Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766826
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766826/1
Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026
Geldend van 24-09-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk;
Gelet op de Gemeentewet, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Participatiewet in balans, is het noodzakelijk de Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2018 in te trekken en te vervangen door de Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026.
Besluit vast te stellen: de Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026.
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Afkortingen en begripsbepalingen
-
1. In deze beleidsregels worden de volgende afkortingen gebruikt:
- a.
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- b.
Awir: Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- c.
Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
- d.
BRP: Basisregistratie Personen;
- e.
BTW: belasting over de toegevoegde waarde;
- f.
CRvB: Centrale Raad van Beroep;
- g.
IB: Wet inkomstenbelasting 2001;
- h.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- i.
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- j.
Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;
- k.
Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
- l.
Wht: Wet op de huurtoeslag;
- m.
Wsf: Wet studiefinanciering 2000;
- n.
Woz: Wet waardering onroerende zaken;
- o.
Wtos: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
- p.
Wkb: Wet op het kindgebonden budget.
- a.
-
2. In deze beleidsregels worden de volgende begrippen gebruikt:
- a.
Alleenstaande ouderkop: de aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget als bedoeld in artikel 2, lid 6, van de Wkb;
- b.
Basishuur: het gedeelte van de rekenhuur dat minimaal voor rekening van de huurder blijft conform artikel 16 van de Wht;
- c.
Dakloze: de persoon zonder woonadres die wel of niet beschikt over een briefadres en feitelijk op wisselende plaatsen verblijft;
- d.
Kostganger: (onder)huurder die ook maaltijden op kosten van de (onder)verhuurder of eigenaar nuttigt;
- e.
Wet: de Participatiewet;
- f.
Woonkosten: kosten van huur, hypotheeklasten en gebruikerskosten.
- a.
Artikel 1a. Uitgangspunten en leidende principes
-
1. Het college past deze beleidsregels toe vanuit de bedoeling van de wet en met de menselijke maat als vertrekpunt. Deze uitgangspunten gelden voor het hele sociaal domein en sluiten aan bij de lijn van Participatiewet in balans.
-
2. De inwoner staat centraal. Bij de uitvoering zijn de bestaanszekerheid en de feitelijke situatie van de inwoner het vertrekpunt. Het college benut de beschikbare beleidsruimte om tot een passende uitkomst te komen.
-
3. Het college stimuleert eigen kracht en geeft, waar nodig, ondersteuning. Uitgangspunt blijft de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en zijn deelname aan werk, met een toegankelijk vangnet als dat nodig is. Waar dat helpt, wijst het college de inwoner actief op rechten en regelingen, houdt de drempels laag en gaat niet-gebruik tegen.
-
4. Het college werkt actief samen. De inkomensvoorziening hangt samen met andere vormen van hulp en met andere domeinen binnen het sociaal domein, zoals schuldhulpverlening en bewindvoering. Het college beëindigt zijn betrokkenheid pas wanneer de ondersteuningsvraag door een andere partij of een ander domein is overgenomen.
HOOFDSTUK 2. Ingang en duur bijstand
Artikel 2. Ingangsdatum bijstand
-
1. Als de belanghebbende zich binnen 5 werkdagen na ontvangst van een besluit tot afwijzing van een andere uitkering op grond van het sociale zekerheidsrecht meldt, is de ingangsdatum van de bijstand gelijk aan de datum van aanvraag van de vorige uitkering.
-
2. Als de belanghebbende zich binnen 5 werkdagen na ontvangst van een besluit tot beëindiging van een andere uitkering op grond van het sociale zekerheidsrecht meldt, sluit de ingangsdatum van de bijstand aan op de laatste uitkeringsdag van de vorige uitkering.
-
3. De ingangsdatum van de bijstand sluit aan op de meldingsdatum. Op grond van individuele omstandigheden kan bijstand worden toegekend met maximaal drie maanden terugwerkende kracht.
-
4. Als de belanghebbende zich binnen 6 maanden na de einddatum van de bijstand opnieuw bij de gemeente meldt, wordt de verkorte aanvraagprocedure gevolgd. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de al aanwezige gegevens. Zo nodig wordt de reden voor de eerdere beëindiging van de uitkering nader onderzocht.
Artikel 3. Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting
-
1. Na een opname in een inrichting, wordt de bijstandsnorm voortgezet gedurende de maand van de opname en de twee daaropvolgende maanden.
-
2. Na ontslag uit de inrichting wordt de bijstandsnorm gewijzigd met ingang van de dag van ontslag.
HOOFDSTUK 3. Hoogte bijstand
Artikel 4. Verlaging van de norm in verband met de woonsituatie
-
1. Als de belanghebbende in een woning woont waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn, wordt de norm verlaagd met 20% van de gehuwdennorm.
-
2. Als de belanghebbende woonkosten heeft die lager zijn dan de basishuur zoals omschreven in artikel 16 van de Wht, wordt de uitkering verlaagd met 10% van de gehuwdennorm.
Artikel 5. Verlaging van de norm voor schoolverlaters
Als de belanghebbende in de 6 maanden vóór de bijstandsaanvraag een opleiding heeft beëindigd, wordt de norm gedurende 3 maanden vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin de opleiding is beëindigd verlaagd met 20% van de geldende bijstandsnorm.
Artikel 6. Commerciële relatie
-
1. Een commerciële relatie houdt in dat:
- a.
de belanghebbende een zakelijke overeenkomst aantoont, waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn;
- b.
de belanghebbende met bankafschriften aantoont dat hij de betreffende derde regelmatig op zakelijke basis huur of kostgeld voor de inwoning betaalt, waarbij de huurder, onderhuurder of kostganger een commerciële huur betaalt.
- a.
-
2. De voorwaarden genoemd in lid 1 gelden voor de (onder)huurder, de (onder)verhuurder, de kostganger en de kostgever.
Artikel 7. Commerciële huur
-
1. Er is sprake van een commerciële huurprijs als de kale huur ten minste gelijk is aan de basishuur zoals vastgesteld in artikel 16 van de Wht.
-
2. Er is sprake van een commerciële kostgangersprijs als de hoogte van het kostgeld (inclusief huur) ten minste gelijk is aan 175% van het in lid 1 genoemde bedrag.
Artikel 8. Kostendelersnorm
De kostendelersnorm is tijdelijk niet van toepassing bij:
- a.
verblijf in vrouwenopvang of projecten voor begeleid wonen; of
- b.
het delen van een woning in verband met mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte voor de duur van de mantelzorg.
Artikel 9. Bijstand voor de alleenstaande ouderkop
-
1. Aan de belanghebbende wordt algemene bijstand verstrekt als de belanghebbende:
- a.
18 jaar of ouder en alleenstaande ouder is in de zin van artikel 4, lid 1, van de wet; en
- b.
een toeslagpartner heeft als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Awir; en
- c.
zelfstandige woonruimte heeft en de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met een andere meerderjarige.
- a.
-
2. De algemene bijstand is gelijk aan 20% van de gehuwdennorm en wordt in beginsel tot het einde van het lopende kalenderjaar toegekend.
-
3. De algemene bijstand wordt beëindigd na toekenning van de alleenstaande ouderkop of zodra het inkomen meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm plus het maximale bedrag van de alleenstaande ouderkop.
-
4. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij al het mogelijke doet om in aanmerking te komen voor de alleenstaande ouderkop.
HOOFDSTUK 4. Inkomen
Artikel 10. Vrijlating inkomsten
-
1. Alle arbeid, uitgezonderd arbeid die voortvloeit uit illegale activiteiten of arbeid waarvan geen (volledige) opgave is gedaan, draagt bij aan arbeidsinschakeling.
-
2. Om maximaal te profiteren van de inkomstenvrijlating wordt in overleg met de belanghebbende bepaald wanneer de inkomstenvrijlating daadwerkelijk wordt toegepast.
-
3. Gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid worden:
- a.
doorbetaling van loon tijdens ziekte, ongeacht wie dit betaalt;
- b.
een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling;
- c.
werkzaamheden als marginale zelfstandige.
- a.
Artikel 11. Inkomsten in verband met kamerhuur of kostgangers
-
1. De inkomsten uit commerciële verhuur als bedoeld in artikel 33, lid 4, van de wet en hoofdstuk 3 van deze beleidsregels, worden op de bijstandsnorm in mindering gebracht onder aftrek van € 60,- per maand.
-
2. De inkomsten van een kostganger als bedoeld in artikel 33, lid 4, van de wet, worden op de bijstandsnorm in mindering gebracht onder aftrek van € 363,- per maand.
-
3. De bedragen in dit artikel worden jaarlijks bijgesteld op basis van de regels in hoofdstuk 4.9 van de Recofa-richtlijn met een afronding naar boven op hele euro’s.
Artikel 12. Vrijlating schadevergoeding, giften en bijdragen die leiden tot kostenbesparing
-
1. Een immateriële schadevergoeding (smartengeld) wordt niet als vermogen in aanmerking genomen als deze minder bedraagt dan het vrij te laten vermogen genoemd in artikel 34, lid 3, van de wet.
-
2. Van een immateriële schadevergoeding die meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen genoemd in artikel 34, lid 3, van de wet wordt 2/3 van het meerdere boven dit vrij te laten vermogen in aanmerking genomen als vermogen.
-
3. Giften als bedoeld in artikel 31, lid 2, onder m, van de wet en bijdragen die leiden tot kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, lid 8, van de wet worden vrijgelaten tot het drempelbedrag bedoeld in artikel 31, lid 2, onder m, van de wet. Komen de giften boven dit drempelbedrag per kalenderjaar uit, dan beoordeelt het college of het meerdere uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Is dit niet het geval, dan wordt het meerdere aan giften overeenkomstig de artikelen 32 en 34 van de wet als inkomen of als vermogen in aanmerking genomen. Bij bijdragen die leiden tot kostenbesparing boven dit drempelbedrag beoordeelt het college of de bijstand op grond van artikel 18, lid 1, van de wet moet worden afgestemd. Voor de belanghebbende aan wie gedurende het kalenderjaar een uitkering is toegekend, geldt de drempel voor de periode vanaf de toekenning tot en met 31 december van dat kalenderjaar.
-
4. Voor giften en bijdragen die in een kalenderjaar onder de drempel blijven, geldt in beginsel geen meldingsplicht. Bij giften en bijdragen die in een kalenderjaar boven het drempelbedrag uitkomen, geldt een meldingsplicht.
-
5. In afwijking van het bovenstaande neemt het college bijdragen van voedselbanken niet in aanmerking.
-
6. De belanghebbende houdt een degelijke administratie bij als sprake is van regelmatige giften of kostenbesparende bijdragen.
HOOFDSTUK 5. Vermogen
Artikel 13. Vrijlating vermogen
-
1. Vermogen bestemd voor begrafenis- of crematiekosten wordt vrijgelaten als:
- a.
het vermogen uitdrukkelijk de bestemming heeft voor de kosten van een uitvaart; en
- b.
het vastgestelde bedrag, inclusief de waarde van de reeds afgesloten uitvaartverzekering, niet hoger is dan de bedragen genoemd in de Nibud-prijzengids.
- a.
-
2. Een negatief saldo op de bankrekening wordt als schuld meegenomen. Als de uitkomst van de vermogensvaststelling negatief is, wordt het vermogen op € 0,- vastgesteld. De peildatum voor de vermogensvaststelling is de datum van aanvang van de bijstandsverlening of de datum waarop de wijziging van de (financiële) situatie van de belanghebbende ingaat.
Artikel 14. Opnieuw vaststellen vermogen
-
1. Bij een echtscheiding en verlating wordt het vermogen bij aanvang van de bijstandsverlening en/of een normwijziging voorlopig vastgesteld. Bij een (nog niet afgeronde) boedelscheiding kan het vermogen na afronding van de boedelscheiding worden vastgesteld.
-
2. Bij vermogensaanwas, bijvoorbeeld door het ontvangen van een erfenis, het kopen van een auto of het winnen van een (geld)prijs, wordt het vermogen opnieuw vastgesteld als het vermogen met de aanwas boven de geldende vermogensgrens uitkomt.
- a.
Bij wijzigingen in het vermogen waarbij het vermogen onder de vermogensgrens blijft, geldt geen meldingsplicht.
- b.
De belanghebbende houdt een degelijke administratie van het vermogen bij.
- a.
HOOFDSTUK 6. Marginale zelfstandige
Artikel 15. Doelgroep
-
1. Onder zelfstandige wordt verstaan degene die productieve activiteiten van geringe omvang uitvoert, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd. Het betreft uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt door omstandigheden zoals sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van opleiding, een gebrek aan ervaring met werken in loondienst of de lange werkloosheidsduur. Deze activiteiten zullen naar verwachting, ook op termijn, niet leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien.
-
2. Er is sprake van een zelfstandige op bescheiden schaal als:
- a.
activiteiten van geringe omvang worden uitgevoerd die geen recht geven op de zelfstandigenaftrek; en
- b.
deze activiteiten voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd; en
- c.
deze activiteiten bescheiden inkomsten opleveren; en
- d.
de inkomsten uit deze activiteiten naar verwachting onvoldoende zijn om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te voorzien; en
- e.
de verplichtingen die de zelfstandige aangaat of is aangegaan snelle beëindiging van de zelfstandige activiteiten mogelijk maken.
- a.
Artikel 16. Wettelijke vereisten
-
1. De zelfstandige moet voldoen aan de wettelijke eisen die verband houden met zijn activiteiten, waaronder het beschikken over:
- a.
de benodigde vergunningen; en
- b.
een geldige inschrijving bij de Kamer van Koophandel; en
- c.
een BTW-nummer; en
- d.
een deugdelijke boekhouding die voldoet aan de eisen die de Belastingdienst hanteert.
- a.
-
2. Illegale en strafrechtelijk verboden activiteiten en activiteiten in strijd met het bestemmingsplan of de algemeen verbindende voorschriften zijn niet toegestaan.
Artikel 17. Toestemming
-
1. De zelfstandige kan toestemming krijgen om voor 12 maanden met behoud van uitkering deze activiteiten uit te voeren.
-
2. De termijn van 12 maanden kan telkens met 12 maanden worden verlengd als de uitvoering van de activiteiten niet in strijd is met hoofdstuk 6 van deze beleidsregels.
-
3. De toestemming kan worden ingetrokken als:
- a.
de zelfstandige niet meer behoort tot de doelgroep als bedoeld in dit hoofdstuk;
- b.
de zelfstandige zich niet houdt aan de voorwaarden of verplichtingen die zijn verbonden aan de toestemming; of
- c.
sprake is van zelfstandige activiteiten met een blijvend negatief bedrijfsresultaat.
- a.
-
4. Er wordt geen toestemming verleend voor zelfstandige activiteiten op bescheiden schaal in hetzelfde beroep waarvoor de zelfstandige meer dan 85% arbeidsongeschikt is verklaard.
Artikel 18. Uren
-
1. De zelfstandige mag gemiddeld minder dan 23,5 uur per week als zelfstandige werken en houdt van de gewerkte uren een administratie bij.
-
2. De in lid 1 genoemde urengrens geldt voor alle werkzaamheden inclusief de (indirecte) uren die besteed moeten worden aan administratie en boekhouding.
-
3. De urengrens in lid 1 geldt voor de zelfstandige en de eventuele partner samen.
-
4. De zelfstandige houdt de gewerkte uren zo veel mogelijk bij op een urenstaat en verstrekt daarvan een kopie aan de gemeente Rijswijk.
Artikel 19. Verplichtingen
-
1. De zelfstandige activiteiten mogen geen belemmering vormen voor het nakomen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling.
-
2. De zelfstandige kan geen recht op (gedeeltelijke) ontheffing van de arbeidsverplichting ontlenen aan de regeling als bedoeld in dit hoofdstuk.
-
3. De zelfstandige beschikt over een aparte (bij voorkeur zakelijke) bankrekening die uitsluitend wordt gebruikt voor alle betalingen en ontvangsten die te maken hebben met de onderneming.
-
4. De zelfstandige overlegt jaarlijks een inkomstenopgave, een urenadministratie en een kostenoverzicht, voorzien van bewijsstukken.
-
5. De zelfstandige is verplicht om marktconforme tarieven te hanteren voor zijn product of dienst.
Artikel 20. De boekhouding en kosten
-
1. De zelfstandige houdt een deugdelijke boekhouding bij die voldoet aan de criteria van de Belastingdienst en die in ieder geval bestaat uit een kopie van de aangifte, aanslag omzet- en inkomstenbelasting en een jaarrekening, inclusief balans en winst- en verliesrekening.
-
2. De boekhouding wordt jaarlijks na afloop van het boekjaar vóór 1 juli overgelegd.
-
3. Niet alle verwervingskosten kunnen in mindering worden gebracht. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kosten noodzakelijk zijn en zo beperkt mogelijk worden gehouden. De volgende kosten kunnen op de omzet in mindering worden gebracht. Deze opsomming is niet limitatief:
- a.
aanloopkosten: de kosten van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, voor benodigde vergunningen en ontheffingen en de kosten voor de aanschaf van voorraden;
- b.
boekhoudkosten;
- c.
huur van een locatie: incidentele huurkosten;
- d.
promotiekosten (maximaal 25% van de omzet);
- e.
reiskosten: kosten die samenhangen met de opdracht.
- a.
-
4. Kosten die door de Belastingdienst niet als aftrekbaar in aanmerking worden genomen, blijven voor eigen rekening van de zelfstandige.
Artikel 21. Inkomsten en inkomstenverrekening
-
1. De verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over het inkomen worden overeenkomstig de belastingtarieven en -schijven van de Wet inkomstenbelasting 2001 vastgesteld.
-
2. Als belastbaar inkomen wordt aangemerkt de omzet minus de inkoop- en bedrijfskosten, rekening houdend met het bepaalde in deze beleidsregels.
-
3. Het (belastbaar) inkomen van de zelfstandige wordt jaarlijks verrekend met de uitkering op basis van de inkomstenopgave, waarbij het belastingpercentage van schijf 1 van de inkomstenbelasting in mindering wordt gebracht op het inkomen.
-
4. Voor de IOAW en de IOAZ wordt het belastbare inkomen uit onderneming als inkomen aangemerkt, zonder aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
-
5. In overleg met de zelfstandige kan een fictief maandinkomen worden verrekend met de uitkering.
-
6. Na ontvangst van de stukken als bedoeld in artikel 12 van het Bbz wordt overgegaan tot een definitieve vaststelling van het inkomen uit de onderneming.
-
7. Als de inkomsten na de definitieve vaststelling hoger zijn dan wat fictief is verrekend met de uitkering, vindt een herziening plaats van de verstrekte uitkering over het afgelopen boekjaar en wordt overeenkomstig de geldende regels teruggevorderd.
HOOFDSTUK 7. Zelfstandige
Artikel 22. Voorbereidingsperiode
-
1. Een belanghebbende die algemene bijstand of een uitkering op grond van de IOAW ontvangt, kan maximaal 12 maanden gebruikmaken van een voorbereidingsperiode.
-
2. Als de belanghebbende in verband met het voorbereidingstraject kosten moet maken, kan daarvoor een voorbereidingskrediet van maximaal € 2.500,- worden toegekend.
-
3. Het voorbereidingskrediet heeft in eerste instantie de vorm van een renteloze lening. Als de belanghebbende na afsluiting van de voorbereidingsperiode met een bedrijf start, wordt de renteloze lening omgezet in een rentedragende lening. Voor het rentepercentage wordt aangesloten bij artikel 15 van het Bbz.
-
4. Als de belanghebbende na de voorbereidingsperiode geen bedrijf start en dit hem niet kan worden verweten, wordt de renteloze geldlening omgezet in een bedrag om niet.
HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen
Artikel 23. Maatwerk
In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. Daarbij wordt uitgegaan van maatwerk en wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast. Het college houdt rekening met de individuele omstandigheden en de mate waarin het besluit de belanghebbende onevenredig nadelig zou treffen, gelet op het doel van de regeling. Als sprake is van disproportionele gevolgen voor de belanghebbende, kan van de standaardbeleidslijn worden afgeweken om de evenredigheid te waarborgen.
Artikel 24. Intrekking, inwerkingtreding en overgangsrecht
-
1. De Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2018 worden ingetrokken.
-
2. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad en werken terug tot en met 1 januari 2026.
-
3. Voor zover deze beleidsregels voor de belanghebbende ongunstiger uitwerken dan de Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2018, blijven zij over de periode van 1 januari 2026 tot de dag na bekendmaking buiten toepassing, tenzij het nadeel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. In dat geval blijven de Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2018 op dat onderdeel over die periode van toepassing.
-
4. Bij de beoordeling, bedoeld in artikel 31, lid 2, onder s, van de wet, van giften die in 2026 zijn ontvangen vóór de dag na bekendmaking van deze beleidsregels, betrekt het college dat de belanghebbende heeft kunnen afgaan op de tot 1 januari 2026 in Rijswijk geldende grens van € 1.800. Het college merkt het meerdere boven het drempelbedrag, bedoeld in artikel 12, lid 3, tot een totaal van € 1.800 aan giften per kalenderjaar in beginsel als verantwoord aan, tenzij de individuele omstandigheden van de belanghebbende zich daartegen verzetten.
Artikel 25. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026’.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk van 14 september 2026.
de secretaris,
P.M. Schuit
de burgemeester,
H. Sahin
Bijlage 1. Toelichting
Toelichting beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026
Algemene toelichting
In deze beleidsregels zijn bepalingen over de duur, de vorm en de hoogte van de algemene bijstand en, in beperkte mate, de IOAW en IOAZ vastgelegd. Ook bevatten zij bepalingen over giften en bijdragen die leiden tot kostenbesparing.
Met deze uitvoeringsafspraken wil het college vergelijkbare situaties op dezelfde manier beoordelen. De beleidsregels sluiten daarom zoveel mogelijk aan bij de vaste uitvoeringspraktijk en leggen de lokale regels voor de Participatiewet vast.
Ook sluiten de beleidsregels aan bij het verbetertraject Participatiewet in balans dat tot doel heeft de Participatiewet beter aan te sluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van mensen voor wie de Participatiewet bedoeld is.
Dit gebeurt door meer uit te gaan van vertrouwen, de menselijke maat centraal te stellen en meer ruimte te geven aan uitvoerende professionals. Deze aanpak moet leiden tot een beter uitvoerbare wet en meer passende ondersteuning.
De beleidsregels zijn niet limitatief en sluiten aan bij de leidende principes voor het sociaal domein. Daarbij wordt zoveel mogelijk:
- ●
de inwoner centraal gesteld;
- ●
de eigen kracht gestimuleerd en waar nodig ondersteuning gegeven;
- ●
actief samengewerkt.
Artikelsgewijze toelichting
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Afkortingen en begripsbepalingen
In deze beleidsregels worden dezelfde begripsbepalingen gebruikt als in de wet, de IOAW, de IOAZ en de Awb. De volgende begrippen verdienen een nadere toelichting.
Alleenstaande ouderkop
In dit artikel is de alleenstaande ouderkop nader gedefinieerd. De Wet op het kindgebonden budget (Wkb) kent deze term niet. Wel wordt deze in de communicatie vanuit de centrale overheid en in de memorie van toelichting op de Wet hervorming kindregelingen zo genoemd.
Basishuur
De basishuur is een begrip dat wordt gebruikt om te bepalen of de belanghebbende in aanmerking komt voor de huurtoeslag. Het is het deel van de huur dat de huurder in ieder geval betaalt. Dit begrip wordt in deze beleidsregels gebruikt voor de bepaling van de hoogte van de bijstand en de in aanmerking te nemen inkomsten uit verhuur.
Dakloze
Een adresloze dakloze zonder vast adres ‘woont’ doorgaans op straat. Bijstandsverlening aan deze groep wordt uitgevoerd door de aangewezen centrumgemeenten (artikel 11 van het Besluit Participatiewet). Het is strikt genomen niet vereist om uitsluitend in de centrumgemeente te zwerven, maar voor het college moet wel duidelijk zijn waar iemand feitelijk verblijft.
Daarvoor worden vaak zogeheten zevendagenformulieren gebruikt. De belanghebbende moet daarop de verblijflocaties invullen zodat het college die kan controleren.
Een dakloze en een adresloze is een persoon die:
- a.
niet beschikt over een (brief)adres waar hij woont; en
- b.
waar hij dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd overnacht; of
- c.
waar de voor hem bestemde post in ontvangst wordt genomen en als daar aanleiding voor is dat de post of inlichtingen daarover bij de belanghebbende terecht kunnen komen.
Indien de persoon aan deze voorwaarde voldoet dan is er sprake van een dakloze met adres en bestaat er recht op bijstand jegens de gemeente van het betreffende (brief)adres, mits er wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor het recht op bijstand. Dit begrip is gedefinieerd in verband met de vaststelling van de hoogte van de bijstand in verband met lagere kosten van het bestaan.
Marginale zelfstandige
Een marginale zelfstandige, ook wel zelfstandige op bescheiden schaal, is in deze beleidsregels gedefinieerd, omdat de wet geen omschrijving geeft van dit begrip. Het gaat om mensen die op geld waardeerbare activiteiten verrichten en toch niet als zelfstandige in de zin van het Bbz kunnen worden aangemerkt.
Artikel 1, onder b, van het Bbz bepaalt namelijk dat sprake is van een zelfstandige als wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening. Er wordt voldaan aan het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, als de zelfstandige de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.
Woonkosten
Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de toepassing van artikel 4 van deze beleidsregels. Onder gebruikerskosten wordt verstaan: de variabele en vaste lasten die direct samenhangen met het bewonen van het pand.
HOOFDSTUK 2. Ingang en duur bijstand
Artikel 2. Ingangsdatum bijstand
Op grond van artikel 44 van de wet kent het college bijstand toe vanaf de datum waarop de belanghebbende zich meldt voor een bijstandsuitkering.
Bijstandverlening met terugwerkende kracht was voorheen alleen mogelijk als er sprake was van bijzondere omstandigheden. Met ingang van 1 januari 2026 is dit versoepeld en is er op meer gronden bijstand met terugwerkende kracht mogelijk. Bijstand kan daarom met maximaal drie maanden terugwerkende kracht worden toegekend als:
de belanghebbende zich niet eerder heeft kunnen melden, bijvoorbeeld omdat:
- ●
de belanghebbende niet in staat was om bijstand aan te vragen of niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot bijstand;
- ●
een voorliggende voorziening is afgewezen;
- ●
buiten schuld van de belanghebbende een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of is afgewezen omdat niet tijdig alle gegevens zijn aangeleverd;
- ●
de belanghebbende onvoldoende inzicht had in inkomsten of vermogen, bijvoorbeeld door flexibel werk, scheiding, detentie of een erfenis;
- ●
de belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen.
Uitgangspunt is dat de belanghebbende niet in de financiële problemen komt omdat er bijvoorbeeld schulden zijn ontstaan vanaf het moment van mogelijk recht op bijstand tot het moment dat de aanvraag is ingediend. Zo kan de belanghebbende eerst aanspraak maken op een voorliggende voorziening zonder bij afwijzing financieel nadeel te ondervinden, doordat de ingangsdatum van de bijstand aansluit op de andere aanvraag.
Een verkorte aanvraag is mogelijk als iemand zich binnen 6 maanden na beëindiging van de bijstandsuitkering opnieuw bij de gemeente meldt om bijstand aan te vragen. Dan hoeft geen volledige bijstandsaanvraag te worden ingediend. In dat geval hoeft de belanghebbende alleen bankafschriften te overleggen. Wel wordt onderzoek gedaan naar de beëindigingsgrond van de eerdere uitkering. Bij beëindiging wegens werkaanvaarding wordt bijvoorbeeld onderzocht waarom het werk is beëindigd.
Artikel 3. Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting
Op grond van artikel 23 van de wet moet de bijstandsnorm worden aangepast vanaf de datum van opname in de inrichting. Omdat opnames in een inrichting van (zeer) korte duur kunnen zijn, kiezen veel gemeenten ervoor om vanwege praktische redenen de norm niet meteen aan te passen. Hierbij speelt ook mee dat bij een korte opname de bestaanskosten van belanghebbende niet of nauwelijks wegvallen. Met dit artikel wordt dit opgevangen. In de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2027 worden enkele bepalingen opgenomen over doorbetaling van de vaste lasten tijdens opname in een inrichting. Deze bepalingen zijn het vangnet voor de doorbetaling van de vaste lasten.
HOOFDSTUK 3. Hoogte bijstand
Artikel 4. Verlaging van de norm in verband met de woonsituatie
Artikel 27 van de wet geeft het college de mogelijkheid de norm te verlagen als belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft door zijn woonsituatie.
Als de kostendelersnorm van toepassing is, is er geen ruimte om deze norm te verlagen wegens de woonsituatie. In deze beleidsregels is bepaald dat de norm wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. De bestaanskosten zijn in die gevallen lager. Een voorbeeld van het ontbreken van woonkosten is de situatie waarbij een onderhoudsplichtige de woonkosten betaalt.
Er zijn echter ook situaties denkbaar waarbij de belanghebbende een klein bedrag aan woonkosten betaalt. In die situaties is een verlaging van 20% niet proportioneel. Daarom is in dit artikel bepaald dat bij woonkosten die lager zijn dan de basishuur als bedoeld in artikel 16 van de Wht, een verlaging van 10% wordt toegepast.
Er zijn ook mensen die geen (huur)woning hebben. Deze daklozen met adres (ook wel thuislozen genoemd) hebben geen kosten voor het aanhouden van woonruimte, maar zij kunnen wel extra kosten hebben als zij veelvuldig gebruikmaken van een opvangvoorziening of kosten betalen aan familie, vrienden, kennissen et cetera. In deze beleidsregels heten deze kosten verblijfkosten. Als een dakloze veelvuldig gebruikmaakt van een opvangvoorziening, wordt met de daaraan verbonden kosten rekening gehouden door een verlaging van 10% toe te passen, mits de verblijfkosten aangetoond kunnen worden.
Artikel 5. Verlaging van de norm voor schoolverlaters
Als een belanghebbende recent onderwijs of een beroepsopleiding heeft beëindigd, geeft artikel 28 van de wet het college de mogelijkheid om gedurende 6 maanden na het tijdstip van die beëindiging de norm te verlagen. Het moet dan wel gaan om onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wsf of op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos.
De ratio van artikel 28 van de wet is dat een belanghebbende niet onmiddellijk recht kan doen gelden op een relatief hoge bijstandsuitkering aansluitend op het relatief lage bedrag dat hij aan studiefinanciering ontving. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat eventuele inkomsten naast studiefinanciering geen rol mogen spelen bij de toepassing van de verlaging. Dit betekent dat de schoolverlatersverlaging ook in zo'n geval kan worden toegepast.
In deze beleidsregels is bepaald dat de verlaging voor schoolverlaters 20% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt. Deze verlaging duurt 3 maanden.
De reden van beëindiging van de studie is niet relevant voor de verlaging.
Artikel 6. Commerciële relatie
In artikel 22a van de wet is een kostendelersnorm opgenomen. Als de uitkeringsgerechtigde met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, wordt de norm berekend volgens de in de wet opgenomen systematiek.
Voor de kostendelersnorm maakt de wet een uitzondering voor personen die op basis van een schriftelijke overeenkomst een commerciële prijs overeenkomen. De wet noemt alleen een schriftelijke overeenkomst waarbij een commerciële prijs is overeengekomen als voorwaarde. Het college kan zelf bepalen wat onder het begrip commerciële huurprijs wordt verstaan.
Er is sprake van een commerciële relatie als wordt voldaan aan de definitie die is opgesteld door de CRvB. Dit betekent dat als niet aan een van deze voorwaarden wordt voldaan, geen sprake is van een commerciële relatie en daarmee ook niet van commerciële huur. De commerciële relatie is van belang bij de beoordeling of sprake is van een kostendelersnorm. Als sprake is van een commerciële relatie, dan is de kostendelersnorm niet van toepassing. Er kan geen sprake zijn van een commerciële relatie bij familie in de eerste of tweede graad. In de IOAW en de IOAZ is de kostendelersnorm per 1 juli 2015 van kracht. Vanaf dat moment is het begrip commerciële huurprijs ook in deze regelingen van belang. Deze bepaling is daarom ook van toepassing op situaties met IOAW- en IOAZ-uitkeringen.
Artikel 7. Commerciële huur
Over het begrip commerciële huurprijs zegt de wetgever het volgende: ‘de prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is’.
De hoogte van de huurprijs hangt af van de individuele situatie. Het college kan wel een vast huurbedrag als richtprijs hanteren voor een commerciële overeenkomst, maar moet rekening houden met de (eventueel afwijkende) individuele situatie. Daarom moet worden vastgesteld bij welke huurprijs sprake is van een commerciële prijs, als bedoeld in artikel 19a, lid 1, onderdelen b en c, van de wet.
In deze beleidsregels is gekozen voor een vast bedrag. Hierbij wordt aangesloten bij het begrip basishuur in de Wht. Dit sluit aan op de meest recente jurisprudentie.
De ‘basishuur’ is een begrip uit de Wht. Het is de eigen bijdrage die een huurtoeslagontvanger in elk geval zelf moet bekostigen. De hoogte van de basishuur is afhankelijk van het inkomen. Jaarlijks stelt de overheid een minimumbasishuur vast, die als norm geldt voor huurtoeslagontvangers met een minimuminkomen. Wie (iets) meer verdient, betaalt een hogere basishuur. De basishuur wordt vastgesteld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag.
Artikel 8. Kostendelersnorm
Bij tijdelijk verblijf in vrouwenopvang of projecten voor begeleid wonen is de kostendelersnorm van artikel 22a van de wet niet van toepassing, omdat men daar geen hoofdverblijf heeft.
Met ingang van 1 januari 2026 wordt de kostendelersnorm niet toegepast wanneer iemand in verband met het verlenen of ontvangen van mantelzorg een woning deelt.
Het daadwerkelijk verlenen of ontvangen van mantelzorg moet dus de aanleiding zijn voor het delen van de woning. Voor belanghebbenden die al een woning delen en bij wie daarna een mantelzorgrelatie ontstaat, geldt deze uitzondering niet.
Voor de betekenis van mantelzorg wordt aangesloten bij de definitie van mantelzorg uit de Wmo 2015. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 bevat de volgende definitie van mantelzorg:
mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
Artikel 9. Bijstand voor de alleenstaande ouderkop
Het gaat om alleenstaande ouders die in het kader van de belastingwetgeving worden geacht een fiscaal partner te hebben, maar deze in werkelijkheid niet hebben. Aan hen kan op aanvraag, in de vorm van periodieke algemene bijstand, compensatie worden verstrekt voor het ontbreken van de alleenstaande ouderkop. Deze compensatie wordt niet verstrekt als de kostendelersnorm op de alleenstaande ouder van toepassing is. Een persoon op wie de kostendelersnorm van toepassing is, wordt in staat geacht de kosten van levensonderhoud met een meerderjarige op dezelfde wijze te delen als gehuwden in de zin van de wet. Ook gehuwden met een bijstandsuitkering die ten laste komende kinderen hebben, ontvangen geen alleenstaande ouderkop. De alleenstaande ouder komt om die reden niet in aanmerking voor deze compensatieregeling.
De algemene bijstand op basis van deze regeling bedraagt maximaal 20% van de gehuwdennorm. Aansluiting bij de hoogte van de alleenstaande ouderkop zou preciezer zijn, maar een percentage van de gehuwdennorm is eenvoudiger uitvoerbaar. Het verschil zal niet noemenswaardig zijn. Mocht de uitkomst in een individueel geval niet verenigbaar zijn met de bijstandsverlening, dan kan op grond van artikel 18 van de wet worden geïndividualiseerd.
Het recht op compensatie geldt in beginsel voor één jaar. Hiermee wordt de alleenstaande ouder gestimuleerd alles te doen om de situatie in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid en de voorliggende voorziening te verzilveren. De verwachting is dat dit redelijkerwijs binnen één jaar geregeld kan zijn.
Als er sprake is van een ‘niet-rechthebbende’ partner omdat de partner in detentie zit of in een verzorgingstehuis zit of is uitgesloten van het recht op bijstand wegens verblijf in het buitenland, kan de alleenstaande ouder een brief sturen aan de Belastingdienst met het verzoek om af te zien van het fiscaal partnerschap. Honoreert de Belastingdienst dit verzoek, dan ontvangt de belanghebbende alsnog de alleenstaande ouderkop, waardoor compensatie niet langer nodig is. Vooral als het een partner betreft die permanent in een verzorgingstehuis verblijft, is de verwachting dat de Belastingdienst een dergelijk verzoek in de meeste gevallen zal honoreren.
HOOFDSTUK 4. Inkomen
Artikel 10. Vrijlating inkomsten
De algemene inkomstenvrijlating geldt voor belanghebbenden die bijstand en daarnaast inkomsten uit deeltijdarbeid ontvangen. Als beide partners tot de doelgroep behoren, heeft iedere partner afzonderlijk recht op de inkomstenvrijlating.
De vrijlating geldt slechts eenmaal per bijstandsperiode. Als de bijstand wordt beëindigd en na een termijn van ten minste 30 dagen opnieuw wordt toegekend, kan opnieuw een periode van 6 maanden vrijlating worden verleend. Dit is gekoppeld aan het bepaalde in artikel 45, lid 3, van de wet.
De inkomstenvrijlating kan slechts worden toegepast als deze naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Of een inkomstenvrijlating bijdraagt aan dit doel vereist in beginsel een individuele beoordeling. In het algemeen geldt dat alle arbeid bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Daarom is ervoor gekozen de vrijlating in alle gevallen toe te passen, behalve in situaties die in strijd zijn met de wet. Hiermee wordt de toepassing van de inkomstenvrijlating gestimuleerd.
Artikel 11. Inkomsten in verband met kamerhuur of kostgangers
Op grond van artikel 33, vierde lid, van de wet moeten als bijzonder inkomen worden aangemerkt:
de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als belanghebbenden de woning bewonen met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers als daarmee nog geen rekening is gehouden bij het vaststellen van de kostendelersnorm (artikel 22a, eerste tot en met derde lid van de wet).
Dit betekent dat het college de werkelijk genoten inkomsten niet meer volledig op basis van dat artikel kan korten als met deze inkomsten al rekening is gehouden in het kader van de kostendelersnorm.
Artikel 33, lid 4, van de wet creëert de mogelijkheid om, als de werkelijke inkomsten hoger zijn dan het bedrag waarmee rekening wordt gehouden bij toepassing van de kostendelersnorm, het meerdere te korten.
Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huurderschap en kostgangerschap blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is sprake van deelname aan het economisch verkeer, waarbij de verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. In deze situaties is het uitgangspunt dat de kosten niet op dezelfde wijze worden gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie met elkaar hebben.
In hoofdstuk 4.9 van de Recofa-richtlijn staat het bedrag dat de belanghebbende, na aftrek van een forfaitair bedrag voor kost of inwoning, daadwerkelijk als bijdrage in de woonlasten van de inwoner(s) ontvangt in verband met meerderjarige inwoners. Het forfaitaire bedrag kan bij uitsluitend inwoning worden gesteld op € 1,93 per dag voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke. Voor de uitvoerbaarheid is het forfaitaire bedrag omgerekend naar een maandbedrag van € 1,93 x 365 : 12 = € 58,70 en vervolgens afgerond op € 60,-.
Het deel van de inkomsten uit verhuur boven € 60,- wordt daarom op de bijstand van de belanghebbende in mindering gebracht.
Kostgangers
Voor de forfaitaire kosten van een kostganger is eveneens aansluiting gezocht bij de Recofa-richtlijn. De kosten voor een kostganger zijn echter hoger. Het forfaitaire bedrag kan bij uitsluitend inwoning worden gesteld op € 2,19 per dag voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke. Is de inwoner tevens kostganger, dan kan daarnaast voor de maaltijden € 9,75 per dag worden gerekend. Na omrekening bedraagt het forfaitaire bedrag € 2,19 + € 9,75 = € 11,94 x 365 : 12 = € 363,17 en vervolgens afgerond op € 363,-. Zijn er meerdere kostgangers, dan moet een schaalverdeling worden gemaakt. Voor de tweede inwoner wordt dan 80% van het forfaitaire bedrag genomen, voor de derde 70% enzovoort (deze percentages zijn berekend met behulp van de uitgaven aan voeding en budgetonderzoeken van het CBS).
Artikel 12. Vrijlating schadevergoeding, giften en bijdragen die leiden tot kostenbesparing
De hoogte van immateriële schadevergoedingen kan sterk verschillen. Daarom is ervoor gekozen om immateriële schadevergoedingen tot een bepaald bedrag volledig vrij te laten. Uit het oogpunt van bijstandsverlening wordt een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande genoemd in artikel 34, lid 3, verantwoord geacht. Is de immateriële schadevergoeding hoger, dan wordt van al het meerdere twee derde in aanmerking genomen als vermogen. De eerste vrijlating ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande geldt dus ook bij hogere immateriële schadevergoedingen.
Een vrijlating van een derde van de immateriële schadevergoeding is gebaseerd op uitspraken van de CRvB. In deze uitspraken heeft de Raad geaccepteerd dat een derde deel van de schadevergoeding wordt vrijgelaten. Het overige deel van de schadevergoeding wordt als vermogen in aanmerking genomen op basis van artikel 34, lid 1, onder b, van de wet.
Soms wordt een schadevergoeding ontvangen waarvan niet duidelijk is welk deel ziet op materiële schade en welk deel op immateriële schade. In zo’n situatie moet worden onderzocht hoe de vergoeding is opgebouwd.
Giften en bijdragen die leiden tot kostenbesparing worden bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand vrijgelaten tot een bedrag dat jaarlijks wordt vastgelegd in artikel 31, lid 2, onder m, van de wet.
Boven dit bedrag verschilt de behandeling van giften en van kostenbesparende bijdragen. Bij giften beoordeelt het college eerst of het meerdere uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Is dat niet zo, dan is het meerdere een middel en wordt het, afhankelijk van de aard van de gift, als inkomen of als vermogen in aanmerking genomen. Kostenbesparende bijdragen zijn geen middel. Boven de grens weegt het college op grond van artikel 18, lid 1, van de wet af of de bijstand op de omstandigheden van de belanghebbende moet worden afgestemd.
De consulent beoordeelt of een gift of bijdrage die leidt tot kostenbesparing algemeen gebruikelijk of verenigbaar met de bijstand is.
Bij de beoordeling of giften en bijdragen die leiden tot kostenbesparing in een individueel geval uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn, geldt het volgende als verenigbaar met de bijstand:
- a.
giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand had kunnen worden verleend;
- b.
giften die worden ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;
- c.
giften die gebruikt worden om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening.
Bij de vrijlating van giften wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Door de giften niet in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de wet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Bijdragen vanuit de voedselbank worden niet in aanmerking genomen.
De belanghebbende houdt een degelijke administratie bij van de giften die hij ontvangt. Het college adviseert belanghebbenden daarom om giften en bijdragen die leiden tot kostenbesparing van meer dan € 500,- bij de consulent te melden.
HOOFDSTUK 5. Vermogen
Artikel 13. Vrijlating vermogen
Bij belanghebbenden die verzekerd zijn voor uitvaartkosten is het in de regel niet mogelijk de uitvaartpolis voor de datum van overlijden te gelde te maken. Omdat de belanghebbende redelijkerwijs niet over het in de polis opgebouwde vermogen kan beschikken, kan het verzekerde bedrag niet in de vermogensvaststelling worden meegenomen.
Het komt echter ook vaak voor dat belanghebbenden niet verzekerd of onderverzekerd zijn voor de kosten van een uitvaart, maar daarvoor sparen. In dat geval zou het inconsequent zijn om het gespaarde bedrag (geheel) in de vermogensvaststelling mee te nemen. Daarom maakt het college van zijn bevoegdheid gebruik om in dit geval bij de vermogensvaststelling een vrijlating toe te passen. Wel moet het vermogen in dat geval uitdrukkelijk de bestemming hebben voor de kosten van een uitvaart. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een speciale (deposito)rekening of een koopsompolis. Ook kan de belanghebbende bij de aanvraag aannemelijk maken dat hij voor begrafenis- of crematiekosten heeft gespaard. Hoewel de belanghebbende over het geld kan beschikken, krijgt hij dan tijdens de afhandeling van de bijstandsaanvraag de gelegenheid het bedrag op een speciale rekening vast te zetten.
Bij een negatieve uitkomst wordt het saldo op € 0,- gesteld. Hierbij is aansluiting gevonden bij de jurisprudentie. Bij bijzondere omstandigheden, zoals onverantwoord interen voorafgaand aan de aanvraag, moet individueel worden beoordeeld of het in mindering brengen van 1,5 maal de van toepassing zijnde norm reëel is.
In beginsel wordt het vermogen bij de bijstandsaanvraag vastgesteld. Vanaf 1 januari 2026 moet het vermogen echter opnieuw worden vastgesteld als de situatie van de belanghebbende wijzigt. Er wordt dan een volledig nieuwe berekening gemaakt waarbij het totaal aan schulden wordt afgezet tegen de beschikbare vermogensbestanddelen.
Artikel 14. Opnieuw vaststellen vermogen
Bij een bijstandsaanvraag is het bij een echtscheiding of verlating niet altijd eenvoudig om het vermogen direct vast te stellen, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel vaak nog niet verdeeld is. In dat geval kan worden gewacht met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is. Het college neemt in de toekenningsbeschikking op dat het vermogen na afwikkeling van de echtscheiding wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de te veel betaalde bijstand wordt teruggevorderd.
Als na terugvordering de vermogensgrens nog steeds wordt overschreden, wordt de bijstand direct beëindigd.
Als het vermogen stijgt door bijvoorbeeld verkrijging van een erfenis, het kopen van een auto of het winnen van een (geld)prijs, bestaat de mogelijkheid dat het vermogen boven het van toepassing zijnde vrij te laten vermogen uitstijgt. Hierdoor vervalt het recht op bijstand.
Met ingang van 1 januari 2026 moeten belanghebbenden zelf beoordelen of hun vermogensaanwas boven de voor hen geldende vrijlating uitkomt.
Belanghebbenden hoeven de vermogensaanwas daarom in beginsel alleen te melden als uit hun eigen berekening blijkt dat zij de geldende vermogensgrens overschrijden.
Wel moeten de belanghebbenden een degelijke administratie van hun vermogen inclusief tussentijdse vermogensaanwas bijhouden. Om dit voor belanghebbenden hanteerbaar te maken, adviseert het college hen een vermogensaanwas van meer dan € 500,- bij de consulent te melden.
HOOFDSTUK 6. Marginale zelfstandige
Artikel 15. Doelgroep
In dit artikel wordt omschreven wanneer iemand voldoet aan het begrip ‘zelfstandige op bescheiden schaal’ en dus een beroep kan doen op de bepalingen van deze beleidsregels.
In artikel 2 van het Bbz is bepaald dat de verplichtingen die zijn of worden aangegaan snelle beëindiging van de zelfstandige activiteiten mogelijk moeten maken. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de verplichtingen die worden aangegaan binnen een maand moeten kunnen worden beëindigd zonder dat financiële verplichtingen resteren. Zo wordt niet ingestemd met de huur van bedrijfsruimte waarvan de opzegtermijn langer dan een maand is en met het aangaan van een arbeidsovereenkomst waarbij de inzet van de medewerker niet binnen een maand beëindigd kan worden. Wanneer de belanghebbende niet of niet langer aan de voorwaarden voldoet, kiest hij tussen uitbreiding van zijn zelfstandige activiteiten tot voltijdondernemerschap, bijvoorbeeld via de voorbereidingsperiode van het Bbz, en staking van zijn activiteiten.
Artikel 16. Wettelijke vereisten
Formele vestigingseisen moeten voorkomen dat een bedrijf of beroep op onrechtmatige wijze wordt gestart en gevaar, schade, hinder of overlast voor de omgeving veroorzaakt. Deze eisen zijn controleerbaar via inzage in vergunningen en verklaringen. Daarnaast moet de zelfstandige alle wettelijk vereiste inschrijvingen hebben.
Artikel 17. Toestemming
Vooraf moet de belanghebbende toestemming vragen om met behoud van uitkering als zelfstandige op bescheiden schaal te gaan werken. De toestemming wordt bekendgemaakt door middel van een beschikking en kan telkens voor 12 maanden worden verleend. Uitgangspunt is hierbij dat de zelfstandige aan de voorwaarden moet blijven voldoen om verlenging van de toestemming te verkrijgen. Gedurende de periode waarvoor toestemming wordt verleend, is sprake van frequent contact tussen de zelfstandige en de gemeente. Er vindt in ieder geval elke 6 maanden een contactmoment plaats waarin de gang van zaken wordt besproken. De toestemming om gebruik te maken van de mogelijkheden van deze beleidsregels kan worden ingetrokken. Hiervoor geeft dit artikel drie mogelijkheden. In de eerste plaats is intrekking van de toestemming mogelijk als de belanghebbende niet meer tot de doelgroep behoort. Daarnaast is intrekking mogelijk als de zelfstandige zich niet aan de voorwaarden of verplichtingen houdt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen (zie artikel 19 van deze beleidsregels), het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen (zie de artikelen 18 en 19 van deze beleidsregels) en het niet bijhouden van een deugdelijke boekhouding (zie artikel 20 van deze beleidsregels). De beginselen van behoorlijk bestuur brengen met zich mee dat de zelfstandige in de gelegenheid wordt gesteld alsnog aan de verplichtingen te voldoen voordat de intrekking van de toestemming plaatsvindt. Een derde situatie waarin intrekking van de toestemming kan plaatsvinden, is als sprake is van een blijvend negatief bedrijfsresultaat. Onder blijvend wordt verstaan dat al enkele maanden sprake is van een negatief resultaat en dat er geen reëel en aannemelijk perspectief op een positief resultaat is.
Artikel 18. Uren
De omvang van het ondernemerschap op bescheiden schaal met behoud van uitkering moet onder het urencriterium van het Bbz blijven. Bij 23,5 uur of meer per week is sprake van voltijd ondernemerschap en is bijstandsverlening op grond van het Bbz aangewezen. Ondernemers maken directe en indirecte uren. Directe uren zijn de voor de onderneming gewerkte uren, waarin daadwerkelijk geld wordt verdiend. De indirecte uren zijn de uren besteed aan administratie, werven van een opdracht, studie, reistijd en dergelijke. Voor deeltijdondernemers met een uitkering gelden zowel de directe als de indirecte uren als zelfstandige werkuren.
Daarnaast geldt dit urencriterium voor zowel de alleenstaande zelfstandige als de gehuwden samen. Er kan dus minder dan 23,5 uur per week aan de onderneming worden besteed. De ondernemer moet zo veel mogelijk met een rooster werken. Dit zorgt ervoor dat een eventueel traject naar arbeidsinschakeling niet wordt belemmerd door het zelfstandige ondernemerschap.
Voor de IOAW kan geen urenbeperking worden opgelegd, maar hiervoor geldt dat de zelfstandige nog wel als werkloze werknemer als bedoeld in de IOAW moet kunnen worden aangemerkt. Als een IOAW-gerechtigde door zijn werkzaamheden als zelfstandige niet langer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, is hij geen werkloze werknemer meer en heeft dit gevolgen voor het recht op een IOAW-uitkering. De urenregistratie wordt gebruikt om dit te controleren.
Artikel 19. Verplichtingen
Het verlenen van toestemming om op bescheiden schaal zelfstandige activiteiten uit te voeren, staat los van het al dan niet opleggen van arbeidsverplichtingen. Iemand kan een ontheffing van (een deel van) deze verplichtingen hebben en zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal verrichten met als oogmerk maatschappelijke participatie. Ook kan sprake zijn van iemand die wel degelijk de mogelijkheid heeft om uit te stromen door middel van arbeid in loondienst. In dat geval worden de arbeidsverplichtingen volledig opgelegd. Zolang een uitkering wordt ontvangen, kan de belanghebbende als zelfstandige op bescheiden schaal werken.
De zelfstandige op bescheiden schaal heeft in geen enkel geval recht op (gedeeltelijke) ontheffing van de arbeidsverplichting. Hierover oordeelt de gemeente.
Een aparte bankrekening voor de kosten en opbrengsten uit ondernemerschap vergemakkelijkt het zicht op de inkomende en uitgaande geldstromen van de onderneming. Het voorkomen van samenloop van privé- en zakelijke kasstromen binnen één rekening vergroot het inzicht in de mate waarin de ondernemer de lopende betalingsverplichtingen kan voldoen. Een deel van de administratie die de zelfstandige moet bijhouden, bestaat uit de urenadministratie. Via deze overzichten kan worden beoordeeld of het urencriterium niet wordt overschreden. Daarnaast kan aan de hand van een maandelijks inkomensoverzicht het inkomen per maand worden berekend.
Artikel 20. De boekhouding en kosten
Uitgangspunt is dat zelfstandigen voor het bijhouden van hun administratie en boekhouding moeten voldoen aan de eisen die de Belastingdienst hiervoor heeft opgesteld. De boekhouding moet bestaan uit een jaarrekening (inclusief balans en verlies- en winstrekening) en eventueel een kasboek (in combinatie met een BTW-aangifte). Het ontbreken van zo’n administratie wordt gelijkgesteld met oneigenlijk gebruik of misbruik van de uitkering (omgekeerde bewijslast) en kan leiden tot intrekking van de toestemming, terugvordering van de uitkering en het opleggen van een bestuurlijke boete of maatregel.
Met opgevoerde kosten wordt rekening gehouden voor zover deze vanuit bijstandsoogpunt redelijk zijn. De Belastingdienst kan hierbij een afwijkend oordeel geven. Bij zelfstandige activiteiten op bescheiden schaal is het uitgangspunt dat deze activiteiten op korte termijn kunnen worden beëindigd. Er kunnen dus geen langlopende verplichtingen worden aangegaan. Het uitgangspunt sluit aan op het bepaalde in artikel 15, lid 2, onder e, van deze beleidsregels. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor opgevoerde kosten die samenhangen met de huur van een bedrijfspand of het aannemen van personeel. Daarnaast kan (indirect) geen bijstand worden verleend voor schulden of investeringen in het bedrijf. Ook de afschrijvingen op deze investeringen worden niet meegenomen als kosten. Kosten die in strijd zijn met de overige bepalingen van deze beleidsregels kunnen evenmin worden opgevoerd. Tot slot moeten de overige kosten volgens de regels die de Belastingdienst hiervoor hanteert, worden opgevoerd. Voor vervoerskosten wordt alleen zakelijk vervoer per auto of openbaar vervoer in aanmerking genomen als dit samenhangt met de opdracht. De kilometerprijs voor vervoer per auto volgt artikel 3.15 van de IB. Bij openbaar vervoer zijn bewijsstukken vereist.
Als de belanghebbende tijdens een Bbz-voortraject een voorbereidingskrediet heeft ontvangen en in aansluiting op dit traject geen eigen bedrijf of zelfstandig beroep start, wordt het verstrekte voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag aan opgevoerde verwervingskosten.
Artikel 21. Inkomsten en inkomstenverrekening
Ondernemers moeten inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen afdragen over hun bedrijfsinkomsten. Bij het vaststellen van de inkomsten uit de werkzaamheden als zelfstandige op bescheiden schaal wordt hiermee rekening gehouden. Het omrekenen van ‘bruto-omzet’ naar ‘netto-omzet’ vindt plaats door de toepasselijke belastingtarieven en -schijven van de IB te hanteren. Voor belanghebbenden met een bijstandsuitkering gaat het in beginsel om de eerste schijf.
Zelfstandigen op bescheiden schaal kunnen geen gebruikmaken van de zelfstandigenaftrek.
Voor de IOAW geldt dat het belastbare inkomen uit onderneming als inkomen wordt aangemerkt. Dit betekent dat voor deze doelgroep geen rekening wordt gehouden met af te dragen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Deze werkwijze volgt het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en de bruto uitbetalingssystematiek die voor de IOAW geldt.
De inkomstenvrijlating in de wet en de IOAW kan ook op de inkomsten uit onderneming worden toegepast. Als de belanghebbende onder de doelgroep van de vrijlating van inkomsten op grond van artikel 31, tweede lid, onder n en onder r, van de wet of artikel 8, tweede en vijfde lid, van de IOAW valt, wordt over het te korten bedrag aan inkomsten uit eigen bedrijf of beroep de vrijlating berekend.
Op grond van artikel 45, lid 2, van de wet kan zowel de vaststelling als de betaling van de bijstand over een langere periode dan de betreffende kalendermaand worden uitgesmeerd (zogenoemde middeling van inkomsten). Het college gebruikt deze wettelijke mogelijkheid om het inkomen uit zelfstandige activiteiten op bescheiden schaal jaarlijks vast te stellen. Hierdoor ontstaat ook ruimte voor zelfstandige activiteiten op bescheiden schaal die gedurende een korte periode een relatief hoog inkomen opleveren. Om forse nabetalingen of terugvorderingen te voorkomen, kan het college werken met een fictief maandinkomen dat maandelijks wordt verrekend. Eventuele verliezen zijn voor eigen risico.
HOOFDSTUK 7. Zelfstandige
Artikel 22. Voorbereidingsperiode
Op grond van artikel 2, lid 3, van het Bbz kan een persoon die algemene bijstand ontvangt gedurende ten hoogste 12 maanden gebruikmaken van een voorbereidingsperiode. Personen die in verband met het voorbereidingstraject kosten moeten maken, kunnen daarvoor bijstand krijgen in de vorm van een voorbereidingskrediet.
HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen
Artikel 23. Maatwerk
Dit artikel betreft de hardheidsclausule met een aanvulling op het evenredigheidsbeginsel.
In dit artikel komt de kern van de Participatiewet in balans terug. Op individuele gronden kan van het beleid worden afgeweken en bij iedere beslissing wordt overwogen welke gevolgen het besluit voor de belanghebbende heeft.
Het college volgt hierbij de uitgangspunten voor het sociaal domein.
Artikel 24. Intrekking, inwerkingtreding en overgangsrecht
De beleidsregels werken terug tot en met 1 januari 2026, de datum waarop de eerste wijzigingen uit Participatiewet in balans in werking zijn getreden. Terugwerkende kracht is toegestaan voor zover de nieuwe regels voor de belanghebbende gunstiger zijn of het nadeel al uit de wet zelf volgt. Lid 3 legt dit vast. Onderdelen die ongunstiger uitwerken dan de Beleidsregels 2018 en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeien, gelden pas vanaf de dag na bekendmaking. Tot die dag blijven op die onderdelen de Beleidsregels 2018 gelden.
Lid 4 regelt de overgang voor de giftengrens. Tot 1 januari 2026 gold in Rijswijk op grond van de motie van 7 november 2023 een grens van € 1.800. De wet stelt de grens sinds die datum op € 1.200 en laat daarvoor geen lokale ruimte. Inwoners hebben in 2026 echter nog kunnen afgaan op de eerdere grens. Artikel 31, lid 2, onder s, van de wet laat giften boven het drempelbedrag vrij voor zover het college die in het individuele geval verantwoord acht. Een algemene hogere grens kan het college daarmee niet vaststellen. Lid 4 legt daarom vast hoe het college dit gewekte vertrouwen in de individuele beoordeling weegt. Voor giften die vóór de bekendmaking zijn ontvangen, is het meerdere tot € 1.800 in beginsel verantwoord, tenzij de omstandigheden van de belanghebbende anders uitwijzen. Bij giften vanaf de bekendmaking geldt de beoordeling van artikel 12, lid 3, zonder deze weging.
De overige artikelen behoeven geen toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl