Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766549
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766549/1
Beleidsregels handhaving Wet Kinderopvang Gemeente De Ronde Venen 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 17-09-2026
Intitulé
Beleidsregels handhaving Wet Kinderopvang Gemeente De Ronde Venen 2026Burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen;
Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;
Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;
Overwegende dat:
kwalitatief goede kinderopvang bijdraagt aan een goede start voor kinderen in de maatschappij en bijdraagt aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociale emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving.
Dit volgt ook uit één van de doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang, namelijk:
het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten;
besluiten:
vast te stellen de volgende beleidsregels:
Beleidsregels handhaving Wet Kinderopvang Gemeente De Ronde Venen 2026.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Toepassing
-
1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op de gemeentelijke inzet om:
- –
toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;
- –
aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen;
- –
te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving.
- –
Artikel 2 Definities
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
|
a. |
Afwegingsmodel |
In het afwegingsmodel is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) de gemeente doorgaans oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties. Het afwegingsmodel is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd; |
|
b. |
Awb |
Algemene wet bestuursrecht; |
|
c. |
Boetebedrag |
Bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld per overtreding in het bijgevoegde afwegingsmodel; |
|
d. |
College |
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen; |
|
e. |
GGD |
Gemeentelijke Gezondheidsdienst |
|
f. |
Houder |
De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen; |
|
g. |
Inspectieonderzoek |
Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet Kinderopvang; |
|
h. |
Kindercentrum |
Kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang; |
|
i. |
LRK |
Landelijk Register kinderopvang; |
|
j. |
Ouderparticipatiecrèche |
Kinderopvangvorm waarbij ouders niet alleen hun kind laten opvangen, maar zelf actief meehelpen in de opvang. |
|
k. |
Toezichthouder |
De aangewezen toezichthouder van de GGD-regio Utrecht. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport; |
|
l. |
Wko |
Wet kinderopvang. |
Artikel 3 Wettelijk kader
Om de kwaliteit in de kinderopvang te waarborgen heeft de rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wko. Daarnaast zijn deze kwaliteitseisen verder uitgewerkt in nadere regelgeving:
- •
Besluit kwaliteit kinderopvang;
- •
Regeling Wet kinderopvang;
- •
Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;
- •
Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang;
- •
Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;
- •
Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.
De Wko bepaalt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor toezicht op en handhaving van deze eisen. De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. Het college is in beginsel verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding van de kwaliteitseisen vaststelt.
De Inspectie van het Onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of de gemeente haar wettelijke taken met betrekking tot de registervoering en de uitvoering van het toezicht, goed uitvoert.
In deze beleidsregels gaat het over kinderopvang bij:
- –
kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie;
- –
buitenschoolse opvang;
- –
Gastouderopvang via gastouderbureau.
Artikel 4 Handhaving
-
1. Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven. Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is om de kwaliteit van de opvang zo snel mogelijk te herstellen.
Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Er kan altijd bestraffend gehandhaafd worden als het college dit nodig vindt.
-
2. Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft het college de volgende mogelijkheden:
- a.
een informeel middel zoals een waarschuwing;
- b.
een op herstel gericht handhavingsmiddel zoals een herstelsanctie; en
- c.
een bestraffende sanctie.
- a.
-
3. Het college hanteert het bijgevoegde Afwegingsmodel bij het uitvoeren van handhavingsacties. Het Afwegingsmodel maakt integraal deel uit van deze beleidsregels.
-
4. Het college kan gelijktijdig een herstelmaatregel en een bestuurlijke boete opleggen voor dezelfde overtreding.
-
5. Als een overtreding niet in de beleidsregels opgenomen is, zoekt het college aansluiting bij vergelijkbare overtredingen in de beleidsregels.
Hoofdstuk 2 Starten en wijzigen kinderopvangvoorziening
Artikel 5 Toestemming
-
1. Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een besluit. Daarin staat ook de datum waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie. De aanvraag kan worden ingediend via een digitaal aanvraagformulier op de website van de gemeente De Ronde Venen.
-
2. Een kinderopvangvoorziening moet vanaf registratie voldoen aan alle kwaliteitseisen en verantwoorde opvang aanbieden.
-
3. Het college geeft alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden.
-
4. Binnen drie maanden na registratie beoordeelt de toezichthouder of de voorziening in de praktijk ook aan de kwaliteitseisen voldoet.
-
5. Handhaving bij een andere voorziening van de houder kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld.
-
6. Het college kijkt, in afstemming met andere betrokken afdelingen, naast de beoordeling op de eisen vanuit de Wet kinderopvang bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Zoals het voldoen aan alle relevante eisen met betrekking tot bouw, brandveiligheid en bestemmingen. Relevante stukken moeten aanwezig en in orde zijn.
-
7. Een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening moet tijdig worden gedaan, want het college heeft 10 weken de tijd om een beslissing op een aanvraag te nemen. Deze termijn kan worden verlengd volgens de bepalingen in de Awb. In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet vóór de datum van de bekendmaking van de beschikking.
-
8. Als er toestemming is gegeven, registreert het college de voorziening in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK).
-
9. Bij het indienen van een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening, worden leges in rekening gebracht.
-
10. Wanneer een nieuwe voorziening in het LRK aangemerkt wil worden als VVE-locatie dient er een subsidierelatie met de gemeente te zijn.
-
11. Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan het college een herhaalde aanvraag afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, als de houder geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.
Artikel 6 Niet gemelde kinderopvang
Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding.
Het college treedt hiertegen dan ook streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder kan een bestuurlijke boete krijgen. Ook kan de gemeente aangifte doen bij het Openbaar Ministerie op grond van artikel 1 van de Wet Economische Delicten.
Artikel 7 Wijzingen registratiegegevens LRK
-
1. Na het verkrijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Het is van belang elke wijziging direct door te geven aan het college. Het college kan een boete opleggen als een doorgevoerde wijziging niet of te laat is doorgegeven.
Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om:
- –
de toekenning van een KvK-vestigingsnummer;
- –
het (correspondentie)adres; bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon;
- –
de beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening.
- –
-
2. Wijziging houder of rechtsvorm
- –
Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming vragen. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt, ook dit is een houderwijziging. Ook als de bestuurder hetzelfde blijft.
- –
Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder.
- –
Bij een overname worden leges in rekening gebracht, omdat de overname wordt behandeld als een nieuwe aanvraag, met bijbehorend onderzoek.
- –
-
3. Wijziging aantal kindplaatsen
- –
Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein accommodatie en groepen.
- –
Wanneer dit aantal later wijzigt is het van belang dat de houder dit als wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen.
- –
-
4. Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie.
- –
Als een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.
- –
-
5. Verhuizing
- –
Bij een verhuizing van een kinderopvangvoorziening dient in beginsel een nieuwe aanvraag gedaan te worden. Bij de gemeente moet worden ingediend:
- o
Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.
- o
Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).
- o
- –
Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven.
- –
Een interne verhuizing naar een andere ruimte op hetzelfde adres moet schriftelijk of via e-mail (kinderopvang@derondevenen.nl) bij de gemeente worden gedaan.
- –
Artikel 8 Wijzigingsformulier
-
1. Wijzigingen moeten worden ingediend met een digitaal wijzigingsformulier op de website van de gemeente.
-
2. De houder moet het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum bij de gemeente indienen.
-
3. Voor een houderwijziging en wijziging rechtsvorm geldt een termijn van 10 weken.
-
4. Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd. Voor sommige wijzigingen (zoal het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres) wordt geen besluit genomen.
-
5. Het college informeert de houder als de wijziging is opgenomen in het LRK.
-
6. Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau geeft wijzigingen voor gastouderopvang door aan de gemeente.
Hoofdstuk 3 Toezicht
Artikel 9 Toezichthouder
-
1. De toezichthouder is onafhankelijk en beoordeelt of een kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen. Vervolgens adviseert de toezichthouder het college op basis van de bevindingen.
-
2. De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere:
- –
observaties;
- –
de inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken;
- –
gesprekken met medewerkers;
- –
een gesprek met de houder;
- –
documentenonderzoek;
- –
schriftelijk of persoonlijk contact met de oudercommissie.
- –
-
3. De toezichthouder stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.
-
4. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.
Artikel 10 Onderzoeken
De toezichthouder van de GGD-regio Utrecht voert de volgende onderzoeken voor de gemeente uit:
- –
Onderzoek voor registratie: naar aanleiding van een ingediende aanvraag tot exploitatie onderzoekt de toezichthouder of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wko en onderliggende regelgeving.
- –
Onderzoek na registratie: binnen 3 maanden na registratie in het LRK vindt een onderzoek plaats (dit onderzoek vindt niet plaats bij voorzieningen voor gastouderopvang).
- –
Regulier jaarlijks onderzoek: alle kinderdagverblijven, buitenschoolse opvanglocaties en gastouderbureaus worden minimaal 1 keer per jaar bezocht.
- –
Onderzoek voorzieningen voor gastouderopvang; jaarlijks op basis van een steekproef. De gemeente laat jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang onderzoeken. Iedere gastouderlocatie wordt ten minste eens per 3 jaar bezocht.
- –
Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en) en als er een handhavingsmaatregel is ingezet, onderzoekt de toezichthouder nadat de hersteltermijn is verstreken of de overtreding is hersteld.
- –
Incidenteel onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van onder meer een incident, een signaal, een wijzigingsverzoek van een houder of een thema onderzoek. Een thema onderzoek is bijvoorbeeld een flitsbezoek waarbij opvanglocaties op slechts een paar voorwaarden gecontroleerd worden.
Om een goed beeld te krijgen van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, vinden de onderzoeken (met uitzondering van het onderzoek voor registratie) in principe onaangekondigd plaats.
Artikel 11 Flexibele inspectieactiviteit
Door de invoering van de flexibele inspectieactiviteit worden inspecties meer op maat uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op:
- –
Verklaringen Omtrent het Gedrag;
- –
registratie in het Personenregister kinderopvang;
- –
pedagogische kwaliteit;
- –
voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is).
Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.
Artikel 12 Herstelaanbod
-
1. De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan de gemeente. Bij overtredingen biedt de toezichthouder, onder voorwaarden, de mogelijkheid om aan te tonen hoe de houder deze nog tijdens de onderzoeksperiode oplost. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat sprake is van structureel blijvend herstel.
-
2. De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod ook geen vooraf vaststaand recht.
-
3. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast.
-
4. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is opgesteld.
-
5. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven.
-
6. Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:
- –
aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod;
- –
er te veel overtredingen zijn naar het oordeel van de GGD-regio Utrecht;
- –
de houder in de voorgaande 2 jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of
- –
een vergelijkbare overtreding op te heffen;
- –
de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht;
- –
herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode.
- –
-
7. Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet voor een herstelaanbod in aanmerking omdat zij niet aan de criteria voldoen.
-
8. De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college.
Artikel 13 Schriftelijk bevel
-
1. Als de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie tegenkomt waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen.
-
2. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn en welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn dit moet gebeuren.
-
3. Als de overtreding(en) naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende zijn hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.
Artikel 14 Signalen
-
1. Het college roept ouders, beroepskrachten, professionals, omwonenden of andere betrokkenen op om meldingen en signalen over de kwaliteit bij de gemeente of de GGD-regio Utrecht te melden.
-
2. Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek.
-
3. De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Voor zover noodzakelijk voor de wettelijke toezichtstaken.
-
4. De toezichthouder deelt signalen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio, voor zover dat noodzakelijk is voor het toezicht op de nalevering van de wet kinderopvang. Hierbij worden de beginselen van de AVG nageleefd, waaronder doelbinding, dataminimalisatie en proportionaliteit. Gegevens worden alleen gedeeld met andere toezichthouders indien hiervoor een wettelijke grondslag bestaat en uitsluitend voor zover dit noodzakelijk is voor hun taakuitoefening.
Artikel 15 Gastouderopvang en gastouderbureaus
De gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen.
Bij de handhaving op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken van belang:
- –
Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen.
- –
Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college kan daarom boetes opleggen bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen tijdig melden.
- –
Snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen.
- –
Signaal naar andere gemeenten: als het college handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college.
- –
Personenregister kinderopvang: Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het personenregister kinderopvang. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het ligt op de weg van het gastouderbureau om ervoor te zorgen dat zij tijdig de juiste informatie van hun gastouders ontvangen. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureaus om aan te tonen dat zij er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen.
Artikel 16 Voorschoolse educatie
Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (hierna: vve). De toezichthouder kan ook voor de vve specifieke eisen een herstelaanbod doen.
Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een ander kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, treedt het college eerst op binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot lagere subsidievaststelling.
Hoofdstuk 4 Handhaving
Artikel 17 Handhavingsafwegingen
-
1. Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen.
-
2. Het college betrekt bij de voorbereiding van elk besluit alle feiten en weegt alle belangen af. Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken: kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie.
-
3. Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:
- –
het inspectierapport, met daarin:
- o
gerapporteerde overtreding(en);
- o
bevindingen en conclusies van de toezichthouder;
- o
indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden;
- o
het advies van de toezichthouder;
- o
de reactie van de houder in het inspectierapport;
- o
- –
reacties van de houder aan het college;
- –
de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;
- –
de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;
- –
alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen.
- –
Artikel 18 Handhavingsmiddelen
De gemeente kan de volgende herstellende en bestraffende handhavingsmiddelen inzetten:
- –
waarschuwing;
- –
aanwijzing;
- –
last onder dwangsom (lod);
- –
last onder bestuursdwang (lob);
- –
het exploitatieverbod;
- –
intrekken toestemming tot exploitatie;
- –
bestuurlijke boete.
De gemeente kiest altijd het meest passende middel. Hieronder volgt een toelichting op de diverse middelen die de gemeente inzet.
- 1.
Waarschuwing
Als sprake is van een overtreding die tijdens het lopende onderzoek al is opgelost, kan de gemeente ervoor kiezen om alleen een waarschuwing te geven. De waarschuwing kan ook gebruikt worden als middel wanneer andere handhavingsmiddelen niet passend zijn bij de ernst, de verwijtbaarheid en/of de omstandigheden van het geval. Doel van de waarschuwing is het leggen van nadruk op de geconstateerde overtreding, zodat de kans groter wordt dat de houder een volgende keer wel aan de voorwaarde voldoet.
- 2.
De aanwijzing
De aanwijzing is doorgaans het meest geschikte instrument als het gaat om herstellende handhaving. Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven.
De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende drie jaar.
- 3.
De last onder dwangsom (LOD)
De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan de gemeente gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is.
De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid, zoals te vinden in artikel 5:32 van de Awb. Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt de gemeente in principe een last onder dwangsom op. De gemeente kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt de gemeente de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.
Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.
- 4.
Last onder bestuursdwang (LOB)
Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kostendie gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder. De last onder bestuursdwang is te vinden in paragraaf 5.3.1 van de Awb.
- 5.
Het exploitatieverbod.
Zodra er geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wet kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.
Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.
Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang.
Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.
- 6.
Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving
Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:
- –
Als het de houder na sluiting van een locatie niet lukt om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen;
- –
Als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen begaat of overtredingen begaat die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld;
- –
Als niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatieopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;
- –
Als is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert;
- –
Als 3 maanden na de registratie de exploitatie van de kinderopvangvoorziening niet daadwerkelijk is aangevangen.
- –
-
Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zet in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel in om het doel (herstel) te bereiken en houdt hierbij rekening met de subsidiariteit en proportionaliteit. Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.
Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het LRK verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.
De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).
- 7.
Bestuurlijke boete
Een bestuurlijke boete wordt opgelegd per overtreding van het voorschrift, tenzij in de tabel anders is beschreven. Het college legt in beginsel een bestuurlijke boete op indien de houder, na het geven van een aanwijzing, nalaat afdoende maatregelen te treffen ter voorkoming van herhaling dan wel voortduring van de overtreding. Daarnaast kan het college besluiten een bestuurlijke boete op te leggen naast een herstelsanctie, zoals een aanwijzing, voor zover dit, naar het oordeel van het college, in het licht van de omstandigheden van het geval evenredig wordt geacht. Om tot matiging van de boete over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.
Als met één feitelijke gedraging twee of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.
Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden.
Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.
Artikel 19 Recidive
De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive.
Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.
Bij recidive zet het college doorgaans een zwaarder handhavingsmiddel in.
Wanneer een houder dezelfde overtreding binnen 2 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op.
Wordt een overtreding herhaald na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete dat legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.
Wanneer binnen drie jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort.
Artikel 20 Publicatie handhavingsbesluiten
Het college maakt handhavingsbesluiten, zodra deze onherroepelijk zijn, openbaar in het LRK. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.
Artikel 21 Bijzondere omstandigheden
Het college kan overeenkomstig artikel 4:84 van de Awb gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels als stikte toepassing ervan door bijzondere omstandigheden tot onevenredige gevolgen leidt.
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22 Overgangsrecht
Indien een aanwijzing wordt gegeven of een sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft het beleid zoals dat gold op het moment van de overtreding, van toepassing.
Artikel 23 Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking een dag na bekendmaking.
Artikel 24 Intrekken oude regeling
De Beleidsregels handhaving en gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente De Ronde Venen 2020 worden ingetrokken.
Artikel 25 Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang gemeente De Ronde Venen 2026’.
Ondertekening
Mijdrecht, september 2026
Burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
de secretaris,
Marco Vonk
de burgemeester,
Rosan Kocken
Bijlage: Afwegingsmodel handhaving kinderopvang
Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In het afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen.
De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.
In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een aanwijzing met een hersteltermijn. Na de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaats.
Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.
Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod.
Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct. Blijkt na (tijdelijke) sluiting de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.
Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is.
De in het afwegingsmodel opgenomen bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.
Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.
In de tabellen is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive kan het boetebedrag met 50% worden verhoogd.
Hersteltermijnen
Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct of binnen maximaal 7 dagen worden beëindigd.
Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld.
Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen een gemiddelde termijn van maximaal 21 dagen worden hersteld.
Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is.
Normbedragen en formaat van de houder
In de tabel staan normbedragen voor grote organisaties. Afhankelijk van het aantal kindplaatsen op houderniveau of het aantal gekoppelde gastouders geldt een gedeelte van het normbedrag als maximum per overtreding.
|
Omvang van houders voorzieningen voor kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang |
Aantal kindplaatsen |
Boete of last onder dwangsom |
|
Grote organisaties (BSO/KDV) |
Meer dan 150 kindplaatsen |
Volledig normbedrag |
|
Middelgrote organisaties |
51 tot en met 150 kindplaatsen |
2/3 van het normbedrag |
|
Kleine organisaties |
Tot en met 50 kindplaatsen |
1/3 van het normbedrag |
|
Omvang van het gastouderbureau |
Aantal gekoppelde gastouders |
Boete of last onder dwangsom |
|
Groot gastouderbureau |
Meer dan 100 gekoppelde gastouders |
Normbedrag |
|
Klein gastouderbureau |
Tot en met 100 gekoppelde gastouders |
50% normbedrag |
Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van het begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.
Dwangsommen
Kindercentra
|
Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving |
|
|
Administratie |
de tweede categorie |
|
Maatregelen aanpak A-ziekten |
de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Pedagogisch klimaat |
|
|
Pedagogisch beleid |
de helft van de tweede categorie |
|
Pedagogische praktijk |
de tweede categorie |
|
Voorschoolse educatie |
de helft van de tweede categorie |
|
Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Personeel en groepen |
|
|
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang |
de helft van de tweede categorie |
|
Opleidingseisen |
de helft van de tweede categorie |
|
Aantal beroepskrachten |
de helft van de tweede categorie |
|
Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs |
de helft van de tweede categorie |
|
Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers |
de helft van de tweede categorie |
|
Stabiliteit van de opvang voor kinderen |
de helft van de tweede categorie |
|
Voertaal |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Veiligheid en gezondheid |
|
|
Veiligheids- en gezondheidsbeleid |
de helft van de tweede categorie |
|
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling |
de helft van de tweede categorie |
|
Meld- overleg- en aangifteplicht |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Accommodatie |
|
|
Eisen aan ruimtes |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Ouderrecht |
|
|
Informatie |
de helft van de tweede categorie |
|
Oudercommissie |
de helft van de tweede categorie |
|
Klachten en geschillen |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Dwangsommen gastouderbureau
|
Personeel |
|
|
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang |
De helft van de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling |
|
Personeelsformatie per gastouder |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
|
Veiligheid en gezondheid |
|
|
Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid |
De helft van de tweede categorie |
|
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling |
de helft van de tweede categorie |
|
Meld- overleg- en aangifteplicht |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
|
Ouderrecht |
|
|
Informatie |
de helft van de tweede categorie |
|
Oudercommissie |
de helft van de tweede categorie |
|
Klachten en geschillen |
de helft van de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht |
|
|
Kwaliteitscriteria |
de tweede categorie |
|
Administratie gastouderbureau |
de tweede categorie |
Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
Dwangsommen gastouder
Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.
Dwangsommen ouderparticipatieopvang
Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.
Bestuurlijke boete
Voor alle overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximum boetebedrag.
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.
Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.
Boetes
|
Algemeen |
kindercentrum en GOB |
gastouders |
|
Exploitatie zonder toestemming college |
de vierde categorie |
de tweede categorie |
|
Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst |
de tweede categorie |
niet van toepassing |
|
Schenden medewerkingsplicht |
de tweede categorie |
de helft van de tweede categorie |
|
Niet opvolgen bevel |
de vierde categorie |
de tweede categorie |
|
Overtreden exploitatieverbod |
de vierde categorie |
de tweede categorie |
|
Niet (tijdig) melden wijzigingen |
de helft van de tweede categorie |
niet van toepassing |
|
Personeel en groepen |
kindercentrum en GOB |
|
Verklaring omtrent Gedrag (VOG) |
de helft van de tweede categorie per ontbrekende VOG |
|
Personenregister kinderopvang |
de helft van de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling |
|
Beroepskrachtkind-ratio (BKR) |
de helft van de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht |
|
Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet. |
de helft van de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht |
|
Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. |
de helft van de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie |
|
Gastouders - Personeel en groepen |
|
|
Verklaring omtrent Gedrag (VOG) |
de eerste categorie per ontbrekende VOG |
|
Groepsgrote en groepssamenstelling |
de eerste categorie per overtreding |
|
Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. |
de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie |
|
Kwaliteit gastouderbureau |
|
|
Pedagogische praktijk Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder: Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang. |
de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet |
|
Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht: De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder |
de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet |
|
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang: Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen |
de helft van de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling |
|
Veiligheid en gezondheid: Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang |
de helft van de tweede categorie |
|
Overige kwaliteitseisen |
|
|
Niet opvolgen aanwijzing |
de helft van de derde categorie, voor gastouder eerste categorie |
|
Eisen ruimtes gastouderopvang: De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen |
de helft van de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving |
|
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling |
de helft van de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd. |
|
Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers |
de helft van de tweede categorie |
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl