Verordening Leerlingenvervoer West Maas en Waal 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-10-2026

Intitulé

Verordening Leerlingenvervoer West Maas en Waal 2026

Besluit van de raad van de gemeente West Maas en Waal tot vaststelling van de Verordening Leerlingenvervoer West Maas en Waal 2026

De raad van de gemeente West Maas en Waal;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 04 mei 2026 Z. 119223/356269;

gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;

b e s l u i t vast te stellen:

Verordening Leerlingenvervoer West Maas en Waal 2026

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer;

afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29,

vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de

expertisecentra, gemeten met routeplanner ANWB langs de kortste voor de leerling voldoende

begaanbare en veilige weg;

begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te

begeleiden;

deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig

deskundige;

college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal

eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;

gehandicapte leerling: een leerling, die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische

handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;

inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school;

openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen

betaling gebruik van kan maken;

opstapplaats: de opstapplaats bedoeld in artikel 11, eerste lid;

ouders: met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling;

samenwerkingsverband:

1. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;

2. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

3. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs

2020;

school:

1. Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

2. School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

3. School voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;

schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;

toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het

primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid,

van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van

de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;

vervoersvoorziening:

1. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;

2. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;

3. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of

4. Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider;

woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening

Artikel 2. Aanvraag

Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast.

Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan worden ingediend voor een leerling die zijn woning in

de gemeente heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de

meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van

de op het formulier vermelde gegevens.

Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken

aanvullende gegevens te verstrekken.

Artikel 3. Onderzoek

1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een

begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling

en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school

2. Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten

vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een

medewerker uit een ander domein of een deskundige aansluiten.

3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

Artikel 4. Inzet deskundige

Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter

beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke

deskundigheid noodzakelijk acht.

De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.

Artikel 5. Beslistermijn

1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken

verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 6. Ingangsdatum voorziening

Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt

vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk

aansluit bij de verzochte datum.

Artikel 7. Besluit

1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria

Artikel 8. Algemene bepalingen

1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het

schoolbezoek van hun kinderen.

2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het

college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met

inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende

vervoersvoorziening het uitgangspunt.

3. De verantwoordelijkheid om, als dat nodig is, te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij

naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de

ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal

leiden.

4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de

leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.

5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of

vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

a. per fiets;

b. per openbaar vervoer;

c. met eigen vervoer;

d. met aangepast vervoer.

Artikel 9. Afwijzingsgronden

1. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde

toegankelijke school kleiner is dan 4 km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.

2. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs,

tenzij de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer

3. Leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in aanmerking voor een vergoeding als zij

zelfstandig met het OV kunnen reizen of kunnen fietsen eventueel met gebruikmaking van het fiets- en

voetveer of een veerpont.

Artikel 10. Andere oplossing

1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten

op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening

op grond van deze verordening.

2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van

een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de

vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening

Artikel 11. Aanwijzing opstapplaats

1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de

leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.

2. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loop/fietsafstand

van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.

3. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit

noodzakelijk is.

Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid,

van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020,

wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en

de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen

school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling

als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.

2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair

onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de

opstapplaats en:

de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of

b.een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het

vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen.

3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van

de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de

dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en

b.aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

Artikel 13. Schooltijden en wachttijden

1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn

opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het

college besluiten een wachttijd van één of meerdere uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo

efficiënt mogelijk in te zetten.

3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde

dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager

naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap

van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

1.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een

vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en

c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.

2.Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke

vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de

gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van

dit besluit is verstreken.

Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

1. Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor

het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die,

met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs

in een internaat of pleeggezin verblijft.

2. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling

voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling

verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het

eerste lid genoemde schoolvakanties.

3.Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de

schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar

de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.

4.Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.

Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling

wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik

te maken.

5 Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is

dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.

Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres

1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een

vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een

afzonderlijke aanvraag ingediend.

2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor

een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende

voorwaarden:

a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de

school of in het stagecontract;

b.de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;

c.de stage vindt plaats op één stageadres; en

d.het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school.

3.De in het tweede lid, onder b, genoemde voorwaard is niet van toepassing als kan worden

aangetoond dat dit niet mogelijk is.

4.De in het tweede lid, onder d, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden

aangetoond dat dit niet mogelijk is. In dat geval kan het stageadres gelegen zijn binnen een door het

college te bepalen maximaal aantal kilometers van de woning dan wel de opstapplaats of de school

5. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling

dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

Artikel 17. Vervoersvergoeding voor de leerling

1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een

vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de

kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel

van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt

het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt gebaseerd op 50% van de

kilometervergoeding voor autogebruik naar beneden afgerond.

Artikel 18. Vervoersvergoeding voor de begeleider

1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op

een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het

openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als:

a. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan negen jaar is;

b. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft ouder dan negen jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.

2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer

ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor een begeleider worden vergoed totdat leerling zelfstandig kan reizen maar maximaal één schooljaar.

3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de

kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.

4, De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt gebaseerd op 50% van de

kilometervergoeding voor autogebruik naar beneden afgerond.

Artikel 19. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer

1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag

toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper

vervoersalternatief.

2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te

vervoeren.

3. De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding

voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, gebaseerd op

twee retourreizen per dag.

4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college

aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag

op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.

5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al

een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.

6. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren,

kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit

leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

Artikel 20. Aangepast vervoer

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:

a. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 17 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

b. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 17 en openbaar vervoer ontbreekt;

c. aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 18 en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;

d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of

e. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

Artikel 21. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten

Artikel 22. Drempelbedrag

1.Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school

voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen

meer bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag

van € 17.700,-, de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel

9 bepaalde afstand van 4 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken

vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht.

2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks

aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft

ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van

€450,-.

3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het

eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

4. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen

Artikel 23. Draagkrachtafhankelijke bijdrage

1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor

basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van

de ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de

Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste

het bedrag van de kosten van het vervoer.

2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen

van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen:

Inkomen in euro’s

Eigen bijdrage in euro’s per gezin

0 – 44.000

Nihil

44.000 – 52.500

185

52.500 – 61.000

825

61.000 – 68.500

1.525

68.500 – 78.000

2.240

78.000 – 85.500

3.005

85.500

Voor elke extra € 5.000: € 720 erbij

3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari

aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft

ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een

veelvoud van € 500,-.

4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari

aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het

onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en

rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het

tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 24 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage

genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.

7. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

Hoofdstuk 5. Rechtmatigheid

Artikel 24 Doorgeven van wijzigingen

De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.

Artikel 25 Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten,

herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:

a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze

verordening;

b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist

waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

c. de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest

passende vervoersvoorziening is;

d. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 22 te betalen of nalatig zijn in het

betalen ervan;

e. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 23 te betalen of

nalatig zijn in het betalen ervan;

f. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast

vervoer; of

g. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere

reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.

2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de

meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een

verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 26. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 27. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders of de meerderjarige leerling gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.

Artikel 28. Intrekking oude regeling

De Verordening Bekostiging leerlingenvervoer West Maas en Waal wordt ingetrokken. De datum waarop de Verordening Bekostiging leerlingenvervoer West Maas en Waal vervalt, is de datum waarop de Verordening Leerlingenvervoer West Maas en Waal 2026 in werking treedt.

Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2026.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Leerlingenvervoer West Maas en Waal 2026

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 juni 2026.

De voorzitter, V.M. van Neerbos

De griffier, C. Jansen-Bouwman