Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767245
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767245/1
Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân d.d. 22 september 2026 houdende regels omtrent de openstelling van de Regeling Europese Landbouwsubsidies provincie Fryslân 2023-2027, paragraaf 2.3 Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven (Openstellingsbesluit GLB-NSP Groenblauwe dooradering in Zuidoost Friesland op landbouwbedrijven 2026 provincie Fryslân)
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 02-10-2026
Intitulé
Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân d.d. 22 september 2026 houdende regels omtrent de openstelling van de Regeling Europese Landbouwsubsidies provincie Fryslân 2023-2027, paragraaf 2.3 Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven (Openstellingsbesluit GLB-NSP Groenblauwe dooradering in Zuidoost Friesland op landbouwbedrijven 2026 provincie Fryslân)Gedeputeerde Staten van Fryslân,
Gelet op artikel 1.3, derde lid, van de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022;
Gelet op artikel 1.2 van de Regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 provincie Fryslân;
BESLUITEN
Het volgende openstellingsbesluit vast te stellen:
Artikel 1 Begripsbepalingen
In aanvulling op de definities, als bepaald in artikel 1.1 van de regeling, wordt in dit openstellingsbesluit verstaan onder:
- a.
ANB kansgebieden: onder het LVVN Rijksbeleid worden enkele prioritaire gebieden aangeduid voor de inzet van extra ANB middelen (zie Contourenbrief agrarisch natuurbeheer, 29 november 2024, LVVN). Eén van de twee prioritaire gebieden voor de extra inzet van ANB middelen zijn de gebieden nabij/rondom stikstofgevoelige N2000 gebieden. Hier komen verschillende groenblauwe opgaven en financiële middelen om te werken aan deze opgaven samen. Het gebied in het kader van deze middelenstroom noemen we vooralsnog een ANB kansgebied. Het kansgebied waarvoor deze subsidie van toepassing is zijn de gebieden rondom 5 stikstofgevoelige N2000 gebieden in Zuidoost Friesland namelijk: Van Oordt’s Mersken, Wijnjeterper Skar, Bakkeveense Duinen, Fochtelooerveen en Drents-Friese Wold. De geografische begrenzing van het ANB-kansgebied is opgenomen in bijlage 2.
- b.
autochtoon: Autochtone soorten (ook wel genetisch inheems genoemd) zijn natuurlijke inheemse selecties die zelfstandig meer dan 100 jaar zichzelf in stand houden in een bepaald gebied;
- c.
biodiversiteit: alle soorten planten en dieren die voorkomen en thuishoren in het landschap, met zijn specifieke kenmerken, waar het project plaatsvindt (inheems, autochtoon);
- d.
Catalogus Groenblauwe Diensten: de Catalogus Groenblauwe Diensten bevat onder andere kwaliteits- en uitvoeringsrichtlijnen. Catalogus Groenblauwe Diensten - BIJ12;
- e.
cultuurhistorische kaart: digitale kaart met topografische informatie, cultuurhistorische elementen en structuren van de provincie Fryslân, www.fryslan.frl/chk;
- f.
groenblauwe dooradering: kleine natuurlijke landschapselementen die ons landschap in belangrijke mate vormgeven. Als bovengrens wordt 1.5 hectare aangehouden. Om die reden wordt ook wel gesproken van kleine landschapselementen (KLE). Deze kunnen als punten, lijnen of vlakken aanwezig zijn: aanvalsplan-landschap.pdf, en zowel een houtig, kruidenrijk of nat karakter hebben: handreiking-groenblauwe-dooradering-nader-gedefinieerd-aanvalsplan-landschap.pdf
- g.
hoofdwatergang: is onderdeel van hoofdwateren zoals vermeld in de beleidsregels Integrale Legger, par. 3.3. van het Wetterskip Fryslân;
- h.
inheems: soorten die van nature in een bepaald gebied voorkomen zoals beschreven in Duistermaat, H. L.B. Sparrius en T. Denters (2021) Standaardlijst van de Nederlandse flora 2020. Standaardlijst van de Nederlandse flora 2020.pdf Tabel 1 aangegeven met oorspronkelijk inheems
- i.
KRW: Kaderrichtlijn Water, de Europese richtlijn die tot doel heeft uiterlijk in 2027 een goede chemische en ecologische waterkwaliteit te bereiken in alle Europese oppervlaktewateren en grondwateren en de lidstaten verplicht de daartoe noodzakelijke maatregelen te nemen;
- j.
KRW-doelen: doelen gericht op een betere waterkwaliteit, waarmee voldaan wordt aan de vereisten van de Kaderrichtlijn Water. Deze doelen zijn voor Fryslân beschreven in de KRW-nota’s 2022-2027;
- k.
KRW-maatregelen: maatregelen die bijdragen aan de realisatie van de Friese KRW-doelen;
- l.
KRW-nota’s: betreft de Notitie KRW in Fryslân, de nota waarin de provincie Fryslân de doelen en op hoofdlijnen de maatregelen samenvat voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2022-2027, en betreft de KRW-beslisnota 2022-2027 d.d. 23 november 2021 van het Wetterskip Fryslân, beide te vinden op http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR704864;
- m.
landbouwgronden: Een aaneengesloten stuk landbouwareaal, waaronder begrepen aangrenzende landschapselementen die officieel ter beschikking van de landbouwer staan, en waarvan de eigenaar in het bezit is van een bedrijfsregistratienummer (BRS) ofwel relatienummer RVO;
- n.
landschapselementen: hout, water en overige landschappelijke elementen en die omschreven staan in de visie Grutsk op ‘e Romte, de Landschapstypenkaart, of Cultuurhistorische Kaart zoals deze weergegeven zijn op respectievelijk www.fryslan.frl/grutsk, (cultuurhistorische kaart) www.fryslan.frl/chk en www.fryslan.frl/landschapstypenkaart.
- o.
landschapstypen: landschapstypen zoals aangegeven in de structuurvisie Grutsk op ‘e Romte en op de digitale Landschapstypenkaart van de provincie Fryslân, www.fryslan.frl/grutsk en www.fryslan.frl/landschapstypenkaart;
- p.
natuurvriendelijk inrichten: door middel van inrichting optimaal habitat/leefgebied creëren voor waterplanten, waterrietgroei, vis en overige waterdieren, waarbij het grootste deel in potentie begroeibaar is voor waterplanten;
- q.
niet productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;
- r.
regeling: Regeling Europese landbouwsubsidies 2023-2027 provincie Fryslân zoals vastgesteld op 5 december 2023 te vinden op http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR709340;
- s.
regionaal waterprogramma: het regionale waterplan bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet, waarin de provincie de hoofdlijnen van het in Fryslân te voeren waterbeleid vastlegt, voor de periode 2022-2027. Dit beleid is gericht op de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast en de inrichting van watersystemen met voldoende en schoon water. Het Regionaal waterprogramma is door Provinciale Staten van Fryslân vastgesteld in de 1e week van juli 2022 en is te vinden onder de volgende link https://www.fryslan.frl/regionaal-waterprogramma-20222027?origin=/rwp;
- t.
SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;
- u.
topografische kaart 1950: te vinden via www.topotijdreis.nl, selecteren op jaartal;
- v.
vasthouden van water: het tijdelijk of gedurende langere tijd opslaan van water om schade als gevolg van wateroverlast en/of watertekorten tegen te gaan;
- w.
waterkwaliteitsbaggeren: het verwijderen van nutriëntenrijke bagger ter verbetering van de waterkwaliteit;
- x.
watersystemen: een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken.
Artikel 2 Subsidiabele activiteiten
- 1.
Overeenkomstig artikel 2.3.1 van de regeling kan subsidie worden verstrekt voor niet productieve investeringen op landbouwbedrijven.
- 2.
Overeenkomstig artikel 2.3.1 van de regeling kan subsidie uitsluitend worden verstrekt als de activiteit bijdraagt aan minimaal één van de volgende doelen:
- a.
matiging van en aanpassing aan klimaatverandering of bevorderen van duurzame energie;
- b.
bevorderen van duurzame ontwikkeling of efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen;
- c.
het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterking van ecosysteemdiensten of instandhouding van habitats of landschappen.
- a.
- 3.
Als uitwerking van lid 2 wordt met betrekking tot de uit te voeren maatregelen, als onderdeel van de totale subsidieaanvraag, alleen subsidie verstrekt voor maatregelen opgenomen in de in Bijlage 1 bij dit openstellingbesluit bijgevoegde maatregelenlijst.
De uit te voeren maatregelen dienen plaats te vinden op of aanpalend aan landbouwgrond binnen het ANB-kansgebied Zuidoost-Fryslân, zoals indicatief begrensd op de kaart in Bijlage 2.
Artikel 3 Doelgroep
In overeenstemming met artikel 2.3.2 van de regeling kan subsidie zoals bedoeld in artikel 2 worden verstrekt aan:
- a.
een agrarisch collectief, te weten een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond;
- b.
een landbouworganisatie, te weten een organisatie in de agrarische sector die aantoonbaar zowel de economische als de sociale belangen van de ondernemers in de agrarische sector behartigt;
- c.
een organisatie voor landschapsbeheer, te weten een organisatie die aantoonbaar gericht is op het beheer van natuur of landschap; of
- d.
een samenwerkingsverband van landbouwers.
Artikel 4 Openstellingsperiode
-
1. Subsidieaanvragen voor activiteiten zoals bedoeld in dit openstellingsbesluit kunnen worden ingediend van 5 oktober 2026 9:00 uur tot en met 23 oktober 2026 17:00 uur.
-
2. Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode door SNN is ontvangen via het daarvoor ontwikkelde webportaal: http://www.snn.nl/programmas/glb-23-27.
Artikel 4a
Overeenkomstig artikel 1.14, onder b, van de regeling beslissen Gedeputeerde Staten binnen 22 weken na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
Artikel 5 Subsidieplafond
Het beschikbare subsidieplafond voor de periode zoals bepaald in artikel 4, eerste lid, van dit openstellingsbesluit bedraagt € 890.000,-- bestaande uit 100% nationaal aanvullende ANB investeringsmiddelen, ontvangen op 29-05-2026 in de DU ANB investeringsmiddelen Friesland.
Artikel 6 Hoogte subsidie
-
1. Overeenkomstig artikel 2.3.7, eerste lid, van de regeling bedraagt de subsidie voor activiteiten als bedoeld onder artikel 2, derde lid van dit openstellingsbesluit, 100% van de subsidiabele kosten.
-
2. In afwijking van het eerste lid en conform artikel 2.3.7, tweede lid, van de regeling, bedraagt de subsidie 70% van de subsidiabele kosten voor investeringen in het watersysteem indien de activiteit van invloed is op de beschikbaarheid van water (kwantiteit). Dit kan van toepassing zijn op de watergerelateerde maatregelen 7, 8 en 9 van Bijlage 1..
-
3. De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 500.000,-- en maximaal € 890.000,--.
-
4. Op de subsidie zoals bedoeld in het derde lid zijn de regels inzake subsidie op basis van arrangement 3 zoals bedoeld in artikel 1.7, eerste lid onder c, in artikel 1.18, derde lid en in artikel 1.21 van de regeling van toepassing.
Artikel 7 Subsidiabele kosten
-
1. In overeenstemming met artikel 2.3.5 eerste en tweede lid van de regeling komen alleen kosten als bedoeld in artikel 1.8, onder a, b en e, voor subsidie in aanmerking.
-
2. In afwijking op artikel 1.10 van de regeling komen kosten als bedoeld in artikel 1.10, onder e, uitsluitend voor niet-overheden, voor subsidie in aanmerking.
-
3. De subsidiabele kosten worden berekend volgens de in artikel 1.9b of de in artikel 1.9c, eerste lid, onder a en het tweede lid van de regeling genoemde berekeningswijze.
Artikel 8 Niet subsidiabele kosten
Overeenkomend artikel 2.3.6 van de regeling en in aanvulling op artikel 1.10 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
- a.
investeringen in het watersysteem waar uitsluitend landbouwers van profiteren;
- b.
eventuele afvoer- en stortkosten van vrijkomende grond, puin of bagger;
- c.
plant- en zaaigoed dat niet inheems of autochtoon is.
Artikel 9 Subsidievereisten
Onverminderd artikel 1.6 en artikel 2.3.3 van de regeling en in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3 van de regeling:
- 1.
Dient een subsidieaanvraag te worden ingediend bij Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân via het SNN door middel van een daarvoor ontwikkelde webportal dat bereikbaar is via de website van http://www.snn.nl/programmas/glb-23-27.
- 2.
Wordt een aanvraag voor subsidie ingediend met gebruikmaking van een volledig, door SNN verstrekt, ingevuld projectplan format, vergezeld van de van toepassing zijnde bijlagen. In aanvulling op artikel 1.6 van de regeling bevat de aanvraag in elk geval:
- a.
een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- b.
een begroting voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- c.
een toelichting of onderbouwing op de begroting, bijvoorbeeld door middel van één of meerdere offertes, een standaardsystematiek voor kostenramingen (SSK) of een duidelijk kostenoverzicht op basis van het Handboek Catalogus Groenblauwe Diensten;
- d.
een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit, met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;
- e.
een kaart met daarop aangegeven de locatie of locaties waar de activiteit wordt uitgevoerd of, indien deze locatie of locaties nog niet exact bekend is, een zoekgebiedenkaart voor de activiteit.
- a.
Artikel 10 Aanvraag
-
1. Indien de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd naar waarschijnlijkheid leidt tot negatieve omgevingseffecten, bevat de subsidieaanvraag een omschrijving van de benodigde vergunningen, waarin deze omgevingseffecten worden getoetst, die voor de uitvoering dienen te worden verkregen.
-
2. Dient als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer met een biologische bedrijfsvoering of landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw, in aanvulling op artikel 1.6 van de regeling, de aanvraag vergezeld te gaan van een erkend certificaat of kwaliteitskeurmerk waaruit dit blijkt (SKAL of Demeter).
-
3. Dient als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw, in aanvulling op artikel 1.6 van de regeling, de aanvraag vergezeld te worden van het inschrijfnummer en documentatie van een certificerende instantie ter onderbouwing dat de bedrijfsomschakeling is gestart.
-
4. In aanvulling op artikel 9 bevat een subsidieaanvraag die ziet op maatregelen uit Bijlage 1 van dit openstellingsbesluit:
- a.
een onderbouwing van de noodzaak van grond- en bodembewerking zoals ontgraven, ploegen, herprofileren, spitten of frezen en wat er met eventueel vrijkomende grond gebeurt, waarbij dit in ieder geval niet mag leiden tot demping van sloten of greppels elders;
- b.
een toelichting waaruit blijkt dat de verwezenlijking van de landschappelijke en cultuurhistorische doelstellingen zo veel mogelijk in combinatie met doelstellingen ten aanzien van flora en/of fauna en/of indien van toepassing water, worden behaald;
- c.
een beschrijving, indien van toepassing, waaruit blijkt dat het binnen een activiteit te gebruiken zaai- en of plantmateriaal inheems of autochtoon, is en passend bij de betreffende bodemsoort. Indien er voor het gebied een bestaand beheer- of inrichtingsplan en/of een historisch ontwerp aanwezig is dient te worden beschreven dat het hierop aansluit;
- d.
een beschrijving waaruit blijkt dat het aan te leggen kruidenrijk grasland onder maatregel 11 aansluit bij de bemesting in het verleden en het bemestingsplan en een toelichting dat gebruik wordt gemaakt van een meerjarig mengsel;
- e.
een toelichting, indien van toepassing, waaruit blijkt of de uit te voeren watermaatregelen wel of geen invloed hebben op de beschikbaarheid van water en daarmee sprake is van 70% of 100% subsidie voor de watermaatregelen;
- f.
een toelichting, indien van toepassing, waaruit blijkt dat de uit te voeren watermaatregelen zijn toegestaan op de projectlocatie en voldoen aan de voor de betreffende maatregel in Bijlage 1 opgenomen geografische criteria.
- a.
-
5. Voor activiteiten die vallen onder Bijlage 1, maatregelen 1, 2, 6 en 7, wordt, voor zover het historische voorkomen of de historische ligging van het landschapselement relevant is voor de uitvoering van de maatregel, gebruikgemaakt van historische kaarten. Indien wordt afgeweken van de historische situatie, wordt onderbouwd dat de gekozen locatie of inrichting landschappelijk en/of ecologisch passend is.
Artikel 11 Selectiecriteria, weging en rangschikking
-
1. Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden door een adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de regeling geselecteerd en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria overeenkomend 2.3.8 van de regeling:
Selectiecriterium
Wegingsfactor
Te behalen punten
Maximum per criterium
a
Mate van effectiviteit van de activiteit
3
0-5
15
b
Haalbaarheid van de activiteit
2
0-5
10
c
Mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit
1
0-5
5
d
Mate van urgentie
4
0-5
20
Maximumaantal te behalen punten op basis van selectiecriteria
50
-
2. Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: 1) Mate van urgentie, 2) Effectiviteit van de activiteit, 3) Haalbaarheid van de activiteit en 4) Efficiëntie van de uitvoering. Indien de aanvragen een gelijk aantal punten hebben behaald, wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting.
-
3. Bij de rangschikking wordt aan landbouwers met een biologische bedrijfsvoering en landbouwers die omschakelen naar biologische landbouw een extra punt toegekend.
-
4. Indien van toepassing toetst de adviescommissie of bij de watermaatregelen sprake is van 70% of 100% subsidie op basis van de toelichting die is aangeleverd door de aanvrager met betrekking tot de invloed op de beschikbaarheid van water.
Artikel 12 Bevoorschotting en deelbetaling
-
1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.17 van de regeling kan een voorschot worden aangevraagd. Het voorschot bedraagt 50% van de verleende subsidie. De hoogte van het voorschot kan na verlening niet meer worden gewijzigd.
-
2. Het aanvragen van een deelbetaling is mogelijk. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.18 van de regeling kan één keer per kalenderjaar een aanvraag om een deelbetaling worden ingediend, waarop een uitbetaling kan plaatsvinden.
-
3. Voorschotten als bedoeld in artikel 1.17 van de regeling en deelbetalingen als bedoeld in artikel 1.18 derde lid van de regeling bedragen overeenkomstig artikel 1.18 vijfde lid van de regeling tezamen niet meer dan 90% van de verleende subsidie.
Artikel 13 Weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 van de regeling wordt subsidie geweigerd indien:
- a.
niet wordt voldaan aan de subsidievereisten als bepaald in artikel 1.6 van de regeling of artikel 9 van het openstellingsbesluit;
- b.
de aanvraag wordt ontvangen buiten de openstellingsperiode als aangegeven in artikel 4 van dit openstellingsbesluit;
- c.
de aanvrager niet voldoet aan de omschrijving onder artikel 3 van dit openstellingsbesluit;
- d.
overeenkomstig met artikel 6 van deze openstelling bij verlening van de aanvraag blijkt dat de totale subsidie minder bedraagt dan € 500.000,--;
- e.
de aanvraag niet voldoet aan de subsidiabele activiteiten zoals beschreven in artikel 2;
- f.
de aanvraag bij de in artikel 11 bedoelde rangschikking minder dan 30 punten behaalt.
Artikel 14 Verplichtingen
-
1. In aanvulling op artikel 1.15 van de regeling is de subsidieontvanger verplicht de subsidiabele activiteit(en) uit te voeren binnen twee jaar na datum subsidieverlening en uiterlijk op 31 december 2028.
-
2. In aanvulling op artikel 1.15 derde lid onder d van de regeling is subsidieontvanger verplicht de niet productieve investering in stand te houden voor tien jaar, vanaf het moment van vaststellingsbrief.
-
3. Voor de duur van minimaal de termijn van de instandhoudingsplicht is het herstelde pad, waaraan subsidie is verleend onder Bijlage 1 maatregel 6, opengesteld voor wandelaars, behoudens eventuele beperkingen tijdens het broedseizoen. Daarnaast heeft het Recreatieschap bij investeringen die vallen onder Bijlage 1 maatregel 6 toestemming om langs het pad markeringen te plaatsen en deze te onderhouden.
-
4. Het eventueel vrijkomen van grond binnen het project mag niet leiden tot demping van sloten en/of greppels.
-
5. Indien subsidie is verleend voor activiteiten onder Bijlage 1, maatregel 9, dient de aanvrager bij de aanvraag tot tot vaststelling aan te tonen dat het Waterschap heeft ingestemd met de activiteiten.
Artikel 15 Slotbepalingen
-
1. Dit openstellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst;
-
2. Bijlage 1 en bijlage 2 maken integraal onderdeel uit van dit openstellingsbesluit.
Artikel 16 Citeertitel
Dit openstellingsbesluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit GLB-NSP Groenblauwe dooradering in Zuidoost Friesland op landbouwbedrijven 2026 provincie Fryslân
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 22 september 2026.
Voorzitter drs. A.A.M. Brok,
Secretaris drs. ing. J.J. Algra
Bijlage 1 Subsidiabele maatregelen
Het kansgebied voor subsidiabele activiteiten omvat bufferzones van 5km rondom een vijftal Natura 2000-gebieden in Zuidoost-Friesland (Van Oordt’s Mersken, Wijnjeterper Schar, Bakkeveense Duinen, Drents-Friese Wold en Fochtelooerveen). Het gros van het kansgebied ligt binnen het werkgebied van agrarisch collectief ELAN, ten westen van Van Oordt’s Mersken valt het kansgebied voor subsidiabele activiteiten binnen het werkgebied van het agrarisch collectief It Lege Midden. De maatregelen betreffen niet productieve investeringen op landbouwgrond. Dit betekent dat grond waarop een maatregel wordt uitgevoerd op agrarische percelen met een BRS-nummer moet liggen. Deelname op agrarische grond van een particulier is mogelijk maar het desbetreffende perceel van de particulier moet een BRS-nummer hebben. Dit betekent dat grond waarop een maatregel wordt uitgevoerd op of aanpalend aan landbouwgrond moet liggen. De subsidiabele activiteiten zijn de aanleg en het herstel van landschapselementen die onderdeel zijn van de groenblauwe dooradering.
De geografische afbakening van het kansgebied (waar deze smaller is dan 5 km) is op basis van landschapstypen (conformGrutsk op ‘e Romte en bijbehorende landschapstypenkaart) of agrarisch zoekgebied (leefgebieden conform het natuurbeheerplan van Provincie Fryslân) tot stand gekomen. Bij een aantal maatregelen is het historische voorkomen leidend of wordt door experts ingeschat of een maatregel landschappelijk en/of ecologisch passend is dan wel voorziet in ecologisch doelbereik.
Prioritering in het honoreren van aanvragen
- A.
De voorkeur voor herstel en aanleg van alle maatregelen, gaat uit naar het honoreren van aanvragen met een clustering van meerdere landschapselementen (kruidenrijke, natte, en/of houtige elementen) idealiter gecombineerd met één of meerdere ANLb pakketten, in de kansrijke zone binnen 5km van de grens van het N2000 gebied, en;
- B.
De voorkeur voor herstel en aanleg van alle maatregelen, gaat uit naar het honoreren van aanvragen die zich richten op het aanleggen en/of herstellen van ecologisch effectieve verbindingen tussen N2000 gebieden en/of NNN en/of natuurelementen buiten NNN (voorbeeld: een houtwal in eigendom en beheer van een TBO die een waardevolle schakel kan zijn in de verbinding tussen N2000 en/of NNN gebieden).
1. Herstel en aanleg van (elzen)singels, houtwallen, lanen en (vogel)bosjes.
Geografisch criterium: landschapstypen woudontginning, heideontginning, hoogveenontginning en Fries essenlandschap.
Overig: Het plantmateriaal dient streekeigen en inheems te zijn. Bij aanleg van het element dient de locatie overeen te komen met de locatie waar op historische kaarten een dergelijk element aanwezig was, óf dient bij de aanvraag met een deskundige onderbouwing te worden aangetoond dat de gekozen locatie landschappelijk passend is. Bij de onderbouwing van de landschappelijke inpasbaarheid kan gebruik worden gemaakt van de bomenwaaier van LAOS, genaamd: Landschappelijk kader voor initiatieven in het kader van de Friese Bomen en Bossenstrategie, LAOS, 2026 (op te vragen bij de provincie Fryslân).
2. Herstel en aanleg poelen
Geografisch criterium: zoekgebied dooradering met buffer van 500 meter.
Overig: Bij aanleg van het element dient de locatie overeen te komen met de locatie waar op historische kaarten een dergelijk element aanwezig was, óf dient bij de aanvraag met een deskundige onderbouwing te worden aangetoond dat de gekozen locatie landschappelijk en ecologisch passend is.
3. Herstel agrarische erven
Geografisch criterium: het gaat om boerenerven in gebruik als agrarisch bedrijf en gelegen buiten de bebouwde kom.
Overig: De inrichtingsmaatregel geldt voor het hele erf, mits direct aangrenzend aan agrarische grond, waarbij het om verschillende inheemse en streekeigen elementen kan gaan als het gaat om verbetering van het leefgebied van flora en fauna. Bloeiende, besdragende of nootvormende soorten verdienen de voorkeur. Wanneer mogelijk en wenselijk verdient het de voorkeur om kruidenrijke en houtige elementen op en rondom het erf te combineren met een nat/blauw element en met een specifiek ingericht element voor de wilde bij: een bijenburcht (combinatie dood hout, beschutte plek, open zanderige stukken inclusief kleine zanderige verhoging). Indien gewenst door de grondeigenaar is de bijenburcht ook te realiseren buiten het erfoppervlak op het landbouwbedrijf. Wanneer er steile randen zijn bij blauwe elementen of aangrenzende oevers bij of langs het erf, ook aandacht houden voor de mogelijkheid tot het aanbrengen van faunavoorzieningen bij steile waterkanten.
4. Herstel en aanleg van heggen, (voeder)hagen en struweel
Geografisch criterium: landschapstypen woudontginning, heideontginning, hoogveenontginning en Fries essenlandschap.
Overig: bij aanleg van het element dient te worden gekeken naar een logische landschappelijke inpassing (raadpleging experts, Landschapsbeheer Friesland). Daarnaast speelt ecologisch doelbereik een belangrijke rol. Het type element en de soortensamenstelling hangt af van wat het beste past op de betreffende locatie (zowel landschappelijk als qua ecologisch doelbereik). Het plantmateriaal dient streekeigen en inheems te zijn. Daar waar in het beekdallandschap volgens experts ecologisch doelbereik kan worden gehaald met de aanleg van heg/haag/struweel én dit geen afbreuk doet aan de landschappelijke waarden, is de maatregel ook uitvoerbaar. Zie ook de bomenwaaier van LAOS, genaamd: Landschappelijk kader voor initiatieven in het kader van de Friese Bomen en Bossenstrategie, LAOS, 2026 (op te vragen bij de provincie Fryslan).
5. Herstel en aanleg van struweelrand
Geografisch criterium: landschapstypen woudontginning, heideontginning, hoogveenontginning en Fries essenlandschap.
Overig: bij aanleg van het element dient te worden gekeken naar een logische landschappelijke inpassing (raadpleging experts). Daarnaast speelt ecologisch doelbereik een rol in samenstelling van struweelrand (binnen bandbreedte beheerpakket). Het plantmateriaal dient streekeigen en inheems te zijn.
6. Herstel en aanleg historische paden met kruidenrijke berm
Geografisch criterium: verdwenen paden aangegeven op de kaartlaag Oude paden Nieuwe wegen van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân.
Overig: bij aanleg element dient aandacht te worden besteed aan ecologisch verantwoorde inrichting van element met kruidenrijke bermen. De paden zijn en blijven onverhard met een voorkeur voor zandpaden.
7. Herstel historische watergangen
Geografisch criterium: alle landschapstypen.
Overig: element kan alleen worden aangelegd op plek waar overeenkomstig historische kaarten ook een watergang heeft gelegen. Daarbij is het van belang dat het element in de ruilverkavelingsperiode (1950) of daarvoor al is verdwenen. Het ecologisch doelbereik en de ligging van de potentiële watergang in het bredere systeem worden betrokken bij de beoordeling van de mate van effectiviteit. De watergang zou eventueel ook in de vorm van een greppel met flauw talud kunnen worden hersteld. Het verondiepen van een watergang kan over hele lengte, voor effectiviteit sturen op verondiepen sloten die parallel aan beken lopen. Sloten die haaks op beken stuwen met schotten. Wanneer er steile randen zijn, ook aandacht houden voor de mogelijkheid tot het aanbrengen van faunavoorzieningen bij steile waterkanten. Waar mogelijk en nodig, aandacht houden voor de mogelijkheid om vistrappen te realiseren.
8. Aanleg van biodiversiteit stimulerende watermaatregelen zoals verondiepen van sloten (uiteindes), faunaduikers en peilverhoging.
Geografisch criterium: alle zoekgebieden.
Overig: maatregelen uitvoeren in gebieden waar dit passend is (raadplegen experts). Kwelsloten, potentiële verbindingswaterwegen en sloten gelegen in gebied dat baat heeft bij hogere waterstanden verdienen voorkeur en/of extra aandacht. De duikers zijn t.b.v. van het migreren van vissen en andere watergebonden fauna. Daarbij worden kleine duikers vervangen door grotere duikers van 500 -700mm (diameter).
9. Aanleg natuurvriendelijke en flauwe oevers
Geografisch criterium: leefgebieden open akker, open grasland en dooradering.
Overig: deze maatregel kan in hoofdwatergangen alleen worden ingezet met instemming van het waterschap. Daarnaast is het van belang dat watergangen jaarrond watervoerend zijn. Voor aanleg van natuurvriendelijke oevers zijn verschillende type taluds mogelijk. Bij aanvragen die binnenkomen wordt er ook een toets uitgevoerd of het een landschappelijk passend beeld geeft.
10. Aanleg van biodiversiteit stimulerende akkerelementen: de keverbank
Geografisch criterium: leefgebied open akker.
Overig: bij aanleg van biodiverse akkerelementen staat ecologisch doelbereik voor doelsoorten van akkers voorop. Dit zijn zowel doelsoorten van open akker als doelsoorten gebonden aan het halfopen agrarisch cultuurlandschap. Clustering van inrichtings- en beheerelementen in kansrijke gebieden geniet daarom de voorkeur. Daarbij is aansluiting op vlakvormige kruidenrijke akkerelementen zoals wintervoedsel- en vogelakkers te adviseren, inclusief lijnvormige houtige elementen zoals heg of struweel.
11. Aanleg van biodiversiteit stimulerende graslandelementen zoals kruidenrijk graslandranden, plasdras, kruidenrijke, insectenrijke of botanische randen en/of greppelland
Geografisch criterium: leefgebied open grasland, open akkerland en dooradering.
Overig: bij aanleg van elementen dient te worden gekeken naar een logische landschappelijke inpassing en ecologisch doelbereik (raadpleging experts, Landschapsbeheer Friesland).
12. Aanleg kruidenrijke, heischrale of botanische rand in combinatie met ander lijnvormig landschapselement
Geografisch criterium: leefgebied dooradering, open akker en open grasland, waarbij het te combineren element afhangt van landschappelijke inpasbaarheid.
Overig: Het combineren van een houtwal, singel, heg, haag, bosje, struweel of sloot met een kruidenrijke rand kan bijdragen aan een groter ecologisch doelbereik. Het gebruikte plantmateriaal dient streekeigen en inheems te zijn. De aanvrager dient dit desgevraagd te kunnen onderbouwen.
13. Aanleg van solitaire en/of groepjes van bomen en struiken
Geografisch criterium: afhankelijk van logische landschappelijke inpassing. Bijvoorbeeld geen solitaire boom in open grasland..
Overig: soortkeuze van boom of struik afhankelijk van landschappelijke ligging en ecologisch doelbereik. Het plantmateriaal dient streekeigen en inheems te zijn. In meer open landschappen (bijvoorbeeld veenpolder ten westen Van Oordt’s Mersken) kan bijvoorbeeld aanleg van een meidoornstruik langs een sloot interessant zijn voor bepaalde vogelsoorten. Groepjes van struiken kunnen indien landschappelijk passend ook onderdeel worden van overhoekjes (ruigte). Aanvragen met betrekking tot de aanleg van beekbegeleidende bosjes worden gehonoreerd, mits er een toets is gedaan op landschappelijke inpasbaarheid.
Bijlage 2 – Begrenzing ANB-kansgebied Zuidoost-Friesland
Deze bijlage bevat de kaart met de geografische begrenzing van het ANB-kansgebied Zuidoost-Friesland als bedoeld in artikel 1, onder a, en artikel 2, vierde lid, van dit openstellingsbesluit.
De op de kaart aangegeven begrenzing bepaalt het gebied waarbinnen de subsidiabele maatregelen als bedoeld in Bijlage 1 kunnen worden uitgevoerd. Binnen deze begrenzing gelden tevens de per maatregel in Bijlage 1 opgenomen geografische criteria.
Toelichting Openstellingsbesluit GLB 2023-2027 Groenblauwe dooradering in Zuidoost Friesland op landbouwgronden 2026 provincie Fryslân
Algemeen
Dit is een openstelling in de Provincie Fryslân waarmee we partijen willen stimuleren om middels niet productieve investeringen op het landbouwbedrijf bij te dragen aan aanleg van landschapselementen en bossen, efficiënter gebruik van watervoorzieningen en stikstofreductie in het ANB kansgebied Zuidoost Friesland. Specifiek gericht op het behoud, versterken en vergroten van het areaal groene dooradering (landschapselementen) of natte dooradering (slootkant of slootinrichting). Hiermee wordt de basiskwaliteit natuur en specifiek de habitat van de VHR doelsoorten uit het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer versterkt. Een mee-koppelkans is het verbinden van bestaande dooradering met de kwestbare natuurgebieden in het werkgebied. Niet productieve investeringen zijn investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben.
Gedeputeerde Staten van Fryslân stellen een lijst vast van maatregelen die relevant zijn voor herstel en inrichting van het landelijk gebied in Zuidoost Friesland (Bijlage 1). De maatregelen zijn zo vormgegeven dat zij bijdragen aan één of meerdere Europese, nationale of provinciale doelstellingen én aansluiten bij de ANB voorwaarden:
- •
Bijdrage aan klimaatmitigatie- en adaptatie middels reductie van broeikasgasemissies, stimulering van koolstofvastlegging en bevordering van duurzame energie;
- •
Duurzame ontwikkelingen en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht te bevorderen, door onder meer de afhankelijkheid van chemicaliën te verminderen;
- •
Bijdragen aan het tot halt brengen en terugdraaien van biodiversiteitsverlies, het verbeteren van ecosysteemdiensten en het behoud van verbeteren van habitatten en landschappen.
- •
Kruidenrijkheid (soorten, plantaardige biodiversiteit) in het gebied bevorderen en voorzien in meer voedsel voor insecten, vogels en vogelkuikens (Het Herstelprogramma Biodiversiteit Fryslân, Nota Weidevogels 2021-2030);
- •
Het stimuleren van het verminderen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten naar grond- en oppervlaktewater (KRW-nota en het Regionaal Waterprogramma);
- •
Het waterhuishoudingsplan van de provincie (Vierde Waterhuishoudingsplan, 20 april 2016 door Provinciale Staten vastgesteld);
- •
Het werken aan gezonde bodems (bodembeleid);
- •
De beleidsbrief Landbouw ‘Noflik Buorkje yn Fryslân’ 2025-2030;
- •
Uitvoeringsagenda Landbouw Friesland 2025-2030;
- •
Een duurzame inrichting van de waterhuishouding (Regionaal Waterprogramma);
- •
Het verlagen van de stikstofuitstoot (Uitvoeringsprogramma Stikstof (UPS), bij vaststelling FASN UPS vervangen door FASN);
- •
De visie Grutsk op ‘e Romte.
Artikel 2 Subsidiabele activiteiten
In dit artikel worden de niet productieve investeringen beperkt tot herstel- en inrichtingsmaatregelen die vermeld staan in Bijlage 1. Er is voor deze maatregelen gekozen omdat die het meest effectief en haalbaar zijn uit oogpunt van zowel het herstel van landschap en natuur als de kosten. In Bijlage 1 wordt per maatregel een nadere definitie gegeven voor de activiteiten wanneer dit beleidsmatig of voor de benodigde kwaliteit nodig is.
De mogelijke investeringen uit Bijlage 1 dienen plaats te vinden op landbouwgronden. De kaart in Bijlage 2 geeft het ANB-kansgebied Zuidoost-Fryslân indicatief weer. De begrenzing op de kaart is niet bedoeld als een perceelsnauwkeurige begrenzing. Bij maatregelen op of nabij de grens van het weergegeven gebied wordt beoordeeld of de locatie van de maatregel, gelet op de ligging en samenhang met het ANB-kansgebied, tot het werkingsgebied van deze openstelling kan worden gerekend.
Artikel 3 Aanvrager
De subsidie kan worden verstrekt aan een verscheidenheid aan partijen zoals agrarische collectieven, landbouwers, landbouworganisaties (belangenbehartigers van zowel economische als sociale belangen), landschap beherende organisaties (beheer van natuur of landschap) en samenwerkingsverbanden van landbouwers.
Artikel 6 Hoogte subsidie
Op basis van artikel 2.6.9 van de Regeling geldt een subsidiepercentage van 100% van de subsidiabele kosten. Echter, de subsidie bedraagt 70% van de subsidiabele kosten voor investeringen die gericht zijn op het watersysteem en waarbij invloed wordt uitgeoefend op de beschikbaar van water (kwantiteit). Indien men kan aantonen middels een toelichting dat de waterinvestering géén effect heeft op de kwantiteit maar alléén op de waterkwaliteit, is sprake van 100% van de subsidiabele kosten (zie ook artikel 10, lid g). Doordat de investeringen op landbouwgrond moeten worden uitgevoerd, heeft bij investeringen in het watersysteem de landbouwer profijt van een betere beschikbaarheid van water (dus deels productief). Voorbeelden van investeringen gericht op het watersysteem zijn het verbreden en verondiepen van watergangen, het aanleggen van infiltratiemogelijkheden van regenwater en het langer vasthouden van water in het gebied om daarmee het watersysteem klimaatbestendig te maken.
Aansluitend op de regeling is arrangement 3 van toepassing op de aanvragen. Dit arrangement sluit aan bij de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten.
Artikel 7 Subsidiabele kosten
Op grond van dit openstellingbesluit komen kosten als bedoeld in artikel 1.8 onder a, b en e, en artikel 1.10 onder e van de regeling, voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van de desbetreffende subsidiabele activiteiten, voor subsidie in aanmerking. Deze kosten zijn loonkosten inclusief overheadkosten, andere kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd en legeskosten. De subsidiabele kosten worden berekend volgens de in artikel 1.9a van de regeling genoemde berekeningswijze.
Artikel 8 Niet subsidiabele kosten
Investeringen in het watersysteem komen alleen voor subsidie in aanmerking wanneer het effect van de investering groter is dan alleen voor landbouwbedrijven. Een investering zoals een stuw of dam waardoor water alleen wordt vastgehouden voor een bedrijf of een investering in drainagepoelen, komt dus niet voor subsidie in aanmerking. Investeringen in het watersysteem die wel voor subsidie in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld investeringen voor het vasthouden van water in natte periodes, zodat in droge periodes het watersysteem in het gehele gebied (dus ook dat wat buiten het landbouwbedrijf zelf valt) over voldoende water beschikt om daarmee jaarrond van goede waterkwaliteit blijft.
Artikel 10 Aanvraag
Mogelijk benodigde vergunningen variëren per uit te voeren maatregel en locatie van de maatregel. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan stikstof-, ontgronding-, omgevings-, of een waterschap vergunning. Let op: deze voorbeelden zijn niet limitatief! Controleer dus goed welke vergunningen (en daarbij horende doorlooptijden) benodigd zijn voor jouw project.
Artikel 11 Selectiecriteria, weging en rangschikking
Alle subsidieaanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gescoord op de vier criteria die in artikel 11 genoemd staan. Per criterium kan 0 tot en met 5 punten behaald worden.
Een aanvraag moet op basis van de criteria minimaal 30 punten behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. Behaalt een aanvraag minder dan 30 punten dan wordt de aanvraag alsnog geweigerd. Aanvragen met de hoogste scores worden het hoogst gerangschikt. De subsidies worden verleend op volgorde van de rangschikking, totdat het betreffende deelplafond is bereikt. De selectiecriteria waarop de aanvragen worden gescoord zijn: de mate van effectiviteit, de haalbaarheid, de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit en de urgentie.
De mate van effectiviteit
Bij dit criterium gaat het om het effect van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. De effectiviteit kan worden aangetoond door te bepalen in hoeverre met maatregelen en projecten een concrete bijdrage leveren op bepaalde provinciale beleidsterreinen zoals, onder andere, gewenste bijdrages beschreven in Grutsk op ‘e romte, het Natuurbeheerplan, de NDA’s van de verschillende N2000 gebieden, de adviezen van de ecologische autoriteit op basis van de NDA’s en de Friese uitwerking van Basiskwaliteit Natuur en Landschap (BKNL). Bij de beoordeling van het effect wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen. Dit betekent niet dat aanvragen rekenkundig worden beoordeeld door het effect af te zetten tegen het subsidiebedrag. Het te bereiken effect blijft het leidende element.
Bij de beoordeling van de mate van effectiviteit wordt tevens gekeken naar de samenhang van de voorgestelde maatregelen en de bijdrage daarvan aan de kwaliteit en verbondenheid van groenblauwe dooradering het te behalen ecologisch doelbereik in een bepaald gebied. Daarbij wordt meegewogen a) in hoeverre maatregelen worden geclusterd (diverse typen maatregelen: houtachtig, kruidachtig en blauwe elementen) en in samenhang met andere (bestaande) landschapselementen worden uitgevoerd en b) in hoeverre maatregelen bijdragen aan ecologisch effectieve verbindingen tussen Natura 2000-gebieden, het NNN en/of andere natuur- en landschapselementen waaronder ANLb maatregelen in akkervogelclusters (vogelakkers, wintervoedselveldjes, etc.).
Voor zover in Bijlage 1 bij een maatregel wordt verwezen naar landschappelijke of ecologische inpasbaarheid of ecologisch doelbereik, worden deze aspecten eveneens betrokken bij de beoordeling van de mate van effectiviteit door de adviescommissie. De adviescommissie beoordeelt daarbij aan de hand van de aanvraag en de daarbij aangeleverde onderbouwing in hoeverre de voorgestelde maatregel op de betreffende locatie landschappelijk en ecologisch passend is en bijdraagt aan het beoogde doelbereik.
De punten worden als volgt toegekend.
0 punten: zeer geringe bijdrage. Van een zeer geringe bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de het herstel/aanleg van een elzensingel geheel afwijkt van de verkavelingsstructuur of als een minimale hoeveelheid water wordt geborgen met de activiteit.
1 punt: geringe bijdrage. Van een geringe bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de activiteit betrekking heeft op het voorkomen van afspoeling van nutriënten, maar de afspoeling nog substantieel blijft. Van een geringe bijdrage is eveneens bijvoorbeeld sprake als de wateroverlast die wordt tegengegaan slechts zeer lokaal tot enige overlast leidt. Of bij landschapselementen als er bijvoorbeeld een ontwikkeling van een landschapselement voorgesteld wordt, waarbij het landschapselement een op zichzelf staand geheel vormt maar (nog) niet onderdeel uitmaakt van een andere in het huidige landschap zichtbare landschapsstructuur* of wanneer een element (nog) geen deel uitmaakt van een bestaand of beoogd akkervogelcluster. Ook is er een geringe bijdrage indien er bij het herstel van een historische waterloop wordt afgeweken van het oorspronkelijke historische profiel, zonder een goede onderbouwing, bijvoorbeeld om belangrijk ecologisch doel te halen.
2 punten: matige bijdrage. Van een matige bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de activiteit een lokaal effect heeft. Van een matige bijdrage is eveneens sprake als de wateroverlast in een gebied wordt voorkomen, maar wordt afgewenteld op een ander water. Er is eveneens sprake van een matige bijdrage indien de activiteit een deel van een landschapsstructuur* aanvult/uitvult en hiermee een lokaal landschappelijk effect heeft.
3 punten: voldoende bijdrage. Van een voldoende bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de activiteit effect heeft op een groter gebied of meerdere watergangen. Van voldoende bijdrage is ook bijvoorbeeld sprake als de activiteit een deel van een landschapsstructuur* of bestaand of beoogd akkervogelcluster aanvult/uitvult en hiermee een lokaal landschappelijk effect heeft. Tevens is er daarbij dan sprake van een effect van de activiteit dat groter is dan redelijkerwijs van een activiteit verwacht mag worden. Of wanneer bijvoorbeeld naast een passend herstel van een landschapselement met autochtoon plantmateriaal ook belangrijke doelstellingen voor biodiversiteit, flora en fauna worden gerealiseerd bijvoorbeeld wanneer bij het herstel van een historische waterloop ook de oever natuurlijk wordt ingericht en dit tegelijkertijd landschapshistorisch passend is, bijvoorbeeld in het geval de oorsprong ligt in een oude slenk of andere natuurlijke waterloop.
4 punten: goede bijdrage. Van een goede bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de waterkwaliteit van de betrokken watergangen wordt verbeterd. Of als door de maatregel een regionaal herkenbare landschapsstructuur* wordt hersteld en/of voltooid. Ook is er sprake van een goede bijdrage als er beoogde en bestaande elementen worden gecombineerd, bijvoorbeeld door een bestaand houtig element te combineren met een nieuw houtig, kruidenrijk of blauw element. Of als er door de maatregel een start wordt gemaakt of door wordt gebouwd aan een ecologisch effectieve verbinding tussen N2000 en/of NNN en/of natuur buiten NNN en/of bestaande zware ANLb pakketten gelegen in akkervogelclusters. Tevens is er daarbij dan sprake van een effect van de activiteit dat groter is dan redelijkerwijs van een activiteit verwacht mag worden. Dit is bijvoorbeeld wanneer er naast een passend herstel van een landschapselement met autochtoon plantmateriaal ook belangrijke doelstellingen voor biodiversiteit, flora en fauna worden gerealiseerd. Wat voor landschap en biodiversiteit ook bij kan dragen is dat in de aanvraag de ecologische en landschappelijke kwaliteit in de uitvoering wordt geborgd door de inzet van bijvoorbeeld een adviesgroep met deskundigen uit de disciplines landbouw, natuur en landschap.
5 punten: zeer goede bijdrage. Van een zeer goede bijdrage is sprake als het effect van de activiteit groter is dan redelijkerwijs van een activiteit verwacht mag worden. Dit is bijvoorbeeld als de waterkwaliteit aanzienlijk wordt verbeterd en daarnaast bijvoorbeeld ook zeer frequente wateroverlast in een groot gebied wordt tegengegaan. Of als door de maatregel een regionaal herkenbare landschapsstructuur* wordt hersteld en/of voltooid. Ook is er sprake van een goede bijdrage als er beoogde en bestaande elementen worden gecombineerd, bijvoorbeeld door een nieuw of bestaand houtig element te combineren met een bestaand houtig, kruidenrijk of blauw element. Zo wordt de ecologische effectiviteit naar verwachting verhoogd. Of als er door de maatregel een ecologisch effectieve verbinding wordt gerealiseerd tussen N2000 en/of NNN en/of natuur buiten NNN en/of bestaande zware ANLb pakketten. Verbindingen tussen N2000 gebieden zijn met name van belang wanneer dit is aangegeven als belangrijke drukfactor voor natuurherstel in de bijbehorende NDA van N2000 gebieden en de adviezen van de ecologische autoriteit. Daarnaast blijven ecologisch effectief en robuuste verbindingen belangrijk bij alle natuurgebieden, ook voor NNN-gebieden zonder N2000 status. Tevens is er sprake van een effect van de activiteit dat veel groter is dan redelijkerwijs van een activiteit verwacht mag worden. Dit is bijvoorbeeld wanneer er naast een passend herstel van een landschapselement met autochtoon plantmateriaal ook belangrijke doelstellingen voor biodiversiteit, flora en fauna worden gerealiseerd én er ook een invulling wordt gegeven aan doelstellingen van de POVI.
* een landschapsstructuur zoals aangegeven in Grutsk op ‘e Romte.
Haalbaarheid
Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken. Voor de haalbaarheid worden de volgende aspecten in samenhang bezien:
- •
De eisen die gesteld worden aan de projectleider (ervaring en opleiding);
- •
Kent het project een realistische planning, opzet en begroting;
- •
De kwaliteit van het projectplan. Een kwalitatief goed projectplan is een plan dat realistisch is, waarin alle mogelijke risico’s zijn geïdentificeerd en beheersbaar zijn gemaakt en/of zijn gereduceerd;
- •
Zijn de relevante partijen bij de investering betrokken;
- •
Beschikt de ontvanger over een financiële buffer om eventuele financiële tegenvallers in het project op te kunnen vangen?
Op basis van bovenstaande aspecten wordt de haalbaarheid als volgt gekwalificeerd:
0 punten als de haalbaarheid zeer gering is. Er is geen vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;
1 punt als de haalbaarheid gering is. Er is enig vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;
2 punten als de haalbaarheid matig is. Om de activiteit te kunnen uitvoeren, moet nog aan een aantal voorwaarden (bijvoorbeeld vergunningen) worden voldaan, waarbij het nog onzeker is of aan de voorwaarden voldaan kan worden;
3 punten als de haalbaarheid voldoende is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn inzichtelijk gemaakt, maar nog niet concreet beheersbaar gemaakt;
4 punten als de haalbaarheid goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn benoemd en beheersbaar gemaakt;
5 punten als de haalbaarheid zeer goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, ook als er zich gedurende de uitvoering financiële tegenvallers voor doen.
De mate van efficiëntie
Bij dit criterium wordt gekeken naar de wijze van uitvoering van de activiteit. Om dit te kunnen beoordelen wordt gekeken naar de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?). Ook wordt gekeken naar de verhouding proceskosten- feitelijke investeringskosten en wordt bezien of bij de uitvoering van de activiteit op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde. Op basis van de genoemde aspecten worden de volgende scores toegekend:
0 punten als de efficiëntie zeer gering is. Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet. De opgevoerde projectkosten zijn te hoog in relatie tot de output. Ook wordt er geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De proceskosten zijn >30% ten opzichte van de totale uitvoeringskosten;
1 punt als de efficiëntie gering is. Kosten en middelen worden onvoldoende doelmatig ingezet. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs of kosten voor haalbaarheidsstudies, in plaats van bestaande kennis en kunde gebruik te maken. De proceskosten zijn 25-30% ten opzichte van de totale uitvoeringskosten;
2 punten als de efficiëntie matig is. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en de ingezette middelen is matig. Er wordt wel gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde, maar de opgevoerde project kosten zijn hoog in relatie tot de output. De proceskosten zijn 20-25% ten opzichte van de totale uitvoeringskosten;
3 punten als de efficiëntie voldoende is. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten zijn redelijk en de benodigde kennis en kunde is in kaart gebracht en wordt gebruikt in het project. De proceskosten zijn 15-20% ten opzichte van de totale uitvoeringskosten;
4 punten als de efficiëntie goed is. De opgevoerde projectkosten staan in goede verhouding met de output van het project. Het project wordt efficiënt uitgevoerd. De proceskosten zijn 10-15% ten opzichte van de totale uitvoeringskosten;
5 punten als de efficiëntie zeer goed is 5% (proceskosten t.o.v. totale uitvoeringskosten). Het project wordt efficiënter uitgevoerd dan redelijkerwijs verwacht mag worden. De aanvrager realiseert de grootst mogelijke output met de zo klein mogelijke inzet van geld, kennis, kunde en overige middelen. De proceskosten zijn <10% ten opzichte van de totale uitvoeringskosten. In aanvulling hierop kan een hoge efficiëntie worden beoordeeld doordat de activiteiten bijdragen aan zowel water, landschaps- als biodiversiteitsdoelen. Voorbeelden hiervan zijn herstel van greppellandschap en herstel van historische waterlopen.
Urgentie
Met dit criterium wordt voorrang gegeven aan activiteiten die urgentie hebben. Waterprojecten die betrekking hebben op het bijdragen aan het behalen van de doelen van de KRW of de Nitraatrichtlijn, worden als urgent gezien. Ook worden herstel en aanlegprojecten als urgent gezien als ze bijdragen aan de VHR-doelen binnen (herstel van ecologisch effectieve verbindingen tussen N2000 en/of NNN) en buiten de N2000 gebieden (68 ANLb soorten in het landelijk gebied), of als ze bijdragen aan de doelstellingen uit de natuurherstelverordening (bestuivers, graslandvlinders, boerenlandvogels). Een activiteit kan ook urgentie hebben omdat bijvoorbeeld de wateroverlast zeer ernstig kan zijn door onvoldoende berging of grote opgaven in het gebied. Een maatregel is in dat geval op zeer korte termijn nodig.
Is langer wachten met het uitvoeren van de activiteit echt niet langer verantwoord (bijvoorbeeld voor een aantal zeer kwetsbare en bedreigde soorten gebonden aan het halfopen agrarisch landschap (bijv. de zomertortel en de patrijs), er is gelijk actie noodzakelijk (zeer dringende urgentie), dan worden er 5 punten toegekend;
4 punten worden toegekend als de activiteit op zeer korte termijn noodzakelijk is;
3 punten worden toegekend als de activiteit op korte termijn noodzakelijk is;
2 punten worden toegekend als de activiteit op de middellange termijn noodzakelijk is;
1 punt wordt toegekend als de activiteit niet op de middellange maar wel op de lange termijn noodzakelijk is;
0 punten worden toegekend als de activiteit ook niet op de lange termijn noodzakelijk is.
Wegingsfactoren
Aan de criteria zijn wegingsfactoren toegekend. Het criterium urgentie heeft de hoogste wegingsfactor (4), dit criterium wordt namelijk als belangrijkste criterium gezien. Gebieden waar de opgave het grootst is dragen sterk bij aan de ontwikkeling van de doelen van het openstellingsbesluit.
Het criterium effectiviteit heeft de een na hoogste wegingsfactor (3). Het is namelijk, naast dat een activiteit benodigd is ook van belang dat de activiteit effectief bijdraagt aan de doelen.
Het criterium haalbaarheid heeft de wegingsfactor 2 en het criterium efficiëntie wegingsfactor 1. Wanneer de haalbaarheid en efficiëntie van de uitvoering van een activiteit onzeker is, wordt het ook onzeker of het effect wel bereikt kan worden. Bij de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zal naar verwachting een minder groot verschil in de haalbaarheid en efficiëntie van het gebruik van middelen zijn. Deze criteria hebben dan ook een minder groot onderscheidend vermogen.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl