Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766793
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766793/1
Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2027
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-01-2027
Intitulé
Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2027Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk;
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 35 van de Participatiewet en artikel 108 van de Gemeentewet en overwegende dat het noodzakelijk is de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022 in te trekken en te vervangen door de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2027;
Besluit vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2027.
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de overige in deze beleidsregels aangehaalde wetten.
-
2. In deze beleidsregels verstaat het college onder:
- a.
bijstandsnorm: de norm, bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, met uitzondering van de kostendelersnorm, bedoeld in artikel 22a van die wet;
- b.
participatieregelingen: een regeling op grond van artikel 108 Gemeentewet, bedoeld voor inwoners van Rijswijk met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm, ter bevordering van participatie.
- a.
Artikel 2. Indienen van de aanvraag
-
1. Een aanvraag wordt ingediend binnen 3 maanden nadat de kosten zich voordoen. Het college maakt daarbij gebruik van de bevoegdheid van artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet. Aanvragen die na deze termijn worden ingediend, worden afgewezen.
-
2. Een aanvraag wordt onderbouwd met het aanvraagformulier en de daarin gevraagde bewijsstukken.
Artikel 3. Maatwerk en evenredigheid
-
1. Het college beoordeelt bij elke aanvraag of sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan en waarvoor geen passende en toereikende voorziening aanwezig is.
-
2. Noodzakelijke kosten zijn de goedkoopste adequate kosten in het individuele geval.
-
3. De goedkoopste adequate kosten worden zoveel mogelijk aan de hand van de Nibud-prijzengids bepaald.
-
4. Voor zover hierover niets is vastgelegd in deze beleidsregels, worden de bijzondere omstandigheden, de noodzakelijke kosten, de duur, de hoogte en de voorwaarden van de bijzondere bijstand individueel bepaald.
-
5. Het college past het evenredigheidsbeginsel toe en beoordeelt, gelet op het doel van de regeling, of een besluit de belanghebbende onevenredig nadelig zou treffen. Als de gevolgen voor de belanghebbende onevenredig zijn, kan het college van de standaardbeleidslijn afwijken om de evenredigheid te waarborgen.
-
6. De bijzondere bijstand wordt besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt.
-
7. Bij schending van de verplichtingen of een wijziging van omstandigheden wordt de bijzondere bijstand overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving herzien of ingetrokken en, indien van toepassing, teruggevorderd.
-
8. Wanneer het recht op algemene bijstand niet kan worden vastgesteld, vindt geen beoordeling plaats van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet.
Artikel 3a. Uitgangspunten en leidende principes
-
1. Het college past deze beleidsregels toe vanuit de bedoeling van de wet en met de menselijke maat als vertrekpunt. Deze uitgangspunten gelden voor het hele sociaal domein en sluiten aan bij de leidende principes uit hoofdstuk 2 van de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2026.
-
2. De inwoner staat centraal. Bij elke aanvraag zijn de bestaanszekerheid en de feitelijke situatie van de inwoner het vertrekpunt. Het college benut de beschikbare beleidsruimte om tot een passende uitkomst te komen.
-
3. Het college stimuleert eigen kracht en geeft, waar nodig, ondersteuning. Uitgangspunt blijft de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner, met een toegankelijk vangnet als dat nodig is. Waar dat helpt, wijst het college de inwoner actief op rechten en regelingen, houdt het de drempels laag en gaat het niet-gebruik tegen.
-
4. Het college werkt actief samen. Inkomensondersteuning hangt samen met andere vormen van hulp en met andere domeinen binnen het sociaal domein, zoals schuldhulpverlening en bewindvoering. Het college blijft betrokken totdat een andere partij of een ander domein de ondersteuningsvraag heeft overgenomen.
Artikel 4. Vorm van de bijzondere bijstand
-
1. Bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt. Alleen als de bijzondere omstandigheden of de noodzakelijke kosten daartoe aanleiding geven, wordt de bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening.
-
2. De hoogte van de aflossing van de renteloze geldlening is 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en 100% van het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm met inachtneming van de beslagvrije voet.
-
3. De maximale duur van de aflossing is 60 maanden. Als de belanghebbende 60 maanden heeft afgelost, wordt het restant van de renteloze geldlening kwijtgescholden.
-
4. Kwijtschelding vindt ook plaats als de belanghebbende niet volledig aan zijn aflossingsplicht als bedoeld in lid 2 en 3 van dit artikel kon voldoen, tenzij er sprake is van tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Artikel 5. Vaststellen draagkracht en draagkrachtperiode
-
1. De draagkracht is het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd.
-
2. De peildatum van de draagkracht is de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.
-
3. De individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag worden bij de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen.
-
4. De draagkrachtperiode is voor niet-bijstandsgerechtigden in principe 12 maanden.
-
5. De draagkracht wordt bij incidentele bijzondere bijstand in één keer in mindering gebracht.
-
6. De draagkracht wordt bij periodieke bijzondere bijstand evenredig over een periode van 12 maanden in mindering gebracht.
-
7. De draagkracht wordt tijdens een lopende draagkrachtperiode alleen voor de resterende periode gewijzigd bij een ingrijpende wijziging in de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Een wijziging van het inkomen van meer dan 20% wordt in ieder geval als een bijzondere omstandigheid aangemerkt.
Artikel 6. Draagkracht inkomen
-
1. De draagkracht is een percentage van het inkomen vanaf 110% van de geldende bijstandsnorm.
-
2. Bij een onregelmatig inkomen wordt uitgegaan van het gemiddelde van het kwartaal voorafgaand aan de maand van de aanvraag.
-
3. Het inkomen van een zelfstandige ondernemer wordt vastgesteld aan de hand van de meest recente (maximaal twee jaar oude) definitieve aanslag inkomstenbelasting.
-
4. De belanghebbende met uitsluitend een AOW-uitkering wordt geacht geen inkomen boven 110% van de bijstandsnorm te hebben.
-
5. Bij volledig beslag op het inkomen of een minnelijke of wettelijke schuldregeling wordt de belanghebbende geacht geen inkomen boven 110% van de bijstandsnorm te hebben.
-
6. De draagkracht is:
- a.
35% van het inkomen tussen 110% en 130% van de geldende bijstandsnorm;
- b.
50% van het inkomen boven 130% van de geldende bijstandsnorm.
- a.
-
7. In afwijking van lid 1, lid 5 en lid 6 van dit artikel is de draagkracht het volledige inkomen boven 100% van de geldende bijstandsnorm bij bijzondere bijstand voor kosten als bedoeld in hoofdstuk 2.
-
8. Als in één draagkrachtperiode bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kosten als bedoeld in hoofdstuk 2 en voor kosten als bedoeld in hoofdstuk 3, geldt gedurende de hele draagkrachtperiode het draagkrachtpercentage dat voor de belanghebbende het gunstigst is. Zijn de aanvragen na elkaar ingediend, dan blijft het eerst vastgestelde percentage gelden.
-
9. In bijzondere gevallen wordt de draagkracht afwijkend vastgesteld.
Artikel 7. Draagkracht vermogen
-
1. Bij de bepaling van de draagkracht uit vermogen wordt het vermogen gehanteerd dat beschikbaar is op het moment van de aanvraag om bijzondere bijstand.
-
2. Bij de bepaling van het vermogen wordt alleen rekening gehouden met het saldo op de bank- en spaarrekeningen dat direct te gelde kan worden gemaakt, tenzij dit vanuit het oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord is. In dat geval wordt het vermogen betrokken bij de draagkrachtberekening.
-
3. De draagkracht uit vermogen bij bijzondere bijstand is 100% van het beschikbare vermogen na aftrek van 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm.
HOOFDSTUK 2. Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke kosten
Artikel 8. Inrichtingskosten
-
1. Incidentele woonkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand als door bijzondere omstandigheden niet of onvoldoende voor de noodzakelijke kosten had kunnen worden gereserveerd.
-
2. De noodzakelijke kosten worden berekend aan de hand van 50% van de prijzen in de Nibud-prijzengids, met uitzondering van de kosten van een koelkast (koelvriescombinatie), wasmachine en matrassen. Voor deze kosten geldt 100% van de prijzen in de Nibud-prijzengids. In afwijking van artikel 4, eerste lid, beoordeelt het college of de bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten in de vorm van een renteloze lening kan worden verstrekt.
-
3. Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor (vervanging van) inrichtingskosten als:
- a.
er in het jaar van de aanvraag een toereikende individuele inkomenstoeslag is toegekend; of
- b.
in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag door een andere gemeente bijzondere bijstand is verstrekt voor de (volledige) woninginrichting.
- a.
-
4. Van bijzondere omstandigheden is sprake als de belanghebbende een volledig in te richten en op te knappen woning krijgt aangeboden en:
- a.
onvoorzien en buiten zijn schuld zijn woning en bijbehorende inrichting is kwijtgeraakt;
- b.
dak- of thuisloos is of in een beschermde woonomgeving woont.
- a.
-
5. De noodzakelijke inrichtingskosten in de bijzondere omstandigheden, bedoeld in lid 4, worden vastgesteld op maximaal 50% van de Nibud-prijzengids voor een volledige woninginrichting en worden in principe verstrekt in de vorm van een geldlening.
-
6. Bij een noodzakelijke verhuizing kan een vergoeding voor verhuiskosten worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de vertrekkende gemeente hiervoor verantwoordelijk is.
Artikel 9. Woonkosten
-
1. Periodieke woonkosten horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De Wet op de huurtoeslag biedt een tegemoetkoming in de huurkosten en is daarmee een passende en toereikende voorliggende voorziening. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand als er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
-
2. Van bijzondere omstandigheden is sprake bij het bewonen van een eigen woning of huurwoning waarvoor geen aanspraak kan worden gemaakt op een (volledige) tegemoetkoming in de huurkosten op grond van de Wet op de huurtoeslag.
-
3. Onder woonkosten bij een koopwoning worden verstaan: de rente die verband houdt met de woning, de zakelijke lasten en een bedrag voor onderhoud.
-
4. De noodzakelijke kosten worden voor de koopwoning en de huurwoning berekend volgens de regels van de Wet op de huurtoeslag.
-
5. Het verschil tussen de maximale vergoeding op grond van de Wet op de huurtoeslag en de werkelijke kosten wordt in beginsel voor 100% vergoed.
-
6. De bijzondere bijstand wordt voor 12 maanden toegekend en kan bij bijzondere omstandigheden worden verlengd.
-
7. De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening toegekend als de belanghebbende zich verwijtbaar niet of onvoldoende heeft ingespannen om passende woonruimte te krijgen.
-
8. Als bijzondere bijstand op grond van dit artikel wordt toegekend, wordt daaraan op grond van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting verbonden om aantoonbaar naar passende, goedkopere woonruimte te zoeken en deze te accepteren, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.
Artikel 10. Kosten aanhouden woning
-
1. De kosten van het aanhouden van de woning behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand als sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
-
2. Van bijzondere omstandigheden is sprake als de belanghebbende:
- a.
maximaal 6 maanden in detentie verblijft; of
- b.
in een inrichting verblijft, een uitkering naar de inrichtingsnorm ontvangt en van plan is terug te keren naar de woning.
- a.
-
3. Onder de noodzakelijke kosten worden de huur en de vaste leveringskosten voor gas, water en elektriciteit verstaan.
-
4. De duur en de vorm van de bijzondere bijstand zijn:
- a.
bij detentie: maximaal 6 maanden en in principe als renteloze lening;
- b.
bij een inrichting: maximaal 12 maanden en in principe om niet, gerekend vanaf het moment van opname in een inrichting, met de mogelijkheid tot verlenging. Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand over de maanden waarin de algemene bijstand ongewijzigd doorloopt op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Rijswijk 2026.
- a.
Artikel 11. Schulden
-
1. De kosten van huur, gas, water en licht behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Iedereen wordt geacht een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum te ontvangen en daaruit deze kosten te betalen. Daarnaast geeft de gemeente Rijswijk op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) passende ondersteuning aan inwoners die daarvoor in aanmerking komen. Er kan recht bestaan op bijzondere bijstand voor schulden als sprake is van dringende redenen.
-
2. Onder dringende redenen wordt verstaan:
- a.
een dreigende uithuiszetting of afsluiting van gas, water en elektriciteit, waarvoor geen reële regeling kan worden getroffen met de schuldeiser of leverancier of met diens gemachtigde; en
- b.
een zeer kwetsbaar gezin of een zeer kwetsbare alleenstaande voor wie opvang in het Centraal Coördinatiepunt Den Haag (CCP) in het individuele geval onwenselijk is; en
- c.
er geen alternatieve oplossing is.
- a.
-
3. De bijzondere bijstand wordt toegekend in de vorm van een lening.
-
4. Als de gemeente Rijswijk al eerder een uithuiszetting of afsluiting van gas, water en elektriciteit heeft voorkomen door betaling van de schuld, wordt de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.
-
5. Aan de uitkering wordt op grond van artikel 55 van de Participatiewet een verplichting verbonden om actief mee te werken aan een oplossing van de financiële problemen.
HOOFDSTUK 3. Bepalingen over bijzondere kosten
Artikel 12. Uitvaartkosten
-
1. In beginsel zijn de erfgenamen verantwoordelijk voor het dragen van de kosten van een uitvaart, voor zover de overledene hierin niet zelf heeft voorzien.
-
2. Als er geen nabestaanden zijn die opdracht geven voor een uitvaart of op wie daarvoor een beroep kan worden gedaan, geldt de Wet op de lijkbezorging als een voorliggende voorziening.
-
3. Erfgenamen die verantwoordelijk zijn voor de kosten van een uitvaart kunnen ieder voor hun eigen aandeel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, nadat de eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene zijn aangewend of ontoereikend zijn gebleken.
-
4. Onder erfgenamen worden personen verstaan die op grond van het erfrecht of een testament aansprakelijk zijn voor het voldoen van de uitvaartkosten.
-
5. Als onduidelijk is of de belanghebbende erfgenaam is, is een verklaring van erfrecht vereist.
-
6. De hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten is gekoppeld aan de maximumbedragen uit de Nibud-prijzengids. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat ieder van de erfgenamen, bedoeld in het vierde lid van dit artikel, overeenkomstig het erfrecht een aandeel in de kosten draagt. Als de totale uitvaartkosten niet meer bedragen dan € 5.000, verleent het college bijzondere bijstand voor de totale kosten, naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen. Bij totale uitvaartkosten van meer dan € 5.000 verleent het college bijzondere bijstand tot ten hoogste € 5.000, naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen.
-
7. Vraagt een niet-erfgenaam bijzondere bijstand aan voor uitvaartkosten omdat deze als opdrachtgever van de uitvaart is opgetreden, dan beoordeelt het college op grond van artikel 3 van deze beleidsregels of bijzondere bijstand wordt toegekend. In afwijking van lid 9 van dit artikel beoordeelt het college in welke vorm de bijzondere bijstand wordt toegekend: als renteloze lening of om niet.
-
8. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt:
- a.
voor de kosten van een begrafenis of crematie in het buitenland;
- b.
aan erfgenamen die woonachtig zijn buiten de gemeente;
- c.
voor extra kosten die voortvloeien uit een specifieke culturele of religieuze achtergrond.
- a.
-
9. De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt om niet verleend.
Artikel 13. Medische kosten
-
1. De Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 vergoeden medische kosten. Deze regelingen gelden voor de individuele bijzondere bijstand als passende en toereikende voorliggende voorzieningen, ook als in het kader van deze wetten bewust is besloten de medische kosten niet te vergoeden.
-
2. De belanghebbende wordt geacht naast de basisverzekering een aanvullende zorgverzekering voor medische kosten af te sluiten. De belanghebbende kan hierbij gebruikmaken van de collectieve aanvullende verzekering.
-
3. In afwijking van lid 1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van dringende redenen. De dringende redenen worden individueel bepaald.
-
4. Van dringende redenen is in deze beleidsregels in ieder geval sprake als de Regeling uitstroom bijstandsgerechtigden nog niet is toegepast op een belanghebbende die om financiële redenen geen aanvullende zorgverzekering kan afsluiten, hem dit niet kan worden verweten en hij een medisch noodzakelijke behandeling moet ondergaan.
-
5. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de hoogte van de verstrekkingen op grond van de collectieve aanvullende zorgverzekering als bedoeld in artikel 14 van deze beleidsregels.
Artikel 14. Gemeentepolis
-
1. De belanghebbende kan deelnemen aan de gemeentepolis als:
- a.
deze rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 11 van de Participatiewet;
- b.
het netto gezinsinkomen inclusief vakantiegeld niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm; en
- c.
de belanghebbende geen betalingsachterstand heeft bij de huidige zorgverzekeraar.
- a.
-
2. Artikel 6 van deze beleidsregels is niet van toepassing op dit artikel.
-
3. De belanghebbende doet een aanvraag voor de gemeentepolis via de website van Gezondverzekerd.
-
4. De deelname eindigt op 31 december van het lopende kalenderjaar als de belanghebbende niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), als het inkomen hoger is dan 130% van de bijstandsnorm of als er draagkracht is in het vermogen als bedoeld in artikel 7 van deze beleidsregels.
Artikel 15. Kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele
-
1. Er wordt bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van beschermingsbewind, mentorschap, curatele of de kosten die daarmee samenhangen als er een rechterlijke uitspraak is gedaan.
-
2. De noodzakelijke kosten worden berekend aan de hand van de tarieven die zijn vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
-
3. In afwijking van lid 2 beoordeelt het college één jaar na de toekenning van het hoge tarief voor problematische schulden of dit tarief nog noodzakelijk is. Daarbij betrekt het college of de extra werkzaamheden waarop het tarief is gebaseerd nog worden verricht en of het uitblijven van stabilisatie van de schulden buiten de schuld van de belanghebbende of de bewindvoerder ligt. Als niet kan worden vastgesteld dat het hoge tarief noodzakelijk is, wordt het lagere tarief voor beschermingsbewind toegekend.
-
4. Aan de belanghebbende kan op grond van artikel 55 van de Participatiewet een verplichting worden opgelegd om op verzoek van het college inzage te geven in de door de bewindvoerder feitelijk verrichte werkzaamheden en de werkelijk gemaakte kosten en inspanningen.
-
5. Het college beoordeelt individueel de extra kosten die een bewindvoerder bij de belanghebbende in rekening wil brengen en waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Daarbij beoordeelt het college of de kosten noodzakelijk zijn, daadwerkelijk worden gemaakt en al dan niet zijn verdisconteerd in de forfaitaire beloning van de bewindvoerder. Maandelijkse (extra) bankkosten worden geacht te zijn inbegrepen in de standaardvergoeding voor bewindvoering.
Artikel 16. Reiskosten
-
1. Er wordt bijzondere bijstand toegekend voor reiskosten buiten de gemeente Rijswijk als sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
-
2. De bijzondere omstandigheden worden individueel bepaald.
-
3. De bijzondere bijstand wordt berekend aan de hand van de kosten van het openbaar vervoer als vanwege een afstand van meer dan 15 kilometer (enkele reis) of medische omstandigheden geen gebruik kan worden gemaakt van een fiets.
-
4. In afwijking van lid 3 wordt aan leerlingen die buiten de gemeente Rijswijk schakelonderwijs volgen bijzondere bijstand toegekend voor de aanschaf van een fiets. De bijzondere bijstand voor een fiets bedraagt € 200.
Artikel 17. Administratieve en overige kosten
-
1. Er wordt bijzondere bijstand toegekend voor administratieve kosten als sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
-
2. Onder noodzakelijke kosten wordt verstaan:
- a.
de kosten van taxatie of overige ten laste komende kosten;
- b.
de kosten van de boekhouder van een (ex)ondernemer in financiële problemen;
- c.
de kosten voor een voorrangsverklaring, transport, eerste huur, dubbele huurlasten en een waarborgsom, mits sprake is van een noodzakelijke verhuizing. Bij de kosten van de eerste huur wordt rekening gehouden met de Wet op de huurtoeslag als voorliggende voorziening, op grond waarvan de huurtoeslag achteraf kan worden toegekend.
- a.
-
3. De kosten als bedoeld in lid 2 van dit artikel worden toegekend in de vorm van een renteloze geldlening als aan een van de voorwaarden van artikel 48, tweede lid, van de Participatiewet is voldaan. In de overige gevallen beoordeelt het college op grond van artikel 4, eerste lid, van deze beleidsregels in welke vorm de bijzondere bijstand wordt verstrekt.
Artikel 18. Schoolkosten
-
1. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en het kindgebonden budget zijn voorliggende voorzieningen. Er wordt bijzondere bijstand toegekend als deze voorzieningen in het individuele geval niet toereikend zijn en sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
-
2. Van bijzondere omstandigheden is sprake bij 16- en 17-jarige leerlingen die middelbaar beroepsonderwijs volgen.
-
3. De noodzakelijke kosten worden individueel bepaald.
Artikel 19. De participatieregelingen
Het college van de gemeente Rijswijk verstrekt op aanvraag een pas, een tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten ter bevordering van de participatie. Kinderen met een actieve Ooievaarspas kunnen in aanmerking komen voor de regelingen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, en derde tot en met zesde lid.
-
1. De participatieregeling wordt verstrekt als op de aanvraagdatum:
- a.
het inkomen niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm;
- b.
er geen vermogen is als bedoeld in artikel 7 van deze beleidsregels;
- c.
artikel 6 van deze beleidsregels is niet van toepassing op dit artikel.
- a.
-
2. Onder een pas wordt verstaan:
- a.
een Ooievaarspas;
- b.
een Participas voor schoolspullen voor ouders met kinderen van 4 tot en met 17 jaar, ter waarde van:
- -
€ 50 voor kinderen in het basisonderwijs;
- -
€ 75 voor kinderen in het voortgezet onderwijs of mbo-bol;
- -
€ 250 voor kinderen in de brugklas.
- -
- a.
-
3. Regeling persoonlijke verzorgingsproducten: een pas voor persoonlijke verzorgingsproducten per schooljaar ter hoogte van:
- a.
€ 25 voor kinderen in het basisonderwijs;
- b.
€ 35 voor kinderen in groep 8 van het basisonderwijs;
- c.
€ 50 voor kinderen in het voortgezet onderwijs.
- d.
De ouder of verzorger van kinderen van 4 tot en met 17 jaar kan de pas aanvragen.
- e.
Toekenning vindt plaats zolang het beschikbare budget toereikend is.
- f.
Artikel 19, derde lid, geldt van 1 augustus 2026 tot 1 juli 2027.
- a.
-
4. Vergoeding voor een computer of ander digitaal apparaat voor onderwijs:
- a.
Aan kinderen in het basisonderwijs vanaf 8 jaar kan per huishouden maximaal 1 leencomputer of ander digitaal apparaat beschikbaar worden gesteld;
- b.
een eenmalige vergoeding van maximaal € 400 voor een computer, eens per 5 jaar, voor ieder schoolgaand kind in het voortgezet onderwijs dat op de aanvraagdatum ten hoogste 15 jaar oud is.
- a.
-
5. Een Participas voor sport- of winterkleding voor ouders met kinderen van 4 tot en met 17 jaar, ter waarde van € 75.
-
6. Een tegemoetkoming in de kosten van een schoolreis of werkweek voor kinderen van 4 tot en met 17 jaar. De tegemoetkoming bedraagt de werkelijke kosten tot ten hoogste € 100 per activiteit. Voor iedere activiteit in een schooljaar kan een tegemoetkoming worden verstrekt. De aanvrager overlegt bewijs van de kosten.
HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen
Artikel 20. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels als toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 21. Intrekking, inwerkingtreding en overgangsrecht
-
1. De Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022 worden ingetrokken.
-
2. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2027.
-
3. Op aanvragen die vóór 1 januari 2027 zijn ingediend en waarop op die datum nog niet is beslist, past het college de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022 toe voor zover die voor de belanghebbende gunstiger zijn.
Artikel 22. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2027.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk van 14 september 2026.
de secretaris,
P.M. Schuit
de burgemeester,
H. Sahin
Toelichting
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en voor de verstrekking van individuele bijzondere bijstand op grond van die wet. Bijzondere bijstand is geregeld in artikel 35 van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders stelt het bijzondere bijstandsbeleid vast en voert dit uit.
Het college heeft beleidsvrijheid bij de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende en de hiervoor geldende draagkrachtperiode.
Deze beleidsregels werken uit hoe het college zijn beleidsvrijheid gebruikt. Door bijzondere omstandigheden kan het inkomen in een individuele situatie ontoereikend zijn om de noodzakelijke kosten te voldoen. Als daarvoor ook geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening en de uitgaven naar het oordeel van het college niet uit de eigen middelen kunnen worden voldaan, kan bijzondere bijstand worden verstrekt.
De gemeente Rijswijk werkt in het hele sociaal domein vanuit dezelfde bedoeling. Het doel is dat inwoners de ondersteuning als één samenhangend geheel ervaren, met de menselijke maat als vertrekpunt. Deze lijn is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2026, waarin drie leidende principes zijn benoemd. Artikel 3a maakt deze principes ook voor de bijzondere bijstand en de participatieregelingen expliciet.
Voor de bijzondere bijstand betekenen deze principes het volgende:
- •
De inwoner staat centraal. Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand kijkt het college naar de bestaanszekerheid en de feitelijke situatie van de inwoner. Het college benut de beleidsruimte die de Participatiewet laat om tot een passende uitkomst te komen. Dit sluit aan bij het maatwerk en de evenredigheid uit artikel 3.
- •
Het college stimuleert de eigen kracht en geeft ondersteuning waar nodig. In dit domein betekent dit een toegankelijk vangnet zonder onnodige drempels. Het college wijst inwoners actief op de regelingen waarop zij recht hebben en gaat niet-gebruik tegen. De participatieregelingen in artikel 19 zijn hiervan de uitwerking.
- •
Het college werkt actief samen. Een inwoner met geldzorgen heeft vaak ook te maken met schulden, bewindvoering of een ondersteuningsvraag in een ander domein. Het college blijft betrokken totdat de vraag bij een andere partij of in een ander domein is belegd.
Artikel 1. Definities
Met uitzondering van het begrip bijstandsnorm worden in deze beleidsregels dezelfde begripsbepalingen gebruikt als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.
De kostendelersnorm is bedoeld om het schaalvoordeel van het kunnen delen van woonkosten in de bijstandsnorm te verwerken.
Voor het bepalen van de draagkracht bij een aanvraag om bijzondere bijstand moet de kostendelersnorm daarom buiten beschouwing worden gelaten en wordt bij de berekening uitgegaan van de alleenstaandennorm.
Een participatieregeling is een op artikel 108 van de Gemeentewet gebaseerde regeling ter bestrijding van armoede. Onder armoede valt in brede zin ook sociale uitsluiting, bijvoorbeeld wanneer inwoners niet kunnen deelnemen aan activiteiten. Met de participatieregelingen in deze beleidsregels neemt de gemeente Rijswijk haar verantwoordelijkheid om alle inwoners, in het bijzonder kinderen, te laten deelnemen aan de samenleving.
Artikel 2. Indienen van de aanvraag
Tot 1 januari 2026 was de hoofdregel dat (bijzondere) bijstand niet met terugwerkende kracht kon worden toegekend. Voor bijzondere bijstand voerde de gemeente Rijswijk buitenwettelijk beleid, waardoor bijzondere bijstand tot 3 maanden na het maken van de kosten kon worden aangevraagd. Sinds 1 januari 2026 geeft artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet het college de bevoegdheid om bijstand toe te kennen vanaf een dag die maximaal drie maanden vóór de melding ligt, als individuele omstandigheden daartoe noodzaken. Het college gebruikt deze bevoegdheid wanneer individuele omstandigheden daarom vragen. In de overige gevallen zet het college voor de bijzondere bijstand het bestaande buitenwettelijke begunstigende beleid voort, zodat een aanvraag altijd binnen drie maanden nadat de kosten zich voordoen kan worden ingediend. Het college past deze lijn consequent toe.
In deze beleidsregels is niet de factuurdatum, maar het moment waarop de kosten zich voordoen bepalend. Zowel incidentele als periodieke kosten kunnen daardoor met 3 maanden terugwerkende kracht worden toegekend.
De belanghebbende onderbouwt de aanvraag met het door het college vastgestelde aanvraagformulier en de daarbij behorende bewijsstukken. Als bewijsstukken ontbreken, krijgt de belanghebbende een hersteltermijn om deze alsnog in te dienen.
Artikel 3. Maatwerk en evenredigheid
Bij een aanvraag om bijzondere bijstand beantwoordt het college altijd de volgende vier vragen in een vaste volgorde. Daarmee stelt het college het recht op bijzondere bijstand vast. Bij een negatief antwoord wijst het college de aanvraag af. Is het antwoord positief, dan onderzoekt het college de volgende vraag.
De volgorde is als volgt:
- 1.
Doen de kosten zich voor?
- 2.
Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?
- 3.
Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?
- 4.
Kunnen de kosten niet worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm?
Wanneer een aanvraag op grond van artikel 35 van de Participatiewet wordt afgewezen, beoordeelt het college ook of het besluit de belanghebbende onevenredig nadelig zou treffen. Bij onevenredige gevolgen kan het college van de standaardbeleidslijn afwijken.
Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer iemand in een noodsituatie kosten heeft gemaakt en daardoor in de schulden is geraakt.
Deze beleidsregels zijn niet uitputtend.
Bijzondere bijstand voor andere kostensoorten is ook mogelijk, mits de vragen 1 tot en met 4 positief kunnen worden beantwoord.
De algemene voorwaarden voor het recht op bijstand blijven onverkort van toepassing. Om recht te kunnen hebben op bijzondere bijstand, moet de belanghebbende aan deze voorwaarden voldoen.
De algemene voorwaarden staan in de artikelen 11 tot en met 16 van de Participatiewet. Als het recht op algemene bijstand niet kan worden beoordeeld, bijvoorbeeld doordat een belanghebbende onvoldoende informatie verstrekt, kan ook het recht op bijzondere bijstand niet worden beoordeeld.
Artikel 4. Vorm van de bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand wordt in principe om niet verstrekt.
De Participatiewet kent echter ook andere vormen van bijstandsverlening, zoals een geldlening.
Enkele artikelen in deze beleidsregels bepalen dat het college beoordeelt of de bijzondere bijstand in de vorm van een lening kan worden verstrekt.
Het gaat hier om:
- •
artikel 8, over de kosten van woninginrichting;
- •
artikel 10, over de doorbetaling van de noodzakelijke kosten van het aanhouden van een woning bij detentie;
- •
artikel 11, over schulden.
Bij deze beoordeling betrekt het college de individuele omstandigheden. Daarbij kan het college meewegen of de kosten zijn ontstaan door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid of buiten de schuld van de belanghebbende.
Als bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen (artikel 51, tweede lid, van de Participatiewet).
In artikel 4 van deze beleidsregels is daarom bepaald dat de aflossing maximaal 60 maanden duurt, waarbij de aflossing 5% van de bijstandsnorm en 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm bedraagt, met inachtneming van de beslagvrije voet.
Hierbij moet in acht worden genomen dat preferente schulden voorgaan op concurrente schulden. De aflossing van een schuld aan de gemeente gaat daarmee voor op een concurrente schuld bij een commerciële schuldeiser. Kwijtschelding is niet aan de orde als de lening inmiddels is teruggevorderd. Als bijzondere bijstand wordt toegekend in verband met de vestiging van of onder verband van een krediethypotheek, gelden deze beleidsregels niet. Voor die situaties gelden de beleidsregels over de krediethypotheek.
Artikel 5. Vaststellen draagkracht en draagkrachtperiode
Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag besteedbaar inkomen, dus ook voor wie geen bijstandsuitkering ontvangt.
De draagkracht van de belanghebbende is bepalend. Het inkomen wordt vergeleken met de toepasselijke bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm buiten beschouwing blijft. De uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan.
De middelen, bedoeld in de artikelen 31 tot en met 34 van de Participatiewet, worden bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking genomen.
De individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag worden niet tot de draagkracht gerekend.
Het draagkrachtjaar begint op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan en wordt in principe eenmaal vastgesteld voor 12 maanden. Op verzoek van de belanghebbende kan de draagkracht voor de resterende periode worden gewijzigd bij een ingrijpende wijziging in de individuele omstandigheden. Een inkomenswijziging van meer dan 20%, berekend over het gehele draagkrachtjaar, geldt in ieder geval als een bijzondere omstandigheid. Ook het uit elkaar gaan van partners, waardoor een andere bijstandsnorm gaat gelden, kan een ingrijpende omstandigheid zijn.
Bijstandsgerechtigden hebben geen draagkracht.
De toekennings- of afwijzingsbeschikking vermeldt de begin- en einddatum van het draagkrachtjaar en de hoogte van de draagkracht. Bij periodieke bijzondere kosten wordt de draagkracht op jaarbasis berekend en maandelijks in mindering gebracht. De jaardraagkracht voor incidentele kosten wordt daarentegen, voor zover mogelijk, volledig verrekend. Bij aanvragen waarbij zowel incidentele als periodieke kosten worden toegekend, wordt de draagkracht eerst met de incidentele kosten verrekend.
Artikel 6. Draagkracht inkomen
Bij het verstrekken van bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de belanghebbende. Het college bepaalt welk deel van het inkomen boven de bijstandsnorm bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen (artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet).
Uitgangspunt is dat bij een inkomen vanaf 110% van de toepasselijke bijstandsnorm 35% wordt aangewend voor de betaling van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
Is het inkomen meer dan 130% van de geldende bijstandsnorm, dan wordt 50% van de draagkrachtruimte als draagkracht aangemerkt. Voor zover de genoemde kosten niet voldaan kunnen worden uit de aanwezige draagkracht, bestaat aanspraak op bijzondere bijstand.
Wanneer het inkomen uitsluitend uit een AOW-uitkering bestaat, wordt dit inkomen geacht niet boven 110% van de uitkeringsnorm uit te komen. Er is dan geen draagkracht uit inkomen. Dit geldt niet als de AOW-gerechtigde in een instelling verblijft.
Bij volledig beslag op het inkomen of een minnelijke of wettelijke schuldregeling wordt de belanghebbende geacht geen inkomen boven 110% van de bijstandsnorm te hebben.
Volgens vaste rechtspraak zijn er kostensoorten die uit een inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Dit inkomen wordt toereikend geacht om voor de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen reserveren, dan wel deze via gespreide betaling achteraf te kunnen voldoen. Mocht er wegens bijzondere omstandigheden toch bijzondere bijstand verstrekt worden voor deze algemeen noodzakelijke kosten, dan wordt rekening gehouden met een draagkracht van 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm. Hoewel de beleidsregels verwijzen naar hoofdstuk 2 vallen vergelijkbare kostensoorten, zoals het babypakket, ook onder deze regel.
Het kan voorkomen dat een belanghebbende tijdens één draagkrachtperiode bijzondere bijstand aanvraagt voor kosten als bedoeld in hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 3. In dat geval gelden twee verschillende draagkrachtpercentages.
Het achtste lid regelt deze samenloop. Gedurende de hele periode hanteert het college het percentage dat voor de belanghebbende het gunstigst is. Als de aanvragen na elkaar zijn ingediend, wordt het percentage niet meer gewijzigd. Het eerste vastgestelde percentage geldt dan.
In bijzondere gevallen wordt de draagkracht uit inkomen afwijkend vastgesteld. Daarvan kan sprake zijn als het feitelijk besteedbare inkomen zo laag is dat het redelijk is met deze kosten rekening te houden. Het moet daarbij gaan om kosten met een verplichtend karakter.
Artikel 7. Draagkracht vermogen
Artikel 34, tweede en derde lid, van de Participatiewet geldt uitdrukkelijk voor algemene bijstand. Gemeenten hebben de beleidsvrijheid om deze bepalingen bij het vaststellen van de draagkracht buiten toepassing te laten. Rijswijk maakt van deze ruimte gebruik. Als sprake is van draagkracht uit vermogen, moet dit vermogen worden aangewend voor de noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd.
Door de wijzigingen in de vermogensbepalingen per 1 januari 2026 moet bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand worden vastgesteld of direct beschikbaar vermogen aanwezig is. Rijswijk houdt bij de draagkracht uit vermogen alleen rekening met het direct beschikbare saldo op de betaal- en spaarrekeningen. De draagkracht uit vermogen bedraagt 100% van het beschikbare vermogen na aftrek van 1,5 keer de bijstandsnorm.
Dit betekent dat het vrij te laten vermogen niet wordt toegepast. Als een (gezamenlijk) saldo hoger is dan 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm, wordt ervan uitgegaan dat dit positieve saldo eerst wordt ingezet om de noodzakelijke kosten te betalen.
Andere vermogensbestanddelen, zoals een eigen auto of woning, blijven buiten beschouwing. De verkoop van een auto is vaak niet wenselijk. Ook staat de verkoop van een woning of het te gelde maken van de overwaarde vaak niet in verhouding tot de kosten die via bijzondere bijstand worden vergoed. Bovendien staat de wet slechts beperkt toe dat een bewoonde woning te gelde wordt gemaakt. Toch zijn situaties denkbaar waarin het in strijd is met de uitgangspunten van de Participatiewet om een eigen woning of auto buiten beschouwing te laten.
Artikel 8. Inrichtingskosten
Inrichtingskosten (duurzame gebruiksgoederen) worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen dan ook in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Bijzondere bijstand kan alleen aan de orde zijn als de kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
In de bijstandsnorm is ruimte aanwezig voor reservering voor duurzame gebruiksgoederen.
In de vorige versie van de beleidsregels was een reserveringscapaciteit opgenomen. Deze versie laat de beoordeling van de reserveringscapaciteit aan de consulent over. De consulent bepaalt per situatie of de belanghebbende binnen het inkomen ruimte heeft om voor deze kosten te reserveren.
Als een belanghebbende bijvoorbeeld al jaren voor een woning staat ingeschreven omdat hij wil verhuizen, is de verhuizing voorzienbaar. In dat geval is geen sprake van een bijzondere omstandigheid en wordt de belanghebbende geacht voor deze kosten te reserveren.
Bij de beoordeling of bijzondere bijstand kan worden verleend, wordt de belanghebbende geacht de individuele inkomenstoeslag te gebruiken voor de vervanging van een duurzaam gebruiksgoed.
Als door bijzondere omstandigheden niet of niet volledig kon worden gereserveerd, bestaat alleen recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten. Deze zijn in Rijswijk vastgesteld op 50% van de Nibud-prijzengids. Voor de aanschaf of vervanging van een koelkast (koelvriescombinatie), wasmachine en matras geldt 100% van de Nibud-prijzengids. Deze uitzondering is gemaakt met het oog op hygiëne en duurzaamheid.
Als de belanghebbende onvoorzien en buiten zijn schuld geen eigen woning meer heeft en de bijbehorende inrichting is kwijtgeraakt, is sprake van een bijzondere situatie. Voorbeelden zijn inwoners die zijn gevlucht voor huiselijk geweld of voor een oorlogssituatie in hun land van herkomst.
Zij kunnen in aanmerking komen voor een volledige woninginrichting op basis van 50% van de Nibud-prijzengids. Per situatie wordt beoordeeld of de kosten van een volledige woninginrichting noodzakelijk zijn. Voor kamerbewoners kan bijvoorbeeld met lagere bedragen worden volstaan. In specifieke situaties, zoals verhuizingen naar de studio’s in het project NOVUM aan de Borderwijkstraat, kunnen interne richtlijnen vaste, lagere bedragen voorschrijven als die bedragen in de betreffende situatie gerechtvaardigd zijn. Ook wordt per situatie beoordeeld of een huisbezoek nodig is.
Artikel 9. Woonkosten
Als iemand de woonkosten niet kan betalen doordat de huur hoger is dan de maximale huurtoeslag, beoordeelt het college of woonkostentoeslag mogelijk is. Voor een koopwoning bestaat geen recht op huurtoeslag.
De woonkostentoeslag wordt voor een periode van 12 maanden toegekend. Daarbij wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag.
De periode waarover woonkostentoeslag is toegekend, kan worden verlengd als de belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt en hem dit niet kan worden verweten. Het college bepaalt de duur van de verlenging per geval. Daarbij moet de belanghebbende een voorrangsverklaring aanvragen en actief reageren op het aanbod in de woonkrant. Een koopwoning moet te koop worden gezet. Of een voorrangsverklaring wordt afgegeven, is niet van invloed op de verlenging van de woonkostentoeslag. De overwaarde van de koopwoning kan bijvoorbeeld een reden zijn om de verklaring te weigeren.
Woonkosten die verband houden met een koopwoning zijn rente, zakelijke lasten en onderhoudskosten. Het gaat daarbij meestal om hypotheekrente. De jaarlijks te ontvangen rijkssubsidie die betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente wordt hierop in mindering gebracht. Hypotheekrente voor andere leningen dan de lening voor de woning, bijvoorbeeld voor een auto of caravan, mag niet worden meegeteld. De aflossing van de hypotheek telt niet mee. Dit geldt ook voor de premies van zogenoemde spaarhypotheken. De eigenaar wordt verplicht bij de Belastingdienst vooraftrek aan te vragen. Deze vooraftrek wordt in mindering gebracht. Zakelijke lasten die verband houden met het eigendom zijn bijvoorbeeld rioolrechten, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten, erfpachtcanon, premies voor verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen), het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting en beheers- en administratiekosten van een vereniging van eigenaren. Alleen kosten van groot onderhoud komen in aanmerking voor woonkostentoeslag. Dit zijn de onderhoudskosten die bij een huurwoning voor rekening van de verhuurder komen, zoals buitenschilderwerk. Kosten van klein onderhoud moeten uit de bijstandsnorm of een daarmee vergelijkbaar inkomen worden voldaan. Voor ingrijpende reparaties kan afzonderlijk bijstand worden verleend.
De verhuisplicht houdt in dat de belanghebbende zich naar vermogen inspant om goedkopere, passende woonruimte te vinden of passende woonruimte te aanvaarden. Van de verhuisplicht kan worden afgezien als de verkoop van de koopwoning of het verlaten van de huurwoning de belanghebbende onevenredig benadeelt. Het college moet dit zorgvuldig beoordelen. Van onevenredige benadeling kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een aangepaste woning of een zeer groot financieel verlies. De verhuisplicht geldt niet voor een zelfstandige die een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en aanvullende bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag ontvangt.
Artikel 10. Kosten aanhouden woning
Bij opname in een inrichting worden de vaste lasten die voortvloeien uit het aanhouden van de woning via bijzondere bijstand vergoed. Het gaat om woonlasten (de huur inclusief servicekosten) en de vaste leveringskosten (vastrecht) voor gas, water en elektriciteit. De energieleverancier brengt deze kosten per maand, kwartaal of jaar in rekening. Deze vaste leveringskosten staan los van het werkelijke energieverbruik. Het voorschot op de werkelijke leveringskosten kan worden teruggevraagd of de belanghebbende kan de energieleverancier om afsluiting verzoeken. In een individueel geval kunnen de werkelijke leveringskosten worden vergoed, bijvoorbeeld als de belanghebbende niet direct in staat is de aansluiting te laten beëindigen.
Omdat het verblijf in een inrichting doorgaans buiten de schuld van de belanghebbende plaatsvindt, wordt de bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de vaste lasten om niet verstrekt.
De bepalingen over de doorbetaling van vaste lasten bij detentie vormen buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij detentie wordt onderzocht of de belanghebbende de straf in de weekenden of op een andere manier kan ondergaan. Een korte detentie van minder dan één maand is geen aanleiding om bijstand te verlenen. De belanghebbende wordt geacht dit zelf te kunnen opvangen. Ook is er geen aanleiding om bijstand te verlenen als de belanghebbende ervoor kiest in plaats van een boete de straf uit te zitten.
In beginsel bestaat geen aanleiding om bijstand te verlenen als vooraf vaststaat dat de detentie langer dan 6 maanden duurt. Soms is de detentieduur vooraf moeilijk in te schatten, bijvoorbeeld bij inbewaringneming en gevangenhouding. Dan kan voor maximaal 3 maanden bijstand worden verleend. Na 3 maanden, of eerder, wordt beoordeeld of de bijstandsverlening opnieuw voor maximaal 3 maanden wordt voortgezet.
Bij de beoordeling van de detentieduur wordt geen rekening gehouden met mogelijke strafvermindering wegens goed gedrag of met beroepsprocedures om een mildere straf te verkrijgen. De doorbetaling van vaste lasten tijdens detentie wordt verstrekt als een renteloze lening, omdat detentie in principe wordt aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Artikel 11. Schulden
De hoofdregel is dat geen bijstand wordt verleend voor de gedeeltelijke of volledige aflossing van schulden. Aflossingen op schulden kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als noodzakelijke bestaanskosten. De overheid geeft via de Participatiewet iedere burger immers de zekerheid van toereikende middelen om in het noodzakelijke te voorzien. Daarmee ontbreekt de noodzaak om uitsluitend voor noodzakelijke bestaanskosten schulden te maken (artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).
In afwijking van de hoofdregel dat bijstandsverlening voor schulden niet mogelijk is, kan het college bijzondere bijstand verlenen als daartoe zeer dringende redenen bestaan (artikel 49, onderdeel b, van de Participatiewet).
Van zeer dringende redenen is sprake als de behoeftige omstandigheden van de belanghebbende niet op een andere manier kunnen worden verholpen en bijstandsverlening onvermijdelijk is. Bijzondere bijstand ter voorkoming van een uithuiszetting geldt op grond van vaste rechtspraak echter niet als een dringende reden. Daarom bevatten deze beleidsregels buitenwettelijk begunstigende bepalingen. De opsomming is limitatief en ziet op de meest kwetsbare inwoners van Rijswijk, voor wie geen andere oplossing mogelijk is dan bijstandsverlening ter voorkoming van uithuiszetting. Als een reële regeling met de deurwaarder kan worden getroffen, is bijzondere bijstand niet aan de orde. Dit geldt ook als de belanghebbende en het eventuele gezin opvang kunnen krijgen bij het Centraal Coördinatiepunt Den Haag (CCP). Van een reële regeling is sprake als de beslagvrije voet wordt gerespecteerd. Om dit te beoordelen is overleg met het Financieel Service Punt (FSP) noodzakelijk.
Artikel 12. Uitvaartkosten
Als een overledene niet in de kosten van de eigen uitvaart heeft voorzien door te sparen of een uitvaartverzekering af te sluiten, zijn de erfgenamen in principe verantwoordelijk voor deze kosten.
Als er geen erfgenamen of andere nabestaanden zijn, voorziet de gemeente op grond van de Wet op de lijkbezorging in deze kosten.
Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand voor de uitvaartkosten wanneer de eigen middelen van de overledene, de verzekeringsgelden en eventuele nalatenschap van de overledene zijn aangewend maar ontoereikend zijn voor de kosten van de uitvaart.
Als er meerdere erfgenamen zijn, is alleen bijzondere bijstand mogelijk voor het aandeel dat de belanghebbende overeenkomstig het erfrecht moet betalen. Is onduidelijk of de belanghebbende erfgenaam is, dan moet de belanghebbende een verklaring van erfrecht overleggen.
De bijzondere bijstand bedraagt voor de hele uitvaart ten hoogste € 5.000, naar rato verdeeld over de erfgenamen. Zijn de uitvaartkosten hoger, dan komt het meerdere voor rekening van de erfgenamen. De bijzondere bijstand wordt in principe om niet verstrekt.
Er is geen bijzondere bijstand mogelijk:
- -
voor de kosten van een begrafenis of crematie in het buitenland;
- -
aan erfgenamen die woonachtig zijn buiten de gemeente;
- -
voor extra kosten die voortvloeien uit een specifieke culturele of religieuze achtergrond.
In uitzonderlijke gevallen kan ook bijzondere bijstand worden verstrekt als een niet-erfgenaam de uitvaartkosten moet voldoen omdat deze als opdrachtgever is opgetreden. De beoordeling vindt plaats op grond van artikel 3 van deze beleidsregels.
Daarbij wordt beoordeeld of de bijzondere bijstand om niet of als renteloze lening wordt verstrekt.
Artikel 13. Medische kosten
De Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke medische en paramedische kostensoorten. Beide regelingen gelden samen als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de Participatiewet. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet). Als binnen de voorliggende regeling bewust is besloten over de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie, sluit de Participatiewet bij die keuze aan. Bijstandsverlening is wel mogelijk als sprake is van dringende redenen (artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet). Daarvan is sprake als het niet verlenen van bijstand onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen heeft. Deze beleidsregels bepalen als buitenwettelijk begunstigend beleid wanneer sprake is van dringende redenen. De beoordeling vindt individueel plaats.
Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet, weegt het college mee of het niet verlenen van bijstand ernstige gevolgen heeft voor de belanghebbende, met name voor zijn gezondheid.
Er is in ieder geval sprake van dringende redenen als de belanghebbende zich om financiële redenen niet kan verzekeren en de Regeling uitstroom bijstandsgerechtigden in het individuele geval nog niet is toegepast, zonder dat dit de belanghebbende kan worden verweten. Op grond van deze regeling kunnen gemeenten bijstandsgerechtigden in samenwerking met zorgverzekeraars laten uitstromen uit de wanbetalersregeling, de zogenoemde RUB-aanpak. De regeling kan gelden voor bijstandsgerechtigden die minimaal 12 maanden aaneengesloten een bijstandsuitkering hebben ontvangen. Op de uitkering worden de premie, het eigen risico en een bedrag voor de aflossing van de schuld ingehouden. Ook neemt de bijstandsgerechtigde deel aan de collectieve zorgverzekering van de gemeente. De aflossing stopt na 36 maanden of eerder als de schuld volledig is afgelost.
Artikel 14. Gemeentepolis
De belanghebbende kan kiezen uit een gemeentepolis bij een gecontracteerde zorgverzekeraar. Een gemeentepolis is een zorgverzekering waarbij de gemeente een gedeelte van de zorgpremie betaalt. De gemeentepolis is toegankelijk voor alle inwoners uit Rijswijk met een inkomen tot maximaal 130% van de geldende bijstandsnorm. Via Gezondverzekerd vraagt de belanghebbende de gemeentepolis aan. Op basis van de aangeleverde stukken beoordeelt de gemeente of de belanghebbende mogelijk in aanmerking komt voor de gemeentepolis. Vervolgens verstuurt de gemeente de aanvraag door naar de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar neemt hierover uiteindelijk de definitieve beslissing. Op www.gezondverzekerd.nl staan de vergoedingslijsten.
Artikel 15. Kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele
Kosten van de bewindvoerder die voortkomen uit beschermingsbewind (curatele of bewindvoering), komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als de rechter een beschikking heeft afgegeven, de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht en de kosten daadwerkelijk worden gemaakt.
De hoogte van de noodzakelijke kosten wordt in principe berekend aan de hand van de tarieven in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, die de kantonrechter in zijn beschikking toepast. Rijswijk maakt een uitzondering voor de kosten van bewindvoering of curatorschap bij problematische schulden. Uitgangspunt is dat een bewindvoerder of curator de schuldensituatie binnen één tot twee jaar stabiliseert door betalingsafspraken met schuldeisers te maken of een minnelijk traject of schuldhulpverleningstraject in te zetten.
Bij een minnelijke regeling of een schuldhulpverleningstraject mag de bewindvoerder het hoge tarief tot het einde van de regeling of het traject in rekening brengen. Eén jaar na de toekenning van het hoge tarief beoordeelt het college of dit tarief nog noodzakelijk is. Als de schulden dan nog niet zijn gestabiliseerd, moet de bewindvoerder of curator aantonen dat de extra werkzaamheden onvermijdelijk waren en dat het uitblijven van stabilisatie buiten zijn schuld en die van de belanghebbende ligt. Zonder dit bewijs wordt alleen het standaardtarief voor curatorschap of bewindvoering als noodzakelijke kosten aangemerkt. Het verschil tussen dit standaardtarief en het tarief voor problematische schulden wordt dan afgewezen.
Als een bewindvoerder extra kosten bij de belanghebbende in rekening wil brengen, moet de rechter daarvoor een aanvullende beschikking afgeven. Kosten die naar het oordeel van het college onder de vergoeding voor bewindvoering vallen of niet noodzakelijk zijn, worden afgewezen. De maandelijkse (extra) bankkosten worden geacht onder de standaardvergoeding voor bewindvoering of curatorschap te vallen.
Artikel 16. Reiskosten
Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Hieronder vallen ook incidentele bezoeken aan een ziekenhuis, tandarts, psycholoog of psychiater. Door individuele bijzondere omstandigheden kan tijdelijk extra behoefte bestaan aan vervoer buiten Rijswijk. Daarvoor kan in een individuele situatie bijzondere bijstand worden toegekend. Voorbeelden zijn familiebezoek bij verblijf in een instelling of detentie en het bezoek van een mantelzorger aan de zorgvrager. Hoe vaak de belanghebbende een bezoek aflegt, wordt op basis van maatwerk bepaald.
De bijzondere bijstand voor reiskosten wordt in principe berekend aan de hand van de kosten van het openbaar vervoer. Bijstand is in principe alleen mogelijk als de reisafstand meer dan 15 kilometer bedraagt of de belanghebbende om medische redenen geen fiets kan gebruiken.
Binnen de gemeente Rijswijk wordt geen schakelonderwijs aangeboden. Daarom kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor het vervoer naar schakelonderwijs buiten de gemeente. In plaats van een vergoeding van de reiskosten wordt bijzondere bijstand van € 200 voor een fiets toegekend. Dit bedrag komt overeen met 50% van het door het Nibud gehanteerde bedrag en met de kosten van een tweedehandsfiets. Uitgangspunt is dat leerlingen in het schakelonderwijs kunnen fietsen. Als onderdeel van hun integratie worden gratis fietslessen aangeboden. Bij de toekenning van bijzondere bijstand voor een fiets wordt daarom vastgesteld of de belanghebbende kan fietsen. Als dat niet het geval is, kan in het individuele geval worden besloten fietslessen aan te bieden.
Artikel 17. Administratieve en overige kosten
Een ex-ondernemer is een belanghebbende die zijn onderneming heeft gestaakt en is uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel. Schulden kunnen niet worden geregeld als de ex-ondernemer de boekhouding niet op orde heeft. Vaak ontbreekt de financiële ruimte om de boekhouder te betalen, waardoor de ex-ondernemer geen schuldhulpverleningstraject kan volgen. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand in de vorm van een lening worden verstrekt.
Ook bij een verhuizing kunnen administratieve kosten ontstaan. Verhuiskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor deze kosten kan soms een beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning of een vergoeding van de werkgever.
Wanneer bijzondere bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, wordt deze als renteloze lening verstrekt als een van de voorwaarden van artikel 48, tweede lid, van de Participatiewet van toepassing is. Bij een waarborgsom is dat altijd het geval. Voor de andere kosten in het tweede lid, zoals de kosten van een boekhouder, taxatiekosten en de kosten van een voorrangsverklaring, transport, eerste huur en dubbele huurlasten, beoordeelt het college per geval of een van de voorwaarden van toepassing is, bijvoorbeeld omdat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken of omdat de kosten voortkomen uit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Is dat niet zo, dan wordt de bijzondere bijstand om niet verstrekt. Bij de kosten van de eerste huur wordt ook rekening gehouden met de Wet op de huurtoeslag als gedeeltelijk toereikende voorliggende voorziening.
Artikel 18. Schoolkosten
De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) geeft voor leerlingen tot 18 jaar geen tegemoetkoming in de schoolkosten meer. Ouders worden hiervoor gecompenseerd via het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget is een algemene inkomensvoorziening en is niet afgestemd op de werkelijke schoolkosten van een individuele leerling. Voor mbo-studenten van 16 en 17 jaar kan de onderwijsinstelling daarnaast een bijdrage geven uit het mbo-studentenfonds. Deze voorzieningen worden eerst benut. Bijzondere bijstand voor schoolkosten, zoals boeken, een laptop, licenties, werkkleding, werkschoenen en gereedschap, kan worden toegekend voor zover de school deze kosten verplicht heeft gesteld en de voorliggende voorzieningen deze in het individuele geval niet dekken.
Artikel 19. De participatieregelingen
Inwoners van Rijswijk kunnen in aanmerking komen voor een gratis Ooievaarspas. Deze pas geeft kortingen op het gebied van cultuur, ontspanning, sport, scouting en recreatie. De Ooievaarspas is beschikbaar voor inwoners met een inkomen tot 130% van de geldende bijstandsnorm. Ook studenten die een opleiding volgen in Den Haag, Rijswijk of Leidschendam-Voorburg en aan deze voorwaarden voldoen, kunnen een Ooievaarspas aanvragen.
Inwoners van Rijswijk kunnen ook in aanmerking komen voor een schoolspullenpas. Deze pas geeft een vergoeding voor schoolspullen en is beschikbaar voor inwoners met een inkomen tot 130% van de geldende bijstandsnorm. Kinderen van 4 tot en met 17 jaar kunnen op grond van het zesde lid in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een schoolreis of werkweek. De tegemoetkoming dekt de werkelijke kosten tot ten hoogste € 100 per activiteit. Zijn de kosten hoger, dan komt het resterende bedrag voor rekening van de ouders. Een school kan per schooljaar meerdere activiteiten organiseren. Voor iedere activiteit kan een tegemoetkoming worden verstrekt. Het gaat dus niet om een eenmalige tegemoetkoming. De aanvrager overlegt bewijs van de kosten, bijvoorbeeld een brief van de school waarin de kosten staan of een factuur.
Kinderen in het basisonderwijs vanaf 8 jaar kunnen in aanmerking komen voor een leencomputer, met een maximum van 1 per huishouden. In het voortgezet onderwijs kunnen kinderen tot en met 15 jaar in aanmerking komen voor een complete computer, laptop of tablet, eventueel met randapparatuur zoals een printer. De vergoeding bedraagt maximaal € 400 per 5 jaar. Hiervoor moet de aanvrager een pro-formanota overleggen. Ook kan worden aangesloten bij de computerregeling van de school.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl