Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766519
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766519/1
Beleidskader regulering en borging paasvurentraditie gemeente Aa en Hunze
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 15-09-2026
Intitulé
Beleidskader regulering en borging paasvurentraditie gemeente Aa en HunzeInleiding
Onder de Omgevingswet en daarop gebaseerde Algemene Maatregelen van Bestuur zijn de regels voor het verbanden van afvalstoffen in de openlucht veranderd. Ook is artikel 10.2 van de Wet milieubeheer iets gewijzigd. Daardoor kan voor het ontbranden van vuren een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit dan wel een stookontheffing Wet Milieubeheer nodig zijn.
Milieubelastende activiteit of niet?
Het verbranden van snoeiafval/houtachtige soorten tijdens Pasen kan een milieubelastende activiteit (mba) zijn waarvoor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.40e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), noodzakelijk is. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een paasvuur een milieubelastende activiteit is als bedoeld in het Bal, is of er sprake is van het verbranden van afgegeven of ingezameld snoeiafval. Als het antwoord op die vraag ‘Ja’ is, dan is het verbranden ervan een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Bal.
Wanneer particulieren hun snoeiafval afgeven aan de organisatoren van een paasvuur dan is artikel 10.2 Wm niet meer van toepassing. Voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die niet worden ingezameld of afgegeven, geldt nog steeds een verbod met ontheffingsmogelijkheid volgens de Wet Milieubeheer.
Het verbranden van afvalstoffen kan verschillende nadelige gevolgen veroorzaken voor het milieu. Voor paasvuren zijn met name het ondoelmatig beheer van afvalstoffen en verontreiniging van de lucht en bodem relevant. Deze gevolgen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen of, waar niet mogelijk, worden beperkt.
Planologische regels
Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning mba kan worden verleend, is er ook een relatie met de regels in het omgevingsplan. Als het omgevingsplan een paasvuur toestaat, is daarmee vastgelegd dat er bij die activiteiten sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als dit nog niet het geval is, dan zal dit ook aandacht moeten krijgen.
Actualisering paasvurenbeleid
Bovenstaande heeft gevolgen voor de wijze waarop de traditionele paasvuren worden gereguleerd. Zag de regulering eerder vooral op veiligheids- en stikstofaspecten, nu geldt dit ook voor milieu-, gezondheids- en ruimtelijke aspecten. Er is sprake van een complex juridisch- en beleidskader dat een brede, integrale belangenafweging vraagt.
De Drentse gemeenten met paasvuren hebben samen met de provincie Drenthe, Omgevingsdienst Drenthe, Veiligheidsregio Drenthe en GGD Drenthe een verkenning gedaan naar de lokale mogelijkheden om de paasvurentraditie te reguleren en borgen.
De uitkomst van deze verkenning is in dit beleidskader voor gemeente Aa en Hunze uitgewerkt in de volgende onderdelen:
- 1.
uitgangspunten voor regulering en instandhouding van de paasvurentraditie;
- 2.
beleidsregels voor de toetsing van de aanvragen omgevingsvergunningen milieubelastende activiteit;
- 3.
regulering/borging van het medegebruik van gronden voor paasvuren;
- 4.
handelsperspectief voor Natura2000- en flora- en fauna-activiteiten.
In bijlage 1 is de wet- en regelgeving en het beleidsmatig kader uitgewerkt dat van toepassing is op het verbranden van afvalstoffen/ontbranden van paasvuren.
1. Uitgangspunten voor regulering en instandhouding van de paasvurentraditie
Met onderstaande uitgangspunten wordt richting gegeven aan de lokale beleidsruimte om paasvuren toe te staan met als doel instandhouding van de paasvurentraditie onder de Omgevingswet.
1.1 Terughoudendheid vergunningverlening mba – uitzondering voor paasvurentraditie
Het verbranden van afvalstoffen in de open lucht is volgens het landelijk afvalbeleid in het Circulair Materialenplan in principe ondoelmatig, omdat afvalstoffen doorgaans hoogwaardiger kunnen worden verwerkt. Milieu- en gezondheidseffecten noodzaken tot terughoudendheid bij de vergunningverlening.
Voorkomen moet worden dat onbegrensde hoeveelheden en ongewenst afval ondoelmatig worden aangewend. Verbranding van afvalstoffen (met name houtachtige stromen) is dan ook slechts bij uitzondering aanvaardbaar. Het in stand houden van de paasvurentraditie (belang van cultureel/immaterieel erfgoed en sociale verbondenheid) kan zo’n uitzondering zijn.
Kenmerken van een traditioneel paasvuur zijn:
- -
een duidelijke historische oorsprong en georganiseerd in het oosten en noorden van Nederland binnen het historische paasvurengebied;
- -
de traditie wordt in een gemeenschap van generatie op generatie doorgegeven;
- -
het opbouwen en ontsteken is een sociale en openbare activiteit, georganiseerd door dorpsgemeenschappen, verenigingen of stichtingen;
- -
Het gaat om een gecentraliseerd en zichtbaar vuur dat toeschouwers trekt.
Vanwege de cultureel-maatschappelijke waarden wordt het belang van de instandhouding van deze traditie in de omgevingsvisie benadrukt.
De instandhouding van dit immaterieel erfgoed weegt zwaar en moet worden afgewogen tegen natuur-, milieu-, gezondheids- en veiligheidsbelangen. Echter het is levend erfgoed dat ook moet meebewegen met en zich aan moet passen aan de tijd.
De volgende uitgangspunten zijn richtinggevend voor de terughoudendheid bij de vergunningverlening mba:
- 1.
het huidige aantal toegestane, openbare paasvuren is het maximumaantal waarvoor een omgevingsvergunning mba kan worden verleend in de gemeente;
- 2.
verplaatsing van een bestaand traditioneel paasvuur naar een andere locatie is toegestaan, mits aan de nieuwe vereisten/voorwaarden wordt voldaan.
- 3.
een nieuwe groep kan in de plaats van/als opvolging van een bestaande groep een traditioneel paasvuur organiseren als ze zich verbinden met de bestaande gebruiken:
- •
dezelfde datum (Paasweekend);
- •
dezelfde symboliek (winter afsluiten, licht brengen, gemeenschap samenbrengen);
- •
dezelfde rituelen (gezamenlijk snoeihout inzamelen en opbouwen, ontsteken op een bepaald tijdstip, gezamenlijke viering).
- •
1.2 Regulering veiligheidsaspecten
De veiligheids- en openbare orde aspecten werden eerder gereguleerd via een ontheffing op basis van de APV. Voor openbare orde aspecten (ordelijk verloop maatschappelijke activiteiten) is duidelijk dat de APV de basis blijft voor eventuele regulering hiervan. Voor regulering van de veiligheidsaspecten (bescherming van mensen en materiële belangen tegen risico’s en gevaren is het de vraag of de APV nog aanvullende werking heeft.
De regels in paragraaf 3.2.15 van het Bal (verbranden van afvalstoffen anders dan in IPPC-installatie) zijn opgesteld met het oog op:
- a.
Het beperken van luchtverontreiniging; en
- b.
Het voorkomen of beperken van schade, gevaar en hinder voor de omgeving.
De gevolgen die een activiteit heeft bij onverwachte gebeurtenissen en de kans daarop vallen binnen de reikwijdte van het vergunningstelsel voor de milieubelastende activiteit.
Uitgangspunt op basis van voorgaande is dat de voorschriften over veiligheidsaspecten worden opgenomen in de omgevingsvergunning mba.
1.3 Bewustwording over gezondheidsrisico’s op gang brengen
De Omgevingswet vraagt om een integrale benadering van de fysieke leefomgeving. Dit betekent ook dat het gezondheidsbelang moet worden meegewogen bij het in stand willen houden van de paasvurentraditie.
Voor luchtkwaliteit gelden (rijks)omgevingswaarden. Dit zijn de ten hoogste toelaatbare concentraties in de buitenlucht voor bepaalde stoffen. Een omgevingsvergunning mba kan alleen worden verleend als de activiteit niet leidt tot overschrijding van de geldende omgevingswaarden die geldt voor een luchtverontreinigende stof in artikel 8.17, lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bal).
Het verbranden van hout leidt tot hogere concentraties koolstofdioxide (CO2), stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10, PM2,5) in de lucht. Gezien de omvang en de tijdelijke aard van een paasvuur is het effect beperkt en zal kortstondig sprake zijn van verslechtering van de luchtkwaliteit door een piekconcentratie van met name fijnstof. De paasvuren leiden echter niet tot een overschrijding van de omgevingswaarden en worden daarom aanvaardbaar geacht.
Door de GGD is geadviseerd richting inwoners en organisatoren wel aandacht te vragen voor het gezondheidsrisico als gevolg van paasvuren. Hiervoor kan de gemeente het handelingsperspectief dat de GGD heeft gemaakt, gebruiken. De gezondheidsdienst geeft aan dat er geen ondergrens is, waaronder luchtverontreiniging géén gezondheidseffecten veroorzaakt. Aandacht hiervoor is wenselijk, omdat luchtverontreiniging een belangrijke oorzaak is van de ziektelast in Nederland/het grootste milieurisico vormt voor de gezondheid in Europa.
1.4 Dynamisch karakter beleidskader
Bij de gezamenlijke, Drentse verkenning zijn de consequenties van de gewijzigde wet- en regelgeving voor het ontbranden van paasvuren duidelijk geworden. Er geldt een complex juridisch en beleidsmatig kader voor paasvuren. De ruimte om paasvuren toe te staan wordt steeds meer aan regels gebonden en daardoor beperkter.
De Omgevingsdienst Drenthe en GGD Drenthe hebben vanuit hun specialistische kennis en interpretatie van de rijksregels adviezen uitgebracht over de regulering van paasvuren op lokaal niveau. Voor dit moment is nog niet altijd duidelijk hoe de nieuwe wetsartikelen precies moeten worden uitgelegd in relatie tot paasvuren. Bijvoorbeeld of gezien het incidentele en maatschappelijke karakter de toepassing van de rijksregels voor jaarlijkse paasvuren gelijk is te stellen met bijvoorbeeld meer structurele, bedrijfsmatige verbranding.
Daarnaast zullen ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving (zowel landelijk als in Europees verband), luchtkwaliteit, stikstof, duurzaamheid/afvalbeheer de komende jaren nog voor onduidelijkheid zorgen.
Vanaf 2030 gelden, door de herziene Europese richtlijn luchtkwaliteit, strengere eisen voor onder andere fijnstof en stikstofdioxide. Dit betekent dat bij het toetsen van gemeentelijke omgevingsplannen of aanvragen voor een omgevingsvergunning aangescherpte omgevingswaarden gaan gelden. Het blijft belangrijk deze ontwikkelingen te volgen en daar waar nodig het beleidskader te actualiseren.
1.5 Rollen en verantwoordelijkheden
De gemeente is het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning mba en het reguleren van het (strijdig) planologisch gebruik.
De provincie is bevoegd gezag voor de Natura2000- en flora- en fauna-activiteiten. De omgevingsdienst Drenthe heeft een adviserende rol v.w.b. de milieuaspecten en een vergunningverlenende taak.
De veiligheidsregio Drenthe heeft een adviserende rol v.w.b. de brandveiligheidseisen en een monitorende en adviserende rol v.w.b. de weersomstandigheden volgens het proces natuurbrandrisico Fase 1 (Regulier) en Fase 2 (Extra alert).
De organisator is verantwoordelijk voor het voldoen aan de gestelde voorschriften over het opbouwen, ontbranden en de nazorg en daaraan voorafgaand de AERIUS-berekening en/of voortoets.
2. Beleidsregels voor het verlenen van omgevingsvergunningen milieubelastende activiteit voor het ontbranden van traditionele paasvuren
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze;
gelet op:
- -
artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet juncto artikelen 3.40d, eerste lid, onder b, en 3.40e, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- -
paragraaf 8.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- -
paragraaf 5.2.4 van het Circulair Materialenplan (CMP), Afvalplan groenafval;
- -
artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat:
- -
het opbouwen en ontsteken van openbare paasvuren een jaarlijkse traditie is met culturele en maatschappelijke waarden in Noord- en Oost-Nederland;
- -
instandhouding van deze traditie in Drenthe en de gemeente Aa en Hunze zwaar weegt;
- -
uit oogpunt van “doelmatige afvalverwerking én tegengaan van luchtverontreiniging” terughoudendheid bij het toestaan van paasvuren nodig is;
- -
traditionele paasvuren bij wijze van uitzondering kunnen worden toegestaan, waarbij significante milieuverontreiniging zoveel mogelijk moet worden voorkomen;
- -
paasvuren naast milieu- en gezondheidsrisico’s ook hinder- en veiligheidsrisico’s hebben die bij de belangenafweging moeten worden betrokken;
B e s l u i t en
de hierna volgende ”Beleidsregels voor het verlenen van omgevingsvergunningen milieubelastende activiteit voor het ontbranden van traditionele paasvuren“ vast te stellen.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
Snoeiafval: takken, bladeren of stammen afkomstig van onderhoudswerkzaamheden door particulieren in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden;
- b.
Traditioneel paasvuur: een voor publiek toegankelijk paasvuur dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen op Eerste of Tweede Paasdag wordt ontstoken.
Artikel 2 Aanvraagprocedure
-
1. De aanvraag moet worden ingediend via het digitaal aanvraagformulier op het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl).
-
2. De aanvrager is een vereniging, stichting of Boermarke die staat ingeschreven in het handelsregister op een adres in de desbetreffende gemeente en heeft binding met de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
-
3. De omgevingsvergunning moet uiterlijk 16 weken voorafgaande aan de ontbranding worden aangevraagd.
Artikel 3 Beoordelingscriteria toestaan paasvuur
-
1. De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de beoordelingsregels in paragraaf 8.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
-
2. Een omgevingsvergunning voor een paasvuur kan worden verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in het eerste lid en sprake is van een traditioneel paasvuur dat bijdraagt aan de cultuurhistorische traditie en ter gelegenheid van Pasen op Eerste of Tweede Paasdag wordt ontstoken.
-
3. Het huidige aantal (15) is het maximum aantal toegestane, traditionele paasvuren per kalenderjaar waarvoor een vergunning kan worden verleend. Hiermee wordt voorkomen dat onbegrensde hoeveelheden afvalstoffen ondoelmatig worden aangewend.
-
4. Het verplaatsen van een bestaand paasvuur naar een andere locatie is in principe mogelijk, mits het vuur nog als deel van de traditionele praktijk kan worden aangemerkt.
-
5. Een nieuwe groep kan in de plaats van/in de opvolging van een bestaande groep een traditioneel paasvuur organiseren als ze zich verbinden met de bestaande gebruiken:
- a.
dezelfde datum (Paasweekend);
- b.
dezelfde symboliek (winter afsluiten, licht brengen, gemeenschap samenbrengen);
- c.
dezelfde rituelen (gezamenlijk hout inzamelen en opbouwen, ontsteken op een bepaald tijdstip, gezamenlijke viering).
- a.
-
6. Als veranderende omstandigheden of gewijzigde wet- en regelgeving daartoe aanleiding geven, kan de vergunning worden ingetrokken dan wel gewijzigd.
Artikel 4 Voorschriften m.b.t. milieu en gezondheid
Uit oogpunt van doelmatig beheer van afvalstoffen en lucht- en bodemkwaliteit worden de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden:
- a.
Er mag alleen ingezameld en afgegeven (schoon) snoeiafval worden verbrand;
- b.
Een paasvuur heeft een maximale omvang van 1.000 m³;
- c.
Op de dag van ontbranding mogen er geen bijzondere, lokale omstandigheden zijn die de bestaande luchtkwaliteit al significant beïnvloeden, zoals ernstige smog of zeer dichte mist;
- d.
Ter voorkoming van afspoeling moet tussen het paasvuur en oppervlaktewaterlichaam een afstand van tenminste 10 meter worden aangehouden.
- e.
Om uitloging naar de bodem te voorkomen moeten de afgekoelde asresten binnen drie weken na het verbranden worden verwijderd en afgevoerd naar een afvalverwerkingsbedrijf of gemeentelijk afvalbrengstation.
Artikel 5 Voorschriften m.b.t. veiligheid en hinder
Uit oogpunt van (brand)veiligheid en hinder voor de omgeving worden de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden:
- a.
Het opbouwen van de paasvuurbult mag vanaf 3 respectievelijk 4 dagen voorafgaand aan het ontsteken van het paasvuur op Eerste respectievelijk Tweede Paasdag plaatsvinden;
- b.
Er mogen geen brandbare vloeistoffen (benzine, petroleum e.d.) worden gebruikt bij het ontsteken van het paasvuur;
- c.
Als hulpbrandstof bij het aansteken mag alleen stro of papier worden gebruikt;
- d.
Door de ontbranding mag geen overlast voor de omgeving en het verkeer optreden;
- e.
De door de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) geadviseerde veiligheidsvoorschriften, zoals opgenomen in de Handreiking VRD 2026:
Veiligheidsvoorschriften bij fase 1 (grootte tot 1000 m3)
De onderstaande veiligheidsvoorschriften zijnuitsluitend van toepassing op paasbulten tot
1000 m3 (met ongeveer de volgende afmetingen: 15 x 15 x 4,5meter; 12 x 12 x 7 meter; 11 x 11 x 8 meter):
Paasbulten liggenbij voorkeur buiten debebouwde kom.
Paasbulten zijn stabielen aaneengesloten opgebouwd.
Tussen rietgedekte bouwwerken en een paasvuur wordteen afstand van minimaal 200
meter aangehouden.
Tussen overige bebouwing en paasvuren wordteen afstand van minimaal 50 meter aangehouden.
Tussen bos,heide, veen en andere natuurgebieden5 wordt een afstand van minimaal 100
meter aangehouden.
De afstand tussen een rijksweg (A-weg), provinciale weg (N-weg), waterweg en spoorweg bedraagt minimaal 500 meter.
Voor overige openbare wegen geldt dat passerend verkeer geen hinder mag ondervinden van het paasvuur. Om die redenwordt geadviseerd minimaal 20 meter afstand te houden.
Een paasvuur wordt alleen ontstoken als de windkracht 5 Beaufort of minder is. Bij hogere windsnelheden komt de rookpluim nietmeer vrij vande grond. Dit levert vooralextra risico’s op voor wegverkeer. Daarnaast verspreidt vliegvuur zich verder en sneller bij harde wind, waardoor de kans op secundaire branden toeneemt.
De afstand tussen eenhoogspanningstracé en eenpaasvuur bedraagt minimaal 40 meter. Als de afstand minder dan 500 meter bedraagt dient melding gedaan te worden bij de netbeheerder.
De afstand tussen ondergrondse buisleidingen of kabeltracés bedraagt minimaal 25 meter te bedragen.
Het paasvuur is tot op 50 meter viaeen verhard padbereikbaar voor eenuitrukvoertuig van de brandweer.
Het ontsteken mag niet plaatsvinden/de ontbranding wordt beëindigd, wanneer onvoorziene situaties optreden die een gevaar vormen voor de omgeving.
Te denken valt aan: plotseling draaiende wind, waardoor verkeer wordt gehinderd; een weeralarm van het KNMI; etc.
In aanvulling op de veiligheidsvoorschriften in Fase 1 gelden voor Fase 2 de volgende aangescherpte voorschriften:
Veiligheidsvoorschriften bij fase 2 (grootte tot 1000m3)
Bij fase 2 (extreme droogte) adviseert Brandweer Drentheom zeer voorzichtig te zijn met paasvuren. Paasvuren die aan de verscherpte veiligheidsvoorschriften voldoen kunnen worden ontstoken, wanneer het bevoegd gezag dit verantwoord acht.
De ondergrond onder en rond het paasvuur is zodanig dat er geengrondvuur kan ontstaan, in verband met de veiligheid van het publiek.
De afstand van het paasvuur tot een brandgevaarlijk object (bijv. rietgedekt object, feesttenten, etc.) is 500 meter bovenwinds en 1000 meter benedenwinds zijn. Omdat de windrichting niet op voorhand te bepalen is,betekent dit dat een cirkelvan 1000 meter
rondom het paasvuur aangehouden moet worden.
De afstand van het paasvuur tot een natuurbrandgevaarlijk gebied/perceel is 250 meter bovenwinds en 500 meter benedenwinds zijn als er een reële kans is op een snelle branduitbreiding of een moeilijk beheersbare natuurbrand. Omdatde windrichting niet op voorhand te bepalen is, betekent dit dat een cirkel van 500 meter rondom het paasvuur aangehouden moet worden.
Bij paasvuren die wel voldoen aan de afstanden zoals genoemd bij punten b en c maar waarbij zich tocheen kans voordoet op het ontstaan van beperkte secundaire branden dient preventief voldoende bluswater aanwezig te zijn.Dit bluswater wordtNIET geleverd door de
brandweer in verband met het in stand houdenvan de basisbrandweerzorg.
Er kunnen zichweersomstandigheden voordoen tentijde van het ontsteken vande paasbult die de situatie alsnog onverantwoord maken. Het voldoen aan bovenstaande voorschriften verkleint het risico, maar is geen garantie dat zich geen incidenten voor kunnen doen.
Hebben paasbulten een grotere inhoud dan betekent dit meer vuurbelasting, waardoor de bovenstaande voorschriften onvoldoende zijn om de aanwezige risico’s te minimaliseren.
Artikel 6 Overige voorschriften
-
1. De opbouw en ontbranding mogen alleen plaatsvinden onder voortdurende controle van een meerderjarig contactpersoon (zoals aangegeven op het aanvraagformulier) namens de organisatie. Deze persoon moet in het bezit zijn van onderhavige vergunning en deze op verzoek tonen aan medewerkers van brandweer en politie en/of toezichthouders van de omgevingsdienst of gemeente.
-
2. Bij het onbeheersbaar worden van de brand waarschuwt de onder het eerste lid genoemde persoon de brandweer via het centrale alarmnummer 112.
-
3. Gedurende de ontbranding moeten EHBO-materiaal (branddekens en verbandmateriaal) en brandblusmiddelen aanwezig zijn.
-
4. Door toezichthouders van de gemeente/omgevingsdienst en medewerkers van politie en brandweer gegeven aanwijzingen moeten altijd worden opgevolgd.
-
5. Indien niet aan de gestelde voorwaarden, voorschriften of aanwijzingen wordt voldaan kan door het college van burgemeester en wethouders of de door hen aangewezen personen, te allen tijde het paasvuur worden verboden.
-
6. De vergunninghouder is aansprakelijk voor alle schade, die als gevolg van het gebruik van deze vergunning wordt geleden.
Artikel 7 Beoordelen natuurbrandrisico
-
1. In Nederland hanteren we twee fasen om het risico op natuurbrand aan te geven. Fase 1 (regulier risico) en Fase 2 (Extra alert - verhoogd natuurbrandgevaar).
-
2. De Veiligheidsregio Drenthe (VRD) brengt advies uit aan de gemeenten over het natuurbrandrisico i.r.t. de weersomstandigheden.
-
3. Het fase-overleg over het natuurbrandrisico vindt wekelijks op de dinsdag plaats. Het definitieve advies vanuit de VRD wordt woensdags doorgegeven aan de gemeenten en gaat in van vrijdag op zaterdag om 00:00 uur.
-
4. Op de woensdag voor Pasen vindt, indien nodig, bestuurlijk overleg plaats over de fase indeling van het natuurbrandrisico i.r.t. paasvuren.
Artikel 8 Verbod tot ontbranding
-
1. Er mag geen ontbranding van een paasvuur plaatsvinden als voor het betreffende paasvuur tevens een of meer van de hierna genoemde andere toestemmingen vereist is/zijn en deze niet is/zijn verleend:
- a.
evenementenvergunning of melding;
- b.
omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
- c.
omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
- a.
-
2. Er mag ook geen ontbranding plaatsvinden bij:
- a.
windkracht 6 Beaufort of meer;
- b.
droogte en andere onvoorziene, extreme weersomstandigheden, waarbij sprake is van Fase 2 “Extra alert” en het bevoegd gezag heeft besloten dat een paasvuur geen doorgang mag vinden.
- a.
-
3. Als het ontbranden van reeds opgebouwde paasvuren vanwege extreme weersomstandigheden op Eerste en/of Tweede Paasdag niet mogelijk is, kan het college besluiten dat het paasvuur later alsnog ontbrand mag worden.
-
4. Een paasvuur dat niet ontstoken kan worden moet binnen 14 dagen na de vergunde of uitgestelde datum van ontbranding zijn opgeruimd.
Artikel 9 Afwijkingsbevoegdheid
Het college kan gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels, indien sprake is van bijzondere omstandigheden of zwaarwegend maatschappelijk belang.
Artikel 10 Slotbepalingen
-
1. Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking
-
2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels verlenen omgevingsvergunningen ontbranden traditionele paasvuren”.
Gieten, 7 september 2026
Het college van de gemeente Aa en Hunze,
de heer R.L.H. Schoonderbeek
secretaris
de heer A.W. Hiemstra
burgemeester
3. Regulering/borging van het medegebruik van gronden voor paasvuren
In het omgevingsplan worden regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Zo staat hierin onder andere hoe gronden/percelen gebruikt mogen worden.
Als gronden worden gebruikt voor het verbranden van afval, in dit geval het medegebruik van gronden voor het ontbranden van paasvuren, terwijl de functie (bijv. agrarisch) dit niet toestaat, is er sprake van strijdig planologisch gebruik.
Het uitvoeren van die activiteit is dan niet toegestaan op basis van het omgevingsplan.
De Omgevingswet geeft aan dat ook cultureel erfgoed (bescherming materieel en immaterieel erfgoed) een belang is dat integraal bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden betrokken. Het medegebruik van gronden voor paasvuren is nu in Aa en Hunze nog niet in het omgevingsplan geregeld.
Wijzigen van het omgevingsplan
Het opnemen van algemene regels in het omgevingsplan heeft uit oogpunt van een meer structurele borging van paasvuren en integrale afweging de voorkeur. Dit bevordert transparantie, rechtszekerheid en consistent handelen.
Op dit moment is het omgevingsplan van de gemeente nog vormgegeven als een tijdelijk omgevingsplan. De gemeente werkt de komende jaren aan de omzetting van het tijdelijke omgevingsplan naar een definitief omgevingsplan. Uiterlijk op 1-1-2032 moet deze omzetting zijn afgerond.
Vanwege de uitgebreide, lange voorbereidingsprocedure heeft een wijziging van het omgevingsplan voor alleen het opnemen van een regeling voor de paasvuren op dit moment niet de voorkeur.
Gedogen (strijdig) medegebruik gronden in overgangsperiode naar definitief omgevingsplan
Omdat de gemeente op korte termijn nog niet beschikt over één definitief omgevingsplan, wordt er in de overgangsperiode naar het nieuwe omgevingsplan voor gekozen het medegebruik van gronden ten behoeve van paasvuren te gedogen.
Gedogen kan als het strijdige gebruik binnen afzienbare tijd zal worden beëindigd. Het is vrijwel zeker dat het strijdige gebruik gelegaliseerd gaat worden bij de omzetting naar het definitief omgevingsplan. Zonder een vastgesteld gedoogbeleid, moet ad hoc en gebaseerd op een individuele belangenafweging, een gedoogbesluit worden genomen. De aanvaardbaarheid van het ontbranden van een paasvuur op een bepaalde locatie moet deugdelijk worden gemotiveerd.
Met het gedogen wordt geanticipeerd op de toekomstige, planologische regulering. Hiermee worden organisatoren van traditionele paasvuren niet belast met nog een vergunningsplicht en extra kosten. Tegelijkertijd biedt het de mogelijkheid om eerst meer ervaring met de nieuwe wet- en regelgeving/vergunningverlening mba op te doen en meer duidelijkheid te krijgen over de lopende ontwikkelingen en (Kamer)vragen over de instandhouding van de traditie.
Gedogen kent ook risico’s, bijvoorbeeld in de situatie dat door derden een handhavingsverzoek wordt ingediend.
4. Financiële gevolgen
Deze beleidsactualisering heeft ook financiële gevolgen.
De leges voor de behandeling van een aanvraag omgevingsvergunning mba zijn fors (€ 3.735,40 Legesverordening 2026). Voor organisaties die een maatschappelijk of sociaal-cultureel belang nastreven is het niet in rekening brengen van leges of een korting op het legestarief een mogelijkheid.
Om organisatoren financieel te ontlasten/voor instandhouding van de paasvurentraditie zal de raad worden voorgesteld om de organisatoren van paasvuren geen leges in rekening te brengen en hiervoor een vrijstellingsbepaling in de tarieventabel behorende bij de legesverordening 2027 op te nemen.
In het Paasvurenbeleid 2022-2026 was een subsidieregeling opgenomen voor het verwijderen en afvoeren van de asresten. Deze subsidiemogelijkheid komt met ingang van 2027 te vervallen.
5. Handelingsperspectief voor Natura2000 en flora- en fauna-activiteiten
Naast de milieubelastende activiteiten reguleert de Omgevingswet ook Natura2000- en flora-en faunactiviteiten. De gebieds- en soortenbescherming is bij wet geregeld. Het bevoegde bestuursorgaan voor deze activiteiten is de provincie.
Wat is er nodig?
Voor projecten in het algemeen, waaronder evenementen en paasvuren, geldt dat de initiatiefnemer/organisator in relatie tot natuur vooraf moet onderzoeken welke toestemmingen op grond van de Omgevingswet zijn vereist. Voor evenementen/activiteiten, zoals paasvuren, geldt dat een organisator vooraf moet onderzoeken welke toestemmingen op grond van de Omgevingswet nodig zijn. Dit gebeurt via een:
- -
ecologische quickscan;
- -
en/of een voortoets.
Uit een ecologische quickscan of voortoets kan blijken dat:
- -
een omgevingsvergunning Natura 2000‑activiteit nodig is. Hieronder is het handelingskader nader toegelicht. Naast een toets op effecten door stikstofdepositie moet ook:
- -
bekeken worden of sprake is van een flora- en fauna‑activiteit. Indien blijkt dat er sprake is van een flora- en fauna‑activiteit, dan moet hier ook een omgevingsvergunning voor worden aangevraagd. Maar houdt in ieder geval rekening met de volgende aanbevelingen:
- º
Het paasvuur zo kort mogelijk van tevoren opbouwen: maximaal 2 dagen van tevoren.
- º
Maak het perceel van tevoren onaantrekkelijk voor dieren (bijv. maaien, slepen) zodat vestiging van diersoorten wordt voorkomen.
- º
Bouw het paasvuur op voldoende afstand van bosjes, singels e.d. zodat daar verblijvende vogels en zoogdieren geen last van het vuur kunnen ondervinden. (Dit is overigens ook nodig voor de brandveiligheid).
- º
Leg geen paasvuur aan op percelen waar van tevoren al duidelijk is dat deze leefgebied vormen voor (beschermde) fauna.
- º
Benader en verlaat het paasvuur op van tevoren uitgezette 'paden'. Dus een 'vaste aan- en afvoerroute.
- º
Stel iemand aan als aanspreekpunt zodat deze persoon zich verantwoordelijk voelt dat alles goed verloopt.
- º
Bij het aansteken van de bult graag werken vanuit 1 richting, zodat eventuele dieren alsnog weg kunnen komen.
- º
Neemt een organisator langer de tijd voor de opbouw? Houd er dan rekening mee dat de paasbult aantrekkelijk is voor bepaalde (al dan niet beschermde) diersoorten. Denk aan broedvogels, marters, egels en spitsmuizen. Om te voorkomen dat soorten in de bult vestigen is het noodzakelijk om elke dag aan de paasbult te werken.
- º
Als uitsluitend stikstofdepositie relevant is, kan vaak worden volstaan met een AERIUS‑berekening met toelichting.
- -
Handelingskader paasvuren (situatie na Rendac-uitspraak)
Het huidige beoordelingskader:
- 1)
Bestaand gebruik (vóór 1994)
Organisator moet aantonen dat er al vóór aanwijsdatum van de relevante N2000-gebieden paasvuren werden gehouden op de locatie. Dit is alleen toepasbaar wanneer locatie, omvang en frequentie volledig ongewijzigd zijn. De praktijk leert echter dat er vaak wel iets veranderd is.
- 2)
Gewijzigde situaties
Als er sprake is van een (iets) gewijzigde situatie (de locatie is veranderd of grotere of gewijzigde omvang sinds 1994) dan moet het paasvuur worden doorgerekend met een AERIUS-berekening (zonder rekening te houden met de referentiesituatie). Het paasvuur kan dan doorgang vinden als de depositie op Natura 2000-gebieden niet meer is dan 0,00 mol/ha/jaar.
- 3)
Passende beoordeling
Als de depositie meer is dan 0,00 mol/ha/jaar mag (anders dan voor 18 december 2024) niet langer gebruik gemaakt worden van intern salderen. Door de 18 december 2024 uitspraken mag een referentiesituatie niet langer meegenomen worden in een voortoets. In dit geval kan dus niet zonder een passende beoordeling en zonder een vergunning voor een Natura 2000-activiteit een paasvuur worden georganiseerd.
- 4)
Uitgebreide ecologische voortoets als alternatief
Als de uitkomst meer is dan 0,00 mol/ha/jaar zou een organisator eventueel nog wel een ecologische voortoets kunnen (laten) opstellen (zoals Porthos) waaruit blijkt dat de tijdelijke depositie niet leidt tot significante effecten. Dit is echter een hele dure aangelegenheid.
- 1)
- -
Toekomstig beleid paasvuren
De ontwikkelingen rondom wet- en regelgeving zijn nog gaande. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over de invoering van een rekenkundige ondergrens.
Omdat de landelijke en provinciale kaders mogelijk veranderen dit jaar, kunnen de provincie nu nog geen uitspraken doen over het beleid voor 2027.
Bijlage 1 Juridisch en beleidsmatig kader
Voor het organiseren van paasvuren is onderstaande wet- en regelgeving en beleidskader relevant.
- 1.
Landelijk kader
- -
Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - milieubelastende activiteit
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ook de wetgeving voor het toestaan van paasvuren en het in de open lucht verbranden van snoeiafval gewijzigd. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is namelijk ook de Wet milieubeheer gewijzigd. Gevolg van deze wetswijzigingen is dat het verbranden van ingezameld of afgegeven snoeiafval nu een milieubelastende activiteit (mba) is.
Op grond van artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder b, Omgevingswet is het verboden zonder een omgevingsvergunning een mba te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
In artikel 3.40d, lid 1, onder b, Bal is het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in de open lucht/buiten een installatie aangewezen als een mba.
Hieronder valt ook het verbranden van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen, waaronder het verbranden van snoeiafval van paasvuren.
Voor paasvuren/vreugdevuren met afgegeven of ingezamelde afvalstoffen (zoals snoeiafval, pallets, kerstbomen) geldt nu een vergunningplicht in plaats van een ontheffing (zie de pagina ‘Vreugdevuren en paasvuren: vergunning in plaats van ontheffing’ van het Informatiepunt Leefomgeving).
In artikel 3.40 e, lid 1, is vervolgens bepaald dat het verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit (artikel 5.1, tweede lid, Omgevingswet) te verrichten geldt voor de milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.40d van het Bal.
Het college is het bevoegde gezag voor deze vergunningverlening, die als basistaak door de Omgevingsdienst Drenthe in mandaat moet worden uitgevoerd.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In paragraaf 8.5.1 van het Bkl staan de beoordelingsregels waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een mba (als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 aanhef en onder b van de Ow) moet worden getoetst. In artikel 8.9 t/m 8.11 van het Bkl staan de algemene beoordelingsregels. Ook gelden er specifieke beoordelingsregels voor omgevingsvergunningaanvragen voor mba’s, bijvoorbeeld voor zover de activiteit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit (artikel 8.17 van het Bkl).
Artikel 8.9, lid 1, onder e, Bkl bepaalt dat het bevoegd gezag voor de mba dient na te gaan of er geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt door de aangevraagde milieubelastende activiteit. De omgevingsvergunning kan niet worden verleend als sprake is van significante milieuverontreiniging.
Op grond van artikel 8.9 lid 2 van het Bkl dient bij de beoordeling van de aanvraag voor de onderhavige mba op grond van artikel 3.40e lid 1 van het Bal rekening te worden gehouden met (o.a.) artikel 10.14 van de Wet milieubeheer.
Artikel 10.14 Wet milieubeheer bepaalt dat ieder bestuursorgaan bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens artikel 4.1 van de Ow rekening dient te houden met het geldende afvalbeheerplan, voor zover de betreffende taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
Op grond van artikel 8.9, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) houdt het bevoegd gezag bij de beoordeling of een milieubelastende activiteit leidt tot significante milieuverontreiniging in ieder geval rekening met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.
Hierdoor wordt de samenhang bevorderd tussen de regels in het omgevingsplan en de eisen die aan milieubelastende activiteiten worden gesteld.
De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen nadere invulling te geven aan de vraag wanneer sprake is van een ‘significante milieuverontreiniging’. Dit betekent dat het bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een mba moet motiveren op welke wijze de regels in het omgevingsplan de inhoud van het besluit hebben beïnvloed.
Het omgevingsplan zal o.a. regels bevatten over de milieugevolgen van milieubelastende activiteiten, zoals geluid, trillingen, geur en externe veiligheid. Het omgevingsplan kan een belangrijke rol spelen bij de beoordeling of sprake is van «significante milieuverontreiniging» door een milieubelastende activiteit. Bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning mba voor paasvuren moet ook met deze aspecten rekening worden gehouden om te kunnen beoordelen of al dan niet sprake is van significante milieuverontreiniging. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als ondanks afwijking van de regels van het omgevingsplan is gewaarborgd dat de activiteit geen significante verontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet wel een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit worden aangevraagd.
In artikel 8.17 van het Bkl zijn aanvullende beoordelingsregels opgenomen voor mba’s die bijdragen aan de concentraties van stoffen waarvoor omgevingswaarden zijn vastgesteld die resultaatsverplichtingen zijn. Deze beoordelingsregels gelden alleen voor het geval waarin de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van die stoffen.
In artikel 8.17 lid 1 van het Bkl is geregeld dat, wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een mba die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van de stoffen zoals aangegeven onder a t/m h, de omgevingsvergunning voor een mba alleen wordt verleend als de daarvoor geldende omgevingswaarden in acht worden genomen.
Een toename van concentraties voor de luchtverontreinigende stoffen kan dus worden toegestaan op locaties waar aan de norm wordt voldaan, zolang een activiteit niet tot een overschrijding van de omgevingswaarden leidt. De omgevingswaarden (lees: de ten hoogste toelaatbare concentraties) waarnaar in artikel 8.17 lid 1 van het Bkl wordt verwezen, zijn vastgesteld in de artikelen 2.3 t/m 2.6 van het Bkl en zien op concentratiewaarden in de buitenlucht voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, benzeen, lood en koolmonoxide.
- -
Wet milieubeheer is nog van toepassing op het verbranden van niet ingezamelde en afgegeven snoeiafval op eigen terrein. Op grond van artikel 10.63, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, hiervoor een ontheffing verlenen.
- -
Landelijk Afvalbeheer Plan: Per 1 januari 2026 is het landelijk afvalbeleid vastgelegd in het Circulair Materialenplan (CMP), Afvalplan groenafval. De primaire doelgroepen waarvoor het CMP geschreven is, zijn zowel de bedrijven die deze afvalstoffen verwerken of grensoverschrijdend transporteren als het bevoegd gezag dat voor deze activiteiten toestemming moet verlenen.
In paragraaf 5.2.4. is aangegeven dat afvalstoffen in bijna alle gevallen hoogwaardiger kunnen worden verwerkt dan verbranden (als vorm van verwijderen). In alle gevallen leidt verbranding zonder milieubeschermende voorzieningen bovendien tot emissies (met name naar de lucht) die zeer schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu.
Ook kan het verbranden van - met name grote hoeveelheden - afvalstoffen gevaar opleveren als het vuur zich ongehinderd kan verspreiden. Met het verlenen van een ontheffing of een vergunning voor het verbranden van afvalstoffen in de open lucht dient moet terughoudend worden omgegaan.
Het verbranden van afval in de open lucht is in de basis niet doelmatig en zorgt voor een slechtere luchtkwaliteit. Voor paasvuren of vreugdevuren kan de gemeente kiezen om een uitzondering te maken. Daarom wordt geadviseerd om terughoudend te zijn bij het verlenen van zo’n omgevingsvergunning.
Als iemand alleen eigen snoeiafval wil verbranden in de open lucht (huishoudelijk afval), geldt nog wel de procedure van een ontheffing (op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer). Ook daarbij geldt de voorwaarde van een doelmatig beheer, en dus een terughoudendheid om zo’n ontheffing te verlenen.
- -
De Omgevingswet reguleert ook de Natura2000- en flora & fauna-activiteiten. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Met de regels die gaan over het beschermen van bepaalde plant- en diersoorten en Natura2000-gebieden moet bij het organiseren van paasvuren ook rekening worden gehouden. Er moet aantoonbaar worden voldaan aan de ‘zorgplichtvereisten’ in de wet.
- -
Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving – buitenplanse omgevingsplanactiviteit
In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is bepaald wat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (kortweg: BOPA) is. Een BOPA is een activiteit die in strijd is met de voor die activiteit in het omgevingsplan opgenomen regels en waarvoor het verboden is om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een BOPA kan ook een activiteit zijn die in strijd is met het omgevingsplan maar waarvoor het omgevingsplan geen verbod bevat om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een paasvuur is een voorbeeld van zo’n activiteit.
- -
Het wettelijk toetsingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is geregeld in paragraaf 8.1.1.2 van het Bkl. Artikel 8.0b van het Bkl schrijft voor dat een omgevingsvergunning voor een BOPA in ieder geval moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dat betekent dat een activiteit moet worden getoetst aan alle relevante aspecten die invloed kunnen hebben op de betreffende locatie en zijn omgeving. Daarbij kun je onder andere denken aan geluid, water, bodem, veiligheid, natuur en gezondheid. De artikelen 8.0c en 8.0d van het Bkl schrijven voor dat een omgevingsvergunning voor een BOPA ook moet voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen van het Rijk (Bkl) en de provinciale Omgevingsverordening.
- -
Herziene Europese richtlijn luchtkwaliteit
De normen voor diverse stoffen zijn aangescherpt om de gezondheid van de Europese bevolking beter te beschermen. Het gaat onder andere om scherpere grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel de PM10-fractie, als de fijnere PM2.5- fractie). De aangescherpte grenswaarden gelden vanaf 2030 en liggen dichter bij de advieswaarden van de WHO dan de huidige grenswaarden.
- -
- 2.
Internationale verdragen en landelijk juridisch en beleidsmatig kader Immaterieelerfgoed
- -
Twee verdragen vormen de basis voor het Nederlandse immaterieel erfgoedbeleid:
- •
Het UNESCO-verdrag voor Immaterieel Cultureel Erfgoed verplicht overheden een gunstig klimaat en bewustwording te creëren van het belang/de waardes van immaterieel erfgoed. Beoefenaren van immaterieel erfgoed moeten worden ondersteund bij de borging ervan. Dit ‘levend’ erfgoed moet zich aanpassen aan maatschappelijke ontwikkelingen en is daardoor aan verandering onderhevig.
- •
Het Verdrag van Faro, de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving wil dat mensen zo goed mogelijk in staat zijn hun erfgoed te beoefenen, waarbij ze de mens centraal zetten. Het samen beoefenen van erfgoed is onderdeel van het sociale cement van onze samenleving. Ratificatie van dit bedrag door Nederland moet nog plaatsvinden.
- •
- -
Erfgoedwet (2016): legt de basis voor cultuurgoedbeheer, inclusief roerend en immaterieel erfgoed. De wet biedt een juridisch kader waarbij overheden de beoefenaars van immaterieel erfgoed moeten ondersteunen en het voortbestaan van tradities actief bevorderen (borgen). Hoewel traditionele volksgebruiken zoals paasvuren in Nederland niet expliciet worden genoemd als formeel erfgoed, vallen deze rituelen onder immaterieel erfgoed en kunnen zij beschouwd worden als onderdeel van de nationale/lokale culturele identiteit.
- -
Beleidsvisie Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen (4 april 2024) is gericht op het versterken, beschermen en duurzaam in stand houden van immaterieel cultureel erfgoed in Nederland. Hierin wordt onderstreept dat immaterieel erfgoed een levend en dynamisch onderdeel is van de Nederlandse cultuur en dat het beleid hierop moet spelen met een balans tussen behoud, participatie en innovatie. Kernpunten van de beleidsvisie:
- a.
Immaterieel erfgoed omvat tradities, dialecten, ambachten, festivals, rituelen en kennis die binnen gemeenschappen worden doorgegeven. Dit erfgoed draagt bij aan de culturele iden-titeit en sociale samenhang van diverse groepen in Nederland.
- b.
Het belang van een herkenbare, inclusieve en levendige erfgoedpraktijk wordt benadrukt. Het beleid richt zich op het ondersteunen van gemeenschappen die het immaterieel erfgoed in ere houden, met respect voor pluriformiteit en innovatie.
- c.
Er wordt ingezet op een grotere betrokkenheid van lokale gemeenschappen, culturele organisaties en onderwijs bij het documenteren, doorgeven en vieren van immaterieel erfgoed. Dit stimuleert actieve participatie en een breed draagvlak
- d.
Het beleid stimuleert de digitale opname en ontsluiting van immaterieel erfgoed, zodat kennis en tradities beter bewaard blijven en toegankelijk zijn voor het brede publiek, onderzoekers en toekomstige generaties. Nadruk ligt op samenwerking tussen overheidsinstanties, erfgoedorganisaties en inter-nationale partners, bijvoorbeeld via UNESCO-verdragen, om kennisuitwisseling en bescherming op Europees en mondiaal niveau te bevorderen.
- e.
De beleidsvisie beoogt erfgoedpraktijken toekomstbestendig te maken door ruimte te bieden voor ontwikkeling en aanpassing binnen tradities zonder de authentieke waarden aan te tasten.
- a.
- -
Bestuurlijke afspraken/ambities rijk, IPO en VNG cultuurbeoefening 2025–2028 ‘Een leven lang cultuur en erfgoed beoefenen’ (10 januari 2025)
- a.
Eenduidiger maken van het beleid voor cultuur- en erfgoedbeoefenaars, aanbieders en ondersteuners en binnen de overheden zelf.
- b.
Toegankelijker maken van cultuurbeoefening voor cultuur- en erfgoedbeoefenaars.
- c.
Actualiseren van onderlinge afspraken.
- d.
Verkennen hoe de partijen met de sector structurele knelpunten en uitdagingen kunnen aanpakken. Om de komende jaren uitvoering te geven aan onze ambities kondigen de partijen hier het Ontwikkel-traject cultuurbeoefening 2025–2028 aan. In dit traject gaan OCW, IPO en VNG samen met de sector(beleids-)verkenningen uitvoeren naar structurele knelpunten. Dit betreffen complexe knelpunten die vragen om samenwerking tussen de overheidslagen. De verkenningen vormen de basis op het vervolg van deze bestuurlijke afspraken in de toekomst.
- a.
- -
- 3.
Lokaal kader
- -
Algemene plaatselijke verordening (APV)
Naast de rijksregels golden/gelden voor vuren in de open lucht ook regels voor hinder, gevaar en openbare orde in de APV (artikel 5:34 model-APV). Op basis van dit artikel is een ontheffing van het stookverbod nodig, met enkele uitzonderingen voor kleinschalige vuren.
Hinder, overlast en veiligheid kan ook worden meegenomen in de omgevingsvergunning. Het is de vraag of artikel 5:34 voor verbranding van ingezamelde/afgegeven afvalstoffen nog aanvullende werking heeft.
- -
Omgevingsvisie, -plan, erfgoedbeleid en evenementenbeleid
De bestuurlijk, strategische keuze om het belang en de instandhouding van immaterieel erfgoed tot uitdrukking te brengen vindt bij voorkeur plaats in de omgevingsvisie dan wel in het erfgoedbeleid. Voor de traditie van paasvuren betekent dit strategische beleid dat plekken waar vuren worden ontstoken in een planologisch kader kunnen worden beschermd of dat activiteiten er zo worden gereguleerd dat het voortbestaan kan worden gewaarborgd.
- -
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl