Verordening Sociaal-medische indicatie gemeente Leudal 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 02-10-2026

Intitulé

Verordening Sociaal-medische indicatie gemeente Leudal 2026

De raad van de gemeente Leudal,

Gelet op artikel 147,149 en 156 van de Gemeentewet en artikel 1.6 lid 1, onder a, van de wet kinderopvang;

Overwegende dat:

Het voor de verlening van de Sociaal Medische Indicatie kinderopvang en de vaststelling van regels over de ouderbijdrage noodzakelijk is regels op basis van een verordening te regelen.

Besluit vast te stellen de Verordening Sociaal-medische indicatie gemeente Leudal 2026

  • 1.

    De verordening Sociaal Medische Indicatie Leudal 2026 conform bijgevoegd concept door te leiden naar de Raad.

  • 2.

    De Subsidieregeling SMI Leudal 2023 met bijbehorende Mandaatbesluit hardheidsclausule subsidieregeling SMI 2023 onder voorbehoud van positieve besluitvorming door de Raad in te trekken.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • a)

    College: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal.

  • b)

    Ouder: Ouders, gescheiden ouders en gescheiden ouders met co-ouderschap, zoals omschreven in artikel 1.1. van de Wet kinderopvang.

  • c)

    Sociaal-medische indicatie (SMI): kinderopvang in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang ingezet als tijdelijke voorziening voor kinderen in de leeftijd van acht weken tot aan de leeftijd van instroom op het voortgezet onderwijs, waarbij de ouder(s) die door ziekte, psychische problemen of een crisissituatie tijdelijk niet volledig voor hun kinderen kunnen zorgen en geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

  • d)

    Kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling in de kosten van kinderopvang.

  • e)

    Kinderopvangorganisatie: een in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) geregistreerde kinderopvangvoorziening gelegen in de gemeente Leudal.

  • f)

    Plaatsingsovereenkomst kinderopvang: contract met een organisatie voor kinderopvang, die geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK).

  • g)

    Voorliggende voorziening: hulp of regeling van het Rijk, de gemeente of andere organisaties. Dit kan een adequate voorziening in niet professionele zin (Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet) of een adequate (opvang)voorziening (zoals peuteropvang en VVE) in professionele zin.

  • h)

    Plan van aanpak: plan waarin het doel van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en de gemaakte afspraken staan.

  • i)

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden beschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet of de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Wet kinderopvang (Wko).

Hoofdstuk 2. Voorwaarden

Artikel 2.1 Aanspraak op de regeling

  • 1. Het college kan een tegemoetkoming verlenen als:

    • a)

      de ouder(s) woonplaats heeft in de gemeente Leudal volgens de Basis Registratie Personen (BRP) en de opvang in de gemeente Leudal wordt geboden en;

    • b)

      de ouder(s) Nederlander is of daarmee gelijkgesteld als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Participatiewet en;

    • c)

      de ouder(s) geen recht heeft op een tegemoetkoming op basis van de Wet kinderopvang en;

    • d)

      er sprake is van sociaal-medische problematiek binnen het gezin.

  • 2. De doelgroep die in aanmerking kan komen voor een Sociaal Medische Indicatie bestaat uit ouder(s):

    • a)

      die een chronische ziekte of beperking heeft.

    • b)

      die een lichamelijke aandoening of een psychiatrische ziekte heeft of die psychosociaal niet goed functioneert. Daardoor kunnen deze ouders hun kind(eren) geen praktische zorg bieden.

    • c)

      met een kind voor wie is vastgesteld dat in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind SMI-kinderopvang noodzakelijk is, omdat anders een ernstige ontwikkelingsachterstand ontstaat.

  • 3. Kinderopvang via SMI is bedoeld als tijdelijke oplossing om de ouder te ontlasten en de ontwikkeling van kind(eren) niet te schaden.

  • 4. Indien sprake is van co-ouderschap, kan het college slechts een tegemoetkoming verlenen voor dat deel van de zorg voor het kind dat de ouder, zoals bedoeld in lid 1, onderdeel a, heeft gedurende de periode waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 2.2 Weigeringsgronden

Het college weigert de tegemoetkoming in de kosten van SMI-kinderopvang als:

  • 1.

    De aanvrager niet tot de doelgroep behoort als omschreven in artikel 2 lid 2 van deze regeling.

  • 2.

    De kinderopvangorganisatie niet is opgenomen in het Landelijk register kinderopvang.

  • 3.

    De ouder of het kind aanspraak kan maken op een adequate voorliggende voorziening die voor dezelfde ondersteuningsbehoefte toereikend en passend is. Hiertoe wordt in ieder geval gerekend:

    • a)

      een vergoeding of voorziening als bedoeld in de Jeugdwet en/of;

    • b)

      een vergoeding of voorziening als bedoeld in de Wmo en/of;

    • c)

      een vergoeding of voorziening als bedoeld in de Wlz en/of;

    • d)

      een vergoeding of voorziening als bedoeld in de Zvw en/of;

    • e)

      opvang in een medisch kinderdagverblijf of VVE-plaats en/of;

    • f)

      een bijdrage van de werkgever en/of;

    • g)

      de mogelijkheid voor informele opvang (binnen het sociale netwerk).

Artikel 2.3 Aanvragen

  • 1. De ouder(s) dient een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier in ten behoeve van een officiële aanvraag voor tegemoetkoming. De volgende gegevens moeten in ieder geval worden vermeld:

    • a)

      woonplaats, naam en leeftijd van het kind/de kinderen waarvoor kinderopvang wordt aangevraagd.

    • b)

      een kopie van een plaatsingsovereenkomst met een kinderopvanginstelling die in het Landelijk Register Kinderopvang is ingeschreven.

    • c)

      gegevens over het gezinsinkomen.

    • d)

      eventueel aanvullende gegevens die het college nodig heeft om de aanvraag te beoordelen.

  • 2. De aanvraag wordt door beide ouders gedaan of door een van hen namens de ander.

  • 3. De aanvraag wordt ingediend voordat de kosten voor SMI-kinderopvang worden gemaakt.

  • 4. Om in aanmerking te komen voor kinderopvang met een SMI, dient de ouder(s) na aanvraag zoals bedoeld in lid 1 een gesprek bij de gemeente aan te vragen.

Artikel 2.4 Beoordeling en vaststellingen

  • 1. Het college kan advies vragen aan een (medisch) deskundige, onafhankelijke adviseur ter beoordeling van toekenning van SMI.

  • 2. Het college bepaalt de omvang en duur van een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang met inachtneming van het advies SMI.

  • 3. Het college stelt de ingangsdatum van de tegemoetkoming in de kosten vast op de dag dat de opvang zal plaatsvinden.

  • 4. Het toekenningsbesluit bevat in ieder geval:

    • a)

      de naam van de persoon voor wie de indicatie geldt;

    • b)

      de motivering voor de tegemoetkoming van de benodigde kinderopvang;

    • c)

      het soort en de duur en omvang van de tegemoetkoming van de benodigde kinderopvang;

    • d)

      de ingangsdatum van de tegemoetkoming van de benodigde kinderopvang;

    • e)

      een door het college opgesteld plan van aanpak voor de uitvoering. In dit plan staan rechten en plichten van ouder(s) en de wederkerigheid die bij de tegemoetkoming horen. Er staat ook in dat ouder(s) verantwoordelijk is tijdig op te zeggen en zo nodig tijdig verlenging aan te vragen.

  • 5. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. Indien voor de beoordeling inschakeling van een (medisch) deskundige noodzakelijk is, kan deze termijn eenmalig worden verlengd met maximaal 8 weken. Van een verlenging wordt de aanvrager vóór afloop van de oorspronkelijke beslistermijn gemotiveerd schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 2.5 Uitkering van de tegemoetkoming

  • 1. Het college betaalt de tegemoetkoming in de kosten na maandelijkse facturering aan de opvangorganisatie die de opvang biedt.

  • 2. De ouderbijdrage wordt in rekening gebracht bij ouder(s) door de kinderopvangorganisaties die de kinderopvang biedt. Het college stelt nader te bepalen beleidsregels vast voor de hoogte van de ouderbijdrage.

  • 3. De maximale vergoeding per uur is hetzelfde als de maximale vergoeding per uur die de Belastingdienst jaarlijks vaststelt voor kinderopvangtoeslag.

Hoofdstuk 3. Duur en omvang

Artikel 3.1 Duur

  • 1. De tegemoetkoming geldt voor maximaal 9 maanden per toekenningsbesluit.

  • 2. De tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de datum, zoals vermeld in het toekenningsbesluit. Wanneer de werkelijke startdatum van de kinderopvang later is dan vermeld, wordt de tegemoetkoming pas toegekend vanaf de werkelijke startdatum.

  • 3. Indien daartoe zwaarwegende redenen zijn, is er de mogelijkheid tot eenmalige verlenging met maximaal 3 maanden.

Artikel 3.2 Omvang

  • 1. De omvang van de SMI is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Voor kinderen van:

    • a)

      0 tot 4 jaar bestaat recht op een tegemoetkoming voor maximaal 96 uur per kalendermaand;

    • b)

      4 tot 13 bestaat recht op een tegemoetkoming voor maximaal 87 uur per kalendermaand.

  • 2. Het college kan de omvang van de indicatie afstemmen op het peuterprogramma en voor- en vroegschoolse educatie waar de ouder(s) gebruik van kunnen maken.

Artikel 3.3 Hoogte tegemoetkoming en ouderbijdrage

  • 1. De vergoeding van de gemeente bedraagt 90% van het maximale uurtarief kinderopvangtoeslag die de Belastingdienst jaarlijks vaststelt.

  • 2. De ouderbijdrage bedraagt 10% van het uurtarief kinderopvangtoeslag die de Belastingdienst jaarlijks vaststelt en indien van toepassing het gedeelte van de uurprijs bóven dit maximum uurtarief.

  • 3. Ouders/verzorgers met een inkomen dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm of ouders met schulden die deelnemen aan schuldhulpverlening betalen geen eigen bijdrage. Dit is ter beoordeling van het college.

Hoofdstuk 4. Beëindigen, herziening en terugvorderen SMI

Artikel 4.1 Beëindiging

  • 1. Het college kan het recht op tegemoetkoming helemaal of voor een deel beëindigen als:

    • a)

      Ouder(s) de afspraken die in het plan van aanpak en de beschikking staan niet nakomt.

    • b)

      De kinderopvang niet, in mindere mate of niet meer plaatsvindt zoals in het plan van aanpak omschreven.

    • c)

      Ouder(s) en/of het kind niet meer in de gemeente Leudal woont.

    • d)

      De sociaal-medische indicatie vervalt.

    • e)

      Ouder(s) gebruik kan maken van een andere regeling, zoals omschreven in artikel 2.2 van deze verordening.

Artikel 4.2 Herziening of intrekking

  • 1. Het college kan het recht op de tegemoetkoming in de volgende gevallen herzien of intrekken wanneer:

    • a)

      De gegevens waarop het college de hoogte van de bijdrage heeft gebaseerd niet correct zijn doorgegeven. Belangrijk hierbij is dat ouder(s) had kunnen weten dat de bijdrage niet of deels was uitbetaald als de gegevens juist waren geweest.

    • b)

      Ouder(s) heeft zonder geldige reden en toestemming van het college niet of niet volledig gebruikgemaakt van de kinderopvang.

Artikel 4.3 Terugvordering

  • 1. Het college kan de tegemoetkoming terugvorderen als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken op grond van artikel 4.2 van de verordening.

  • 2. Het college kan de kosten van de tegemoetkoming terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling.

Hoofdstuk 5. Verplichting van ouder(s)

Artikel 5.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht

  • 1. Ouder(s) verstrekt aan het college desgevraagd alle gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

  • 2. Ouder(s) verstrekt aan het college belangrijke informatie over zijn of haar persoonlijke situatie. Het gaat daarbij om informatie waarvan het logisch is dat het college die nodig heeft om een besluit te nemen over het recht van een inwoner op tegemoetkoming en de hoogte van de tegemoetkoming.

  • 3. Ouder(s) verleent desgevraagd medewerking aan het onderzoek waaronder een deskundigenadvies.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze regeling gelet op het belang van de ouder of het kind of beiden tot onbillijkheden van overwegende aard leiden.

Artikel 6.2 Overgangsrecht

Als een inwoner vóór het ingaan van de nieuwe verordening SMI van de gemeente Leudal een aanvraag heeft gedaan op basis van de nadere regels uit de tegemoetkoming SMI-kinderopvang 2023, en daar is nog geen besluit over genomen, dan wordt die aanvraag afgehandeld volgens de oude regels — maar alleen als dat gunstiger is voor de inwoner.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na datum bekendmaking. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Sociaal Medische Indicatie Leudal 2026.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Leudal, 22 september 2026.

De Raad van de gemeente Leudal,

De griffier,

Bc. F.G. Simons

De voorzitters

D.H. Schmalschläger

1 Toelichting

Algemeen

Met het ingaan van de Wet kinderopvang in 2005 kunnen ouders via het Rijk een inkomensafhankelijke vergoeding voor de kosten van kinderopvang krijgen: de kinderopvangtoeslag. Voorwaarde is onder andere dat beide ouders werken of een traject naar werk volgen, zoals een opleiding of een reïntegratietraject.

De SMI-regeling is bedoeld voor ouders, die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, maar die vanwege een sociale of medische indicatie (deels) niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. De redenen waarom ouders niet voor hun kinderen kunnen zorgen, kunnen sterk verschillen. Evenals de periode waarin zij daartoe niet in staat zijn en de mate waar in zij (geheel of gedeeltelijk) niet voor hun kinderen kunnen zorgen. Voor deze diverse groep ouders is maatwerk wenselijk en is dit beleid daarom belegd bij gemeenten.

De SMI moet worden gezien als een vangnetregeling en kan worden ingezet om ouders tijdelijk te ontlasten, om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren en zo mogelijk de situatie structureel te verbeteren. Uitgangspunt is dat alleen tijdelijk gebruik kan worden gemaakt van de tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang op basis van een SMI-indicatie.

Volgens de richtlijnen van de VNG is het toepassen van een inkomenscriterium om in aanmerking te komen voor een SMI-indicatie niet wenselijk.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Hoofdstuk 2. Voorwaarden

Artikel 2.1 Aanspraak op de regeling

Dit artikel bepaalt, bij de door de gemeenteraad gegeven delegatieopdracht, de doelgroep van de SMI- kinderopvang. Factoren die daartoe aanleiding geven kunnen gelegen zijn in de ouder(s) en het kind of bij beiden. Een tegemoetkoming in de kosten van de SMI-kinderopvang kan vanzelfsprekend alleen worden verstrekt aan ouders met een Sociaal Medische Indicatie (SMI).

Deze regeling heeft een tijdelijk karakter. Wanneer er binnen het gezin sprake is van problematiek die met passende ondersteuning kan worden verminderd, kan professionele begeleiding worden ingezet om het gezin hierbij te ondersteunen. De aanvrager heeft hierin een belangrijke eigen verantwoordelijkheid. We vinden het van belang dat mensen zelfredzaam zijn en dit ook naar vermogen nastreven.

Artikel 2.2 Weigeringsgronden

Dit artikel bepaalt enkele weigeringsgronden. De instelling waarmee ouder(s) een contract wenst te sluiten moet ingeschreven staan in Landelijk register kinderopvang en in de gemeente Leudal zijn gevestigd. Voor zover de ouder of het kind een adequate voorliggende voorziening beschikbaar is die voor dezelfde ondersteuningsbehoefte toereikend en passend is, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming op grond van SMI. Een voorliggende voorziening betreft iedere voorziening waar de aanvrager een beroep op kan doen ter bekostiging van specifieke uitgaven en ter verwerving van middelen, of ondersteuning die voorziet in een passende oplossing. Het college verstaat onder een voorliggende voorziening: de Wet kinderopvang; algemene wet op bijzondere ziektekosten AWBZ; een vergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning Wmo; een vergoeding op grond van de Wet langdurige zorg Wlz; een vergoeding op grond van de zorgverzekeringswet Zvw; voorzieningen voor voorschoolse en vroegschoolse educatie vve; de mogelijkheid voor informele opvang, bijvoorbeeld bij familieleden, buurtgenoten of vrienden.

Op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kan de ouder(s) gebruik maken van het Medisch Kinder Dagverblijf (MKD) of en Kinderdagcentrum (KDC).

De enkele omstandigheid dat ondersteuning op grond van de Jeugdwet wordt ingezet, is geen zelfstandige weigeringsgrond. Het college beoordeelt per gezin of een voorliggende voorziening in dezelfde ondersteuningsbehoefte voorziet en daarvoor toereikend en passend is. Wanneer een voorliggende voorziening slechts een deel van de ondersteuningsbehoefte afdekt, kan aanvullend SMI worden toegekend voor het niet gedekte deel.

Artikel 2.3 Aanvragen

Het college stelt een aanvraagformulier beschikbaar voor degene die in aanmerking wenst te komen voor een tegemoetkoming. Daarbij kan het college nadere regels stellen. Beide ouders bij wie het kind verblijft dienen de aanvraag te ondertekenen. In geval van een alleenstaande ouder dient alleen die ouder de aanvraag in.

Dit artikel bepaalt eveneens dat de aanvraag moet worden ingediend voordat de ouder(s) de kosten voor de SMI-kinderopvang maken. De beschikking wordt gebaseerd op het geschat verzamelinkomen op bruto basis. Aan het einde van het kalenderjaar wordt het bruto verzamelinkomen vastgesteld middels een inkomensverklaring.

Artikel 2.4 Beoordeling en vaststellingen

Gegevens die nodig zijn om een goed besluit te nemen kunnen worden opgevraagd, zoals informatie van betrokken of doorverwijzende instanties of instellingen. De aanvrager wordt vooraf geïnformeerd wanneer aanvullende gegevens worden opgevraagd. Voorbeelden van aanvullende gegevens zijn een bewijsstuk van een therapeut of behandelaar waarin staat hoe veel uren per week therapie/behandeling wordt gevolgd en in welke periode. Of informatie vanuit Jeugd en Gezin (JGZ), het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) of andere hulpverleningsinstanties. In het gesprek met de betrokken klantregisseur van de gemeente wordt besproken welke informatie bij wie wordt opgevraagd om een goed besluit te kunnen nemen. Wanneer de aanvrager niet bekend is bij deze organisaties kan zo nodig ook om toestemming gevraagd worden om de informatie m.b.t. de SMI aanvraag met één of meerdere van deze organisaties te delen, zodat nagegaan kan worden of de aanvrager misschien nog een andere vorm van hulp/ondersteuning nodig heeft. Ook de mogelijkheid voor informele opvang speelt een rol bij het bepalen van de omvang van een SMI.

Het toekenningsbesluit bevat de motivering voor de tegemoetkoming en de aard en omvang van de benodigde kinderopvang. Tevens kan de klantregisseur voorwaarden (verplichtingen) in een plan van aanpak opleggen aan ouders waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in het kader van SMI. Voorbeelden zijn het volgen van een training, opleiding of therapie waardoor de ouder(s) in staat is om (beter) zorg te dragen voor het kind/de kinderen.

Artikel 2.5 Uitkering van de tegemoetkoming

De kinderopvangorganisaties sturen maandelijks de facturen naar de gemeente. De ingediende factuur van de kinderopvangorganisatie wordt gecontroleerd door de gemeente aan de hand van het verstrekte toekenningsbesluit, waarna al dan niet de betaling door de gemeente plaatsvindt. De tegemoetkoming wordt na afloop van het kalenderjaar definitief ambtshalve vastgesteld.

Hoofdstuk 3. Duur en omvang

Artikel 3.1 Duur

Dit artikel regelt de duur van de indicatie. Die kan voor negen maanden, maar ook voor een kortere periode zijn. Dat laatste zal doorgaans aan de orde zijn als duidelijk is dat de noodzaak voor kinderopvang voor minder dan negen maanden wordt vastgesteld of kind(eren) binnen een jaar naar het voortgezet onderwijs gaat. Het toekennen van SMI gaat om een tijdelijke oplossing; mocht er na negen maanden SMI een verlenging van de indicatie nodig zijn, dan mag er nog maximaal één keer drie maanden verlengd worden. Verder geeft dit artikel het college de bevoegdheid om tussentijds een heronderzoek uit te voeren.

Artikel 3.2 Omvang

Dit artikel regelt de omvang van de indicatie. Het college bepaalt de noodzaak en hoogte van een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang met inachtneming van het SMI-advies. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in leeftijdscategorieën (eerste lid onderdeel a, b en c). Het college stemt de omvang van de indicatie af met het peuterprogramma en voor- en vroegschoolse educatie (VVE) voor kinderen tussen de 2 en 4 jaar oud. De vve wordt namelijk beschouwd als voorliggende voorziening. Voor het aantal uren dat een kind peuteropvang of VVE krijgt, kan geen SMI worden ingezet.

Artikel 3.3. Hoogte tegemoetkoming en ouderbijdrage

Dit artikel bepaalt de hoogte van de tegemoetkoming en de eigen bijdrage van ouders. De eigen bijdrage van ouders vervalt op het moment dat een inkomen lager is dan de bijstandsnorm (130% van het minimum inkomen). Bovendien vervalt de eigen bijdrage wanneer een inwoner niet kan beschikken over inkomsten waarop executoriaal beslag is gelegd of die gereserveerd worden voor schuldeisers, omdat een schuldsaneringsregeling op grond van de Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen of de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijk Personen is uitgesproken.

Hoofdstuk 4 Beëindiging, herziening en terugvorderen SMI

Artikel 4.1 Beëindiging

Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening of intrekking, geen terugwerkende kracht. Dit kan voorkomen op het moment dat de omstandigheden bij ouder(s) of kind wijzigt in die zin dat er geen recht meer bestaat op een SMI-indicatie en de daaruit voortvloeiende tegemoetkoming. Bovendien kan het college de tegemoetkoming beëindigen wanneer ouder(s) niet voldoen aan gestelde voorwaarden opgenomen in het plan van aanpak. Het kan dus ook om voorwaarden gaan die zijn opgenomen in nadere regels.

Artikel 4.2 Herziening

Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien of intrekken genoemd. Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Het gaat om situaties waarin het college anders over de aanvraag zou oordelen als het op dat moment bekend was met de achteraf bekende informatie.

Artikel 4.3 Terugvordering

Het college kan overgaan tot terugvordering van de tegemoetkoming als het toekenningsbesluit is herzien of introkken onder toepassing van artikel 4.2 van deze verordening. Bovendien kan het college over gaan tot terugvordering in het geval van een onverschuldigde betaling op basis van artikel 6:203 e.v. BW. Op grond van dit lid kan het college een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan maken. Denk bijvoorbeeld aan een administratieve vergissing.

Hoofdstuk 5 Verplichting van ouder(s)

Artikel 5.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht

Dit lid bepaalt dat de ouder(s) desgevraagd de inlichtingen (gegevens en bescheiden) moet verstrekken die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen. Het gaat om bescheiden waarover de ouder(s) redelijkerwijs over kan beschikken. Deze verplichting geldt op grond van artikel 4:2 van de Awb.

Een eenmaal toegekende tegemoetkoming ontslaat de ouder(s) niet van de inlichtingenplicht. Er kunnen zich immers omstandigheden voordoen die aanleiding zijn om het toekenningsbesluit te herzien of in te trekken. Denk bijvoorbeeld aan omstandigheden op grond waarvan er geen noodzaak meer bestaat voor SMI-kinderopvang of een wijziging van het inkomen op grond waarvan toch een ouderbijdrage verschuldigd is.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder(s) of het kind afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van hen. De hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de ouder(s) gemotiveerd moeten aangeven dat hun situatie bijzonder is en zullen zij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen.

Artikel 6.2 Overgangsregeling

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding en citeertitel

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.