Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767259
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767259/1
Beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer van Waterschap Zuiderzeeland 2027
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-01-2027
Intitulé
Beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer van Waterschap Zuiderzeeland 2027Het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland;
gelezen het voorstel van het college van Dijkgraaf en Heemraden d.d. 8 september 2026;
overwegende dat,
het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen omtrent
het compenseren van de toename van verharding en versnelde afvoer.
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; en artikel 1.15 en paragraaf 3.2.16 Toename verharding van de Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland.
b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregel:
Compensatie toename verharding en versnelde afvoer van Waterschap Zuiderzeeland 2027
Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer Waterschap Zuiderzeeland 2027
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Inleiding, doelen en begripsbepaling
- 1.
De beleidsregel geeft invulling aan de beoordelingsruimte die het waterschap heeft bij de vergunningverlening voor het aanleggen van verhard oppervlak. Compensatie verharding is verder geregeld in paragraaf 3.2.16 en artikel 1.15 van de Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland.
- 2.
De beleidsregel is gericht op het voorkomen van afwenteling van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem en behoud van robuustheid van het watersysteem.
- 3.
De beleidsregel is van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2027. Deze beleidsregel is ook van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2027, maar niet volledig waren. Hierop uitgezonderd zijn aanvragen die onder de overgangsrechtelijke bepalingen in de Waterschapsverordening van Waterschap Zuiderzeeland vallen.
- 4.
In deze beleidsregel gelden de volgende definities:
- a.
Alternatieve berging: Voorzieningen waarbij hemelwater tijdelijk wordt vastgehouden, opgeslagen of geïnfiltreerd buiten het open watersysteem, zoals in infiltratievoorzieningen, bergingsvijvers of tijdelijk op maaiveld, mits aantoonbaar bijdragend aan de bergingscapaciteit en het functioneren van het watersysteem.
- b.
Maximaal toelaatbare peilstijging: Het verschil tussen het maximaal toelaatbaar peil (peil waarbij net geen inundatie optreedt in een peilgebied) en het (hoogste) streefpeil.
- c.
Ontwateringsbasis: De grondwaterstand die bereikt wordt na een droge periode en dan bij benadering overeenkomt met: a) het peil in de waterlopen; of b) de hoogteligging van de drainagebuizen of diepte tot waar de kleischuren reiken; of c) de bodem van sloten op het moment van droogvallen.
- d.
Oppervlaktewaterlichaam: Samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna.
- e.
Peilgebied: Een waterstaatkundige eenheid waar één waterpeil wordt nagestreefd.
- f.
Plangebied: Een geografisch afgebakend gebied waarvoor het plan geldt.
- g.
Verhard oppervlak: Een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig ter plaatse in de bodem kan komen en daardoor wordt afgevoerd naar de riolering en/of een oppervlaktewaterlichaam. Voorbeelden zijn daken, bestrating en kassen.
- a.
Hoofdstuk 2 Beoordelingsregels compensatie toename verharding en versnelde afvoer
Artikel 2. Bepaling toename verhard oppervlak
- 1.
Onder verharding wordt verstaan een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig ter plaatse in de bodem kan komen en daardoor wordt afgevoerd naar de riolering en/of een oppervlaktewaterlichaam. Voorbeelden zijn daken, bestrating en kassen.
- 2.
De omvang van de toename van verharding wordt bepaald ten opzichte van de peildatum 1 januari 2027.
Artikel 3. Bergingsnorm
- 1.
De bergingsnorm schrijft voor hoeveel m3 water er geborgen moet worden per 100 m2 toename van verhard oppervlak. De hoogte van de bergingsnorm bedraagt 10,2 m3 per 100 m2 toename verhard oppervlak.
- 2.
Voor ontwikkelingen in natuurgebieden is de bergingsnorm, zoals beschreven in het eerste lid, niet standaard van toepassing. De initiatiefnemer dient bij ontwikkelingen in natuurgebieden aan te tonen dat de verharding niet leidt tot een toename van de afvoer uit het gebied of leidt tot andere nadelige waterhuishoudkundige effecten naar de omliggende gebieden. Indien het waterschap dit noodzakelijk acht, wordt een nadere hydrologische berekening worden gevraagd.
Artikel 4. Wijze van compenseren
- 1.
Voor de ontwikkeling en het behoud van een robuust watersysteem geldt dat de compensatie van de toename van verhard oppervlak wordt uitgevoerd in de vorm van berging in een oppervlaktewaterlichaam. Het nieuw te creëren oppervlaktewaterlichaam dient in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem. De compensatie wordt bij voorkeur gerealiseerd binnen het plangebied waarin de toename van het verhard oppervlak plaatsvindt.
- 2.
Wanneer de realisatie van berging in een oppervlaktewaterlichaam binnen het plangebied aantoonbaar niet mogelijk is, wordt de compensatie in oppervlaktewater buiten het plangebied, maar binnen hetzelfde peilgebied uitgevoerd, in directe nabijheid van het plangebied. Het nieuw te creëren oppervlaktewaterlichaam dient in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem.
- 3.
Wanneer de realisatie van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in het eerste lid respectievelijk het tweede lid aantoonbaar niet mogelijk is zonder peilverhoging, kan bij wijze van uitzondering compensatie in een oppervlaktewaterlichaam met een nieuw peilgebied worden gerealiseerd.
- 4.
Indien de aanleg van een oppervlaktewaterlichaam, al dan niet gestuwd, aantoonbaar niet of slechts deels mogelijk is, kan (een deel van) de compensatieopgave worden ingevuld met alternatieve vormen van berging binnen het plangebied, mits deze aantoonbaar bijdragen aan de bergingscapaciteit en het robuust functioneren van het watersysteem.
- 5.
Voor het ontwerp van de alternatieve vormen van berging als bedoeld in het vorige lid gelden de volgende uitgangspunten:
a. De alternatieve vorm van berging is gelegen in het plangebied.
b. De (combinatie van) alternatieve berging moet robuust worden aangelegd.
c. De leegloopsnelheid van de alternatieve berging is 15 mm/dag (richting oppervlaktewater of grondwater).
d. Het functioneren van de alternatieve berging moet naar de toekomst toe behouden blijven.
e. Het functioneren van de alternatieve berging mag niet leiden tot degeneratie van de waterkwaliteit van het watersysteem dat in verbinding staat met de berging.
f. In geval van bergingsvijvers wordt de bergingsschijf berekend door de ruimte tussen maaiveld en de ontwateringsbasis te nemen.
- 6.
Compenseren in een gietwaterbassin, als alternatieve vorm van berging, is toegestaan mits het bassin een aantoonbaar goede werking heeft om hemelwater op te vangen, te bergen en weer vertraagd los te laten op het oppervlaktewaterlichaam.
- 7.
Wanneer de compensatieopgave volledig door berging in een oppervlaktewaterlichaam ingevuld kan worden, maar het vanwege maatschappelijke redenen gewenst is om alternatieve vormen van berging toe te passen, is dat mogelijk onder de volgende voorwaarden:
a. de voorgestelde maatregelen aantoonbaar bijdragen aan de bergingscapaciteit en het robuust functioneren van het watersysteem; en
b. de alternatieve vormen van berging bedragen maximaal 25% van de totale compensatieopgave, tenzij het waterschap gemotiveerd instemt met een hoger percentage.
- 8.
Indien geen toepassing kan worden gegeven aan de hiervoor genoemde leden, en de compensatieopgave aantoonbaar niet volledig binnen het plangebied of het peilgebied waarin het plangebied gelegen is gerealiseerd kan worden, treedt de initiatiefnemer tijdig in overleg met het waterschap over de mogelijkheden van compensatie elders.
Artikel 5. Moment van realisatie compensatiemaatregelen
- 1.
De vereiste compensatiemaatregelen worden vooraf of uiterlijk gelijktijdig gerealiseerd met de aanleg van de nieuw te realiseren verharding waarvoor de compensatie is vereist.
- 2.
Indien een ontwikkeling gefaseerd wordt uitgevoerd, wordt per fase bepaald wat de toename van verhard oppervlak is. De compensatiemaatregelen die nodig zijn voor die fase worden vooraf of uiterlijk gelijktijdig met de aanleg van de verharding binnen die fase gerealiseerd.
Artikel 6. Beheer en onderhoud van compensatiemaatregelen
- 1.
In de vergunning worden in ieder geval de volgende voorschriften opgenomen:
a. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de aangelegde compensatiemaatregelen.
b. De vergunninghouder dient aan te tonen dat het beheer en onderhoud structureel geborgd is, bijvoorbeeld via een onderhoudsplan.
- 2.
Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien in de vergunning of via een schriftelijke overeenkomst anders is overeengekomen, bijvoorbeeld via een (erf)pachtovereenkomst of maatwerkovereenkomst stedelijk water.
Hoofdstuk 3 Slotbepalingen
Artikel 7. Intrekking oude beleidsregel
De Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer, vastgesteld op 26 maart 2013, wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregel in werking treedt.
Artikel 8. Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2027.
- 2.
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer Waterschap Zuiderzeeland 2027.
Toelichting
Artikel 1. Inleiding, doelen en begripsbepaling
Lid 1.
Beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de bepalingen uit de Waterschapsverordening. Met de beleidsregels geeft het waterschap invulling aan zijn bevoegdheden die volgen uit de Waterschapsverordening. In dit geval geeft de beleidsregel toename verharding en versnelde afvoer invulling aan de beoordelingsruimte die het waterschap heeft bij de vergunningverlening voor het aanleggen van verhard oppervlak. De beleidsregel verduidelijkt de wijze waarop aanvragen beoordeeld worden en onder welke voorwaarden compensatie gerealiseerd kan worden. De weging van het waterbelang ondersteunt de planvorming; de juridische toets vindt plaats bij de vergunningverlening op basis van het op dat moment geldende beleid.
Deze beleidsregel vormt het toetsingskader bij vergunningverlening voor activiteiten zoals bedoeld in paragraaf 3.2.16 en artikel 1.15 van de Waterschapsverordening van Waterschap Zuiderzeeland.
Deze beleidsregel biedt een eenduidige basis voor de berekening en uitvoering van compensatie van verharding. Tegelijk vraagt de toepassing in de praktijk vaak om overleg met het waterschap, omdat lokale omstandigheden en de aard van het initiatief kunnen verschillen. Zeker wanneer er verplichting tot weging van het waterbelang is (artikel 5.37 Bkl).
Het waterschap kan maatwerk toepassen wanneer de standaardregels onvoldoende passend zijn.
Lid 2.
Toename van verharding leidt tot een versnelde afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dat heeft een negatief effect op het regionale watersysteem. Om een robuust watersysteem te behouden en toekomstbestendig in te richten, is het noodzakelijk dat nieuwe ontwikkelingen hun effecten niet afwentelen op het regionale watersysteem.
Daarom hanteert Waterschap Zuiderzeeland het uitgangspunt dat de toename van verhard oppervlak gecompenseerd wordt, door middel van de aanleg van open water en/of door middel van alternatieve vormen van berging.
Lid 3.
Deze beleidsregel is van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2027. Voor aanvragen die vóór 1 januari 2027 zijn ingediend en op dat moment volledig waren, blijft de beleidsregel gelden zoals die van kracht was ten tijde van de indiening van de aanvraag.
Voor aanvragen die vóór 1 januari 2027 zijn ingediend maar niet volledig waren, geldt deze beleidsregel. Een onvolledige aanvraag kan nog niet inhoudelijk worden beoordeeld. Op het moment dat de aanvraag wordt aangevuld en volledig is, vindt de beoordeling plaats aan de hand van het dan geldende beleid. Hiermee wordt voorkomen dat door het indienen van een onvolledige aanvraag aanspraak kan worden gemaakt op toepassing van verouderd beleid.
Artikel 2. Bepaling toename verhard oppervlak
Lid 1.
Bij nieuwe ontwikkelingen is de inrichting en het gebruik van industrieterreinen, particuliere tuinen en erven op de lange termijn onzeker. Voor industrieterreinen wordt uitgegaan van een verharding van 100% van het uitgeefbaar terrein, tenzij in het omgevingsplan of projectbesluit een maximaal verhard oppervlak is opgenomen. Voor woningbouw wordt uitgegaan van een verharding van 80% van het uitgeefbaar terrein. Indien in een omgevingsplan, projectbesluit of een ander bindend document maximale verhardingspercentages zijn vastgelegd, hanteert het waterschap die waarden als uitgangspunt. Deze standaardwaarden bieden een eenduidig rekenkader voor situaties waarin de inrichting nog niet vaststaat en sluiten aan bij de te verwachten verhardingsgraad op de lange termijn. Voor overige functies wordt uitgegaan van de feitelijke verharding volgens het plan voor de betreffende ontwikkeling.
Bij toepassing van doorlatende verharding (doorgroeibare verharding, waterdoorlatende verharding, waterpasseerbare verharding en halfverharding) geldt dat deze verhardingen standaard worden meegeteld als verhard oppervlak bij de vaststelling van de compensatieplicht. In de Flevolandse bodem werkt de infiltratiecapaciteit van standaard doorlatende verharding onvoldoende en de effectiviteit neemt af in de loop van de tijd door gebruik. Aanleg, beheer en onderhoud en omgevingsfactoren spelen hierbij een rol. Wanneer kan worden aangetoond dat de doorlatende verharding bij ingebruikname een blijvend infiltratievermogen heeft, kan er een gedeeltelijke vrijstelling van compensatie plaatsvinden. Hierbij moet worden aangetoond dat de effectiviteit van infiltratie naar de ondergrond kan worden blijven gewaarborgd in de tijd. Aangetoond moet worden dat er een doorlatende fundering en toplaag is aangebracht van samen minimaal een 25 centimeter, de onderkant van de funderingslaag boven ghg (gemiddelde hoogste grondwaterstand) ligt en dat een beheer en onderhoudsplan of -contract aanwezig is. In dat geval wordt de verharding meegerekend als 50% verhard.
Zonneparken worden aangemerkt als verhard oppervlak, tenzij er maatregelen worden getroffen waarmee water lokaal kan infiltreren en versnelde afvoer van water naar het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen. Retentiedijken zijn hier een voorbeeld van.
Lid 2.
De definitie van verhard oppervlak is van belang om te kunnen berekenen hoeveel extra verhard oppervlak wordt toegevoegd en daarmee hoe groot de compensatieopgave is.
Bij het berekenen van de compensatieopgave wordt gekeken naar de toename van verhard oppervlak in het plangebied ten opzichte van de peildatum 1 januari 2027. Daarbij wordt gekeken naar de netto verandering van het verhard oppervlak binnen het plangebied ten opzichte van die peildatum. De datum 1 januari 2027 is gekozen omdat het de eerste dag is na de inwerkingtreding van herziening van de bepalingen in de Waterschapsverordening over toename verharding en vrijstelling van de vergunningplicht bij een beperkte toename.
Wanneer sprake is van samenhangende ontwikkelingen, bijvoorbeeld van afzonderlijke delen binnen hetzelfde initiatief, wordt de toename van verhard oppervlak in samenhang beoordeeld.
Artikel 3. Bergingsnorm
Lid 1.
Bij de berekeningen van de hoogte van de bergingsnorm is rekening gehouden met zowel de al opgetreden klimaatverandering als de toekomstige klimaatverandering. De bergingsnorm is gebaseerd op de KNMI-klimaatscenario’s uit 2023, het scenario 2085-hoog. Deze gaat uit van een opwarming van 3,25 graden Celsius.
De hoogte van de bergingsnorm is afgeleid van regenduurlijnen en de afvoercapaciteit van het watersysteem. Neerslag op het verharde gebied wordt ten opzichte van onverhard gebied versneld afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem (en dus niet geïnfiltreerd en/of geborgen in de bodem of op het maaiveld). Deze versnelde afvoer moet worden geborgen om afwenteling naar het regionale watersysteem te voorkomen. De berging die daarvoor nodig is, is bepaald door van de neerslaghoeveelheid die eens per 100 jaar wordt overschreden de ontwerpafvoercapaciteit van het oppervlaktewatersysteem af te trekken. Dit is geïllustreerd in onderstaand figuur.
In de figuur staan de neerslaghoeveelheden en benodigde bergingshoeveelheden
die bij de eerste versie van deze beleidsregel golden (data uit 2010/ blauw lijn), de benodigde berging als er naar het huidige klimaat gekeken wordt (2023; oranje lijn) en de benodigde berging als ook de toekomstverwachtingen rondom klimaatverandering zijn meegenomen (groene lijn).
De bergingsnorm van 10,2 m3 per 100 m2 verhard oppervlak staat gelijk aan 102 l/m2 en 102 mm.
Voor het berekenen van de berging kan de initiatiefnemer de kaart met maximaal toelaatbare peilstijging per peilvak raadplegen via de online informatievijver van het waterschap. De maximaal toelaatbare peilstijging verschilt per peilvak en vormt een uitgangspunt voor de berekening van de benodigde berging. Deze gegevens zijn niet opgenomen in de beleidsregel zelf, omdat het gaat om gebiedsgegevens die afzonderlijk worden beheerd en beschikbaar gesteld. De benodigde gegevens zijn opgenomen in de kaart compensatie verharding in de informatievijver van het waterschap, die via de website van het waterschap kan worden geraadpleegd.
De KNMI-klimaatscenario’s zijn leidend bij het bepalen van de norm. Wanneer er nieuwe klimaatscenario’s en bijbehorende neerslagstatistieken worden gepubliceerd, wordt de norm opnieuw afgeleid (naar verwachting elke 6-8 jaar). Het voornemen tot actualiseren en de te doorlopen procedure wordt door het waterschap gecommuniceerd. De beleidsregel wordt vervolgens aangepast op de KNMI-klimaatscenario’s en neerslagstatistieken. Hiervoor wordt een formele vaststellingsprocedure doorlopen. Na besluitvorming treedt de herziene beleidsregel met vertraging van één jaar in werking.
Rekenvoorbeeld
In een peilgebied met een maximaal toelaatbaar peil van 1 m boven streefpeil wordt een plan uitgewerkt met een verhard oppervlak van 20.000 m2. De compensatie vraagt om 10,2 m3/100 m2 verharding. Dat betekent een berging van 20000 m2 * 10,2 m3 / 100 m2 = 2040 m3 berging binnen het plangebied.
Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door een vijver aan te leggen direct aan de langs het gebied lopende bestaande tocht. Zowel de vijver als de oevers bergen water. In dit voorbeeld wordt de vijver gerealiseerd met een oeverlengte van 200 meter met een talud van 1:4 rondom de vijver (oftewel een oever van 4 meter breed bij 1 m stijging). De oever levert een berging van: 1 m maximaal toelaatbare peilstijging * 200 m oever * 4 m oeverbreedte * 0,5 (oppervlak van een driehoek) = 400 m3. De vijver heeft dan een inhoud van 2040 m3 - 400 m3 = 1640 m3. Bij een maximaal toelaatbaar peil van 1 m levert dat een oppervlak van 1640 m2. De vijver en de oever geven dan samen invulling aan de totale compensatieopgave van 2040 m3 berging.
Lid 2.
In natuurgebieden wijken de hydrologische omstandigheden vaak af van stedelijke en agrarische gebieden. De aanwezigheid van natuurlijke laagten, infiltratiemogelijkheden, retentiegebieden en bestaande waterberging maakt dat toepassing van een generieke bergingsnorm niet altijd passend is. Daarom geldt voor ontwikkelingen in natuurgebieden geen automatische compensatieplicht op basis van de standaard bergingsnorm. Wel blijft het uitgangspunt dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van de afvoer uit het gebied of tot afwenteling van waterhuishoudkundige effecten. Het waterschap kan hierbij, afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling, een hydrologische onderbouwing verlangen.
Artikel 4. Wijze van compenseren
Lid 1.
Het aanleggen van berging in de vorm van een oppervlaktewaterlichaam draagt bij aan een robuust watersysteem. Bij voorkeur wordt het oppervlaktewater aangesloten op het omliggende polderpeil zodat versnippering van peilgebied wordt voorkomen.
Realisatie in het plangebied heeft de voorkeur, omdat het water dan zo dicht mogelijk bij de ontwikkellocatie geborgen wordt. Daarmee wordt afwenteling van de effecten van de toename van verharding naar omliggende gebieden en plangebied voorkomen.
Bij het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam mag de waterkwaliteit niet degenereren en moet rekening gehouden worden met de waterkwaliteitsdoelen.
Lid 2.
Indien het aantoonbaar niet mogelijk is om te compenseren door het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam binnen het plangebied, bijvoorbeeld vanwege hoge maatschappelijke kosten of omdat het waterhuishoudkundig ongewenst of inefficiënt is, wordt gezocht naar mogelijkheden om te compenseren door oppervlaktewater in hetzelfde peilgebied in directe nabijheid van het plangebied. De initiatiefnemer moet dit onderbouwen. Aandachtspunt is dat er mogelijk extra aanpassingen nodig zijn om ervoor te zorgen dat het water op de geplande locatie kan komen. Deze extra aanpassingen zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Lid 3.
Vanuit de robuustheid van het watersysteem heeft de realisatie van een oppervlaktewaterlichaam in open verbinding met het watersysteem de voorkeur. Het waterschap wil versnippering van peilgebieden voorkomen. Alleen wanneer is onderbouwd dat compensatie binnen het bestaande peilgebied technisch of waterstaatkundig niet uitvoerbaar is, kan het waterschap overwegen bij wijze van uitzondering een nieuw peilgebied toe te staan. In dat geval worden aanvullende eisen gesteld aan de inrichting.
Om afwenteling te voorkomen dient de stuw zo gedimensioneerd of een beweegbare stuw geautomatiseerd te worden zodat de afvoer over de stuw maximaal 15 mm/dag is. Bij een geautomatiseerde stuw kan dit eventueel gecombineerd worden met dynamisch peilbeheer, waarbij pas water wordt vastgehouden/geborgen als het benedenstroomse pand waterstandsverhoging heeft. De stuw is bij voorkeur vispasseerbaar.
Als de peilverhoging beperkt is tot maximaal 50 cm boven het streefpeil van het bestaande (of dan ontvangende peilgebied) kan er ook voor worden gekozen om de stuw ruimer te dimensioneren en de compensatie te realiseren tussen het hogere peil en het maximaal toelaatbare peil van het ontvangende peilgebied. Dit betekent hoogstwaarschijnlijk wel dat het oppervlak aan berging groter wordt.
Lid 4.
Wanneer het (volledig) realiseren van de compensatieopgave door berging in een oppervlaktewaterlichaam aantoonbaar niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege lokale omstandigheden (zoals opbarstingsrisico, archeologie, waterkwaliteit), maatschappelijke kosten of wanneer dat vanwege toegevoegde maatschappelijke waarde aan de ontwikkeling/plangebied wenselijk is, staat het waterschap toe dat een deel van de compensatieopgave gerealiseerd wordt door alternatieve vormen van berging. De initiatiefnemer moet dit onderbouwen, aan de hand van de ontwerpuitgangspunten zoals beschreven in lid 5 van dit artikel.
Net als bij compenseren in een oppervlaktewaterlichaam geldt bij compenseren met een alternatieve vorm van berging dat deze robuust wordt aangelegd. Dit betekent dat het versnipperd aanleggen van berging zo veel mogelijk moet worden voorkomen. En dat de alternatieve berging indien mogelijk wordt aangesloten op het omliggende polderpeil.
Lid 5.
- 1.
Voor het robuust functioneren van een alternatieve vorm van berging is het nodig om deze in het plangebied van de verharding worden gerealiseerd.
- 2.
Er kunnen in het plangebied meerdere vormen van alternatieve berging aangelegd worden. Om de totale berging zo robuust mogelijk te maken, is het wenselijk dat er zo min mogelijk versnippering is van alternatieve bergingen door het plangebied heen. De voorkeur gaat uit naar zo veel mogelijk clusteren van dezelfde type berging.
- 3.
De alternatieve berging moet zo ontworpen worden dat het water dat in de berging wordt geborgen vertraagd tot afvoer komt richting oppervlaktewater.
- 4.
De waterbergende functie van de alternatieve berging moet naar de toekomst toe behouden blijven. Dit vraagt zowel iets van het ontwerp, de aanleg en het beheer en onderhoud van de berging. Omdat uit de praktijk blijkt dat bepaalde alternatieve vormen van berging na verloop van tijd de waterbergende functie deels verliezen is het nodig dat hiermee rekening wordt gehouden in het ontwerp. Dit kan door het toevoegen van een overcapaciteit in het ontwerp. Vervolgens is het van belang dat de berging zodanig wordt aangelegd dat het functioneren ervan kan worden gecontroleerd (zowel bij de aanleg/oplevering als ten behoeve van toekomstig beheer en onderhoud). Daarnaast moeten er afspraken worden gemaakt en vastgelegd over beheer en onderhoud van de berging (zie voor de bepalingen artikel 8).
- 5.
Het water dat in de alternatieve berging wordt geborgen zal gecontroleerd worden afgevoerd (zie bepaling lid 5.b). Indien de alternatieve berging afvoert op het oppervlaktewatersysteem, dient bij het ontwerp van de berging (zowel qua vorm als qua locatie) rekening te worden gehouden met de waterkwaliteitsdoelen van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De waterkwaliteit mag niet achteruitgaan en waar mogelijk moet gezocht worden naar de mogelijkheid om de waterkwaliteit te verbeteren.
Lid 6.
Compenseren in een gietwaterbassin is toegestaan mits er voldaan wordt aan specifieke voorwaarden. De initiatiefnemer moet dit onderbouwen.
- 1.
Het gietwaterbassin wordt aangelegd ten gunste van het hergebruik van hemelwater.
- 2.
De vertraagde afvoer is gerealiseerd door middel van een afknijpconstructie in de afvoerleiding.
- 3.
De berging van het hemelwater kan worden opgeslagen in de bergingsschijf van het gietwaterbassin (de ruimte tussen de afknijpconstructie en de overstort) en dus niet het gehele bassin kan worden meegeteld als compensatie.
- 4.
De bergingsschijf moet in 24 uur volledig leeg kunnen lopen om te kunnen reageren op de volgende bui in (extreem) natte periodes. Dit heeft betrekking tot de diameter van de afknijpleiding.
- 5.
De leegloopsnelheid van het gietwaterbassin is maximaal 15 mm/dag (richting oppervlaktewater). Dat is ongeveer gelijk aan 1,7 liter per seconde per hectare. Dat is het uitgangspunt voor de diameter van de afvoerleiding.
- 6.
Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden met de waterkwaliteitsdoelen van de omliggende oppervlaktewaterlichamen. De waterkwaliteit mag niet achteruitgaan en waar mogelijk moet worden gezocht naar de mogelijkheden om de waterkwaliteit te verbeteren. Het hemelwater in het gietwaterbassin mag niet gemeld zijn met andere bronnen, zoals bijvoorbeeld condenswater uit de kas.
Lid 7.
Het invullen van de compensatieopgave door het aanleggen van berging in een oppervlaktewaterlichaam heeft de voorkeur. Dit draagt het beste bij aan een robuust watersysteem. Tegelijkertijd erkennen we dat initiatiefnemers behoefte hebben aan het toepassen van alternatieve vormen van berging, ook wanneer dit niet strikt noodzakelijk is. Deze oplossingen kunnen meerdere maatschappelijke doelen dienen, zoals een aantrekkelijkere leefomgeving, vergroening, verkoeling of ruimte voor recreatie. Om deze belangen in balans te brengen biedt het waterschap ruimte om in overleg met het waterschap tot gedeeltelijke invulling van de compensatieopgave met alternatieve vormen van berging te komen. De uitgangspunten zoals omschreven in lid 5 zijn hierop van toepassing.
Als beleidsmatige bovengrens wordt uitgegaan van een aandeel van maximaal 25% van de totale compensatieopgave, tenzij in overleg met het waterschap gemotiveerd anders wordt besloten.
Lid 8.
Indien het niet mogelijk is om de volledige compensatieopgave binnen het plangebied of peilgebied te realiseren, is het noodzakelijk om met het waterschap in overleg te treden. Dit overleg is bedoeld om te komen tot een oplossing die past binnen het hydrologische systeem. Het realiseren van de compensatieopgave door oppervlaktewater in het peilgebied benedenstrooms is dan een mogelijkheid. Het waterschap geeft aan wanneer dit haalbaar is. Een robuust watersysteem en het voorkomen van afwenteling staan daarbij centraal. Wanneer dit vanuit robuustheid van het watersysteem bezien gewenst is, kan het waterschap ook in andere gevallen verzoeken om berging middels oppervlaktewaterlichaam in het peilgebied benedenstrooms te realiseren.
Artikel 5. Moment van realisatie compensatiemaatregelen
Lid 1.
Door de compensatiemaatregelen vooraf of gelijktijdig met de aanleg van nieuwe verharding te realiseren is de benodigde waterberging tijdig geborgd. Zo blijft het regionale watersysteem in balans en wordt voorkomen dat er een tijdelijk tekort aan bergingscapaciteit ontstaat. Dat draagt bij aan een robuust watersysteem en het voorkomen van wateroverlast in het plangebied of peilgebied. In het geval van gelijktijdig aanleggen van de compensatie met de verharding geldt dat eventuele negatieve gevolgen daarvan voor risico en rekening zijn van de initiatiefnemer.
Lid 2.
Bij gefaseerde ontwikkelingen is het vaak niet doelmatig om de verharding in één keer aan te leggen. Daarom mag de berging per fase worden gerealiseerd, gekoppeld aan de feitelijke toename van verhard oppervlak per fase. Hiervoor is overleg met het waterschap nodig.
Indien een ontwikkeling gefaseerd wordt vergund, geldt voor elke fase de bergingsnorm die van kracht is op het moment van vergunningverlening voor die fase. Indien de initiatiefnemer kiest voor een integrale vergunning voor het gehele plan, geldt de bergingsnorm die van kracht is op het moment van verlenen van die vergunning voor alle fasen. In dat geval wordt de volledige compensatieopgave in één keer beoordeeld. Dat betekent dat de aanvrager bij de vergunningaanvraag alle relevante gegevens moet aanleveren die nodig zijn om de benodigde compensatieomvang vast te stellen en de uitvoerbaarheid van de maatregelen te beoordelen.
Artikel 6. Beheer en onderhoud van compensatiemaatregelen
Lid 1.
Door de verantwoordelijkheid voor beheer en onderhoud bij de vergunninghouder te leggen, is duidelijk wie zorg draagt voor het blijvend functioneren van de compensatiemaatregelen. Dit geldt voor alle typen maatregelen die in dit kader getroffen worden, zowel voor berging in open water als alternatieve vormen van berging.
Om te waarborgen dat de compensatiemaatregel duurzaam en effectief blijft functioneren vraagt het waterschap om inzicht in de wijze waarop het beheer en onderhoud (op de lange termijn) geregeld is. Dat kan bijvoorbeeld met een onderhoudsplan of beheercontract.
Lid 2.
In sommige gevallen kan het wenselijk zijn dat het beheer en onderhoud door een andere partij dan de vergunninghouder wordt uitgevoerd. Dat kan het geval zijn wanneer een compensatiemaatregel deel uitmaakt van het regionale watersysteem, of wanneer de vergunninghouder niet de beheerder of gebruiker van de grond is.
Artikel 7. Intrekking oude beleidsregel
Deze beleidsregel vervangt de Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer zoals deze is vastgesteld op 26 maart 2013. Dit artikel regelt de intrekking van deze oude beleidsregel.
Artikel 8. Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel regelt de inwerkingtreding en de citeertitel voor formele publicaties.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl