Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767223
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR767223/1
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oosterhout
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 02-10-2026
Intitulé
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente OosterhoutDe raad van de gemeente Oosterhout,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 juni 2026,
BESLUIT:
de Algemene plaatselijke verordening gemeente Oosterhout vast te stellen.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
- b.
Weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
- c.
Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
- d.
Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
- e.
Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
- f.
Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- g.
Gebouw: gebouw als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- h.
Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
- i.
Beperkingengebiedactiviteit: als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.
Artikel 1.2 Beslistermijn
- 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is, tenzij elders in deze verordening een andere termijn is opgenomen.
- 2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
- 4.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de artikelen 2.25, 2.28a, 2.81, 3.4, 4.11, 5.2 en 5.18 in deze verordening.
Artikel 1.3 Indiening aanvraag
[Vervallen]
Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen
- 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
- 2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
- 1.
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
- 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
- a.
Ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- b.
Op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
- c.
De aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
- d.
Van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
- e.
de houder dit verzoekt.
- a.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1.7 Termijnen
- 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
- 2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1.8 Weigeringsgronden
- 1.
De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:
- a.
De openbare orde;
- b.
De openbare veiligheid;
- c.
De volksgezondheid;
- d.
De bescherming van het milieu.
- e.
Strijdigheid met het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan, een bekendgemaakte ontwerpwijziging of het beoogde doel ervan.
- a.
- 2.
In gevallen waarbij de aanvraag minder dan drie weken voor de datum van de activiteit is ingediend, en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is, kan de aanvraag of ontheffing geweigerd worden.
- 3.
In gevallen, waarbij de aanvrager, zijnde een organisator, bedrijfsleider, eigenaar, exploitant of leidinggevende van een vergunning of ontheffing op grond van artikel 2.25, 2.28 a, 2.34h, 2.81 of 3.4, in enig opzicht van slecht levensgedrag is, kan de aanvraag worden geweigerd.
- 4.
De burgemeester kan voor toepassing van het vorige lid nadere regels vaststellen.
Hoofdstuk 2. Openbare orde
Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten, de orde te verstoren of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
- 2.
Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
- 3.
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
- 4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
- 5.
Dit artikel geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2.1a Verblijfsontzegging
- 1.
De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde of veiligheid, een verbod opleggen aan degene die de openbare orde of veiligheid heeft verstoord om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking van het verbod genoemde periode die ten hoogste twaalf weken kan bedragen.
- 2.
De burgemeester kan gebieden aanwijzen, waarvoor een verblijfsontzegging kan gelden, of kan overtredingen omschrijven die tot een verblijfsontzegging kunnen leiden, zoals bedoeld in artikel 13, lid 1 van de Politiewet 2012.
Artikel 2.1b Maskers, vermommingen e.d.
[Vervallen]
Artikel 2.2 Optochten
[Vervallen]
Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen
- 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare manifestaties te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat deze zal worden gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
- 2.
De kennisgeving bevat:
- a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
- b.
het doel van de betoging, vergadering of samenkomst;
- c.
de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
- d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
- e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
- f.
maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
- a.
- 3.
Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
- 4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
- 5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2.4 Afwijking termijn
[Vervallen; opgenomen in artikel 2.3]
Artikel 2.5 Te verstrekken gegevens
[Vervallen; opgenomen in artikel 2.3]
Artikel 2.6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
[Vervallen]
Artikel 2.7 Aanwijzen plaatsen muziekverbod
[Vervallen]
Artikel 2.8 Dienstverlening
[Vervallen]
Artikel 2.9 Straatartiest e.d.
[Vervallen]
Afdeling 2. Bruikbaarheid en uiterlijk aanzien van de weg en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2.10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 2.11 Beschadigen en veranderen van een weg
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 2.12 Maken, veranderen van een uitweg
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 2.13 Veroorzaken van gladheid
[Vervallen]
Artikel 2.14 Winkelwagentjes
[Vervallen]
Artikel 2.15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 2.16 Openen straatkolken e.d.
[Vervallen]
Artikel 2.17 Kelderingangen e.d.
[Vervallen]
Artikel 2.18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- 1.
In dit artikel wordt onder natuurbrandthermometer verstaan de thermometer zoals die door de brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt wordt voor het aangeven van risico’s op bosbranden.
- 2.
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan wanneer de natuurbrandthermometer fase 2 aangeeft.
- 3.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
- 4.
Het in het tweede en derde lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
- 5.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
[Vervallen]
Artikel 2.20 Vallende voorwerpen
[Vervallen]
Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
[Vervallen]
Artikel 2.22 Objecten onder hoogspanningslijn
[Vervallen]
Artikel 2.23 Veiligheid op het ijs
[Vervallen]
Afdeling 3. Evenementen
Artikel 2.24 Begripsbepaling
- 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
- a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
- b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
- d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
- e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
- a.
- 2.
Onder evenement wordt mede verstaan:
- a.
een herdenkingsplechtigheid;
- b.
een braderie en themamarkt;
- c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening;
- d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
- e.
een straatfeest of straat- of buurtbarbecue;
- f.
een uitzonderlijke sportwedstrijd of sportfestijn, waarvan de externe invloed die van een normale competitiewedstrijd of toernooi overtreft;
- g.
snuffelmarkt, zijnde een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats;
- h.
een crosswedstrijd op enig terrein.
- a.
Artikel 2.25 Evenement
- 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
- a.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8, lid 2 bedraagt de termijn voor het indienen van de aanvraag om een evenementenvergunning 8 weken voor kleinschalige, niet risicovolle evenementen en 12 weken voor grootschalige of risicovolle evenementen. Als een vergunningaanvraag te laat wordt ingediend kan de burgemeester de aanvraag weigeren.
- b.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag of melding worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
- a.
- 2.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;
- b.
het evenement tussen 07:00 en 24:00 uur plaats vindt;
- c.
alleen achtergrondmuziek ten gehore wordt gebracht;
- d.
het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
- e.
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 20 m2 per object;
- f.
de contactpersoon uiterlijk 4 weken voorafgaand aan het evenement daarvan via het webformulier of op schriftelijke wijze melding heeft gedaan aan de burgemeester.
- a.
- 3.
De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vorige lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
- 4.
De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of het milieu.
Artikel 2.26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen en het terras.
Artikel 2.27 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a.
Openbare inrichting: Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, shoarmazaak, pizzeria, discotheek, buurthuis of clubhuis, take away, fast- en foodbezorging, maaltijdbezorging en afhaalpunt.
- b.
Terras: een buiten de besloten ruimte van een openbare inrichting liggend deel van het bedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
- c.
Vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:28a, eerste lid van deze verordening is verleend.
- d.
Leidinggevende:
- •
De natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; diegene die de inrichting exploiteert;
- •
De natuurlijke persoon, die leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;
- •
- e.
Bezoeker: elke persoon in de openbare inrichting, met uitzondering van personeel, leidinggevenden, de vergunninghouder of andere personen die wegens dringende redenen in de openbare inrichting aanwezig moeten zijn.
- f.
Ondergeschikte horeca: horeca-activiteiten welke onderdeel zijn van een andere hoofdactiviteit.
Artikel 2.28a Exploitatievergunning voor een openbare inrichting
- 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning van de burgemeester.
- 2.
Het eerste lid geldt niet voor ondergeschikte horeca wanneer een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en door dezelfde ondernemer in hetzelfde pand of lokaliteit wordt geëxploiteerd. Voor zowel de winkel als de openbare inrichting gelden de sluitingstijden in de Winkeltijdenwet. Ondergeschikte horeca zonder een exploitatievergunning is enkel toegestaan als:
- a.
De activiteit past in het omgevingsplan;
- b.
De openings- en sluitingstijden van de horeca als nevenactiviteit hetzelfde zijn als van de hoofdfunctie;
- c.
Aan of bij de openbare weg geen aanduidingen worden gegeven waaruit op te maken valt dat in de inrichting etenswaren en dranken tegen betaling worden verstrekt voor gebruik ter plaatse;
- d.
Er geen reclame wordt gemaakt voor de horeca als nevenactiviteit;
- e.
De horeca als nevenactiviteit inclusief zitgelegenheid of terras wordt uitgeoefend op een vloer- en grondoppervlakte dat niet meer bedraagt dan maximaal 25% van de m2 winkelverkoopoppervlakte van de inrichting waarin de hoofdactiviteit wordt uitgeoefend, met een maximum van 35 m2 winkelverkoopoppervlakte;
- f.
Er geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;
- g.
De ondergeschikte horeca-activiteit voldoet aan alle wet- en regelgeving.
- a.
-
Van de bovenstaande criteria kan geen ontheffing worden verleend.
- 3.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
- a.
Zorginstellingen,
- b.
Bedrijfskantines of bedrijfsrestaurants.
- c.
Kerken/synagogen/ moskeeën
- d.
Musea waar uitsluitend voor museumgasten dranken worden geschonken en/of eetwaren worden verstrekt.
- a.
- 4.
De burgemeester kan voorschriften aan de vergunning als bedoeld in lid 1 verbinden.
- 5.
De vergunning als bedoeld in lid 1 wordt aangevraagd door de leidinggevende, zijnde de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd, met gebruikmaking van het daartoe beschikbare gestelde (digitale) aanvraagformulier.
- 6.
De burgemeester kan als hij dat nodig acht voor het beoordelen van de aanvraag verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd.
- 7.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.28 a, voor een openbare inrichting, moet in ieder geval worden voldaan aan de Omgevingswet.
Artikel 2.28b Gebruik van terras
Het is verboden een terras in gebruik te nemen zonder een vergunning voor het gebruik van gemeentegrond op grond van artikel 4.6 van het omgevingsplan.
Artikel 2.28c Gedragseisen
- 1.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.28 a, voor een openbare inrichting , waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, moet in ieder geval worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde.
- 2.
De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen:
- a.
Zij hebben de leeftijd van 18 jaar bereikt,
- b.
Zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag,
- c.
Zij dienen niet onder curatele te staan
- a.
- 3.
Bij wijziging van de leidinggevenden of uitbreiding van de leidinggevenden dient de vergunninghouder hiervan melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe leidinggevende(n) geldt het bepaalde in het tweede lid. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als aan alle vereisten wordt voldaan.
Artikel 2.28d. Aanwezigheid leidinggevende
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben als in deze inrichting niet aanwezig is:
- a.
Een leidinggevende die vermeld staat op (het aanhangsel bij) de exploitatievergunning dan wel een alcoholwetvergunning van dezelfde vergunninghouder of
- b.
Een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2.28C, derde lid is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.
Artikel 2:28e Inhoud exploitatievergunning
- 1.
De burgemeester vermeldt in een vergunning:
- a.
De exploitatie;
- b.
Tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
- c.
De plaats waar de inrichting zich bevindt;
- d.
De situering en de oppervlakte van de inrichting;
- e.
De voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden.
- f.
De leidinggevenden.
- a.
- 2.
De vergunning of afschriften daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.
Artikel 2.28f. Wijziging openbare inrichting
- 1.
Als een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, als dan nog steeds aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge 2.28f, eerste lid vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.
- 2.
Als deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken.
Artikel 2.28g Weigering vergunning
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8:
- 1.
De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.28a geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting.
- 2.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 2.28a voor het exploiteren van de openbare inrichting, als niet voldaan is aan één of meer van de genoemde eisen.
- 3.
In het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.
- 4.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 2.28a voor het exploiteren van een alcoholverstrekkend bedrijf, als de leidinggevende van de openbare inrichting, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd, niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.
- 5.
De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.28a weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een openbare inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest, dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
- 6.
De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.28a weigeren als moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
- 7.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 2.28a wanneer de inrichting niet voldoet aan de geldende Omgevingswet.
Artikel 2.28h Intrekking vergunning
- 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan een eenmaal verleende vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd:
- a.
Als aannemelijk is, dat de vergunninghouder van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
- b.
Als de houder strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
- c.
Als zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
- d.
Als de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, en ook als er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.
- e.
Als de vergunninghouder of een of meer leidinggevenden niet voldoen aan de eisen uit artikel 2.28C van deze verordening of het bepaalde in artikel 2.28 lid d niet in acht wordt genomen;
- f.
Als de vergunninghouder in een periode van twee jaar minstens drie keer een verzoek heeft gedaan om een leidinggevende bij te schrijven op (het aanhangsel bij) de vergunning en de burgemeester die wijziging (van het aanhangsel) ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c van deze verordening.
- a.
- 2.
Een vergunning kan eveneens worden ingetrokken, als voor de exploitatie tevens een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze wordt ingetrokken omdat niet langer voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8 van de Alcoholwet respectievelijk het Alcoholbesluit.
Artikel 2.28i Vervallen vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 vervalt een vergunning, wanneer:
- 1.
Sinds haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
- 2.
Gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
- 3.
De verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is.
Artikel 2.29 Sluitingstijd
- 1.
Het is de exploitant verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven:
- •
Op maandag tot en met vrijdag tussen 02:00 uur en 06:00 uur.
- •
Op zaterdag en zondag tussen 04:00 uur en 06:00 uur.
- •
- 2.
In afwijking van het eerste lid geldt dat op de volgende feestdagen het verboden is de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 04.00 uur en 06.00 uur:
- •
Tweede paasdag
- •
Tweede pinksterdag
- •
Dag na Bevrijdingsdag
- •
Dag na Hemelvaartsdag
- •
Eerste en tweede kerstdag en dag na tweede kerstdag
- •
- 3.
In afwijking van het eerste lid geldt dat op Koningsdag het de exploitant verboden is de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 06:00 uur en 07:00 uur.
- 4.
In afwijking van het eerste lid geldt dat op 1 januari het de exploitant verboden is de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 06:00 uur en 09:00 uur.
- 5.
Wanneer de openbare inrichting na 03.00 uur geopend is, moet vanaf 03.00 tot een half uur na sluitingstijd bij de ingang zichtbaar minimaal één gecertificeerde beveiliger aanwezig zijn.
- 6.
Voor alle in de voorgaande leden genoemde sluitingstijden geldt dat de exploitant vijftien minuten voor sluitingstijd de muziek uitzet en de lichten aandoet.
- 7.
De burgemeester kan nadere voorwaarden verbinden aan de in lid 1 tot en met lid 4 genoemde sluitingstijden.
- 8.
In de nacht dat de zomertijd ingaat wordt de sluitingstijd van horecabedrijven die op het uur dat de zomertijd ingaat open mogen zijn, met één uur verlengd. Dit betekent dat het verbod van lid 1 dan geldt tussen 05.00 en 06.00 uur (officiële tijd) en rekening gehouden moet worden met lid 5.
Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
- 1.
De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk openbare inrichting of een daartoe behorend terras.
- 2.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
- 3.
Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2.31 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting
Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting of op het bijbehorende terras te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2.29 of ingevolge een op grond van artikel 2.30 genomen besluit gesloten dient te zijn.
Artikel 2.31a Toegang toezichthouders van politie.
De houder van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat toezichthouders van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting:
- a.
Gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is;
- b.
Dan wel gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2.32 Handel in openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2.33 Ordeverstoring
Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.
Artikel 2.34 Het college als bevoegd bestuursorgaan
[Vervallen]
Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2.34a Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- •
alcoholhoudende drank,
- •
horecabedrijf,
- •
horecalokaliteit,
- •
inrichting,
- •
paracommerciële rechtspersoon,
- •
sterke drank,
- •
slijtersbedrijf en
- •
zwak-alcoholhoudende drank,
Dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2.34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
- 1.
Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken, dagelijks van 11:00 uur tot 00:00 uur.
- 2.
Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
- 3.
De burgemeester kan aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet nadere voorschriften verbinden.
Artikel 2.34c Beperkingen voor horecabedrijven
- 1.
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting:
- a.
Waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates-frites en kroketten, worden verkocht;
- b.
Welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het geven van onderwijs of van deze onderwijsinrichting deel uitmaakt;
- c.
Die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen dan wel gebruikt wordt door personen, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt;
- d.
Die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen;
- e.
Die in gebruik is als activiteitencentrum/dorpshuis.
- a.
- 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod om anders dan om niet sterke drank te verstrekken, is ten aanzien van de onder a. bedoelde inrichtingen niet van toepassing als de verstrekking plaats heeft in een lokaliteit die binnenshuis niet rechtstreeks in verbinding staat met het onderdeel waarin geringe eetwaren worden verkocht en die vanaf de straatzijde een aparte ingang heeft.
- 3.
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
- 4.
De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het verbod gesteld in het eerste lid.
- 5.
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden; een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd.
Artikel 2.34d Verbod ‘happy hours’
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk voor wordt gevraagd.
Artikel 2.34e Proeverijen in slijtlokaliteiten
- 1.
Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.
- 2.
De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Afdeling 6. Toezicht op campings- en recreatieparken
Artikel 2.34g Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a.
Camping of recreatiepark: (kampeer-)terrein dat planologisch bestemd is ten behoeve van het verschaffen van tijdelijk recreatief nachtverblijf.
- b.
De exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2.34h.
- c.
Beheerder/leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen.
Artikel 2.34h Exploitatievergunning
- 1.
Bij het exploiteren van meer dan 25 standplaatsen is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren.
- 2.
Dit verbod geldt niet voor een camping of recreatiepark dat al bestaat op het moment van inwerkingtreding van deze verordening.
- 3.
De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier.
- 4.
Voor zover voor de exploitatie van de camping of het recreatiepark ook een vergunning als bedoeld in artikel 2.28a benodigd is, er sprake is van eenzelfde eigenaar en beheerder/leidinggevende, wordt één exploitatievergunning verleend.
- 5.
In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeldt:
- a.
De persoonsgegevens van de exploitant en
- b.
De persoonsgegevens van de beheerder/leidinggevende.
- a.
Artikel 2.34i Gedragseisen
De exploitant en de beheerder/leidinggevende:
- a.
Staan niet onder curatele
- b.
Zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag en
- c.
Hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2.34j Weigeringsgronden
- 1.
De burgemeester weigert de vergunning, als:
- a.
De exploitant of beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2.34i gestelde eisen.
- b.
In het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur er een negatief advies is.
- a.
- 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 en het vorige lid kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, als:
- a.
Naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark, of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.
- b.
De exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen.
- c.
Dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
- a.
Artikel 2.34k Sluiting
- 1.
De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark als daar:
- a.
Door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verbogen zijn dan wel verworven of overgedragen.
- b.
Discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele geaardheid of op welke grond dan ook.
- c.
Wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend.
- d.
Zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
- a.
- 2.
De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark als:
- a.
De exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2.34h, eerste lid, of 2.34i onder sub a en b.
- b.
De exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.
- c.
De exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan, een bekendgemaakte ontwerpwijziging of het beoogde doel ervan.
- a.
- 3.
De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
- 4.
De burgemeester draagt zorgt voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan.
- 5.
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
Artikel 2.34l Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark
- 1.
Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen.
- 2.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden.
Artikel 2.34m Intrekking vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 wordt de vergunning ingetrokken als:
- a.
De exploitatie van de camping of recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen.
- b.
De exploitant of beheerder/leidinggevende niet meer voldoet aan de in artikel 2.34i onder a en b gestelde eisen.
- c.
In het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur er een negatief advies is voor de exploitant of beheerder/leidinggevende.
Afdeling 7. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.35 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Onder een inrichting vallen in ieder geval hotels, campings, vakantiehuizen, bed & breakfasts en woongelegenheden waarin arbeidsmigranten verblijven.
Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.37 Nachtregister
[Vervallen]
Artikel 2.38 Verschaffing gegevens nachtregister
- 1.
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken en aanvullende gegevens indien dat nader is bepaald.
- 2.
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt in de uitoefening van een beroep is, in aanvulling op lid 1, verplicht een mobiel nummer en emailadres te verstrekken.
Afdeling 8. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.39 Speelgelegenheden
[Vervallen]
Artikel 2.40 Speelautomaten
[Vervallen]
Afdeling 9. Maatregelen ter voorkoming van overlast en baldadigheid
Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal
- 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
- 2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
- 3.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2.42 Plakken en kladden
- 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
- 2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
- a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
- b.
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
- a.
- 3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
- 4.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
- 5.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
- 6.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
- 7.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering ter inzage af te geven.
Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap e.d.
[Vervallen]
Artikel 2.44 Inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
- 2.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
- 3.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen e.d.
[Vervallen]
Artikel 2.46 Rijden over bermen e.d.
[Vervallen]
Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- 1.
Het is verboden:
- a.
Op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
- b.
Zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt;
- c.
Zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een openbare plaats, dan wel deze te verontreinigen.
- a.
- 2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
- 3.
Hij die zich schuldig maakt aan de in de voorgaande leden genoemde feiten, is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
Artikel 2.48 Verboden drankgebruik
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
- 2.
Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank, te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
Een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
- b.
De plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
- a.
Artikel 2.49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- 1.
Het is verboden:
- a.
Zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
- b.
Zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
- a.
- 2.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen of soortgelijke meergezinswoningen of van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
- 3.
Hij die zich schuldig maakt aan de in de voorgaande leden genoemde feiten, is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
- 1.
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
- 2.
Hij die zich schuldig maakt aan de in het voorgaande lid genoemde feiten, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
Artikel 2.50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
- 1.
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen e.d.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, een nooduitgang, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2.52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te rijden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2.53 Bespieden van personen
[Vervallen]
Artikel 2.54 Bewakingsapparatuur
[Vervallen]
Artikel 2.55 Nodeloos alarmeren
[Vervallen]
Artikel 2.56 Alarminstallaties
[Vervallen]
Artikel 2.57 Loslopende honden
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten lopen of verblijven op een openbare plaats binnen de bebouwde kom, terwijl deze niet is aangelijnd. Dit verbod geldt niet in de door het college aangewezen losloopgebieden.
- 2.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze toe te laten op een kinderspeelplaats, in een zandbak of op een speelweide, trapveld of sportveld (hondenverbodszones).
- 3.
Het college legt de in lid 1 en 2 genoemde gebieden vast op een kaart. Ook kan het college andere hondenverbodszones vastleggen op een kaart.
- 4.
De verboden genoemd in voorgaande leden gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een daartoe gekwalificeerde geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2.58 Verontreiniging door honden
- 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
- 2.
Het college wijst plaatsen aan waar het gebod genoemd in het eerste lid niet geldt (hondenuitlaatplaatsen en losloopgebieden).
- 3.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht, als hij zich met de hond op een openbare plaats bevindt, een plastic - of papieren zakje bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van de uitwerpselen.
- 4.
Het is verplicht het in het voorgaande lid bedoelde hulpmiddel op verzoek van een toezichthoudende ambtenaar te laten zien.
- 5.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2.59 Gevaarlijke honden
- 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
- 2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
- 3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
- a.
Vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
- b.
Door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
- c.
Zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
- a.
- 4.
Een hond, als bedoeld in het eerste lid, dient voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
- 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
- a.
Op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
- b.
Het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
- c.
Het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.]
- a.
Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
[Vervallen]
Artikel 2.61 Wilde dieren
[Vervallen]
Artikel 2.62 Loslopend vee
[Vervallen]
Artikel 2.63 Duiven
[Vervallen]
Artikel 2.64 Bijen
[Vervallen]
Artikel 2.65 Bedelarij
[Vervallen]
Afdeling 10. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a.
handelaar: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- b.
verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijzen overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.
Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- 1.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht in het daartoe aangewezen digitale register aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
- a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
- b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
- c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
- d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
- e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
- a.
- 2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichtingen.
Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
- a.
De burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
- 1.
dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, waarbij hij ook schriftelijk opgave doet van zijn woonadres en van het volledige adres van elke lokaliteit welke door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik is genomen;
- 2.
van een verandering van de onder 1, bedoelde adressen;
- 3.
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
- 4.
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
- 1.
- b.
De burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
- c.
Aan de hoofdingang van elke lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben aangebracht waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld;
- d.
Een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
[Vervallen]
Artikel 2.70 Handel in horecabedrijven
[Vervallen]
Afdeling 11. Carbidschieten
Artikel 2.71 Begripsbepalingen
[Vervallen]
Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
[Vervallen]
Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
[Vervallen]
Artikel 2.73a Carbidschieten
- 1.
Onder carbidschieten wordt verstaan het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
- 2.
Behoudens het bepaalde in het derde lid is carbidschieten verboden.
- 3.
Voor het carbidschieten gelden de volgende regels:
- a.
Carbidschieten vindt enkel plaats buiten de bebouwde kom.
- b.
Het gebruik vindt plaats tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.
- c.
De inhoud van de bus waarmee geschoten wordt mag maximaal 50 liter zijn.
- d.
De bussen zijn afgesloten met zacht materiaal (bal of zak).
- e.
Geschoten wordt in een richting die is afgewend van woonbebouwing,
- f.
De betreffende locatie is gelegen op een afstand van tenminste:
- •
75 meter van woonbebouwing en
- •
300 meter van medische en zorginstellingen en
- •
300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden;
- •
- g.
Het vrije schootsveld is minimaal 75 meter en hierin liggen geen openbare wegen of paden,
- h.
De locatie waar het carbidschieten plaatsvindt wordt afgesloten met linten of ander vergelijkbaar materiaal zodat toeschouwers niet in de nabijheid van de melkbussen en niet in de schietrichting kunnen komen.
- a.
- 4.
De burgemeester kan een verbod op carbidschieten vaststellen in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en / of bescherming van het milieu.
Afdeling 12. Drugsoverlast
Artikel 2.74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2.74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 13. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.26, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.50a, 2.73 en 5.34 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- 1.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op openbare plaatsen, in de gehele gemeente Oosterhout en kan daartoe gebieden voor aanwijzen.
- 2.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaats binnen het gebied zoals omschreven in lid 1.
Artikel 2.78 Gebiedsontzeggingen
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
- 2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dit lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste twee weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
- 3.
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
- 4.
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.
Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
- 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
- 2.
Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.
- 3.
De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:
- a.
Geluid- of geurhinder;
- b.
Hinder van dieren;
- c.
Hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
- d.
Overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
- e.
Intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
- a.
Artikel 2.80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2.30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
- 3.
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
- 4.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
- 5.
Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
- 6.
De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
- 1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
Bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2.28, 2.34h of 3.4;
- b.
Beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;
- c.
Exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
- a.
- 2.
De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
- 3.
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.
- 4.
De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:
- a.
Voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;
- b.
De persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;
- c.
Het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
- d.
Het nummer van inschrijving in het Handelsregister;
- e.
Voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;
- f.
Voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
- g.
Een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
- h.
Een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.
- a.
- 5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
- a.
Als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
- b.
Als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- c.
Als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
- d.
Als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;
- e.
Als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- f.
Als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
- a.
- 6.
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.
- 7.
Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
- 8.
De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.
- 9.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:
- a.
De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- b.
De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
- c.
Er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
- d.
Er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- e.
De exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of
- f.
Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
- a.
- 10.
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
- 11.
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.
- 12.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
- 13.
Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.
- 14.
De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
- 15.
In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a.
prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
- b.
prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
- c.
seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of gelegenheid wordt gegeven tot het verrichten van seksuele handelingen, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
- d.
escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
- e.
sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;
- f.
exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;
- g.
beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;
- h.
bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
- 1.
de exploitant;
- 2.
de beheerder;
- 3.
de prostituee;
- 4.
het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
- 5.
toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;
- 6.
andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
- 1.
Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3.3 Nadere regels
Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3.4 Seksinrichtingen
- 1.
Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
- 2.
In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
- a.
de persoonsgegevens van de exploitant;
- b.
de persoonsgegevens van de beheerder; en
- c.
de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
- a.
Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder
- 1.
De exploitant en de beheerder:
- a.
staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
- b.
is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
- c.
heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
- a.
- 2.
Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:
- a.
met toepassing van het artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
- b.
binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
- c.
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
- •
bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
- •
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
- •
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
- •
de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
- •
de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
- •
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
- •
- a.
- 3.
Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld:
- a.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;
- b.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
- a.
- 4.
De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
- a.
bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
- b.
bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
- a.
- 5.
De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.
Artikel 3.6 Sluitingstijden
- 1.
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
- a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 05:00 uur;
- b.
op zaterdag en zondag tussen 02:00 uur en 05:00 uur.
- a.
- 2.
Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.
- 3.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te zijn.
- 4.
Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, zoals die wet luidde op 31 december 2023.
Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
- 1.
Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
- a.
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;
- b.
van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
- a.
- 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3.42 Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
- 1.
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
- 2.
De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:
- a.
geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en
- b.
geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
- a.
Artikel 3.9 Straatprostitutie
- 1.
Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:
- a.
op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;
- b.
gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.
- a.
- 2.
Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
- 3.
Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
- 4.
De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.
- 5.
De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
- 6.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 3.10 Sekswinkels
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
- 1.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:
- a.
indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;
- b.
anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
- a.
- 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden
Artikel 3.12 Beslissingstermijn
- 1.
Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
- 2.
Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 3.13 Weigeringsgronden
- 1.
De vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt geweigerd indien:
- a.
de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen;
- b.
de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan;
- c.
er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
- a.
- 2.
In afwijking van artikel 1.8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:
- a.
de openbare orde;
- b.
het voorkomen of beperken van overlast;
- c.
het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
- d.
de veiligheid van personen of goederen;
- e.
de verkeersvrijheid of – veiligheid;
- f.
de gezondheid of zedelijkheid;
- g.
de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
- a.
Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie
- 1.
De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
- 2.
Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 3.15 Wijziging beheer
- 1.
Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
- 2.
Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
- 3.
In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Artikel 4.1 Begripsbepalingen
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.3 Kennisgeving individuele festiviteiten
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.4 Gedragsvoorschriften
- 1.
Als een festiviteit plaatsvindt op een buitenterrein behorende bij een inrichting dient de muziek om 0:00 uur te worden gestaakt.
- 2.
2. Tijdens het ten gehore brengen van muziek binnen een inrichting moeten na 0:00 uur ramen en deuren gesloten worden gehouden behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.
Artikel 4.5 Verboden festiviteiten
[Vervallen]
Artikel 4.6 Overige geluid- en lichthinder
- 1.
Het is verboden buiten een inrichting in de zin van het Omgevingsplan, toestellen, geluidsapparaten of verlichting(-s-apparatuur) in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluid- en of lichthinder wordt veroorzaakt.
- 2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 4.6a Geluidhinder door dieren
Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor omwonenden, of overigens voor de omgeving, geluidhinder veroorzaakt.
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4.7 Straatvegen
[Vervallen]
Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
[Vervallen]
Artikel 4.9a Verbod oplaten ballonnen
- 1.
Het is verboden één of meerdere ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.
- 2.
Onder ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon of soortgelijke ballonnen.
- 3.
Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4.10 Definities
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.12 Overige bepalingen
De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
[Vervallen]
Artikel 4.14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
[Vervallen]
Artikel 4.15 reclame op nutsvoorzieningen
- 1.
Het is verboden zonder toestemming van de gemeente reclameobjecten of posters aan te brengen of te laten aanbrengen op nutsvoorzieningen.
- 2.
Onder nutsvoorzieningen worden in ieder geval verstaan: elektriciteitskasten, gas- of waterverdeelkasten, transformatorstations, telecommunicatiekasten, schakelkasten, rioolputkasten en andere soortgelijke voorzieningen, ongeacht de eigenaar.
- 3.
De eigenaar van een nutsvoorziening of ander object in de openbare ruimte is verantwoordelijk voor het voorkomen en verwijderen van ongeoorloofde aanplakbiljetten of reclame-uitingen op of aan het object.
Artikel 4.16 Vergunningplicht lichtreclame
[Vervallen]
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4.17 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, zoals een tent, tentwagen, kampeerwagen of caravan, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4.18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- 1.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein, recreatieterrein, minicamping, camperplaats of gelijksoortige voorziening dat als zodanig in het bestemmingsplan of omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
- 2.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen
[Vervallen]
Afdeling 6. Geluidsvoorschriften in verband met de aanleg van walstroom
Artikel 4.20 Begripsbepaling
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.21 Verbod gebruik generator voor binnenvaartschip en geluidnorm generator
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 4.22 Verbod gebruik hoofd- en hulpmotor binnenvaartschip
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen
Artikel 5.1 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a.
Voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
- b.
Parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
- c.
Kampeermiddel: een niet grondgebonden onderkomen of voertuig, zoals een tent, tentwagen, kampeerwagen of caravan, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 5.2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
- 1.
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
- a.
Het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of
- b.
Het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
- a.
- 2.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
- a.
Voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of
- b.
Voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
- a.
- 3.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden de weg als werkplaats voor voertuigen, dan wel de weg met als kennelijk doel voertuigen te verkopen, te gebruiken.
- 4.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen
[Vervallen]
Artikel 5.4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5.5 Voertuigwrakken
- 1.
Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert in de openbare ruimte te parkeren of te hebben.
- 2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.5a Weesvoertuigen
- 1.
Het is verboden om een voertuig langer dan zesenvijftig dagen op de weg stil te laten staan.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op die plaatsen waar een belasting als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Gemeentewet wordt geheven.
- 3.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de overige artikelen van deze afdeling.
Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
- 1.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
- a.
Langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op de weg.
- b.
Op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
- a.
- 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
- 3.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen
[Vervallen]
Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen
- 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
- 2.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
- 3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
- 4.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het college kan besluiten de tijden waarop het verbod niet geldt te verruimen.
- 5.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 5.9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
- 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
[Vervallen]
Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
- 1.
Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park, plantsoen of natuurterrein of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
- 2.
Dit verbod is niet van toepassing:
- a.
op de weg;
- b.
op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
- c.
op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
- a.
- 3.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets
- 1.
Het is verboden om (brom-)fietsen op of langs de openbare weg te parkeren op zodanige wijze dat daardoor schade, gevaar of overlast ontstaat voor het gebruik van de weg, de openbare gezondheid of de toegankelijkheid.
- 2.
Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen (brom-)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimte of plaatsen op de weg te parkeren.
Afdeling 2. Collecteren
Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen
- 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
- 2.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
- 3.
Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt of voor instellingen met een CBF-keurmerk die op het collecterooster van het CBF opgenomen zijn.
- 4.
Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.
Afdeling 3. Venten
Artikel 5.14 Begripsbepaling
[Vervallen]
Artikel 5.15 Ventverbod
[Vervallen]
Artikel 5.16 Vrijheid van meningsuiting
[Vervallen]
Afdeling 4. Standplaatsen
Artikel 5.17 Begripsbepaling
- 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, inkopen, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
- 2.
Onder standplaats wordt niet verstaan:
- a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
- a.
Artikel 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 5.19 Toestemming rechthebbende
[Vervallen]
Artikel 5.20 Afbakeningsbepalingen
[Vervallen]
Artikel 5.21 Aanhoudingsplicht
[Gereserveerd]
Afdeling 5. Snuffelmarkten
Artikel 5.22 Begripsbepaling
[Vervallen]
Artikel 5.23 Organiseren van een snuffelmarkt
[Vervallen]
Afdeling 6. Openbaar water
Artikel 5.24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
[Vervallen]
Artikel 5.25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
[Vervallen, opgenomen in omgevingsplan]
Artikel 5.26 Aanwijzingen ligplaats
[Vervallen]
Artikel 5.27 Verbod innemen ligplaats
[Vervallen]
Artikel 5.28 Beschadigen van waterstaatswerken
[Vervallen]
Artikel 5.29 Reddingsmiddelen
[Vervallen]
Artikel 5.30 Veiligheid op het water
[Vervallen]
Artikel 5.31 Overlast aan vaartuigen
[Vervallen]
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5.32 Crossterreinen
[Vervallen]
Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden
[Vervallen]
Afdeling 8. Verbod vuur te stoken
Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde op 31 december 2023 of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, uitgezonderd:
- a.
Het verbranden van kerstbomen;
- b.
Het houden van kampvuren door de plaatselijke scouting;
- c.
Het houden van oefeningen door de brandweer;
- d.
Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
- e.
e. Sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
- f.
Vuur voor koken, bakken en braden,
mits dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
Artikel 5.34a
[Gewijzigd en ondergebracht bij afdeling 13 vuurwerk: artikel 2.73a]
Afdeling 9. Verstrooiing van as
Artikel 5.35 Begripsbepaling
[Vervallen]
Artikel 5.36 Verboden plaatsen
[Vervallen]
Artikel 5.37 Hinder of overlast
[Vervallen]
Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.1 Strafbepaling
- 1.
Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikel 2.1 t/m 2.41, 2.50a, 2.51 t/m 2.62, 2.64 t/m 2.68, 2.74, 2.74a, 2.78, 3.4 t/m 5.37.
- 2.
Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikel 2.42 t/m 2.50, 2.63, 2.73a.
Artikel 6.2 Toezichthouders
- 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast de als buitengewoon opsporingsambtenaar of –ambtenaren beëdigde ambtenaren zoals bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering en de toezichthouders van de gemeente Oosterhout, voor zover dat uit hun taakomschrijving blijkt.
- 2.
Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college en/of de burgemeester aan te wijzen personen.
Artikel 6.3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6.4 Inwerkingtreding
- 1.
De Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Oosterhout 2024 wordt ingetrokken per de in het tweede lid bedoelde datum.
- 2.
Deze verordening treedt in werking een dag na bekendmaking.
Artikel 6.5 Overgangsbepaling
Besluiten, genomen krachtens eerdere versies van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Oosterhout, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze gewijzigde verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Artikel 6.6 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening gemeente Oosterhout.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 september 2026,
de raad voornoemd,
, voorzitter
, griffier
TOELICHTING ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING GEMEENTE OOSTERHOUT
Inleiding
Door ontwikkelingen in landelijke regelgeving, ontwikkelingen in de praktijk en voortschrijdende inzichten moet de APV van tijd tot tijd worden aangepast. Er wordt hier en daar een toelichting gegeven op artikelen waarover vaker vragen worden gesteld. Deze toelichting is slechts informatief. De artikelen van deze verordening zijn doorslaggevend.
Voor een uitputtende toelichting wordt verwezen naar de toelichting met achtergrondinformatie in de model-APV van de VNG. Oosterhout volgt zoveel mogelijk de model- APV. We wijken af als daar goede redenen voor zijn, zoals aanbevelingen vanuit de Veiligheidsregio of bij ontwikkelingen in het land met effect op de APV, die nog niet in de model-APV zijn verwerkt.
Oosterhout heeft een omgevingsplan vastgesteld en daarom zijn bepaalde artikelen uit de APV verplaatst naar het omgevingsplan. Als gevolg van de Omgevingswet gaat de APV steeds meer een instrument zijn om de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid te regelen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen om de fysieke leefomgeving te borgen.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk zijn de algemeen geldende bepalingen opgenomen.
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
Omdat de APV meestal betrekking heeft op openbare plaatsen in de ruime zin van het woord is het begrip ‘openbare plaats of inrichting’ apart omschreven in de begripsomschrijving en is in alle bepalingen het begrip ‘weg’ vervangen door openbare plaats, behalve wanneer uitsluitend de weg in de zin van de Wegenverkeerswet wordt bedoeld.
In diverse voorliggende wetgeving worden ook wel de begrippen voor publiek toegankelijke inrichting of gebouw of openstaande inrichting of gebouw benoemd en komen ook voor in deze APV.
In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1.1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied.
Artikel 1.2 Beslistermijn
Lex silencio positivo (LSP): Positieve fictieve beslissing
Op 1 januari 2010 is de Dienstenwet in werking getreden, waarin de Lex Silencio Positivo (LSP) is opgenomen voor vergunningenstelsels die betrekking hebben op het verlenen van diensten. LSP betekent dat als de beslistermijn wordt overschreden, deze vergunningen van rechtswege worden verleend. In lid 4 is aangegeven wanneer LSP niet van toepassing is.
Artikel 1.2, 1.4, 1.5 en 1.6
De Ow geeft een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow.
Artikel 1.7 Termijnen
Om administratieve lasten te beperken worden vergunningen waar mogelijk voor onbepaalde tijd verleend. Dit geldt uiteraard alleen als de aard van de vergunning zich daartoe leent.
Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 02-11-2016 (ECLI:NL: RVS:2016:2927) blijkt dat voor onbepaalde tijd verleende vergunningen zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat onbepaalde tijd en schaarse vergunningen zich niet met elkaar verdragen
Artikel 1.8 Weigeringsgronden
Lid1. Omdat het doel van de meeste APV-vergunningen hetzelfde is, namelijk het beschermen van de openbare orde, waaronder ook de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen, en het voorkomen van overlast, zijn de toetsingscriteria meestal dezelfde. Daarom zijn deze opgenomen in dit algemene hoofdstuk. Daar waar (ook) andere criteria meespelen, is dat in de desbetreffende artikelen opgenomen.
Lid 2. De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4.5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1.3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had.
Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente.
In artikel 2.25 is voor de evenementenvergunning voor grootschalige of risicovolle evenementen van deze termijn afgeweken.
Lid 3 geeft duidelijkheid in welke gevallen de gedragseis ‘slecht levensgedrag’ wordt onderzocht.
De burgemeester en het college hebben de ’Beleidsregel houdende regels omtrent het levensgedrag op grond van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Oosterhout’ vastgesteld die uitleg geeft aan wat we onder ‘slecht levensgedrag’ verstaan. De Dienstenrichtlijn en jurisprudentie noodzaakt ons om dit te doen.
Exploitanten, leidinggevenden, organisatoren, bedrijfsleiders of eigenaren van een vergunning of ontheffing vervullen een belangrijke rol als het gaat om het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en ook als het gaat om de openbare orde en veiligheid. Ze spelen een belangrijke rol in het creëren van een rustige en veilige omgeving en hebben hierin een voorbeeldfunctie. Ze dienen zorg te dragen voor een goede gang van zaken in- en rondom de onderneming. Exploitanten, leidinggevenden etc. dienen een verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en misbruik van andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming en het signaleren en melden van misstanden, mensenhandel en uitbuiting. Van exploitanten, leidinggevenden etc. wordt verwacht dat zij te allen tijde hun medewerking verlenen aan toezichthouders, informatie proactief delen en eerlijk zijn over de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan en relevant zijn voor het beoordelen van het levensgedrag.
Wanneer precies sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is op het exploiteren van de onderneming, is niet concreet te benoemen. Vanwege de diversiteit in (strafbare) feiten die hierbij een rol kunnen spelen, zijn hier geen standaard criteria voor op te stellen. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om niet-onbesproken levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag. Of er sprake is van slecht levensgedrag dat moet leiden tot het weigeren of intrekken van de vergunning wordt daarom per individueel geval bepaald.
De toetsing vindt plaats bij de vergunningaanvraag of bij een aanvraag voor wijziging of aanvulling van een vergunning. Ook gedurende de looptijd van een vergunning kan er aanleiding zijn om het levensgedrag opnieuw te beoordelen.
In beginsel worden slechts feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling.
Om het levensgedrag te toetsen worden diverse gegevens, in samenhang, gewogen. Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van de belangrijkste informatiebronnen:
- •
Informatie van de politie
- •
Het Justitieel Documentatie Systeem
- •
Handhavingsgegevens en overige gegevens waarover de gemeente beschikt
- •
Informatie uit een Bibob-toets
- •
Informatie uit openbare bronnen
Bij de levensgedragtoets worden altijd de politie en/of het Justitieel Documentatie Systeem geraadpleegd. Andere informatiebronnen, met uitzondering van eigen handhavings-gegevens, worden niet standaard geraadpleegd voor het beoordelen van het levensgedrag.
Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan via het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) informatie worden uitgewisseld met de Inspectie SZW, de Belastingdienst, de Douane en de IND.
Voor de inhoud van de volledige beleidsregel verwijzen we naar www.overheid.nl.https://overheid.nl/
Hoofdstuk 2 Openbare orde
In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding ofwel regulering van het gebruik.
Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden
Deze bevoegdheid bevat een aanvulling op de artikelen 141 (geweld plegen in vereniging), 300 (mishandeling) en 306 (mishandeling met meerdere personen) van het Wetboek van Strafrecht op grond waarvan pas kan worden opgetreden als er sprake is van letsel of aangifte.
Artikel 2.1a Verblijfsontzegging
Voor de verblijfsontzegging heeft de burgemeester een protocol opgesteld, waarin is vastgelegd voor welk gebied het geldt (het zogenaamde KLM-gebied: Klappeijstraat tot kruising Mathildastraat, Leijsenhoek tot Waterloostraat, Markt, neergelegd op een plattegrond), voor welke feiten het geldt en welke termijn eraan wordt verbonden. Dit protocol is nog steeds van kracht en is volgens het overgangsrecht nu gebaseerd op artikel 2.1a.
Artikel 2.6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
In het proces van deregulering van de APV in december 2016 is dit artikel vervallen.
In de deregulering van de APV in december 2016 is besloten het flyerverbod te schrappen. De gemeente beroept zich hiervoor op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en ondernemers. Een vergunningstelsel of uitzonderingen binnen de stad zal leiden tot hogere administratieve last.
Door zowel burgers, ondernemers als interne adviseurs worden signalen afgegeven over overlast met betrekking tot flyeren. Hoewel dit soort signalen juist aanleiding zouden kunnen geven tot het opnemen van een flyerverbod en/of vergunning of ontheffing in de APV vindt u deze niet terug.
De ervaren overlast heeft voornamelijk betrekking op activiteiten waarbij kranten, flyers of andersoortig drukwerk aangeboden wordt met al dan niet de mogelijkheid tot inschrijven voor een abonnement. Deze activiteiten zijn juridisch gezien grondwettelijk beschermd. Een (algeheel) verbod op deze activiteiten is dan ook niet toegestaan.
Artikel 2.13 Veroorzaken van gladheid.
In navolging van de model-APV is dit artikel verwijderd omdat het onderwerp is geregeld in artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.18 Rookverbod in bossen
De in dit artikel benoemde natuurbrandthermometer is te raadplegen op de website https://www.natuurbrandrisico.nl/
Afdeling 3 Evenementen
Artikel 2.24 Begripsbepaling
Onder artikel 2.24 lid 2 sub e wordt in ieder geval bedoeld een vorm van een vechtsport, zoals Mixed Martial Arts, ook wel genoemd gemengde vechtkunst. Hieronder vallen in ieder geval ‘free fight’ (het vrije vechten), ‘vale tudo’ (Braziliaans Mexed Martial Arts) en ‘cage fight’ (kooivechten). Ook kickboksen en Muay Thai (Thaiboksen) in al hun varianten, vallen onder dit artikel. In het geval van een aanvraag voor een vorm van vechtsport of een vechtsportgala wordt artikel 1.8 lid 3 toegepast. Hiermee geven we inhoud aan de oproep van de Nederlandse Vechtsportautoriteit van oktober 2017 en handelen we volgens de ‘Handreiking vechtsportgala’s’.
Artikel 2.25 Evenement
Voor de evenementenvergunning is voor grootschalige of risicovolle evenementen een ruimere aanvraagtermijn van 12 weken opgenomen, omdat in de praktijk is gebleken dat de termijn van 8 weken, o.a. met het oog op het organiseren van de politie-inzet, niet haalbaar is. Daarnaast is ten opzichte van de model-APV de beperking aangebracht dat er bij evenementen waarvoor geen vergunning hoeft worden aangevraagd, maar waar wel een melding voor moet worden gedaan slechts achtergrondmuziek ten gehore mag worden gebracht.
Afdeling 4 Toezicht op horecabedrijven en gebruik van terras
Artikel 2.27
Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, shoarmazaak, pizzeria, discotheek, buurthuis of clubhuis, take away, fast- en foodbezorging, maaltijdbezorging en afhaalpunt.
In de begripsbepaling is bij de actualisatie van september 2026 de vergunningplicht voor de bedrijfsvormen take away, fast- en foodbezorging, maaltijdbezorging en afhaalpunt opgenomen.
Oosterhout heeft Terrassenbeleid vastgesteld. Daarin staan de spelregels voor zowel een terras bij een winkel, zoals bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet als voor een openbare inrichting
Wanneer sprake is van een openbare inrichting maakt het terras onderdeel uit van de openbare inrichting. Daar waar het terras is gelegen op gemeentegrond wordt de aanvraag getoetst aan het terrassenbeleid en aan de eisen die gelden voor het in gebruik nemen van gemeentegrond. In het geval van een openbare inrichting wordt de ontheffing en de daarbij behorende voorwaarden opgenomen in de exploitatievergunning.
De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de straat, wijk of buurt zullen aantasten, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting.
De weigeringsgrond woon- en leefmilieu en slecht levensgedrag valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.
De Bibob toets is geen dwingende weigeringsgrond of intrekkingsgrond, maar een facultatieve. De Bibob toets staat in beginsel los van de “levensgedrag toets” en staan elkaar niet in de weg, maar kunnen elkaar versterken. De Bibob toets zal bij een aanvraag voor een vergunning plaatsvinden.
Artikel 2.29 Sluitingstijd
Lid 6. Wanneer de openbare inrichting na 03.00 uur geopend is, moet vanaf 03.00 tot een half uur na sluitingstijd bij de ingang zichtbaar minimaal één gecertificeerde beveiliger aanwezig zijn. Dat wil zeggen dat de standplaats voor de beveiliger (portier) buiten is. De beveiliger moet vanaf de straat zichtbaar zijn. Natuurlijk mag de beveiliger wel even een keer naar het toilet.
Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd
De bevoegdheid om afwijkende sluitingsuren vast te stellen of inrichtingen tijdelijk te sluiten vindt zijn grondslag in artikel 174 Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester belast met het toezicht op openbare samenkomsten, maar ook op “voor het publiek openstaande gebouwen”, zoals horeca-inrichtingen.
Op grond van lid 1 kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk openbare inrichting van het sluitingstijdstip worden afgeweken. Dit kan zowel een verruiming als een beperking zijn. De burgemeester kan hiervoor (beleids-)regels opstellen.
Op grond van lid 2 kan de burgemeester voor één of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen dan de geldende. Te denken is b.v. aan de situatie, dat er bij een bepaalde inrichting sprake is van een overlastpatroon, dat zich met name na twaalf uur ‘s nachts manifesteert. De burgemeester kan dan gedurende een bepaalde periode de sluitingstijd vaststellen op 24.00 uur.
Ook geeft dit lid de burgemeester de bevoegdheid inrichtingen gedurende een bepaalde tijd volledig te sluiten.
In aanvulling op dit artikel heeft de burgemeester op grond van artikel 2.80 nog nadere bevoegdheden om een pand te sluiten.
De in artikel 2.80, lid 1 genoemde overtredingen kunnen redenen zijn om lid 2 van artikel 2.30 toe te passen. Immers door deze overtredingen kan de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid in het geding zijn.
Artikel 2.31a Toegang toezichthouders van politie
Artikel is toegevoegd, omdat hier discussies over ontstaan op momenten dat dit speelt in de praktijk, ondanks dat artikel 6:2 de bevoegdheid al regelt.
Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Deze modelverordening bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4, 25a, 25b, 25c, 25d en 25e van de Alcoholwet. Hoewel de APV voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat, is ervoor gekozen om deze medebewindbepalingen daarin op te nemen omdat dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is. Immers, de APV regelt al aanverwante zaken zoals de horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke.
Oneerlijke mededinging
De op basis van artikel 4 van de Alcoholwet door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Concreet komt het erop neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden.
Verplichte en niet verplichte bepalingen
Een regeling op grond van artikel 4 van de Alcoholwet, in deze modelverordening uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen 2:34c en 2:34d, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a en 25d van de Alcoholwet. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Artikel 2.34e Proeverijen in slijtlokaliteiten
Algemeen
Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven als hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet).
Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente met een slijterijvergunning.
Voorwaarden
De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan genoemd in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit:
- •
Maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week.
- •
Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. Proeverijen mogen uitsluitend tegen betaling worden georganiseerd.
- •
De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende.
- •
De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang.
- •
Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt.
Tweede lid
Tijdens de proeverij mogen alleen de deelnemers aan de proeverij aanwezig zijn in de slijtlokaliteit (artikel 6.1 van het Alcoholbesluit). Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet). Dus als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. Als echter een slijterij gebruikelijk pas om 22.00 uur sluit, dan is een proeverij in de avonduren dus niet toegestaan. Het is niet mogelijk een slijtlokaliteit eerder dan normaal te sluiten om vervolgens een proeverij te organiseren.
Afdeling 6. Toezicht op campings- en recreatieparken
Bij de actualisatie van september 2026 is deze afdeling toegevoegd.
Door toevoeging van dit hoofdstuk heeft een exploitant van een recreatiepark een exploitatievergunning nodig. Door deze vergunningplicht is het mogelijk beter toezicht uit te voeren en Bibob toe te passen. Het is een middel om ondermijning tegen te gaan. Naar voorbeeld van de Handreiking APV en Ondermijning en andere gemeenten.
Dit artikel gaat gelden voor nieuwe exploitanten, tenzij er signalen zijn, waardoor er redenen zijn om Bibob toe te passen en een vergunningplicht op te leggen aan een bestaande ondernemer.
Afdeling 7 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Op grond van artikel 438 van het WvSr is een ondernemer die een hotel, pension of camping en dergelijke drijft, verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Het goed bijhouden van een nachtregister is in het belang van de ondernemer en ook in het belang van de gemeente. Bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension.
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Het nachtregister is ook bedoeld voor mensen die tot vier maanden in Nederland verblijven als arbeidsmigrant. Wordt die termijn overschreden, dan moet iemand zich laten registreren in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente.
De geldende ‘Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting’ is van toepassing.
Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.40 Speelautomaten
In Oosterhout geldt een aparte verordening met betrekking tot speelautomaten en speelautomatenhallen.
Afdeling 9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2.42 Plakken en kladden
Met het middel ‘krijt’, zoals genoemd in lid 2 van dit artikel bedoelen we niet stoepkrijt gebruikt in onschuldige situaties, zoals door kinderen bij het spelen op straat.
Artikel 2.48 Verboden drankgebruik
Lid 1. Er zijn diverse gebieden aangewezen.
Check voor de laatste versie altijd www.overheid.nl.
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
Algemeen
Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.
De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm).
Eerste lid
Het verbod geldt voor de gehele gemeente.
Tweede lid
Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend.
Derde lid
Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt.
Afdeling 10 Bestrijding van heling van goederen
De afdeling over het tegengaan van heling is opgenomen als aanvulling op de desbetreffende bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Volgens artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht is het verplicht voor handelaren van bepaalde goederen om een inkoopregister bij te houden. In de APV kan worden geregeld dat er ook een verkoopregister moet worden bijgehouden.
Artikel 2.66 Begripsbepaling
Bij de herijking van de APV in 2014 is het begrip verkoopregister opgenomen in de begripsbepaling.
Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Het Digitaal Opkopers Register (DOR) is middels een aanwijzingsbesluit aangewezen als doorlopend en gewaarmerkt register voor de in- en verkoop van gebruikte of ongeregelde goederen zoals gesteld in lid 1 (gepubliceerd op 11 april 2018). Handelaren kunnen zich via de website www.ikbenhandelaar.nl zelf aanmelden en krijgen dan inloggegevens voor het DOR om goederen te registreren.
In lid 2 is opgenomen dat de burgemeester voor bepaalde categorieën van goederen kan bepalen dat deze niet in het verkoopregister hoeven te worden opgenomen met als doel het verkoopregister te beperken. Bij toepassing hiervan dient door de burgemeester een afzonderlijk besluit te worden genomen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan over goederen met een waarde van minder dan vijftig euro.
Het DOR is gekoppeld aan een landelijk systeem waarin gestolen goederen worden geregistreerd;
Indien een handelaar een gestolen goed registreert maakt het systeem hiervan een melding waardoor gestolen goederen snel worden getraceerd en heling op effectieve wijze kan worden tegengegaan.
Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
Bij de herijking van de APV in 2014 is dit artikel tekstueel aangescherpt en de termijn van bewaring is van drie dagen verhoogd vijf dagen.
Afdeling 13. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden
Dit artikel schept voor de officier van justitie de mogelijkheid bagage en kleding van mensen te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens en munitie als daar aanleiding toe is.
Artikel 2.77 cameratoezicht op openbare plaatsen
Eerste lid
Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij APV de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in gebieden in het belang van de handhaving van de openbare orde.
Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.
Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.
Doel van het cameratoezicht
Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.
Kenbaarheid
In artikel 151c lid 4 van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden.
Tweede lid
De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 van de Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doel gebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wet openbare manifestatie vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.
Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Het tweede lid van het wetsartikel regelt dat het instrument van de bestuursdwang of dwangsom alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan.
Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als er sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.
Denk bijvoorbeeld aan gevallen waarin ernstige of herhaaldelijke overlast is van geluid- of geurhinder, hinder van dieren, hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn, overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf of intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2.80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw en/of erven
De burgemeester is ingevolgde artikel 174 Gemeentewet belast met het toezicht op openbare vermakelijkheden. In dit APV-artikel is door de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid gegeven om bij het vaststellen van feiten en omstandigheden die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid, voor het publiek openstaand gebouw en /of erven te sluiten. Het artikel geeft een aantal concrete overtredingen waarbij deze belangen in ieder geval in het geding zijn. Dit zijn overtredingen van de Wet wapens en munitie, heling en illegaal gokken. Weliswaar betreft het ook strafbare feiten, maar het belang voor de burgemeester om in deze gevallen een bestuursrechtelijke maatregel te nemen is gelegen in het beschermen van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid. Doel met de sluiting is de loop er uit te halen en de bekendheid van het gebouw en/of erf als locatie waar de ongewenste activiteiten plaatsvinden te ontnemen. Daarbij zullen deze in ieder geval gedurende de periode van sluiting zich niet herhalen. De maatregel is gericht op het pand en of erf en niet op de exploitant. Bij sluiting geldt deze dus ook voor een eventuele rechtsopvolger.
Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4.10, 4.11 en 4.12
Dit onderwerp is geregeld in het Omgevingsplan en daarom zijn de artikelen 4.10 en 4.11 uit de APV gehaald. Artikel 4. 12 blijft vooralsnog in de APV staan. Dit onderdeel staat nog niet in het omgevingsplan.
Oosterhout is een groene gemeente en bomen spelen in dat karakter een bepalende rol. Om ook in de toekomst een groene, gezonde, herkenbare, veilige en aantrekkelijke, bio diverse en klimaatbestendige gemeente te kunnen zijn is behoud en uitbouw van ons groen en ons bomenbestand van belang.
Het uitgangspunt is en blijft dat bomen alleen worden gekapt als het niet anders kan. De velvergunning is afgeschaft, met uitzondering voor bomen die zijn opgenomen op de Lijst van Monumentale bomen Oosterhout.
Het bevoegd gezag heeft een beleid vastgesteld in het kader van een herplantplicht.
Voor meer informatie verwijzen we naar het beleidskader Bomencompensatierichtlijn 2023.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4.15 Reclame op nutsvoorzieningen
Dit verbod is bedoeld om visuele vervuiling tegen te gaan, vandalisme te voorkomen en de herkenbaarheid en bereikbaarheid van nutsvoorzieningen voor hulpdiensten en onderhoud te waarborgen. De nutsvoorzieningen zijn vaak niet van de gemeente en dit artikel geeft ons toch de handvatten om ongewenste reclames te voorkomen of daarop te handhaven.
Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaans een bouwvergunning nodig, waardoor al toetsing plaatsvindt.
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Dit onderwerp is geregeld in het omgevingsplan.
Er zijn echter situaties waarop in het kader van openbare orde en veiligheid het wenselijk is om direct te kunnen handhaven om een onwenselijke situatie op te lossen.
Daarom staan deze artikelen ook in de APV.
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.
Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling
Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.
Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Dit verbod heeft betrekking op het parkeren in gemeentelijke groenvoorzieningen. Onder groenvoorzieningen wordt niet begrepen de berm van de weg omdat de berm onderdeel is van de weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Het parkeren in de berm wordt door de verkeerswetgeving gereguleerd. Volgens artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) mag er in principe op de rijbaan en op andere weggedeelten (dus ook de berm) worden geparkeerd. Op plaatsen waar dat onwenselijk is kan een parkeerverbod op grond van het RVV worden ingesteld.
Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets
Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om in aanvulling op de wegenverkeerswetgeving plaatsen aan te wijzen waar het verboden is fietsen en bromfietsen te plaatsen. De motieven voor deze aanvullende regeling zijn andere dan die van de wegenverkeerswetgeving. Volgens de wegenverkeerswetgeving kan het plaatsen van fietsen worden verboden als de veiligheid of de vrijheid van het verkeer in het gedrang komt. Op grond van de APV is dit mogelijk om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen.
Afdeling 2. Collecteren
Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen
De bepalingen inzake het collecteren zijn ongewijzigd ten opzichte van de vorige APV. Op 16 april 1989 heeft het college vrijstelling verleend voor inzamelingen die voorkomen op het collecterooster.
Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het collecterooster van het CBF (Centraal Bureau voor de fondsenwerving). De VNG heeft hiervoor een model gemaakt. Daarin zijn voorwaarden opgenomen zoals het melden bij de gemeente wanneer daadwerkelijk ingezameld gaat worden.
Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt, voor de collectevrije periode, een vergunning voor bepaalde tijd afgegeven, mits zij beschikken over een verklaring van geen bezwaar of een certificaat van het CBF.
Als het gaat om een plaatselijk doel wordt de controle op de betrouwbaarheid van de collectant onderzocht door deze achteraf een zgn. collectestaat te laten overleggen. Dat is een overzicht van inkomsten en uitgaven van de collecte waarvoor de vergunning was verleend. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een vergunning worden afgegeven. Om overlast te voorkomen mag slechts eenmaal per week huis-aan-huis worden gecollecteerd.
Afdeling 3. Venten
In de deregulering van de APV in december 2016 (vastgesteld januari 2017) is besloten het ventverbod te schrappen. De gemeente beroept zich hiervoor op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en ondernemers. Een vergunningstelsel of uitzonderingen binnen de stad zal leiden tot hogere administratieve last.
Door zowel burgers, ondernemers als interne adviseurs worden signalen afgegeven over overlast met betrekking tot venten. Hoewel dit soort signalen juist aanleiding zouden kunnen geven tot het opnemen van een ventverbod en/of ventvergunning in de APV vindt u deze niet terug.
De ervaren overlast heeft voornamelijk betrekking op activiteiten waarbij kranten, flyers of andersoortig drukwerk aangeboden wordt met al dan niet de mogelijkheid tot inschrijven voor een abonnement. Deze activiteiten vallen juridisch gezien niet onder de definitie van venten en zijn ook nog eens grondwettelijk beschermd. Een verbod op deze activiteiten is dan ook niet toegestaan. Daadwerkelijke verkopen door bijvoorbeeld ‘Hello Fresh’ en vergelijkbare aanbieders vallen evenmin onder de noemer venten. Ook die activiteiten worden niet beperkt middels een ventverbod/vergunning. Op eventuele onregelmatigheden of overlast binnen deze laatste categorie kan gehandhaafd worden op grond van het standplaatsenbeleid.
De oplossingsrichting voor deze vorm van overlast moet veel eerder gezocht worden in, enerzijds, zelfredzaamheid van burgers en ondernemers bij eventuele overlast en anderzijds op de kunst van in gesprek gaan met burgers en ondernemers door de handhavers.
Dit laatste sluit goed aan bij de bestuurlijke wens de handhavers meer als ‘gastheren/vrouwen’ in te zetten.
Afdeling 4. Standplaatsen
Artikel 5.17 Begripsbepaling
In 2012 is ook het inkopen opgenomen onder de opsomming van activiteiten die kunnen plaatsvinden vanaf een standplaats aangezien dit in de praktijk bleek voor te komen.
Bij de totstandkoming van het standplaatsenbeleid is een afweging gemaakt tussen de belangen van hen die in Oosterhout wonen en verblijven, en de belangen van hen die in Oosterhout ambulante handel uitoefenen. Door de economische recessie is de druk op de ambulante handel toegenomen, waardoor getracht is de (nadelige) effecten van dit geactualiseerde standplaatsenbeleid tot een minimum te beperken.
Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het meer dan tien minuten een standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.
De vergunningverlening voor standplaatsen gaat niet meer op grond van de APV, maar op grond van het omgevingsplan.
Afdeling 5. Snuffelmarkten
In het proces van deregulering van de APV in december 2016 zijn deze bepalingen opgenomen in artikel 2.24 van de APV.
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5.32 Crossterreinen
In het proces van deregulering van de APV in december 2016 is deze bepaling opgenomen in artikel 2.24 van de APV.
Afdeling 8. Verbod vuur te stoken
Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Voor het verbranden van (afval)stoffen gelden verschillende wettelijke regimes. Het doel van het APV-voorschrift is het beschermen van de openbare orde, veiligheid, woon- en leefomgeving en flora- en fauna.
Van de burger of de ondernemer verwachten we een proactieve houding als het gaat om overleg met de brandweer.
Artikel 5.34a Carbidschieten
Dit artikel is ondergebracht in artikel 2.73a.
Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.2 Toezichthouders
Volgens artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering moeten de medewerkers met opsporingsbevoegdheid direct in de APV worden aangewezen. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren (Boa’s) is gekoppeld aan deze aanwijzing als toezichthouder in de APV.
Politieambtenaren zijn op grond van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten. Ter verduidelijking van het feit dat zij daarmee tevens met het toezicht op de naleving van de APV zijn belast, worden de betreffende ambtenaren expliciet benoemd in dit artikel.
Naast de opsporingsambtenaren kunnen volgens het tweede lid door het college personen worden aanwijzen als toezichthouder. Deze toezichthouders kunnen geen opsporingsbevoegdheid krijgen. Er is een aanwijzingsbesluit vastgesteld en de inhoud daarvan is te vinden op www.overheid.nl.
+++++++++
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 september 2026,
de raad voornoemd,
, voorzitter
, griffier
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl