  • 1.

    de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd.

  • 2.

    de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld.

5.6.1 Vaststellen pgb-vaardigheid

Het college moet vaststellen of sprake is van pgb-vaardigheid. Daarvoor wordt onderzocht of de jeugdige of zijn ouder(s):

  • 1.

    Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden.

  • 2.

    Weet welke regels er horen bij een pgb.

  • 3.

    Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.

  • 4.

    Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.

  • 5.

    Zelfstandig kan handelen en zelf in staat is voor ondersteuners te kiezen.

  • 6.

    Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan kan houden.

  • 7.

    Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past.

  • 8.

    Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners.

  • 9.

    Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.

  • 10.

    Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Hoe de beoordeling van de pgb-vaardigheid door het college wordt gedaan is mede afhankelijk van de soort individuele voorziening die de jeugdige of zijn ouder(s) wenst in te kopen en aan wie het pgb wordt besteed.

Extra aandacht

Het college besteedt extra aandacht aan de beoordeling van de pgb-bekwaamheden bij ouders/jeugdigen die tot 1 januari 2026 begeleiding inkochten voor minder dan 4 dagen per week (Regeling Dienstverlening aan Huis). Bij een arbeidsovereenkomst gelden namelijk niet alleen de verplichte werknemersverzekeringen, maar ook de reguliere regels voor loondoorbetaling tijdens ziekte, verlof en ontslag. Voor hulp die wordt ingekocht bij familieleden of eerste en tweede graad bloedverwanten verandert er niets. De budgethouder sluit met deze personen geen arbeidsovereenkomst.

5.6.2 Hulp bij pgb-vaardigheid

Is de jeugdige of zijn ouder(s) niet pgb-bekwaam, dan kan iemand worden gemachtigd om dat over te nemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Een vertegenwoordiger kan de budgethouder gewaarborgde hulp bieden (zie begripsbepaling van de Verordening).

Gewaarborgde hulp

De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de jeugdige en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Een vertegenwoordiger kan er ook aan bijdragen dat misbruik van de budgethouder wordt voorkomen. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de intrekking van het pgb-besluit of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.

Eerder niet ingestaan voor nakomen verplichtingen

Artikel 6.3 lid 2 onder a Verordening

Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan:

  • •

    onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin,

  • •

    de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwaliteit.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Alvorens over te gaan tot het weigeren van het pgb stelt het college de budgethouder in de gelegenheid een andere vertegenwoordiger aan te wijzen die de gewaarborgde hulp wel kan bieden.

Geen gewaarborgde hulp

Artikel 6.3 lid 2 onder b Verordening

De jeugdige of zijn ouder(s) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals:

  • •

    de keuze van de jeugdhulpverlener,

  • •

    de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de jeugdhulp, en

  • •

    de financiële verantwoording rondom het pgb.

Blijkt uit onderzoek dat de pgb-vertegenwoordiger niet de gewaarborgde hulp kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere persoon te machtigen die in staat is de pgb-bekwaamheid van de budgethouder over te nemen. Lukt dat niet, dan zal het college het pgb weigeren en een individuele voorziening in natura verlenen.

Jeugdige of ouder(s) budgethouder

Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de pgb-bekwaamheid moeten beschikken om te voldoen aan de aan het pgb verbonden taken. Een jeugdige tussen de 16 en 18 jaar (met eventuele uitloop tot 23 jaar) kan budgethouder zijn. In dat geval is de jeugdige zelf degene die aan de voorwaarden van pgb-bekwaamheid moet voldoen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat ouders tot 18 jaar ook financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen en ook verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde schulden van hen.

Gegrond vermoeden

Het kan voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de jeugdige of zijn ouder(s) problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan:

  • •

    schuldenproblematiek;

  • •

    een gok- of drugsverslaving;

  • •

    niet over een positief sociaal netwerk beschikken;

  • •

    in een hoge mate beïnvloedbaar zijn.

Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de jeugdige of zijn ouders (budgethouder) als derde aan wie het pgb wordt besteed sprake van problematische schulden- of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd.

5.6.3 Rolvermenging

Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen: de vertegenwoordiger is tevens ondersteuner van de jeugdige of zijn ouder(s). Er is sprake van rolvermenging bij de uitvoering van de pgb-taken (vgl. CRVB:2024:1557, CRVB:2024:2412, CRVB:2024:1557).In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Er kan dan immers niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (vgl. CRVB:2019:3761). Het kan ook gaan om een vertegenwoordiger die gelieerd is aan de derde en het met voldoende afstand en kritisch vervullen van de beheerstaken zodanig kan beïnvloeden, dat geen sprake meer is van een verantwoorde uitvoering van die taken (vgl. CRVB:2019:2803). Denk bijvoorbeeld aan een medewerker die bij deze derde in dienst is, de partner van de ondersteuner of een persoon waarmee op een andere manier (zakelijke) verwevenheid bestaat. Daaronder kunnen ook zogeheten makelaarskantoren vallen die bemiddelen in personen aan wie het pgb wordt besteed maar ook de pgb-administratie doen.

Pgb besteden aan een niet-professional

De niet-professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn, tenzij:

  • •

    vast is komen te staan dat deze persoon als enige geschikt is om de aangewezen jeugdhulp te bieden, én

  • •

    er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen.

Pgb besteden aan professionals

De professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn. Dit geldt ook voor iedere aan die ondersteuner gelieerde derde in of buiten de professionele organisatie. Het college maakt hierop geen uitzondering.

Jeugdige is budgethouder

Is de jeugdige budgethouder dan wil hij mogelijk het pgb besteden aan zijn ouder(s). Bij een kind-ouderrelatie is het tegennatuurlijk om de ouder die de ondersteuning biedt aan te sturen en zo nodig bij te sturen. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). In die gevallen wordt geen pgb verstrekt. Het college stelt de budgethouder wel in de gelegenheid om de individuele voorziening bij iemand anders in te kopen.

5.7 Motivatie-eis

De tweede voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb, gaat over de vraag of de jeugdige of zijn ouder(s) hun wens voor een pgb voldoende motiveren. Het gaat om de motivering van het standpunt dat de individuele voorziening in natura, voor hen niet passend is. Uit TK 2013/14, 33 684, nr. 11 blijken de volgende voorbeelden. Als:

  • •

    de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen,

  • •

    de jeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,

  • •

    jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd,

  • •

    het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of

  • •

    als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden.

Oriënteren op natura aanbod

Het college kan de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om aan te tonen dat zij zich hebben georiënteerd op het door het college gecontracteerde aanbod 'in natura' en daarbij aan te geven waarom dat aanbod niet passend is c.q. zij deze niet passend achten. Het college mag daar geen eisen aan stellen. Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouder(s) een motivering geven waaruit blijkt dat zij zich hebben georiënteerd op het gecontracteerde aanbod in natura, is dat in principe voldoende.

5.8 Kwaliteitseisen

Artikel 1.1 (begripsbepalingen) en artikel 6.5 Verordening

De derde en laatste voorwaarde gaat over de beoordeling of de met het pgb geboden individuele voorziening van voldoende kwaliteit is. De verordening bepaalt dat degene aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd voor onder meer de vakbekwaamheid en de inzet van interventies. Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zijn daarvan uitgezonderd. Denk bijvoorbeeld aan rapportageverplichtingen jegens de gemeente. Voor professionals gelden niet dezelfde eisen als voor niet-professionals.

Voor professionals geldt:

  • •

    De vakbekwaamheidseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn ook van toepassing als het pgb aan een professional wordt besteed. Jeugdhulpverleners die begeleiding bieden mogen dat doen onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerd persoon. Gaat het om behandeling dan mag alleen een SKJ- of BIG-geregisteerde jeugdhulpverlener deze jeugdhulp bieden.

  • •

    Ook moeten zij beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) die bij aanvang van de ondersteuning niet ouder is dan 3 maanden volgens screeningsprofiel 84 (belast zijn met de zorg voor minderjarigen). Een VOG wordt elke 5 jaar opnieuw aangevraagd.

  • •

    Professionals beschikken over: kwaliteitsbeleid, een klachtenprotocol, een meldcode in geval van signalen huiselijk geweld of kindermishandeling.

  • •

    Professionals hebben een onverwijlde meldingsplicht jegens de gemeentelijke toezichthouder over calamiteiten en geweld.

  • •

    Verder wordt gewerkt met en volgens bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken.

  • •

    De jeugdhulp sluit aan op het ondersteuningsplan en komt overeen met het Budgetplan.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Niet-professional

Als niet-professionals worden beschouwd: de ouder(s), personen uit het sociaal netwerk en anderen die niet voldoen aan de eisen van een professional (zie begripsbepaling verordening). Als een jeugdige of zijn ouders het pgb wil inzetten voor een niet-professional dan moet dit in het Budgetplan worden onderbouwd. Het is belangrijk dat de niet-professional geen druk op de jeugdige of zijn ouders heeft uitgeoefend bij de besluitvorming rondom het pgb.

Voor niet-professionals geldt

  • •

    de ondersteuner moet in het bezit zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) die bij aanvang van de ondersteuning niet ouder is dan 3 maanden. Hiervan uitgezonderd zijn de ouders van de budgethouder in de zin van de wet. Het moet gaan om een VOG Natuurlijke Personen volgens screeningsprofiel 84 (belast zijn met de zorg voor minderjarigen). Dit screeningsprofiel is leidend met het oog op de veiligheid rondom de jeugdige;

  • •

    de ondersteuner raakt door het bieden van de ondersteuning niet overbelast.

  • •

    Een VOG wordt elke 5 jaar opnieuw aangevraagd.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Bevorderen autonomie jeugdige

De wet is er onder meer op gericht om te zorgen dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat kinderen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de fase van de ontwikkeling van de jeugdige (en zijn beperkingen) kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen. Het college beoordeelt of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat aan het groeien naar zelfstandigheid.

Ouders onderdeel van het gezinssysteem

Het kan voorkomen dat tijdens het onderzoek blijkt dat de ouder(s) bijdragen aan het instandhouden van de problemen omdat zij er een (wezenlijk) onderdeel van uitmaken. Het pgb mag in die gevallen niet aan de ouder(s) worden besteed.

Voor professionals en niet-professionals geldt nog het volgende.

Voldoende afstand

Het college beoordeelt of er sprake is van voldoende (professionele) afstand tussen de professional of niet-professional aan wie het pgb wordt besteed en de jeugdige. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de jeugdige kan deze (professionele) afstand een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat met de jeugdhulp moet worden bereikt. Zo kan te veel emotionele betrokkenheid van de ondersteuner een negatief effect hebben op de relatie tussen jeugdige en ondersteuner. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de ondersteuner. Ook kan het voorkomen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin of personen uit het sociaal netwerk. Dat kan de (professionele) kijk op de jeugdige of zijn ouders vertroebelen.

Doeltreffendheid pgb

Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een pgb in te kopen jeugdhulp speelt ook een rol of de in te kopen individuele voorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het pgb in te kopen ondersteuning effectief moet zijn om dat doel te bereiken. De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is, gelet op de directe relatie, om de zelfredzaamheid van de jeugdige te versterken door hem iets aan te leren. Het kan aannemelijk zijn dat het aanleren van activiteiten meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat.

Reguliere werkweek

Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de ondersteuner de noodzakelijke omvang van de ondersteuning wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij Zzp’ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een Zzp’er zal namelijk ook door andere ouder(s) of jeugdigen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen.

5.9 Besteding pgb

Artikel 6.4 Verordening

Voor de budgethouder geldt een ruime bestedingsvrijheid (vgl. CRVB:2018:819). Dat wil zeggen: het hoeft niet besteed te worden aan de geïndiceerde individuele voorziening in natura. Het pgb moet wel worden besteed in overeenstemming met het doel waarvoor het wordt verstrekt. Dat heeft te maken met de indicatie die bij stap 5 van het stappenplan is vastgesteld.

Aangewezen op professionele ondersteuning

Het pgb mag daarom niet aan niet-professionele ondersteuners worden besteed als professionele ondersteuning is aangewezen.

Eigen kracht en overbelasting

Artikel 6.4 lid 1 Verordening

De verordening bepaalt dat het pgb niet mag worden besteed aan de ouder(s) als:

  • •

    het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen kracht;

  • •

    de ouder(s) overbelast zijn of dreigen te geraken.

Het college stelt in het individuele geval vast of daar sprake van is. Zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.

Specialistische jeugdhulp

Artikel 6.4 lid 3 Verordening

Bij een indicatie voor specialistische jeugdhulp en behandeling is niet toegestaan om het pgb te besteden aan de ouder(s) of andere personen uit het sociaal netwerk. Dit los van de vraag of zij daartoe beroepshalve gekwalificeerd zijn. Voor specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen met voldoende professionele afstand om zo objectief en onafhankelijk te kunnen handelen. Ouders of personen uit het sociaal netwerk hebben deze professionele afstand niet omdat zij vanuit hun hoedanigheid (te veel) betrokken zijn op de jeugdige.

Besteding pgb sociaal netwerk

Artikel 6.4 lid 4 Verordening

Uit het verzoek om een pgb kan blijken dat de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb wensen te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals: de ouder(s) van de jeugdige, een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De verordening bepaalt dat het pgb alleen aan hen mag worden besteed als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is. Het ligt op de weg van de jeugdige of zijn ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het Budgetplan.

Beoordeling aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger

Uit de informatie die de jeugdige of zijn ouder(s) overleggen, moet duidelijk worden dat de besteding van het pgb aan de ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk, eenvoudig gezegd, uiteindelijk tot een beter resultaat zal leiden. Dit ten opzichte van de inzet in natura. Dat kan het geval zijn als de persoon uit het sociaal netwerk, volgens een deskundige, de meest aangewezen persoon is om de jeugdhulp te bieden. Dit gelet op de problematiek van de jeugdige. Het kan ook te maken hebben met de aangewezen jeugdhulp, die:

  • •

    niet goed vooraf is in te plannen,

  • •

    op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,

  • •

    op verschillende locaties moet worden geleverd,

  • •

    op afroep te organiseren moet zijn,

  • •

    door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden,

  • •

    door de jeugdige gemotiveerd wordt geaccepteerd.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Kortdurend

Gaat het om het aanleren van activiteiten, dan is aannemelijk dat dit meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat. Dat geldt vooral als de te verstrekken ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn. Dit kan bijv. aan de orde zijn als de jeugdige leerbaar is. Het college kan zich dan op het standpunt stellen dat gecontracteerde professionele ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval zes maanden verstaan (vgl. ook CRVB:2011:BU3228).

Besteden binnen de termijn

Artikel 6.4 lid 5 Verordening

Verder bepaalt de verordening de termijn waarbinnen het pgb moet zijn besteed. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.

5.10 Afsluiten overeenkomst diensten

Artikel 6.2 lid 2 Verordening

De budgethouder moet een (model)overeenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gebruiken die past bij de situatie (art. 8a lid 2 Regeling Jeugdwet). Die wordt ter goedkeuring aan de SVB én het college voorgelegd (art. 3 Regeling Jeugdwet). In de overeenkomst worden onder meer de afspraken over het aantal te leveren uren en uurtarieven vastgelegd.

5.11 Beleidskeuzen: kostensoorten en declareren (diensten)

Artikel 6.4 lid 2 Verordening

Het college is bevoegd tot het vaststellen van beleidskeuzes voor wat betreft kostensoorten of betalingen uit het pgb. Het gaat om de volgende beleidskeuzes.

Geen vast maandloon

Declaratie van het pgb vindt plaats op basis van een factuur waarop de ondersteuning in tijd wordt gedeclareerd. Betaling van een vast maandloon is niet toegestaan.

Verantwoordingsvrij bedrag

Er wordt geen gebruik gemaakt van een verantwoordingsvrij bedrag.

Feestdagenuitkering

Er wordt geen gebruik gemaakt van een Feestdagenuitkering.

Eenmalige uitkering

Er wordt geen gebruik gemaakt van een eenmalige uitkering.

Overlijden budgethouder

In geval van overlijden van de budgethouder kan bij een indicatie nog een declaratie worden uitbetaald uit het nog beschikbare pgb. Het gaat om een van rechtswege stoppen van een overeenkomst vanwege overlijden.

Kostensoorten

Het pgb mag niet worden besteed aan:

  • •

    bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers),

  • •

    het voeren van een pgb-administratie,

  • •

    ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het persoonsgebonden budget,

  • •

    contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo),

  • •

    het volgen van cursussen over het persoonsgebonden budget,

  • •

    een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

Verblijf buiten de gemeente of buitenland

De wet bepaalt dat jeugdhulp bestemd is voor in Nederland verblijvende jeugdigen. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in artikel 1.2 van de Verordening.

5.12 Overige weigeringsgronden

Er zijn nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb.

1. Duurdere individuele voorziening (artikel 8.1.1 lid 4 onderdeel a Jw)

Het kan voorkomen dat de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een duurdere individuele voorziening dan waar het college de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de jeugdige of zijn ouder(s) het meerdere van de kosten daarvan zelf moet betalen. Het meerdere dat aan de individuele voorziening wordt besteed wordt dan door het college geweigerd. Let wel ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat het college de kwaliteit daarvan mag beoordelen, maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de jeugdige of zijn ouder(s) wel in staat is om duurdere jeugdhulp te bekostigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) niet bereid is het meerdere zelf te betalen, kan het college overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Dit met het oog op de bevoegdheid van het college om te beoordelen of aan de (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan.

Bijstorten

De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art. 8 lid 6 Regeling Jeugdwet). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van maatschappelijke ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders.

2. Pgb-besluit eerder ingetrokken (artikel 8.1.1 lid 4 onderdeel b Jw )

Als de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb wenst, gaat het college na of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 onderdeel a, d of e Jw). Er wordt gesproken van een zogeheten preventieve weigering. Het gaat over:

  • •

    het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing zou hebben geleid,

  • •

    het niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of

  • •

    het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt.

Gaat het om een vervolgaanvraag pgb en stelt het college vast dat zich bij deze aanvraag nog steeds feiten of omstandigheden voordoen die aanleiding waren om het eerdere pgb in te trekken, dan weigert het college het pgb (CRVB:2026:46). Het gaat om een verkorte procedure.

5.13 Hoogte pgb

Artikel 6.6 Verordening

De verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb van een voorziening voor jeugdhulp wordt vastgesteld. Daarbij gelden gedifferentieerde tarieven voor:

  • •

    jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie en die als Zzp’er werkzaam zijn,

  • •

    personen uit het sociaal netwerk en andere personen die niet als professional worden aangemerkt.

Begripsbepalingen

In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een Zzp’er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief. Eisen van vakbekwaamheid en de juiste VOG zijn daar onderdeel van.

Budgetplan

Blijkt uit het Budgetplan dat bij een professional voor een lager bedrag jeugdhulp kan worden ingekocht, dan gaat het college uit van dat bedrag (art. 6.6 lid 3 Verordening).

6 Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik

Hoofdstuk 7 Verordening

6.1 Inleiding

De Jeugdwet schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de jeugdhulp (tenzij de Inspectie daartoe bevoegd is) of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd.

Op het college rust een voorlichtingsplicht om tijdens het onderzoek de jeugdige of zijn ouder(s) te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rust in de eerste plaats bij de budgethouder. Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder, maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan of een aan een derde gelieerde (rechts)persoon. Voor de gecontracteerde aanbieders verlopen de regels over de gevolgen via een civiele procedure. Dit hoofdstuk heeft daarom voornamelijk betrekking op de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed.

6.2 Voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik

Op het college rust een voorlichtingsplicht om jeugdigen en ouders tijdens het onderzoek te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (fraudepreventie). In de beschikking staan de rechten en plichten van de cliënt genoemd (natura of pgb). De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rust in de eerste plaats bij de budgethouder.

6.3 Controle pgb

Ter aanvulling op het trekkingsrecht zal het college via een steekproef bij jeugdige of ouder(s) de pgb-administratie (onder meer facturen en betalingsbewijzen) controleren en zo nagaan of het pgb besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Bij de controle beoordeelt het college ook of de budgethouder nog voldoet aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen.

6.3.1 Besteding pgb binnen de termijn

De budgethouder besteedt het toegekende pgb binnen de termijn zoals genoemd in het toekenningsbesluit. Wordt die termijn overschreden dan onderzoekt het college wat de reden daarvan is.

6.4 Onderzoeksbevoegdheid college

Het college is op grond van art. 7.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning, tenzij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd daartoe bevoegd is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. Dit op basis van de contractafspraken die zijn gemaakt. De gevolgen van wat in een onderzoek naar voren is gekomen in geval van gecontracteerde aanbieders worden middels een civiele procedure afgedaan. Daarom wordt daar in deze beleidsregels geen aandacht aan besteed. De onderzoeksbevoegdheden gelden ook in geval van een pgb. De jeugdhulpaanbieder, budgethouder of de derde aan wie het pgb wordt besteed is desgevraagd verplicht om medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 7.4 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden.

6.5 Opschorting betaling uit het pgb

Artikel 7.5 Verordening

Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Het college kan de SVB verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de SVB en er aanleiding is om de SVB te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college wel een reden hebben. Dat wil zeggen: er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4 lid 1 onder a, d of e Jw.

Jeugdige, ouders of derde

Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn.

Onderzoek

Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden.

Handelen of nalaten

Het gaat om de volgende drie verplichtingen en/of voorwaarden.

1. Gegevens (inlichtingenplicht)

Art. 8.1.4 lid 1 onder a Jw heeft betrekking op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de jeugdige of zijn ouder(s) die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid.

2. Voorwaarden

Art. 8.1.4 lid 1 onder d Jw heeft betrekking op de jeugdige of zijn ouder(s) die niet voldoet aan de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden.

3. Gebruik

Art. 8.1.4 lid 1 onder e Jw heeft betrekking op de jeugdige of zijn ouders die het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn:

  • •

    Een door de SVB -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het budgetplan. Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst.

  • •

    Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen.

  • •

    Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie).

  • •

    Een (plotselinge) toename van het aantal jeugdigen waar een derde ondersteuning aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt.

Schriftelijke kennisgeving

Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de jeugdige of zijn ouder(s) in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de jeugdige of zijn ouder(s), dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. De uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de jeugdige of zijn ouder(s) tegen de opschorting van de betaling van het pgb rechtsmiddelen kan inzetten. In de rechtspraak is nog niet uitgesproken of de opschorting van de betaling als besluit moet worden aangemerkt.

7 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terugvordering en invordering

Artikel 8.1.3 Jeugdwet

Artikel 4.16 Verordening

Hoofdstuk 8 Verordening

7.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen van een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de jeugdige of zijn ouder(s) om op verzoek van het college, maar ook uit eigen beweging, relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid (kan-bepaling) gaat, zal een belangenafweging moeten plaatsvinden waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid.

7.2 Heroverweging besluit

Het college is bevoegd om besluiten (natura en pgb) periodiek te heroverwegen. De wet schrijft niet voor wanneer het college dat moet doen. Het is aan het college om daar een inschatting van te maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstreken; het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarin ondersteuning is toegekend. Dat wil ook zeggen dat de beoordeling of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb onderdeel kan zijn van de heroverweging.

Wel of geen nieuw besluit

Nadat het college een bestaand besluit heeft heroverwogen, kan daar een ander (nieuw) besluit op volgen, maar dat hoeft niet. Dat ligt vanzelfsprekend aan de uitkomst van de heroverweging. Het bestaande besluit kan dus intact blijven, maar kan ook worden herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 Jw of art. 8.2 lid 2 Verordening als de jeugdhulp in natura wordt verstrekt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de jeugdige aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz of in de situatie dat de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouder(s) is gewijzigd.

7.3 Beleidsuitgangspunt

Het college hanteert als uitgangspunt dat als er geen recht, slechts een gedeeltelijk recht of een gewijzigd recht bestaat op jeugdhulp dat in principe gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om over te gaan tot: beëindiging, herziening of intrekking van het recht. In het geval van de terugvordering van het pgb of de kosten van de individuele voorziening in natura geldt dat de terugvordering een noodzakelijk en geschikt middel is om het gerechtvaardigde doel (de besteding van gelden) te bereiken (vgl. CRVB:2022:2207). Het college weegt wel ook nog de belangen (evenredigheidsbeginsel). Het belang van het college is gelegen in de juiste besteding van de beschikbare middelen voor jeugdhulp.

Kenbare belangenafweging

De besluitvorming bevat in ieder geval een kenbare belangenafweging (CRVB:2024:1565). Dat wil zeggen: uit het besluit moet duidelijk blijken welke belangen op welke manier zijn gewogen en hebben geleid tot de bevoegdheid tot terugvordering. Zie verder 8.8 van dit hoofdstuk.

7.4 Beëindiging

Artikel 8.1 Verordening

Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. De beëindiging van de individuele voorziening of het pgb kan het gevolg zijn van de heroverweging van het besluit. Andere voorbeelden zijn: verhuizing naar een andere gemeente, het woonplaatsbeginsel is niet meer van toepassing, het niet meer aangewezen zijn op ondersteuning of het overlijden van de jeugdige.

Datum beëindiging

De datum waarop het besluit wordt beëindigd is afhankelijk van de situatie.

Overlijden

Wanneer de jeugdige aan wie (voor wie) een pgb is verstrekt is overleden, kunnen gedurende de maand van overlijden nog betalingen door de SVB worden gedaan uit het nog beschikbare (resterende) pgb. Dat wil zeggen dat de jeugdhulp die tot en met de dag van het overlijden is geboden, nog kan worden gedeclareerd.

7.5 Herziening of intrekking

Artikel 8.2 Verordening

Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.

Aanleiding

De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan, kan liggen in:

  • •

    het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarbij de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

  • •

    het niet voldoen aan de aan de individuele voorziening of het pgb verbonden voorwaarden,

  • •

    het niet of voor een ander doel gebruiken van de individuele voorziening of het pgb.

Het college beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a, d of e Jw dan wel art. 8.2 lid 2 Verordening).

7.6 Terugvordering: schending inlichtingenplicht

Artikel 8.3 Verordening

Art. 8.1.4 lid 3 Jw bepaalt feitelijk de bevoegdheid van het college tot het (geheel of gedeeltelijk) terugvorderen van een pgb als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a Jw (CRVB:2023:223). Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om de kosten van een geboden individuele voorziening in natura terug te vorderen, voorziet de verordening daar in (art. 8.3 lid 1 Verordening). De terugvordering bestaat uit het bedrag van de facturen die het college daarvoor (ten onrechte) aan de jeugdhulpaanbieder heeft betaald.

Wijziging art. 8.1.4 lid 3 Jw

Het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b wijzigt art. 8.1.4 lid 3 Jw. Op het moment van inwerkingtreding geldt dat het college de kosten van een pgb alleen van de jeugdige of ouders kan terugvorderen als in de periode waarop de terugvordering betrekking heeft sprake is van een opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting (art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a Jw).

7.7 Terugvordering: overig

Artikel 8.3 lid 1 en 2 Verordening

Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk:

  • 1.

    bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de individuele voorziening of het pgb,

  • 2.

    als de individuele voorziening of het pgb niet wordt gebruikt of voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt,

  • 3.

    bij een onverschuldigde betaling.

Ad. 1 Niet voldoen aan de voorwaarden

Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder d Jw of art. 8.2 lid 2 Verordening als de jeugdhulp in natura wordt verstrekt. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit.

Ad. 2 Niet of voor een ander doel gebruikt

Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder e Jw. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit.

Ad. 3 Onverschuldigde betaling

Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de SVB (zie art. 8.1.8 Jw), of het college in geval van mandaat. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura worden verstaan (art. 8.3 lid 2 Verordening). Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in het geval van het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige of zijn ouder(s) kan worden teruggevorderd, niets aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.

Bevoegdheid

Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de jeugdige of zijn ouder(s) redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte:

  • •

    jeugdhulp in natura is geboden,

  • •

    het pgb werd uitbetaald.

Zelfstandig terugvorderingsbesluit

Het gaat bij het terugvorderen van de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen.

7.8 Belangenafweging

Degene op wie wordt teruggevorderd moet omstandigheden (belangen) aanvoeren die het college mee kan wegen in de besluitvorming. De rol van het college speelt hierbij ook een rol. Bijvoorbeeld te lang stilzitten waardoor de terugvordering (onnodig) is opgelopen, de onderzoeks- en besluitvormingsperiode is onnodig lang geweest of een ander aandeel van het college. De belangenafweging kan betrekking hebben op suïcidaal gedrag of het niet (meer) tot stand komen van een minnelijk schuldsaneringstraject (vergelijk CRVB:2020:832, CRVB:2021:1475, CRVB:2024:726). Het kan ook gaan om onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene (CRVB:2015:4067). Daarbij wordt wel opgemerkt dat de bescherming van de beslagvrije voet maakt dat er, volgens de rechtspraak vóór de nieuwe toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, praktisch gezien vrijwel nooit sprake kan zijn van onaanvaardbare financiële consequenties (CRVB:2016:3749). Een aannemelijk gemaakte uitzichtloze situatie maakt onderdeel uit van de belangenafweging. Dat zal afhankelijk zijn van de hoogte van de terugvordering al dan niet in combinatie met andere schulden die betrokkene heeft.

7.9 Verjaringstermijn

Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling, begint op het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2021:2962).

7.10 Invordering

De jeugdige of zijn ouder(s) is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de jeugdige of zijn ouder(s) zich houdt aan de vast te stellen aflossingsregeling (art. 4:94 Awb). Als de jeugdige of zijn ouder(s) zich niet houdt aan de aflossingsregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de jeugdige of zijn ouder(s) nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 8.1.4 lid 3 Jw en art. 8.3 lid 3 Verordening).

Terugvorderen van de jeugdige

In het geval dat de jeugdige (jonger dan 18 jaar) budgethouder is en het college voornemens is tot terugvordering over te gaan, dan geldt nog het volgende. Het kan zijn dat niet de jeugdige maar zijn ouder(s) verantwoordelijk zijn voor deze schuld. In dat geval gaat het college niet over tot invordering.

7.11 Kwijtschelding

De Jeugdwet kent geen bepalingen over de mogelijkheid tot kwijtschelding van geldschulden. Dat betekent dat de regels van de Awb van toepassing zijn (art. 4:94a Awb). Het college kan een geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijtschelden indien de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen.

8 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    De beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    De Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2022 worden per die datum ingetrokken.

  • 3.

    De Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2022 blijven van toepassing op genomen besluiten gedurende de looptijd van het betreffende besluit. Dit laat onverlet dat het college in alle gevallen bevoegd is om heronderzoek te doen, waarmee het oude besluit kan worden beëindigd en er een nieuw besluit wordt genomen conform de op dat moment geldende beleidsregels.

  • 4.

    De beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld te Didam op 6 oktober 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland,

de secretaris:

B.F.M. Booltink

de burgemeester:

A.C.V. Fellinger

Bijlage I Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling wat de omvang van deze hulp is en of deze in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden.

Activiteiten persoonlijke verzorging

Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit

Richtlijn gemiddelde tijd per keer in minuten

Richtlijn maximale frequentie per dag

1.1

Zich wassen

Delen van het lichaam

10

1x

Gehele lichaam

20

1x

1.2

Zich aankleden

Volledig aankleden/uitkleden2

15

2x

Gedeeltelijk uitkleden

10

1x

Gedeeltelijk aankleden

10

1x

1.3

In en uit bed gaan

Hulp bij uit bed komen3

10

1x

Hulp bij in bed gaan

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

1.4

Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding)

-

20

Naar noodzaak

1.5

Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen

-

15

Naar noodzaak

1.6

Eten en drinken

Hulp bij broodmaaltijd excl. drinken

10

2x

Hulp bij warme maaltijd excl. drinken

15

1x

Hulp bij drinken

10

6x

1.7

Ondersteuning bij uitscheiding

Stomaverzorging bij lokaal intacte huid

20

Naar noodzaak

Stomazakje wisselen

10

Naar noodzaak

Katheterzaak legen /wisselen

10

Naar noodzaak

Uritip aanbrengen

15

Naar noodzaak

Klysma microlax

15

Naar noodzaak

1.8

Sondevoeding

Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en afkoppelen)

20

Naar noodzaak

Sondevoeding toedienen bij kinderen

40

Naar noodzaak

Sondevoeding via PEG

40

Naar noodzaak

1.9

Medicatie

Medicijnen aanreiken4

5

Naar noodzaak

Medicijnen toedienen (oraal/via sonde)

55

Naar noodzaak

Aanbrengen medicinale pleister

5

Naar noodzaak

Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal)

10

Naar noodzaak

Vernevelen

20

Naar noodzaak

2.1

Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid

Zorg voor tanden

5

2x

Zorg voor haren

5

1x

Zorg voor nagels

5

1 x per week

Scheren

10

1x

Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties

10

Naar noodzaak

Zalven van de intacte huid

10

Naar noodzaak

Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid)

10

Naar noodzaak

Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter, tracheastoma6 , sonde)

10

Naar noodzaak

Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden

10 (hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken)

6x per dag

2.2

Aanbrengen / verwijderen prothese7

Aanbrengen prothese/hulpmiddel

15

1x

Verwijderen prothese/hulpmiddel

15

1x

Aanbrengen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Aanbrengen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

   

  


Noot
1

Handelingen II 2018/19, 33 836, nr. 45, p. 2.

Noot
2

Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan.

Noot
3

Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa.

Noot
4

Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort.

Noot
5

De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren.

Noot
6

Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordt dan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule.

Noot
7

Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld.