Participatieverordening Gemeente Nijkerk 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 09-10-2026

Intitulé

Participatieverordening Gemeente Nijkerk 2026

De raad van de gemeente Nijkerk;

gelezen het collegevoorstel van 12 mei 2026;

gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet;

b e s l u i t vast te stellen:

De Participatieverordening Gemeente Nijkerk 2026

Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen

Artikel 1 Definitie

  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      beleid: vaste gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

    • b.

      bestuursorgaan: het bevoegde orgaan; afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

    • c.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk;

    • d.

      raad: de gemeenteraad van de gemeente Nijkerk;

    • e.

      inspraak: de gelegenheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening (zienswijze) te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

    • f.

      participatiebeleid: het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid van de gemeente Nijkerk, zoals dat geldt op het moment van toepassing;

    • g.

      inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

    • h.

      participatieplan: een door het bestuursorgaan vast te stellen plan voor inwonersparticipatie;

    • i.

      participatieladder: het instrument in het participatiebeleid dat laat zien hoeveel ruimte gegeven wordt om mee te denken of mee te doen;

    • j.

      inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

    • k.

      maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, en andere organisaties zonder winstoogmerk die een collectief vormen en die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente Nijkerk;

    • l.

      verzoeker: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht doet;

    • m.

      uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om een verzoek te doen om de uitvoering van een gemeentelijke taak over te kunnen en mogen nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1. Deze verordening is van toepassing op beleid, opgaven en taken van de gemeente Nijkerk.

  • 2. De verordening is niet van toepassing, indien inwonersparticipatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten.

  • 3. De verordening is niet van toepassing indien toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, of uitvoering van de taak door een ander dan het gemeentebestuur in strijd zou zijn met het recht.

Hoofdstuk 2 Inwonersparticipatie

Artikel 3 Besluit tot toepassen van inwonersparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan besluit voor zijn eigen beleid of en op welke wijze inwonersparticipatie wordt toegepast.

  • 2. Er vindt geen inwonersparticipatie plaats als:

    • a.

      het betreft een ondergeschikte herziening van eerder vastgesteld beleid of van een lopend uitvoerings- of evaluatietraject;

    • b.

      inwonersparticipatie bij of krachtens een wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      de uitkomst van inwonersparticipatie vanwege spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

    • d.

      de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

    • e.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij de gemeente geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • f.

      het gaat om interne of organisatorische zaken van de gemeente;

    • g.

      het gaat over de inhoud van de gemeentebegroting, tarieven voor gemeentelijke diensten en belastingen; of

    • h.

      inwonersparticipatie in de gegeven situatie naar het oordeel van het bestuursorgaan om andere reden niet passend of zinvol is.

Artikel 4 Plan voor inwonersparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een plan voor inwonersparticipatie (hierna: participatieplan) vast, zoals hieronder nader is aangegeven. Dit plan dient in lijn te zijn met het participatiebeleid. In het plan staan het proces, de eventuele ondersteuning en de planning van de inwonersparticipatie.

  • 2. Als het college de besluitvorming voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college - afhankelijk van wat het meest passend is - het participatieplan vast binnen de door de raad gestelde kaders en informeert de gemeenteraad over de inhoud, of legt het ter vaststelling aan de raad voor.

  • 3. Het bestuursorgaan maakt het participatieplan uiterlijk binnen twee weken na vaststelling openbaar, tenzij er op grond van de Wet open overheid een reden is om het participatieplan geheel of gedeeltelijk niet openbaar te maken.

  • 4. De vorm van het participatieplan is vrij. Het kan een apart document zijn, of een participatieparagraaf in een beleidsstuk, projectplan of plan van aanpak.

  • 5. Het participatieplan bevat in ieder geval:

    • a.

      een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

    • b.

      informatie over het doel, het te hanteren niveau van de participatieladder, de aanpak en het proces, de planning van de inwonersparticipatie en de wijze van verwerking en terugkoppeling;

    • c.

      informatie over de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid;

    • d.

      de participatieruimte en kaders;

    • e.

      taak en rolverdeling: wie organiseert de inwonersparticipatie (de gemeente of een initiatiefnemer).

  • 6. Als sprake is van beleid met hoge impact dan informeert het college de gemeenteraad tijdig over (de hoofdlijnen van) het participatieplan, of legt - afhankelijk van wat het meest passend is - het participatieplan ter vaststelling aan de raad voor.

  • 7. Onder beleid met hoge impact wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      aanzienlijke financiële gevolgen of financiële keuzes die kaderstelling of besluitvorming door de gemeenteraad vragen;

    • b.

      substantiële effecten op de fysieke leefomgeving;

    • c.

      substantiële maatschappelijke gevolgen voor inwoners, waaronder gevolgen voor ondersteuning, zorg, participatie of bestaanszekerheid;

    • d.

      politiek bestuurlijke gevoeligheid.

  • 8. Het college bepaalt de wijze en het moment van informeren zodanig dat de gemeenteraad zijn kaderstellende en controlerende rol tijdig kan uitoefenen.

  • 9. Als sprake is van lage of geen impact, dan hoeft er geen afzonderlijk participatieplan te worden vastgesteld. Het bestuursorgaan motiveert de keuze kort in de beschrijving van de participatieaanpak, of - indien de raad het verantwoordelijk bestuursorgaan is - in het raadsvoorstel of in een raadsinformatiebrief.

Artikel 5 Inspraak

  • 1. Als een bestuursorgaan in het kader van inwonersparticipatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere procedure vaststelt.

Artikel 6 Eindverslag voor inwonersparticipatie

  • 1. Na afronding van de inwonersparticipatie stelt het bestuursorgaan een eindverslag op..

  • 2. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag zo spoedig mogelijk openbaar op een manier die past bij het onderwerp en de doelgroep. Het bestuursorgaan informeert deelnemers waar het eindverslag te vinden is. Als (delen van) het eindverslag niet openbaar kunnen worden gemaakt, licht het bestuursorgaan dat kort toe en maakt het in elk geval een samenvatting openbaar.

  • 3. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      doel en invloed: doel van de participatie en niveau op de participatieladder;

    • b.

      participatieruimte en kaders: wat stond vast (wet/beleid/budget) en op welke concrete onderwerpen konden deelnemers invloed uitoefenen;

    • c.

      betrokkenen: wie konden meedoen (belanghebbenden en specifieke doelgroepen).

    • d.

      aanpak en planning: welke werkvormen zijn ingezet en wat was de globale tijdlijn;

    • e.

      opbrengst en weging: de inbreng op hoofdlijnen; wat is wel en niet overgenomen en waarom;

    • f.

      besluit en vervolg: wie neemt wanneer welk besluit, wat zijn de vervolgstappen en hoe is er teruggekoppeld.

  • 4. Het bestuursorgaan bepaalt de omvang en vorm van het eindverslag in verhouding tot de impact van het beleid.

    Als sprake is van lage of geen impact, kan - in afwijking van het bepaalde in lid 3 - volstaan worden met een beknopte verslaglegging.

  • 5. Als de gemeenteraad het bevoegde bestuursorgaan is, draagt het college zorg voor het opstellen van het participatieverslag en voegt dit bij het raadsvoorstel of als dat passend is in een raadsinformatiebrief.

Hoofdstuk 3 Uitdaagrecht

Artikel 7 Verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een schriftelijk of digitaal verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indienen.

  • 2. De verzoeker maakt gebruik van het door het college vastgestelde formulier.

  • 3. Het verzoek bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van de gemeentelijke taak waarop het verzoek ziet;

    • b.

      het doel en de meerwaarde van de overname (bijvoorbeeld betere kwaliteit, lagere kosten of aantoonbare maatschappelijke waarde);

    • c.

      een korte uitwerking van aanpak en looptijd, inclusief benodigde middelen en een globale begroting;

    • d.

      een beschrijving van de betrokkenheid van belanghebbenden, de manier van samenwerken en als dat van toepassing is, de ondersteuning die nodig is vanuit de gemeente;

    • e.

      aandacht voor continuïteit, kwaliteit, risico’s en verantwoording (toezicht/monitoring);

    • f.

      de gegevens van de verzoeker (naam, rechtsvorm (als dit van toepassing is), vestigingsplaats en contactgegevens); en een korte duiding van de relevante kennis/ervaring;

    • g.

      een indicatie van maatschappelijk draagvlak bijvoorbeeld met steunbetuigingen of van betrokken partners.

  • 4. Het college kan naan aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

  • 5. Het college bevestigt de ontvangst binnen twee weken en wijst desgewenst een contactpersoon aan.

  • 6. Als gegevens ontbreken, kan het college de verzoeker op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid stellen het verzoek binnen een door het college gestelde termijn aan te vullen. Als het verzoek niet tijdig wordt aangevuld, kan het college besluiten het verzoek niet te behandelen.

Artikel 8 Ondersteuning verzoeker

  • 1. Het college draagt binnen redelijke grenzen zorg voor ondersteuning van degene die een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wil indienen of heeft ingediend.

  • 2. De ondersteuning omvat in elk geval: uitleg over de procedure en beoordelingscriteria, een (digitaal) aanvraagformulier, toelichting op welke gegevens nodig zijn en een eerste verkennend gesprek. Desgevraagd wijst het college een contactpersoon aan als vast aanspreekpunt.

  • 3. De verzoeker kan in zijn verzoek aangeven welke samenwerking met de gemeente en welke ondersteuning hij nodig acht; het college weegt dit bij de verdere afhandeling.

Artikel 9 Beoordeling verzoek uitdaagrecht

  • 1. Het college zendt het verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te beslissen en informeert de verzoeker hierover. Als de gemeenteraad op het verzoek moet beslissen, bereidt het college de besluitvorming van de gemeenteraad over het verzoek voor.

  • 2. Het bestuursorgaan gaat met de verzoeker in gesprek en onderzoekt samen of het verzoek haalbaar is. Op basis daarvan maken partijen afspraken over de vervolgstappen.

  • 3. Het bestuursorgaan wijst een verzoek af als:

    • a.

      de taak zich niet leent voor overdracht, omdat de uitvoering (mede) bestaat uit het nemen van besluiten of het uitoefenen van publiekrechtelijke bevoegdheden, of omdat het gaat om interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente, waaronder in ieder geval taken op het terrein van openbare orde en veiligheid, vergunningverlening, toezicht en handhaving, en het ontwerpen en vaststellen van regelgeving;

    • b.

      de taak wordt uitgevoerd in het kader van regionale samenwerking;

    • c.

      het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid of financiële kaders;

    • d.

      het verzoek betrekking heeft op een taak waarvoor een aanbestedingsprocedure is gestart of aangekondigd;

    • e.

      de taak al is opgedragen aan een derde op grond van een lopende overeenkomst, tenzij wijziging of beëindiging rechtmatig mogelijk is en dit niet leidt tot strijd met het aanbestedingsrecht;

    • f.

      de geraamde totale waarde van de uitvoering van de taak, inclusief opties en verlengingen, gelijk is aan of hoger is dan de geldende Europese drempelwaarde als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012; of

    • g.

      uitvoering van de taak door aanvrager niet mogelijk is binnen de geldende wet- en regelgeving.

  • 4. Het bestuursorgaan kan een verzoek afwijzen als:

    • a.

      niet aannemelijk is dat de taak met toepassing van het uitdaagrecht beter en/of tegen lagere kosten zal worden uitgevoerd;

    • b.

      er onvoldoende draagvlak is bij omwonenden of andere belanghebbenden;

    • c.

      het verzoek naar het oordeel van het bestuursorgaan financieel, juridisch of praktisch niet haalbaar is;

    • d.

      het belang van toepassing van het uitdaagrecht niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de bescherming van kwetsbare inwoners;

    • e.

      uitvoering van de taak door aanvrager naar het oordeel van het bestuursorgaan onomkeerbare negatieve gevolgen kan hebben voor de gemeentelijke organisatie; of

    • f.

      het belang bij toepassing van het uitdaagrecht naar het oordeel van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang dat de gemeente de betreffende taak zelf uitvoert of regulier aanbesteedt.

  • 5. Het bestuursorgaan neemt binnen twaalf weken na ontvangst van het volledige verzoek een gemotiveerd besluit. Deze besluittermijn kan met vier weken worden verdaagd. Bij complexe verzoeken kan het bestuursorgaan na overleg met de verzoeker een afwijkende termijn vaststellen.

  • 6. Toewijzing van een verzoek schept geen recht op opdrachtverlening of verlening van subsidie. Het bestuursorgaan handelt in overeenstemming met het aanbestedingsrecht, de subsidieregels en het staatssteunrecht. In de toewijzing kunnen voorwaarden worden opgenomen.

  • 7. Het bestuursorgaan maakt het besluit en de onderbouwing binnen veertien dagen openbaar na de besluitvorming, met inachtneming van de regels over openbaarmaking en privacy.

Artikel 10 Uitvoering taak

  • 1. Als het bestuursorgaan het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de verzoeker afspraken over:

    • a.

      het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak;

    • b.

      de kwaliteitseisen en de wijze waarop de uitvoering wordt voortgezet als dat nodig is;

    • c.

      het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak;

    • d.

      het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan, waaronder de aanwijzing van een vaste contactpersoon;

    • e.

      de wijze waarop toezicht wordt gehouden en hoe de verzoeker verantwoording aflegt;

    • f.

      de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds wijzigen of beëindigen van de uitvoering van de taak;

    • g.

      de evaluatie van de uitvoering van de taak.

  • 2. Het bestuursorgaan en de verzoeker leggen de afspraken schriftelijk vast.

  • 3. Als dat nodig is voor een goede uitvoering worden in de schriftelijke vastlegging ook afspraken opgenomen over verantwoordelijkheden, aansprakelijkheid en verzekeringen.

Hoofdstuk 4 – Slotbepalingen

Artikel 11 Participatieparagraaf

  • 1. Het college neemt jaarlijks in de begroting een participatieparagraaf op waarin de speerpunten voor participatie in het komende jaar worden benoemd.

  • 2. Het college stelt jaarlijks een tussenrapportage participatie op. In de tussenrapportage staat in ieder geval:

    • a.

      een overzicht van de uitgevoerde participatietrajecten;

    • b.

      welke resultaten zijn bereikt;

    • c.

      wat is geleerd;

    • d.

      hoe die opbrengsten doorwerken in toekomstig beleid.

  • 3. Het college zendt de tussenrapportage ter informatie aan de gemeenteraad en maakt deze openbaar, voor zover wet- en regelgeving dit toelaat.

  • 4. Het college werkt de manier van monitoren en rapporteren stapsgewijs verder uit en beschrijft in de tussenrapportage welke verbeterstappen zijn gezet.

Artikel 12 Evaluatie en doorontwikkeling

  • 1. Het college evalueert de uitvoering van deze verordening binnen twee jaar na de inwerkingtreding en zendt een verslag over de werking en de effecten aan de gemeenteraad.

  • 2. In de evaluatie wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      de ervaringen met inwonersparticipatie en het uitdaagrecht;

    • b.

      de voortgang van monitoring en rapportage;

    • c.

      de vraag of en hoe bepalingen over overheidsparticipatie in de verordening kunnen worden opgenomen.

  • 3. Het college doet op basis van de evaluatie zo nodig een voorstel aan de gemeenteraad tot wijziging van deze verordening.

Artikel 13 Nadere regels college

  • 1. Het college kan nadere regels vaststellen over de uitvoering van deze verordening.

Artikel 14 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Inspraakverordening, vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2005 wordt ingetrokken.

  • 2. De Inspraakverordening, bedoeld in het eerste lid, blijft van toepassing op inspraakprocedures die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van de Inspraakverordening zijn gestart, totdat die procedures zijn afgerond.

Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking in het elektronisch gemeenteblad.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Gemeente Nijkerk 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nijkerk van 24 september 2026,

de griffier,

mevrouw A.G. Verhoef-Franken

de voorzitter,

mevrouw T.T.E. de Jonge-Ruitenbeek

TOELICHTING

Algemeen deel

Nijkerk: een gemeente die samenwerkt

De gemeente Nijkerk wil een overheid zijn die ruimte biedt, uitdaagt en zich, als dat gepast is, laat uitdagen. Men gelooft dat plannen en besluiten beter worden als deze gemaakt worden samen met inwoners, belanghebbenden, ondernemers en maatschappelijke partners. Zij kennen hun eigen buurt of vakgebied immers het beste. Daarom denkt en werkt de gemeente omgevingsbewust: men wil weten wat er in de samenleving speelt en daar eerlijk naar luisteren.

Aanleiding en wettelijke basis

Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203). Deze wet wijzigt artikel 150 van de Gemeentewet en verplicht gemeenten om inwoners en maatschappelijke partijen niet alleen bij de voorbereiding, maar ook bij de uitvoering en evaluatie van beleid te betrekken. Daarnaast introduceert de wet het uitdaagrecht, waarmee inwoners en maatschappelijke partijen het initiatief kunnen nemen om gemeentelijke taken over te nemen. De wet beoogt het draagvlak voor gemeentelijk beleid te vergroten en de lokale democratie te versterken. Gemeenten staan voor complexe maatschappelijke opgaven, zoals duurzaamheid, leefbaarheid en inclusie. Vroegtijdige en betekenisvolle participatie draagt bij betere plannen en besluitvorming, het versterken van gemeenschappen en sociale samenhang en betere relaties en samenwerking.

Van inspraak naar participatie

De wet markeert een overgang van een klassieke inspraakverordening naar een bredere participatieverordening. Waar inspraak vooral gericht was op het geven van zienswijzen bij beleidsvoornemens, richt participatie zich op samenwerking in alle fasen van beleid: voorbereiding, uitvoering én evaluatie. Deze verordening sluit aan bij deze verbreding en biedt ruimte voor diverse vormen van participatie, zoals consulteren, coproduceren, samenwerken en delegeren.

Doel en werking van de verordening

Deze verordening legt de spelregels vast voor inwonersparticipatie en het uitdaagrecht in de gemeente Nijkerk.

Het doel is om helderheid en transparantie te bieden over het participatieproces en de rolverdeling tussen gemeente en samenleving. Ook helpt de verordening om beleid en projecten beter uitvoerbaar te maken, door ideeën en zorgen van betrokkenen vroegtijdig zichtbaar te maken.

Participatie

Participatie is maatwerk. Niet elk onderwerp leent zich op dezelfde manier voor inwonersparticipatie. Daarom bepaalt elk bestuursorgaan, binnen de eigen taken en bevoegdheden, of inwonersparticipatie wordt toegepast. Als er wordt afgezien van inwonersparticipatie, moet dit gemotiveerd worden.

Uitdaagrecht

De verordening voorziet ook in een nieuw onderdeel, ‘het uitdaagrecht’. Dit is het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om een verzoek te doen om de uitvoering van een gemeentelijke taak over te kunnen en mogen nemen. Het gaat vooral om situaties waarin inwoners of maatschappelijke partijen een specifieke taak beter en/of goedkoper kunnen uitvoeren.

Dit kan bijdragen aan gemeenschapszin, betrokkenheid en het goed benutten van potentieel uit de lokale samenleving. In de verordening is het uitdaagrecht daarom als serieuze optie uitgewerkt. De gemeente laat zich graag uitdagen als dat gelet op de taak waar het om gaat, passend is.

‘Beter en/of goedkoper’ kunnen niet als enige bepalend zijn voor de vraag of de gemeente de uitvoering van een bepaalde taak kan en wil overdragen aan inwoners of maatschappelijke partijen. Hierbij spelen ook andere overwegingen een rol, zoals bijvoorbeeld wettelijke verantwoordelijkheid, democratische sturing en controle, flexibiliteit, belang van continuïteit, personele en organisatorische aspecten, mededingingsregels m.b.t. inkoop en geldverstrekking e.d.

Daarom is in de verordening het bestuurlijk primaat via toetsbare uitzonderingsmogelijkheden gewaarborgd, waarbij ook alle belangen goed kunnen worden afgewogen bij de beslissing of met een verzoek kan worden ingestemd.

Voor inwoners en maatschappelijke partijen wordt het speelveld voor het uitdaagrecht daarmee ook duidelijk afgebakend.

Keuze voor VNG-model variant 1 en groeipad naar variant 2

De gemeente Nijkerk kiest in deze verordening voor VNG-model variant 1: inwonersparticipatie (op initiatief van de gemeente) en het uitdaagrecht. Dat past bij waar de organisatie nu staat en bij de wens om eerst heldere, uitvoerbare basisregels vast te leggen. In variant 1 is voor inwoners, ondernemers, belanghebbenden en maatschappelijke partners duidelijk wat inwonersparticipatie is, hoe de gemeente een participatieproces (met een plan) voorbereidt en hoe de gemeente na afloop (met een eindverslag) terugkoppelt. Ook is geregeld hoe een verzoek voor het uitdaagrecht wordt ingediend, beoordeeld en uitgevoerd, met aandacht voor rechtmatigheid (zoals aanbestedings- en staatssteunregels).

De VNG biedt gemeenten twee varianten aan, waarbij variant 2 verder gaat en ook overheidsparticipatie (initiatieven vanuit de samenleving) in de verordening verankert. De VNG benadrukt dat gemeenten een keuze maken die past bij de lokale omstandigheden. Nijkerk kiest daarom nu voor variant 1 en werkt de komende periode stapsgewijs aan een verdere professionalisering. Dat sluit aan bij het participatiebeleid, waarin is opgenomen dat de gemeente jaarlijks een tussenrapportage maakt over wat er is gebeurd, wat is geleerd en hoe dit doorwerkt; en dat de monitoring en rapportage verder worden opgebouwd.

Nijkerk wil in de komende jaren eventueel een volgende stap maken, naar een verordening waarin ook overheidsparticipatie een plek heeft (variant 2). Daarom bevat de huidige verordening een bepaling over evaluatie en doorontwikkeling: het college evalueert binnen twee jaar de uitvoering van de verordening en betrekt daarin expliciet de vraag of en hoe bepalingen over overheidsparticipatie kunnen worden opgenomen. Op basis van die evaluatie kan het college al dan niet een voorstel doen aan de gemeenteraad, om de verordening te wijzigen.

Verhouding tot andere wetgeving

Deze verordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld op grond van artikel 149 en 150 van de Gemeentewet.

De Algemene wet bestuursrecht blijft van toepassing. Als een bestuursorgaan voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, geldt afdeling 3.4 Awb, tenzij het bestuursorgaan een andere procedure vaststelt.

Voor onderwerpen in de fysieke leefomgeving gelden daarnaast regels uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit Waar dat in deze verordening is opgenomen, past het bestuursorgaan deze verordening daarbij zoveel mogelijk toe en neemt het de motiveringsplicht uit het Omgevingsbesluit in acht.

Let op: deze verordening is niet in alle gevallen van toepassing. Als een andere wet een eigen participatieregeling geeft of regeling van het uitdaagrecht, dan gaat die voor. Een belangrijk voorbeeld is de omgevingsvergunning; daar is in principe de initiatiefnemer aan zet en is deze verordening niet het passende kader.

Als bij of op basis van wet een specifieke regeling of procedure geldt, volgt het bestuursorgaan die regeling. Voorbeelden hiervan zijn: artikel 2.6.7 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 6, vijfde lid, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen[1]. Deze verordening wordt dan toegepast voor zover die wet ruimte laat voor aanvulling bij verordening.

Het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht en staatssteunrecht niet opzij; toewijzing schept geen recht op opdrachtverlening.

Plannen, verslagen en besluiten worden openbaar gemaakt met inachtneming van de regels over openbaarheid en privacy. Bekendmaken kan bijvoorbeeld via een brief aan direct belanghebbenden, de gemeentepagina, de website of een bericht in een lokaal kanaal. De gemeente kiest de vorm die past bij het project

Relatie met beleid en uitvoering in Nijkerk

Het participatiebeleid van Nijkerk benadrukt een zorgvuldige, transparante en lerende werkwijze. Het opstellen en uitvoeren van de participatieverordening is onderdeel van die ontwikkeling. De gemeente werkt hierbij in overleg met inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en de gemeenteraad. De verordening geeft de juridische basis; het beleid en de uitvoering geven invulling aan de werkwijze en de instrumenten die daarbij worden gebruikt.

Artikelsgewijze toelichting

Aanhef

De overwegingen in de aanhef beschrijven wat het doel is van deze verordening. Deze overwegingen helpen om steeds bewuste keuzes te maken over participatie: wat is het doel, welke participatievorm wordt gekozen, hoe verloopt de procedure, wie doen er mee en hoeveel invloed is er echt. Dit sluit aan bij het participatiebeleid van de gemeente Nijkerk. De verordening legt vooral de spelregels en verwachtingen vast.

De doelstelling benadrukt daarom vier dingen: duidelijkheid over proces en rollen, betere plannen door vroege inbreng, vertrouwen door duidelijke invloed en ruimte voor initiatief en eigenaarschap in de samenleving.

Het artikel geeft richting aan de toepassing van de rest van de verordening, bijvoorbeeld bij het opstellen van het participatieplan en het eindverslag, en bij verzoeken rond het uitdaagrecht.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In artikel 1 staan definities van woorden die in deze verordening vaak terugkomen. De gemeente sluit hierbij aan bij de modelverordening van de VNG en het participatiebeleid van de gemeente Nijkerk. In het participatiebeleid staat al een begrippenlijst met extra uitleg. Daarom worden hier alleen begrippen toegelicht waar in de praktijk snel verwarring over kan ontstaan.

1. Beleid

Met “beleid” wordt breed begrip bedoelt. Het gaat niet alleen om een beleidsnota, maar bijvoorbeeld ook om een project, programma of plan van de gemeente.

2. Bestuursorgaan

Waar in deze verordening bestuursorgaan staat, wordt bedoeld het bestuursorgaan dat bevoegd is om over het betreffende beleid of de betreffende taak te besluiten.

3. Participatiebeleid

Het participatiebeleid geeft richting aan de uitvoering; de rechten en plichten volgen uit deze verordening.

4. Inwonersparticipatie

Inwonersparticipatie gaat over participatie die de gemeente start. Inwonersparticipatie richt zich met name op inwoners en belanghebbenden. In de praktijk kan het bestuursorgaan, als dat past bij het onderwerp en de doelgroep, ook ondernemers en maatschappelijke partners betrekken. Dit verandert niets aan de toepasselijke regels voor inkoop en aanbesteding.

5. Uitdaagrecht

Het uitdaagrecht is het recht het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om een verzoek te doen om de uitvoering van een gemeentelijke taak over te kunnen en mogen nemen. In de Gemeentewet is dit gekoppeld aan artikel 150, derde lid.

Artikel 2 Reikwijdte

Dit artikel legt uit wanneer deze verordening geldt.

Artikel 3 Besluit tot toepassen van inwonersparticipatie

Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of inwonersparticipatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behalve in gevallen waarin de wet tot participatie verplicht.

Het uitgangspunt is maatwerk. Bij die afweging kijkt de gemeente, in lijn met het participatiebeleid, naar onder andere impact, gevoeligheid en de ruimte voor invloed. Als er geen echte ruimte is om iets met de inbreng te doen, dan is de gemeente daar eerlijk over. Men wil schijnparticipatie voorkomen.

In dit artikel staan een aantal uitzonderingen geformuleerd (de uitsluitingsgronden), om evenwichtigheid en proportionaliteit te bewaren en onrealistische verwachtingen te voorkomen. Het gaat dan om gevallen waarin participatie niet passend of niet mogelijk. Die gronden helpen om participatie proportioneel te organiseren. Als het bestuursorgaan een uitsluitingsgrond gebruikt, motiveert het waarom participatie achterwege blijft of waarom voor een lichtere vorm wordt gekozen.

Deze verordening gaat over inwonersparticipatie die de gemeente zelf organiseert bij beleid, projecten en processen. Bij ruimtelijke initiatieven van derden onder de Omgevingswet kan de initiatiefnemer de omgeving betrekken. Bij een vergunningaanvraag moet de initiatiefnemer altijd aangeven of participatie is gedaan en wat de uitkomsten zijn. De gemeenteraad heeft voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa) participatie als verplicht aanvraagvereiste aangewezen. De gemeente blijft altijd verantwoordelijk voor een zorgvuldige afweging en correcte besluitvorming bij de uiteindelijk te nemen beslissing.

Als de wet participatie verplicht stelt, volgt de gemeente die wettelijke regels. Voor omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s gelden bijvoorbeeld specifieke regels uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit.

Artikel 4 Plan voor inwonersparticipatie

Artikel 4 regelt dat het bestuursorgaan vóór de start een plan voor inwonersparticipatie (hierna: participatieplan) maakt. Daarin staat wat het doel is, waarover mensen invloed hebben en hoe het proces verloopt. Het plan wordt op tijd openbaar gemaakt, zodat iedereen weet wat hij kan verwachten. Bekendmaken kan bijvoorbeeld via een brief aan direct belanghebbenden, de gemeentepagina, het gemeenteblad, de website of een bericht in een lokaal kanaal. De gemeente kiest de vorm die past bij het project.

De vorm van het plan is vrij. Het kan een apart document zijn, maar ook een participatieparagraaf in een beleidsstuk, projectplan of plan van aanpak. Belangrijk is dat voor deelnemers duidelijk is waar het plan te vinden is en wat zij kunnen verwachten.

De onderdelen die “in elk geval” in het plan moeten staan, zijn de minimumeisen. Ze sluiten aan bij het participatiebeleid van Nijkerk en helpen om vooraf heldere afspraken te maken over doel en invloed, kaders, taak en rolverdeling, wie meedoet, de aanpak, de planning en de verwerking en terugkoppeling. In de uitvoeringspraktijk kan de gemeente hiervoor werken met een format, maar dat is niet verplicht. Het format maakt onderdeel uit van de gemeentelijke toolbox.

Bij het opstellen van het participatieplan gebruikt het bestuursorgaan de Keuzehulp participatie. Dit hulpmiddel hoort bij de participatietoolbox en sluit aan op het participatiebeleid van de gemeente. De Keuzehulp bestaat uit een korte vragenlijst met een scoretabel. De uitkomst geeft een richtinggevend advies over de gewenste intensiteit van het participatieproces en het passende niveau op de participatieladder. De score heeft signaalwaarde. Het is geen automatisch besluit en niet bindend. Het bestuursorgaan weegt de uitkomst altijd af tegen de inhoud en context van het beleid of project, en tegen de ruimte voor invloed. De Keuzehulp helpt om bewuste keuzes te maken en om die keuzes later goed uit te kunnen leggen, bijvoorbeeld in het plan en eindverslag

Als het college een voorstel voorbereidt waarover de gemeenteraad besluit en het beleid hoge impact heeft, informeert het college de raad tijdig over de inhoud van het participatieplan, of legt het ter vaststelling aan de raad voor, zodat de raad zijn rol goed kan uitoefenen. De criteria voor “hoge impact” sluiten aan bij de factoren uit de Nijkerkse aanpak (impact, gevoeligheid, complexiteit en beschikbare beslisruimte) en benoemen expliciet ook maatschappelijke gevolgen, waaronder het sociaal domein.

Artikel 5 Inspraak

Inspraak is een meer formeel traject in het kader waarvan inwoners en andere belanghebbenden de gelegenheid krijgen om hun mening te geven over een ontwerpbesluit m.b.t. beleid of plannen. In deze verordening sluit dit aan bij artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is één van de manieren waarop participatie vormgegeven kan worden. Zij wordt vooral ingezet als de wet dit vraagt of als het bestuursorgaan dit passend vindt. Dit is dus niet de standaard werkwijze voor elk participatietraject. Vaak start een traject met een of meer andere vormen van participatie; inspraak kan dan later eventueel nog als sluitstuk dienen.

Als het bestuursorgaan voor inspraak kiest, of als inspraak verplicht is, geldt in beginsel afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Het bestuursorgaan legt dan een ontwerp ter inzage en maakt dit bekend. Belanghebbenden krijgen minimaal zes weken om schriftelijk of mondeling te reageren (een zienswijze).

Het bestuursorgaan kan gemotiveerd een andere inspraakprocedure vaststellen als afdeling 3.4 in een concreet geval niet passend is. Inspraak kan ook naast andere vormen van inwonersparticipatie plaatsvinden.

In het participatiebeleid van Nijkerk worden de participatieladder en de Keuzehulp gebruikt, om te bepalen welke aanpak past. Inspraak is daarbij een formele stap die - indien van toepassing - onderdeel zal zijn van de beschrijving van de participatieaanpak.

Artikel 6 Eindverslag voor inwonersparticipatie

Dit artikel gaat over de verslaglegging na inwonersparticipatie die de gemeente zelf organiseert. Het bestuursorgaan stelt na afloop van inwonersparticipatie een eindverslag op en maakt dit openbaar. In het eindverslag staat kort en duidelijk wat het doel was, hoeveel invloed deelnemers hadden, welke kaders vaststonden, wie konden meedoen, hoe het proces is verlopen en wat de belangrijkste opbrengsten zijn. Ook staat erin wat met de inbreng is gedaan: wat is overgenomen, wat niet, en waarom.

In de praktijk is participatie vaak onderdeel van een langer traject. Daarom is het eindverslag gekoppeld aan de afronding van een participatiefase of participatiemoment zoals beschreven in het participatieplan.

Het eindverslag kan een apart document zijn, maar kan ook (kort) worden opgenomen in het besluitvormingsdocument, bijvoorbeeld als participatieparagraaf.

Openbaar maken gebeurt op een manier die past bij het onderwerp en de doelgroep, bijvoorbeeld via de gemeentelijke website of projectpagina en door deelnemers te informeren waar het verslag te vinden is.

Bij beleid met lage of geen impact is een apart eindverslag niet altijd nodig. Dan kan een korte participatieparagraaf in het besluitvormingsdocument volstaan, met een motivering.

Het eindverslag sluit aan op het participatieplan (artikel 4) en helpt om transparant terug te koppelen en om als gemeente te leren, onder andere in de jaarlijkse tussenrapportage participatie.

Artikel 7 Verzoek toepassing uitdaagrecht

Het bestuursorgaan (gemeenteraad, college of burgemeester) beslist of voor een taak een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht kan worden gedaan.

Dit artikel beschrijft hoe inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek kunnen indienen om de uitvoering van een gemeentelijke taak (al dan niet tijdelijk) over te kunnen en mogen nemen. Het verzoek wordt centraal bij het college ingediend. Dat maakt het indienen laagdrempelig en zorgt voor één herkenbaar aanspreekpunt. Daarom werkt de gemeente met een (digitaal) formulier.

In het verzoek staat in elk geval wat de taak is, wat de verzoeker wil bereiken en waarom dit meerwaarde heeft. Ook vraagt de gemeente om een korte uitwerking van de aanpak en een globale begroting, informatie over kwaliteit en continuïteit, en een indicatie van draagvlak. Deze informatie is nodig om het verzoek zorgvuldig en toetsbaar te kunnen beoordelen. Als gegevens ontbreken, kan het college vragen om aanvulling.

Het uitdaagrecht is bedoeld om ruimte te geven aan initiatief en eigenaarschap, maar vervangt de regels voor inkoop/aanbesteding, subsidieverlening en staatssteun niet. Toewijzing betekent dus niet automatisch dat een opdracht wordt gegund of subsidie wordt verleend.

Artikel 8 Ondersteuning verzoeker

Dit artikel zorgt ervoor dat het uitdaagrecht in de praktijk makkelijk bereikbaar is. Niet iedereen weet welke stappen nodig zijn of welke informatie bij een verzoek hoort. Daarom biedt de gemeente ondersteuning aan, zodat inwoners, en maatschappelijke partijen een verzoek goed kunnen voorbereiden en indienen. De ondersteuning bestaat bijvoorbeeld uit duidelijke uitleg over de procedure en de beoordelingscriteria, een (digitaal) formulier en een eerste gesprek. Waar nodig wijst het college een contactpersoon aan als vast aanspreekpunt.

De ondersteuning is onpartijdig en transparant. Dit betekent ook dat ondersteuning geen voorrang geeft en geen garantie is dat een verzoek wordt toegewezen. Bij de beoordeling en eventuele toewijzing blijft de gemeente gebonden aan de geldende regels, zoals regels over inkoop, aanbesteding en staatssteun.

Artikel 9 Beoordeling verzoek uitdaagrecht

Artikel 9 legt uit hoe de gemeente een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht beoordeelt. Het college ontvangt het verzoek en zendt het door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om te beslissen, bijvoorbeeld het college of de gemeenteraad. Als de gemeenteraad moet beslissen, bereidt het college die besluitvorming voor.

Het bevoegde bestuursorgaan beoordeelt het verzoek aan de hand van vaste punten. Er wordt onder meer gekeken of het verzoek past binnen het gemeentelijk beleid en de regels, of het aantoonbaar meerwaarde heeft voor de lokale samenleving en in verhouding staat tot de uitvoeringslast, en of het draagvlak past bij de taak. Ook wordt gekeken of de uitvoering kwalitatief goed is en kan doorgaan als dat nodig is, of de aanpak uitvoerbaar is en de belangrijkste risico’s en randvoorwaarden in beeld zijn, en of uitvoering mogelijk is binnen de wet. Daarbij horen ook regels over inkoop en aanbesteding, subsidie en staatssteun. Bij de haalbaarheid kan het bestuursorgaan ook kijken naar financiële en juridische gevolgen, zoals risico’s, aansprakelijkheid en verzekerbaarheid, als die belangrijk zijn voor de uitvoering.

6. Altijd geldende uitzonderingen

In dit artikel staan ook afwijzingsgronden. In sommige situaties moet het bestuursorgaan het verzoek afwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld als de taak wordt uitgevoerd in het kader van regionale samenwerking.

Verder als er al een aanbesteding is gestart of aangekondigd, als er een lopend contract is (tenzij aanpassen of stoppen juridisch mag en niet in strijd is met het aanbestedingsrecht), of als het geraamde totale waarde gelijk is aan of hoger is dan de Europese drempelwaarde. Zo voorkomt de gemeente dat het uitdaagrecht wordt gebruikt op een manier die niet past binnen de aanbestedingsregels.

7. Uitzonderingsmogelijkheden die het bestuursorgaan kan toepassen

In andere situaties kan het bestuursorgaan afwijzen. Dan weegt het bestuursorgaan de betrokken belangen en omstandigheden. Bijvoorbeeld als toepassing van het uitdaagrecht niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de bescherming van kwetsbare inwoners. Verder onder meer in het geval dat er onvoldoende draagvlak is of als het verzoek financieel, juridisch of praktisch niet haalbaar is.

Democratische sturing en verantwoording zijn via toetsbare uitzonderingsmogelijkheden gewaarborgd, waarbij ook alle belangen goed kunnen worden afgewogen.

De gemeente gaat met de verzoeker in gesprek en verkent wat nodig is om het verzoek goed te beoordelen. Als het verzoek kansrijk is, bespreekt de gemeente met verzoeker ook welke randvoorwaarden en afspraken nodig zijn voor een zorgvuldige uitvoering, eventueel samen met maatschappelijk partners. Daarna neemt het bestuursorgaan binnen de termijnen uit de verordening een gemotiveerd besluit. Het besluit wordt openbaar gemaakt met inachtneming van de regels over privacy en openbaarmaking.

Artikel 10 Uitvoering taak

Dit artikel gaat over wat er gebeurt als het bestuursorgaan een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst. Toewijzing betekent dat de gemeente en de verzoeker vooraf duidelijke afspraken maken over de uitvoering van de taak. Zo is voor beide partijen helder wat er wordt gedaan, welk resultaat wordt verwacht, welke kwaliteit nodig is en hoe lang de uitvoering duurt.

In de afspraken staat ook hoe de uitvoering wordt gefinancierd. Daarbij maken partijen duidelijke afspraken over het maximaal beschikbare budget, wanneer en hoe wordt betaald en welke informatie nodig is voor verantwoording en een eindafrekening. Als de gemeente de uitvoering (mede) financiert via een subsidie of een andere beschikking, gelden daarbij de regels die bij dat instrument horen, waaronder de mogelijkheid dat bedragen worden aangepast bij de vaststelling en dat in bepaalde gevallen terugbetaling of terugvordering aan de orde kunnen zijn.

Verder spreken partijen af wie het vaste aanspreekpunt is, hoe het contact loopt, hoe toezicht en verantwoording werken en hoe en wanneer de uitvoering wordt geëvalueerd.

Als afspraken niet worden nagekomen is het uitgangspunt dat de gemeente en de verzoeker eerst met elkaar in gesprek gaan. In dat gesprek wordt bekeken wat er aan de hand is en welke herstelafspraken nodig zijn. Pas als dat niet tot een oplossing leidt, worden de vervolgstappen toegepast die vooraf zijn afgesproken. Denk aan het aanpassen van afspraken, het (tijdelijk) stoppen of het beëindigen van de uitvoering van de taak.

De afspraken worden schriftelijk vastgelegd. Meestal gebeurt dat in een overeenkomst. Afhankelijk van de gekozen financieringswijze en het toepasselijke juridische kader, kan daarnaast ook een beschikking nodig zijn. Als dat nodig is voor een goede uitvoering, worden in de schriftelijke vastlegging ook afspraken opgenomen over verantwoordelijkheden, aansprakelijkheid en verzekeringen. Soms blijft de gemeente daarbij (mede) aansprakelijk (risicoaansprakelijkheid). In dat geval maken partijen ook afspraken over maatregelen om risico’s zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 11 Participatieparagraaf

Dit artikel maakt participatie zichtbaar in de planning en de verantwoording van de gemeente. In de begroting neemt het college jaarlijks een participatieparagraaf op met de speerpunten voor het komende jaar. Daarmee is voor raad en samenleving duidelijk waar de gemeente op inzet en kan hierop worden gestuurd.

Nijkerk kiest daarnaast voor een jaarlijkse tussenrapportage participatie. In die tussenrapportage staat wat er is gebeurd, wat is geleerd en hoe die opbrengsten doorwerken in toekomstig beleid. Ook bevat de tussenrapportage een overzicht van uitgevoerde participatietrajecten. Het college bespreekt dit met de gemeenteraad en maakt de tussenrapportage daarna openbaar. In lijn met het participatiebeleid ligt in de eerste periode ook nadruk op het stapsgewijs verbeteren van monitoring en rapportage.

Artikel 12 Evaluatie en doorontwikkeling

Met dit artikel spreekt de gemeente af dat het college binnen twee jaar kijkt hoe de participatieverordening in de praktijk werkt. Het college stuurt hierover een verslag aan de gemeenteraad. Zo kan de raad beoordelen of de verordening doet wat ermee bedoeld is en waar verbetering nodig is.

In de evaluatie gaat het in elk geval om de ervaringen met inwonersparticipatie en het uitdaagrecht, en om de voortgang van monitoring en rapportage. De jaarlijkse tussenrapportage helpt daarbij als basis; die laat zien wat is gedaan, wat is geleerd en welke verbeterstappen zijn gezet.

De evaluatie kijkt ook vooruit. Nijkerk wil stap voor stap toewerken naar een volgende fase, waarin overheidsparticipatie een plek kan krijgen in de verordening. Als de evaluatie daar aanleiding toe geeft, doet het college een voorstel aan de gemeenteraad om de verordening aan te passen.

Artikel 13 Nadere regels college

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om praktische regels vast te stellen voor de uitvoering van deze verordening. Het gaat dan om een nadere uitwerking van de werkwijze, bijvoorbeeld over het gebruik van formulieren en welke gegevens nodig zijn bij een verzoek (zoals bij het uitdaagrecht), of over de uitwerking van afspraken rond het participatieplan en het informeren van de gemeenteraad.

De nadere regels mogen niet in strijd zijn met deze verordening of met hogere wetgeving. Het college maakt de nadere regels openbaar, zodat voor iedereen duidelijk is welke werkwijze de gemeente hanteert.

Aansluitend op het participatiebeleid gebruikt Nijkerk hierbij ook ondersteunende hulpmiddelen, zoals de Keuzehulp en de toolbox. Deze helpen om keuzes te onderbouwen.

Artikel 14 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Met dit artikel trekt de gemeente de oude inspraakverordening in. Dat past bij de wijziging in de Gemeentewet, waarbij gemeenten een participatieverordening vaststellen in plaats van een inspraakverordening.

Het tweede lid regelt het overgangsrecht. Als vóór de inwerkingtreding van deze verordening al een inspraak- of participatieprocedure op grond van de oude verordening is gestart, blijft die oude verordening daarop van toepassing. Voor participatieprocessen die pas ná de inwerkingtreding starten, geldt deze nieuwe verordening. Dit geeft duidelijkheid en voorkomt onzekerheid tijdens de overgang.

Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel regelt vanaf wanneer deze verordening geldt. De verordening gaat pas in na bekendmaking. In deze verordening is gekozen voor de datum die in lid 1 is opgenomen. De citeertitel (lid 2) is de korte naam die de gemeente gebruikt in besluit