Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767341
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767341/1
Geldend van 06-10-2026 t/m heden
Samenvatting
Aanleiding voor het Programma Water en Riolering
De gemeenteraad stelde in december 2021 de Omgevingsvisie Goirle vast. De raad heeft hiermee de kaders gesteld voor vast te stellen Omgevingsprogramma’s. Het vorige Programma Water en Riolering was geldig van 2021 tot 2025.
De gemeente Goirle wil, ondanks dat een Programma facultatief is, verantwoording blijven afleggen over de manier waarop invulling wordt gegeven aan de gemeentelijke taken en de benodigde middelen en kostendekking die daarmee gepaard gaan. De gemeente doet dit in de vorm van dit Programma Water en Riolering 2026-2030.
Doel van dit Programma Water en Riolering
Het doel van dit Programma Water en Riolering is uit te leggen hoe de gemeente invulling geeft aan de ambities uit de Omgevingsvisie en haar taken voor afvalwater, regenwater en grondwater uitvoert. Daarbij geeft de gemeente aan welke doelen zij daarbij heeft en welke maatregelen de gemeente neemt om die doelen te behalen. Aangegeven wordt hoeveel personeel de gemeente daarvoor nodig heeft en tot slot wat de rioolheffing moet zijn om alles uit te voeren.
Uitvoering van het vorige Programma
Gebleken is dat het in het vorige programma vastgelegde beleid de afgelopen jaren goed toepasbaar was in de praktijk. Het beleid behoeft weinig aanpassing. Het vorige programma bevatte vier Kritische Prestatie Indicatoren op het gebied van water op straat, klimaat, vuiluitworp en mate van verstening. Deze zijn niet eenduidig te controleren maar de verwachting is wel dat de situatie ten opzichte van 2020 is verbeterd ten aanzien van de KPI’s, omdat er diverse maatregelen uitgevoerd zijn. Een deel van de maatregelen in het programma is nog niet uitgevoerd of in voorbereiding. Dit is vooral een gevolg van capaciteitsgebrek.
Doelen Programma Water en Riolering
De gemeentelijke ambities zijn samengevat in drie hoofddoelen voor dit Programma Water en riolering:
-
a.
Een gezonde leefomgeving – het waarborgen van de volksgezondheid door een doelmatige inzameling en verwerking van afvalwater en het verbeteren van de waterkwaliteit;
-
b.
Droge voeten – het voorkomen en beperken van wateroverlast en het vergroten van de robuustheid van het stedelijk watersysteem;
-
c.
Bodem en water sturend – het hanteren van water en bodem als leidende principes bij ruimtelijke keuzes, ter bevordering van een duurzame inrichting van de leefomgeving.
De gemeente zorgt voor een betrouwbaar en doelmatig rioolstelsel, waarbij afval- en hemelwater zoveel mogelijk worden gescheiden. Dit voorkomt overbelasting van het riool en draagt bij aan een betere waterkwaliteit. Bedrijfsafvalwater en tijdelijke lozingen zijn slechts onder voorwaarden toegestaan. Bij structurele grondwaterproblemen neemt de gemeente maatregelen binnen haar zorgplicht, terwijl eigenaren verantwoordelijk blijven voor het functioneren van hun eigen perceel. Beheer en onderhoud van het riool zijn risicogestuurd en gebaseerd op actuele data en inspecties.
Het hemelwaterbeleid is gebaseerd op de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen – afvoeren, waarbij bovengrondse, zichtbare verwerking de norm is. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal worden uitgevoerd, met voldoende waterbergend vermogen op eigen terrein. De gemeente werkt aan een klimaatbestendige inrichting in 2050 door adaptieve maatregelen te combineren met regulier beheer en reconstructies. Samenwerking met waterschappen, nutsbedrijven en inwoners is daarbij essentieel.
Bodem- en watersystemen vormen het vertrekpunt bij planvorming en gebiedsontwikkeling. Regenwater wordt zoveel mogelijk lokaal vastgehouden en geïnfiltreerd, ter versterking van de sponswerking van de bodem. De gemeente voorkomt afwenteling van waterproblemen tussen gebieden en richt zich op gebiedsgerichte maatregelen: wateroverlast voorkomen in lage gebieden en verdroging tegengaan in hoge delen.
Kosten voor het uitvoeren van het Beleidsplan Riolering
Voor 2026-2030 verwacht de gemeente investeringen te doen van circa € 12,5 miljoen, die over 50 jaar worden afgeschreven. Dit is inclusief ruim € 5 miljoen reeds beschikbaar gesteld geld voor investeringen. De jaarlijkse exploitatiekosten zijn ongeveer € 1,8 miljoen.
Benodigd personeel
De ervaring van de afgelopen jaren is dat er vooral capaciteitsgebrek is op het gebied van voorbereiden van de geplande rioolprojecten. Ten behoeve van onderzoeks- en beleidsvragen is ondersteuning gevonden in de vorm van inhuur en het projectmatig uitbesteden van deze vraagstukken.
In de ramingen voor de nieuwe investeringsprojecten is rekening gehouden met kosten van ondersteuning op het gebied van voorbereiding en projectleiding van de geplande rioolvervangingen en -verbeteringen.
Benodigde rioolheffing
In de egalisatievoorziening is per 1 januari 2025 € 2,1 miljoen aanwezig. De rioolheffing dient in de planperiode te stijgen om te voorkomen dat de voorziening negatief wordt. Bij een jaarlijkse stijging ingaande 2027 gelijk aan de inflatie van 2,2% is de egalisatievoorziening eind 2030 nog circa € 0,2 miljoen positief, maar wordt deze een jaar later alsnog negatief. Om op langere termijn een positieve egalisatievoorziening te behouden is een jaarlijkse stijging van de heffing met 4,2% benodigd. Dit is inclusief 2,2% indexatie.
1 Inleiding
1.1 Relatie met de omgevingsvisie
De gemeenteraad stelde in december 2021 de Omgevingsvisie Goirle vast. De raad heeft hiermee de kaders gesteld voor vast te stellen Omgevingsprogramma’s. Het vaststellen van een Omgevingsprogramma is de bevoegdheid van het college binnen de door de raad vastgestelde kaders.
1.2 Omgevingsprogramma riolering onder de omgevingswet
In 2020 stelde de gemeenteraad het Programma Water en Riolering (PWR) 2021-2025 vast. Hierin staan de doelen en maatregelen beschreven van de gemeente ten aanzien van de zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater. Een onderdeel van het PWR 2021-2025 was het kostendekkingsplan, waarin het benodigde tarief van de rioolheffing en het verloop daarvan is bepaald.
Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Een programma is onder de Omgevingswet niet wettelijk verplicht, maar is een vrijwillig document. Voor de ingang van de Omgevingswet was een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verplicht, waar Goirle met het PWR2021-2025 invulling aan gaf. De zorgplichten voor huishoudelijk afvalwater, grondwater en hemelwater, zijn in de Omgevingswet in artikel 2.16 opgenomen als gemeentelijke taken voor de fysieke leefomgeving.
De gemeente Goirle wil, ondanks dat een Programma facultatief is, verantwoording blijven afleggen over de manier waarop invulling wordt gegeven aan de gemeentelijke taken en de benodigde middelen en kostendekking die daarmee gepaard gaan. De gemeente doet dit in de vorm van dit Programma Water en Riolering 2026-2030. De kaders zijn door de gemeenteraad vastgelegd in de Omgevingsvisie, deze dient als kapstok voor het Programma.
Het Programma is alleen zelfbindend, het bindt inwoners en bedrijven niet. Daarvoor dienen de regels in het Omgevingsplan. Dit gaat dan bijvoorbeeld om de aansluiting van particulieren op de riolering en de omgang door particulieren met regenwater.
De dynamiek in de uitvoering van de gemeentelijke watertaken is momenteel groot. Klimaatverandering raakt de blijvend goede werking van de riolering, het gebruik daarvan en de inrichting van het openbare gebied. Daar waar nodig is het beleid in het Programma geactualiseerd om de gemeentelijke taken op een doelmatige wijze te kunnen invullen.
1.3 Het belang van riolering
Het primaire doel van riolering is het beschermen van de volksgezondheid, natuur en het milieu. Het verontreinigde stadswater met daarin ontlasting en huishoudelijk afval bleek in de 19e eeuw de bron van veel ziekten als cholera en dysenterie. Riolering heeft een grote bijdrage geleverd aan de stijging van onze gemiddelde levensverwachting door het verminderde contact met afvalwater. Het inzamelen en transporteren van het vrijkomende huishoudelijk afvalwater is dus de belangrijkste taak in dit Omgevingsprogramma.
Daarnaast krijgen andere taken steeds meer aandacht en zijn deze ook verwerkt in het Omgevingsprogramma. Bijvoorbeeld het klimaatadaptief inrichten van de leefomgeving ten aanzien van de omgang met hemelwater (beperken van wateroverlast en tegengaan van verdroging) en het bijdragen aan een goede oppervlaktewaterkwaliteit.
1.4 Procedure
Met het invoeren van de Omgevingswet is het college bevoegd om een Omgevingsprogramma vast te stellen. Dit Programma heeft echter ook financiële impact en de gemeenteraad is het bevoegd gezag om de begroting en de rioolheffing vast te stellen. Om deze redenen wordt dit Programma vastgesteld door het college en ter informatie aangeboden aan de gemeenteraad als input voor de begrotingsbehandeling door de gemeenteraad.
Het concept-Ontwerpomgevingsprogramma wordt gedurende drie weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder reageren. Na vaststelling wordt het PWR 2026-2030 gepubliceerd via het Digitaal Stelsel Omgevingswet en is dan openbaar en voor iedereen raadpleegbaar.
Met de waterschappen ambtsgebied De Dommel en ambtsgebied Brabantse Delta is het concept Omgevingsprogramma besproken. Zij hebben aanvullend daarop hun reactie op het concept gegeven. De verwerking hiervan is beschreven in bijlage 4.
1.5 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de doelen van dit Omgevingsprogramma gekoppeld aan de ambities uit de Omgevingsvisie. In hoofdstuk 3 is de afgelopen planperiode van het GRP geëvalueerd. Hoofdstuk 4 beschrijft het functioneren van het riool- en watersysteem in de huidige situatie. Hoofdstuk 5 bevat de (sub)doelen en ambities voor de komende 5 jaar. In hoofdstuk 6 is beschreven welke maatregelen en bijbehorende financiële middelen benodigd zijn voor de uitvoering. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de kostendekking beschreven met het benodigde verloop van de rioolheffing in de planperiode inclusief doorkijk voor de jaren daarna.
2 Ambities op basis van de omgevingsvisie
2.1 Omgevingsvisie als kader
De gemeenteraad stelde in december 2021 de Omgevingsvisie Goirle vast. De raad heeft hiermee de kaders gesteld voor vast te stellen Omgevingsprogramma’s. Het vaststellen van een Omgevingsprogramma is de bevoegdheid van het college binnen de door de raad vastgestelde kaders.
Ambities en beleid in de Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma’s leiden tot regels in het Omgevingsplan. De gemeenteraad is het bevoegd gezag om wijzigingen in het Omgevingsplan vast te stellen. De regels in het Omgevingsplan vormen de basis voor het verlenen van Omgevingsvergunningen. Op basis van monitoring en evaluatie, bijvoorbeeld bij de actualisatie van de Omgevingsvisie of een Omgevingsprogramma, kan worden bijgestuurd in deze instrumenten onder de Omgevingswet. Deze cyclus is weergegeven in afbeelding 2-1.

Afbeelding 2-1: Cyclus instrumenten onder de omgevingswet
De Omgevingsvisie met haar ambities, heeft voor het thema water en riolering een verdere uitwerking in dit Omgevingsprogramma Water en Riolering. Daarmee draagt de gemeente met dit programma bij aan de drie centrale waarden uit de Omgevingsvisie:
Het primaire doel van riolering, beschermen van de volksgezondheid, natuur en het milieu, draagt in grote mate bij aan de centrale waarde “goed toeven”. Daarnaast komen deze waarden terug in de ambitie in dit programma om samen met inwoners, bedrijven en ontwikkelaars toe te werken naar een watersysteem dat bestand is tegen het klimaat van de toekomst.
Dit programma draagt ook bij aan de Global Goals uit de Omgevingsvisie, zoals schoon water en sanitair, duurzame steden en gemeenschappen, goede gezondheid en welzijn, leven op het land en klimaatactie.
In de Omgevingsvisie zijn daarnaast diverse doelen en opgaven benoemd waar dit Omgevingsprogramma Water en Riolering ook aan bijdraagt, te weten:
-
Sponswerking bodem verbeteren;
-
Versterken en behouden beekdalsystemen;
-
Bescherming bodemwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden;
-
Toekomstbestendige waterberging in kernen;
-
Effectief beheer stedelijk afvalwater;
-
Effectief beheer hemelwater;
-
Effectief beheer oppervlaktewater;
-
Waterbuffers;
-
Zorgen voor kwaliteit van ontwikkelingen;
-
Sturen op een klimaatbestendige, natuurinclusieve leefomgeving met voldoende groene ruimte.
2.2 Gemeentelijk taken voor de fysieke leefomgeving
Gemeenten hebben sinds 1969 een zorgplicht voor stedelijk afvalwater (artikel 10.33 Wet milieubeheer). Sinds 2008 heeft de gemeente met de invoering van de Waterwet ook een zorgplicht voor hemelwater en grondwater. Deze zorgplichten zijn in de Omgevingswet vertaald naar gemeentelijke taken voor fysieke leefomgeving (artikel 2.16 Omgevingswet). Dit betreft drie taken op het gebied van de volgende onderwerpen:
Naast de gemeente hebben ook het Rijk, Provincie, waterschappen en perceeleigenaren taken in het waterbeheer. In bijlage 1 zijn de taken en verantwoordelijkheden per instantie kort toegelicht.
3 Evaluatie
3.1 Inleiding
Het vastgestelde Programma Water en Riolering 2021-2025 (PWR2021-2025) is de voorganger van dit Omgevingsprogramma Water en Riolering 2026-2030. Dit hoofdstuk bevat een terugblik op het PWR2021-2025. Aan bod komen de ervaringen uit de planperiode, wat er gerealiseerd is en een financieel overzicht.
3.2 Beleid
Gebleken is dat het in het PWR2021-2025 vastgelegde beleid de afgelopen jaren goed toepasbaar was in de praktijk. Het beleid behoeft weinig aanpassing.
De afgelopen jaren is actief gecommuniceerd met bewoners en bedrijven door middel van het NK tegelwippen en de afkoppelsubsidie. De afkoppelsubsidie is succesvol, maar kost wel veel administratieve handelingen waardoor de perceptiekosten hoog zijn.
In 2021 is de verordening hemel- en grondwater vastgesteld, waarin 60 mm waterberging voor nieuw verhard oppervlak wordt geëist.
Het PWR2021-2025 bevat vier Kritische Prestatie Indicatoren op het gebied van water op straat, klimaat, vuiluitworp en mate van verstening. De gegevens en informatie om deze te toetsen zijn echter niet actueel voorhanden. De verwachting is wel dat de situatie ten opzichte van 2020 is verbeterd ten aanzien van de KPI’s, omdat er diverse maatregelen uitgevoerd zijn.
Er ontbreekt nog een mate van standaardisatie in de vorm van een Handleiding Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) voor de voorbereiding van uitvoeringsprojecten en de realisatie van uitbreidingen. Hierdoor is er geen eenduidigheid in bijvoorbeeld de minimaal te hanteren diameters voor riolering.
3.3 Realisatie uitvoeringsagenda
In het PWR2021-2025 zijn in het hoofdstuk Uitvoeringsagenda diverse maatregelen gepland. In tabel 3-1 staat of deze maatregelen wel of niet zijn uitgevoerd. Een deel van de maatregelen is nog in voorbereiding of niet uitgevoerd. Dit is vooral een gevolg van capaciteitsgebrek.

3.4 Financieel
De rioolheffing wordt zowel van eigenaren als gebruikers geheven, van woningen en niet-woningen. De rioolheffing in de gemeente Goirle steeg in de planperiode, zie afbeelding 3-1. In de grafiek is alleen de rioolheffing weergegeven voor het totaal van eigenaren- plus gebruikersheffing voor een woning met een waterverbruik tot en met 130 m³/jaar. Een inwoner in Nederland gebruikt gemiddeld circa 45 m³/jaar.

Afbeelding 3-1: Verloop rioolheffing in vergelijking tot prognose PRW2021-2025
In 2021 is het tarief met 16,5% gedaald ten opzichte van 2020. Daarna is het tarief weer gestegen, in 2023 met 24% en in 2024 met 3,9%. In totaal is het tarief met 10,1% gestegen tussen 2020 en 2025. Dit is lager dan de inflatie van ruim 30% sinds 2020.
In de grafiek is ook het verloop van de rioolheffing volgens het PWR2021-2025 weergegeven rekening houdend met de in het PWR verwachte indexatie van 1,5% per jaar. Het PWR voorzag in een daling van het tarief in 2021 met 8,9% ten opzichte van 2020. Pas in 2026 werd voorzien in een stijging van het tarief met 9,6% inclusief indexatie. Reden dat het tarief eerder is gestegen, is primair de overgang van annuïtair naar lineair afschrijven die door de gemeente is doorgevoerd. Daar kwam een onverwachts hoge inflatie nog bovenop. Desondanks is het werkelijke tarief in 2026 maar beperkt hoger dan het in het PWR verwachte tarief inclusief indexatie. Volgens het PWR2021-2025 moet het tarief in 2027 met 9,6% stijgen. In dit nieuwe PWR is dit geactualiseerd.
De totale verwachte inkomsten uit rioolheffing voor 2025 waren in het PWR begroot op € 2,3 miljoen. Momenteel bedragen deze € 2,6 miljoen. Verwacht werd dat de spaarvoorziening in de planperiode zou dalen van circa € 0,9 miljoen begin 2019 naar € 0,1 miljoen begin 2025. De spaarvoorziening bedroeg begin 2025 € 2,1 miljoen en is dus gestegen in plaats van gedaald. Dit wordt mede veroorzaakt door het nog niet volledig uitvoeren van de geplande maatregelen, zoals aangegeven in paragraaf 3.3. Bij de bepaling van de rioolheffing voor de komende planperiode wordt rekening gehouden met het hogere saldo, wat gunstig is voor de ontwikkeling van de rioolheffing.
4 Huidige situatie
4.1 Afvalwater
Er zijn geen percelen waar stedelijk afvalwater vrijkomt die niet zijn aangesloten op de riolering.
In de gemeente is in totaal ongeveer 152 km vrijvervalriolering en 37 km mechanische riolering (persleidingen van gemalen en drukriolering in het buitengebied) aanwezig. Veel vrijvervalriolen in de gemeente naderen de leeftijd van 60 jaar, zoals te zien is in afbeelding 4-1. Oudere riolering is vooral gemengde riolering, omdat tegenwoordig in uitbreidingswijken en vaak ook bij rioolvervanging een gescheiden stelsel aangelegd wordt. Theoretisch gaat een vrijvervalriool ongeveer 60 tot 70 jaar mee. Een klein deel van de riolen is al ouder dan 60 jaar.

Afbeelding 4-1: Lengtes per aanlegperiode per type riool
Bijna alle mechanische riolering is aangelegd in de periode 1985-1994, toen veel riolering in hetbuitengebied is aangelegd. Vervanging van de mechanische riolering is naar verwachting voorlopigniet aan de orde.
Momenteel is de data niet volledig op orde, er is achterstand in het verkrijgen en verwerken van derevisies van uitgevoerde rioolprojecten. Daarnaast wordt gewerkt aan de overstap naar hetbeheerpakket Geovisia. In de planperiode is extra inspanning benodigd om te zorgen dat degegevens op orde en GWSW-proof zijn, zodat er weer hydraulische berekeningen gemaakt kunnenworden, die de werkelijkheid voldoende nauwkeurig benaderen.
Naast de riolen beschikt de gemeente over 15 rioolgemalen en 93 pompunits van drukriolering omhet afvalwater te transporteren. De basisgegevens van de rioolgemalen zijn in beeld via het besturings- en beheerprogramma Telecontrolnet van Interact, wat bijgehouden wordt door deonderhoudspartij Curo.
Om ervoor te zorgen dat tijdens extreme neerslag geen wateroverlast optreedt, is het rioolstelselvoorzien van riooloverstorten en hemelwaterlozingspunten. Bij vijf grote riooloverstorten is eenbergbezinkbassin aanwezig met een totale bergingscapaciteit van bijna 4.000 m³ water. In 2023-2024 hebben extra overstortingen plaats gevonden door het hele natte jaar, maar de ervaring is dat doorde vele neerslag de waterkwaliteit niet negatief beïnvloed is. Het geeft wel de urgentie aan vanverdergaand afkoppelen en het realiseren van de klimaatboog. Vooral de waterkwaliteit van deNieuwe Leij ondervindt daarnaast sterke invloed van afstromend oppervlaktewater van buiten delandsgrenzen.
Het afvalwater van de kern Goirle wordt door waterschap De Dommel gezuiverd op de RWZI Biest-Houtakker en het afvalwater van de kern Riel door waterschap Brabantse Delta op de RWZI Riel.
Daarnaast heeft de gemeente circa 9.800 kolken in beheer.
4.2 Hemelwater
De meeste riolen in de gemeente Goirle zijn nog van het type gemengd riool. Hierin wordthemelwater gemengd met afvalwater ingezameld. Volgens afbeelding 4-2 is 21% van de riolering inde gemeente Goirle van het type hemelwaterriool. Mechanische riolering betreft persleidingen endrukriolering. De andere drie typen zijn riolen die onder vrijverval afvoeren. Ten opzichte van dezeleidingen is 27% van het type hemelwaterriool.

Afbeelding 4-2: Verdeling typen riolering
Zowel in 2023 als 2024 viel in delen van de gemeente een bui die de normbui (bui08) uit het PWR2021 benadert. Extreme buien vielen er echter niet. Er was dan ook beperkt sprake van hinder door kortdurende neerslag. In de Sporenring was sprake van wateroverlast bij de daar toegepastewaterpasserende verharding. Dit systeem wordt daarom verbeterd. Er zijn wel locaties in degemeente waar wateroverlast op kan treden volgens het basisrioleringsplan en de klimaatstresstestuit 2019. De meest kwetsbare locaties zijn volgens die onderzoeken de Dorpsstraat/Tilburgseweg,Abcovenseweg en Tijvoortsebaan, allen in de kern Goirle.
In het buitengebied was ten gevolge van een extreem natte periode in 2023-2024 sprake vanvernatting en hoge waterstanden met regionale wateroverlast in januari 2024 tot gevolg. Dewaterbergingsgebieden van het waterschap werden hierbij benut.
In Goirle wordt hard gewerkt aan de realisatie van de Klimaatboog. De Klimaatboog is deverzamelnaam voor een hemelwaterhoofdstructuur in de vorm van een halve boog door Goirle. Dezehoofdstructuur is ontworpen en wordt in fasen gerealiseerd door de uitvoering van diverse projectenwaarbij hemelwaterriolering en waterberging aangelegd worden. Het hemelwater wordt daarbij vanhet riool afgekoppeld en vanuit waterbergingen met infiltratiecapaciteit vertraagd afgevoerd naarhet oppervlaktewater de Nieuwe Ley aan de zuidoostkant van Goirle en aan de zuidkant (Land vanAnna). Deze hoofdstructuur is dusdanig robuust ontworpen dat er voldoende capaciteit is om ookhemelwater van omliggende wijken in de toekomst af te kunnen koppelen van het riool en viawaterbergingen af te voeren naar deze Klimaatboog.

Afbeelding 4-3: De klimaatboog
4.3 Grondwater
Ten gevolge van de bodemopbouw en waterhuishouding in de gemeente Goirle is het aantal meldingen bij de gemeente betreffende grondwateroverlast of -onderlast beperkt. Er is ook maarbeperkt drainage in de gemeente benodigd en aanwezig, circa 3 km.
Het jaar 2023 was landelijk het natste jaar sinds het begin van de metingen, in de winter van ‘23/’24 was wel sprake van enkele natte kelders. De gemeente is daar echter niet verantwoordelijk voor.Hoge grondwaterstanden hebben mogelijk ook bijgedragen aan enkele verzakkingen in het wegdekdie ontstonden door zandinloop in de riolering bij oudere rioolstelsels.
Landelijk is er aandacht voor grondwateronderlast en de risico’s voor houten paalfunderingen. In degemeente Goirle komen houten paalfunderingen niet voor. Het risico op paalrot en verschilzettingenin de gemeente is daarom zeer laag (klimaateffectatlas.nl).
In de gemeente is wel sprake van grondwaterafhankelijke natuur welke zeer droogtegevoelig is. Buiten het Stedelijk gebied treedt verdroging onder meer op door afvoer viade riolering in het stedelijk gebied. Vooral op de hoge zandgronden dient meer hemelwater in debodem te worden geïnfiltreerd. Op basis van de hemel- en grondwaterverordening moeteninitiatiefnemers hemelwater bergen en in de bodem infiltreren. Dit draagt bij aan het tegengaan van verdroging.

Afbeelding 4-4: Representatief Hoogste Grondwaterstand per peilbuis gemeente
De gemeente beschikt over een grondwatermeetnet met 33 peilbuizen waarin permanent het niveauvan het grondwater gemeten wordt. Deze data wordt gebruikt bij het analyseren van eventuele meldingen. De data van de grondwatermetingen zijn openbaar inzichtelijk via de BRO(Basisregistratie Ondergrond). Op basis van deze data is in afbeelding 4-4 een overzicht gegeven vande grondwaterstanden die per meetpunt maar in 10% van de tijd overschreden wordt (Representatief Hoogste Grondwaterstand RHG). Op twee locaties na ligt de RHG overal meer dan een meter onder maaiveld.
5 Doelen en ambities
5.1 Inleiding
De ambities uit de Omgevingsvisie en de gemeentelijke taken voor de fysieke leefomgeving zijn in hoofdstuk 2 vertaald naar drie hoofddoelen:
Deze hoofddoelen zijn in dit hoofdstuk uitgewerkt tot subdoelen en beleid.
5.2 Gezonde leefomgeving
5.2.1 Spelregels
In het verleden hebben de gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en worden dan ook beschouwd als spelregels voor de komende jaren.

5.2.2 Doelmatige inzameling en transport van stedelijk afvalwater
De gemeente heeft een taak voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater ter bescherming van de volksgezondheid, natuur en milieu. Stedelijk afvalwater is huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater.

Het primaire doel van riolering is het beschermen van de volksgezondheid, natuur en het milieu. Het verontreinigde stadswater met daarin ontlasting en huishoudelijk afval bleek in de 19e eeuw de bron van veel ziekten als cholera en dysenterie. Om dit tegen te gaan, werd ontlasting huis aan huis ingezameld in poepemmers en kregen grote steden gesloten rioolkanalen. In de tweede helft van de twintigste eeuw kregen ook achterbuurten, kleinere steden en dorpen riolering. Riolering heeft een grote bijdrage geleverd aan de stijging van onze gemiddelde levensverwachting door het verminderde contact met afvalwater.
Om deze taak uit te voeren, hanteert de gemeente Goirle het in deze paragraaf beschreven beleid.
Inzameling van stedelijk afvalwater
Binnen de bebouwde kom dienen alle percelen waar stedelijk afvalwater vrijkomt op het openbaar vuilwaterriool aangesloten te zijn. Het riool voert het afvalwater af naar de RWZI of een overnamepunt van het waterschap, waar een gemaal het afvalwater afvoert naar de RWZI. Ook buiten de bebouwde kom wordt dit zoveel mogelijk getracht, uitgezonderd specifieke situaties waar lokale behandeling doelmatiger en geoorloofd is. In het Omgevingsplan staat in regels binnen welke afstand een lozing aangesloten moet worden op het riool. Deze afstandsregels zijn als bruidsschat overgekomen uit landelijke regelgeving. De gemeente kan deze regels wijzigen in het Omgevingsplan.
Indien aanleg van riolering in het buitengebied niet doelmatig is, dient de lozer zelf een adequate voorziening aan te leggen en te beheren, bijvoorbeeld een zogenaamde IBA (Individuele Behandeling Afvalwater). De gemeente faciliteert niet in de aanleg en/of het beheer van dergelijke systemen. De waterschappen zijn bevoegd gezag voor het lozen op oppervlaktewater via een voorziening.
Voor nieuwe lozingen van stedelijk afvalwater zijn de kosten voor aanleg en aansluiting, ongeacht de oplossing, altijd volledig voor de initiatiefnemer. Dit geldt ook voor eventueel benodigde aanpassingen aan het bestaande gemeentelijk riool. Aanleg van nieuwe gemeentelijke riolering moet voldoen aan daaraan door de gemeente te stellen eisen.
Landelijk worden op kleine schaal nieuwe sanitatievormen uitgeprobeerd, bijvoorbeeld een aparte inzameling van urine en decentrale zuivering. Dit zijn interessante ontwikkelingen, die binnen het samenwerkingsverband worden gevolgd. Uitgangspunt van de gemeente is dat rioolvoorzieningen robuust dienen te zijn. Grootschalige alternatieven worden pas toegepast als ze voldoende hun werking hebben bewezen. Pilots mogen binnen de geldende wet- en regelgeving.
Inzameling van afvalwater dat niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater
Voor afvalwater van bedrijfsmatige activiteiten, dat qua samenstelling niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, en voor “schoon” afvalwater hebben gemeenten geen zorgplicht. Voorbeelden hiervan zijn lozingen van grondwater en bronneringen, WKO’s, koelwater en afvalwater vanuit bodemsaneringen. Alleen als de lozer dit water niet redelijkerwijs zelf kan zuiveren en terug kan brengen in het milieu staat de gemeente lozing op het gemeentelijk vuilwaterriool toe, maar dan onder voorwaarden en mits het ontvangend systeem het afvalwater kan verwerken. Voorwaarden worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of maatwerkvoorschriften.
Bij een bronnering wordt tijdelijk grondwater aan de bodem onttrokken om de grondwaterstand te verlagen. Zo kunnen werkzaamheden, zoals de aanleg van bouwwerken en kabels en leidingen, droog worden uitgevoerd. Voor zowel het onttrekken van grondwater als het lozen van het opgepompte grondwater op oppervlaktewater zijn de waterschappen het bevoegd gezag. Voor de lozing van bronneringswater op de riolering is de gemeente het bevoegd gezag. Uitgangspunt is schoon bronneringswater terug te brengen in de bodem of af te voeren naar oppervlaktewater. In de praktijk is dit niet altijd mogelijk. In dat geval kan de gemeente onder voorwaarden toestemming verlenen om op het riool te lozen. Hierover vindt afstemming plaats met de waterschappen, de Omgevingsdienst en/of Rijkswaterstaat.
Beperken van de hoeveelheid stedelijk afvalwater
De hoeveelheid stedelijk afvalwater neemt toe door de lozing van hemelwater en/of grondwater in het riool. Hemel- en grondwater niet lozen op een gemengd of vuilwaterriool heeft een aantal voordelen:
-
Hemelwater in de bodem infiltreren of lozen op oppervlaktewater helpt om verdroging te gaan;
-
De kans op overbelasting van de riolering wordt verkleind, waardoor het risico op wateroverlast afneemt;
-
Gemengde riolering stort minder vaak een mengsel van afval- en hemelwater over op het oppervlaktewater. Bij flinke regenbuien kan het rioolsysteem niet alle afvalwater en hemelwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) transporteren. Om overlast te voorkomen, loost een gemengd rioolsysteem dan via overstorten (zie bijlage 2) het overtollige water over op het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot (tijdelijke) waterkwaliteitsproblemen;
-
Verhoging van het zuiveringsrendement van de RWZI. Door het hemelwater af te koppelen wordt meer geconcentreerd afvalwater afgevoerd naar de zuivering en wordt het schone hemelwater lokaal afgevoerd naar oppervlaktewater;
-
Lagere kosten voor transport en zuivering van afvalwater.
Hemelwater en grondwater moet dus zo min mogelijk via het gemengd of vuilwaterriool en/of verbeterd gescheiden riool afgevoerd worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door te vergroenen, af te koppelen en lekke riolen te repareren of vervangen.
Ten aanzien van de inzameling van stedelijk afvalwater en het beperken van overstortgebeurtenissen wordt de implementatie van de Europese richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater van belang.

Beperken van de verontreiniging van stedelijk afvalwater
Het is belangrijk dat geen ongewenste lozingen plaatsvinden, zoals chemische stoffen, vet of lozingen met een te grote hoeveelheid of vervuilingswaarde. Het riool kan hierdoor verstopt raken en/of overbelast raken. Daarnaast kan het de werking van de rioolwaterzuivering van het waterschap nadelig beïnvloeden en kunnen niet alle stoffen uit het afvalwater verwijderd worden op de zuivering. Vooral doekjes in de riolering is een groot probleem waarvoor onze inwoners veel onderhoudskosten moeten betalen via de heffing. Landelijk is ook gesproken over het instellen van een verbod voor deze doekjes, maar vooralsnog wordt dit niet ingesteld.
Regels over lozingen op het riool staan in landelijke besluiten, zoals het Besluit Activiteiten Leefomgeving, en in het Omgevingsplan van de gemeente. De gemeente volgt de voorkeursvolgorde voor omgang met afvalwater uit de Wet Milieubeheer, die ook ten grondslag ligt aan het Besluit Activiteiten Leefomgeving onder de Omgevingswet.
Kwaliteit van het riool
Het is belangrijk dat het riool het ingezamelde afvalwater goed kan verwerken om problemen in de afvoer of overstortingen naar oppervlaktewater te voorkomen. De capaciteit en kwalitatieve toestand van de verschillende onderdelen van het rioolstelsel moet voldoende op orde zijn. Er dient inzicht te bestaan in de toestand en het functioneren van de riolering.
Door uit te gaan van een risicogestuurde/gedifferentieerde benadering kunnen mogelijk kosten worden bespaard en/of knelpuntlocaties intensiever worden onderhouden. Op basis van inspectieresultaten, klachten en verbeteringsopgaven stelt de gemeente een investeringsprogramma voor het vervangen en renoveren van de bestaande riolering op. Hiermee kunnen werkzaamheden in de openbare ruimte integraal afgestemd en gecombineerd worden. Op deze manier worden kosten en hinder tot een minimum beperkt. Per project maakt de gemeente een afweging tussen vervangen en renoveren van het riool. Factoren die daarbij een rol spelen zijn onder andere de planning van andere werkzaamheden in de openbare ruimte, het al dan niet moeten vervangen van huisaansluitingen, kosten van de maatregelen en de verwachte restlevensduur van de riolering.
De gemeente dient in het beheersysteem te beschikken over betrouwbare en voldoende actuele gegevens van het stedelijk watersysteem. De maximale termijn ter verwerking van een wijziging in de ligging van het riool bedraagt 30 dagen volgens de wet WIBON (Informatie boven- en ondergrondse netwerken). Vanwege de combinatie- en uitwisselingsmogelijkheden en daaruit te herleiden nieuwe inzichten is de gemeente voorstander van open data op basis van het GegevensWoordenboek Stedelijk Water (GWSW). Onbetrouwbare data kunnen leiden tot bijvoorbeeld foute beslissingen of verkeerde investeringen. Ook kan door bepaalde openbare data de veiligheid in het geding komen. Om deze reden hanteren we het principe ‘ja, mits veilig en betrouwbaar’.
Calamiteiten
Onder extreme omstandigheden of bij incidenten/calamiteiten is er een groter risico op contact als gevolg van uittredend afvalwater. Denk hierbij aan rioolwater dat bij hevige regenval vanuit de riolering op straat stroomt, een leidingbreuk, een brand of een incident waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. De spreiding van een mogelijk incident of calamiteit in ruimte en tijd is dermate groot dat het voeren van preventief beleid niet (kosten)effectief is. Wel is het streven zo efficiënt mogelijk te kunnen handelen op het moment dat er zich iets voordoet door afspraken binnen de Veiligheidsregio en het ter beschikking hebben van materialen.
Verstopping in de rioolaansluiting
Bij een verstopte huisaansluiting dient de perceeleigenaar op de perceelgrens te controleren of er sprake is van een verstopping op gemeentegrond of op particuliere grond. Indien aanwezig kan hiervoor gebruik gemaakt worden van de erfscheidingsput. Als de verstopping zich op gemeentegrond bevindt, dan betaalt de gemeente de kosten van het oplossen van de verstopping. Als de verstopping zich op particuliere grond bevindt, dient de perceeleigenaar deze zelf op te (laten) lossen. Dit geldt ook voor een defecte aansluiting op particuliere grond. Bij een drukrioleringspompput beheert de gemeente de pompput en is de perceeleigenaar verantwoordelijk voor het beheer van de huisaansluiting tot de pompput, of de perceelgrens indien de pompput op gemeentegrond staat.
5.2.3 Voorkomen van structurele grondwateroverlast en -onderlast
Een te hoge grondwaterstand kan onder andere gevolgen hebben voor de volksgezondheid (te vochtige verblijfsruimten), maar ook leiden tot te natte tuinen, groenvoorzieningen en wegfunderingen. Een te lage grondwaterstand kan ook leiden tot schade aan groen, infrastructuur en gebouwen.
Taak gemeente

Inwoners kunnen een melding doen van grondwateroverlast bij de gemeente (grondwaterloket). De gemeentelijke taak begint als er sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand. Bij tijdelijke en kortdurende problemen (zoals na extreme regenval) heeft de gemeente geen taak. Ook het waterschap speelt een rol, als peilbeheerder van het oppervlaktewater.
De gemeente draagt zorg voor het in stand houden van de ontwateringsfunctie van drainage voor zover deze aanwezig is. In nieuwbouw gebieden zijn daarbij de ontwateringsdiepten uit tabel 5-1 het te eisen minimum. In bestaand gebied zijn deze een streefwaarde. De ontwateringsdiepte wordt bepaald op basis van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG).
De ontwateringsdiepten gelden als een inspanningsverplichting. De gemeente kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor het handhaven van de genoemde waarden. In nieuwbouwsituaties en bij inbreidingen beperken (extra) hoge peilhoogten het risico op grondwateroverlast. Dit moet uiteraard wel mogelijk zijn gelet op de omliggende percelen en aangrenzend openbaar gebied. Op basis van het principe water en bodem sturend is aanleg van drainage alleen toegestaan indien een andere oplossing, zoals ophogen, niet mogelijk is.
|
Functie |
Referentiepeil |
Ontwateringsdiepte [m tov GHG] |
|
Bebouwing met kruipruimte |
Vloerpeil |
0,9 |
|
Bebouwing met water- en vochtdichte vloeren |
Vloerpeil |
0,7 |
|
Tuinen/groenvoorzieningen |
Maaiveld |
0,5 |
|
Hoofdwegen |
Kruin weg |
1,0 |
|
Secondaire wegen en woonstraten |
Kruin weg |
0,7 |
Tabel 5-1: Minimale ontwateringsdiepten bij nieuwbouw
De gemeente is het aanspeekpunt in situaties met grondwateroverlast en heeft een faciliterende rol bij het oplossen van een probleem. Door middel van het grondwatermeetnet heeft de gemeente inzicht in de grondwaterstanden en de ontwikkeling daarvan. Door middel van het analyseren van meldingen en gemeten grondwaterstanden wordt beoordeeld of de gemeente een rol heeft in het bieden van een oplossing. Bij geconstateerde overlast wordt aangegeven waar de particulier het overtollig grondwater op kan lozen, bijvoorbeeld een gemeentelijk hemelwaterriool, indien de particulier het zelf niet redelijkerwijs kan verwerken.
De gemeente treft alleen maatregelen in de openbare ruimte en alleen indien sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de functie van het gebied en indien het treffen van maatregelen doelmatig is, bijvoorbeeld in combinatie met andere werkzaamheden in de openbare ruimte.

Verantwoordelijkheden particulieren
Op particulier terrein is de eigenaar primair verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen grondwateroverlast, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buur (overheid of particulier). Wanneer de overlast ontstaat door fouten in de constructie van de woning (lekke kelder, geen waterdichte vloer) is de bewoner zelf aan zet.
Soms wordt overlast veroorzaakt door schijngrondwaterspiegels. Dan is er sprake van stagnerend regenwater in de neerwaartse stroming naar het grondwater. Oplossen van dergelijke situaties is voor rekening van de grondeigenaar. De voorkeursvolgorde voor het lozen van het overtollige grondwater is: doorbreken van de storende laag, lozing op hemelwaterriolering, oppervlaktewater, vuilwater riolering.
Maatregelen en onderhoud van drainage op particulier terrein zijn niet de taak van de gemeente, de gemeente stelt geen bijdrage daarvoor beschikbaar.
5.2.4 Bijdragen aan een goede oppervlaktewaterkwaliteit
Een goede oppervlaktewaterkwaliteit valt niet onder de drie genoemde gemeentelijke taken voor de fysieke leefomgeving voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De aanwezigheid van riolering en de zuivering van het ingezamelde afvalwater door de waterschappen heeft al wel een grote bijdrage geleverd aan de oppervlaktewaterkwaliteit. Nederland moet echter in 2027 voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).

De gemeente is niet eindverantwoordelijk voor het behalen van de KRW-doelen. De gemeente heeft wel mede een rol in het proces. Ook de maatregelen in dit Programma dragen bij aan de doelstellingen van de KRW. Er zijn ook veel aspecten die niet onder dit Programma en niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen, maar wel effect hebben op de waterkwaliteit, zoals mestbeleid, stoffentoelatingsbeleid en de kwaliteit van het afstromend oppervlaktewater uit onze buurlanden.
De subdoelen in paragraaf 5.2 zijn gemeentelijke doelen die bijdragen aan het voldoen aan de KRW, zoals inzameling van afvalwater, het beperken van de hoeveelheid en verontreiniging van afvalwater en het zorgen voor een goede kwaliteit van het riool.
Daarnaast hanteert de gemeente de volgende subdoelen om bij te dragen aan een goede oppervlaktewaterkwaliteit.
Afvoer naar de rioolwaterzuivering
Het door de gemeente ingezamelde afvalwater wordt door de waterschappen bij de rioolwaterzuivering gezuiverd. De capaciteit van de zuivering moet daarom overeenkomen met het actuele afvalwateraanbod vanuit de gemeente en eventuele toekomstige ontwikkelingen. Hiertoe maken de gemeente en de waterschappen afspraken over de af te voeren hoeveelheid afvalwater en leggen dat vast in een afvalwaterakkoord.
De gemeente heeft momenteel geen zuiveringstaak, is daarvoor ook niet toegelegd en neemt deze taak bij eventuele nieuwe sanitatievormen ook niet op zich.
Beperken van het aantal overstortingen
Door eerder genomen maatregelen conform de landelijke basisinspanning voor gemengde stelsels stort de riolering niet te vaak en niet te veel over. Overstorten sluiten kan niet zomaar, omdat dit de kans op wateroverlast vergroot. Voor het openbaar gebied geldt (vrij vertaald) dat het lozen van afvalwater, afkomstig van overstortvoorzieningen, in het oppervlaktewater is toegestaan, mits de ligging van de voorzieningen bekend is, deze goed beheerd worden en hierdoor geen nieuwe problemen ontstaan. De kaart met de bestaande overstortlocaties is opgenomen in bijlage 2.
Samen met de waterschappen zorgt de gemeente ervoor dat de effecten op het (water)milieu aanvaardbaar zijn. Hiertoe wordt een emissiegerichte aanpak gevolgd met kosteneffectieve maatregelen om te kunnen gaan voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) op basis van de zogenoemde 4M-aanpak (4M staat voor monitoren, meten, modelleren en maatregelen).
Vergroenen op openbaar en particulier terrein en afkoppelen van verharding van het rioolstelsel beperkt de kans op overstortingen. Bij rioolvervanging is het uitgangspunt de berging in het riool niet te verkleinen.
Het streven is voldoende berging te hebben in het gemengde en vuilwaterriool om bij een pompstoring tijdens droog weer 24 uur responstijd te hebben zonder risico op overstortingen of overlast. Vuilwaterstelsels (uitgezonderd drukriolering en kleinschalige stelsels) krijgen een gemaal met twee pompen en incidenteel zelfs twee persleidingen die elkaars reserve zijn en ieder voldoende capaciteit hebben voor de te verwachten maximale afvalwaterbelasting.
Foutaansluitingen beperken
In gebieden met gescheiden riolering komen soms foutieve aansluitingen voor (afvalwater op hemelwaterriolen of hemelwater op vuilwaterriolering). Dit kan leiden tot waterkwaliteitsproblemen in ontvangend oppervlaktewater of capaciteitsproblemen in het rioolstelsel. Samen met de waterschappen wordt bepaald waar daadwerkelijk sprake is van een knelpunt. Knelpunten worden aangepakt, foutieve aansluitingen zonder impact op het oppervlaktewater, rioolstelsel en/of leefomgeving worden vanuit praktische en financiële haalbaarheid in principe niet aangepakt.
Ditzelfde geldt voor rioolvreemd water. Dit is water dat in principe niet op de riolering thuishoort, bijvoorbeeld instromend oppervlaktewater en grondwater.
Foutaansluitingen worden beperkt door bij nieuwbouw het hemelwater zoveel mogelijk zichtbaar en schoon te houden door het bovengronds af te voeren, zowel van particuliere percelen als van openbaar gebied. Het draagvlak hiervoor, zowel in- als extern, is van belang. De onderhoudbaarheid van de voorzieningen draagt hieraan bij.
5.3 Droge voeten
5.3.2 Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater
Taak gemeente

Voorkeursvolgorde
De voorkeursvolgorde bij de verwerking van hemelwater is vasthouden, bergen, afvoeren om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke kringloop van het water. Bovendien helpt dit om de gemeente meer klimaatadaptief te maken. Extreme buien worden zo beter opgevangen en droogte wordt tegengaan.
Instromend hemelwater beperken
Het inzamelen van alle afstromend hemelwater met riolering heeft als nadeel dat dit bij hevige regen kan leiden tot overbelasting van het riool. Daarnaast wordt met riolering hemelwater versneld afgevoerd uit de omgeving waardoor in droge periodes minder hemelwater beschikbaar is om droogte tegen te gaan.
Waar mogelijk streeft de gemeente naar het vasthouden van hemelwater op groene daken, in bovengrondse voorzieningen en/of in de bodem (hydrologisch positief ontwikkelen) en ontharden (minder verhard oppervlak aanleggen).
Bij reconstructies probeert de gemeente de openbare ruimte zo in te richten dat hemelwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden daar waar het valt (meer groen) en de bodem kan inzijgen. Het streven is bij reconstructies 15 mm hemelwaterberging te realiseren.
Met een andere manier van omgang met hemelwater in het openbare gebied geeft de gemeente een goed voorbeeld voor de inwoners.
Afkoppelen van hemelwater
Bij het lozen van hemelwater in de bodem of op oppervlaktewater houdt de gemeente Goirle zich aan de Algemene Rijksregels en onze basisprincipes. Uitgangspunt is dat de lozing van hemelwater niet mag leiden tot een ontoelaatbare verontreiniging van bodem of oppervlaktewater en de drinkwatervoorziening niet in gevaar mag brengen. In geval van een beschermingsgebied houdt de gemeente Goirle zich aan de gemaakte afspraken in het betreffende gebiedsdossier. Riel ligt in een grondwaterbeschermingsgebied.
Voor het afkoppelen van hemelwater van de gemengde riolering volgt de gemeente het beleid van de waterschappen. Het waterschap hanteert een compensatieplicht voor waterberging voor het van de gemengde riolering afkoppelen van meer dan 1 hectare verhard oppervlak.
Voor het openbaar gebied geldt (vrij vertaald) dat het lozen van afvalwater, afkomstig uit een openbaar ontwaterings- of hemelwaterstelsel op of in de bodem is toegestaan, mits de ligging van de voorzieningen bekend is, deze goed beheerd worden en hierdoor geen nieuwe problemen ontstaan.
Verantwoordelijkheden particulieren
Het vasthouden van hemelwater is niet alleen een opgave van de gemeente, maar ook van de particulier. Samen met burgers en bedrijven, maar ook o.a. ontwikkelaars en bouwondernemingen, kunnen en moeten we nu onze leefomgeving verbeteren door bijvoorbeeld hemelwater op eigen terrein te bergen, daken te vergroenen, tegels uit de tuin te halen en meer water in de wijk vast te houden.
De verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater van particuliere percelen, alsmede het voorkomen van overlast en schade ligt conform de Omgevingswet primair bij de eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt. Pas als deze het hemelwater niet redelijkerwijs zelf kan verwerken door infiltratie in de bodem of afvoer naar oppervlaktewater, mag het hemelwater geloosd worden op het openbare gebied of in het openbare (hemelwater)riool. De perceeleigenaar moet daarvoor zelf de benodigde voorzieningen op eigen terrein aanleggen (bijvoorbeeld een pomp indien afvoer onder vrijverval niet mogelijk is door een lage ligging van het perceel/pand). Daarnaast moeten eigenaren van lagergelegen erven volgens het Burgerlijk Wetboek het water ontvangen dat van nature van hoger gelegen erven afloopt.
Daar waar in de huidige situatie het hemelwater van particulieren ingezameld wordt, wordt dit vooralsnog gehandhaafd. De gemeente blijft wel stimuleren om hemelwater af te koppelen en/of te vergroenen.
Het hergebruiken van hemelwater stimuleert de gemeente Goirle door o.a. de afkoppelsubsidie. Het hemelwater kan benut worden om onder andere de auto te wassen, de tuin te besproeien of om de belevingswaarde van water te vergroten.
Omgang met hemelwater bij ontwikkelingen
Ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal uitgevoerd worden. De gemeente vereist hiervoor bij ontwikkelingen waterberging. Deze verplichting geldt alleen voor activiteiten waarvoor een Omgevingsvergunning vereist is en geldt alleen voor nieuw verhard oppervlak (daken en terreinverharding), inclusief aanleg van verharding na verwijdering van verharding. Het beleid is om 60 liter waterberging per m² verhard oppervlak of 20 l/m² bij minder dan 500 m² verhard oppervlak te realiseren. Groene daken (met planten begroeid) en bestaand verhard oppervlak in openbaar gebied zijn vrijgesteld. Waterbergingseisen zijn nu opgenomen in de hemelwaterverordening, maar moeten later onderdeel gaan uitmaken van het definitieve Omgevingsplan. Hiervoor is een vertaling nodig.
Daarnaast moet voldaan worden aan de Waterschapsverordening, bijvoorbeeld voor compensatie bij meer dan 500 m² toename verharding. In principe betekent dit dezelfde waterbergingseis bij toename van verhard oppervlak. De gemeentelijke eisen zijn strenger voor vernieuwing van bestaande verharding en plannen met minder dan 500 m² verhard oppervlak.
Voor het inrichten van nieuwbouwplannen heeft gemeente Goirle vier principes voor het benutten van hemelwater uitgewerkt (afbeelding 5-1). Deze principes helpen bij het opstellen van nieuwbouwplannen invulling te geven aan de hemelwateropgave. De principes variëren van hemelwater vasthouden tot benutten en afvoeren. Per principe is weergegeven hoe zichtbaar water is (t.b.v. de waterbewustwording), wat de verhouding van private vs. publieke rol is, de benodigde investeringskosten en een impressie van het resultaat. Bij nieuwe ontwikkelingen ligt de voorkeur op principe B. Uitgangspunt bij de ontwikkeling van nieuwe wijken is dat deze worden gerealiseerd zonder hemelwater riolen aan te leggen. Het oppervlakkig afvoeren van hemelwater zorgt voor meer infiltratie en door de zichtbaarheid is de kans op vervuiling lager en het zorgt voor stimulatie en bewustwording bij inwoners om anders om te gaan met het hemelwater.

Afbeelding 5-1: Principes benutten van hemelwater
Afvoercapaciteit watergangen
Tot de hemelwatertaak van de gemeente behoort ook het op orde houden van de afvoercapaciteit van watergangen en duikers, bijvoorbeeld door maaien en baggeren. Het waterschap controleert de watergangen door middel van de schouw. Het waterschap beheert de A-watergangen, de hoofdwatergangen. Overige watergangen welke in openbaar gebied liggen (en daarmee dus niet in handen van particulieren) vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.
Het beleid van het waterschap ligt vast in een waterbeheerplan.
5.3.3 Klimaatadaptatie
Het klimaat verandert. Extreme droogte in 2018 en nattigheid in 2023/24 zijn hiervan beeldend.
Rijk en decentrale overheden hebben met betrekking tot klimaatadaptatie afgesproken zich tijdig aan te passen aan de (versnelde) klimaatverandering om schade te beperken en kansen te pakken. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is de ambitie opgenomen om Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te hebben ingericht.
De ambitie van de gemeente is om bij projecten naast wateroverlast en droogte ook bij te dragen aan de andere klimaatthema’s hittestress en overstroming door meekoppelkansen te benutten en belanghebbenden bij elkaar te brengen.
Klimaatbestendig inrichten openbare ruimte
Klimaatbestendig en klimaatrobuust is het leidende principe bij de (her)inrichting van de openbare ruimte, waarbij de volgende voorwaarden gelden ten aanzien van de te nemen maatregelen:
-
Goed beheerbare voorzieningen (niet te kleinschalig, controleer- en onderhoudbaar, goede levensduurverwachting);
-
Doelmatig;
-
Volksgezondheid mag niet in het gedrang komen;
-
Integraal werken.
Streven is om in combinatie met de reguliere onderhouds- en vervangingsmaatregelen het rioleringssysteem en de bijbehorende openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatbestendig in te richten. Bij uitvoeringsprojecten werkt de gemeente omgevingsgericht en benut de meekoppelkansen. Dit betekent dat bij elke bovengrondse ingreep een integrale belangenafweging wordt gemaakt waarin water een rol van betekenis speelt en dat zowel binnen de gemeentelijke organisatie als met de waterschappen, Brabant Water, nutsbedrijven, gebouweigenaren (woningcorporaties en particulieren) intensief samengewerkt wordt. Samenwerken in de waterketen bespaart kosten, verbetert de kwaliteit, vermindert de kwetsbaarheid, en zorgt voor kennisuitwisseling en effectiever inspelen op klimaatverandering.
Het gaat dan om het zichtbaar maken van water, het verhogen van de belevingswaarde en integratie van water en groen. De reikwijdte van de zorgplicht riolering wordt benut om uren en middelen beschikbaar te stellen voor maatregelen die bijdragen aan een klimaatbestendige openbare ruimte en stedelijk watersysteem.
Waterberging op straat
Blijvend aandachtspunt is de bestaande berging op straat. Bij (her) inrichting van en/of aanpassingen in de openbare ruimte dient deze minimaal gehandhaafd te blijven. Bij (her)inrichting en aanpassingen in de openbare ruimte komt het voor dat de hoogte van het maaiveld wordt aangepast (veelal om esthetische overwegingen). Hierdoor leidt eventueel water op straat makkelijker tot schade en milieuoverlast bij hevige neerslag dan in de oorspronkelijke situatie. Dit moet voorkomen worden.
Wateroverlast door neerslag
Omdat de capaciteit van het rioleringssysteem vanuit economisch oogpunt is beperkt, kan het voorkomen dat in meer of mindere mate een vorm van overlast optreedt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in hinder, ernstige hinder en waterschade.

Hinder moet soms geaccepteerd worden. De gemeente tracht ernstige hinder te beperken en schade te voorkomen. In 2023 heeft de Rijksoverheid de landelijke maatlat voor een groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving gepubliceerd als richtlijn. De klimaatmaatlat is in dit Omgevingsprogramma daarom omgezet naar gemeentelijk beleid en verder uitgewerkt in de regionale klimaatscoretool. In tabel 5-2 is opgenomen welke buien de gemeente hanteert als toetsbui.
Het risico op ernstige hinder en schade wordt getoetst door een maaiveldmodel te koppelen aan het rekenmodel van het ondergrondse rioolsysteem. Hiermee ontstaat inzicht in de verspreiding van water en de oorzaken van wateroverlast bij extreme regenbuien die eens per 100 of 250 jaar voorkomen (T=100 en T=250), een zogenoemde stresstest.
Indien een locatie voldoet aan de eisen voor 2050, is het klimaatbestendig ingericht voor het thema wateroverlast. Voor het bestaand gebied betreft het een streefbeeld om dit op langere termijn (2050) te realiseren door middel van werk met werk te maken bij rioolvervangingen en herinrichtingen. Het betreft een streefbeeld, omdat in sommige situaties risico’s niet eenvoudig te voorkomen zijn. Dit betreft bijvoorbeeld bestaande panden welke relatief laag liggen ten opzichte van de openbare ruimte. Als er water op straat ontstaat, zijn deze gevoelig voor schade. De eigenaar van het pand heeft hier ook een eigen verantwoordelijkheid.
Bij nieuwe wijken is het een ontwerpnorm waarbij niet mag worden afgewenteld naar andere/omliggende gebieden.

Tabel 5-2: Normering wateroverlast
Indien in bestaand gebied sprake is van ernstige hinder met een frequentie van optreden van ca. 1x per 2 jaar, treft de gemeente bij de uitvoering van reconstructiewerken zodanige maatregelen, dat de kans op het optreden van ernstige hinder aanmerkelijk kleiner wordt. In geval van waterschade treft de gemeente (tijdelijke) bovengrondse kostenefficiënte maatregelen om het risico op schade te beperken.
Extreme buien worden bij voorkeur bovengronds verwerkt in plaats van ondergronds. In het streven naar een klimaatbestendige en leefbare omgeving zal het aantal bovengrondse voorzieningen voor de (tijdelijke) opslag van regenwater dan ook toenemen. Bij een eventuele introductie van water in een omgeving voert de gemeente eerst een risico-analyse uit en vindt participatie met de omgeving plaats.
Communicatie en participatie
Een groot deel van het verhard oppervlak ligt op particulier terrein en de grond is privaat eigendom. De gemeente wil meer aandacht en bewustwording voor het minder verharden van particulier en openbaar terrein. Hiermee worden piekafvoeren en schade voorkomen. De leefomgeving moet samen met burgers en bedrijven, maar ook ontwikkelaars en bouwondernemingen, verbeterd worden door bijvoorbeeld hemelwater op eigen terrein te bergen, daken te vergroenen, tegels uit de tuin te halen en meer water in de wijk vast te houden. Elke druppel telt!
Het gedrag van de gebruikers van de riolering bepaalt in grote mate de effectiviteit van de voorzieningen. Via doelgerichte actieve communicatie worden doelgroepen gestimuleerd om samen met gemeente, waterschap en andere partijen in de openbare ruimte een bijdrage te leveren aan een klimaatrobuuste omgeving. Rekening houden met verschillende doelgroepen, leefstijlen en stadia van bewustwording bij communicatie met inwoners en bedrijven verhoogt de kans op participatie.
Verantwoordelijkheid particulieren
Een perceeleigenaar is zelf ook verantwoordelijk voor het voorkomen van de schade in zijn pand bij extreme buien. Maatregelen op particulier terrein zijn de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar, zoals het op hoogte houden van het perceel en/of pand.
5.4 Bodem en water sturend

Het doel bodem en water sturend vormt een belangrijk uitgangspunt voor projecten en ontwikkelingen in relatie tot water en riolering. Op de zandgrond in de gemeente Goirle biedt de natuurlijke infiltratiecapaciteit van de bodem kansen om hemelwater lokaal vast te houden. Door regenwater zoveel mogelijk te laten infiltreren, wordt de sponswerking van de bodem versterkt. Dit draagt bij aan het aanvullen van grondwaterreserves, het beperken van verdroging en het verminderen van de belasting op het rioolstelsel.
Binnen de gemeentegrenzen komen hoogteverschillen voor. Deze verschillen vragen om een gebiedsgerichte benadering, waarbij in laaggelegen delen extra aandacht nodig is voor het voorkomen van wateroverlast, terwijl in hoger gelegen gebieden juist maatregelen nodig zijn om verdroging tegen te gaan. Door deze variatie mee te nemen in de ruimtelijke inrichting en het ontwerp van het watersysteem, kan effectief worden gestuurd op het vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren van water.
Het streven is een robuust en klimaatadaptief watersysteem, waarin bodem en water niet langer het sluitstuk vormen van ruimtelijke ontwikkeling, maar juist leidend zijn bij keuzes in inrichting, beheer en onderhoud. Ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal uitgevoerd worden, maar daarnaast moet ook aan de voorkant rekening worden gehouden met het natuurlijke bodem- en watersysteem.
Binnen de gemeente Goirle ligt één grondwaterbeschermingsgebied: Gilzerbaan. Lozingen op oppervlaktewater en/of in de bodem kunnen een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. In de gebiedsdossiers drinkwaterwinningen zijn risico’s in kaart gebracht om het grondwater (en hiermee het drinkwater) te beschermen. Met het nakomen van de afspraken in de gebiedsdossiers draagt de gemeente bij aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid om de drinkwaterbron(nen) te beschermen.
Daar waar infiltratie van hemelwater plaatsvindt bestaat een mogelijk risico op verontreiniging van de bodem of een negatief effect op eventueel aanwezige bodemverontreinigingen. In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer vindt afstemming plaats tussen de actieve spelers. De gemeente conformeert zich aan de bescherming tegen bepaalde activiteiten zoals opgenomen in de Provinciale Milieuverordening (PMV).
6 Maatregelen
6.1 Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de maatregelen die de gemeente in de komende planperiode neemt om invulling te geven aan de doelen en het beleid uit het vorige hoofdstuk. De maatregelen zijn niet per doel onderverdeeld, omdat de diverse maatregelen bijdragen aan diverse doelen. Alle bedragen in dit hoofdstuk zijn in Euro’s en duizendtallen weergegeven, exclusief BTW, prijspeil 2025.
6.2 Investeringsagenda
In tabel 6-1 staan de investeringsprojecten voor de planperiode. Voor diverse projecten is reeds krediet beschikbaar op basis van het PWR2021-2025. Voor een aantal projecten (Tijvoortsebaan, Bergstraat) is krediet beschikbaar voor de voorbereiding, maar nog niet voor de uitvoering. Voor de jaren 2028 en later moeten op basis van inspecties en berekeningen nog maatregelen uitgewerkt worden.

Afbeelding 6-1: Investeringsprojecten 2026-2030
De investeringsprojecten, zoals rondom de Van Haestrechtstraat, Abcovenseweg en Dorpsstraat, dragen bij aan de realisatie van de Klimaatboog (zie ook afbeelding 4-3). De bedragen in tabel 6-1 zijn inclusief 15% voor voorbereiding, administratie en toezicht (VAT). De investeringen per jaar zijn afhankelijk van de planning welke door interne en externe factoren kan verschuiven in de tijd.

Het investeringsbedrag van € 200.000 per jaar voor integrale klussen riolering is om werk met werk te kunnen maken, daar waar kansen ontstaan. In de komende jaren worden vanwege de onderhoudsstaat van de verharding in straten als Elzengaard, Bodepad/Urnenveld, Frankische Driehoek, Baarsven/Valeriaan/Weegbree, Melkweg/Maasbocht en Liefkenshoek mogelijk ook aanpassingen aan de riolering meegenomen. De exacte werkzaamheden zijn hier nog niet bekend. Het jaarlijkse investeringsbedrag is benodigd om kansen te kunnen benutten wanneer dergelijke straten aangepakt worden. Indien hier grotere rioolprojecten uit voortkomen, bijvoorbeeld omdat het riool in dezelfde straat aan vervanging toe blijkt te zijn, wordt daarvoor het investeringsbedrag voor “vervanging en verbetering nog in te plannen” voor ingezet.
Vergroting van de infiltratie van hemelwater in openbaar gebied is het streven bij de projecten. Dit wordt gedaan door de realisatie van infiltratievoorzieningen en het indien mogelijk verminderen van de hoeveelheid verharding. Aanleg van halfverharding, zoals grasbetonstenen bij parkeervakken, draagt hier ook aan bij. Om dit niet alleen binnen projecten te kunnen realiseren, maar ook daar waar kansen gezien worden, is in tabel 6-1 een aanvullend investeringsbedrag van € 100.000 per jaar opgenomen. Dit bedrag kan ook ingezet worden voor acties met betrekking tot klimaatadaptatie, zoals het NK tegelwippen.

Afbeelding 6-2: Aanleg van hemelwaterriool in de Bergstraat (onderdeel Klimaatboog)
6.3 Uitvoeringsagenda
6.3.1 Planvorming en onderzoek
In tabel 6-2 staan de advies- en onderzoekskosten voor de planperiode. Deze zijn verdeeld in twee activiteiten op basis van de gemeentelijke begroting. De bedragen komen overeen met de begroting 2026. Onder de tabel is beschreven welke werkzaamheden toegerekend worden aan deze posten.
|
Activiteit |
Jaarlijks |
|
Advies- en onderzoekskosten (6720001/4380002) |
120 |
|
Uitbestede werkzaamheden (6720001/4380018) |
25 |
|
Totaal |
145 |
Tabel 6-2: Kosten planvorming en ondezoek (getallen x €1000)
Meten en monitoren
Uitbestede werkzaamheden betreft bijvoorbeeld de samenwerkingsovereenkomst met waterschap De Dommel op het gebied van meten en monitoren riolering en grondwater. Er zijn afspraken gemaakt waarbij het waterschap de specialistische taken uitvoert voor meerdere gemeenten in de samenwerking om de gemeenten te ontlasten. Het inzicht uit het monitoren wordt gebruikt bij het opstellen van het Systeemoverzicht Stedelijk Water om het model te valideren en inzicht te hebben in knelpuntlocaties.
Data op orde
In het begin van de planperiode is extra aandacht benodigd voor het op orde brengen van de data in het beheersysteem (zie par 3.1). Dit is onder andere nodig om een accurate herberekening (SSW) van het stedelijk watersysteem uit te kunnen voeren. Zonder actuele gegevens kan niet getoetst worden of het systeem nog voldoet aan de normen, met risico op desinvesteringen en wateroverlast tot gevolg. De data is momenteel mede niet op orde door de overgang in de afgelopen planperiode naar een ander beheersysteem. De capaciteit en kennis om de data in dit systeem te verwerken is momenteel onvoldoende. Het is nodig om iemand in te huren om de data te verwerken en de kennis intern te verhogen. Daarnaast moet in de bestekfase beter geborgd worden dat na uitvoering van rioolwerkzaamheden tijdig een betrouwbare en volledige revisietekening wordt opgeleverd.
Systeemoverzicht stedelijk water (SSW)
Het rekenmodel dat is opgesteld in het kader van het basisrioleringsplan 2019 is niet meer actueel. In de planperiode wordt een nieuwe doorrekening gemaakt met een actueel model. In een Systeemoverzicht Stedelijk Water (SSW) wordt het gehele stedelijk watersysteem (riolering, oppervlaktewater en grondwater) beschreven en inzicht verkregen in het functioneren van het systeem als geheel.
Hiermee komt in de planperiode onder andere in beeld op welke locaties niet voldaan wordt aan de norm voor de afvoercapaciteit. De verspreiding van water op straat over het maaiveld en de gevolgen voor overlast en schade maken onderdeel uit van het SSW, een zogenaamde stresstest. Hieruit volgen daar waar nodig oplossingsrichtingen, zodat daar bij rioolvervanging rekening mee is te houden.
Met het SSW wordt ook de benodigde afvoer naar de RWZI geactualiseerd, waarbij ook naar de ontwikkelingen voor de toekomst wordt gekeken.
Inmeten overstorten
Vooruitlopend op het opstellen van een SSW worden indien nodig inmetingen uitgevoerd, bijvoorbeeld van de overstorten. Uit de nieuwe modelberekeningen volgen de overstortvolumes en frequenties van de overstorten.
Opstellen HIOR Stedelijk Water
Om standaardisatie in uitvoeringsprojecten te bereiken wordt in de planperiode een Handleiding Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) voor Stedelijk Water opgesteld. Deze gaat ook gelden voor de realisatie van uitbreidingen. Met de HIOR wordt bereikt dat aan te leggen riolering en systemen voor stedelijk water voldoen aan bepaalde minimale eisen. Onderdeel van de HIOR zijn ook eisen aan te ontwikkelen rioolgemalen.
Opstellen Groene Kansenkaart
Met input van de klimaatstresstest wordt een groene kansenkaart gemaakt. Hierop wordt in beeld gebracht waar kansen zijn om versteende plekken te vergroenen, mogelijk in combinatie met de aanleg van waterberging en infiltratie van hemelwater naar de bodem. Hierdoor wordt de leefomgeving niet alleen klimaatrobuuster, maar wordt ook de biodiversiteit en de beleving van de leefomgeving verbeterd.
Implementeren regionale klimaatscoretool
Met de Regio Hart van Brabant is gezamenlijk een regionale klimaatscoretool opgesteld. Deze klimaatscoretool wordt in de planperiode geïmplementeerd, zoals in de op te stellen HIOR, om te gebruiken bij de inrichting van nieuwe wijken.
Gebiedsgerichte Aanpak Regte Heide en Riels Laag
Regte Heide en Riels Laag liggen ten zuidwesten van Goirle in het deelgebied De Leije/Voorste Stroom. Het doel is om rondom de Regte Heide en Riels Laag het natuur- en watersysteem te optimaliseren ten behoeve van het Natura 2000-gebied en het verbeteren van de inrichting van de schil met behoud van functioneel gebruik. Met de gebiedspartijen binnen de GGA worden mogelijkheden voor het gebied verkend om tot een visie te komen. De visie wordt uitgewerkt in een plan van aanpak met concrete maatregelen.
Regels opnemen in het omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de landelijke lozingsbesluiten (AMvB’s) en de aansluitregels uit het Bouwbesluit vervallen. De regels hieruit zijn als zogenaamde bruidsschat van rechtswege automatisch opgenomen in het gemeentelijke Omgevingsplan en de Waterschapsverordening. De gemeente en het waterschap kunnen vervolgens besluiten of en hoe ze deze regels willen aanpassen in het Omgevingsplan en de Waterschapsverordeningen.
De gemeente gaat met de Omgevingsdienst (OMWB) in de planperiode in overleg over de eventuele aanpassing van regels in het Omgevingsplan. Deze regels gaan niet alleen over wat aangesloten moet en mag worden op het riool (afval-, hemel- en grondwater/bronneringen) en bij welke afstand tot het bestaande riool, maar ook hoe. In 2029 vervalt binnen de Omgevingswet ook de mogelijkheid voor het hebben van een Aansluitverordening. Regels hieromtrent worden in het Omgevingsplan opgenomen.
Onderzoek foutaansluitingen
Er is momenteel geen inzicht in het aantal foutaansluitingen in de gemeente. In de planperiode wordt hier in samenwerking met het waterschap meer aandacht aan besteed na het gereedkomen van de Klimaatboog.
Op drukriolering en vuilwaterstelsels mag geen hemelwater aangesloten zijn. Indien op basis van meldingen, metingen of eigen waarnemingen een vermoeden bestaat op foutaansluitingen, wordt daar onderzoek naar uitgevoerd.
Controle door OMWB
Controle op indirecte lozingen, zoals bedrijfsmatige afvalwaterlozingen, vindt in opdracht van de gemeente plaats door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). In de planperiode wordt deze samenwerking geëvalueerd. Het is belangrijk om de krachten te bundelen om elkaar te versterken en samen te zorgen voor een optimaal functionerende afvalwaterketen. Waar nodig leidt de evaluatie tot een aanpassing van de bestaande afspraken en werkwijzen. Vooralsnog is geen rekening gehouden met extra benodigd budget.
Communicatie
Door voorlichting wordt ervoor gezorgd dat in het afvalwater zo min mogelijk stoffen zitten die daar niet in thuis horen. Op dit moment is er geen communicatiestrategie om hier voldoende aandacht aan te schenken, mede door capaciteitsgebrek. In de planperiode wordt hiervoor in overleg met de collega’s van Communicatie een pragmatisch communicatieplan gemaakt. Het streven is daarbij de wijze van communicatie zo doelmatig mogelijk in te vullen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van samenwerkingsverbanden en landelijke campagnes.
Evalueren afkoppelsubsidie
De afkoppelsubsidie is succesvol, maar kost wel veel administratieve handelingen waardoor de perceptiekosten hoog zijn. In de planperiode wordt de subsidieregeling geëvalueerd en wordt besloten of en hoe verder wordt gegaan met deze regeling.
Evalueren hemel- en grondwaterverordening
In 2021 is de hemel- en grondwaterverordening ingevoerd. In de planperiode wordt deze geëvalueerd. Zijn de gehanteerde eisen nog voldoende en doelmatig of is hier aanpassing op benodigd en hoe verloopt de uitvoering, toetsing en handhaving. Daarnaast wordt bekeken of de verordening al geïntegreerd kan worden in het Omgevingsplan.
6.3.2 Dagelijks beheer en onderhoud
Om het stedelijk watersysteem goed te laten functioneren wordt dagelijks beheer en onderhoud uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn het verhelpen van meldingen en storingen, reinigen en inspecteren van riolen, zuigen van kolken, reinigen en onderhoud van gemalen en het uitvoeren van reparaties naar aanleiding van inspecties. Jaarlijks worden in het openbaar gebied reparaties uitgevoerd aan kapotte huisaansluitingen, kolkaansluitingen, verstopte en vervuilde leidingen en verzakkingen in de weg door lekke riolering.
De 111 km gemengde en vuilwaterriolen worden op basis van risicogestuurd beheer gereinigd en met een videocamera geïnspecteerd. Gemiddeld betreft dit ongeveer 10% van de leidingen per jaar.
De 15 hoofdgemalen, 5 gemalen van de bergbezinkvoorzieningen en 93 drukrioolunits worden via een langjarig contract risicogestuurd gereinigd en geïnspecteerd conform de BRL. Met behulp van de inspectieresultaten wordt jaarlijks het reparatie- en vervangingsprogramma voor de gemalen bepaald.
|
Activitei t |
Jaarlijks |
|
Vrijevervalriolering (6720002/4380018) |
200 |
|
Drukriolering en gemalen (6720003/4380018) |
85 |
|
Kolken (6720004/43800018) |
85 |
|
Huisaansluitingen (6720101 en 6720005/43800018) |
55 |
|
Waterbeheer (6720006/43800018) |
60 |
|
Beheer wadi's (nog niet op de begroting) |
25 |
|
Reiningen wegen (6720010/43800019) |
220 |
|
Totaal |
7 05 |
Tabel 6-3: Dagelijks beheer en onderhoud (getallen x €1000)
Storingen aan gemalen en drukrioleringspompunits komen direct binnen op de centrale hoofdpost en deze storingen worden binnen 24 uur verholpen. Doordat de medewerkers dagelijks het functioneren van de gemalen via dit systeem beoordelen en afwijkend gedrag signaleren, worden veel problemen voorkomen. Voor storingen aan gemalen die de gemeente zelf niet op kan lossen, heeft de gemeente een meerjarig contract met een onderhoudsaannemer.
De circa 10.000 kolken worden via een risicogestuurd contract beheerd en gereinigd. Om te zorgen voor een goede doorstroming en voldoende waterdiepte worden de watergangen jaarlijks gemaaid en waar nodig gebaggerd.
In de planperiode wordt een evaluatie gedaan van de risicogestuurde aanpak om deze waar nodig te verbeteren en efficiënter te maken.
6.3.3 Facilitair/overig
Naast de andere kosten in dit hoofdstuk worden kosten gemaakt voor bijvoorbeeld electriciteitsgebruik door de gemalen of voor de inning van de rioolheffing.
In de planperiode wordt verder gegaan met acties om de bewustwording en de infiltratie van hemelwater naar de bodem door inwoners en bedrijven te vergroten, zoals de subsidieregeling voor afkoppelen.
|
Activiteit |
Jaarlijks |
|
Contributies en abonnementen (6720001/4380011) |
5 |
|
Licenties (6720001/4380020) |
13 |
|
Subsidies (6720001/4420101) |
20 |
|
Elektriciteit (6720003/4380006) |
75 |
|
Telefonie (6720003/4380021) |
6 |
|
Verzekeringen (6720003/4380034) |
1 |
|
Inning rioolheffing (6720008/4380018) |
83 |
|
Totaal |
203 |
Tabel 6-4: Facilitair/overig (getallen x €1000)
7 Middelen
7.1 Personele capaciteit
In hoofdstuk 3 Evaluatie is geconstateerd dat capaciteitstekort mede een oorzaak is van het niet volledig uitvoeren van de geplande maatregelen in de afgelopen planperiode.
De ervaring van de afgelopen jaren is dat er vooral capaciteitsgebrek is op het gebied van voorbereiden van de geplande rioolprojecten. Ten behoeve van onderzoeks- en beleidsvragen is ondersteuning gevonden in de vorm van inhuur en het projectmatig uitbesteden van deze vraagstukken.
In de ramingen voor de nieuwe investeringsprojecten is rekening gehouden met 15% van de kosten voor voorbereiding, administratie en toezicht (VAT) op basis van de kentallen van de Kennisbank Stedelijk Water. Dit budget kan besteed worden aan het inhuren of aantrekken van ondersteuning op het gebied van voorbereiding en projectleiding van de geplande rioolvervangingen en verbeteringen. Deze uren komen niet ten laste van de exploitatie, maar worden geboekt op de investeringskredieten. Op deze manier moet voldoende capaciteit gevonden kunnen worden voor de uitvoering van de projecten.
|
Omschrijving |
Omschrijving |
Kosten [€] |
|
Personeelslasten Riolering |
Fysiek loonkosten |
346 |
|
Overhead |
111% over loonkosten |
384 |
|
Beleid en uitvoering Riolering |
Inhuur fysiek |
48 |
|
Totaal |
- |
778 |
Tabel 7-1: Exploitatiekosten exclusief BTW (getallen x €1000)
7.2 Financiële middelen
7.2.1 Investeringen en kapitaallasten
Voor de planperiode zijn de benodigde investeringen in beeld gebracht, zie paragraaf 6.2 en tabel 6-1.
Op basis van het rioolbeheerbestand en een theoretisch verwachte levensduur van 70 jaar is een raming gemaakt van de jaarlijkse vervangingskosten van de riolering op lange termijn, na 2030, zie afbeelding 7-1. Ook voor de gemalen, drainage en bergbezinkvoorzieningen zijn de verwachte vervangingsinvesteringen meegenomen. De verwachte investeringen zijn berekend op basis van eenheidsprijzen van de Kennisbank Stedelijk Water (zie bijlage 4). De eenheidsprijzen per meter riool zijn, afhankelijk van de leidingdiameter, met circa 50% gestegen ten opzichte van de gehanteerde eenheidsprijzen in het PWR2021-2025. Dit is grotendeels een gevolg van indexatie en daarnaast van een actualisatie van de eenheidsprijzen in de Kennisbank Stedelijk Water.
Ten behoeve van klimaatadaptatie is tot en met 2050 rekening gehouden met een bedrag van € 340,- per meter te vervangen gemengd riool. Geraamd is dat dit de meerkosten zijn om gelijktijdig met de vervanging van een gemengd riool een hemelwaterriool ø 400 mm mee te leggen. Het op deze manier bepaalde jaarlijkse budget kan ook ingezet worden voor andere klimaatadaptieve maatregelen, zoals verminderen van verharding (vergroenen) en aanleg van infiltrerende waterbergingsvoorzieningen.
De verwachte investeringen zijn per periode van 10 jaar gemiddeld om uitschieters te dempen. Op basis van de leeftijdsopbouw van de riolering wordt verwacht dat de vervangingsopgave na 2030 fors gaat toenemen. De totale vervangingswaarde over de periode 2031-2040 is zo verdeeld dat de jaarlijkse opgave geleidelijk oploopt naar de jaarlijkse vervangingsopgave voor de periode 2041-2050.
Op basis van rioolinspecties wordt bekeken of een riool aan vervanging toe is, waarbij dit zoveel mogelijk tegelijk met herinrichtingswerkzaamheden gepland wordt.

Afbeelding 7-1: Investeringen planperiode en lange termijn
Investeringen worden niet direct afgeboekt uit de egalisatievoorziening, maar omgezet naar een boekwaarde op de balans. Over de boekwaarde wordt jaarlijks rente betaald en een deel afgeschreven. De optelling van afschrijving en rente zijn de kapitaallasten.
De meeste riolen zijn bij aanleg betaald uit de grondexploitatie en veroorzaken daarom nog geen kapitaallasten voor de rioolheffing. In het verleden, tot en met 2024, zijn echter wel investeringen uitgevoerd die tot kapitaallasten leiden, zoals het vervangen van riolering, het verbeteren van het systeem, de aanleg van drukriolering in het buitengebied en aanleg van bergbezinkbassins. Deze investeringen hebben een restant boekwaarde op de balans en de jaarlijkse kapitaallasten komen ten laste van de voorziening riolering. In afbeelding 7-2 zijn deze weergegeven. De boekwaarde hiervan is in 2026 circa € 23 miljoen. Deze loopt ten gevolge van de afschrijvingen terug naar 0 rond 2075. Het rentepercentage over de bestaande boekwaarde is 0,5%.
De boekwaarde van nog uit te voeren investeringen voor vervanging van riolering loopt op van 0 naar ruim € 80 miljoen rond 2070. Voor de rente over nieuwe investeringen wordt tot en met 2030 gerekend met 1,0%, daarna met 2,0% in verband met de verwachte stijging van de rente.
Het feit dat de meeste riolen betaald zijn uit de grondexploitatie en pas na vervanging tot kapitaallasten leiden, zorgt voor een forse toename van de kapitaallasten in de toekomst, zoals te zien is in afbeelding 7-2. Dit is de belangrijkste oorzaak van de benodigde stijging van de rioolheffing zoals beschreven wordt in paragraaf 7.3.
De bedragen in de afbeeldingen 7-1 en 7-2 zijn exclusief inflatie.

Afbeelding 7-2: Boekwaarde en kapitaallasten
7.3 Kostendekking
7.3.1 Huidige rioolheffing
De rioolheffing wordt zowel van eigenaren als gebruikers geheven, van woningen en niet-woningen, zie tabel 7-2. De meeste huishoudens vallen qua gebruikerstarief in de klasse tot en met 130 m³. De raad heeft met de begrotingsbehandeling eind 2025 reeds vastgesteld dat het tarief in 2026 met 2,5% stijgt ten opzichte van 2025.
|
Categorie |
|
|
Eigenaar |
Tarief [€]
|
|
Woningen |
182,88 |
|
Niet-wonignen |
192,61 |
|
Garageboxen |
54,80 |
|
Gebruiker naar drinkwaterverbruik |
Tarief [€]
|
|
Verbruik t/m 130 m3 |
34,80 |
|
Verbruik 130 m3 t/m 250 m3 |
52,20 |
|
Verbruik van 251 m3 t/m 500 m3 |
168,72 |
|
Verbruik van 501 m3 t/m 750 m3 |
225,60 |
|
Verbruik van 751 m3 t/m 1.000 m3 |
279,96 |
|
Verbruik 1.001 m3 t/m 2.500 m3 |
561,60 |
|
Verbruik 2.501 m3 t/m 5.000 m3 |
1.124,08 |
|
Verbruik 5.001 m3 t/m 10.000 m3 |
2.254,08 |
|
Verbruik 10.001 m3 en meer |
11.270,88 |
Tabel 7-2: Rioolheffing 2026
7.3.2 Benodigde rioolheffing
De kostendekkingsberekeningen plus de overige gehanteeerde uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 3.
In de egalisatievoorziening is per 1 januari 2025 € 2,1 miljoen aanwezig. Zonder stijging van de heffing is de egalisatievoorziening aan het eind van de planperiode, eind 2030, € 0,5 miljoen negatief. Hierbij is aan de kostenkant rekening gehouden met een jaarlijkse inflatie van circa 2,2%. Aan de batenkant, de rioolheffing, is hierbij nog geen indexatie doorgevoerd.
De rioolheffing dient in de planperiode dus te stijgen om te voorkomen dat de voorziening negatief wordt. Bij een jaarlijkse stijging ingaande 2027 gelijk aan de inflatie van 2,2% is de egalisatievoorziening eind 2030 nog circa € 0,2 miljoen positief, maar wordt deze een jaar later alsnog negatief. Om op langere termijn een positieve egalisatievoorziening te behouden is een jaarlijkse stijging van de heffing met 4,2% benodigd. Dit is inclusief indexatie.
In tabel 7-3 is het verloop van het tarief met en zonder inflatie weergegeven voor een huishouden dat een aanslag krijgt voor eigenaar plus gebruiker bij een waterverbruik van minder dan 130 m³/jaar. De meeste huishoudens behoren tot deze tariefsklasse. Het tarief in 2026 is gelijk gehouden aan het tarief in 2025. Als geen rekening wordt gehouden met inflatie, is de komende jaren een jaarlijkse stijging van de rioolheffing van 2,5% benodigd.
|
Jaar |
Tarief met inflatie |
Tarief zonder inflatie |
|
2026 |
€ 217,68 |
€ 217,68 |
|
2027 |
€ 226,82 |
€ 223,12 |
|
2028 |
€ 236,35 |
€ 228,70 |
|
2029 |
€ 246,28 |
€ 234,42 |
|
2030 |
€ 256,62 |
€ 240,26 |
Tabel 7-3: Totaal tarief eigenaar+gebruiker tot 130 m3
Na 2049 wordt een lagere stijging van de rioolheffing verwacht, welke dan in lijn is met de verwachte inflatie.
De landelijk gemiddelde rioolheffing was in 2025 € 246,44. Het tarief van de gemeente Goirle stijgt in 2030 naar verwachting naar € 256,62. Het is te verwachten dat de landelijk gemiddelde rioolheffing ook zal stijgen in de planperiode.
In afbeelding 7-3 zijn het verwachte tarief van de rioolheffing en het verloop van de voorziening riolering tot en met 2035 weergegeven.

Afbeelding 7-3: Verloop tarief rioolheffing (eigenaar+gebruiker woning) en voorziening
Bijlage II Taken en bevoegdheden
Taken en bevoegdheden
|
Instantie |
Taken en bevoegheden |
|
Europa |
Op 22 december 2000 is de Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW is
een Europese richtlijn, die bedoeld is om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater
op goed niveau te krijgenen te houden. In 2027 moeten alle EU-lidstaten voldoen aan
de doelendie de Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt. |
|
Rijk |
Het Rijk is verantwoordelijk voor het nationale beleidskader en destrategische doelen
en maatregelen voor het waterbeheer in Nederland. Op grond van Europese regelgeving
en de nationale Waterwet stelt het Rijk iedere 6 jaar een Nationaal Water Programma
op (NWP 2022-2027). Het programma bevat het nationale waterbeleid en de uitvoering
in derijkswateren. |
|
Provincie |
De provincie is verantwoordelijk voor de vertaling van het rijksbeleid naar een regionaal
beleidskader en voor strategische regionale opgaven. De provincie is opsteller van
het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Het is onderdeel van het planstelsel
voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Waterprogramma (NWP) en
de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. De provincie is tevens bevoegd gezag
voor vergunningverlening, het toezicht en handhaving vanonderstaande grondwateronttrekkingen
en -infiltraties: |
|
Waterschappen |
De waterschappen zijn als waterbeheerder verantwoordelijk voor het operationeel regionaal
waterbeheer. Het beheer van regionale KRW waterlichamen is in handen van de waterschappen.
Het waterschap draagt zorg voor droge voeten (veiligheid), schoon, voldoende en aantrekkelijk
water. Conform artikel 3.7 uit de Omgevingswet stelt de waterbeheerder periodiek een
Waterbeheerprogramma op, wat rekening houdt met het Regionale Waterprogramma. |
|
Gemeente |
De gemeente heeft drie wettelijke watertaken ten aanzien van stedelijk waterbeheer: |
|
Drinkwaterbeheerder |
Drinkwaterbedrijven zorgen voor schoon drinkwater. Overheden die (in)direct betrokken
zijn bij de bescherming van drinkwater hebben een verantwoordelijkheid voor de invulling
van de zorgplicht drinkwater. Deze zorgplicht is opgenomen in de Drinkwaterwet. De
zorgplicht drinkwater geldt zowel voor de bescherming van bronnen van drinkwater als
voor de infrastructuur. |
|
Omgevingsdienst |
De Omgevingsdienst is een overheidsorganisatie die als primaire taak heeft om vergunningverlening,
toezicht en handhaving uit te voeren op milieugebied (VTH-milieutaken). |
|
Perceeleigenaar |
De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor de staat van zijn woning en perceel. Dit
betekent dat hij zelf verantwoordelijk is voor het op eigen perceel treffen van maatregelen
om de waterdichtheid te garanderen en voor de inzameling van stedelijk afvalwater
en overtollig hemel- en grondwater. Pas als de perceeleigenaar zich redelijkerwijs
niet kan ontdoen van het overtollige hemel- en grondwater, ligt er een taak voor gemeente
of waterschap. |
Bijlage IV Kostendekkingsberekening
Kostendekkingsberekening
Uitgangspunten
Voor de kostendekking en de berekening van de rioolheffing in hoofdstuk 7 zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
-
Nieuwe investeringen worden gekapitaliseerd. Jaarlijks wordt afschrijving en rente ten laste gebracht van de voorziening riolering. Afschrijving start in het eerste jaar na uitvoering van het werk;
-
Voor elektromechanische onderdelen van gemalen geldt een afschrijvingstermijn van 15 jaar, voor overige elementen is de afschrijvingstermijn 50 jaar;
-
Voor nog te realiseren investeringen wordt uitgegaan van een rentepercentage van 1% tot en met 2030. Vanaf 2031 wordt 2% gehanteerd;
-
Voor de boekwaarde van investeringen tot en met 2025 wordt uitgegaan van een rentepercentage van 0,5%;
-
Per 1 januari 2025 is de stand van de egalisatievoorziening € 2.127.407;
-
BTW wordt berekend over de exploitatiekosten behalve loonkosten, overhead, subsidies en verzekeringen;
-
De rioolheffing wordt zowel van eigenaren als gebruikers geheven, van woningen en nietwoningen. Het gebruikersdeel wordt geheven op basis van het aantal kubieke meters water dat in de laatst aan het belastingtijdvak voorafgaande afrekenperiode jaar) van Brabant Water naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. De meeste huishoudens vallen qua gebruikerstarief in de klasse tot en met 130 m³;
-
De totale inkomsten uit rioolheffing bedragen in 2025 € 2.607.219 en in 2026 volgens begroting € 2.649.640;
-
In de berekening is gewerkt met een theoretisch aantal eenheden door de totale inkomsten uit rioolheffing te delen door het totale tarief van eigenaar+gebruiker van een huishouden met een waterverbruik van minder dan 130 m³/jaar. De meeste huishoudens behoren tot deze tariefsklasse. Het totale tarief hiervoor bedraagt in 2026 € 217,68. Afgerond betekent dit dat voor 2026 is gerekend met 12.172 eenheden;
-
Jaarlijks wordt 0,36% van de rioolheffing kwijtgescholden;
-
Op basis van de woningbouwprognose wordt uitgegaan van een groei van de gemeente met 200 woningen per jaar tot en met 2034;
-
Voor elke extra woning wordt rekening gehouden met € 62,82 extra exploitatiekosten per jaar op basis van het IMBK;
-
De eenheidsprijzen uit de Kennisbank Stedelijk Water zijn op basis van de CBS index 4221 voor civieltechnische werken en bouw geïndexeerd naar prijspeil oktober 2024 (2025 nog niet bekend);
-
In de raming van de vervangingswaarde op lange termijn is ervan uitgegaan dat 10% van de vrijvervalriolen gerelined wordt in plaats van vervangen, waarvoor een 60% lagere eenheidsprijs gehanteerd is dan voor vervangen;
-
Vervangingskosten voor het elektromechanische deel van drukrioleringsunits, gemalen en bergbezinkbassins zijn getotaliseerd, waarna op basis van een gemiddelde vervangingstermijn van 15 jaar een gemiddelde investering per jaar is aangehouden. Voor het bouwkundige deel van gemalen en drukrioleringsunits is uitgegaan van een gemiddelde vervangingstermijn van 50 jaar;
-
De totale vervangingskosten van de bergbezinkvoorzieningen zijn uitgespreid over de 10-jarige periode tussen 2061 en 2070, circa 70 jaar na aanleg.






Toelichting:
-
Eenheidsprijzen op basis van de Kennisbank Stedelijk Water, exclusief BTW, prijspeil 2025
-
Mech staat voor mechanische riolering (persleiding, drukleiding)
-
vv staat voor vrijvervalriolering
-
Het getal staat voor de diameter in mm
-
Een 0 betekent dat de diameter onbekend is
Niet inbegrepen:
-
ingrijpende maatregelen kabels en leidingen
-
vergunningen en leges
-
funderingsmaatregelen anders dan grondverbetering
-
damwanden


Bijlage V Verwerking reacties waterschappen
Verwerking reacties waterschappen
|
Indiener |
Reactie over |
Reactie |
Verwerking |
|
Waterschap Brabantse Delta |
Algemeen |
Benoem specifiek debijdrage van het programmaaan de KRW-doelstelling |
|
|
Waterschap de Dommel |
Algemeen |
Hoe wordt concreet omgegaan met de waterkwaliteit. Verwijs bijvoorbeeld naar de KRW
impuls. Nu staat er over indirecte lozingen dat er alleen naar de evaluatie van de
Omgevingsdienst wordt gekeken in deze planperiode. De vraag is of dit voldoende is
voor de aankomende jaren. |
Par 4.4.4 uitgebreid. We gaan de samenwerking met de Omgevingsdienst evalueren om
de controle op de indirecte lozingen te verbeteren. |
|
Waterschap de Dommel |
Paragraaf 3.3 Natte kelders |
|
Geen aanpassing.In par 4.4.3 is reeds een afzonderlijke alinea opgenomen over de verantwoordelijkheden
van particulieren. In de planperiode gaan we conform het PWR een communicatieplan
opstellen, daarin kunnen we meenemen welke punten meer aandacht nodig hebben. Op de
website van de gemeente wordt al verwezen naar www.riool.info, waarop bewoners ook kunnen vinden welke verantwoordelijkheid
zij zelf hebben, bijvoorbeeld ten aanzien van waterdichtheid van het huis. |
|
Waterschap de Dommel |
Paragraaf 4.4.3 Grondwateroverlast |
Vraag me af of het klopt dat gemeente geen taak heeft bij tijdelijke problemen al
helemaal als de frequentie hiervan toeneemt. Ook vraag waar verantwoordelijkheden
liggen bij structurele hoge grondwaterstanden wordt zo niet beantwoord. Als is het
maar in het kader van welzijn en veiligheid. Daarnaast wordt het waterschap aangegeven
dat zij ‘ook een rol’ hebben lijkt me goed om die te duiden. |
Geen aanpassing. Als de frequentie van tijdelijke problemen toeneemt, kan sprake gaan
zijn van structureel nadelige gevolgen. Daarna komt de vraag waar de verantwoordelijkheid
ligt, die is per situatie verschillend op basis van de omstandigheden en de oorzaak
van het probleem. Een natte kelder is bijvoorbeeld verantwoordelijkheid van de particulier.
Als de grondwaterstand structureel te hoog is in het openbaar gebied, dan kan de gemeente
maatregelen overwegen. Dit is zo beschreven in het PWR. |
|
|
Paragraaf 4.4.3 Ontwateringsdiepte op basis van GHG |
Dit zou inhouden dat deze fluctueert. Namelijk als er een aantal natte jaren zijn
met een hoge grondwaterstand gaat het gemiddelde omhoog. Dat terwijl de gegevens worden
gepresenteerd als statische gegevens. Het is van belang om voornamelijk bij nieuwe
ontwikkelingen al onderzoek uit te voeren t.b.v. het grondwater door z.s.m. peilbuizen
te plaatsen. Vaak zien we dat een geohydrologische onderbouwing aan het einde van
de planvorming wordt opgesteld, maar een kwalitatieve onderbouwing van de GHG is dan
beperkt. Het verzoek zou zijn om zo vroeg mogelijk peilbuizen te plaatsen om representatieve
data op te bouwen m.b.t. de grondwaterstand. |
Geen aanpassing. We hebben een gemeentebreed grondwatermeetnet samen met het waterschap
De Dommel en Brabant Water opgezet, wat bij ontwikkelingen mede gebruikt kan worden
om een beeld te hebben van optredende grondwaterstanden. Bijvoorbeeld rondom Bakertand
staan al enige jaren peilbuizen met dit doel. We zijn het er mee eens dat bij ontwikkelingen
tijdig gestart moet worden met het aanvullend onderzoeken van de optredende grondwaterstanden,
maar dit is wel een verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar, waar we ze wel op wijzen.
We kunnen dit in de HIOR opnemen, voor omvangrijke locaties, zoals Bakertand, of Ontwikkeling
Rondom Riel. |
|
|
Paragraaf 4.4.3 Voorkeurs-volgorde lozen overtollig grondwater |
Wat vinden we daarvan; doorbreken van storende lagen? Dit lijkt een algemene trits
te zijn, maar duidelijkheid over het doorbreken van storende lagen en dit nader beschrijven
is wenselijk. |
Geen aanpassing. Het waterschap denkt vermoedelijk aan andere storende lagen, dan hier bedoeld zijn. De context en het kopje waar deze onder valt gaat dit over grondwateroverlast bij particulieren door schijngrondwaterspiegels. Dan is er sprake van stagnerend regenwater in de neerwaartse stroming naar het grondwater. Oplossen van dergelijke situaties is voor rekening van de grondeigenaar. Voor ons is het hier een achtervang met richting, om geen verantwoordelijkheid van particulieren over te nemen. In die context lijkt een nadere beschrijving niet nodig. |
|
|
Paragraaf 4.4.4 |
In verband met een bronaanpak is het zinvol als bedrijven aan moeten geven wat zij
lozen op de gemeentelijke riolering. Op deze manier krijgen we met elkaar inzichtelijk
welke stoffen waar geloosd worden die met bijvoorbeeld een vergunning worden vastgelegd.
Daarnaast kan het PWR iets zeggen over nieuwe aansluitingen. |
Geen aanpassing. Bedrijven moeten voldoen aan het BAL. Bij het opstellen van Omgevingsplanregels kunnen we gezamenlijk beoordelen wat we op willen nemen in het Omgevingsplan. Nieuwe aansluitingen zijn beschreven in 4.4.2. |
|
Waterschap De Dommel |
Paragraaf 4.4.4Foute aansluitingen |
“Samen met de waterschappen wordt bepaald waar daadwerkelijk sprake is van een knelpunt.”
Staan wij hier gezamenlijk met gemeente voor aan de lat? |
Geen aanpassing. Het waterschap is waterkwaliteitsbeheerder. Als het waterschap of de gemeente ergens een mogelijk knelpunt constateert, dan is in principe eerst het waterschap als waterkwaliteitsbeheerder aan zet om de mogelijke oorzaak in te schatten. Als sprake is van een groot aantal verkeerde aansluitingen met substantieel effect, dan pakt de gemeente dat onderzoek op. |
|
Waterschap De Dommel |
Paragraaf 4.5.3Klimaatbestendig inrichten openbare ruimte |
“Niet ten koste van de beheerbaarheid;” Wat dit betekent wordt niet toegelicht en
heeft de potentie om zeer ruim te worden uitgelegd. |
Verduidelijkt in 4.5.3. Dit zal wel een wat breder begrip blijven. In het HIOR wordt hier verdere detailinvulling aan gegeven. |
|
Waterschap De Dommel |
Paragraaf 4.6 |
Hier zou ik graag opgepakt zien worden dat bij nieuwe ontwikkellocaties de gemeente
kijkt naar mogelijkheden op de hoge ruggen (koppen) om zo in de lagergelegen gedeelte
ruimte te houden voor water en in de flanken gronden beschikbaar te houden voor landbouw.
Daarnaast een harde uitspraak dat gezien de klimaatveranderingen het niet wenselijk
is om in beekdalen te bouwen. |
Geen aanpassing. Water en Bodem sturend is beschreven als “het hanteren van water en bodem als ruimtelijke keuzes”. De ruimte in Nederland is op, het gevecht om de ruimte duurt voort. Het is laveren tussen de opgaven die meervoudig op locaties worden gestapeld. In andere stukken, zoals de omgevingsvisies, de SRBT-ontwikkelagenda wordt richting gegeven aan ontwikkellocaties. Dat lijkt een passendere plek, om deze ruimte te vragen voor water en dit wordt ook gedaan in onze omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat in 3.1.6 ook al dat de beekdalen zoveel mogelijk onbebouwd moeten blijven. Er zijn ook andere belangen, zoals erfgoed, natuur en drinkwaterbescherming. Niet alle hoge koppen zijn passend voor ontwikkellocaties. Bijvoorbeeld de hoge kop de Regte heide: Een hoge kop die enkele millennia geleden ook al bewoond was, nu een natura 2000 gebied, met voldoende discussie rondom de grootste drinkwaterwinning van Brabant. Ruimtelijke ontwikkelingen gaan verder dan dit PWR. De generieke wens om boven op de bult te ontwikkelen kunnen we in dit Programma niet harder opschrijven, dit bindt de gemeente teveel over een locatie waar we dat ook niet willen. leidende principes bij |
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl


