Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766506
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766506/1
Geldend van 15-09-2026 t/m heden
Samenvatting
Inleiding
Voor u ligt het Natura 2000-beheerplan voor het Naardermeer. Nederland telt ruim 160 Natura 2000-gebieden. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden binnen de Europese Unie. Dit netwerk is bedoeld om de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa te stoppen. Het Naardermeer is een van de aangewezen Natura 2000-gebieden.
Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen vastgelegd en moet een beheerplan worden vastgesteld dat uitwerking geeft aan de Natura 2000-doelen in omvang, ruimte en tijd. Het Naardermeer wordt beschermd als Natura 2000-gebied vanwege de bijzondere natuur van het laagveenmoeras. De Omgevingswet bepaalt dat een beheerplan iedere zes jaar dient te worden geactualiseerd. Dit is het tweede Natura 2000-beheerplan voor het Naardermeer en geldt voor de periode 2026-2032.
Het beheerplan beschrijft wat er moet gebeuren om, in samenhang met het huidig gebruik, de Natura 2000-doelen uit het aanwijzingsbesluit te realiseren. Het beheerplan:
-
Werkt de natuurdoelen voor het Natura 2000-gebied verder uit in omvang, ruimte en tijd; Geeft een overzicht van de maatregelen die in de planperiode van zes jaar (2026-2032) genomen moeten worden en geeft zo nodig een doorkijk naar de maatregelen die op langere termijn noodzakelijk zijn;
-
Geeft inzicht in welke activiteiten in en om het gebied zonder meer kunnen worden voortgezet, welke alleen onder bepaalde voorwaarden kunnen plaatsvinden en welke alleen kunnen worden voortgezet als er een vergunning voor is verleend;
-
Geeft het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe activiteiten en voor handhaving. Dat kader zal de provincie c.q. de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN) gebruiken bij de vergunningverlening;
-
Is geen inrichtings- of beheerplan op perceelsniveau, maar vormt hiervoor wel een van de kaders. Het beheerplan legt de maatregelen vast die in deze planperiode nodig zijn om de natuurdoelen te realiseren. Dit zijn echter geen maatregelen waarvan de uitvoering juridisch worden neergelegd bij anderen (anders dan de terreinbeherende organisaties), tenzij daar afspraken over zijn gemaakt. Met derden wordt op basis van vrijwilligheid samengewerkt. Bestaande (subsidie)regelingen kunnen die samenwerking faciliteren.
Voorafgaand aan het opstellen van dit beheerplan is een evaluatie van de eerste beheerplanperiode
uitgevoerd. Uit deze evaluatie blijkt dat de arealen en kwaliteit van natuurwaarden
op diverse locaties zijn afgenomen. Nieuwe verlandingsreeksen komen niet op gang en
bestaande vegetaties worden steeds ouder. De kwaliteit neemt hierdoor af. De waterplantenvegetaties
zijn zelfs zeer sterk afgenomen. De voornaamste knelpunten zijn het hydrologisch systeem
(waterkwaliteit, waterkwantiteit), overmaat van stikstofdepositie, invasieve soorten,
onvoldoende areaal en versnippering van habitattypen en leefgebieden en ganzenvraat.
In het eerste Natura 2000-beheerplan zijn maatregelen opgenomen om verslechtering
van kwalificerende habitats te voorkomen. Uit de evaluatie blijkt dat met name de
overlevingsmaatregelen zijn uitgevoerd, maar dat de hydrologische herstelmaatregelen
nog niet zijn gerealiseerd. Deze zijn wel ver in planuitvoering.
Doelen en maatregelen voor de tweede beheerplanperiode
Zoals blijkt uit de beheerplanevaluatie en natuurdoelanalyse is het in een aantal gevallen niet gelukt om verslechtering te voorkomen, ondanks dat een groot deel van de overlevingsmaatregelen geheel of gedeeltelijk zijn uitgevoerd. Daarentegen zijn de beoogde systeemherstelmaatregelen nog niet doorgevoerd. Uit de geconstateerde verslechtering volgt een aantal duidelijke herstelopgaven en de noodzaak en urgentie om deze te prioriteren voor de komende beheerplanperiode van zes jaar. Het beheerplan richt zich op:
-
Hydrologisch herstel, gericht op herstel van kwel en verbetering waterkwantiteit, mede in relatie tot klimaatverandering
-
Verbeteren van connectiviteit, zowel binnen het Naardermeer als richting de Randmeren
-
Uitbreiding van kwelafhankelijke natuurwaarden, waaronder blauwgraslanden
-
Eliminatie waar mogelijk en beheersen van invasieve soorten
-
Tegengaan van ganzenvraat
-
Aanvullende beheermaatregelen om de effecten van stikstofdepositie tegen te gaan (verruiging en versnelde successie)
Een uitgebreide beschrijving van de maatregelen staat in hoofdstuk 5.
Toetsing van het huidige gebruik
Er mogen in het gebied geen activiteiten zonder beoordeling en/of vergunning plaatsvinden die de Natura 2000-doelen voor het gebied in gevaar brengen. Daarom is het huidig gebruik getoetst aan deze doelen. Ook activiteiten buiten de begrenzing van het gebied kunnen een effect hebben op de Natura 2000-doelen (externe werking), deze zijn daarom ook getoetst. Verder is op hoofdlijnen aangegeven hoe nieuwe activiteiten zullen worden getoetst. De resultaten van deze toetsing staan in hoofdstuk 6 en in de bijlagen bij hoofdstuk 3.
Uit de toetsing is gebleken dat het huidig gebruik over het algemeen geen negatief effect heeft, of dat de effecten zo gering zijn dat ze de Natura 2000-doelen niet in gevaar brengen. In sommige gevallen moet men zich wel aan bepaalde voorwaarden houden, om aantasting van de Natura 2000-doelen te kunnen uitsluiten. De beoordeling van het huidig gebruik is terug te vinden in tabel 6.1.
Van het huidig gebruik dat bijdraagt aan de te hoge stikstofdepositie, kan niet worden uitgesloten dat het een effect heeft op de volgende habitattypen: vochtige heide (laagveengebied) (H4010B), blauwgraslanden (H6410), trilvenen (H7140A), veenmosrietlanden, en hoogveenbossen (H91D0). Ook is er een effect op de leefgebieden van de zeggekorfslak (H1016) en groenknolorchis (H1903). Dat gebruik is en blijft dus meestal apart onderzoeks- en vergunningsplichtig.
Nieuwe activiteiten kunnen een negatief effect hebben op de Natura 2000-doelen voor Naardermeer. Voorbeelden hiervan zijn:
-
Toename van stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige habitattypen en -soorten. De meeste habitattypen in Naardermeer zijn gevoelig voor stikstof en overbelast.
-
Aantasting of vernietiging van de habitattypen, bijvoorbeeld door overmatige betreding, graven of kappen.
-
Verdroging van habitattypen door bijvoorbeeld ontwatering, peilverlaging of onttrekking van grondwater.
-
Verstoring van de leefgebieden van de beschermde Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten, bijvoorbeeld door overmatige betreding, graven of kappen.
De inhoud van dit beheerplan kan gebruikt worden voor de zogenoemde voortoets. In veel gevallen zal een voortoets duidelijkheid geven over de mogelijke effecten van voorgenomen activiteiten. Als op basis van die voortoets effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, moet nader onderzoek worden verricht en een vergunning in het kader van de Omgevingswet (Natura 2000-activiteiten) worden aangevraagd. Uit de onderbouwing (‘passende beoordeling’) bij de aanvraag zal moeten blijken dat significante effecten kunnen worden uitgesloten. Vaak kunnen de effecten worden voorkomen door het nemen van ‘mitigerende maatregelen’. Bij twijfel of een vraag over de vergunningplicht voor een activiteit kan contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
Sociaal economische effecten, monitoring en handhaving
In hoofdstuk 9 zijn de eventuele sociaaleconomische effecten van maatregelen, huidig gebruik en nieuwe activiteiten beschreven. Er zijn geen sociaaleconomische effecten als gevolg van dit beheerplan.
De handhaving die nodig is om de natuur in het Natura 2000-gebied te beschermen is beschreven in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 10 gaat in op de monitoringsopgave. Het betreft met name de monitoring van habitattypen en de (leefgebieden van) vogel- en habitatrichtlijnsoorten en de monitoring van de uitvoering en effectiviteit van de maatregelen uit dit en het eerste Natura 2000-beheerplan.
Er is een handhavingsplan voor het Naardermeer en monitoringsplan voor het peil binnen de schil opgesteld. Deze uitvoeringsplannen zijn separaat vastgesteld in het kader van het eerste Natura 2000-beheerplan. De vereisten voor monitoring zijn opgenomen in dit Natura 2000-beheerplan.
2. Inleiding
2.1 Achtergrond en aanleiding voor het beheerplan
Voor u lig het Natura 2000-beheerplan voor het Naardermeer. In dit inleidende hoofdstuk wordt uitgelegd wat Natura 2000 is en wat een Natura 2000-beheerplan is.
Nederland telt 162 Natura 2000-gebieden. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, gericht op het behoud van biodiversiteit op Europese schaal. Het Rijk stelt de begrenzing vast en bepaalt ook welke natuurdoelen in het gebied bereikt moeten worden. De aanwijzing betekent dat het gebied beschermd is op grond van de Omgevingswet: er mogen in beginsel geen activiteiten plaatsvinden die de Natura 2000-doelen voor het gebied in gevaar brengen.
De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. De Europese commissie wil dit onder andere bereiken door een Natura 2000-netwerk te realiseren, dat bestaat uit belangrijke natuurgebieden binnen Europa. De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn belangrijke instrumenten om dit Natura 2000-netwerk te realiseren. Deze richtlijnen bepalen onder andere dat de lidstaten beschermde gebieden voor kwetsbare soorten en habitattypen moeten aanwijzen, dit zijn de Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden die geschikt zijn om het duurzaam voortbestaan van de meest bedreigde soorten en habitattypen te verzekeren. Hierdoor wordt de biodiversiteit in Europa behouden. De opdracht is om de soorten en habitattypen waarvoor een verplichting is aangegaan, in een gunstige staat van instandhouding te brengen en deze gunstige staat vervolgens te behouden. De wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden is in de Omgevingswet geregeld.
Het Naardermeer is op 29 oktober 1986 door de Europese Commissie aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijngebied. Vervolgens is op 7 december 2004 het gebied ook als Habitatrichtlijngebied aangewezen. Het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied is in 2013 definitief vastgesteld (kenmerk PDN/2013-094). De Omgevingswet bepaalt dat voor alle Natura 2000-gebieden binnen drie jaar na definitieve aanwijzing een beheerplan moet worden vastgesteld en dat dit plan iedere zes jaar dient te worden geactualiseerd. Het beheerplan vertaalt de doelen voor de Nederlandse natuur op nationaal niveau naar doelen op gebiedsniveau.
2.2 Doel van het beheerplan
Het beheerplan beschrijft wat er moet gebeuren om, in samenhang met het huidig gebruik, de Natura 2000-doelen uit het aanwijzingsbesluit te realiseren. Het beheerplan:
-
Werkt de natuurdoelen voor het Natura 2000-gebied verder uit in omvang, ruimte en tijd;
-
Geeft een overzicht van de maatregelen die in de planperiode van zes jaar (2026-2032) genomen moeten worden en geeft zo nodig een doorkijk naar de maatregelen die op langere termijn noodzakelijk zijn.
-
Geeft inzicht in welke activiteiten in en om het gebied zonder meer kunnen worden voortgezet, welke alleen onder bepaalde voorwaarden kunnen plaatsvinden en welke alleen kunnen worden voortgezet als er een vergunning voor is verleend. Dit beheerplan kan beperkingen opleveren voor het gebruik. Activiteiten die in strijd met dit beheerplan plaatsvinden, kunnen in strijd zijn met de wet. In dat geval vindt hierop handhaving plaats.
-
Geeft het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe activiteiten en voor handhaving. Dat kader zal de provincie c.q. de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN) gebruiken bij de vergunningverlening.
-
Is geen inrichtings- of beheerplan op perceelsniveau, maar vormt hiervoor wel een van de kaders. Het beheerplan legt de maatregelen vast die in deze planperiode nodig zijn om de natuurdoelen te realiseren. Dit zijn echter geen maatregelen waarvan de uitvoering juridisch wordt neergelegd bij anderen (anders dan de terreinbeherende organisaties), tenzij daar afspraken over zijn gemaakt. Met derden wordt op basis van vrijwilligheid samengewerkt. Bestaande (subsidie)regelingen kunnen die samenwerking faciliteren.
2.3 Totstandkoming en participatie
Het Natura 2000-beheerplan is een ‘programma’ als bedoeld in de Omgevingswet. In een programma formuleren overheden beleid en maatregelen. Die maatregelen moeten leiden tot de gewenste ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet stelt regels over de gewenste participatie. Het karakter van het programma bepaalt welke partijen een rol gaan spelen bij de participatie. Participatie moet ertoe leiden dat het beleid weloverwogen is en de maatregelen goed uitvoerbaar zijn. Daarom verkent het bevoegd gezag in een participatietraject welke belangen er allemaal spelen, welke maatregelen mogelijk zijn, wat de voor- en nadelen ervan zijn, wie de maatregelen kan uitvoeren en hoe het maatregelen weegt en kiest. In het vaststellingsbesluit neemt het bevoegd gezag de motivering op voor de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn en wat de resultaten hiervan zijn.
Voorafgaand aan het herzien van het Natura 2000-beheerplan is in 2023 een Natuurdoelanalyse (NDA) opgesteld voor het Naardermeer, in nauwe inhoudelijke afstemming met de terreinbeheerder Natuurmonumenten en het waterschap (Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV)). De concept NDA is vervolgens in 2024 getoetst door de Ecologische Autoriteit (EA). Het advies van de EA heeft vervolgens geleid tot vaststelling van een definitieve NDA in 2025.
Daarnaast is in 2025 een Evaluatie en Natuurdoelanalyse opgesteld (TAUW, 2025). Dit betreft een ecologische evaluatie van de eerste beheerplanperiode en Natuurdoelanalyse. Deze Evaluatie en Natuurdoelanalyse vormt de basis voor het herziene beheerplan. Deze evaluatie en natuurdoelanalyse is in 2026 getoetst door de Ecologische Autoriteit. Zowel de evaluatie als het herziene Natura 2000-beheerplan zijn tot stand gekomen na overleg met Natuurmonumenten, AGV en de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Met de (water)beheerders is gesproken in diverse werkgroepoverleggen waarin zij vertegenwoordigd waren. Met alle belanghebbenden is gesproken in een klankbordgroepoverleg. Bijlage 1 geeft een overzicht van de partijen die bij het opstellen van het beheerplan betrokken zijn.
2.4 Leeswijzer
Het juridisch kader en raakvlakken van het Natura 2000-beheerplan met ander natuurbeleid is beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het gebied opgenomen, waarna in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de knelpunten en maatregelen. In hoofdstuk 6 is een samenvatting opgenomen van de toetsing van het huidig gebruik in het Naardermeer. Hoofdstuk 7 gaat in op de financiering van maatregelen. Handhaving is opgenomen in hoofdstuk 8. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de sociaal-economische afweging. Monitoring en onderzoek is beschreven in hoofdstuk 10. Tot slot is in hoofdstuk 11 de literatuurlijst opgenomen.
3. Juridische kader en raakvlakken met ander natuurbeleid
3.1 Juridische status en vaststelling
Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Omgevingswet (Ow). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd vanuit een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De Rijksoverheid wijst de Natura 2000-gebieden aan met een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44 lid 1 Ow). In dat besluit is aangegeven voor welke natuurwaarden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd zijn. Dit kunnen behouds- of uitbreiding- en verbeterdoelstellingen zijn in omvang of kwaliteit.
Het College van GS van Noord-Holland geeft met de vaststelling van het Natura 2000-beheerplan voor Naardermeer uitwerking aan de Omgevingswet. De looptijd van dit beheerplan start op de dag na de publicatie in het Provinciaal Blad van het definitieve vaststellingsbesluit van GS. Bij de uitwerking van de doelen en maatregelen is rekening gehouden met economische, sociale en culturele belangen die in dit gebied spelen.
Bij de juridische status van het beheerplan spelen de volgende aspecten:
-
Dit beheerplan kan beperkingen opleveren voor het gebruik. Activiteiten die in strijd met dit beheerplan plaatsvinden, kunnen in strijd zijn met de wet. In dat geval vindt hierop handhaving plaats;
-
Het beheerplan geeft een overzicht van de staat van het Natura 2000-gebied. Deze wordt door de provincie gebruikt bij toestemmingverlening voor nieuwe activiteiten.
-
Het beheerplan zelf gaat niet over nieuwe ontwikkelingen. Voor deze activiteiten geldt de reguliere onderzoeks- en vergunningenprocedure volgend uit de Omgevingswet.
3.2 Vogel- en Habitatrichtlijn
De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. De Europese Commissie wil dit onder andere bereiken door een Natura 2000-netwerk te realiseren, dat bestaat uit belangrijke natuurgebieden binnen Europa. De Europese Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn belangrijke instrumenten om dit Natura 2000-netwerk te realiseren. Deze richtlijnen bepalen onder andere dat de lidstaten beschermde gebieden voor de kwetsbaarste soorten en habitattypen moeten aanwijzen; dit zijn de Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden die geschikt zijn om het duurzaam voortbestaan van de meest bedreigde soorten en habitattypen te verzekeren. Hierdoor wordt de biodiversiteit in Europa behouden. De opdracht is om de soorten en habitattypen waarvoor een verplichting is aangegaan, in een gunstige staat van instandhouding te brengen en deze gunstige staat vervolgens te behouden.
Natura 2000-gebeden en hun bijbehorende doelstellingen zijn vastgelegd op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In door het Rijk vastgestelde aanwijzingsbesluiten zijn de begrenzing en de definitieve doelen voor de gebieden vastgesteld. De wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden is in de Omgevingswet geregeld. Het Naardermeer is als Vogel- en Habitatrichtlijngebied aangewezen, waarbij het Laegieskamp uitsluitend onder de Habitatrichtlijn is aangewezen.
3.3 VHR-doelen provincie Noord-Holland
De doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) zijn het beschermen van specifieke planten, dieren en habitattypen om biodiversiteit te behouden. De provincie Noord-Holland heeft een eerste analyse uitgevoerd van de VHR-doelen. Deze is uitgewerkt in het rapport ‘Analyse VHR-doelen provincie Noord-Holland: Een uitwerking van de huidige Vogel- en Habitatrichtlijndoelstellingen’ (Provincie Noord-Holland, 2022a). In dit rapport is uitgewerkt wat de Vogel- en Habitatrichtlijndoelen in de provincie Noord-Holland betekenen en wat er nodig is om een gunstige staat van instandhouding te bereiken. De beoogde natuurdoelen kunnen zowel in de vorm van NNN, als in de vorm van een ander gebied worden behaald, zoals (duurzaam) ANLb-gebied, groenblauwe dooradering, de bossenstrategie of (klimaat)buffergebied.
De uitkomsten van deze VHR-doeluitwerking kan via een ruimtelijke vertaling landen in gebiedsprocessen. In samenspraak met omgevingspartijen zal de provincie in de gebiedsprocessen vervolgens uitwerken hoe deze doelen behaald kunnen worden, en hoe dit samen kan gaan met andere functies. Dit zal vooral binnen de Natura 2000-gebieden en binnen het bestaande NNN plaatsvinden. Verbetering van kwaliteit zal hierbij centraal staan.
Relatie met het beheerplan
De analyse van VHR-doelen is uitgewerkt voor de gehele provincie. De opgave voor moerassen, stilstaande wateren en blauwgraslanden kunnen een relatie hebben met het Naardermeer en de directe omgeving. Zo zijn er op basis van de VHR-doeluitwerking opgaven voor uitbreiding en behoud voor habitattypen die een instandhoudingsdoel hebben in het Naardermeer. Dit gaat om H4010B Vochtige heiden (laagveengebied), H6410 Blauwgraslanden, H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea), H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje), H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen), H7140B Overgangs en trilvenen (veenmosrietland) en H91D0 Hoogveenbossen. Ook zijn er VHR-opgaven voor snor en grote karekiet, die ook een instandhoudingsdoel hebben in het Naardermeer. Voor deze habitattypen en leefgebieden wordt gezocht naar locaties binnen bestaand NNN waarbij door middel van een kwaliteitsverbetering deze vegetaties tot ontwikkeling kunnen komen. Wanneer deze nabij bestaande habitattypen worden gerealiseerd kan dit bijdragen aan het totaal areaal (een robuuste eenheid) waardoor de kwaliteit toeneemt en deze minder gevoelig worden voor externe invloeden.
3.4 Omgevingswet: Natura 2000-activiteiten
De bescherming van Natura 2000-gebieden is opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet stelt dat een Natura 2000-activiteit die mogelijk significant negatieve gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden niet zijn toegestaan. Toestemmingverlening door middel van vergunningverlening kan uitsluitend plaatsvinden na een passende beoordeling. Alleen wanneer uit de passende beoordeling significant negatieve gevolgen met zekerheid zijn uitgesloten (al dan niet in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen met een additionaliteitstoets) kan een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten worden verleend. Mochten significant negatieve gevolgen in een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan een plan alleen worden vastgesteld of een vergunning voor een project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden. Dat betekent dat er geen Alternatief mag zijn, er moet sprake zijn van Dwingende redenen van groot openbaar belang en negatieve gevolgen worden geCompenseerd.
Een Natura 2000-activiteit is een activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied[1]. Projecten die direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, vallen niet onder deze definitie.
Een vergunning (Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten) wordt meestal verleend door Gedeputeerde Staten (GS). Deze taak wordt namens Gedeputeerde Staten door Omgevingsdienst Noord-Holland Noord uitgevoerd.
Relatie met het Natura 2000-beheerplan
In het Natura 2000-beheerplan wordt ingegaan op maatregelen die nodig zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Maatregelen die ten behoeve van het beheer van het Natura 2000-gebied worden uitgevoerd (direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied) wordt niet beschouwd als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit. Voor dergelijke activiteiten geldt een vrijstelling van de vergunningplicht (Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten).
Natura 2000-acitivteiten kunnen van invloed zijn op het (minder goed) halen van de instandhoudingsdoelen van het Naardermeer. Voor dergelijke activiteiten geldt een los vergunningenspoor die buiten de reikwijdte van het Natura 2000-beheerplan valt. Voor deze plannen en projecten geldt dat zowel op zichzelf, als in combinatie met andere plannen en projecten, de zekerheid verkregen moet worden dat deze geen aantasting van de Natura 2000-waarden tot gevolg hebben.
[1] Bijlage A van de Omgevingswet
3.5 Omgevingswet: flora- en fauna-activiteiten
De Omgevingswet beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Dit betekent dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Afhankelijk van de soort gelden verbodsbepalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Wanneer er toch sprake is van overtreding van een verbodsbepaling kunnen activiteiten uitsluitend worden uitgevoerd met een vergunning (Omgevingsvergunning flora en fauna-activiteiten). Dit kan alleen wanneer sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten.
Een vergunning (Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten) kan uitsluitend wordt meestal verleend door Gedeputeerde Staten (GS). Deze taak wordt namens Gedeputeerde Staten door Omgevingsdienst Noord-Holland Noord uitgevoerd. Een vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten kan uitsluitend worden vastgesteld door Provinciale Staten in de provinciale omgevingsverordening. Daarnaast kan, afhankelijk van het type activiteit, de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) bevoegd gezag zijn (artikel 4.12, Omgevingsbesluit). Dit is bijvoorbeeld voor activiteiten van nationaal belang (zoals rijksinfrastructuur of activiteiten met een landelijke impact).
Met de overgang van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk soortenbescherming) naar de Omgevingswet is de ‘(specifieke) zorgplicht’ van kracht geworden. Dit betekent dat voor alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor planten- en diersoorten zowel een ‘algemene zorgplicht’ als een ‘specifieke zorgplicht’ geldt. De zorgplicht houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ draagt voor de fysieke leefomgeving en dat activiteiten waarvan men kan weten dat die schadelijk zijn voor de fysieke leefomgeving achterwege worden gelaten of dat mogelijke gevolgen daarvan tot een minimum beperkt worden. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen.
Relatie met het Natura 2000-beheerplan
Het Natura 2000-beheerplan is in eerste instantie gericht op gebiedsbescherming, maar heeft wel een relatie met de regelgeving ten aanzien van beschermde flora en fauna. De regels over flora en fauna betreffen in beginsel een zelfstandig kader naast de bescherming van Natura 2000 in het algemeen. Voor activiteiten die worden uitgevoerd ten behoeve van het beheer van Natura 2000-gebied geldt een vrijstelling van de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten. De maatregelen die in dit beheerplan worden benoemd of maatregelen die worden uitgevoerd voor het beheer van het Natura 2000 gebied kunnen dus zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden uitgevoerd. De zorgplicht blijft echter altijd van kracht.
3.6 Omgevingswet: houtopstanden
Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are (0,1 hectare) zijn
beschermd, met enkele uitzonderingen (artikel 11.111 van het Bal). De bescherming
heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland ten minste te behouden.
In het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 11.113 Bal) is geregeld dat de
meldplicht voor het vellen van houtopstanden en de plicht tot herbeplanten niet van
toepassing is op de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen of passende maatregelen
zoals beschreven in dit beheerplan.
3.7 Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die ervoor moet zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater op orde is. De doelstelling van de KRW is dat uiterlijk in 2027 in heel Europa de kwaliteit van alle wateren zowel chemisch (schoon) als ecologisch (gezond) op orde moet zijn. De KRW-lichamen moeten in Natura 2000-gebieden zowel aan de algemene KRW-doelen voldoen als aanvullende normen die voorkomen uit andere Europese richtlijnen, in dit geval de Vogel- en Habitatrichtlijn (artikel 4.1, lid 1, onder c). De KRW zorgt ervoor dat de vereiste watercondities gewaarborgd worden. In het Naardermeer gaat het om de waterkwantiteit en -kwaliteit van de aquatische en grondwaterafhankelijke habitattypen. Voor het Naardermeer is een maatregelenprogramma opgesteld ten behoeve van het behalen van de KRW-doelen.
Het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022 – 2027 is vastgesteld op 31 januari 2022 door Provinciale Staten van Noord-Holland. In het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022 – 2027 wordt onder andere uitvoering gegeven aan de Kaderrichtlijn Water. De rol van de provincie betreft vooral de ecologische waterkwaliteit. Zo stelt de provincie op voorstel van de waterschappen, de ecologische KRW-doelen vast van de regionale oppervlaktewaterlichamen. Het Regionaal Waterprogramma is in beginsel alleen voor de provincie bindend. Enige uitzondering zijn de ecologische KRW-doelen van de oppervlaktewaterlichamen, die bindend zijn voor de waterschappen. Een relevante ontwikkeling die (onder andere) geborgd is in het Regionaal Waterprogramma is de bufferzone (de Schil) rond het Naardermeer. Deze wordt in komende KRW-periode (2022-2027) afgerond (Provincie Noord-Holland, 2022b).
3.8 Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van belangrijke bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. Het NNN levert, samen met het Natura 2000-netwerk, een belangrijke bijdrage aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit in Nederland. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland zijn verantwoordelijk voor het aanwijzen van NNN-gebieden, het formuleren van doelen (wezenlijke kenmerken en waarden) en realisatie van het NNN in de provincie. Dit doen zij samen met terreinbeherende organisaties, particulieren, gemeenten en waterschappen. Het NNN binnen de kade is al gerealiseerd, daarbuiten nog niet geheel. Deze werkzaamheden zijn op moment van schrijven in uitvoering.
Het provinciale beleid en nadere regels rondom het NNN zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Deze regels zijn erop gericht te voorkomen dat nieuwe activiteiten mogelijk worden gemaakt die een negatief effect hebben op het NNN. Afwijken hiervan is alleen mogelijk als gebruik gemaakt kan worden van een van de afwijkingsmogelijkheden en negatieve effecten zodanig worden gecompenseerd dat de kwaliteit, samenhang en oppervlakte van het NNN niet afnemen.
3.9 Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL)
Voor het beheer van het NNN bestaat het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). In het jaarlijkse Natuurbeheerplan geven de provincies aan waar welk soort beheer gevraagd wordt. In het openstellings-besluit bepalen de provincies vervolgens hoeveel budget er voor elk beheertype beschikbaar is (https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Natuur/Natuurnetwerk_Nederland_NNN). In bijlage 2 is de beheertypekaart (SNL) opgenomen. Terreinbeherende organisaties en particulieren kunnen op basis hiervan subsidie krijgen voor het beheer ten behoeve van het behoud van de beheertypen. Eventuele verbeter- en uitbreidingsopgaven vanuit het NNN worden opgenomen in de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan.
3.10 Natuurdoelanalyse
In de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) is vastgelegd dat we de natuur verbeteren en de stikstofneerslag omlaag brengen. Het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN) geeft invulling aan deze wet en zorgt ervoor dat de maatregelen worden uitgevoerd, er tussentijdse monitoring is en zo nodig bijsturing plaatsvindt. De Natuurdoelanalyses (NDA) zijn onderdeel van dit Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN). In de NDA is de situatie en effecten van zowel stikstofreductie als natuurherstel beschouwd in een samenhangende ecologische beoordeling. De eerste cyclus NDA’s is eind maart 2023 opgeleverd, waarna door de Ecologische Autoriteit (EA) een advies is uitgebracht. In het beheerplan wordt het advies van de ecologische autoriteit op de eerste en tweede NDA betrokken. Het advies van de Ecologische Autoriteit is toegepast bij de uitwerking van de maatregelen.
3.11 Stikstof
Stikstof is een van de grootste knelpunten bij de realisatie van de Natura 2000-doelen in Nederland. Sectoren als verkeer, landbouw en industrie veroorzaken een zodanig hoge uitstoot van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) dat hierdoor vegetaties verruigen en verzuren. Dit leidt tot afname van de kwaliteit van deze habitats (van soorten) en op langere termijn verdwijnen daarvan. Dit wijst de Ecologische Evaluatie en Natuurdoelanalyse uit, op basis van onder andere de gegevens uit de AERIUS Monitor. Er is nog steeds sprake van hoge overschrijdingen van de KDW, in de NDA is dit per habititattype berekend en beschreven. Door de overmaat van stikstof wordt de ruimte voor nieuwe (economische) ontwikkelingen op veel plaatsen beperkt.
In het Naardermeer zijn stikstofgevoelige habitats (van soorten) aanwezig en is bovendien sprake van overbelasting op een groot deel van deze stikstofgevoelige habitats. Stikstof is dus een grote drukfactor in het Naardermeer. De beheer- en herstelmaatregelen zijn er (ook) op gericht om de effecten van stikstofdepositie tegen te gaan en te beperken. De aanpak om tot reductie van stikstofdepositie te komen wordt in het beheerplan echter buiten beschouwing gelaten, aangezien dit in een eigenstandig beleidsspoor van Rijk en provincie vorm krijgt.
3.12 Natuurherstelverordening
In alle EU-landen geldt sinds 2024 de Natuurherstelverordening (NHV). Deze Europese wet moet ervoor zorgen dat ecosystemen niet alleen beschermd maar ook hersteld worden. Met de NHV moet Nederland gebieden herstellen en beschermen op land, aan de kust, in zoet water, bos, in landbouwgebieden, in steden en zee. Doel van de NHV is dat in 2030 minimaal 30% van de Europese natuur is hersteld. In 2040 moet dat 60% zijn. En in 2050 90%.
Europa, en dus ook Nederland, beschermt en herstelt de natuur met wetten zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn water. De NHV bouwt hierop voort met extra doelen. Ook buiten Natura 2000-gebieden, en met concrete deadlines voor natuurherstel in 2030, 2040 en 2050.
3.13 Invasieve exotenverordening
Per 3 augustus 2016 geldt een Europees verbod (EU-exotenverordening 1143/2014) op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Deze soorten staan op de zogenaamde Unielijst. De invasieve exoten verordening is opgenomen in de Omgevingswet. In het Nederlands Soortenregister zijn alleen de soorten opgenomen die na 1900 in het wild in Nederland zijn waargenomen.
Invasieve exoten staan op de Unielijst omdat ze in (delen van) de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. Ze kunnen daarnaast ook nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid, veiligheid of de economie. Voor Unielijstsoorten gelden diverse verboden, zoals een handels-, bezits- en uitzetverbod. Verder geldt voor lidstaten de plicht om Unielijstsoorten op te sporen en populaties te verwijderen als het een exoot betreft die nieuw is in het land. Als de soort reeds wijdverspreid is, dan moeten lidstaten proportionele beheersmaatregelen nemen om verspreiding van en schade door die invasieve exoot zoveel mogelijk te voorkomen.
Voor het Naardermeer zijn onder meer uitheemse rivierkreeften, Japanse duizendknoop en ongelijkbladig vederkruid voorbeelden van relevante soorten die op de Unielijst staan.
4. Beschrijving van het gebied
4.1 Algemene gebiedsbeschrijving
Het Naardermeer is een van de oudste natuurlijke meren van Nederland en in tegenstelling tot de meeste andere plassen in West Nederland is het gebied niet door turfwinning ontstaan. Het meer stond via de Vecht in open verbinding met de Zuiderzee en afzettingen hiervan zijn terug te vinden. Er zijn verschillende pogingen gedaan in de geschiedenis om het meer droog te leggen, maar deze mislukten en het Naardermeer is behouden. Toen in het begin van de 20ste eeuw de gemeente Amsterdam het gebied als vuilstort wou gebruiken, is de voorloper van Natuurmonumenten (Vereniging voor behoud van Natuurmonumenten) opgericht om het Naardermeer als eerste natuurgebied van Nederland te kopen in 1906. Het gehele Natura 2000-gebied is begrensd als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied, behalve het Laegieskamp wat alleen begrensd is als Habitatrichtlijngebied. Het hele Natura 2000-gebied Naardermeer is ook als NNN begrensd.
Het Naardermeer is een plassengebied met helder water, rietlanden, hooiland en dicht moerasbos. Diverse zeldzame waterplanten komen hiervoor en vogelsoorten zoals de purperreiger en de snor. Het Naardermeer ligt op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug (zand) naar het lagergelegen veengebied (klei en vooral veen). Het Naardermeer zelf is het centraal gelegen gebied binnen de kade en bestaat uit een plassengebied met riet, veenmosrietlanden, trilveen, hooiland en moerasbos. Om het Naardermeer (buiten de kade) ligt een hydrologische bufferzone (de Schil), waarvan de polders bestaan uit graslanden, open water, voedselrijke moerassen en rietlanden, doorsneden door sloten.
Kenmerkend voor het Naardermeer zijn de waterplantvegetaties, met name kranswieren, fonteinkruiden en krabbenscheer. De meren met waterplanten vormen het jongste stadium van de mesotrofe verlandingsreeks die van grote waarde is voor het Naardermeer. Hierop volgen trilveen, veenmosrietland en als oudste stadium de natuurlijke moerasbossen met hoogveenontwikkeling. De hoogveenbossen van het Naardermeer worden tot de best ontwikkelden van Nederland gerekend. In het Laegieskamp (ten zuiden/oosten van het Naardermeer zelf) komen soortenrijke blauwgraslanden voor. Daarnaast kent het Naardermeer een groot aantal broedvogels, waaronder water-, riet- en moerasvogels.
4.2 Landschapsecologische kwaliteiten
Het Naardermeer is een natuurlijk meer met een hoge biodiversiteit, gelegen op de overgang van de hoge zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en het lagergelegen veengebied (klei en vooral veen). Een voorwaarde voor hoge soortenrijkdom in het gebied is een goede waterkwaliteit. Het meer wordt gevoed door neerslag, kwelwater van de Gooise heuvelrug en aangevuld met inlaatwater uit het IJmeer tijdens watertekorten. Het gebied wordt gekenmerkt door aanwezigheid van verschillende verlandingsstadia. De jonge verlandingzones van het Naardermeer herbergen verschillende waterplantvegetaties. Verdere successie gaat over in veenmosrietlanden en trilvenen. Hierop volgen zuurdere vegetatietypen die onder moerasheide of veenbos horen. De oudste verlandingszones zijn natuurlijke broekbossen, waarvan sommigen zich ontwikkeld hebben als hoogveenbos. Daarnaast zijn er ook specifieke biotopen zoals grote rietmoeras en blauwgrasland. Door deze gevarieerde combinatie van leefgebieden is ook de fauna bijzonder.
Het Naardermeer is verbonden met omliggende natuurgebieden zoals de Vechtplassen in het zuiden en richting het noordwesten naar de randmeren. Dit bevordert de samenhang voor soorten. Voor een uitgebreidere systeembeschrijving het Naardermeer wordt verwezen naar het eerste Natura 2000-beheerplan, waar een volledige landschapsecologische systeemanalyse (LESA) is opgenomen (Provincie Noord-Holland, 2019) en de Natuurdoelanalyse en evaluatie van het Natura 2000-beheerplan (TAUW, 2025). In onderstaande alinea’s is uitsluitend een samenvatting opgenomen van de reeds opgestelde LESA (Provincie Noord-Holland, 2019).
Landschapsecologische deelgebieden en relatie met de habitattypen
Het Naardermeer kan op basis van de abiotische en biotische kenmerken worden ingedeeld in een drietal deelgebieden (zie figuur 4.1), namelijk:
In dit beheerplan wordt de hoofdindeling gebruikt als ruimtelijk handvat voor de uitwerking van doelen en lokalisatie van opgaven en maatregelen.

Figuur 4.1 Landschapsecologische hoofdzonering (TAUW, 2025)
De Kern
Het gebied binnen de kade wordt ook wel de kern genoemd. In het oostelijk gedeelte, bij het Bovenste Blik en daar ten noorden en oosten van, welt basenrijk kwelwater van de stuwwal omhoog. Vooral op deze kwellocaties worden de grootste oppervlakten aan H7140A Trilveen aangetroffen. De ontwikkeling van trilveen is in hoge mate afhankelijk van de aanwezigheid van basenrijk kwelwater. Ook op plekken met nutriëntenarm, mesotroof en basenrijk oppervlaktewater kan dit habitattype ontwikkelen. Het kwelwater is momenteel wel rijk aan fosfaat (Provincie Noord-Holland, 2019), waardoor eutrofiëring kan optreden in het trilveen.
In de rest van het Naardermeer treedt infiltratie op. De dominantie van infiltratie leidt er toe dat er relatief weinig hoeft te worden uitgemalen en dat er in de zomer wateraanvoer moet plaatsvinden om het meer op peil te houden. Het grootste deel van het Naardermeer kent een flexibel peil met een boven en ondergrens van respectievelijk NAP -0,90 en -1,10 m. De komende jaren zal er een peilopzet plaatsvinden als onderdeel van het project Schil Naardermeer. In 2021 is een nieuw peilbesluit vastgesteld voor het Naardermeer en de Schil. De bovengrens van het flexibel peilregime is voor de meeste gebieden -0,80 m NAP. Dit peilbesluit is nog niet geïmplementeerd, de maatregelen om dit peilbesluit in te stellen zijn getroffen. Naar verwachting wordt het peilbeheer vanaf 2027 geeffectueerd.
Het meer zelf kent grotendeels een eigen watersysteem, dat ontstaat door een combinatie van stagnerend regenwater op een ondoorlatende kleibodem (meerbodem), inlaat van boezemwater in het noorden van het gebied en vanaf de oostkant invloed van kwelwater uit de stuwwalflank. Zowel kwel als regenwater kan in het Naardermeer stagneren, wat in principe borg staat voor een goede waterkwaliteit. Een goede waterkwaliteit in de plassen is van belang voor het behoud en de ontwikkeling van H3140 Kranswierwateren en H3150 Meren met krabbenscheer/ fonteinkruiden. Doordat omliggende polders lager gelegen zijn is sprake van wegzijging van water uit het Naardermeer naar de omliggende polders.
Verlanding en peilwisselingen
Het optreden van verlanding is belangrijk voor de ontwikkeling van de habitattypen
H7140A Trilvenen, H7140B Veenmosrietlanden, H4010B Vochtige laagveenheide en H91D0
Hoogveenbossen. Deze habitattypen kunnen zich ontwikkelen uit jonge riet- en krabbenscheerverlanding,
al of niet onder invloed van waterplantengemeenschappen (verondieping). Voor het optreden
van verlanding zijn peilwisselingen en een goede waterkwaliteit van groot belang.

Figuur 4.2 Relatie tussen habitattypen, successie, waterkwaliteit en beheer in het Naardermeer (Provincie Noord-Holland, 2019)
De Schil
In de bufferzone buiten de kade domineren veen- en kleiafzettingen. De bodem bestaat in het zuiden vooral uit waardveengronden. Het noordelijk deel bestaat uit kalkloze zandgronden, plaatselijk komt waardveen voor. Er zijn diverse peilvakken binnen de Schil. Peilfluctuatie binnen de Schil is beperkt (Royal HaskoningDHV, 2021). Het zijn voormalige landbouwgronden die omgevormd en ingericht zijn als natuur, mede als onderdeel van de Natura 2000- en NNN-opgaven. In de Schil zijn diverse natuurwaarden aanwezig die verschillen per polder. Het betreft grotendeels moeraslandschap met open water van verschillende diepten, verlandingsvegetaties, rietlanden, ruig grasland, soortenrijk (Dotterbloem) hooiland, struweel en plaatselijk opslag van moerasbos. De ondiepe plassen hebben een enorme aantrekkingskracht op verschillende soorten riet-, moeras- en watervogels. Plaatselijk zijn goed ontwikkelde slootvegetaties aanwezig met kwelindicatoren. De komende jaren zal er in de Schil een peilopzet plaatsvinden als onderdeel van het project Schil Naardermeer.
Laegieskamp
De kwelrijke zandgronden langs de oostrand van het Laegieskamp bestaan uit veldpodzolgronden. Typerend voor de gronden van het Laegieskamp is dat de humeuze bovengrond door menselijke activiteiten is aangebracht (bemesting, heideplaggen, etc.). Het gebied maakt onderdeel uit van de westflank van de Gooise stuwwal. Hier bevinden zich kalkarme zandgronden die onder invloed staan van gebufferd kwelwater uit de stuwwal, rijk aan CO2 en ijzer. In het Laegieskamp hebben deze omstandigheden, in samenhang met historisch agrarisch beheer, geleid tot de ontwikkeling van het habitattype H6410 Blauwgraslanden. Ook is er een zwakgebufferd ven (H3130) en trilveen (H7140A) aanwezig (T1 habitattypenkaart). De kwelstromen zijn echter wel voedselrijk, met name door de fosfaat rijke afzettingen van mariene herkomst (Schot, 1989).
Belangrijkste landschapsecologische processen
De belangrijkste landschapsecologische processen in het Natura 2000-gebied het Naardermeer zijn (Provincie Noord-Holland, 2019; TAUW, 2025):
-
De stroming van basenrijk kwelwater vanuit de oostflank van de Gooise stuwwal. Deze kwel is echter wel fosfaatrijk door vermesting
-
De aanwezigheid van voedselarme dekzanden en veldpodzolen langs de oostflank (geomorfolosich samenhangend met de stuwwal)
-
De aanwezigheid van een ondoorlatende kleibodem waardoor kwel en regenwater stagneert, en daaraan gekoppeld peilbeheer en inlaat van water buiten het gebied (Markermeer water). De huidige waterbalans is negatief. Inlaat van gebiedsvreemd water is dus nodig om het watersysteem op peil te houden
-
Een goede waterkwaliteit met een lage P- en N-belasting (verminderde invloed van gebiedsvreemd water, hoge biomassa van bodemwoelende vis (brasem), dikke zwavelrijke sliblagen en mogelijk invloed van ruiende en broedende ganzen op de fosforbelasting in het Bovenste Blik). De huidige waterkwaliteit is matig (KRW-factsheet).
-
De aanwezigheid van diverse successiestadia van de mesotrofe verlandingsreeks. Deze verlandingsreeks komt momenteel niet meer op gang in het Naardermeer
-
Verzuring en vermesting door aanwezigheid van stikstofdepositie
4.3 Uitwerking Natura 2000-doelen
Kernopgaven
Voor de realisatie van de landelijke Natura 2000-doelen zijn kernopgaven op landschapsniveau
geformuleerd in het Natura 2000 doelendocument (Ministerie van LNV, 2006). Het Natura
2000-gebied Naardermeer valt onder Meren en Moerassen (laagveen). De kernopgave op landschapsniveau is als
volgt omschreven:
-
Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen[1]
-
Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak[2]) met name in het deellandschap Laagveen
De kernopgave is vervolgens in het doelendocument nader gespecificeerd. Voor het Natura 2000-gebied zijn de volgende kernopgave van toepassing:
-
[4.08] Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kranswierwateren (H3140) en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150)), zwarte stern A197, platte schijfhoren H4056 en vissen zoals onder andere bittervoorn H1134 en 1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten, zoals gestreepte waterroofkever H1082.
-
[4.09] Compleetheid in ruimte en tijd: Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140A en H7140B met onder meer groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied), H4010B, blauwgraslanden H6410 en hoogveenbossen H91D0, in samenhang met gemeenschappen van open water
-
[4.12] Overjarig riet: Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals purperreiger A029, snor A292 en grote karekiet A298
-
[4.14] Hoogveenbossen: Behoud van hoogveenbossen H91D0
-
[4.15] Vochtige graslanden: Herstel, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410
Instandhoudingsdoelen
Vanuit de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is het Naardermeer aangewezen als Natura 2000-gebied. In dit gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor tien habitattypen, zes habitatrichtlijnsoorten, vijf broedvogels en twee niet-broedvogels. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels en bijbehorende instandhoudingsdoelen weergeven:
Tabel 4‑1 Instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebied Naardermeer voor habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels (* betreft een prioritair habitattype, = een behoudsdoelstelling, > een uitbreiding- of verbeterdoelstelling, (s) doelstelling voor slaap- en rustfunctie).
|
Habitattype |
Doelstelling oppervlak (leefgebied) |
Doelstelling kwaliteit (leefgebied) |
Doelstelling populatie |
|
Habitattype |
|
|
|
|
H3130 - Zwakgebufferde vennen |
= |
= |
|
|
H3140 - Kranswierwateren |
= |
= |
|
|
H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
= |
= |
|
|
H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied) |
= |
= |
|
|
H6410 - Blauwgraslanden |
> |
> |
|
|
H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea) |
= |
= |
|
|
H6430B - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
= |
= |
|
|
H7140A - Overgangs- en trilvenen (trivenen) |
> |
> |
|
|
H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) |
= |
= |
|
|
H91D0* - Hoogveenbossen |
= |
> |
|
|
Habitatrichtlijnsoorten
|
|
|
|
|
H1016 - Zegge-korfslak |
= |
= |
= |
|
H1082 - Gestreepte waterroofkever |
> |
> |
> |
|
H1134 - Bittervoorn |
= |
= |
= |
|
H1149 - Kleine modderkruiper |
= |
= |
= |
|
H1903 - Groenknolorchis |
= |
= |
= |
|
H4056 - Platte schijfhoren |
= |
= |
= |
|
Broedvogels
|
|
|
|
|
A017 - Aalscholver |
1800 |
= |
= |
|
A029 - Purperreiger |
60 |
= |
= |
|
A197 - Zwarte stern |
35 |
> |
> |
|
A292 - Snor |
30 |
= |
= |
|
A298 - Grote karekiet |
10 |
> |
> |
|
Niet-broedvogels
|
|
|
|
|
A041 – Kolgans (s) |
= |
= |
= |
|
A043 - Grauwe gans (s) |
= |
= |
= |
*De grauwe gans als overwinterende soort is aangewezen als instandhoudingsdoel, waarbij het Naardermeer fungeert als slaap- en rustplaats. De grauwe gans als broedvogel en zomergast wordt beheerd in het gebied via populatiebeheer.
Gerealiseerd doelbereik: staat van instandhouding en trends
Het geldende Natura 2000-beheerplan is in 2025 geëvalueerd (TAUW, 2025). In deze evaluatie en natuurdoelanalyse zijn de ontwikkelingen van de habitattypen tussen de T0 (referentiesituatie uit de periode 1997-2015) en T1 (2018) geëvalueerd. Om de staat van instandhouding, doelrealisatie en trends te bepalen heeft TAUW (2025) ten behoeve van de evaluatie van het Natura 2000-beheerplan de T0 en T1 situaties met elkaar vergeleken. Aanvullend is er een florakartering uitgevoerd gericht op de monitoring van waterplantvegetaties (Van der Goes & Groot, 2024) en onderzoek naar de achteruitgang van de waterplantvegetaties in het Naardermeer (Witteveen+Bos, 2026).
In tabel 4.2 zijn de resultaten van de ecologische evaluatie met betrekking tot doelrealisatie van oppervlak en kwaliteit weergegeven. Een opvallende ontwikkeling is de afname in areaal en kwaliteit van Kranswierwateren (H3140) en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). Vermoedelijk is dit een samenspel van verschillende drukfactoren, waar de waterkwaliteit, invasieve soorten en klimaatverandering een negatieve invloed hebben op de waterplantvegetaties van het Naardermeer. Daarnaast is er geen actieve natuurlijke mesotrofe verlandingsreeks in het Naardermeer. Via actief beheer zijn de verschillende stadia wel aanwezig maar nemen deze wel in oppervlak en/of kwaliteit af doordat vegetaties verouderen en hierdoor verdwijnen of verzuren.
[1] De belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuizen ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000-gebieden
[2] Relevant in de laagveengebieden van Laag Holland
4.4 Samenvatting doelrealisatie
In deze paragraaf wordt de doelrealisatie zoals onderzocht in de evaluatie en natuurdoelanalyse samengevat.
Uit de evaluatie blijkt dat diverse Natura 2000 instandhoudingsdoelen niet gehaald worden. Dit kan zijn door een afname in oppervlak (van leefgebied) of kwaliteit (van leefgebied). Het is niet gelukt om verslechtering te voorkomen. Hier zijn een aantal primaire knelpunten voor.
De belangrijkste conclusie is dat verlandingsreeksen op dit moment niet meer op gang komen in het Naardermeer. Hierdoor worden vegetaties ouder, neemt de kwaliteit van kwalificerende habitattypen af en groeien vegetaties dicht waardoor de kwaliteit van het gebied voor Vogelrichtlijnsoorten afneemt. Vermoedelijk speelt het hydrologisch systeem hier een rol. Het gaat daarbij zowel om waterkwaliteit (voldoende basen, geen invloed gebiedsvreemd water) als kwantiteit (peilbeheer, voldoende water mede in relatie tot klimaatverandering). Ook komen rietkragen en rietmoerassen met waterriet onvoldoende tot ontwikkeling. Dit als gevolg van ganzenvraat en vraat door invasieve soorten(Amerikaanse rivierkreeft). Daarnaast zijn invasieve soorten als late guldenroede, ongelijkbladig vederkruid en zwarte appelbes een bedreiging voor de kwaliteit (en op langere termijn areaal) van habitattypen en leefgebieden. Aanvullend hierop is atmosferische stikstofdepositie te hoog, waardoor sprake is van versnelde successie, vegetaties verruigen of zelfs helemaal verdwijnen. Daarnaast geldt dat diverse laagveenhabitattypen in kleine arealen en versnipperd van elkaar voorkomen. De connectiviteit met andere laagveenmoerassen in de Oostelijke Vechtplassen, de Natte As, functioneert goed, maar er zijn kansen voor verbetering verbinding binnen het Naardermeer en in noordelijke richting met de randmeren. Een ander groot knelpunt is het verdwijnen van waterplantenvegetaties in het Naardermeer. Dit betekent zowel verlies van kwalificerende habitattypen als leefgebied voor Habitatrichtlijnsoorten.
In het eerste Natura 2000-beheerplan zijn maatregelen opgenomen. Dit zijn onder andere maatregelen gericht op verbeteren van het hydrologisch systeem, zoals flexibel peilbeheer en de herinrichting van de Schil (inclusief aanpassing van het peilbeheer). Aangezien deze maatregelen op moment van schrijven in uitvoering zijn, maar het peilbeheer nog niet aangepast is, zijn hier nog geen effecten van. De maatregelen die tot uitvoering zijn gekomen zijn veelal overlevingsmaatregelen (opslag verwijderen, aanvullend (herfst)maaien). De systeemherstelmaatregelen (zoals in de Schil en de kern) zijn noodzakelijk voor instandhouding op de lange termijn. Echter gelet op de knelpunten en de verslechtering van diverse instandhoudingsdoelen maakt dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Habitattypen
De habitattypen in het Naardermeer zijn verschillende successiestadia binnen de verlandingsreeks.
Voor het habitattype kranswierwateren (H3140) is de behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit niet gehaald. Het oppervlak is met 53.7 ha sterk achteruitgegaan[1]. Achteruitgang in kwaliteit is niet uitgesloten voor typische soorten, structuur en functie en abiotische condities. Voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden(H3150) is de behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit niet gehaald. Het areaal oppervlak is 13.8 ha afgenomen[2]. Geen van de kwaliteitsdoelstellingen is gehaald en het beeld van dit habitattype is eenduidig negatief. De waterkwaliteit en de nutriëntenbelasting zijn achteruitgegaan. Er is nog geen eenduidige oorzaak voor deze achteruitgang (Witteveen+Bos, 2026). Mogelijke is het een combinatie van fosfor naleving in de waterbodem, uitheemse rivierkreeften, bodemwoelende vis, en extreme natte en droge periodes (Witteveen+Bos, 2026).
[1] Kwantitatieve afname is gebaseerd op de vergelijking van de T0 en T1 habitattypenkaart. Na de vegetatieopnamen die ten grondslag liggen van de habitattypenkaart (2018) is verdere afname geconstateerd. De verdere afname is bevestigd door een waterplantenkartering door Van der Goes & Groot (2024). Deze is echter niet kwantitatief te vertalen naar een afname van habitattype. De daadwerkelijke afname in oppervlak is dus groter.
[2] Voor H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden geldt hetzelfde als voor H3140 Kranswierwateren.
Voor het habitattypeblauwgraslanden (H6410) is de uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte niet gehaald (afname van 0.1 ha) en het doel voor kwaliteit net niet gehaald. Met name de belasting door stikstofdepositie is nog te hoog.
Voor het habitattype overgangs- en trilvenen (trilvenen) (H7140A) is het uitbreidingsdoelstelling in oppervlak hoogstwaarschijnlijk niet gehaald gehaald. Uit de T0/T1 vergelijking lijkt het oppervlakte van het habitattype te zijn toegenomen, maar dit is hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een verschil in karteringsmethode (zie Provincie Noord-Holland, 2026 voor verdere toelichting). De kwaliteitsdoelstelling wordt ook niet gehaald. De typische soorten laten een verslechtering zien. Ook de abiotische randvoorwaarden zijn deels negatief: onvoldoende kwel heeft geleid tot verzuring en er is een te hoge stikstofbelasting. Daarnaast ontstaan er geen nieuwe verlandingsreeksen. Voor het habitattype overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) (H7140B) is de oppervlakte behoudsdoelstelling gehaald, maar de kwaliteitsdoelstelling niet. Het beeld voor de kwaliteit van dit habitattype is wisselend. Met name de stikstofbelasting is veel te hoog. Ook ontstaan er geen nieuwe verlandingsreeksen.
Voor het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) is de behoudsdoelstelling voor oppervlak gehaald en de trend in oppervlak is stabiel. De kwaliteit doelstelling van het areaal is net niet behaald. Op de meeste aspecten scoort de kwaliteit van het habitattype voldoende of goed. Het is aannemelijk dat dit toe te schrijven is aan adequaat beheer en de uitgevoerde plagwerkzaamheden. Tegelijkertijd is de stikstofdepositie voor dit habitattype nog drie keer hoger dan de drempelwaarde. Dit blijft een knelpunt voor de duurzame instandhouding van dit habitatttype op de lange termijn.
Voor het habitattype vochtige heiden (laagveengebied) (H4010B) is de behoudsdoelstelling voor oppervlakte gehaald en voor kwaliteit net niet gehaald. Met name voor de abiotische randvoorwaarden is de belasting door stikstofdepositie nog veel te hoog. Voor het habitattype ruigten en zomen (moerasspirea)(H6430A) is de behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit gehaald. Het beeld voor de kwaliteit van dit habitattype is positief. Wel blijkt uit de abiotische condities dat de standplaats mogelijk te droog is en er sprake is van verzuring. Voor het habitattype ruigten en zomen (harig wilgenroosje)(H6430B) is de behoudsdoelstelling voor oppervlakte niet gehaald (afname van 0.4 ha) en voor kwaliteit gehaald. Het beeld voor de kwaliteit van dit habitattype is positief, maar het areaal is te klein en geïsoleerd om qua structuur en functie goed te scoren. Daarnaast blijkt uit een analyse van de abiotische condities dat sprake is van verzuring van het habitattype. Voor het habitattype hoogveenbossen (H91D0*) is de uitbreidingsdoelstelling in oppervlakte behaald, maar voor kwaliteit niet. Het beeld voor de kwaliteit van dit habitattype is duidelijk negatief. Het areaal goed ontwikkelde vegetaties is sterk afgenomen (o.a. door de invasieve exoot zwarte appelbes). En van de abiotische randvoorwaarden is met name de belasting door stikstofdepositie nog veel te hoog.
Habitatrichtlijnsoorten
Voor de habitatrichtlijnsoort de zeggekorfslak (H1016) is de behoudsdoelstelling voor omvang en kwaliteit leefgebied gehaald en het beeld stabiel. Er is onvoldoende informatie beschikbaar over de populatie. Het instandhoudingdoel van de zeggekorfslak is vermoedelijk niet gehaald. Om daar een uitspraak over te doen is aanvullende informatie nodig over de populatiegrootte. Voor de habitatrichtlijnsoort de gestreepte waterroofkever (H1082) is de uitbreidingsdoelstelling voor omvang leefgebied en verbeterdoelstelling voor kwaliteit leefgebied niet behaald. De omvang en kwaliteit van het leefgebied (H3140 en H3150) zijn sterk afgenomen en een groot knelpunt is de achteruitgang van waterplantenvegetaties. Er is onvoldoende data om een uitspraak te doen over de uitbreidingsdoelstelling voor de populatie. De instandhoudingsdoelen zijn niet in zicht. Voor de habitatrichtlijnsoort de bittervoorn (H1134) zijn de behoudsdoelstellingen voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied niet gehaald. Het leefgebied (H3140 en H3150) is sterk achteruitgegaan in omvang en kwaliteit, met als groot knelpunt de achteruitgang van de waterplantvegetaties. De populatiegrootte is onbekend en de behoudsdoelstelling voor de populatie is dus ook onbekend. De instandhoudingsdoelen zijn niet inzicht. Voor de habitatrichtlijnsoort de kleine modderkruiper (H1149) zijn de behoudsdoelstellingen voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied niet gehaald. Informatie ontbreekt over de populatiegrootte en de behoudsdoelstelling. Een goede water- en bodemkwaliteit en de aanwezigheid van waterplanten is belangrijk voor de soort, en deze factoren staan onder druk. De instandhoudingsdoelen zijn niet in zicht en door de achteruitgang van de waterplantvegetaties ook niet direct te realiseren. Voor de habitatrichtlijnsoort de groenknolorchis (H1903) zijn de behoudsdoelstellingen voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied niet gehaald. Ook de behoudsdoelstelling voor de populatie is niet gehaald. De instandhoudingsdoelen zijn niet in zicht door de druk op veenmosrietlanden en trilvenen door stikstofdepositie, waterkwaliteit en waterkwantiteit in het Naardermeer. Omdat er geen natuurlijke verlanding opgang komt is dit ook niet direct te realiseren. Voor de habitatrichtlijnsoort platte schijfhoren (H4056) is de behoudsdoelstelling voor omvang en kwaliteit leefgebied negatief en voor de populatie onbekend. Het leefgebied staat onder druk door de achteruitgang van water- en bodemkwaliteit en waterplanten. De instandhoudingsdoelen zijn niet in zicht en aanvullende maatregelen met betrekking tot invasieve soorten en waterkwaliteit zijn nodig.
Vogelrichtlijnsoorten
Voor de vogelrichtlijnsoort (broedvogel) aalscholver (A017) is de behoudsdoelstelling omvang leefgebied gehaald, maar voor kwaliteit van het leefgebied niet. De doelstelling voor 1.800 broedparen is niet gehaald (gemiddeld 465 broedparen aanwezig). Deze negatieve trend is van de afgelopen decennia en de doelstellingen worden sinds 2001 niet meer gehaald. Grote drukfactoren zijn de troebelheid van foerageergebieden buiten het Naardermeer en de afstand tot deze gebieden. Voor de vogelrichtlijnsoort purperreiger (A029) is de behoudsdoelstelling voor omvang en kwaliteit niet gehaald. De behoudsdoelstelling voor een draagkracht van 60 broedparen is gehaald (gemiddeld 100 broedparen). Een grote drukfactor is de achteruitgang van goed ontwikkelde rietzones door ganzenvraat. De doelen kunnen worden gehaald, mits maatregelen worden getroffen zoals het plaatsen van gaas rondom riet om ganzenvraat tegen te gaan. Voor de vogelrichtlijnsoort (broedvogel) zwarte stern (A197) worden de uitbreidingsdoelstelling voor omvang leefgebied, verbeterdoelstelling voor kwaliteit leefgebied en een doelstelling voor een draagkracht van 35 broedparen niet gehaald. De trend in het leefgebied is negatief (grotendeels H3150) en de soort is verdwenen als broedvogel sinds 2016 in het Naardermeer. De slechte waterkwaliteit en het ontbreken van de watervegetatie in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw zijn reden tot verdwijnen van de soort in het Naardermeer. Vermoedelijk is dit nu ook één van de drukfactoren. De doelstellingen worden niet gehaald en aanvullende maatregelen zijn nodig om problemen met invasieve soorten, ganzenvraat en de waterkwaliteit te verbeteren. Voor de vogelrichtlijnsoort (broedvogel) snor (A292) worden de behoudsdoelstellingen voor omvang en kwaliteit leefgebied en een doelstelling voor een draagkracht van 30 broedparen gehaald (69 broedparen in 2020). Voor de vogelrichtlijnsoort (broedvogel) grote karekiet (A298) zijn de uitbreidingsdoelstelling voor omvang leefgebied, verbeterdoelstelling voor kwaliteit leefgebied en een doelstelling voor een draagkracht van 10 broedparen niet gehaald. De soort is verdwenen uit het Naardermeer als broedvogel sinds 2007. De soort is zeer afhankelijk van sterk waterriet en dit is afgenomen. Extra beheer maatregelen moeten worden genomen om de doelstellingen te behalen m.b.t. op peilbeheer, waterkwaliteit, verbossing en ganzenvraat (zowel plaatsen en onderhouden van rasters als populatiebeheer).
Voor de vogelrichtlijnsoort (niet-broedvogel) kolgans (A041) is de behoudsdoelstelling voor omvang en kwaliteit leefgebied met een functie als slaap- en rustplaats gehaald. Voor de vogelrichtlijnsoort (niet-broedvogel) grauwe gans (A043) behoudsdoelstelling voor omvang en kwaliteit leefgebied met een functie als slaap- en rustplaats in de winter gehaald (doelstelling niet voor zomerganzen).
|
Habitattype |
Doel oppervlak |
Eind oppervlak |
Doel kwaliteit |
Veg. |
AC |
TS |
S&F |
Eindoordeel |
|
H3130 Zwakgebufferde vennen |
= |
Positief |
= |
- |
+ |
+ |
+ |
Nee, tenzij |
|
H3140 Kranswierwateren |
= |
Negatief |
= |
- |
- |
- |
- |
Nee, tenzij |
|
H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
= |
Negatief |
= |
- |
- |
- |
- |
Nee, tenzij |
|
H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) |
= |
Positief |
= |
+ |
- |
+ |
+ |
Nee, tenzij |
|
H6410 Blauwgraslanden |
> |
Negatief |
> |
- |
- |
+ |
+ |
Nee, tenzij |
|
H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) |
= |
Positief |
= |
+ |
+ |
- |
- |
Ja |
|
H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
= |
Negatief |
= |
+ |
+ |
- |
- |
Ja, mits |
|
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) |
> |
Onbekend |
> |
- |
- |
+ |
+ |
Nee, tenzij |
|
H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland) |
= |
Positief |
= |
- |
- |
+ |
+ |
Nee, tenzij |
|
H910D* Hoogveenbossen |
|
Positief |
> |
- |
- |
+ |
+ |
Nee, tenzij |
|
Habitatricht-lijnsoorten |
Populatie |
Omvang leefgebied |
Kwaliteit leef- |
Oordeel populatie |
oordeel oppervlak |
Oordeel kwaliteit |
Eindoordeel |
|
H1016 Zegge-korfslak |
= |
= |
= |
Onbekend |
Stabiel |
Stabiel |
Nee, tenzij |
|
H1082 Gestreepte waterroofkever |
> |
> |
> |
Onbekend |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
H1134 Bittervoorn |
= |
= |
= |
Onbekend |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
H1149 Kleine modderkruiper |
= |
= |
= |
Onbekend |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
H1903 Groenknolorchis |
= |
= |
= |
Negatief |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
H4056 Platte schijfhoren |
= |
= |
= |
Onbekend |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
Broedvogels |
Aantal broedparen |
Omvang leefgebied |
Kwaliteit leefgebied |
Oordeel populatie |
Oordeel oppervlak |
Oordeel kwaliteit |
Eindoordeel |
|
A017 Aalscholver |
1800 |
= |
= |
Negatief |
Stabiel |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
A029 Purperreiger |
60 |
= |
= |
Positeif |
Negatief |
Negatief |
Ja, mits |
|
A197 Zwarte stern |
35 |
> |
> |
Negatief |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
A292 Snor |
30 |
= |
= |
Positief |
Positief |
Positief |
Ja |
|
A298 Grote karekiet |
10 |
> |
> |
Negatief |
Negatief |
Negatief |
Nee, tenzij |
|
Niet-broedvogels |
Populatie |
Omvang leefgebied |
Kwaliteit leef-gebied |
Oordeel populatie |
Oordeel oppervlak |
Oordeel kwaliteit |
Eindoordeel |
|
A041 Kolgans |
Behoud |
= |
= |
Stabiel |
Stabiel |
Stabiel |
Ja |
|
A043 Grauwe gans |
Behoud |
= |
= |
Stabiel |
Stabiel |
Stabiel |
Ja |
Opgaven beheerplan 2026-2032: focus op herstel
Zoals blijkt uit de beheerplanevaluatie is het in een aantal gevallen niet gelukt om verslechtering te voorkomen, ondanks dat een grootdeel van de overlevingsmaatregelen geheel of gedeeltelijk zijn uitgevoerd. Daarentegen zijn de beoogde systeemherstelmaatregelen veelal nog niet doorgevoerd. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk 5. Uit de geconstateerde verslechtering volgt een aantal duidelijke herstelopgaven en de noodzaak en urgentie om deze te prioriteren voor de komende beheerplanperiode van zes jaar. In tabel 4.3 zijn de herstelopgaven samengevat.
Tabel 4.3 herstelopgaven per habitattype
|
Habitattypen |
Herstelopgave |
|
H3130 - Zwakgebufferde vennen |
Kwaliteit |
|
H3140 - Kranswierwateren |
Oppervlakte (53.7 ha*) & kwaliteit |
|
H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
Oppervlakte (13.8 ha*) & kwaliteit |
|
H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied) |
Kwaliteit |
|
H6410 - Blauwgraslanden |
Oppervlakte (0.1 ha) & Kwaliteit |
|
H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea) |
- |
|
H6430B - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
Oppervlakte (0.4 ha) |
|
H7140A - Overgangs- en trilvenen (trilvenen) |
Kwaliteit |
|
H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) |
Kwaliteit |
|
H91D0* - Hoogveenbossen |
- |
|
Habitatrichtlijnsoorten |
|
|
H1016 - Zegge-korfslak |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
H1082 - Gestreepte waterroofkever |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
H1134 - Bittervoorn |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
H1149 - Kleine modderkruiper |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
H1903 - Groenknolorchis |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
H4056 - Platte schijfhoren |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
Broedvogels |
|
|
A017 - Aalscholver |
Kwaliteit leefgebied en populatie (1335 broedparen) |
|
A029 - Purperreiger |
Omvang en kwaliteit leefgebied |
|
A197 - Zwarte stern |
Omvang en kwaliteit leefgebied en populatie (35 broedparen) |
|
A292 - Snor |
- |
|
A298 - Grote karekiet |
Omvang en kwaliteit leefgebied en populatie (10 broedparen) |
|
Niet-broedvogels |
|
|
A041 - Kolgans |
- |
|
A043 - Grauwe gans |
- |
*De kwantitatieve opgave is uitsluitend bepaald op basis van de T0 en T1 habitattypenkartering. Na opstellen van de T1 habitattypenkartering zijn de waterplantenvegetaties verder afgenomen (Van der Goes & Groot, 2024; TAUW, 2025). De kwantitatieve herstelopgave betreft daarmee een onderschatting van de daadwerkelijke opgave.
De provincie kiest ervoor om in de komende beheerplanperiode voorrang te geven aan deze herstelopgaven, boven de additionele verbeter- en uitbreidingsopgaven voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels uit het aanwijzingsbesluit. De achtergrond daarvan is dat de aanpak van een aantal knelpunten op systeemniveau, die noodzakelijk is om de herstelopgaven te realiseren, prioriteit krijgt. Daarnaast zal een gerichte inspanning ten behoeve van systeemherstel ook een goede basis vormen voor realisatie van verbeter- en uitbreidingsdoelen. Er kan zelfs verwacht worden dat een deel van de maatregelen gericht op herstel tot een zekere uitbreiding en/of verbetering van habitattypen kan leiden, ook zonder dat daarvoor nu op voorhand kwantitatieve doelen zijn gesteld.
De beleidsontwikkeling met betrekking tot de kwantificering van uitbreidingsdoelen binnen de landelijke taakstelling voor de zogenaamde VHR-doelen is nog volop gaande, zowel op Rijksniveau als provinciaal niveau. Bijkomend voordeel is dus dat de focus op herstelopgaven in de komende beheerplanperiode ook ruimte biedt om doelmatig om te gaan met voortschrijdende inzichten over de gewenste ambities voor verbetering en uitbreiding van habitattypen binnen Naardermeer. Hierna wordt een uitwerking gegeven van de opgaven perlandschapsecologische deelgebied. De aanpak van stikstofdepositie in de vorm van bronmaatregelen is daarbij buiten beschouwing gelaten, aangezien dit in een eigen beleidsspoor van Rijk en provincie vorm dient te krijgen. Dat neemt niet weg dat deze aanpak urgent is, in aanvulling op de in dit beheerplan beschreven opgaven.
Streefbeeld en opgaven de kern
Het streefbeeld voor deze zone behelst een (begeleid) natuurlijk open water en mesotrofe verlandingsreeksen met een goede waterkwaliteit. De hoofdfunctie is het behoud en versterking van natuurwaarden.
De kern heeft op dit moment onvoldoende bufferend vermogen en door een toename in
regenwater en inlaatwater is de chemische balans van het water veranderd. Tegelijkertijd
is er een grote achteruitgang in de waterplanten geconstateerd. Meerdere knelpunten
hebben mogelijk bijgedragen aan de achteruitgang van de waterplanten blijkt uit recent
onderzoek (Witteveen+Bos, 2026). Mogelijke oorzaken zijn aanwezigheid van uitheemse
rivierkreeften (vraat en bodem woelend) en het voorkomen van extremere natte en droge
perioden (Witteveen+Bos, 2026). Er loopt op het moment van schrijven van dit beheerplan
vervolgonderzoek naar de invloed van deze knelpunten op het watersysteem in het Naardermeer. Hierdoor komt geen natuurlijke mesotrofe verlanding meer voor. De natuurwaarden
moeten worden hersteld en verbeterd. In de kern is vrijwel geen sprake van medegebruik.
Alleen onder begeleiding is het mogelijk om deel te nemen aan een (recreatieve) excursie
binnen de Schil.
Binnen deze zone zijn de verschillende verlandingsstadia aspect bepalend. De jonge stadia zijn open meren met kranswieren en krabbenscheer, gevolgd door trilvenen, moerasrietlanden en als eindstadium hoogveenbossen. Er is actief beheer noodzakelijk om alle stadia van de successie reeks te vertegenwoordigen. Om natuurlijke verlanding weer opgang te krijgen zijn systeemherstelmaatregelen nodig (zie hoofdstuk 5). De meren met waterplanten vormen het grootste oppervlak van de Kern en liggen centraal. Langs de noord-, oost- en zuidflanken van het openwater bevinden zich de trilvenen. De buitenste ring bestaat uit hoogveenbossen. Mede vanwege de achteruitgang in kwaliteit van de meren en het trilveen is het van belang om de natuurlijke successie weer opgang te krijgen.
Concrete opgaven voor de kern in de komende beheerplanperiode zijn:
-
Terugdringen van achtergronddepositie atmosferische stikstofdepositie
-
Hydrologisch systeemherstel: peilopzet, defosfatering inlaatwater, baggeren.
-
Bestrijding invasieve soorten: o.a. uitheemse rivierkreeft, appelbes en ongelijkbladig vederkruid
-
Behoud overjarig riet voor rietvogels (o.a. snor purperreiger)
-
Uitbreiding waterriet voor de grote karekiet.
-
Bestrijding ganzen- en uitheemse rivierkreeftenvraat
Streefbeeld en opgaven de Schil
Het streefbeeld voor deze zone behelst een begeleid natuurlijke natte zone en waterbuffer voor de natuurwaarden in de kern en hiermee een uitbreiding van de natuurwaarde moerasgebied, wat een belangrijk leefgebied is voor kwalificerende broedvogels snor en purperreiger. De hoofdfuncties zijn het bijdragen aan een verbeterde waterkwaliteit en waterhuishouding binnen het Naardermeer. Door het waterpeil in de Schil te verhogen is sprake van verminderde wegzijging vanuit de kern naar de Schil. Overige functies (medegebruik) bestaan hoofdzakelijk uit dagrecreatie, (overwegend extensieve) begrazing en er loopt een doorgaand fietspad die veel gebruikt wordt door forenzen. De hoofddoelen gaan in beginsel altijd voor op medegebruik, maar doorgaans zal een goede balans mogelijk zijn.
Het merendeel van de Schil zal een zo’n hoog mogelijk waterpeil krijgen en een vergelijkbaar peilregime als de kern. Hierdoor verminderd de wegzijging uit het Naardermeer en zal er meer kwel in het Naardermeer zijn. Daarnaast wordt de instroom van inlaatwater naar de kern verlaagd (Blatter, 2020). Hierdoor verbetert de waterkwaliteit in de kern en wordt het watersysteem evenwichtiger. In combinatie met meer (tijdelijke) inundatie door flexibel peilbeheer zal dit gunstig zijn voor laagveenverlanding en de potentiële ontwikkeling van waterriet (die ook onder druk staat door (ganzen)vraat). De ontwikkeling van een groot areaal waterriet biedt een conditie waarin de grote karekiet mogelijk terugkeert. Daarnaast wordt er meer open water (vlak- en lijnvormig) gecreëerd met een structuurrijke en soortenrijke waterplant- en oevervegetatie. Hierdoor neemt het foerageergebied en mogelijk broedgebied voor de purperreiger en zwarte stern toe.
Concrete opgaven voor de Schil in de komende beheerplanperiode zijn:
-
Hydrologisch systeemherstel: opzet waterpeil, flexibel peilbeheer.
-
Bestrijden ganzen- en kreeftenvraat.
-
Verkenning potenties uitbreiding kwelafhankelijke natuur binnen de Schil (Meerlanden)
-
Verkenning van kansen voor waterriet en grote karekiet
-
Bestrijden invasieve soorten: o.a. uitheemse rivierkreeft.
Streefbeeld en opgaven Laegieskamp
Het streefbeeld voor deze zone behelst een blauwgrasland met gebufferde plas-dras situatie in de winter. De hoofdfuncties zijn behoud en versterking van natuurwaarden. Overige functies zijn begrazing van galloway runderen en recreatie.
Binnen deze zone zijn blauwgraslanden en zwakgebufferde vennen aspectbepalend. De blauwgraslanden in Laegieskamp zijn een door verzuring verarmde
vorm van de typische subassociatie van blauwgrasland (Cirsio-Molinietum typicum).
Blauwgraslanden zijn afhankelijk van basenrijke kwel. Er is onvoldoende kwel om verzuring
(door o.a. hoge stikstofdepositie) tegen te gaan. Ook is isolatie van het kleine gebied
met blauwgrasland hier problematisch. Uit de ecohydrologische systeemanalyse Utrechtse
Heuvelrug fase 1 blijkt dat er potenties in het Laegieskamp zijn voor verdere ontwikkeling
van kwelafhankelijke natuur (TAUW & Witteveen+Bos, 2024). In combinatie met (aanvullende)
beheermaatregelen kan er een robuuster aaneengesloten areaal blauwgraslanden ontstaan.
Concrete opgaven voor het Laegieskamp in de komende beheerplanperiode zijn:
-
Vervolg verkenning potenties uitbreiding kwelafhankelijke natuur in Laegieskamp naar aanleiding van rapport eerste beheerplanperiode: Nadere uitwerking inrichting ten behoeve van kwelafhankelijke natuur, zonder dat dit ten koste gaat van kwel in trilveen in De Laan.
-
Verbetering kwelsystemen mogelijk door herinrichting de Schil (Blatter, 2020).
-
Bestrijden invasieve soorten (indien aanwezig)
5. Knelpunten en maatregelen
In dit hoofdstuk zijn knelpunten voor de instandhoudingsdoelen uitgewerkt en maatregelen geformuleerd die nodig zijn om de instandhoudingsdoelen te realiseren. Daarbij wordt eerst ingegaan op de ‘systeemknelpunten’ en maatregelen, en vervolgens op maatregelen (indien van toepassing) op habitattype, Habitatrichtlijnsoort of Vogelrichtlijnsoort niveau.
5.1 Knelpunten
Op basis van de Ecologische evaluatie en Natuurdoelanalyse Naardermeer (TAUW, 2025) zijn een de volgende urgente knelpunten gesignaleerd. In aanvulling hierop zijn de knelpunten per deelgebied gespecificeerd. Onderstaand zijn deze eerst in tabelvorm weergegeven (op volgorde van impact op de Natura 2000-doelen) en vervolgens wordt een nadere toelichting gegeven.
Tabel 5-1 Knelpunten per deelgebied
|
Knelpunten |
De kern |
De schil |
Laegieskamp |
|
Overmaat van (Atmosferische) stikstofdepositie |
x |
|
x |
|
Het ontbreken van mesotrofe |
x |
|
|
|
Verlandingsreeksten |
x |
|
|
|
Hydrologisch systeem |
x |
|
x |
|
Onvoldoende areaal en versnippering |
x |
x |
x |
|
Aanwezigheid van invasieve soorten |
x |
x |
x |
|
(Ganzen)vraat |
x |
x |
|
|
Kennisleemten waterplanten |
x |
x |
|
|
Klimaatverandering |
x |
(x) |
x |
5.1.1 Overmaat van (atmosferische) stikstofdepositie
Een algemeen knelpunt voor het hele Natura 2000-gebied is de voor het merendeel van de habitattypen structureel te hoge stikstofdepositie (overbelasting). Het gaat daarbij om zowel de huidige situatie als op lange termijn. De standplaats van diverse habitattypen is te zuur en/of is verzuurd ten opzichte van het vorige beheerplan (TAUW, 2025). Dit geldt ook voor de voedselrijkdom. Uit AERIUS blijkt dat de kritische depositiewaarde van vrijwel alle habitattypen wordt overschreden. Dit heeft versnelde successie en verruiging tot gevolg. De versnelde bosopslag in oeverzones is purperreiger, snor en zwarte stern een knelpunt. De langdurige overmaat van stikstofdepositie, waarbij reductie tot onder de kritische depositiewaarde op korte termijn niet in beeld is, is een groot knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.
Het verlagen van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied door middel van bronmaatregelen is van groot belang voor het halen van de instandhoudingsdoelen. De aanpak van stikstofdepositie wordt hier verder buiten beschouwing gelaten, aangezien dit in een eigenstandig beleidsspoor van Rijk en provincie vorm dient te krijgen. Dat neemt niet weg dat deze drukfactor van groot belang is en ook een sterke wisselwerking heeft met andere drukfactoren die hier behandeld worden. Veelal versterken de drukfactoren elkaar.
5.1.2 Ontbreken mesotrofe verlandingsreeksen
Een overkoepelend knelpunt is dat mesotrofe verlandingsreeksen niet of onvoldoende tot ontwikkeling komen. Het gevolg daarvan is dat het ecosysteem sterk verarmd is en onder sterke druk blijft staan. De vegetaties worden door natuurlijke successie steeds ouder waardoor de kwaliteit afneemt. Het belangrijkste sleutelproces dat op systeemniveau een knelpunt vormt voor het Naardermeer is het hydrologisch systeem. De verschillende successie stadia zijn waterriet, jong verlandingsmoeras, overjarig rietmoeras, trilveen, veenmosrietland en veenheide. De laag- en Hoogveenbossen zijn een eindstadium. Jonge verlandingsstadia zijn slechts beperkt aanwezig binnen de kade en zeer waardevol. De grootste kansen voor nieuwvorming van verlanding liggen aan de oostflank van het Naardermeer (Blatter, 2020). Overjarig rietmoeras en ruigte ontwikkelen zich goed in de bufferzone/Schil buiten de kade.
De mogelijkheden voor verlanding in het Naardermeer zelf worden beperkt door de oevermorfologie, en dan met name de abrupte overgang van ondiep water (60 cm) naar diep water. Hierdoor is er weinig ‘ruimte’ voor de ontwikkeling van een waterriet- of verlandingszone (zie ook verslag expertmeeting flexibel peilbeheer, 2016). Het verondiepen van de oeverzone van het Naardermeer zelf wordt echter niet wenselijk en haalbaar geacht (zie verslag expertmeeting flexibel peilbeheer). Delen van het Natura 2000- gebied buiten de kade (de Schil) bieden juist kansen voor verlanding in watergangen, plasjes en afgegraven graslanden (tekstkader 4.2, Inrichtingsplan de Schil). Hier wordt nu in een aantal delen het peil opgezet om dit te bevorderen.
Met het verbeteren van oppervlaktewaterkwaliteit, meer peilvariatie, voldoende basenaanvoer via het grondwater, het tegengaan van (ganzen)vraat en beperken van beschaduwing door bomen kan er gewerkt worden aan het weer opgang brengen van natuurlijke verlanding. Er zijn wel nog diverse kennisleemten rondom de knelpunten voor het weer op gang brengen van mesotrofe verlandingsreeksen. Ook met het mitigeren van alle deze knelpunten is niet met zekerheid te stellen dat de verlandingsreeksen weer op gang komen.
5.1.3 Hydrologisch systeem
Zoals beschreven bij de opgaven in hoofdstuk 4 vormt hydrologisch systeem een overkoepelend probleem voor duurzaam behoud en herstel van de variatie en natuurkwaliteit in het meren en moerassenlandschap. Hoewel diverse inspanningen bijdragen aan een verbetering van het hydrologisch systeem, zoals de voorzuivering van inlaatwater (defosfatering), de maatregelen die getroffen worden in de Schil en de beoogde wijzigingen in peilbeheer, bereikt te weinig kwelwater het natuurreservaat. Dit als gevolg van onomkeerbare veranderingen in het landgebruik (in de ruime omgeving van het Naardermeer) als het regionale watersysteem. Ook kunnen als gevolg van deze wijzingen de peilen binnen de kade en de Schil maar beperkt (t.o.v. het natuurlijke systeem) fluctueren.
Het gaat hierbij om waterkwaliteit (aanrijking van basen en inlaat van (on)gedefosfateerd water) en waterkwantiteit (peilbeheer en wegzijging) zowel binnen de kade als de Schil. Onder andere inlaat van gebiedsvreemd (voedselrijk) water en hoog sulfaatgehalte en een onvoldoende bufferend vermogen spelen hier een grote rol. Maar ook een te kort aan basenrijke kwel in de kwelzone aan de oostzijde van het Naardermeer, de aanwezigheid van een te stabiel waterpeil en het inlaten van gebiedsvreemd voedselrijk water in droge perioden dragen bij aan een onvoldoende robuust watersysteem. Voor zowel de kern als de schil van het Naardermeer wordt een flexibel peilbeheer ingesteld. Dit peilbesluit is in 2021 genomen en de benodigde infrastructuur is aangelegd. Door middel van monitoring zal blijken wat de invloed is van het flexibel peilbeheer op de Natura 2000-doelen.
De effecten van onvoldoende kwel, invloed gebiedsvreemd water, peilbeheer en wegzijging worden versterkt door andere drukfactoren, zoals stikstofdepositie en invasieve soorten. Het uitvoeren van systeemherstel in de randgebieden, zoals aan de (west)flank van de Heuvelrug, kan bijdragen aan een robuuster watersysteem. Ook het verhogen van het waterpeil binnen de Schil kan leiden tot een betere waterkwaliteit in de kern, omdat hierdoor de wegzijging afneemt en er meer basenrijke kwel optreedt, en de toevoer van nutriënten verminderd (Blatter, 2020). Door minder fluctuatie in de waterkwaliteit wordt het watersysteem evenwichtiger (Royal HaskoningDHV, 2021). Herstel van waterkwaliteit en kwantiteit zal ruimte geven voor natuurlijke successie van kragges, naar trilvenen en hoogveenbossen. Daarnaast is toenemende basenrijke kwel belangrijk voor blauwgraslanden.
Overtollig regenwater dat wordt vastgehouden in de Schil bevat weinig fosfaat en is er minder inlaatwater nodig in drogere periodes (met een hoge fosfaatbelasting). De Schil is voormalig agrarische grond en bevat waarschijnlijk een hoge fosfaatconcentratie. Verhoging van het waterpeil kan hier dus fosfaatmobilisatie tot gevolg hebben (Moira, 2020). Het peil in de Schil wordt lager gehouden dan de kern, waardoor er geen risico is op een toename van fosfaatrijk water binnen de kern. Binnen het inrichtingsplan de Schil zijn diverse maatregelen getroffen om dit te borgen, zoals het aanbrengen van verschillende stuwen, duikers en dammen, het verwijderen van een aantal bestaande duikers en dammen, aanvullend periodiek baggeren Keverdijkse-Overscheense Polder, Nieuw Keverdijkse polder en Hilversumse Bovenmeent, uitwerken van water- en stofbalansen per EAG voor beter inzicht externe P-belasting in de Schil en monitoren (Witteveen+Bos, 2019, Sweco, 2021, Royal HaskoningDHV, 2021).
Defosfatering van het inlaatwater blijft nodig om de kwaliteit van het inlaatwater op het gewenste niveau te krijgen. In perioden van langdurige droogte is de capaciteit van de huidige defosfateringsinstallatie onvoldoende en is de inlaat van ongedefosfateerd water noodzakelijk om de ondergrens van het peilbesluit te handhaven. Dit heeft een negatieve impact op de waterkwaliteit. De beoogde peilopzet zou de hoeveelheid inlaatwater moeten terugdringen doordat de ondergrens minder snel en frequent bereikt wordt.
Een vergroting van de peilfluctuatie (volgens het peilbesluit 2021) binnen de kade werkt naar verwachting positief door op de waterkwaliteit. Het doorvoeren van een grotere bandbreedte van een flexibel peil geldt voor het gehele Naardermeer (binnen de kade en in de Schil). Een verbeterde toevoer van kwelwater via de westflank van de Utrechtse Heuvelrug is met name van invloed op de waterkwaliteit van het Bovenste Blik en de oostflank van het Naardermeer en cruciaal voor behoud en kwaliteit van habitattypen van de verlandingsreeks.. Voedselarm kwelwater aan de noordzijde van de spoordijk zorgt daar voor goede perspectieven voor kranswierwateren en wateren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Daarnaast is peildynamiek binnen de kade van belang voor ontwikkeling van kwalificerende habitattypen en waterriet, het broedhabitat van grote karekiet.
Het treffen van maatregelen gericht op verdere verbetering van het hydrologisch systeem (ook buiten het Natura 2000-gebied) is daarmee een voorwaarde voor duurzaam behoud van vrijwel alle meer- en moerashabitattypen in het Naardermeer. De maatregelen gericht op hydrologisch herstel uit de eerste beheerplanperiode zijn nog niet geëffectueerd, maar grotendeels wel al uitgevoerd. Het nieuwe peilbesluit (2021) kan na de afronding van de herinrichting van de Schil stapsgewijs worden ingesteld.
5.1.4 Gebrek aan connectiviteit en onvoldoende areaal
Een gebrek aan connectiviteit vormt een sterke drukfactor voor de voorkomende plant- en diersoorten, aangezien vegetaties en leefgebieden in geringe omvang voorkomen en geïsoleerd van elkaar liggen. Dit is met name een knelpunt voor de habitattypen trilveen, veenmosrietland, blauwgrasland en laagveenheide. Om dit knelpunt aan te pakken is er noodzaak bij robuuste verbindingen binnen het Naardermeer, tussen het Naardermeer en de Oostelijke Vechtplassen en een versterking van het gradiënt heuvelrug-veengebied. Wanneer nieuwvorming plaatsvindt kunnen arealen uitbreiden en worden deze minder gevoelig voor externe invloeden zoals klimaatverandering. Isolatie vormt ook een knelpunt voor de soorten van blauwgrasland in het Laegieskamp. Wel kan er ingezet worden op een betere connectiviteit tussen het Laegieskamp en natuurgebieden Cruysbergen en Gijzenveen of de ontwikkeling van blauwgrasland in Naardermeer-Oost.
5.1.5 Invasieve soorten
Er zijn diverse invasieve soorten aanwezig in het Naardermeer. Dit betreft uitheemse rivierkreeften (met name rode Amerikaanse rivierkreeft), ongelijkbladig vederkruid, watercrassula, appelbes, late guldenroede en Japanse duizendknoop. Appelbes heeft ertoe geleid dat meerdere percelen hoogveenbossen sterk in kwaliteit zijn afgenomen. Bestrijding van deze soorten vraagt, indien mogelijk, om een offensieve aanpak, omdat kleinschalige en/of eenmalig aanpakken weinig effectief zijn gebleken. Nog niet voor alle soorten is het mogelijk om deze te elimineren, omdat terreinen lastig toegankelijk zijn of omdat er nog geen bewezen effectieve methoden voor handen zijn. In dat geval zijn er wellicht nog mogelijkheden voor beheersen.
Voorheen was ook watercrassula aanwezig in het zwakgebufferd ven in het Laegieskamp. Door middel van grote (handmatige) inspanning is het gelukt deze te elimineren.
5.1.6 (Ganzen)vraat
De hoge dichtheid van ganzen heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van rietvegetaties, en daarmee een negatieve invloed op het leefgebied van grote karekiet, zwarte stern, snor en purperreiger. De getroffen maatregelen met afrastering van rietstroken zijn succesvol maar waarschijnlijk onvoldoende in omvang voor duurzaam behoud van voldoende broedhabitat (TAUW, 2025).
5.1.7 Klimaatverandering
Klimaatverandering heeft een directe impact op de Nederlandse natuur, wat heden zichtbaar is en in de toekomst zal toenemen onder de verschillende klimaatscenario’s (KNMI, 2023). De frequentie van extreme hitte, droogte en neerslag in de zomer neemt toe in Nederland (KNMMI, 2023). Ook stijgt de zeespiegel snel met 2.9 mm/jaar, waardoor o.a. zout water verder het land indringt (KNMI, 2023). De combinatie van extreme droogte en zeespiegelstijging kan in de toekomst ook in het Naardermeer tot verzilting leiden. Klimaatverandering leidt vaak tot extra drukfactoren op de habitattypen en soorten, maar in een enkel geval kan het ook positief zijn voor een habitattype of soort, bijvoorbeeld als het water brakker wordt of de temperatuur stijgt. Het is dan ook belangrijk dat het beheerplan maatregelen implementeert die op deze toenemende drukfactoren anticiperen, om ook de doelstelling in de toekomst te halen.
In tabel 5.3 is een overzicht van de vijf grootste invloeden van klimaatverandering en het effect dat deze gaan hebben op de te realiseren natuurdoelen van het Naardermeer afgeleid uit Henkens et al. (2024). Het gaat om drukfactoren en risico’s (negatief) en eventuele kansen voor de Nederlandse natuur (positief). Vaak wordt er ook geen wezenlijke invloed verwacht op de betreffende natuurdoelen (Henkens et al., 2024).
|
VHR |
Opwarming |
Extreme droogte |
Extreme natte periodes |
Zeespiegelstijging |
Verzilting |
|
Habitattypen |
|
|
|
|
|
|
H3130 Zwakgebufferde vennen |
Negatief |
Negatief |
Negatief |
|
|
|
H3140 Kranswierwateren |
Negatief |
Negatief |
|
|
|
|
H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
Negatief |
Negatief |
Negatief |
|
|
|
H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) |
|
Negatief |
Negatief |
|
Negatief |
|
H6410 Blauwgraslanden |
|
Negatief |
Negatief |
|
|
|
H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) |
|
|
Positief |
|
Negatief |
|
H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
|
Positief |
Positief |
Positief |
Positief |
|
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) |
Negatief |
Negatief |
Negatief |
|
Negatief |
|
H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) |
Negatief |
|
Negatief |
|
|
|
H91D0* Hoogveenbossen |
Negatief |
Negatief |
|
|
Negatief |
|
Habitatrichtlijnsoorten |
|
|
|
|
|
|
H1016 Zeggekorfslak |
Positief |
Negatief |
|
|
|
|
H1082 Gestreepte waterroofkever |
|
Negatief |
|
|
|
|
H1082 Gestreepte waterroofkever |
|
Negatief |
|
|
Negatief |
|
H1149 Kleine modderkruiper |
|
Negatief |
|
|
Negatief |
|
H1903 Groenknolorchis |
|
Negatief |
|
|
Negatief |
|
H4056 Platte schijfhoren |
|
Negatief |
|
|
Negatief |
|
Broedvogels |
|
|
|
|
|
|
A017 Aalscholver |
|
|
|
|
|
|
A029 Purperreiger |
Positief |
Negatief |
Negatief |
|
|
|
A197 Zwarte stern |
Positief |
Negatief |
Negatief |
|
|
|
A292 Snor |
Positief |
Negatief |
Negatief |
|
|
|
A298 Grote karekiet |
Positief |
|
|
|
|
|
Niet-broedvogels |
|
|
|
|
|
|
A041 Kolgans |
Negatief |
|
|
|
|
|
A043 Grauwe gans |
|
|
|
|
|
Tabel 5.3 Eindbeoordeling van de klimaatinvloeden op de VHR-doelen die voorkomen in het Naardermeer.
Toekomstige effecten van klimaatverandering op habitattypen
Klimaatopwarming heeft een negatief effect op het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130). De combinatie van temperatuurstijging en een lager waterpeil leidt tot meer algenbloei in dit habitattype. De vennen in het Naardermeer worden deels door neerslag gevoed en door extreme droge periodes zal het waterpeil zakken en het risico op droogvallen toenemen. Ook de meren komen verder onder druk te staan door klimaatverandering in het Naardermeer. Temperatuurstijging zal leiden tot een afname van het zuurstofgehalte in het oppervlaktewater van de habitattypen Kranswierwateren (H3140) en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). In combinatie met versterkte microbiële afbraakprocessen kan dit leiden tot zuurstofloosheid en vissterfte. De primaire productie zal toenemen, als gevolg van een hogere temperatuur en het hogere sulfaat en nutriëntgehalte (Witte et al., 2009; 2012). Meer extreme droge perioden zullen leiden tot lagere waterpeilen en/of meer inlaatwater uit het Markermeer (via de Vecht). Hierdoor neemt de waterkwaliteit af en is er risico op afbraak van veen. Als zware neerslag volgt na een droge perioden leidt dit in het Naardermeer tot een hogere fosforbelasting door uitspoelend en afstromend water en daardoor een verslechtering van de waterkwaliteit (Witteveen+Bos, 2025). Meer extreem natte perioden in de zomer kunnen een potentieel positief effect hebben op de meren door verdunning van de voedingsstoffen, calcium en carbonaat. Extra uitspoeling tijdens extreme buien kan ook leiden tot een hogere fosforconcentratie in het bodemvocht (Diek et al., 2014; Witteveen+Bos, 2025). Daarnaast komt laagveengebied meer onder druk te staan van brak water. Sommige kranswiervegetaties, zoals doorschijnend glanswier, kunnen erg slecht tegen verzilting (Witte et al., 2009). Maar in het relatief hoger gelegen Naardermeer speelt dit (nog) niet.
Ook komt er extra druk te staan op de doelstellingen voor het habitattypen vochtige heiden en veenmosrietlanden door klimaatverandering, met name door intensere en langere droge perioden. Door toenemende droogte verdwijnen er ook soorten uit deze habitattypen. Het habitattype blauwgraslanden (H6410) zal ook verder onder druk komen te staan door toenemende extreme droge perioden. In droge zomers kan de grondwaterstand te ver wegzakken wat een directe negatieve invloed heeft op dit habitattype. Daarnaast heeft dit ook indirect een negatieve uitwerking op dit habitattype via interne eutrofiering. De toename in extreme zomer buien is in principe positief voor dit verdrogingsgevoelige habitattype (mits voldoende basenrijk water aanwezig blijft), maar kan ook leiden tot zomerinundatie waardoor soorten afsterven (Van Walsum et al., 2002). Er is echter geen wezenlijk effect verwacht, vanwege het incidentele en lokale karakter van hoosbuien. Ook het habitattype ruigten en zomen (moerasspirea) (H6430A) komt verder onder druk te staan door toenemende extreme droge perioden. Overstroming tijdens de extreem natte perioden speelt een belangrijke rol in de verspreiding van zaden en aanvoer van voedingstoffen voor dit habitattype. Toename van verzilting in het landschap kan leiden dat dit subtype veranderd naar ruigten en zomen (harig wilgenroosje) (H6430B). Tijdens extreme droge periodes kan brak water verder landinwaarts dringen, wat positief is voor dit subtype. Maar het is onwaarschijnlijk dat brakwater in het relatief hoger gelegen Naardermeer binnendringt. Ook dit subtype is gebaat bij extreme natte periodes en overstromingen, waardoor zaden en voedingsstoffen worden verspreid.
Klimaatopwarming heeft een negatief effect op de habitattypen overgangs- en trilvenen (trilvenen) (H7140A) en overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) (H7140B). Hogere temperaturen leiden tot versterkte microbiële afbraakprocessen, lagere zuurstofgehalten en hogere sulfaat- en nutriëntgehalten (Witte et al., 2009; 2012). Ook kan opwarming leiden tot een negatieve invloed op een deel van de soorten die hier voorkomen. Ook toenemende extreme droogte heeft een negatieve invloed op deze habitattypen. Bij extreme droogte zal de inlaat van water uit het Markermeer toenemen en dit kan leiden tot een slechtere waterkwaliteit, wanneer de capaciteit van de defosfateringsmachine is bereikt en ongedefosfateerd water moet worden ingelaten om het waterpeil te handhaven. Extreme natte perioden van neerslag kunnen gunstig zijn, zolang er basenrijk water aanwezig is, maar in het Naardermeer is er juist kwelherstel nodig. Hoosbuien zijn echter waarschijnlijk te lokaal en incidenteel om een wezenlijk effect te hebben. Ook verzilting van trilvenen is een potentiële drukfactor in de toekomst door te lage rivierafvoeren en versterkt door bodemdaling. Verzilting van trilvenen treedt steeds vaker op in de laagvenen van West-Nederland. In de relatief hoger gelegen venen van het Naardermeer is dit onwaarschijnlijker. Hoogveenbossen (H91D0*) komen eveneens verder onder druk te staan door klimaatopwarming. Het habitattype kan slecht tegen hoge temperaturen, o.a. door verhoogde verdamping waardoor veenmossen uitdrogen. Hogere temperaturen kunnen bovendien de afbraak van organisch materiaal stimuleren, wat leidt tot eutrofiering (Witte et al., 2012). Ook toename van de verdamping en vermindering van de neerslag in de zomer zijn een risico.
Toekomstige effecten van klimaatverandering op habitatrichtlijnsoorten
Klimaatverandering heeft indirect, via de habitattypen van het Naardermeer, een invloed op de doelsoorten. Daarnaast heeft klimaatverandering ook een directe invloed op sommige van deze soorten. Klimaatopwarming heeft weliswaar een positief direct effect op de habitatrichtlijnsoort zeggekorfslak (H1016). Het is een mediterrane soort (Janssen en Schaminee, 2008). Nederland ligt in het noordelijk deel van het Europese verspreidingsgebied, dus een noordwaartse verschuiving zal geen impact hebben. Maar klimaatverandering heeft via de toenemende extreme droge periodes een sterk negatieve, indirecte invloed op de soort want het leefgebied van de soort moet jaarrond nat en kalkhoudend zijn. Ook voor de gestreepte waterroofkever (H1082) vormt de toename van extreme droge periodes een drukfactor. Door extreme droge periodes kan de beschikbaarheid van het leefgebied van deze soort achteruitgaan. Ook voor de bittervoorn (H1134) zijn extreme droge perioden de grootste drukfactor, dit leidt tot droogval en afname van het habitat en/of inlaat van water uit de Schil en het Markermeer en de afname van waterkwaliteit. Ook verzilting kan problematisch zijn voor de soort. De bittervoorn (H1134) komt het liefst voor in wateren met een saliniteit van 20-150 mg Cl/l. Hetzelfde geld voor de kleine modderkruiper (H1149), door toenemende extreme droge perioden neemt het leefgebied af en toenemende verzilting is problematisch (saliniteit van 20-150 mg Cl/l optimaal). De groenknolorchis is niet specifiek koelte- of warmte minnend en hogere temperaturen zijn niet een risico. De toename van extreem droge perioden is wel een drukfactor, want de soort komt voor in het habitattype trilvenen, waar toenemende verdroging een grote drukfactor is. Ook is verzilting van de venen mogelijk problematisch bij een te lage rivierafvoer. Als laatste, de soort platte schijfhoren (H4056) komt ook verder onder druk te staan door de toename in extreme droge perioden. Hierdoor valt het habitat droog en de watertemperatuur kan te hoog worden. Daarnaast is toenemende verzilting ook een drukfactor, de soort komt niet voor in een zoutgehalte van 0.7 promille of hoger.
Toekomstige effecten van klimaatverandering op broedvogels
Klimaatverandering heeft geen directe invloed op de broedvogel aalscholver (A017). De soort vist overwegend in grote wateren en die zijn minder kwetsbaar voor verdroging. Met name de kleinere wateren zijn gevoelig voor klimaatverandering, waarbij de voedselvoorraad onder druk kan komen te staan. Klimaatopwarming heeft een potentieel positief effect op de warmte minnende soort purperreiger (A029). Maar de extremere droge perioden hebben een negatief effect op de soort. Droogte in de Afrikaanse overwinteringsgebieden heeft groot effect gehad op de aantallen broedvogels in Nederland. Maar ook in Nederland zelf wordt droogte als een drukfactor beschouwd, want de soort vist in ondiepe sloten. De zwarte stern (A197) ondervindt een positief effect van klimaatopwarming want de soort is warmte minnend. Maar extreme droge perioden hebben een veelvuldig negatief effect op de soort, want verlaging van het waterpeil leidt tot verlies van broedhabitat, verslechterde voedselcondities en makkelijker predatie van drooggevallen vlotjes. De snor is een warmte minnende soort en opwarming heeft een positief effect. Maar extreme droge perioden zijn een drukfactor voor de soort, zowel in Nederland als in de overwinteringsgebieden in de Sahel. Als laatste, de grote karekiet (A298) is ook een warmte minnende soort en een positief effect van klimaatopwarming is verwacht.
Toekomstige effecten van klimaatverandering op niet-broedvogels
Voor de niet-broedvogel soort kolgans (A041) heeft temperatuurstijging een negatief effect, want dit leidt tot ecosysteemdegradatie van het Arctische broedgebied. Daarnaast overwinteren grotere aantallen ten oosten van Nederland, vanwege de warmere winters daar. Klimaatverandering heeft geen verwachte impact op de grauwe gans (A043) als niet-broedende vogel in Nederland.
5.2 Maatregelen
5.2.1 Inleiding
Uit de Natuurdoelanalyse en evaluatie van het eerste Natura 2000-beheerplan blijkt dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de instandhoudingsdoelen te behalen. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de nog niet uitgevoerde maatregelen uit het eerst Natura 2000-beheerplan. Vervolgens wordt ingegaan op aanvullende maatregelen gericht op het mitigeren van drukfactoren zoals benoemd in paragraaf 5.1. In paragraaf 5.3 is een totaaloverzicht van de maatregelen opgenomen.
5.2.2 Nog niet volledig uitgevoerde maatregelen uit het eerste Natura 2000-beheerplan
De nog niet (volledig) uitgevoerde werkzaamheden hebben vooral betrekking op systeemherstelmaatregelen. In navolgende paragrafen wordt ingegaan op de maatregel en stand van zaken op moment van schrijven. Voor de beschreven maatregelen geldt dat deze grotendeels uitgevoerd zijn of nog uitgevoerd gaan worden. Geen van de maatregelen is vervallen.
Inrichtingsplan de Schil inclusief peilaanpassing
De waterhuishouding van de Schil als bufferzone wordt in verschillende peilvakken ingericht. De grondwerving is vrijwel rond. De werkzaamheden voor het project zijn in 3-fases opgedeeld en op het moment van schrijven is fase 2 in uitvoering. Het project is naar verwachting in 2027 afgerond. Voor de Schil is een inrichtingsplan gemaakt met systeemmaatregelen die bijdragen aan de kernopgaven en daarmee aan de realisatie van de instandhoudingsdoelen: peilaanpassingen (peilopzet en het instellen van een flexibel peilbeheer), bijbehorende waterhuishoudkundige maatregelen die de peilaanpassingen mogelijk maken, het baggeren van watergangen, realisatie van plas-draszones en ondiepe open waterzones en maaiveldverlaging (zie voor meer detail Inrichtingsplan de Schil, RoyalHaskoningDHV, 2021). In het Inrichtingsplan de Schil zijn ook maatregelen opgenomen om de nutriëntenbelasting van het Bovenste Blik te verminderen door het belastte water vanuit de Meerlanden via een alternatieve afvoerroute af te voeren. Deze zijn uitgevoerd.
De inrichtingsmaatregelen zijn opgenomen in het inrichtingsplan Schil Naardermeer (RoyalHaskoningDHV, 2021), peilaanpassingen en het omleiden van de waterafvoer vanuit de Meerlanden zijn vastgesteld in het peilbesluit (2021) dat onderdeel uitmaakt van het watergebiedsplan Naardermeer en omliggende Schil. Het inrichtingsplan leidt samenvattend tot een uitbreiding en verbetering van het leefgebied voor grote karekiet, zwarte stern, purperreiger, snor, gestreepte waterroofkever, zeggekorfslak, bittervoorn en kleine modderkruiper en potentie tot uitbreiding van de habitattypen kranswierwateren (H3140), meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150)) en blauwgraslanden (H6410). Wel blijkt uit onderzoek dat er in Naardermeer Oost extra maatregelen benodigd zijn ten behoeve van blauwgrasland.
Verruiming van het flexibele peilbeheer in de kern
Het Naardermeer heeft momenteel een flexibel peilbeheer, waarbij het peil vrij mag fluctueren binnen een marge van 30 cm tussen het maximale en het minimale peil (NAP -0,80/-1,10 m). Dit is een wijziging uit 2021, voorheen was de marge 20 cm met het minimale peil (NAP -90/-1.10m). De wijziging in het peilbeheer is in de praktijk nog niet ingevoerd, waardoor de effecten nog niet kunnen optreden (Witteveen+Bos, 2025). In de komende beheerperiode zal dit flexibeler waterpeil gradueel worden doorgevoerd.
Synthese getroffen maatregelen eerste beheerplanperiode
De getroffen maatregelen in de afgelopen beheerplanperioden (2019 – 2025) zijn veelal overlevingsmaatregelen. Deze zijn noodzakelijk voor het behoud van habitattypen op korte termijn. Hiervan bedraagt de responstijd 1 tot 5 jaar. Een groot deel van de maatregelen zijn inmiddels binnen deze periode getroffen waardoor beperkt zicht is op een (verdere) verbetering.
Indien de abiotische condities niet verbeteren is het niet mogelijk om de habitattypen met overlevingsmaatregelen duurzaam te behouden. De meeste overlevingsmaatregelen kunnen slechts beperkt en niet oneindig herhalend worden ingezet. Systeemherstelmaatregelen zijn noodzakelijk voor duurzaam behoud van de habitattypen en leefgebieden binnen het Naardermeer. De systeemherstelmaatregelen, gericht op peilbeheer en hydrologisch herstel, van het vorige beheerplan (2019 – 2025) zijn nog niet tot uitvoering gekomen. Wel wordt de herinrichting van de Schil op dit moment uitgevoerd en het project wordt naar verwachting afgerond in 2027. Het vernieuwde peilbesluit van het watergebiedsplan kan dan worden doorgevoerd. Deze systeemherstelmaatregelen hebben een responstijd van circa 20 jaar. Zeker met oog op de kennisleemten met betrekking tot achteruitgang van waterplantenvegetaties, de overmaat van stikstofdepositie, invloed van invasieve soorten en ganzenvraat, is een verdere verslechtering op korte termijn niet uitgesloten. Voor duurzame instandhouding van kwalificerende habitattypen is het ontstaan van nieuwe verlandingsreeksen essentieel. In de komende beheerperioden ligt de prioriteit bij het uitvoeren van de systeemmaatregelen. Daarnaast worden in de aankomende beheerperioden ook de behoudsmaatregelen en de bestrijding tegen invasieve soorten uitgevoerd, om in tussentijd verslechtering of zelfs het verdwijnen van sommigen habitattypen en soorten te voorkomen.
5.2.3 Aanvullende maatregelen
5.2.3.1 Ontbreken mesotrofe verlandingsreeksen
Doordat mesotrofe verlandingsreeksen niet op gang komen verouderen bestaande vegetaties en nemen deze in kwaliteit af of verdwijnen zelfs geheel. Daarnaast groeit het systeem verder dicht, door het ouder worden van vegetaties. Juist deze openheid van het landschap is belangrijk voor Vogelrichtlijnsoorten als purperreiger, zwarte stern en snor. De oorzaak hiervan is niet één onderdeel, maar is vermoedelijk gelinkt aan een het knelpunt hydrologisch systeem (zie paragraaf 2.3.2.2) en de vraat door ganzen en invasieve soorten (zie paragraaf 5.2.3.5). Er zijn echter nog diverse kennisleemten over hoe deze verlandingsreeksen weer op gang te brengen. De effecten van de systeemmaatregelen voor het verbeteren van de waterhuishouding en dynamiek om natuurlijke verlanding op gang te brengen worden op lange termijn zichtbaar (circa 20 jaar). In de tussentijd wordt ook op korte termijn (1 – 5 jaar) ingezet op overlevingsmaatregelen zodat de verschillende verlandingsstadia, vegetatie, zaadbanken en fauna aanwezig blijven in het gebied. Deze maatregelen zijn tijdelijk en kunnen niet herhaaldelijk kunnen worden ingezet, het is dan ook cruciaal dat deze beheerplanperiode de systeemmaatregelen worden uitgevoerd. De overlevingsmaatregelen zijn beschreven in paragraaf 5.2.3.7.
De volgende aanvullende maatregelen worden voorgesteld:
-
Creëren van meer openheid in de kern Naardermeer (door middel van boskap)
-
Verkenning rietontwikkeling door droogval in de Schil.
Creëren van meer openheid in de kern Naardermeer (door middel van boskap)
Door het ontbreken van mesotrofe verlandingsreeksen zijn de vegetaties in het Naardermeer verouderd en is het Naardermeer verder dichtgegroeid. Dit heeft geleid tot het verlies van openheid, die juist belangrijk is voor soorten als purperreiger, zwarte stern en snor. Door middel van het gericht verwijderen van bomen en struweel ontstaat meer openheid en verbetert het leefgebied van purperreiger, zwarte stern en snor.
Verkenning rietontwikkeling door droogval in de Schil
In de Schil zijn kansen voor de ontwikkeling van grote oppervlakten waterriet door middel van peilopzet en droogval. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de geschikte locaties te bepalen. Om die reden wordt in de tweede beheerplanperiode een verkenning gestart waarbij wordt ingegaan op de kansen voor ontwikkeling van rietmoeras en welke maatregelen daarvoor benodigd zijn, indien mogelijk met verschillende scenario’s.
5.2.3.2 Hydrologisch systeem
De volgende aanvullende maatregelen worden voorgesteld:
-
Uitbreiding capaciteit defosfatering(sinstallatie)
-
Optimalisatie kwelwater voor Laegieskamp en Meerlanden
Onderzoek naar mogelijke (hydrologische) maatregelen om de kweldruk te vergroten (zowel binnen het Natura 2000-gebied als regionaal).
Uitbreiding capaciteit defosfateringsinstallatie
In het noordwesten van het gebied staat een defosfateringsinstallatie die op basis
van ijzerchloride het inlaatwater uit de Vecht en het Markermeer filtert. Dit inlaatwater
is een belangrijk component in het Naardermeer naast neerslag en kwel. Zeker in drogere perioden wordt er veel inlaatwater binnen
gelaten. Uit onderzoek (blijkt dat fosfor-concentraties niet gelinkt zijn aan pieken
van (ongedefosfateerd) inlaatwater en dat alleen dicht bij het inlaat punt er hoge
concentraties fosfor zijn waargenomen Witteveen+Bos, 2026). Door het zicht op toenemende
extreme droge perioden en het feit dat waterschaarste nu al speelt in het Naardermeer zal er in de toekomst een intensivering van inlaat via de defosfateringsinstallatie
plaatsvinden. Vergroting van de capaciteit heeft tot gevolg dat meer inlaatwater gezuiverd
kan worden en in tijden van extreme drogen geen ongezuiverd inlaatwater binnen wordt
gelaten.
Optimalisatie kwelwater voor Laegieskamp en Meerlanden
Een studie naar kwelpotentie in gebieden van en rondom het Naardermeer (TAUW & Witteveen+Bos, 2024) heeft uitgewezen dat er directe potentie is voor basenrijke kwel in Laegieskamp en mogelijk in delen van Meerlanden. Er is een kwelflux van ca. 1 – 3 mm/d met oplopende gradiënt van west (laag) naar oost (hoog). Ondanks het feit dat een groot deel van het gebied reeds is ingericht als natuur en er al kwalificerende habitattypen voorkomen, kunnen de habitattypen in met name kwantiteit nog verbeterd worden door bijvoorbeeld plaggen ten behoeve van (a) het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen en de habitat- en vogelrichtlijnsoorten en (b) de kernopgaven behorend bij het Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen (Natuurdoelanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2025). Daarnaast kunnen maatregelen getroffen worden om de kweldruk in het gebied te laten toe nemen. Dit kan door infiltratie in het inzijggebied te verbeteren. Hiervoor is nader onderzoek benodigd om kansrijke locaties en benodigde maatregelen in beeld te brengen.
5.2.3.3 Gebrek aan connectiviteit en onvoldoende areaal
Deze drukfactor hangt samen met de knelpunten hydrologisch systeem en het ontbreken van mesotrofe verlandingsreeksen. De verbinding van het Naardermeer met de Oostelijke Vechtplassen (via de Ankeveense Plassen) functioneert goed. De verbinding van het Naardermeer naar het noorden (de rietmoerassen van de Veluwerandmeren) kan verbeterd worden. Daarnaast kan de connectiviteit voor soorten van open rietmoerassen binnen het Naardermeer verbeterd worden. Hiervoor is een maatregel voorgesteld onder paragraaf 5.2.3.1: het creëren van meer openheid in de kern Naardermeer.
Uit de ecohydrologische systeemanalyse Utrechtse Heuvelrug blijkt dat er potenties zijn voor de (verdere) ontwikkeling van kwelafhankelijke natuur in Laegieskamp en Naardermeer Oost. Dit geeft kansen voor de uitbreiding van het areaal blauwgrasland. Het habitattype komt nu uitsluitend voor in Laegieskamp in een klein geïsoleerd areaal. Versterking van dit blauwgrasland is cruciaal op de uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling te behalen. Na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen in de Schil fase 1 blijkt dat er kansen zijn voor de ontwikkeling van blauwgrasland. Hiervoor zijn aanvullende inrichtingsmaatregelen benodigd.
Voor overige habitattypen worden binnen het Natura 2000-gebied worden geen aanvullende maatregelen voorgesteld, de maatregelen onder paragraaf 5.2.3.1 en 5.3.2.2 zijn ook relevant voor deze drukfactor.
Buiten het Natura 2000-gebied worden de volgende aanvullende maatregelen voorgesteld:
-
Ontwikkeling blauwgrasland in Naardermeer Oost
-
Verbetering connectiviteit Naardermeer noordzijde A1
5.2.3.4 Invasieve soorten
In het Naardermeer zijn diverse invasieve soorten aanwezig. Voor de meeste van deze soorten zijn nog geen bewezen effectieve bestrijdingsmethoden of zijn terreinen lastig toegankelijk waardoor nog niet ingezet kan worden op eliminatie.
Er wordt actief ingezet op het beheersen van ongelijkbladig vederkruid, late guldenroede, Japanse duizendknoop en Amerikaanse rivierkreeft.
Voor zwarte appelbes geldt dat de soort ertoe heeft geleid dat meerdere percelen hoogveenbossen sterk in kwaliteit zijn afgenomen. Bestrijding van deze soort vraagt om een offensieve aanpak, omdat kleinschalige en/of eenmalige aanpakken weinig effectief zijn gebleken. De locaties van goede kwaliteit hoogveenbos, rietland, trilvenen, veenheide en blauwgrasland worden gelokaliseerd en vrijgehouden van zwarte appelbes. Voor deze locaties wordt dus ingezet op eliminatie, terwijl op andere locaties wordt ingezet op beheersen.
Voor projectmatige bestrijding voor de verschillende exoten kan een aanvraag gedaan worden voor Life subsidie EU: deelprogramma Natuur en biodiversiteit. Dit vergoedt 60-75% kosten van project.
De volgende maatregelen worden voorgesteld met betrekking tot invasieve soorten (naast doorlopend beheer):
5.2.3.5 (Ganzen)vraat
De eerder getroffen maatregelen met afrastering van rietstroken zijn succesvol maar waarschijnlijk onvoldoende in omvang voor duurzaam behoud van voldoende broedhabitat van Vogelrichtlijnsoorten. Om die reden worden de volgende maatregelen voorgesteld:
5.2.3.6 Klimaatverandering
Toenemende lange en extreme droge perioden zijn een groot probleem voor de verschillende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten, maar het implementeren van een flexibel(er) waterpeil en het vergroten van de hydrologische buffer (de Schil en vergrote capaciteit defosfateringsmachine) gaat de ergste effecten tegen. Vanwege het toekomstperspectief van klimaatverandering komt er extra urgentie om de watersysteem maatregelen uit te voeren. De volgende aanvullende maatregel wordt voorgesteld:
Verkenning klimaatadaptief waterbeheer
Maatregelen voor een robuust hydrologisch systeem zijn van groot belang om effecten van klimaatverandering op te vangen. Denk daarbij aan langdurige perioden van droogte, maar ook de snelle afvoer van piekbuien, terwijl water bergen en infiltreren bijdraagt aan het vergroten van de grondwaterbuffer. Het gaat om een verkenning gericht op waterbeheer gericht op het Naardermeer zelf, omliggende polders, aanwezige sloten (zoals de Karnemelksloot) en het gemeentelijk waterbeheer. Hierin wordt ook het advies van de Ecologische Autoriteit (d.d. 9 april 2024 en 5 maart 2026) betrokken. Uit deze verkenning moet blijken welke maatregelen kansrijk zijn en verder uitgewerkt worden tot maatregel.
5.2.3.7 Overlevingsmaatregelen
In verband met het ontbreken van nieuwe mesotrofe verlandingsreeksen en de aanhoudende overmaat van (atmosferische) stikstofdepositie zijn overlevingsmaatregelen essentieel om de aanwezige natuurwaarden op korte termijn te behouden. Deze overlevingsmaatregelen zijn:
-
Aanvullend maaien van rietlanden (inclusief afvoeren maaisel).
-
Plaggen (ondiep tot diep) van verzuurde rietland en zeggenvegetaties en ten behoeve van verdere ontwikkeling laagveenheiden, veenmosrietland en trilvenen.
-
Verwijderen van opslag (opschietende bomen en struweel) voor het tegen gaan van schaduw op de meren en verruiging en versnelde successie van habitattypen.Baggeren van vervuilde sliblagen.
-
Bekalken enkele hooilanden
5.2.3.8 Onderzoek
Daarnaast zijn er diverse kennisleemten, waarvoor onderzoek nodig is om tot handelingsperspectief te komen. In de tweede beheerplanperiode wordt ingezet op onderzoek. Het betreft de volgende onderzoeken:
-
Verkenning rietontwikkeling door droogval in de Schil.
-
Onderzoek naar mogelijke (hydrologische) maatregelen om de kweldruk te vergroten (zowel binnen het Natura 2000-gebied als regionaal).
-
Ontwikkeling blauwgrasland in Naardermeer Oost
-
Onderzoek/project bestrijding Amerikaanse en andere uitheemse rivierkreeften
-
Verkenning klimaatadaptief waterbeheer
-
Hoogveenbosonderzoek (inclusief eventueel verwijderen appelbes)
-
Effecten begreppeling (met oog op P-mobilisatie en uitspoeling)
Op basis van de resultaten worden maatregelen geformuleerd. Wanneer ook mogelijkheden voor aanvullende financiering beschikbaar zijn kan ook worden overgegaan op deze maatregelen. In het beheerplan is borging van deze maatregelen nog niet mogelijk, aangezien de uitwerking hiervan in omvang, ruimte, tijd en geld nog niet bekend is. Borging van de onderzoeksopgaven valt onder monitoring (paragraaf 10.6).
5.3 Overzicht maatregelen
Onderstaande tabel betreft een overzicht van de in paragraaf 5.2 benoemde maatregelen aangevuld met de reeds geprogrammeerde maatregelen zoals opgenomen in het programma natuur fase 2 en maatregelen uit het eerste Natura 2000-beheerplan die nog in uitvoering zijn. De onderzoeksmaatregelen zijn opgenomen in tabel 5.3.
Tabel 5.2 Overzicht maatregelen tweede beheerplanperiode
|
Omschrijving |
Type maatregl |
Overmaat (atmosferische) stikstofdepositie
|
Ontbreken mesotrofe verlandingsreeksen
|
Hydrologisch systeem
|
Gebrek aan connectiviteit en onvoldoende areaal
|
Invasieve soorten
|
(Ganzen) vraat
|
Klimaatverandering
|
|
Maatregelen uit eerste Natura 2000-beheerplan die nog in uitvoering zijn
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Flexibel peilbeheer binnen de kern |
Systeemherstel-maatregel |
|
x |
x |
x |
|
|
x |
|
Peilopzet in de Schil (inclusief eventuele mitigerende maatregelen) |
Systeemherstel-maatregel |
|
x |
x |
x |
|
|
x |
|
Aanvullende maatregelen tweede Natura 2000-beheerplan
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
CREEREN OPENHEID IN KERN NAARDERMEER |
Overlevings-maatregel |
x |
x |
|
x |
|
x |
|
|
Uitbreiding capaciteit defosfatering(smachine) |
Systeemherstel-maatregel |
|
x |
x |
x |
|
|
x |
|
Optimalisatie gebruik kwelwater voor laegieskamp en meerlanden |
Systeemherstel-maatregel |
x |
|
x |
x |
|
|
x |
|
Ontwikkeling blauwgrasland Naardermeer Oost |
Systeemherstel-maatregel |
x |
|
x |
x |
|
|
|
|
Verbetering connectiviteit Naardermeer met noordzijde A1 |
Systeemherstel-maatregel |
|
|
|
|
|
|
|
|
Elimineren zwarte appelbes op kansrijke locaties hoogveenbos |
Overlevings-maatregel |
x |
|
|
|
x |
x |
x |
|
Project beheersen ongelijkbladig vederkruid |
Overlevings-maatregel |
x |
|
|
|
x |
x |
x |
|
Projectmatig beheersen aanwezige invasieve soorten (al dan niet via doorlopend beheer) |
Overlevings-maatregel |
x |
|
|
|
x |
x |
x |
|
Voortzetten jaarlijks in het voorjaar plaatsen van nestvlotjes |
Overlevings-maatregel |
|
|
|
|
x |
x |
|
|
Voortzetten van plaatsen en onderhouden van netten bij rietkragen |
Overlevings-maatregel |
|
|
|
|
x |
x |
|
|
Populatiebeheer ganzen |
Overlevings-maatregel |
|
|
|
|
x |
|
|
|
Aanvullend maaien rietlanden (inclusief afvoeren maaisel) |
Overlevings-maatregel |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
Plaggen van verzuurde rietland en zeggenvegetaties |
Overlevings-maatregel |
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
Verwijderen van opslag voor tegengaan van schaduw op meren en verruiging/ versnelde
successie habitattypen |
Overlevings-maatregel |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Baggeren van vervuilde sliblagen |
Overlevings-maatregel |
|
|
x |
|
|
|
|
|
Bekalken enkele hooilanden |
Overlevings-maatregel |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Maatregelen uit Programma Natuur
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Baggeren van vervuilde sliblagen |
Systeemherstelmaatregel |
|
|
x |
|
|
|
|
|
Uitvoering baggeren (Zuidwestplas, Spookgat, Hoofdtocht en Westtocht) |
Systeemherstelmaatregel |
|
|
x |
|
|
|
|
|
Aanvullend maaien van rietlanden (incl. afvoeren maaisel) |
Overlevingsmaatregel |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Kwaliteitsverbetering trilvenen |
Overlevingsmaatregel |
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
|
Plaggen (ondiep tot diep) van verzuurde rietland- en zeggenvegetaties |
Overlevingsmaatregel |
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
|
Maaien en opslag verwijderen |
Overlevingsmaatregel |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Opslag verwijderen |
Overlevingsmaatregel |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Bekalken hooilandvegetaties |
|
x |
|
x |
|
|
|
|
|
Begreppelen (incl onderzoek) |
Systeemherstelmaatregel |
|
x |
x |
|
|
|
|
|
Verwijderen appelbes op kansrijke locaties (met de hand, bosmaaier, sikkel) |
Overlevingsmaatregel |
x |
|
|
|
x |
|
|
|
Afvoeren en verwerken (oud-) maaisel (ook in Oostelijke Vechtplassen) |
Overlevingsmaatregel |
x |
|
x |
|
|
|
|
Tabel 5.3 Overzicht onderzoeken tweede beheerplanperiode
|
Onderzoek |
Doel |
|
Verkenning ontwikkeling (water)riet door droogval in de schil |
Scenariostudie gericht op in beeld brengen kansrijke locaties voor creëren waterriet
ten behoeve van grote karekiet |
|
Onderzoek naar mogelijke (hydrologische) maatregelen om de kweldruk te vergroten (zowel
binnen het natura 2000-gebied als regionaal) |
Maatregelen in beeld brengen die bijdragen aan het vergroten van de kweldruk in het
Naardermeer (door meer kwel en/of minder wegzijging). |
|
Ontwikkeling blauwgrasland in naardermeer oost |
Nader onderzoek is nodig om de benodigde inrichtingsmaatregelen voor de ontwikkeling
van blauwgrasland in Naardermeer Oost in beeld te brengen. |
|
Onderzoek/project bestrijding Amerikaanse rivierkreeft en andere uitheemse rivierkreeften |
Er zijn nog geen bewezen effectieve bestrijdingsmethoden voor uitheemse rivierkreeften.
Bestrijding blijft echter noodzakelijk, daarom wordt een combinatie voorgesteld. |
|
Verkenning klimaatadaptief waterbeheer |
Door klimaatverandering komt het watersysteem (verder) onder druk te staan. Doel van
de studie is om in beeld te brengen welke kansen er zijn voor het verder verbeteren
van het waterbeheer in relatie tot klimaatverandering. |
|
Hoogveenbosonderzoek (inclusief eventueel verwijderen appelbes) |
Dit onderzoek volgt uit het programma natuur en is gericht op kwaliteitsverbetering
van hoogveenbossen. |
|
Effecten begreppeling (met oog op P-mobilisatie en uitspoeling) |
Dit onderzoek volgt uit het programma natuur en is gericht op kwaliteitsverbetering
van trilvenen. |
6. Huidig gebruik
6.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de resultaten van de vrijstellingstoets van het huidig gebruik samengevat. In de vrijstellingstoets is beoordeeld of de activiteiten die in het beheerplan voor de periode 2019-2025 zijn vrijgesteld van de vergunningplicht opnieuw op dezelfde manier kunnen worden beoordeeld en vrijgesteld. De volledige vrijstellingstoets is opgenomen in bijlage 3. Nieuwe activiteiten worden niet in het beheerplan beoordeeld. Initiatiefnemers zijn verantwoordelijk om na te gaan of er sprake kan zijn van significante negatieve effecten voort de Natura 2000-instandhoudingsdoelen en dienen zo nodig een voortoets of passende beoordeling uit te (laten) voeren en een vergunning aan te vragen.
De toetsing voor het huidig gebruik in dit beheerplan is uitgevoerd op het niveau van een ‘voortoets’. Als significante effecten van het gebruik op voorhand zijn uitgesloten, kan het gebruik ongewijzigd en vergunningvij worden voortgezet. Voor het gebruik waarbij effecten niet (van tevoren) zijn uit te sluiten geldt dat dit gebruik óf vergunningplichtig is óf onder bepaalde voorwaarden uitgevoerd moet worden.
|
Juridisch kader toetsing huidig gebruik Binnen het juridisch kader worden de begrippen ‘huidig gebruik’ en ‘bestaande rechten’ gehanteerd. Onderstaand worden deze begrippen nader toegelicht. Bestaande rechten zijn aan de orde als er ten tijde van de aanmelding van een Natura 2000-gebied op grond van de milieuregelgeving vergunde rechten waren om bepaalde activiteiten uit te voeren. Vanwege diverse rechterlijke uitspraken is het alleen vergunningvrij wanneer het gebruik sinds de Europese referentiedatum niet is gewijzigd. Voor bestaande rechten waarvan het gebruik is gewijzigd of dat wisselt in omvang, locatie en/of tijdstip geldt wél een vergunningplicht bij mogelijk significante effecten op de Natura 2000-doelen. Het is niet altijd mogelijk om aan te tonen dat sprake is van al dan niet gewijzigd gebruik of dat een activiteit na aanwijzing van de betreffende Natura 2000-gebieden is gewijzigd of gestart. Daarom zijn in de beheerplannen alle bij de provincie bekende (menselijke) activiteiten die in en om het gebied plaatsvinden getoetst. Dit type gebruik noemen we het ‘huidig gebruik’. |
Kader 6.1: Juridisch kader bestaande rechten en huidig gebruik.
6.2 Toetsing huidig gebruik
6.2.1 Actualisatie huidige activiteiten
In en rond het Naardermeer vinden diverse activiteiten plaats. Het gebied wordt beheerd als natuurgebied. De eerste stap betreft een beschrijving van de activiteiten die plaatsvinden in en direct om het Natura 2000-gebied. Alle (menselijke) activiteiten die mogelijk invloed kunnen hebben op de Natura 2000-doelen zijn daarbij relevant. Uitgangspunt is de beschrijving van de activiteiten in het beheerplan voor de periode 2019-2025. Aanvullend is deze lijst geactualiseerd. Op deze manier komen ook nieuwe of gewijzigde activiteiten in het gebied in beeld. Informatie over het huidig gebruik zijn afkomstig uit het beheerplan voor de periode 2019-2025, overheden en terreinbeheerders. Alle vormen van huidig gebruik binnen het Naardermeer zijn opgesomd in tabel 6.1.
Reeds vergunde projecten en illegaal gebruik zijn geen onderdeel van de toetsing huidig gebruik. Daarnaast geldt voor bestaande vergunningen dat deze buiten het beoordelingskader van huidig gebruik vallen. Deze zijn via het reguliere onderzoeks- en vergunningenspoor vergund.
6.2.2 Indeling in categorieën
Bij de inventarisatie en beoordeling van het huidige gebruik in en om het Naardermeer zijn alle bekende activiteiten meegenomen. De resultaten van de beoordeling zijn te vinden in bijlage 3. Uitgangspunt voor de toetsing van deze activiteiten is dat ze de realisatie van de Natura 2000-doelen niet in de weg mogen staan. De activiteiten zijn ingedeeld in zeven groepen: Natuurbeheer, onderhoud en natuur (wetenschappelijk) onderzoek (1), Waterbeheer (2), Landbouw (3), Waterwinning (4), Recreatie (5), Verkeer (6), Overige activiteiten (7). Bij de beoordeling zijn de volgende categorieën gehanteerd:
|
1 |
Vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden Onder deze categorie vallen vergunningplichtige activiteiten waarvoor het beheerplan als vrijstelling van de vergunningplicht geldt zonder dat specifieke voorwaarden nodig zijn. Dit betreft activiteiten met mogelijk significante gevolgen, waarbij uit een passende beoordeling is gebleken dat geen significante effecten zullen optreden. Voor deze activiteiten geldt de generieke voorwaarde dat de activiteiten niet in betekenende mate mogen wijzigen, anders ‘herleeft’ de vergunningplicht. |
|
2 |
Vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden Voor bepaalde vergunningplichtige activiteiten geldt het beheerplan eveneens als vrijstelling van de vergunningplicht, maar alleen indien specifieke voorwaarden opgevolgd worden. Dit betreft activiteiten met mogelijk significante gevolgen, waarbij uit een passende beoordeling is gebleken dat er geen significante effecten zullen optreden, mits specifieke voorwaarden opgevolgd worden. Houdt men zich niet aan deze voorwaarden of wijzigen de activiteiten in betekenende mate, dan ‘herleeft’ de vergunningplicht. |
|
3 |
Activiteiten die afzonderlijk vergunningplichtig zijn en blijven Voor deze activiteiten vormt het beheerplan geen vrijstelling van de vergunningplicht. Deze activiteiten blijven dus gewoon vergunningplichtig. Vergunninghouders moeten zich aan de voorwaarden van de vergunning houden, anders wordt artikel 8,74b, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving overtreden. Na het verstrijken van de geldigheid van de vergunning zal opnieuw een vergunningprocedure gestart moeten worden. |
|
4 |
Activiteiten die in huidige vorm of onder voorwaarden niet vergunningplichtig zijnVoor deze activiteiten geldt dat in dit beheerplan met een voortoets is bekeken of
bij de uitvoering van de activiteit een negatief effect kan ontstaan. Voor sommige
activiteiten geldt dat effecten kunnen worden uitgesloten als de activiteiten op dezelfde
wijze worden voortgezet. Voor andere activiteiten gelden voorwaarden. Deze activiteiten
zijn onderverdeeld in twee categorieën, 4a en 4b. |
|
4a |
Niet vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaardenDit zijn de activiteiten die in hun huidige vorm niet vergunningplichtig zijn én geen
of geen negatieve effecten hebben op het bereiken van de Natura 2000-doelen. Deze
activiteiten hebben over het algemeen geen relatie met de Natura 2000-doelen. Er zijn
dan ook geen beperkingen of maatregelen nodig, mits de activiteiten op dezelfde wijze
worden voortgezet. Ook de (beheer)maatregelen die voor Natura 2000-doelen worden getroffen
kunnen zonder vergunning plaatsvinden en worden ingedeeld in deze categorie. |
|
4b |
Niet vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaardenHieronder vallen alle activiteiten die – ten tijde van de toetsing en in de huidige
vorm – op zichzelf geen significant effect hebben op de Natura 2000-doelen, maar die
bij autonome ontwikkeling en/of in combinatie met andere activiteiten en/of zonder
specifieke voorwaarden wel een negatief (rest-)effect kunnen hebben. Hiervoor worden
in het beheerplan inhoudelijke voorwaarden opgenomen waardoor deze effecten worden
voorkomen. Ook het (juridische) bestaand gebruik zoals omschreven in tekstkader 1
kan onder deze categorie vallen. |
Kader 2: Indeling van huidig gebruik in categorieën
Tabel 6.1 Beoording van het huidige gebruik binnen het Natura 2000-gebied Naardermeer (toelichting op beoordeling staat onderaan de tabel en in bijlage 3)
|
Huidig gebruik binnen het Natura 2000-gebied |
Beoordeling |
|
Natuurbeheer |
4b |
|
Maaien en soms baggeren van watergangen |
4b |
|
Afvoeren en verwerken (oud) maaisel uit terreinen |
4b |
|
Gebruik en transport naar baggerdepot |
4b |
|
Maaien en begrazen gericht op het in stand houden dan wel verbeteren van de kwaliteit
van de habitats waarvoor het gebied is aangewezen (hooilanden, rietlanden en zeggevegetaties) |
4b |
|
Periodiek verwijderen opschietend bomen en struweel |
4b |
|
Invasieve soorten: periodiek verwijderen appelbes, ongelijkbladig vederkruid, Amerikaanse
vogelkers en andere invasieve soorten |
4b |
|
Afplaggen verzuurd rietland en zeggevegetaties (cyclisch beheer) |
4b |
|
Afplaggen (ontwikkeling) |
4b |
|
Plassen en watergangen periodiek openhouden |
4b |
|
Vaarbewegingen ten behoeve van natuurmonitoring/-onderzoek |
4b |
|
Beheer houtige opstanden: lanen en knotwilgen |
4b |
|
Kreeften en bodemwoelende vis wegvangen |
4b |
|
In het voorjaar nestvlotjes plaatsen voor zwarte stern |
4b |
|
Plaatsen en onderhouden van netten bij rietkragen |
4b |
|
Bekalking enkele hooilanden |
4b |
|
Inspecties en toezicht waarbij sprake is van betreding van de vegetatie |
4b |
|
Beheer en onderhoud van voorzieningen: zoals paden, bankjes, aanmeergelegenheden, |
4b |
|
Onderhoud rasters, hekken, poorten etc. |
4b |
|
Monitoring effecten van peilaanpassingen op natuurwaarden. |
4b |
|
Monitoring & ecologisch onderzoek |
4b |
|
Waterbeheer |
|
|
Peilbeheer |
3 |
|
Kleinschalig onderhoud waterstaatkundige werken |
4b |
|
Grootschalig onderhoud waterstaatkundige werken |
4b |
|
Grootschalig onderhoud buiten bestaande legger |
3 |
|
Defosfateren inlaatwater |
4a |
|
Baggeren en schonen van sloten |
4b |
|
Landbouw
|
|
|
Grond/gewasbewerking |
4a |
|
Veehouderij, bemesting en lozingen – stallen aanwezig op referentiedatum |
4b (bestaand) / 3 (nieuw / gewijzigd) |
|
Veehouderij, bemesting en lozingen – overige activiteiten |
4b (bestaand) / 3 (nieuw / gewijzigd) |
|
Drainage, beregening en overige wateronttrekkingen |
4b |
|
Onderhoud watergangen en erfbeplantingen |
4b |
|
Transport |
4a |
|
Waterwinningen |
|
|
Waterwinning |
4b (bestaand) |
|
Recreatie |
|
|
Wandel- en fietspaden |
4a |
|
Vaarexcursies |
4b |
|
Schaatsen |
4b |
|
Recreatievoorzieningen (m.u.v. onttrekken grondwater) |
4a |
|
Verkeer |
|
|
Wegen |
4a |
|
Spoorlijn |
4a |
|
Vliegverkeer |
4a |
|
Vaarwegen |
4a |
|
Overig
|
|
|
Faunabeheer en schadebestrijding (incl. muskusrattenbestrijding) |
4b |
|
Beheer van cultuurhistorische elementen |
4a |
|
Gebruik van drones |
3 |
|
Kleinschalig onderhoud aan kabels en leidingen en beheer en onderhoud van nutsvoorzieningen |
4b |
|
Groot onderhoud van kabels en leidingen |
3 |
1 Vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden
2 Vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden
3 Activiteiten die afzonderlijk vergunningplichtig zijn en blijven
4a Niet vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden
4b Niet vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden
7 Financiering
7.1 Kosten
Voor een deel van de in dit beheerplan opgenomen natuurherstelmaatregelen voor habitattypen of systeemherstel zijn gelden aangevraagd en toegekend in het kader van Herstelmaatregelen 2.0 of Programma Natuur (zie tabel 7.1).
|
Financieringsbron |
Bedrag |
|
Programma Natuur |
8.170.000,00 EUR |
|
Programma Natuurnetwerk 2025GV11 Schil Naardermeer |
2.492.362,00 EUR |
|
Herstelmaatregelen 2.0 |
PM |
*Deze maatregelen worden bepaald in de Programmatische Aanpak Natuurherstel en Stikstof die de provincie Noord-Holland parallel opstelt.
De in dit beheerplan opgenomen maatregelen worden boven op het reguliere beheer uitgevoerd. Regulier beheer wordt namelijk uitgevoerd door de terreinbeheerder Natuurmonumenten en gefinancierd uit het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL).
In dit beheerplan zijn naast inrichtings- en beheermaatregelen extra onderzoeken en monitoring opgenomen waarvoor financiële middelen nodig zijn. Niet alle beschreven maatregelen zijn reeds van financiering voorzien, terwijl alle maatregelen noodzakelijk zijn om de Natura 2000-instandhoudingsdoelen te behalen. Daar waar dit nog niet is geborgd, is het cruciaal dat tijdens de beheerplanperiode wordt gezocht naar aanvullende financiële dekking. Het beheerplan onderbouwt de ecologische noodzaak van deze maatregelen.
Tabel 7.1 Beschikte maatregelen en budget
|
Maatregel |
Programma |
Beschikt budget |
|
Kwaliteitsverbetering trilvenen: verwijderen opslag en begreppelen om kwelwater binnen
te brengen (wanneer uit onderzoek blijkt dat dit nuttig is) |
Programma Natuur |
43.668,99 EUR |
|
Capaciteit defosfateringsinstallatie vergroten |
Programma Natuur |
|
|
Uitvoering baggeren (specifiek de Zuidwestplas, Spookgat, Hoofdtocht en Westtocht) |
Programma Natuur |
3.868.287,19 EUR |
|
Aanvullende financiering hoogveenbosonderzoek, incl. eventueel verwijderen van appelbes |
Programma Natuur |
49.463,34 EUR |
|
Plaatselijk verwijderen houtopstand langs de oevers |
Programma Natuur |
14.563,51 EUR |
|
Afvoeren en verwerken (oud-)maaisel uit onze terreinen (ook in Oostelijke Vechtplassen) |
Programma Natuur |
830.425,36 EUR |
|
Onderzoek effecten begreppeling (met oog op P-mobilisatie en uitspoeling) |
Programma Natuur |
50.000,00 EUR |
|
Onderzoek naar oorzaken afname watervegetatie zoals krabbenscheervegetaties Naardermeer
en Vechtplassen |
Programma Natuur |
200.000,00 EUR |
|
Onderzoek opp./kwaliteit van blauwgrasland, vochtig hooiland en zwakgebufferde vennen
in Naardermeer-Oost en het Laegieskamp. |
Programma Natuur |
154.748,23 EUR |
8 Handhaving
8.1 Handhavingsuitgangspunten provincie
Handhaving is geen doel op zich maar een middel om een doel te bereiken. Voor de provincie zijn mediation, voorlichting en toezicht belangrijke instrumenten om gebruikers, bewoners en bezoekers van het gebied te informeren over de maatregelen om de natuur in dit gebied te beschermen en de naleving van de regelgeving te bevorderen. Indien nodig zal de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord bij overtreding van de regelgeving handhavend optreden. De toezichthouders en/of buitengewoon opsporingsambtenaren van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord kunnen zowel bestuurlijk als strafrechtelijk optreden. De afweging om op een bepaalde manier handhavend op te treden maken zij op basis van de ernst en het effect van de overtreding, het motief van de overtreder, afspraken die vastgelegd zijn in nalevingsstrategieën en afspraken met justitie (strafrechtelijke handhaving).
Bij het overtreden van het gestelde in de Omgevingswet met betrekking tot Natura 2000(-activiteiten) of bij het niet voldoen aan de voorschriften gesteld in een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten (of eerdere vergunning onder de Wet natuurbescherming of verklaring van geen bezwaar (VVGB)) kan toezichthoudend en handhavend worden opgetreden door het bevoegd gezag.
8.2 Wat betekent dit voor u
Wanneer u handelingen wilt verrichten die in het beheerplan zijn opgenomen als vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet (onderdeel Natura 2000-activiteiten), of niet zijn opgenomen en mogelijk significant negatieve effecten op de Natura 2000- doelen hebben, dan dient u een vergunning aan te vragen. Hiervoor kunt u contact opnemen met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Wanneer u zonder vergunning handelt of de voorschriften uit het beheerplan of de vergunning niet respecteert, kan handhavend worden opgetreden.
9 Sociaal-economische afweging
9.1 Gevolgen van maatregelen
De herstelmaatregelen zoals opgenomen in hoofdstuk 5 hebben op voorhand geen sociaal-economische gevolgen. De meeste maatregelen worden door de terreinbeherende organisatie en/of het waterschap uitgevoerd en zijn in overleg tot stand gekomen. De nadere uitwerking en uitvoering van maatregelen vindt bovendien in overleg en afstemming met belanghebbenden plaats. Indien bij de verdere planvorming of bij uitvoering blijkt dat er toch sociaal-economische gevolgen voordoen, dan zullen de maatregelen worden aangepast, opdat dergelijke gevolgen worden beperkt en worden resterende gevolgen in beeld gebracht.
In het beheerplan zijn ook diverse onderzoeksmaatregelen opgenomen in relatie tot (klimaatrobuust) waterbeheer. Uit onderzoek moet blijken of er mogelijkheden zijn tot het treffen van maatregelen, wat voor type maatregelen dit zijn en of er ook sprake is van sociaal-economische effecten als gevolg van deze maatregelen. Het uitvoeren van onderzoeksmaatregelen is daarbij slechts een eerste verkennende stap, waarbij verdere planvorming in overleg met betrokken gebiedspartijen zal plaatsvinden. Afhankelijk van de aard en de impact van maatregelen wordt de sociaal-economische impact bepaald. Dit is een belangrijk onderdeel van de verdere uitwerking van maatregelen.
Voor wat betreft het populatiebeheer van ganzen gaat het Faunabeheerplan Ganzen 2025-2031 in op de maatschappelijke impact van de maatregelen (FBE Noord-Holland, 2025).
9.2 Gevolgen van maatregelen
Uit de toetsing van het huidige gebruik in hoofdstuk 6 komt naar voren dat alle huidige activiteiten zonder beperkingen voortgezet kunnen worden. Er zijn dan ook geen sociaal-economische gevolgen voor het huidige gebruik.
9.3 Gevolgen voor nieuwe activiteiten
Nieuwe activiteiten binnen het gebied die in aard en omvang verschillen van de huidige activiteiten kunnen beperkingen ondervinden wanneer zij habitattypen en leefgebieden van habitatrichtlijnsoorten of vogelrichtlijnsoorten aantasten. Deze beperkingen zijn echter een gevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied en de wettelijke regeling, maar niet als gevolg van dit beheerplan.
Nieuwe activiteiten binnen en buiten het gebied kunnen ook beperkingen ondervinden wanneer zij tot de uitstoot van meer stikstof leiden, zorgen voor een verlaging van de grondwaterstand binnen het Natura 2000-gebied of vervuiling van het Natura 2000-gebied tot gevolg hebben. Deze beperkingen zijn eveneens een gevolg van de aanwijzing tot Natura 2000-gebied en niet een gevolg van dit beheerplan.
9.4 Schadevergoeding en compensatie inkomstenderving
Gezien het bovenstaande wordt niet verwacht dat belanghebbenden schade zullen lijden door dit beheerplan. Als een belanghebbende toch van mening is dat het Natura 2000-beheerplan een maatregel bevat waardoor hij schade lijdt, kan hij op grond van artikel 15.1 van de Omgevingswet een verzoek om schadevergoeding bij Gedeputeerde Staten indienen. De schade moet dan wel rechtstreeks veroorzaakt worden door het beheerplan en niet door de aanwijzing als Natura 2000-gebied op zich of een ander besluit.
Daarnaast moet sprake zijn van schade waarvan het onredelijk zou zijn als de belanghebbende deze zelf moet dragen. De schade moet dan ook vallen buiten het normale maatschappelijke risico. Gelet op het feit dat het Natura 2000-gebied al in 2004 is aangemeld, hadden belanghebbenden er bovendien rekening mee kunnen en moeten houden dat deze aanwijzing wellicht in de toekomst gevolgen zou kunnen hebben voor hun bedrijfsvoering of andere activiteiten. Eventuele schade zal dan ook vaak als ‘voorzienbaar’ worden beschouwd. Dergelijke schade komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.
10 Monitoring en onderzoek
10.1 Monitoring
Monitoring is nodig om vast te kunnen stellen hoe de Natura 2000-doelen zich ontwikkelen. Verder is monitoring nodig om vast te stellen of de in het beheerplan opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd en te kunnen beoordelen of deze het beoogde resultaat hebben. Al deze gegevens zijn nodig om tussentijds bij te kunnen sturen op maatregelen en dit beheerplan te kunnen evalueren en actualiseren aan het einde van deze beheerplanperiode. Monitoringsgegevens kunnen daarnaast worden gebruikt bij het beoordelen van vergunningaanvragen. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het soort monitoring dat moet worden uitgevoerd.
10.2 Monitoring- en evaluatiecyclus en verantwoordelijkheden
De monitoring- en evaluatiecyclus is samengevat in figuur 10.1.

Figuur 10.1 Monitoring- en evaluatiecyclus
De volgende stappen zijn onderscheiden:
-
Monitoring van habitattypen en soorten: het verzamelen van informatie in het veld.
-
Data: de verzamelde ecologische gegevens worden aangeleverd aan de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
-
Informatie: het bewerken van de data ten behoeve van de analyses.
-
Analyse: analyseren van de informatie in relatie tot de gestelde doelen.
-
Rapportage: rapporteren van de conclusie aan de relevante ontvangers.
De analyse, beoordeling en rapportage van de gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de provincie Noord-Holland. De provincie rapporteert vervolgens de stand van zaken via IPO (Interprovinciaal Overleg, koepelorganisatie van de twaalf provincies)/BIJ12 (uitvoeringsorganisatie voor de samenwerkende provincies) aan het ministerie van LNV. Het ministerie van LNV is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie over de staat van instandhouding van de soorten en habitattypen op landelijk niveau.
10.3 Monitoring van natuurwaarden en effect getroffen maatregelen
Om het doelbereik van de natuurwaarden te bepalen moet worden nagegaan of de vastgestelde instandhoudingsdoelen van het gebied behaald zijn. Dit houdt in dat gemonitord moet worden of de oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en de oppervlakte en (abiotische) kwaliteit van leefgebieden van soorten en de aantallen van de desbetreffende soort zich in de goede richting ontwikkeld hebben of op zijn minst niet achteruitgegaan zijn. Daarnaast wordt gemonitord om het effect van de getroffen (PAS-)maatregelen in en rond het gebied ten behoeve van realisatie van de instandhoudingsdoelen bepaald worden. Indien ten tijde van het opstellen van het beheerplan niet duidelijk is welke maatregelen moeten worden uitgevoerd om het instandhoudingsdoel te realiseren, is nader onderzoek noodzakelijk. De resultaten van het onderzoek kunnen leiden tot geschikte maatregelen in de nieuwe beheerplanperiode.
Voor monitoring van de soorten worden gegevens verzameld om de volgende vragen te kunnen beantwoorden:
-
Wat is de aantalsontwikkeling per soort of een index ervan?
-
Wat is de ontwikkeling van de oppervlakte van het leefgebied van de soort?
-
Hoe gaat het met de kwaliteit van een (al dan niet stikstofgevoelig) leefgebied van een soort?
Voor de monitoring van de habitattypen worden gegevens verzameld om de volgende vragen te kunnen beantwoorden:
-
Wat is de areaalontwikkeling van het habitattype (gebaseerd op de vegetatiekartering)?
-
Hoe gaat het met de kwaliteit van een habitattype (al dan niet stikstof-gevoelig)?
-
Dit wordt bepaald aan de hand van de volgende parameters:
-
Wat is de voortgang van de uitvoering van de maatregelen voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen en van het onderzoek om de juiste Natura 2000-maatregelen te bepalen?
Monitoringsplan flexibel peilbeheer
Voor de monitoring van het flexibel peilbeheer in de kern en de Schil worden gegevens verzameld om de volgende vragen te kunnen beantwoorden:
-
Is het peilbesluit gehanteerd?
-
Is de peil range geoptimaliseerd?
-
Is dit het maximaal haalbare om minimaal inlaatwater toe te laten?
-
Welke invloed heeft het peil in de Schil op de kern in de praktijk?
-
Zijn er nog onvoorziene effecten?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden moet een nulmeting van de vegetatie plaatsvinden en deze later herhalen. Hierdoor kan geverifieerd worden dat de peilopzet geen negatieve impact heeft op veenmosrietlanden.
Monitoring effectiviteit maatregelen tegengaan (ganzen)vraat
In het Naardermeer worden maatregelen getroffen om (ganzen)vraat van jonge rietkragen tegen te gaan. Om de effectiviteit hiervan te bepalen wordt voorgesteld om gebruik te maken van luchtfoto’s waarbij locaties met en zonder maatregelen met elkaar vergeleken worden. Hiervoor is een nulmeting benodigd, waarbij een luchtfoto gemaakt wordt van een locatie voordat een raster of net geplaatst wordt, waarna dit maandelijks herhaald wordt gedurende het groeiseizoen. Diezelfde werkwijze wordt gehanteerd bij oeverzones waar geen maatregelen getroffen worden, idealiter in dezelfde EAG(‘s) als waar maatregelen getroffen worden om te borgen dat de abiotische condities van de locaties vergelijkbaar zijn.
10.4 Monitoring van gebruik en vergunningverlening
Ontwikkelingen van het gebruik, wijzigingen in bedrijfsvoering of nieuwe activiteiten, in en rond het gebied kunnen worden gemonitord door middel van het registreren van vergunningaanvragen voor de Omgevingswet (Natura 2000-activiteiten). Ook via handhaving ontstaat zicht op het gebruik.
10.5 Overzicht monitoringsactiviteiten in Naardermeer
In tabel 10.1 en 10.2 worden voor alle instandhoudingsdoelstellingen geldend in dit gebied aangegeven welke vraag met behulp van monitoring moet worden beantwoord, welke methode hiervoor gebruikt wordt en hoe vaak de gegevens moeten worden verzameld.
Tabel 10‑1 Monitoringsactiviteiten per habitattype en Habitatrichtlijnsoort
|
Vragen |
Natura 2000-doelen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Methode |
Frequentie |
|
|
Zwakgebufferde vennen (H3130) |
Kranswierwateren (H3140) |
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) |
Vochtige heiden, laagveengebied |
Vochtige heiden, laagveengebied Blauwgraslanden (H6410) |
Ruigten en zomen (moerasspirea) (H6130A) |
Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) (H6430B) |
Overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A) |
Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden |
Hoogveenbossen (H91D0*) |
Zeggekorfslak (H1016) |
Gestreepte waterroofkever (H1082) |
Bittervoorn (H1134) |
Kleine modderkruiper (H1149) |
Groenknolorchis (H1903) |
Platte schijfhoren (H4056) |
Meervleermuis (H1318) (kernopgave) |
|
|
|
1-aantal soort |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Divers |
1 x per 6 jaar inventarisatie en trend in beeld |
|
2A- Opp. Leefgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
|
1 x per 6 jaar trend in beeld |
|
2B- Kwal. Leefgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Divers |
1 x per zes jaar trend in beeld |
|
3-Areaal Hab Type |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Vegetatie kartering |
12-jaarlijks |
|
4- Areaal Hab Type |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
Flora-inventarisatie |
6-jaarlijks |
|
5A- Areaal stikstofgevoelig |
x |
|
|
x |
x |
|
|
x |
x |
x |
x |
|
|
|
x |
|
|
Habitattype kaart |
12-jaarlijks |
|
6B - Kwaliteit stikstofgevoelig Hab Type |
x |
|
|
x |
x |
|
|
x |
x |
x |
x |
|
|
|
x |
|
|
Habitattype kaart |
|
|
6- nieuwe inzichten (o.b.v. onderzoek) |
|
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
6-jaarliks |
|
7 Ontwikkelperspectief herstelopgave |
|
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
x |
x |
x |
|
x |
x |
x |
x |
|
Veldbezoek |
jaarlijks |
Tabel 10-2 Monitoringsactiveiten per broedvogel
|
Vragen |
Natura 2000-doelen
|
|
|
|
|
|
Methode |
Frequentie |
|
|
Aalscholver (A017, B) |
Puperreiger (A029, B) |
Kolgans (A041, NB) |
Grauwe gans (A043, NB) |
Zwarte stern (A197, B) |
Snor (A292, B) |
|
|
|
1-Aantal soort |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Diverse |
Jaarlijke (broed) vogeltelling1 x per 6 jaar trend in beeld |
|
2A- Opp. Leefgebied |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Diverse |
1 x per 6 jaar trend in beeld |
|
2B-Kwal. Leefgebied |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Diverse |
1 x per 6 jaar trend in beeld |
Een belangrijk aandachtspunt bij de monitoringsactiviteiten is het rapporteren van de bevindingen hiervan. Bij de evaluatie en natuurdoelanalyse bleek het niet altijd mogelijk te achterhalen welke punten geïnventariseerd zijn, aangezien de waarnemingen uitsluitend ontsloten kunnen worden via de NDFF. Het is in dergelijke gevallen niet mogelijk een betrouwbare uitspraak te doen over aantalsontwikkeling en wijzigingen van verspreiding van een soort binnen een gebied. In de rapportage kan aangegeven worden waar geïnventariseerd is, wanneer en conform welk protocol.
10.6 Onderzoek
Aanvullend op de monitoringsopgaven zijn in de Evaluatie en Natuurdoelanalyse en gedurende de eerste beheerplanperioden meerdere kennisleemten geïdentificeerd. Dit zijn knelpunten voor het halen van de instandhoudingsdoelen of zijn kennisleemten om beter in beeld te brengen waar de aanwezige natuurwaarden binnen het Naardermeer aanwezig zijn en hoe deze zich ontwikkelen. Het gaat voornamelijk om onderzoek naar de aanwezigheid van de Habitatrichtlijnsoorten binnen het Natura 2000-gebied, met specifiek aandacht voor de aanwezige populaties (locaties en aantallen). De soorten worden gemonitord maar documentatie hiervan is veelal niet beschikbaar. De waarnemingen zijn opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), maar dat maakt niet inzichtelijk op welke locaties de monitoring heeft plaatsgevonden.
Een overzicht van de onderzoeksopgaven is opgenomen in paragraaf 10.3. Hier zijn de onderzoeksopgaven op basis van hoofdstuk 5 ook weergegeven voor het volledige overzicht van de onderzoeksopgaven in het Naardermeer.
|
Onderzoek |
Ten behoeve van Natura 2000-doelen |
Deelgebied |
Planning |
|
Onderzoek aantallen, trends en verspreiding Habitatrichtlijnsoorten |
Zegge-korfslak, gestreepte waterroofkever, bittervoorn, kleine modderkruiper, groenknolorchis,
platte schijfhoren |
Alle |
Tweede beheerplanperiode, waar mogelijk aansluiten op bestaande monitoringsreeksen |
|
Onderzoek aantallen en trends Vogelrichtlijnsoorten |
Alle VR soorten (zie onder paragraaf 10.5) |
Alle |
Tweede beheerplanperiode, jaarlijkse telling |
|
Verkenning ontwikkeling (water)riet door droogval in de schil |
Grote karekiet |
De Schil |
Gedurende tweede beheerplanperiode |
|
Verkenning ontwikkeling (water)riet door droogval in de schil |
H3130, H4010B, H6410, H7140A, H7140B, H91D0, groenknolorchis |
Alle |
Gedurende tweede beheerplanperiode |
|
Verkenning ontwikkeling (water)riet door droogval in de schil |
H6410 |
De Schil |
Gedurende tweede beheerplanperiode |
|
Onderzoek/project bestrijding Amerikaanse rivierkreeft |
Allen |
Alle |
Gedurende tweede beheerplanperiode |
|
Verkenning klimaatadaptief waterbeheer |
H3130, H4010B, H6410, H7140A, H7140B, H91D0, groenknolorchis |
Alle |
Gedurende tweede beheerplanperiode |
|
Hoogveenbosonderzoek incl. eventueel verwijderen appelbes |
H91D0 |
|
|
|
Onderzoek effecten begreppeling (met oog op P-mobilisatie en uitspoeling) |
H7140A |
|
|
10.7 Invloed Taskforce Landbouw, Natuur & Stikstofdepositie op monitoringsopgave
Op 26 juni 2026 heeft de Minister van LVVN de kamerbrief “Weer ruimte voor boer, natuur en bouw” naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin is een maatregelpakket van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof opgenomen. In deze brief wordt ook ingegaan op het belang van monitoring en plannen voor aanvullende afspraken en verplichtingen hiervan. Uit de gepubliceerde stukken blijkt dat zowel vanuit de taskforce als de natuurherstelverordeningen aanvullende vereisten volgen voor monitoring en rapportage. Er worden wijzigingen en aanvullingen voorzien in het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM), de Handreiking Monitoring Omgevingscondities en aanvullende afspraken voor het Natuurpact 2.0. De gevolgen hiervan worden in het komende jaar verder geconcretiseerd. De provincie volgt deze ontwikkelingen en implementeert de wijzigingen wanneer deze zijn geconcretiseerd in het monitoringsprogramma.
11 Literatuur
Blatter, K. (2020). Ontwerp Watergebiedsplan Naardermeer en omliggende Schil. Waternet, Waterschap Amstel Gooi en Vecht, gemeente Amsterdam.
Boosten, A., G. Van Ee, K. Everards, J. Hofstra, G. Lemmen, P. Melman, M. Ouboter, R. van Ouwerkerk & R. de Wijs (2006). MeerMeer: 13jaar Herstelplan Naardermeer. Uitg. Natuurmonumenten ’s-Graveland; 141 p + CD-rom.
Ecologische Autoriteit, 2024. Advies over de Natuurdoelanalyse Naardermeer, provincie Noord-Holland.
Ecologische Autoriteit, 2025. Naardermeer, provincie Noord-Holland: Advies over de ecologische evaluatie en natuurdoelanalyse.
FBE Noord-Holland, 2025. Faunabeheerplan Ganzen 2025-2031. Deel A: Maatregelenpakket. Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, Haarlem.
Henkens, R., Cormont, A., van Swaay, C., Wamelink, W., & Ottburg, F. (2024). Risico's en kansen van klimaatverandering voor de Nederlandse natuur: Invloed van temperatuurstijging, extreme droogte of natheid, zeespiegelstijging en verzilting op de doelen voor VHR, KRW, ecosysteemdiensten en algemene biodiversiteit. (WOT-technical report; No. 260). WOT Natuur & Milieu.
Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminee (red.) (2008). Europese Natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn Tweede sterk herziene en uitgebreide druk. KNNV Uitgeverij Zeist.
KNMI (2023). KNMI’23-klimaatscenario’s voor Nederland, KNMI, De Bilt, KNMI-Publicatie 23-03.
Krijgsveld, K. L., Smits, R. R., Van Der Winden, J. & Vogelbescherming Zeist Nederland (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels (report Nr. 08–173).
Krijgsveld, K. L., Klaassen, B., & van der Winden, J. (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel, 1.
Ministerie van LNV (2006). Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten.
Moria, L. (2020). Ecologische waterkwaliteit Naardermeer. Rapportnr. 20.013495. Waterschap AGV, Amsterdam.
Natuurlijk Niels & Sweco (2025). Passende Beoordeling gecoördineerd beheer ganzen Naardermeer.
Provincie Noord-Holland (2019). Natura 2000-beheerplan Naardermeer 2019-2025. Vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 16 september 2019.
Provincie Noord-Holland (2022a). Analyse VHR-doelen provincie Noord-Holland: Een nadere uitwerking van de huidige Vogel- en Habitatrichtlijn doelstellingen.
Provincie Noord-Holland (2022b). Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027. Vastgesteld door Provinciale Staten
op 31 januari 2022.
Provincie Noord-Holland (2025). Natuurdoelanalyse Oostelijke Vechtplassen. Versie 1.0, 7 januari 2025.
Robroek, Bjorn J. M., Devilee Giulia, Telgenkamp Yvet, Härlin Carina, Steele Magdalena N., Barel Janna M. & Leon P. M. Lamers (2024). More is not always better: peat moss mixtures slightly enhance peatland stability. Proceedings of the Royal Society B. 2912023262220232622
Royal Haskoning DHV (2021). Inrichtingsplan Schil Naardermeer, referentie: BF9516_T&P_RP_2101261005.
Schot, P.P. (1989). Grondwatersystemen en grondwaterkwaliteit in het Gooi en randgebieden. Interfacultaire Vakgroep Milieukunde, Rijksuniversiteit Utrecht.
Sweco (2021). Provinciaal Inpassingsplan Schil Naardermeer. Vastgesteld door Provinciale Staten op 13 september 2021.
TAUW & Witteveen+Bos (2024). Ecohydrologische systeemanalyse en veldonderzoek Utrechtse Heuvelrug – fase 1. RIA-PNH4-062.
TAUW (2025). Evaluatie Natura 2000-beheerplan Naardermeer.
Van der Goes & Groot (2024). Flora- en structuurkartering Naardermeer 2024.
Van Walsum, P.E.V., P.F.M. Verdonschot, & J. Runhaar (2002). Effects of climate and land-use change on lowland stream ecosystems. 1566-7197, Alterra.Witte, J.P.M., J. Runhaar, & R. van Ek, 2009. Ecohydrologische effecten van klimaatverandering op de vegetatie van Nederland. KWR Watercycle Research Institute, Nieuwegein, NL.
Witte, J.P.M., J. Runhaar, & R. van Ek (2009). Ecohydrologische effecten van klimaatverandering op de vegetatie van Nederland. KWR Watercycle Research Institute, Nieuwegein, NL.
Witte, J.P.M., J. Runhaar, R. Van Ek, D.C.J. Van der Hoek, R.P. Bartholomeus, O. Batelaan, P.M. Van Bodegom, M.J. Wassen, & S.E.A.T.M. Van der Zee (2012). An ecohydrological sketch of climate change impacts on water and natural ecosystems for the Netherlands: bridging the gap between science and society. Hydrol. Earth Syst. Sci. 16(11):3945-3957.
Witteveen+Bos (2019). Peilopzet Naardermeer. Passende beoordeling in opdracht van Provincie Noord-Holland en Waterschap Amstel, Gooi & Vecht.
Witteveen+Bos (2026). Ecologische systeemanalyse Naardermeer. Oorzaken voor achteruitgang aquatische vegetaties. Provincie Noord-Holland.
Bijlage 1 Samenstelling projectgroep en klankbordgroep
Het opstellen van het Natura 2000-beheerplan Naardermeer is begeleid door een inhoudelijke projectgroep, met daarin vertegenwoordigers van de volgende organisaties:
Daarnaast is een klankbordgroep geconsulteerd. De organisaties vertegenwoordigd in deze klankbordgroep zijn geïnformeerd over het beheerplanproces, er zijn aandachtspunten opgehaald en hadden de mogelijkheid om het concept-beheerplan van commentaar te voorzien. De volgende organisaties zijn hiervoor benaderd:
Bijlage 3 Huidig gebruik en vergunningverlening
1. Inleiding
Deze bijlage bevat de vrijstellingstoets van de effecten van het huidig gebruik voor het Natura 2000-gebied Naardermeer. De effecten van het huidig gebruik worden beoordeeld ten opzichte van de referentietoetsingsdatum. De referentiedatum is de datum waarop het Naardermeer is aangemeld als Natura 2000-gebied, dit is voor de doelstellingen als Vogelrichtlijngebied 10 juni 1994. Voor de doelstellingen die betrekking hebben op de Habitatrichtlijn geldt 7 december 2004 als referentiedatum. In het kader van de beoordeling is onderzocht in hoeverre het ‘huidig gebruik’ sinds deze datum heeft geleid tot effecten op de kwaliteit en omvang van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor het gebied is aangewezen.
2. Wettelijk kader huidig gebruik: Natura 2000-activiteit
Deze bijlage bevat de vrijstellingstoets van de effecten van het huidig gebruik voor het Natura 2000-gebied Naardermeer. De effecten van het huidig gebruik worden beoordeeld ten opzichte van de referentietoetsingsdatum. De referentiedatum is de datum waarop het Naardermeer is aangemeld als Natura 2000-gebied, dit is voor de doelstellingen als Vogelrichtlijngebied 10 juni 1994. Voor de doelstellingen die betrekking hebben op de Habitatrichtlijn geldt 7 december 2004 als referentiedatum. In het kader van de beoordeling is onderzocht in hoeverre het ‘huidig gebruik’ sinds deze datum heeft geleid tot effecten op de kwaliteit en omvang van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor het gebied is aangewezen.
De verplichting tot een passende beoordeling geldt alleen voor activiteiten als mogelijk significant gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en habitattypen waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Een omgevingsvergunning is nodig wanneer de ‘Natura 2000-activiteit’[1], gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de habitattypen of leefgebieden van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend gevolg kan hebben voor de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 5.1 lid 1 Ow).
Om te onderzoeken of sprake is van (significante) verstoring is de eerste stap een zogenaamde ‘voortoets’. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten dan is een ‘passende beoordeling’ noodzakelijk. Voor dit beheerplan is geen passende beoordeling uitgevoerd. Voor activiteiten met mogelijk significant negatieve gevolgen moet dus altijd een passende beoordeling worden uitgevoerd en een vergunning onder de Omgevingswet aangevraagd worden.
[1] Het realiseren van een project, binnen of buiten een Natura 2000-gebied, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied
3. Toetsing huidig gebruik
Ook de (voormalige) Wet natuurbescherming bevatte geen definitie van ‘bestaand gebruik’ meer. Uit diverse Nederlandse en Europese jurisprudentie valt af te leiden dat ‘bestaand gebruik’ een ‘activiteit met een toestemming op de Europese referentiedatum’ is. Bij een toestemming kan het gaan om een natuurvergunning maar ook om een milieuvergunning of andere toestemming. De referentiedatum is de datum waarop het Natura 2000-gebied onder de bescherming van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) is gekomen. Dit geldt ook voor gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) zijn aangewezen. Voor Habitatrichtlijngebieden geldt de datum waarop het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst als referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop het Naardermeer is aangemeld als Natura 2000-gebied, dit is voor de doelstellingen als Vogelrichtlijngebied 10 juni 1994. Voor de doelstellingen die betrekking hebben op de Habitatrichtlijn geldt 7 december 2004 als referentiedatum. Binnen het juridisch kader worden de begrippen ‘huidig gebruik’ en ‘bestaande rechten’ gehanteerd. Onderstaand worden deze begrippen nader toegelicht.
Bestaande rechten zijn aan de orde als er ten tijde van de aanmelding van een Natura 2000-gebied op grond van de milieuregelgeving vergunde rechten waren om bepaalde activiteiten uit te voeren. Vanwege diverse rechterlijke uitspraken is het alleen vergunningvrij wanneer het gebruik sinds de Europese referentiedatum niet is gewijzigd. Voor bestaande rechten waarvan het gebruik is gewijzigd of dat wisselt in omvang, locatie en/of tijdstip geldt wél een vergunningplicht bij mogelijk significante effecten op de Natura 2000-doelen.
Het is niet altijd mogelijk om aan te tonen dat sprake is van al dan niet gewijzigd gebruik of dat een activiteit na aanwijzing van de betreffende Natura 2000-gebieden is gewijzigd of gestart. Daarom zijn in de beheerplannen alle bij de provincie bekende (menselijke) activiteiten die in en om het gebied plaatsvinden getoetst. Dit type gebruik noemen we het ‘huidig gebruik’.
In alle gevallen geldt dat als in het beheerplan is beoordeeld dat het huidig gebruik geen significant nadelige effecten op Natura 2000-doelen heeft, dat gebruik, zolang het wordt uitgevoerd zoals in het beheerplan omschreven, al dan niet onder voorwaarden geen aparte vergunning nodig is.
Voor activiteiten die niet zijn opgenomen in de beheerplannen geldt om te beginnen de algemene (artikel 1.8) en specifieke zorgplicht uit de Ow: voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden is een specifieke zorgplicht opgenomen (artikel 11.6 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Iedereen die activiteiten uitvoert die negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (artikel 11.6, 1e lid Bal). Als de ontbrekende activiteit (activiteit die niet als huidig gebruik vrijgesteld van vergunningplicht is opgenomen in de beheerplannen) niet valt onder ‘bestaande rechten’ en significante effecten niet zijn uit te sluiten, is sprake van een vergunningplicht. Een vergunning kan worden verleend door het bevoegd gezag op basis van een passende beoordeling (al dan niet in combinatie met mitigerende maatregelen en een additionaliteitstoets).
Activiteiten waarvoor reeds een vergunning is verleend in het kader van de Omgevingswet (of voor 2024 onder de Wet natuurbescherming) behoeven uiteraard niet opnieuw te worden getoetst en worden in de toetsing dan ook buiten beschouwing gelaten. Illegale of verboden activiteiten worden niet getoetst en zijn dan ook verder buiten beschouwing gelaten in de beschrijving en toetsing van het huidige gebruik.
4. Methode
De effecten van het huidig gebruik zijn beoordeeld ten opzichte van de referentiedatum 10 juni 1994 voor de Vogelrichtlijn en 7 december 2004 voor de Habitatrichtlijn (de datum waarop Naardermeer na aanmelding door de Europese Commissie is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang). Dit betekent dat onderzocht is in hoeverre het huidige gebruik heeft geleid tot effecten op de kwaliteit en omvang van habitats en leefgebieden van soorten waarvoor het gebied is aangewezen na deze datum. Gebruik dat voor deze referentiedatum al aanwezig was, zal in de regel geen invloed hebben op deze kwaliteit, tenzij het gaat om na-ijleffecten, die pas op de langere termijn optreden. Als dit laatste aan de orde is, dan moet er in dit kader een nadere beoordeling plaatsvinden. Huidig gebruik dat pas na de referentiedatum is gestart of wezenlijk is gewijzigd, kan wel een effect op omvang c.q. kwaliteit hebben gehad. Deze effecten moeten dan ook met name getoetst worden in het kader van het beheerplan, tenzij hiervoor al een vergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend (of eerdere Wnb-vergunning of Nbw-vergunning).
De effecten waarop wordt getoetst zijn:
-
Oppervlakteverlies
-
Verzuring
-
Vermesting
-
Vernietiging
-
Fysieke aantasting
-
Verontreiniging
-
Vernatting/verdroging
-
Verandering overstromingsfrequentie
-
Verstoring door licht/geluid/beweging/betreding
De selectie van effecten heeft plaatsgevonden op basis van de gevoeligheid van habitattypen, habitat- en vogelrichtlijnsoorten waarvoor het Naardermeer is aangewezen als Natura 2000-gebied. In tabel 1 zijn de effectrelaties tussen de Natura 2000-habitattypen en effecttypen weergegeven. De effecten van vermesting en verzuring door stikstofdepositie zijn niet in voorliggende beoordeling opgenomen. Deze zijn separaat beschouwd.
Tabel 1 Gevoeligheid van de Natura 2000-doelen voor effecttypen (X = Gevoelig)
|
Effecttype |
Oppervlakteverlies |
Verzuring/vermesting |
Vernietigin/fysieke aantasting |
Verontreiniging |
Vernatting/verdroging |
Verandering overstromingsfrequentie |
Verstoring door geluid/licht/beweging/betreding |
|
H3130 - Zwakgebufferde vennen |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
|
H3140 - Kranswierwateren |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
|
H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
|
H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied) |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H6410 - Blauwgraslanden |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea) |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H6430B - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H7140A - Overgangs- en trilvenen (trilvenen) |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H91D0* - Hoogveenbossen |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H1016 - Zegge-korfslak |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H1082 - Gestreepte waterroofkever |
X |
X |
X |
X |
X |
|
X |
|
H1134 - Bittervoorn |
X |
X |
X |
X |
X |
|
X |
|
H1149 - Kleine modderkruiper |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
H1903 - Groenknolorchis |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
H4056 - Platte schijfhoren |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
A017 - Aalscholver |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
A029 - Purperreiger |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
A197 - Zwarte stern |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
A292 - Snor |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
A298 - Grote karekiet |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
A041 - Kolgans |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
A043 - Grauwe gans |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
De beoordeling van het huidige gebruik wordt per groep huidig gebruik binnen en buiten het Natura 2000-gebied afzonderlijk beschreven. De zeven hoofdcategorieën zijn:
-
Natuurbeheer, onderhoud en natuur (wetenschappelijk) onderzoek
-
Waterbeheer
-
Landbouw
-
Waterwinning
-
Recreatie
-
Verkeer
-
Overige activiteiten
Per groep wordt een beschrijving van de mogelijke effecttypen weergegeven, toegespitst op de voor deze effecten gevoelige habitattypen en mogelijke effecten. In dit beheerplan worden die activiteiten beschreven, die bij het vaststellen van dit beheerplan bekend zijn en in redelijke mate toetsbaar zijn binnen het kader van het beheerplan.
In paragraaf 7 is per type gebruik in de beoordeling van het gebruik aangegeven in welke categorie het gebruik valt:
1 Vrijgestelde vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden
2 Vrijgestelde vergunningplichtige activiteiten mét specifieke voorwaarden
3 Vergunningplichtige activiteiten die afzonderlijk vergunningplichtig blijven
4a Niet-vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden
4b Niet-vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden
5. Beschrijving huidig gebruik
5.1 Natuurbeheer, onderhoud en natuur (wetenschappelijk) onderzoek
Natuurbeheer
Natuurmonumenten beheert vrijwel het gehele Natura 2000-gebied Naardermeer, op een paar percelen in particuliere handen na. Het beheer van de terreinen wordt door, of in opdracht van Natuurmonumenten uitgevoerd. Er wordt hierbij gestreefd naar aaneengesloten beheergebieden ten behoeve van de effectiviteit. Natuurmonumenten heeft de natuurdoelen en het daarop gerichte beheer uitgewerkt in een natuurbeheerplan.
Er zijn verschillende beheervormen die Natuurmonumenten toepast: intensief, extensief en cyclisch beheer. Onder intensief beheer wordt bijvoorbeeld het jaarlijks maaien van graslanden of het jaarlijks rietsnijden op één locatie verstaan. Extensief beheer is bijvoorbeeld op een groot terrein een klein aantal herbivoren laten grazen. Cyclisch beheer vindt om de paar jaar plaats, volgens een vastgestelde cyclus. Bijvoorbeeld het knotten van wilgen of het rietsnijden op eenzelfde locatie. De huidige beheermaatregelen overlappen voor een groot deel de gewenste maatregelen voor het behalen van de Natura 2000-doelen. Voor een overzicht van de huidige beheermaatregelen zie tabel 2.
Natuurmonumenten inventariseert het gebied eens in de zes jaar in het kader van de SNL. Verder doet ze onderzoek naar de meest geschikte locaties voor het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen. Ook hier geldt dat er gehandeld moet worden onder toezicht van de terreinbeheerder.
Tabel 2 Overzicht huidige maatregelen in kader van natuurbeheer
|
Maaien en soms baggeren van plassen en watergangen |
Zuidwestplas, Spookgat, Hoofdtocht, Westtocht, Bovenste Blik, belangrijkste sloten en tochten binnen grenzen beheergebied Natuurmonumenten |
Verbetering waterkwaliteit en kranswieren, openhouden voor vaartuigen |
|
Maaien en begrazen |
Hooilanden, rietlanden, zeggevegetaties, deels blauwgrasland en trilveen- en hoogveen-achtige vegetaties. |
Behoud of verbetering van de kwaliteit van habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. |
|
Afvoeren en verwerken (oud) maaisel uit terreinen |
|
Tegen gaan van verruiging en het ontwikkelen van humusrijke bodemlaag. |
|
Gebruik en transport naar baggerdepots |
Nieuwe Keverdijkse Polder Noord (zie figuur 1) |
Opslag verwijderde bagger en afgraven ingeklonken bagger om deze vervolgens op geschikte locaties toe te passen om bijvoorbeeld kades in de Schil op te hogen of verstevigen. |
|
Afplaggen verzuurd rietland en zeggevegetaties (cyclisch beheer) |
Verzuurde en soortenarme rietlanden, trilveen en moerasbos |
Maatregelen om successie terug te zetten |
|
Afplaggen (ontwikkeling) |
Locaties met potentie tot ontwikkeling kwalificerend habitat |
Ontwikkeling van kwalificerende habitattypen. |
|
Plassen, kreken en enkele watergangen periodiek openhouden (indien noodzakelijk) |
Diverse locaties |
|
|
Periodiek verwijderen opschietende bomen en struweel (o.a. elzen) |
Lokaal o.a. in de rietlanden en oevers |
Behoud of verbetering van de kwaliteit van habitattypen en leefgebied van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. |
|
Invasieve soorten periodiek verwijderen: appelbes, ongelijkbladig vederkruid, Amerikaanse vogelkers en andere invasieve soorten |
In de moerassen en wateren. |
Behoud kwaliteit habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. |
|
Kreeften en bodemwoelende vis wegvangen |
Lijnwateren en meren van het Naardermeer. |
Tegengaan slechte waterkwaliteit door omwoelen bodem en fosfaat naleving. En tegengaan vraat door uitheemse rivierkreeften. |
|
In het voorjaar nestvlotjes plaatsen voor zwarte stern |
Algemeen |
Creëren nestgelegenheid voor Zwarte stern |
|
Populatiebeheer ganzen |
Algemeen |
Tegen gaan van ganzenvraat, behoud broedhabitatVogelrichtlijnsoorten (zwarte stern, purperreiger, grote karekiet) |
|
Plaatsen en onderhouden van netten |
Bij rietkragen |
Tegen gaan van ganzenvraat, behoud broedhabitat Vogelrichtlijnsoorten (snor, purperreiger, zwarte stern). |
|
Bekalking |
Enkele hooilanden |
Verzuring tegengaan |
|
Beheer van houtige opstanden: lanen en knotwilgen |
Langs de paden. |
Veiligheid voor bezoekers en verkeer (afhankelijk van locatie) |
|
Dagelijkse inspecties en toezicht (inclusief betreding) |
|
Inspecties en toezicht worden dagelijks uitgevoerd |
|
Beheer en onderhoud van voorzieningen: paden, bankjes, aanmeergelegenheden |
In het hele gebied. |
|
|
Kap van bomen/plaatselijk verwijderen van houtopstand |
Langs de oevers |
Herstel veenmosrietland |
|
Monitoring effecten van peilaanpassingen op aanwezige natuurwaarden |
|
|
|
Monitoring en ecologisch onderzoek |
In het hele gebied |
|
*Voor baltsgedrag en nestmogelijkheid gebruiken rietvogels het oude riet dat direct aan open water en sloten ligt. De overige gemaaide rietlanden gebruiken de vogels vooral als beschutting. Hierbij speelt het geen rol of het riet wel of niet overjarig is
**Maaibeheer wordt uitgevoerd conform het Beheerplan Naardermeer (middellange termijnplan) (1995). Grote delen van de rietlanden worden niet gemaaid (Boosten, 2006). Enkele kleine stukjes grasland zijn uit het maaibeheer genomen omdat de successie inmiddels te ver gevorderd was. Hiervoor in de plaats zijn enkele jonge verlandingsstadia in zomermaaibeheer genomen. Dit zijn kansrijke stukken die ontstaan zijn door afgraven van verzuurd rietland.

Figuur 1 Locaties van de baggerdepots percelen in de Nieuwe Keverdijkse Polder Noord.
Monitoring en ecologisch onderzoek
Er worden verschillende vormen van monitoring en ecologisch onderzoek uitgevoerd in het gebied, zowel door als in opdracht van de provincie, Natuurmonumenten of het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Daarnaast wordt er door derden (bijv. universiteiten of vrijwilligers) met toestemming van en in overleg met Natuurmonumenten onderzoek gedaan. Het gaat bijvoorbeeld om vegetatieonderzoek, faunaonderzoek en hydrologische monitoring. Hiervoor is het nodig om op diverse locaties kwetsbare vegetaties te betreden en hier per boot (vaarbewegingen) naartoe te gaan.
Het waterschap onderzoekt het gebied onder andere middels peilbuizen, waterkwaliteitsmetingen en inventarisatie van waterplanten, vissen, algen en macrofauna. Het betreft een voor de KRW verplichte 3 of 6 jaarlijkse operationele en toestandsmonitoring. Deze KRW-bemonsteringen door het waterschap worden uitgevoerd volgens landelijke voorschriften beschreven in het Protocol monitoring en toestandsbeoordeling oppervlaktewaterlichamen KRW en het Handboek Hydrobiologie. Het waterschap monitort elke maand de waterkwaliteit.
Ganzenbeheer
Het aantal broedende ganzen is de afgelopen jaren in Nederland sterk toegenomen en brengt op veel plaatsen schade toe aan landbouw en natuur. Uit de evaluatie en natuurdoelanalyse blijkt dat ganzenvraat een knelpunt is voor het halen van de Natura 2000-doelen voor zwarte stern, purperreiger en grote karekiet. Grauwe ganzen belemmeren in het broedseizoen namelijk de ontwikkeling van aaneengesloten krabbenscheervelden (broedhabitat van de Zwarte stern) en de rietontwikkeling. Ganzenbeheer in het Naardermeer is nodig om ganzenvraat op de kwetsbare habitats en broed- en leefgebied van de doelsoorten tegen te gaan, en is daarom een noodzakelijke beheermaatregel in het Natura 2000-gebied.
Ecologische noodzaak
Ganzenvraat vormt een belangrijke drukfactor voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Naardermeer. Dit blijkt onder andere uit de recente ecologische evaluatie en Natuurdoelanalyse Naardermeer (TAUW, 2025) en het advies van de Ecologisch Autoriteit op (EA, 2025) dit stuk, en de Passende Beoordeling van Natuurlijk Niels en Sweco (2025). Met name voor rietafhankelijke habitattypen en vogelsoorten als de grote karekiet, de purperreiger en de zwarte stern. Voor deze soorten gelden verbeterdoelstellingen, en de instandhoudingsdoelen worden momenteel niet gehaald6. De overbegrazing door ganzen brengt een achteruitgang van goed ontwikkelde rietzones teweeg, wat directe negatieve gevolgen heeft voor deze soorten:
Grote karekiet
Het Naardermeer heeft een instandhoudingsdoelstelling van 10 broedparen en verbeterdoelstellingen t.a.v. omvang en kwaliteit van leefgebied. Inmiddels is de soort als broedvogel verdwenen uit het Naardermeer en is in 2006 het laatste broedgeval in het Naardermeer vastgesteld8. Uit landelijk onderzoek blijkt dat een afname in broedhabitat – namelijk stromingsriet/waterriet – de hoofdoorzaak is, en dat vraat door watervogels een belangrijke oorzaak hiervan is.9 De recente NDA Naardermeer stelt dat het oppervlakte diep waterriet in het Naardermeer achteruitgegaan is en dat daardoor het broedhabitat van de grote karekiet isverdwenen. De NDA Naardermeer benoemt overbegrazing door ganzen als de belangrijkste oorzaak, naast het ontbreken van waterpeilfluctuaties en verbossing. Om overbegrazing door ganzen tegen te gaan, is inmiddels een substantiële lengte rietstroken afgerasterd in het Naardermeer. Deze maatregel is lokaal succesvol maar is hoogstwaarschijnlijk onvoldoende in omvang om de doelstellingen te kunnen halen en duur (TAUW, 2025).
Purperreiger
Het Naardermeer heeft een instandhoudingsdoelstelling van 60 broedparen en behoudsdoelstellingen t.a.v. omvang en kwaliteit van leefgebied. Het Naardermeer is een belangrijk gebied voor de purperreiger; in het Naardermeer broedt 10 procent van alle Nederlandse broedgevallen van de purperreiger (TAUW, 2025). In het Naardermeer zijn moeilijk bereikbare waterrietvegetaties de preferente broedplek. De purperreiger heeft momenteel een gunstige populatieontwikkeling in het Naardermeer maar het broedhabitat (dus: omvang en kwaliteit leefgebied) staat onder druk. Ook hier is de oorzaak ganzenvraat van rietstroken. Het afrasteren van de rietstroken is ook voor de purperreiger een lokaal succesvolle maatregel, maar dit is duur en waarschijnlijk onvoldoende in omvang voor duurzaam behoud van voldoende broedhabitat. (TAUW, 2025)
Zwarte stern
Het Naardermeer heeft een instandhoudingsdoelstelling van 35 broedparen en verbeterdoelstellingen t.a.v. omvang en kwaliteit van leefgebied. De soort is verdwenen als broedvogel uit het Naardermeer, en in 2016 zijn de laatste broedparen vastgesteld (TAUW, 2025). Dit heeft meerdere oorzaken. Eén van de oorzaken is onvoldoende geschikte broedlocaties. Weliswaar worden voor dit laatste in het Naardermeer nestvlotjes uitgelegd. Maar ganzen gebruiken ook de vlotjes waardoor deze bevuilen of omslaan, en niet meer aantrekkelijk zijn voor zwarte sterns. Daarnaast overgrazen ganzen rietvegetaties waardoor luwte verdwijnt waar zwarte sterns potentieel tot broeden kunnen komen (TAUW, 2025).
De Passende Beoordeling uit 2025 concludeert dat:
-
zonder ganzenbeheer de ganzenpopulatie naar verwachting verder zal toenemen;
-
en daarmee ook de schade aan rietvegetaties en broedhabitat zal verergeren;
-
waardoor het behalen van de instandhoudingsdoelen verder uit zicht raakt. (Natuuurlijk Niels & Sweco, 2025)
Ganzenbeheer is daarbij geen op zichzelf staande maatregel, maar vormt wel een onmisbaar onderdeel van een samenhangend pakket aan beheermaatregelen, waaronder waterpeilbeheer en verbetering van de waterkwaliteit (Natuurlijk Niels & Sweco, 2025).
De reeds getroffen maatregelen met afrastering van rietstroken zijn succesvol maar onvoldoende in omvang voor duurzaam behoud van voldoende broedhabitat. Een plan van aanpak voor het tegengaan van de vraat van ganzen is nodig, met als maatregelen het wegvangen en afschot van ganzen en het behandelen van nesten in een deel van het jaar.
De door de FBE Noord-Holland ontwikkelde aanpak van het ganzenbeheer vormt hiermee een belangrijke invulling van het maatregelenpakket wat wordt ingezet om de natuurdoelstellingen in het Naardermeer te behalen.
Doel
Het hoofddoel van het ganzenbeheer in het Naardermeer is het bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelen. Met het ganzenbeheer wordt de overzomerende ganzenpopulatie (standganzen) in het gebied verkleind, waardoor de vraatschade aan riet, en daarmee de druk op de natuurdoelstellingen wordt beperkt. Het uiteindelijke doel is het behalen van een gunstige staat van instandhouding voor soorten als de grote karekiet, purperreiger en zwarte stern. Hierbij wordt toegewerkt naar een situatie waarin het aantal aanwezige overzomerende ganzen niet langer als knelpunt wordt beschouwd. Omdat natuur dynamisch is en er verschillende factoren invloed op hebben op natuurdoelstellingen, kan hier geen vaste richtlijn aan worden verbonden. De knelfactoren van ganzen en de effectiviteit van het ganzenbeheer op de natuurdoelstellingen worden daarom in de loop van deze beheerplanperiode weer geëvalueerd, zodat het beheer waar nodig, voor de volgende beheerplanperiode kan worden bijgesteld. Het doel is behaald wanneer ganzenvraat geen knelpunt meer vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelen in het Naardermeer. Dit betekent niet direct dat het ganzenbeheer dan ook volledig stopt: een mate van onderhoudend beheer kan nodig zijn om te voorkomen dat de populatie te veel groeit en weer schade gaat veroorzaken.
Uitvoering
In de winterperiode is het Naardermeer aangewezen als slaap- en rustplaats voor overwinterende kolganzen en grauwe ganzen (trekganzen). In de winterperiode (1 oktober t/m 31 januari) vindt er daarom geen ganzenbeheer plaats.
Tijdens de vorige beheerplanperiode vond het ganzenbeheer op grond van de Natura 2000-vergunning in het Naardermeer plaats door Natuurmonumenten, in nauwe afstemming met de FBE. Nu er geen sprake meer is van een vergunning en het ganzenbeheer plaatsvindt als beheermaatregel in het Naardermeer, wordt het beheer exclusief uitgevoerd door Natuurmonumenten. De afstemming tussen de FBE en Natuurmonumenten blijft daarbij wel van kracht. De expertise en terreinkennis van beide organisaties worden op deze manier ingezet voor een zorgvuldige invulling van het ganzenbeheer, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke negatieve impact van het beheer op andere natuurwaarden.
Het ganzenbeheer wordt uitgevoerd via afschot, ruivangsten en nestbehandeling conform de condities die zijn opgenomen in bijlage 4 van dit beheerplan. Bij de uitvoering wordt in ieder geval rekening gehouden met het behoud van voldoende rust in het gebied en rondom kwetsbare broedlocaties, en met het voorkomen van schade aan kwetsbare habitattypen als gevolg van betreding of golfslag. De geplande uitvoering wordt jaarlijks voor de start van het beheerseizoen afgestemd tussen de FBE en Natuurmonumenten. Ook wordt geëvalueerd wat de resultaten van het afgelopen beheerseizoen zijn geweest.
Het verslag van deze afstemming en evaluatie wordt jaarlijks gedeeld met de toezichthouders van de OD NHN. Op deze wijze wordt duidelijk hoe de FBE en Natuurmonumenten invulling geven aan de zorgplichtvereisten van de Omgevingswet. Indien nodig vindt hierover aanvullende afstemming plaats tussen de OD NHN, de FBE, Natuurmonumenten en waar nodig de provincie.
In de winterperiode is het Naardermeer aangewezen als slaap- en rustplaats voor overwinterende kolganzen en grauwe ganzen (trekganzen). In de winterperiode (1 oktober t/m 31 januari) vindt er daarom geen ganzenbeheer plaats.
Tijdens de vorige beheerplanperiode vond het ganzenbeheer op grond van de Natura 2000-vergunning in het Naardermeer plaats door Natuurmonumenten, in nauwe afstemming met de FBE. Nu er geen sprake meer is van een vergunning en het ganzenbeheer plaatsvindt als beheermaatregel in het Naardermeer, wordt het beheer exclusief uitgevoerd door Natuurmonumenten. De afstemming tussen de FBE en Natuurmonumenten blijft daarbij wel van kracht. De expertise en terreinkennis van beide organisaties worden op deze manier ingezet voor een zorgvuldige invulling van het ganzenbeheer, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke negatieve impact van het beheer op andere natuurwaarden.
Het ganzenbeheer wordt uitgevoerd via afschot, ruivangsten en nestbehandeling conform de condities die zijn opgenomen in bijlage 4 van dit beheerplan. Bij de uitvoering wordt in ieder geval rekening gehouden met het behoud van voldoende rust in het gebied en rondom kwetsbare broedlocaties, en met het voorkomen van schade aan kwetsbare habitattypen als gevolg van betreding of golfslag. De geplande uitvoering wordt jaarlijks voor de start van het beheerseizoen afgestemd tussen de FBE en Natuurmonumenten. Ook wordt geëvalueerd wat de resultaten van het afgelopen beheerseizoen zijn geweest.
Het verslag van deze afstemming en evaluatie wordt jaarlijks gedeeld met de toezichthouders van de OD NHN. Op deze wijze wordt duidelijk hoe de FBE en Natuurmonumenten invulling geven aan de zorgplichtvereisten van de Omgevingswet. Indien nodig vindt hierover aanvullende afstemming plaats tussen de OD NHN, de FBE, Natuurmonumenten en waar nodig de provincie.
5.2 Waterbeheer
Binnen het Natura 2000-gebied Naardermeer is het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) verantwoordelijk voor het waterbeheer (kwaliteit en kwantiteit) en de uitvoering van dit beheer. De beheer- en onderhoudsmaatregelen worden verricht volgens de Gedragscode soortenbescherming voor de Unie van Waterschappen. Dit zorgt ervoor dat (individuen van) beschermde soorten geen of zo min mogelijk negatieve gevolgen ondervinden van de werkzaamheden. Het huidige waterbeheer van het Naardermeer is gericht op het ondersteunen van de natuur om knelpunten in de natuur ten gevolge van verdroging en vermesting tegen te gaan. Relevante activiteiten zijn peilbeheer, onderhoud van waterhuishoudkundige werken, defosfateren van het inlaatwater, baggeren en schonen van oppervlaktewateren en monitoring en ecologisch onderzoek.
Peilbeheer
Peilbesluiten vormen een onderdeel van een watergebiedsplan. De peilbesluiten hebben als doel waterpeilen optimaal af te stemmen op verschillende gebruiksfuncties. Peilen worden beheerd door gemalen, inlaten en het open of dicht zetten van stuwen. Er zijn o.a. stuwen aanwezig waarmee water uit de kern van het Naardermeer kan worden afgelaten naar de Schil. Vanuit de Schil kan het water worden afgevoerd naar het gemaal Keverdijk (de Vecht). Het Naardermeer wordt bemalen door windmolen ‘De Onrust’. Voordat het water wordt ingelaten wordt het gedefosfateerd met ijzerchloride.
Het Naardermeer kent een flexibel peilbeheer met een boven- en ondergrens van respectievelijk NAP -0,80 en -1,10 m. In het westen van het Naardermeer zelf heeft peilgebied 3310-10 een flexibel peil met tussen -0.95 tot -1.15 m NAP. Het waterpeil in dit vlak wordt doorgaans een paar centimeter lager gehouden dan de rest van het Naardermeer, omdat hier de aalscholverkolonie zit. In een deel van het Hilversumse Bovenmeent (boven de weg), Naardermeer-Oost, de Keverdijkse Overscheense Polder en het Voormeer wordt hetzelfde peil gehanteerd als in het Naardermeer zelf. In het deel van het Hilversumse Bovenmeent dat onder de weg ligt is een flexibel peilbeheer van -0.9 tot -1.1 m NAP. De Nieuwe Keverdijkse Polder Noord kent een flexibel peil met een boven en ondergrens van NAP -0.8 tot -1.45. Binnen de Nieuwe Keverdijkse Polder zuid zijn er drie peilgebieden: peilvak 3110-2 met een flexibel peil van -0.9 tot -1.5 NAP, peilvak 3110-7 met een flexibel waterpeil van -1.3 tot -1.5 NAP en peilvak 3110-6 met een vast peil van -2 NAP. In de Zuidpolder zijn twee peilgebieden met een vast peil: peilvak 4140-2 -1.2 m NAP en peilvak 4130-2 -1.38 m NAP (zie figuur 2).

Figuur 2 Vigerende waterpeil van het Naardermeer (aangepast van Waterschap Amstel Gooi en Vecht)
Zowel binnen de kern als in de schil is gedurende de eerste beheerplanperiode een besluit genomen om een flexibel peil in te stellen. Hiervoor is separaat een passende beoordeling opgesteld (Witteveen+Bos, 2019). Aan de mitigerende maatregelen voor implementatie van het aangepaste peilbeheer is voldaan. Een aanpassing van peilbeheer is niet via het Natura 2000-beheerplan vrijgesteld.
Defosfateren inlaatwater
Om verdroging van het Naardermeer tegen te gaan wordt sinds 1984 via de Vecht water uit het IJmeer ingelaten ter hoogte van molen ‘De Onrust’. De inlaat van water verloopt via de defosfateringsinstallatie. Het water wordt door een waterbehandelingsinstallatie ontdaan van fosfaten om een te voedselrijke situatie van het water en eutrofiëring te voorkomen. Het slib van de ijzerfosfaatvlokken die in de defosfateringsinstallatie sedimenteren, wordt via een leiding getransporteerd naar een viertal slibvelden buiten het Natura 2000-gebied. In het gebied komen geen ongezuiverde lozingen van afvalwater voor aangezien alle bebouwing is aangesloten op het riool.
Baggeren en schonen van sloten en tochten
Om de berging- en afvoercapaciteit binnen het watersysteem op orde te houden, wordt periodiek (minimaal eenmaal per jaar) onderhoud gepleegd aan de primaire watergangen. Deze werkzaamheden bestaan uit het maaien van overvloedige plantengroei (ieder jaar, soms meerdere malen per jaar) en het verrichten van onderhoudsbaggerwerkzaamheden (om de paar jaar). Het jaarlijkse onderhoud van de primaire watergangen wordt namens het waterschap uitgevoerd door Natuurmonumenten. De baggerwerkzaamheden worden conform de gedragscode soortenbescherming voor de Unie van Waterschappen of onder toezicht van de terreinbeheerder voornamelijk uitgevoerd tussen september en maart. De kavelsloten in het gebied worden jaarlijks door de grondgebruikers geschoond waarbij het plantenmateriaal op de kant wordt gezet.
Kleinschalig onderhoud waterstaatkundige werken
De onderhoudswerkzaamheden die in opdracht van het waterschap worden uitgevoerd bestaan uit het onderhoud aan kunstwerken als stuwen, dammen, duikers en dergelijke. Onder deze onderhoudswerkzaamheden vallen ook maaiwerkzaamheden. Het waterschap beheert ook de waterkeringen. Dit betreft onder andere jaarlijks tweemaal maaien (door de betreffende perceeleigenaar op grond van de zorgplichtartikelen in de waterschapsverordening). Een aantal keringen liggen net buiten de begrenzing van het Naardermeer. Rondom het Naardermeer ligt echter een tertiaire waterkering binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied (‘overige’ waterkering). Verder valt de secundaire kering langs de Karnemelksloot en het Uitwateringskanaal Naardermeer binnen de begrenzing en een deel van de kering langs de ’s Gravelandse Vaart.
Met kleinschalig onderhoud kan het gaan om kleinschalige maatregelen als herstellen van oeverafkalving, verwijderen van dierlijke graverijen en het dichten van scheuren of lekkages die erop zijn gericht de gewenste situatie te handhaven of herstellen. Waterschap AGV, eigenaren of pachters hebben de verplichting om jaarlijks onderhoud aan deze keringen (o.a. kort houden van de begroeiing door begrazing of door tweejaarlijks te maaien) te verrichten.
Grootschalig onderhoud waterstaatkundige werken
Waterschap AGV heeft de verplichting om waterkeringen elke twaalf jaar te toetsen aan de vigerende normen voor waterveiligheid. Hiervoor worden grondboringen verricht, profielen ingemeten en aanwezige kunstwerken geïnventariseerd. Aan de hand van de resultaten wordt besloten of versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Wanneer uit een toetsing blijkt dat versterkingmaatregelen nodig zijn gaat dit om grootschalig onderhoud.
Grootschalig onderhoud omvat het ophogen van keringen en het versterken van keringen (al dan niet in combinatie met een ophoging/reconstructie). Het gaat hier om werkzaamheden die aan de gestelde (legger)vereisten voldoen en het huidige waterhuishoudkundige werk herstellen, zodat de oorspronkelijke vorm en afmeting van de waterkering binnen de legger wordt hersteld. Streven voor de frequentie van groot onderhoud of reconstructie is eenmaal in de dertig jaar.
Werkzaamheden om het waterpeil in de Schil Naardermeer te verhogen lopen tussen juli 2023 tot 2027. Dit gebeurt in samenwerking tussen provincie Noord-Holland, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en Natuurmonumenten. Diverse waterhuishoudkundige werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het Voormeer, Naardermeer-Oost en de Hilversumse Bovenmeent tussen juli 2023 en 2024.
Grootschalig onderhoud met planprocedure
Wanneer het bij grootschalig onderhoud ook noodzakelijk is om de legger te wijzigen (in verband met het versterken en/of verbreden van de dijk, al dan niet door gewijzigde veiligheidsnormen) is ook een planprocedure van toepassing. De effecten van dergelijke voornemens zijn sterk afhankelijk van de versterking, de mate van verbreding en waar deze verbreding plaatsvindt. Aangezien bij een dergelijke dijkaanpassing het niet mogelijk is om de effecten voldoende inzichtelijk te maken kan de beoordeling hiervan in een Voortoets niet voorzien in een effectbeoordeling. Voor dergelijke activiteiten is het noodzakelijk om de effecten separaat te beschouwen en deze zijn niet vrijgesteld via het Natura 2000-beheerplan. Dit betekent niet dat deze per definitie vergunningplichtig zijn, maar dat moet blijken uit een separaat onderzoek waarin de effecten van de betreffende dijkversterking op het Natura 2000-gebied beoordeeld worden.
5.3 Landbouw
De landbouwactiviteiten in en direct om het Naardermeer zijn de afgelopen vijf jaar sterk afgenomen. De gebieden in de Schil bestaat uit voormalige landbouwpolders die al grotendeels zijn ingericht als natuur. Een aantal percelen binnen de Schil tussen de Meerkade en de Overscheenseweg (NW Naardermeer) worden nog gebruikt voor veeteelt (rundvee en schapen). Er komen geen stallen voor binnen de begrenzing van het natura 2000-gebied. Ook grazen er Gallowayrunderen in de Keverdijkse Overscheense Polder als onderdeel van het beheerplan. Het landbouwkundig gebruik buiten het Natura 2000-gebied bestaat voor het overgrote deel uit veeteelt. Open en gesloten teelten (akkerbouw of glastuinbouw) zijn niet aanwezig.
In de directe omgeving van het Natura 2000-gebied zijn diverse agrarische bedrijven gevestigd. Het betreft veehouderijen (waaronder melkveebedrijven, rundveebedrijven, kalvermesterij, schapenbedrijf en akkerbouw/ veehouderijbedrijf). De volgende agrarische activiteiten kunnen van invloed zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van het Naardermeer:
5.4 Waterwinning
Binnen de Natura 2000-begrenzing van het Naardermeer zijn geen tijdelijke of permanente onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater aanwezig. Vlak bij het Naardermeer wordt drinkwater gewonnen uit grondwater. De provincie Noord-Holland geeft vergunningen af voor het onttrekken van grond- of oppervlaktewater. In de omgeving van het Naardermeer zijn in totaal vier grondwaterwinlocaties aanwezig voor de productie van drinkwater. Het betreft de locaties Huizen, Laren, Laarderhoogt en Loosdrecht. Vanwege het verdrogingseffect van de waterwinlocaties in combinatie met de droogmakerijen Horstermeerpolder en Bethunepolder is in 1999 de onttrekkingscapaciteit van deze waterwinlocaties in ‘t Gooi gehalveerd. De capaciteit van pompstation Loosdrecht is niet gewijzigd. De totale capaciteit is daarmee teruggebracht van 17 miljoen m3/jaar in 1999 naar circa 10 miljoen m3/jaar in 2007 (TAUW, 2008). Voor de bovengenoemde wijzigingen in onttrekkingscapaciteit zijn door de provincie Noord-Holland vergunningen in het kader van de grondwaterwet verleend.
5.5 Recreatie
Het Naardermeer is beperkt geschikt om op verschillende manieren te recreëren. Het beleid van Natuurmonumenten is erop gericht om waar mogelijk mensen te laten genieten van de natuur.
Uitlaten van honden:
Vanaf mei 2022 zijn honden niet meer toegestaan bij Gasterij Stadzigt en dus niet op het erf en in het natuurgebied. Een uitzondering wordt gemaakt voor hulp- en blindegeleide honden, en honden die nodig zijn bij het uitvoeren van faunabeheer.
Wandel-/fietspaden:
Delen van het Natura 2000-gebied zijn op wegen en (wandel- en fiets)paden voor recreanten vrij toegankelijk te betreden. Er lopen vier wandelroutes (rondje Naardermeer, uitkijktoren de Muggenbult, Laarzenpad, Holland op z’n mooist, Waterliniepad en Floris V pad) over wandelpaden langs het Naardermeer. Daarnaast lopen er ook enkele regionale fietsroutes door het gebied; rondje Gooi- en Eemmeer en rondje Naardermeer. Fietsen vindt plaats op verharde fietspaden en kleine wegen, waarlangs zich enkele knooppunten van het fietsknooppuntensysteem bevinden.
Vaarexcursies:
Het water van het Naardermeer is alleen toegankelijk via begeleide excursies. Natuurmonumenten organiseert tussen 1 april en 1 november vaarexcursies. Het aantal deelnemers aan deze vaarexcursies bedraagt ongeveer 9000 mensen per jaar.
Schaatsen:
Tijdens vorstperiodes wordt voornamelijk in het noorden van het gebied geschaatst vanaf de opstap plaatsen De Machine en De Visserij en vanaf het in het zuidoosten gelegen Stadzigt. Bij betrouwbaar ijs worden er vlaggen en borden neergezet. Wanneer het gehele Naardermeer bevroren en daardoor toegankelijk voor schaatsers is, wordt ook vanaf andere locaties geschaatst.
Recreatievoorzieningen:
Recreanten parkeren bij Stadzigt en in Laegieskamp. Bij de Visserij is een picknickplaats aanwezig. Er zijn zes vogelkijkhutten en drie uitzichtpunten aanwezig. Bij de Machine wordt door een bewoner in de zomer incidenteel een klein terras neergezet. Op zondagen en op afspraak is molen ‘De Onrust’ te bezoeken. Boerderij Stadzigt is de ontvangstlocatie voor vaarexcursies op het Naardermeer. Stadzigt is eveneens een locatie waar vergaderruimten kunnen worden gehuurd. Tevens is bij Stadzigt een restaurant aanwezig. In het noordelijk deel van de Laegieskamp bevinden zich enkele sportvelden die intensief worden gebruikt. Daar vindt ook beheer en onderhoud plaats waarbij meststoffen en bestrijdingsmiddelen worden toegepast en grondwater wordt onttrokken. Deze sportvelden vallen buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied
5.6 Verkeer
Wegen:
In het gebied zijn diverse lokale wegen aanwezig. De begrenzing van het Natura 2000-gebied loopt onder meer langs de Overscheense weg (noordzijde), Keverdijk (westzijde) en de N236 (zuidzijde). De wegen zijn echter geëxclaveerd in de tekst van het Aanwijzingsbesluit en vallen daarom formeel buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied. De rijkswegen ten noorden van het Naardermeer, de A1 en de A6, worden zeer intensief gebruikt. De A1 werd verbreed tussen 2013 en 2020. Daarbij is in 2018 ten hoogte van knooppunt Muiderberg een faunapassage tussen de BOBM-polder en het Naardermeer gerealiseerd. Deze fauna passage is verbeterd in de zomer van 2025. De spoorlijn Amsterdam - Amersfoort, waar gedurende de dag ongeveer 20 treinen per uur langs komen, doorkruist het Naardermeer. Gedurende de nacht gaat er voornamelijk goederenvervoer over de spoorlijn.
Vliegverkeer:
Het luchtruim boven het Naardermeer fungeert als aanvliegroute voor Schiphol. Dagelijks passeren vliegtuigen op ruim 1 kilometer hoogte het Natura 2000-gebied.
Vaarwegen
Rondom het Natura 2000-gebied is de Noordertrekvaart de enige aangewezen vaarweg. Er zijn daarnaast nog de volgende doorlopende watergangen aanwezig: de ‘s- Gravelandse Vaart en de Karnemelksloot. Een deel van de Karnemelksloot ter hoogte van het Laegieskamp valt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied.
5.7 Overige activiteiten
Faunabeheer en schadebestrijding
In overleg met de terreinbeheerder wordt planmatig beheer en schadebestrijding in en rondom het Naardermeer gecoördineerd door de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE). Deze eenheid stelt faunabeheerplannen op en vraagt ontheffingen aan. In een Faunabeheerplan worden onder andere de volgende zaken behandeld:
Het faunabeheer binnen het Naardermeer wordt uitgevoerd aan de hand van door Gedeputeerde Staten goed gekeurde faunabeheerplannen (Faunabeheerplan Vos, Faunabeheerplan Ree, Ganzenbeheerplan Noord Holland 2025-2031), provinciale verordeningen en het Aanwijzingsbesluit. In de faunabeheerplannen wordt aangegeven welke diersoorten schade veroorzaken en hoe deze dieren bestreden kunnen worden om over matige schade te voorkomen. Het kan gaan om verjaging en/of afschot van bijvoorbeeld konijnen, vossen of ganzen. Binnen het Natura 2000-gebied wordt er echter niet gejaagd. Voor nestbehandeling geldt in de provincie Noord-Holland een Vrijstellingsverordening.
Muskusrattenbestrijding
In overleg met de terreinbeheerders wordt de bestrijding van muskusratten uitgevoerd door de Muskusratten beheer organisatie (langs de randen van de plassen en de watergangen met behulp van klemmen, fuiken en vangkooien).
Beheer van cultuurhistorische elementen
Beheer en onderhoud van cultuurhistorische elementen betreft bijvoorbeeld het vrijhouden van begroeiing, het maaien en het in stand houden van landschappelijke elementen. Denk daarbij aan de kazematten van de Stelling van Amsterdam of het onderhouden van het historisch element de eendenkooi, waarbij altijd minimaal 1 vangpijp gebruiksklaar wordt gehouden. In de noordwesthoek van het Naardermeer, buiten begrenzing van het Natura 2000-gebied staat cultuurhistorische windmolen De Onrust die het Naardermeer nog altijd bemaald. Deze molen draagt nog steeds bij aan de ontwikkeling en de huidige vorm van het Naardermeer en wordt door middel van onderhoudsmaatregelen behouden.
Beroepsvisserij
Er is geen beroepsvisserij aanwezig in het Natura 2000-gebied.
Drones
Algemene wet- en regelgeving voor het gebruik van drones (boven of nabij Natura 2000- gebieden), bijvoorbeeld over het gebruik van drones boven of nabij stiltegebieden, moeten altijd worden gerespecteerd. Steeds vaker worden drones ingezet om nesten van bijvoorbeeld weidevogels in kaart te brengen. Het gaat hier om professioneel gebruik van drones ten behoeve van natuurbeheer, waterbeheer of handhaving.
Kleinschalig onderhoud aan kabels en leidingen en beheer en onderhoud van nutsvoorzieningen
Kleinschalig onderhoud vindt lokaal en incidenteel plaats. Dit omvat lokale ingrepen en inspecties ten behoeve van het bepalen van de onderhoudsopgave. Deze kabels, leidingen en nutsvoorzieningen bevinden zich niet op locaties met kwalificerend habitat, maar het betreft wel leefgebied van Vogelrichtlijnsoorten.
Groot onderhoud van kabels en leidingen
Er is sprake van groot onderhoud van kabels en leidingen bij het uitvoeren van niet reguliere (terugkerende) werkzaamheden of het aanpassen van kabels en leidingen (tracé en/of zwaarte).
6. Samenvatting effecten huidig gebruik
In onderstaande tabel is een samenvatting opgenomen van de effecten van huidig gebruik. Deze is gebaseerd op de beschrijvingen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 7 is de beoordeling uitgeschreven.
Tabel 3 Beoordeling van het huidige gebruik binnen het Natura 2000-gebied Naardermeer (toelichting op beoordeling staat onderaan de tabel en in bijlage 3)
|
Huidig gebruik binnen het Natura 2000-gebied |
Beoordeling |
|
Natuurbeheer |
|
|
Maaien en soms baggeren van watergangen |
4b |
|
Afvoeren en verwerken (oud) maaisel uit terreinen |
4b |
|
Gebruik en transport naar baggerdepot |
4b |
|
Maaien en begrazen gericht op het in stand houden dan wel verbeteren van de kwaliteit
van de habitats waarvoor het gebied is aangewezen (hooilanden, rietlanden en zeggevegetaties) |
4b |
|
Periodiek verwijderen opschietend bomen en struweel |
4b |
|
Invasieve soorten: periodiek verwijderen appelbes, ongelijkbladig vederkruid, Amerikaanse
vogelkers en andere invasieve soorten |
4b |
|
Afplaggen verzuurd rietland en zeggevegetaties (cyclisch beheer) |
4b |
|
Afplaggen (ontwikkeling) |
4b |
|
Plassen en watergangen periodiek openhouden |
4b |
|
Vaarbewegingen ten behoeve van natuurmonitoring/-onderzoek |
4b |
|
Beheer houtige opstanden: lanen en knotwilgen |
4b |
|
Kreeften en bodemwoelende vis wegvangen |
4b |
|
In het voorjaar nestvlotjes plaatsen voor zwarte stern |
4b |
|
Plaatsen en onderhouden van netten bij rietkragen |
4b |
|
Bekalking enkele hooilanden |
4b |
|
Inspecties en toezicht waarbij sprake is van betreding van de vegetatie |
4b |
|
Beheer en onderhoud van voorzieningen: zoals paden, bankjes, aanmeergelegenheden, |
4b |
|
Onderhoud rasters, hekken, poorten etc. |
4b |
|
Monitoring effecten van peilaanpassingen op natuurwaarden. |
4b |
|
Monitoring & ecologisch onderzoek |
4b |
|
Waterbeheer |
|
|
Peilbeheer |
3 |
|
Kleinschalig onderhoud waterstaatkundige werken |
4b |
|
Grootschalig onderhoud waterstaatkundige werken |
4b |
|
Grootschalig onderhoud buiten bestaande legger |
3 |
|
Defosfateren inlaatwater |
4a |
|
Baggeren en schonen van sloten |
4b |
|
Landbouw
|
|
|
Grond/gewasbewerking |
4a |
|
Veehouderij, bemesting en lozingen – stallen aanwezig op referentiedatum |
4b (bestaand)/ 3 (nieuw / gewijzigd) |
|
Veehouderij, bemesting en lozingen – overige activiteiten |
4b (bestaand)/ 3 (nieuw / gewijzigd) |
|
Drainage, beregening en overige wateronttrekkingen |
4b |
|
Onderhoud watergangen en erfbeplantingen |
4b |
|
Transport |
4a |
|
Waterwinningen
|
|
|
Waterwinning |
4b (bestaand) |
|
Recreatie
|
|
|
Wandel- en fietspaden |
4a |
|
Vaarexcursies |
4b |
|
Schaatsen |
4b |
|
Recreatievoorzieningen (m.u.v. onttrekken grondwater) |
4a |
|
Verkeer |
|
|
Wegen |
4a |
|
Spoorlijn |
4a |
|
Vliegverkeer |
4a |
|
Vaarwegen |
4a |
|
Overig
|
|
|
Faunabeheer en schadebestrijding (incl. muskusrattenbestrijding) |
4b |
|
Beheer van cultuurhistorische elementen |
4b |
|
Gebruik van drones |
3 |
|
Kleinschalig onderhoud aan kabels en leidingen en beheer en onderhoud van nutsvoorzieningen |
4b |
|
Groot onderhoud van kabels en leidingen |
3 |
1 Vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden
2 Vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden
3 Activiteiten die afzonderlijk vergunningplichtig zijn en blijven
4a Niet vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden
4b Niet vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden
7. Toetsing huidig gebruik
In deze bijlage is de toetsing van het huidig gebruik in en om het Natura 2000-gebied Naardermeer opgenomen. In hoofdstuk 5 van de hoofdtekst is het kader voor deze toetsing aangegeven.
Beoordeling effecten bestaand gebruik binnen en buiten het Natura 2000-gebied
Maatregelen in het kader van natuurbeheer
Natuurmonumenten hanteert verschillende vormen van natuurbeheer: intensief, extensief en cyclisch beheer specifiek afgestemd op behoud en ontwikkeling van natuurwaarden. Het natuurbeheer is in twee categorieën onder te verdelen: incidentele ingrepen en periodiek beheer.
Incidentele ingrepen zijn bijvoorbeeld grootschalige baggerwerkzaamheden of het verwijderen
van bosopstanden. In het Naardermeer worden deze incidentele ingrepen uitgevoerd om
de voor Natura 2000 belangrijke natuur kansen te geven. Van deze incidentele ingrepen
zijn op lange termijn positieve effecten voor de Natura 2000- instandhoudingsdoelen
te verwachten. Dit soort incidentele ingrepen varieert in omvang, locatie en/of tijdstip
en kan daarom niet worden opgenomen als bestaand gebruik (zie Kader 6.1 in hoofdstuk
6 van de hoofdtekst). Deze activiteiten worden dan ook niet getoetst.
Het periodieke beheer, zoals begrazen, maaien (inclusief afvoeren maaisel), baggeren
(inclusief gebruik slibdepots), plaggen, verwijderen van boomopslag, bestrijding van
invasieve soorten, wegvangen uitheemse kreeften en bodemwoelende vis, plaatsen van
nestvlotjes, en andere kleinschalig periodiek beheer (zie tabel 2) is gericht op het
in stand houden dan wel verbeteren van de kwaliteit van de habitats c.q. leefgebied
van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Deze maatregelen zijn in het Beheerplan
opgenomen, met als voorwaarde dat ze door of onder toezicht van de natuurbeherende
organisatie worden uitgevoerd en de zorgplicht in acht wordt genomen, en zijn dan
vergunningvrij. Categorie 4b.
Het periodiek openhouden van plassen en watergangen is nodig om vaarbewegingen ten behoeve van natuurmonitoring/-onderzoek lokaal en incidenteel uit te voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de kwetsbaarheid
van vegetaties. Het onderzoek ten behoeve van beheer draagt bij aan de verbetering
van de kwaliteit van habitattypen. In dit kader is er geen sprake van ecologisch relevante
effecten van het betreffende huidige gebruik dat door of onder toezicht van de natuurbeherende
organisatie wordt uitgevoerd. Categorie 4b.
Beheer van houtige opstanden, zoals lanen en knotwilgen vindt niet in kwalificerend habitat plaats. Conclusie is dat er geen effecten zijn van het betreffende huidige gebruik dat door of onder toezicht van de natuurbeherende organisatie wordt uitgevoerd. Categorie 4b.
Inspecties en toezicht worden dagelijks uitgevoerd en kunnen leiden tot aantasting van de vegetatie door betreding. Dit vindt echter slechts lokaal en incidenteel plaats, waarbij rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van vegetaties. Het toezicht draagt bij aan het beperken van de aantasting van habitattypen door recreanten. In dit kader is er geen sprake is van ecologisch relevante effecten van het betreffende huidige gebruik. Voorwaarde is dat het wordt uitgevoerd door of onder toezicht van de natuurbeheerder. Categorie 4b.
Beheer en onderhoud voorzieningen zoals paden, bankjes, rasters, hekken, poorten en aanmeergelegenheden vinden niet in kwalificerend habitat plaats, dan wel zijn zodanig kleinschalig en met zorg ingepast dat ecologisch relevante effecten van vernietiging niet aan de orde zijn. Conclusie is dat er geen effecten zijn van het betreffende huidig gebruik dat door of onder toezicht van de natuurbeheerder wordt uitgevoerd. Categorie 4b.
Monitoring en ecologisch onderzoek
De activiteiten in het kader van monitoring en onderzoek kunnen leiden tot aantasting
van de vegetatie (habitats en leefgebieden van soorten) en verstoring van soorten.
Dit vindt slechts lokaal en incidenteel plaats. Het onderzoek ten behoeve van natuurbeheer
draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van habitats en leefgebieden van soorten.
Door rekening te houden met kwetsbare locaties van habitats en leefgebied van soorten
en met kwetsbare periodes van soorten worden significante effecten van verstoring
voorkomen. Deze activiteiten kunnen worden opgenomen in het beheerplan indien deze
door of onder toezicht van de natuurbeheerder worden uitgevoerd en zijn dan vergunningvrij.
Categorie 4b.
ii. Waterbeheer
Het huidige waterbeheer in het Naardermeer is er op gericht om problemen als verdroging en vermesting tegen te gaan, waarbij naast de natuurdoelen tevens rekening wordt gehouden met functies als landbouw, bebouwing en veiligheid.
Peilbeheer
Het huidige peilbeheer voor het Naardermeer, binnen en buiten de kade, en omgeving rust nog op het oude peilbesluit (peilbesluit 5 juli 2007 door waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Er is een nieuw peilbesluit en het watergebiedsplan vastgelegd (peilbesluit d.d. 8 juli 2021 door waterschap Amstel, Gooi en Vecht) (Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, 200711)). Dit peilbesluit van 2021 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Holland en onherroepelijk. Op moment van schrijven is het huidige peilbesluit nog niet in de praktijk uitgevoerd.
Het huidige peilbeheer wordt hier niet beoordeeld temeer omdat er een nieuw watergebiedsplan en peilbesluit (2021) voor het Naardermeer, binnen en buiten de kade in voorbereiding is. Uit de systeemanalyse (zie hoofdtekst hoofdstuk 4) blijkt dat optimalisatie van het peilbeheer een belangrijke knop is om de instandhoudingsdoelen te realiseren. Toetsing aan de Natura 2000-doelen en vergunningverlening van het Naardermeer binnen de kade heeft plaatsgevonden in een separate passende beoordeling (Witteveen+Bos, 2019). Doordat dit een maatregel was die nodig is voor behoud en herstel van de Natura 2000-doelen is het uitbreiden van flexibel peil door het maximum peil met 10 cm te verhogen vrijgesteld van de vergunningplicht en verder het traject van het watergebiedsplan/peilbesluit volgt. Eventueel andere aanpassingen van peilbeheer zijn niet vrijgesteld via het Natura 2000-beheerplan. Categorie 3.
Voor gebieden buiten de kade (bufferzone/Schil van het Naardermeer) is een Inrichtingsplan in uitvoering door provincie Noord-Holland en het waterschap. Ook het peilbeheer van deze gebieden wordt afgestemd op het realiseren van instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000-beheerplan. Voor het totale inrichtingsplan voor de Natura 2000-gebieden buiten de kaden zal een passende beoordeling worden uitgevoerd.
Kleinschalig onderhoud waterhuishoudkundige werken:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied Er ligt een secundaire waterkering langs de Karnemelksloot en een overige kering rondom het Naardermeer. Het periodiek maaien van deze keringen en toetsen in hoeverre de keringen voldoen aan vigerende (veiligheids) normen (onder andere door middel van grondboringen) geeft mogelijk een tijdelijke verstoring aan rietvogels in nabijgelegen rietvelden. Door rekening te houden met kwetsbare locaties en periodes van vogels en de werkzaamheden uit te voeren in afstemming met Natuurmonumenten worden significante effecten van verstoring voorkomen.
Het dijklichaam rondom de kern grenst op diverse locaties aan zeggenmoerassen. Dit is onderdeel van het leefgebied van zeggekorfslak. Wanneer in kleine zeggenmoeras werkzaamheden plaatsvinden is mogelijk sprake van aantasting van het leefgebied van zeggekorfslak. Bij plasdras-omstandigheden in het zeggenmoeras zijn aanvullende voorwaarden van kracht, waarbij de vegetatie niet wordt betreden of anderzijds bedekt of verstoord. Onder droge omstandigheden is geen sprake van verstoring van het leefgebied van zeggekorfslak.
Voor de Habitatrichtlijnsoorten gestreepte waterroofkever, platte schijfhoren en groenknolorchis zijn opgenomen in de gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen. Door conform de gestelde voorwaarden uit de gedragscode te werken zal geen sprake zijn van significante verstoring van deze soorten.
De Habitatrichtlijnsoorten kleine modderkruiper en bittervoorn zijn niet opgenomen in de gedragscode. Wanneer werkzaamheden in het water plaatsvinden kan sprake zijn van verstoring. In dat geval zijn aanvullende maatregelen benodigd. De benodigde maatregelen zijn zeer afhankelijk van het type activiteit en de geschiktheid van de locatie voor kleine modderkruiper en bittervoorn. Hierbij is te denken aan:
Doordat de maatregelen om effecten op kleine modderkruiper en bittervoorn te voorkomen afhankelijk zijn van de locatie is maatwerk benodigd. Bij werkzaamheden onder droge omstandigheden is geen kans op verstoring. Voor soorten die buiten de gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen vallen geldt dat vanuit de gedragscode ook invulling gegeven moet worden aan de zorgplicht. Dit betekent dat werkzaamheden altijd uitgevoerd worden volgens een ecologisch werkprotocol waarin ook met deze soorten rekening gehouden moet worden. Dit ecologisch werkprotocol voorziet in maatwerk maatregelen om verstoring of andere effecten op Habitatrichtlijnsoorten te voorkomen. Bij werkzaamheden onder droge omstandigheden is bij kleinschalig onderhoud geen sprake van verlies van leefgebied van Habitatrichtlijnsoorten.
Voor habitattypen geldt dat deze niet aanwezig zijn op de dijk, waardoor geen reële kans is op aantasting. Zekerheidshalve geldt hier ook de voorwaarde dat de werkzaamheden niet plaatsvinden in of direct grenzend aan kwalificerende habitattypen.
Deze kleinschalige onderhoudsactiviteiten kunnen dan ook als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen onder de volgende voorwaarden (categorie 4b):
-
Altijd: werken buiten de kwetsbare locaties en perioden van broedvogels.
-
Altijd: gewerkt wordt volgens de goedgekeurde gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen of onder begeleiding van Natuurmonumenten.Altijd: de werkzaamheden vinden niet plaats in of grenzend aan habitattypen.
-
Wanneer de werkzaamheden betrekking hebben op zeggenmoeras: betreding, bedekking of anderzijds verstoring van zeggemoeras wordt voorkomen.
-
In open water: maatregelen benodigd om effecten op kleine modderkruiper en bittervoorn te voorkomen. Dit is maatwerk waar via een ecologisch werkprotocol per situatie invulling aan gegeven moet worden.
Grootschalig onderhoud waterhuishoudkundige werken:
Naast kleinschalig onderhoud vindt er periodiek (ca. eens in de 30 jaar) grootschalig
onderhoud (het ophogen van keringen, het versterken van keringen al dan niet in combinatie
met een ophoging/reconstructie) plaats. Grootschalig onderhoud vindt plaats binnen
de gestelde legger(vereisten). De werkzaamheden kunnen invloed hebben op beschermde
(niet-)broedvogels, habitatrichtlijnsoorten en habitattypen. Hiervoor gelden dezelfde
aandachtspunten als bij kleinschalig onderhoud, namelijk dat voorwaarden noodzakelijk
zijn om effecten te voorkomen.
Door rekening te houden met de locatie van leefgebieden van soorten en met kwetsbare perioden en habitats van soorten en door de werkzaamheden conform de gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen uit te voeren of onder begeleiding van Natuurmonumenten significante effecten van verstoring voorkomen. De overige maatregelen verschillen per habitat. Deze grootschalige onderhoudsactiviteiten kunnen dan ook als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen onder de volgende voorwaarden (categorie 4b):
-
Altijd: werken buiten de kwetsbare locaties en perioden van broedvogels.
-
Altijd: gewerkt wordt volgens de goedgekeurde gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen of onder begeleiding van Natuurmonumenten.
-
Altijd: de werkzaamheden vinden niet plaats in of grenzend aan habitattypen.
-
Wanneer de werkzaamheden betrekking hebben op zeggenmoeras: betreding, bedekking of anderzijds verstoring van zeggemoeras wordt voorkomen.
-
In open water: maatregelen benodigd om effecten op kleine modderkruiper en bittervoorn te voorkomen. Dit is maatwerk waar via een ecologisch werkprotocol per situatie invulling aan gegeven moet worden.
Grootschalig onderhoud met planprocedure: Over lange periode (ca. eens in de 100 jaar) zijn onderhoudswerkzaamheden buiten de bestaande legger noodzakelijk. Omdat aard, omvang, locatie en tijdstip niet op voorhand vaststaat moet hiervoor een aparte toetsing en/of vergunningprocedure plaatsvinden. Grootschalig onderhoud met planprocedure wordt dan ook niet getoetst in dit beheerplan en kan niet vergunningvrij worden opgenomen. Categorie 3.
Inlaten en defosfateren inlaatwater:
Betreft activiteit buiten het Natura 2000-gebied. Om verdroging van het systeem tegen te gaan wordt sinds 1984 via de Vecht water vanuit het IJmeer ingelaten aan de noordwestzijde van het Naardermeer. Om de fosfaatbelasting te beperken en zodoende een goede waterkwaliteit te waarborgen, wordt dit water gedefosfateerd.
Het inlaten en defosfateren van inlaatwater heeft geen verstorende effecten op soorten of habitattypen en kan daarom zonder nadere voorwaarden worden opgenomen als bestaand gebruik. Categorie 4a.
Baggeren en schonen van sloten en tochten:
Betreft activiteiten binnen het Natura 2000-gebied. De sloten en tochten worden regelmatig gemaaid en periodiek gebaggerd om ze open te houden voor vaartuigen en om de functie voor waterberging en waterafvoer in stand te houden. Lokaal geeft dit een negatief effect, omdat de waterplanten worden verwijderd en het doorzicht voor een korte periode vermindert. Omdat na het baggeren de waterplanten kunnen terugkeren en baggeren noodzakelijk is voor het behoud van waterplanten op de lange termijn, is er geen sprake van een knelpunt. Er is ook geen knelpunt voor de habitatsoorten, zoals kleine modderkruiper en bittervoorn, aangezien er onder toezicht of door de terreinbeheerder wordt gehandeld.
Bij kleinschalig schonen en baggeren wordt het maaisel en de bagger incidenteel op de oevers geplaatst, dan wel in een baggerdepot (zie ook onder natuurbeheer). Lokaal kan dit een negatief effect opleveren, als gevolg van enige vermesting. Dit is echter geen knelpunt, omdat het weinig frequent wordt uitgevoerd en lokaal van aard is. De geplande baggerdepots zijn gelegen in de Schil, waar enige vermesting geen knelpunt is gelet op de voedselrijke bodem.
Door rekening te houden met kwetsbare locaties en periodes van vogels en de werkzaamheden uit te voeren in afstemming met Natuurmonumenten worden significante effecten van verstoring voorkomen. Deze activi teiten kunnen dan ook als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen en zijn dan vergunningvrij. Categorie 4b.
Het grootschalig en periodiek baggeren van de plassen in het Naardermeer wordt gezien als een incidentele ingreep die varieert in aard, omvang, locatie en/of tijdstip. Deze kan daarom niet worden opgenomen als bestaand gebruik (zie kader 2 in hoofdstuk 6 van de hoofdtekst).
iii. Landbouw
Grond/gewasbewerking:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied. Grond- en gewasbewerking vindt plaats op agrarische gronden. Hierbij kan gedacht worden aan scheuren van graslanden, maaien, hooien, oogsten e.d. Deze activiteiten veroorzaken vooral tijdelijke mechanische effecten en geluid door het gebruik van machines in beperkte periodes van het jaar, vooral in het voorjaar, najaar en de zomer. De vogelsoort die in dit gebied het meest gevoelig is voor dit soort verstoring is de Purperreiger, die in het riet broedt en onder andere op graslanden foerageert. Het broedgebied bevindt zich op dit moment niet in de nabijheid van de agrarische gronden (> 300 m afstand). Deze activiteiten kunnen dan ook zonder nadere voorwaarden in het beheerplan als bestaand gebruik worden opgenomen en zijn dan vergunningvrij. Categorie 4a.
Gebruik bestrijdingsmiddelen:
Bij de agrarische bedrijfsvoering wordt/werd gebruik gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen (biociden en gewasbeschermingsmiddelen). Deze kunnen leiden tot mogelijke effecten van verontreiniging door verwaaiing en/of uitspoeling naar het oppervlaktewater. Er vinden geen agrarische teelten plaats binnen de Natura 2000-gebieden, en het gebruik van bestrijdingsmiddelen door de beheerder en door grondeigenaren binnen de Natura 2000-begrenzing is inmiddels afgebouwd, het betreft dus activiteiten buiten de Natura 2000-begrenzing. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen binnen het Natura 2000-gebied is dus geen huidig gebruik. Buiten het Natura 2000-gebied is er geen vergunningplicht als dit gebruik al legaal aanwezig was op de referentiedatum en het gebruik van de grond sinds die datum niet wezenlijk is gewijzigd. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is geen onderdeel van de toetsing huidig gebruik en niet middels het Natura-2000-beheerplan vrijgesteld.
Het toedienen van deze middelen wordt conform de hiervoor geldende wettelijke regels uitgevoerd. Deze regels zijn er onder andere op gericht de verspreiding van deze stoffen naar de lucht, bodem en het grond- en oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken. Sinds de invoering van het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij in 2000 zijn de regels ten aanzien van het gebruik van deze middelen strenger geworden en erop gericht de verspreiding van bestrijdingsmiddelen naar de omgeving te beperken. Als gevolg van de aankoop van gronden voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zal overigens het areaal aan landbouwgrond de komende jaren verder afnemen en hiermee neemt naar verwachting ook het gebruik van bestrijdingsmiddelen rondom het Natura 2000-gebied verder af.
De ontwikkelingen in de jurisprudentie hebben mogelijk gevolgen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in en om Natura-2000 gebieden. Er is nu nog onduidelijkheid over de gevolgen voor het ‘huidig gebruik’ van bestrijdingsmiddelen. Het is niet uit te sluiten dat een onderzoeks- of vergunningplicht in de toekomst van toepassing kan zijn.
Veehouderij, bemesting en lozingen:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied. Door veehouderij en (kunstmatige) bemesting worden fosfaat en nitraat aan de bodem en via afspoeling aan het grond- en oppervlaktewater toegevoegd. Bemesting kan zo, afhankelijk van de richting van grond- en oppervlaktewaterstromen, effect hebben op het Natura 2000-gebied.
Aanwezige stallen (en andere dierenverblijven) die na de referentiedatum in gebruik zijn genomen hebben een Ow-vergunning nodig, indien de stalemissie leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in het Natura 2000-gebied. Categorie 3. Voor stallen die op moment van aanwijzing aanwezig waren en sindsdien ongewijzigd hun bedrijfsactiviteiten voortzetten geldt categorie 4b.
Alle habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen hebben baat bij een goede waterkwaliteit. De externe fosfaatbelasting wordt veroorzaakt door uitspoeling van fosfaat vanuit landbouwgronden, kwelwater en inlaatwater. Omdat het inlaatwater wordt gedefosfateerd is de fosfaatbelasting vanuit het inlaatwater beperkt.
De uitspoeling vanuit de landbouwgronden wordt voor een groot deel veroorzaakt door bemesting uit het verleden (nalevering), maar kan ook door de huidige bemesting worden veroorzaakt. Het is niet uitgesloten dat de uitspoeling van fosfaat van landbouwgronden in en om het Natura 2000-gebied negatieve effecten heeft op de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Bovendien is er een KRW-maatregel opgenomen in het tweede stroomgebiedbeheerplan waarbij voormalig agrarisch grasland dat afwatert naar de Bovenste Blik zal worden afgekoppeld. Inmiddels is het watersysteem van het Naardermeer niet meer verbonden met omliggende polders.
Beweiden
In de PAS-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1604) van 29 mei 2019 heeft de Raad van State vastgesteld dat de categorale vrijstelling van de vergunningplicht voor beweiden en bemesten in strijd is met de Habitatrichtlijn. Uit de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2022:2874) van 12 oktober 2022 volgt dat voor beweiden niet zonder meer naar een stalvergunning verwezen kan worden. Indien het om percelen nabij Natura 2000-gebied gaat, moet aangetoond worden dat er geen toename van de depositie is ten opzichte van de referentiedatum (ECLI:NL:RBOBR:2022:1058). Voor beweiden en bemesten kan dus een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit nodig zijn als blijkt dat uit deze activiteiten stikstof neerdaalt op overbelaste stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in het Natura 2000-gebied. Categorie 3.
Voor beweiden en bemesten van landbouwgrond is er geen vergunningplicht als dit gebruik al legaal aanwezig was op de referentiedatum, het gebruik van de grond sinds die datum niet wezenlijk is gewijzigd en sinds die datum de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied vanuit de betreffende landbouwgrond niet is toegenomen. Categorie 4b.
Drainage, beregening en overige wateronttrekkingen
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied. Grond- en oppervlaktewateronttrekkingen, drainage, detailontwatering en beregening in het kader van agrarisch gebruik kunnen in beginsel een verdrogend effect hebben. Deze onttrekkingen zijn gereguleerd via de Omgevingswet. Voor onttrekkingen voor de landbouw geldt alleen een meldingsplicht, ze zijn te klein voor een vergunningprocedure.
De provincie heeft geen compleet overzicht van dit soort activiteiten. Uit interviews met gemeenten en beheerders blijkt dat deze activiteiten klein in omvang en aantal zijn. Individueel zijn dergelijke activiteiten zo kleinschalig dat een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Naardermeer waarschijnlijk niet aan de orde zijn. Bovendien is er geen aanwijzing dat na de referentiedatum relevante wijzigingen met betrekking tot grondwaterpeilveranderingen als gevolg van de kleine onttrekkingen hebben plaatsgevonden. Er hebben evenmin relevante wijzigingen in het landgebruik plaatsgevonden. In tijden van een watertekort geldt de verdringingsreeks. De verdringingsreeks geeft een rangorde voor de verdeling van de hoeveelheid water bij waterschaarste. Het is ter beoordeling van de waterbeheerder of er feitelijk sprake is van een tekort. Het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur valt daarbij in categorie 1 (de hoogste categorie van de verdringingsreeks). De aanwezige kleine onttrekkingen met huidige onttrekkingshoeveelheden kunnen daarom als vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen, met inachtneming van de verdringingsreeks in tijden van een watertekort. Categorie 4b.
Nieuwe onttrekkingen of een toename van de onttrekkingshoeveelheden van bestaande kleine onttrekkingen zoals voor het besproeien van de kunstgrasvelden tegen Laegieskamp aan vallen per definitie niet onder bestaand gebruik en zijn alleen vergunningvrij indien relevante effecten hiervan op de grondwaterstand en Natura 2000 kunnen worden uitgesloten. Toetsing aan de Omgevingswet Natura 2000-activiteiten is hiervoor dus nodig. Voor nieuwe onttrekkingen c.q. uitbreiding van bestaande onttrekkingen geldt categorie 3.
Onderhoud watergangen en erfbeplanting:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied. De landgebruikers zijn verantwoordelijk voor het onderhouden van de perceelsloten en erfbeplanting. Geen van de instandhoudingsdoelstellingen is afhankelijk van erfbeplanting, dus hiervan is geen negatief effect te verwachten. Het onderhouden van de watergangen kan lokaal en tijdelijk verstorend werken voor foeragerende purperreigers. Aangezien niet alle watergangen tegelijkertijd worden onderhouden, blijft voldoende foerageergebied voor de purperreiger aanwezig. Het onderhouden van watergangen door agrariërs zal de instandhoudingdoelstelling van purperreiger niet in gevaar brengen.
Waar het gaat om het onderhoud aan watergangen dient er binnen het Natura 2000-gebied onder toezicht van de terreinbeheerder te worden uitgevoerd om negatieve effecten te voorkomen aan habitatsoorten die gevoelig zijn voor deze activiteit, zoals kleine modderkruiper, bittervoorn en platte schijfhoren. Categorie 4b.
Transport:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied Het aan landbouw gerelateerde transport leidt tot mogelijke effecten van verstoring door geluid, licht en beweging. Dit type transport dateert van voor de referentiedatum. De leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten liggen daarbij grotendeels buiten het effectbereik van deze activiteiten (Kader 1). De potentiële leefgebieden van de grote karekiet en zwarte stern (waarvoor een uitbreidingsdoelstelling geldt) kunnen mogelijk wél binnen het effectbereik liggen. Om de uitbreidingsdoelen te realiseren zijn in het beheerplan, maatregelen geformuleerd (paragraaf 5.3). De aanwezigheid van verstoring wordt daarbij niet als een knelpunt gezien voor het behalen van de uitbreidingsdoelstelling. Het aan landbouw gerelateerde transport kan dus zonder nadere voorwaarden als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen en is vergunningvrij. Categorie 4a.
Kader 1: effecten van het huidig gebruik op verstoringsgevoelige soorten
|
Van de aangewezen soorten voor het Naardermeer zijn vooral (broed)vogels gevoelig voor verstoring door geluid, licht en beweging. Verstoringsafstanden van vogels zijn deels onderzocht en gerapporteerd in o.a. Krijgsveld et al., 2008. Voor watergebonden soorten: de Kleine modderkruiper, de Bittervoorn en de Gestreepte waterroofkever is voornamelijk verstoring door trilling onderwater relevant. Het huidig gebruik kan leiden tot een bepaalde mate van verstoring, die al voor de referentiedatum in het gebied aanwezig was. In dat geval is het voorkomen van (leefgebieden van) verstoringsgevoelige soorten aangepast aan de mate van verstoring veroorzaakt door het huidig gebruik. De huidige leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten bevinden zich daarom buiten het effectbereik van de verstorende activiteiten waardoor effecten op de betreffende soorten op voorhand uit te sluiten zijn. |
iv. Waterwinningen: betreft activiteiten buiten het Natura 2000-gebied
In Huizen (PWN), Laren (Vitens), Laarderhoogt (PWN) en Loosdrecht (Vitens) vinden grondwateronttrekkingen plaats voor de winning van drinkwater. De provincie Noord-Holland is vergunningverlener voor grondwater winningen ten behoeve van drinkwaterwinningen. Voor winningen die vóór 2004 vergund zijn (de referentiedatum als Habitatrichtlijngebied), geldt dat deze als bestaand gebruik kunnen worden opgenomen in het beheerplan. Voor wijzigingen in vergunde onttrekkings hoeveelheden na 2004 geldt dat het gaat om een reductie van de onttrekkingshoeveelheden die leiden tot grondwaterstandverhogingen en een toename van de kwel naar de Natura 2000-gebieden). Daarom mogen er positieve effecten op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen worden verwacht. Het gaat hierbij met name om de grondwaterafhankelijke habitattypen en habitatsoorten die baat hebben bij een goede waterkwaliteit. Voor de vogelrichtlijnsoorten geldt dat het waterpeil sturend is, dit is gereguleerd via het peilbesluit, ondersteund door de in gebruikname van de defosfateringsinstallatie in 1984. Dit is ruim voor de referentiedatum onder de Vogelrichtlijn van 1994. De waterwinningen kunnen daarom als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen. Voor bestaand en ongewijzigd geldt Categorie 4b.
v. Recreatie
Het Naardermeer is een natuurgebied waar sprake is van beperkte dagrecreatie en enkele recreatievoorzieningen. Aan de randen van het Naardermeer is sprake van intensievere recreatie.
Uitlaten van honden:
Betreft activiteiten binnen het Natura 2000-gebied. Het uitlaten van honden is sinds 2022 niet meer toegestaan in het hele Natura 2000-gebied.
Recreatie over wandel- of fietspaden:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied Er is zowel een wandelpad als een fietspad aanwezig dat rondom en voor een klein deel in het Natura 2000-gebied Naardermeer ligt. Er zijn op deze paden een aantal wandel- en fietsroutes uitgezet.
De betreffende activiteiten vinden plaats op de daarvoor bestemde verharde en onverharde wegen en paden. De betreffende paden maken geen deel uit van de kwalificerende habitats en leefgebieden en bevinden zich bovendien op enige afstand van de kwalificerende habitats. Dit betekent dat er geen sprake is van aantasting van de kwaliteit van habitats en leefgebieden door betreding. Hoewel betreding buiten de daarvoor bestemde paden kan optreden en kan leiden tot aantasting van de habitatkwaliteit maakt dit geen deel uit van de toetsing, omdat dit in beginsel niet is toegestaan.
De wandel- en fietspaden lopen over dijken of langs vaarten aan de rand van het Naardermeer. Voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen kan wandelen en fietsen verstorend zijn. Van ganzen, steltlopers en kleine zangvogels is bekend dat ze minder vaak broeden in de directe omgeving (50-300 m) van een wandelpad. Voorspelbaarheid speelt een belangrijke rol bij de mate van verstoring; stilstaande of van het pad afwijkende wandelaars verstoren een vogel meer dan een wandelaar die in gelijk tempo over het pad loopt (Krijgsveld et al., 2022).
Voor de aan water gebonden broedvogelsoorten Aalscholver, Snor, Purperreiger en Zwarte stern geldt hier dat de paden overwegend buiten de verstoringsafstand liggen. Bij de vogelkijkhutten zijn maatregelen getroffen om verstoring te voorkomen. Voorts is het grootste wateroppervlak gelegen in niet voor recreanten toegankelijk gebied. In de andere gebieden is de toegankelijkheid eveneens sterk gereguleerd. Vanwege de beperkte toegankelijkheid van het gebied zullen de vogelsoorten zich aanpassen aan de reguliere recreatiedruk door op enige afstand van de paden te broeden, rusten of foerageren. Buiten het beïnvloedingsgebied van de paden is voldoende areaal aan potentieel broed-, rust- of foerageergebied aanwezig voor de beoogde populaties. Indien nodig worden (door Natuurmonumenten) de wandelroutes aangepast om voldoende rustgebieden voor de vogels te waarborgen. De betreffende activiteiten kunnen dan ook zonder nadere voorwaarden worden opgenomen in het beheerplan. Categorie 4a.
Vaarexcursies
Betreft activiteiten binnen het Natura 2000-gebied Onder leiding van Natuurmonumenten worden van 19 april tot 17 oktober vaarexcursies georganiseerd. Deze excursies volgen veelal een vaste route waardoor verstoring van vogels en effecten op waterplanten beperkt blijven. Door het gebruik van zogenaamde fluisterboten is de geluidsbelasting in het gebied minimaal. Door toezicht van de natuurgids c.q. natuurbeheerder wordt het verstorend effect van deze excursies tot een minimum beperkt. De snelheid van de fluisterboten ligt laag, zodat oevers niet aangetast worden. De vaar excursies hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen onder de voorwaarde dat ze door Natuurmonumenten worden georganiseerd. Categorie 4b.
Schaatsen
Betreft activiteiten binnen het Natura 2000-gebied Natuurmonumenten stelt het Naardermeer open tijdens schaatsperiodes. Deze activiteit kan in beginsel leiden tot verstoring op overwinterende Kolgans en Grauwe gans. Als de meren bevroren zijn zullen deze vogels echter uitwijken naar andere wateren die nog open zijn (bijvoorbeeld het IJmeer, Gooimeer en Spiegelplas). Dit betekent dat er in principe geen interactie is tussen de activiteiten en deze vogelsoorten. Plaatselijk blijven er mogelijk ganzen in wakken in het Naardermeer achter. Er zijn daarnaast effecten mogelijk op de Aalscholver die al in januari in het gebied kan broeden. Deze soort kwalificeert als broedvogel en er kan verstoring optreden. Door de kwetsbare gebieden (bekende vaste Aalscholverkolonies) in gevoelige periodes af te sluiten kan de verstoring voorkomen worden.
Deze activiteiten kunnen in het beheerplan worden opgenomen onder voorwaarde dat de voor de Aalscholver kwetsbare gebieden (bekende vaste Aalscholverkolonies) in gevoelige periodes worden afgesloten en dat wakken ruim worden afgezet (door of onder toezicht van Natuurmonumenten). Categorie 4b.
Gebruik recreatievoorzieningen
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied Om de recreatiedruk in de hand te houden mogen recreanten alleen op de officiële parkeergelegenheden parkeren. In het Natura 2000-gebied Naardermeer is boerderij Stadzigt de vertreklocatie voor recreatieve activiteiten. Daarnaast liggen er in het gebied een viertal vogelkijkhutten en diverse kleinschalige voor zieningen rondom de paden als bankjes, informatieborden en dergelijke.
De voorgenoemde voorzieningen bevinden zich niet in kwalificerend habitat, zodat dit niet leidt tot ecologisch relevante effecten op de kwalificerende habitattypen. De leefgebieden van de verstoringsgevoelige soorten bevinden zich buiten de verstoringsafstanden van de genoemde voorzieningen (Kader 1). Tegen Laegieskamp aan liggen sportvelden. Een aantal keer per week is hier gedurende een paar uur sprake van verstoring door licht, geluid en beweging. In het Laegieskamp bevinden zich echter geen leefgebieden van vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Het beheer en onderhoud van de sportvelden leidt evenmin tot effecten op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen uitgaande van de toediening van meststoffen en bestrijdingsmiddelen plaatsvindt conform de wettelijke regelgevingen. Een uitzondering hierop is het onttrekken van grondwater voor het besproeien van de kunstgrasvelden: alleen eventuele onttrekkingen die plaatsvonden op de referentiedatum zijn toegestaan, voor een toename van de onttrekkings hoeveelheden van bestaande onttrekkingen c.q. nieuwe onttrekkingen sinds deze referentiedatum, is een toetsing in het kader van de Omgevingswet nodig.
Alle recreatievoorzieningen zijn aangesloten op het riool, zodat er geen sprake is van emissie van afvalwater naar het oppervlaktewater.
In dit kader is er geen sprake van effecten van het betreffende bestaande gebruik en kunnen deze activiteiten zonder nadere voorwaarden in het beheerplan als bestaand gebruik worden opgenomen. Categorie 4a. Voor het onttrekken van grondwater geldt categorie 3.
vi. Verkeer
Wegen
Betreft activiteiten buiten het Natura 2000-gebied. In de omgeving van het Natura 2000-gebied liggen diverse lokale, provinciale wegen en Rijkswegen. De verharde wegen binnen het Natura 2000-gebied zijn geëxclaveerd (in de tekst van het Aanwijzingsbesluit). Ten noordwesten van het Naardermeer, binnen 1 km afstand liggen de snelwegen A1 en A6. Het gebruik van deze (snel)wegen leidt tot mogelijke effecten van verstoring door geluid, licht en beweging. Het gebruik van de wegen dateert echter van voor de referentiedatum). De huidige leefgebieden van verstorings gevoelige soorten liggen grotendeels buiten het effectbereik van deze wegen. De potentiële leefgebieden van de Grote karekiet en de Zwarte stern (waarvoor een uitbreidingsdoelstelling geldt) kunnen wél binnen het effectenbereik liggen. Om de uitbreidingsdoelen te realiseren zijn in het beheerplan, hoofdstuk 5 maatregelen geformuleerd. De aanwezigheid van verstoring wordt daarbij niet als een knelpunt gezien voor het behalen van de uitbreidingsdoelstelling. Het gebruik van deze wegen kan dus zonder nadere voorwaarden als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen en is vergunningvrij. Categorie 4a.
De spoorlijn Amsterdam – Amersfoort
Betreft activiteiten buiten het Natura 2000-gebied. De spoorweg Amsterdam-Amersfoort doorkruist het Natura 2000-gebied Naardermeer en is geëxclaveerd (in de tekst van het Aanwijzingsbesluit). Mogelijk vliegen incidenteel vogels tegen passerende treinen. Het is niet bekend om welke vogels dit gaat, maar mogelijk zijn hier ook aangewezen Natura 2000-soorten bij. Gezien het incidentele karakter van de aanrijdingen en het feit dat de spoorweg al ver voor de referentiedatum in gebruik was, zal er geen sprake zijn van significante effecten in het kader van instandhoudingsdoelen.
Daarnaast leidt het gebruik van deze spoorweg tot mogelijke effecten van verstoring door geluid, licht en beweging. De huidige leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten liggen grotendeels buiten het effectbereik van deze spoorweg (Kader 6.1). De potentiële leefgebieden van de Grote karekiet en de Zwarte stern (waarvoor een uitbreidingsdoelstelling geldt) kunnen wél binnen het effectbereik liggen. Om de uitbreidingsdoelen te realiseren zijn in het beheerplan, (hoofdstuk 5) maatregelen geformuleerd. De aanwezigheid van verstoring wordt daarbij niet als een knelpunt gezien voor het behalen van de uitbreidingsdoelstelling. Het gebruik van deze spoorlijn kan dus zonder nadere voorwaarden als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen en is vergunningvrij. Categorie 4a.
Vliegverkeer
Betreft activiteiten buiten het Natura 2000-gebied Op 20 km van het gebied ligt luchthaven Schiphol. De vlieghoogte van de vliegtuigen bedraagt ter hoogte van het Naardermeer meer dan 1.000 meter. Bij een vlieghoogte van ongeveer 1.000 meter zijn eventueel verstorende effecten zeer klein (Krijgsveld et al., 2022). Deze activiteiten kunnen dan ook zonder nadere voor waarden als bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen en zijn dan vergunningvrij. Categorie 4a. Voor vliegbewegingen lager dan 1.000 meter geldt de reguliere onderzoeks- en vergunningenprocedure.
Vaarwegen
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied. Rondom het Natura 2000-gebied is een aantal vaarwegen aanwezig: de Naardertrekvaart, ‘s- dit Gravelandse Vaart en de Karnemelksloot. Een deel van de Karnemelksloot ter hoogte van het Laegieskamp valt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Het (recreatief) gebruik van deze vaarwegen leidt tot mogelijke effecten van verstoring door geluid, licht en beweging op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten liggen echter buiten het effectbereik (Kader 1) van deze vaarwegen. Het gebruik van deze vaarwegen kan dan ook zonder nadere voorwaarden in het beheerplan als bestaand gebruik worden opgenomen en is dan vergunningvrij. Categorie 4a
vii. Overige activiteiten
Faunabeheer en schadebestrijding:
Betreft activiteiten binnen het Natura 2000-gebied Het faunabeheer binnen het Naardermeer wordt uitgevoerd aan de hand van door Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplannen (Faunabeheerplan Wildsoorten, Faunabeheerplan Vos, Faunabeheerplan Ree, Ganzenbeheerplan Noord-Holland 2025-2031), provinciale verordeningen en aanwijzingsbesluiten. Binnen het Natura 2000-gebied wordt niet gejaagd. De significante effecten van verstoring op Natura 2000-doelen door jacht kunnen derhalve uitgesloten worden.
Ganzen
In het Naardermeer vindt ganzenbeheer in hoofdzaak plaats om de natuurdoelstellingen van het gebied te beschermen en te verbeteren. Eerder heeft de Faunabeheereenheid (FBE) de effecten van deze activiteit laten toetsen en is een Passende Beoordeling (PB) gemaakt. Hoewel een passende beoordeling voor een beheermaatregel niet noodzakelijk is, zijn de gevolgen van ganzenbeheer voor andere instandhoudingsdoelstellingen getoetst en blijkt uit de passende beoordeling dat er geen significant negatieve effecten zijn als het ganzenbeheer onder condities wordt uitgevoerd.
De uitvoering van ganzenbeheer in het Naardermeer is een beheermaatregel Natura 2000 en wordt dus uitgevoerd zonder vergunning. In het kader van de algemene en specifieke zorgplichtregels is kaderstelling en onderbouwing wel noodzakelijk. Dit wordt eerder in dit hoofdstuk beschreven, onder Beschrijving huidig gebruik, paragraaf 5.1 en de condities beschreven in bijlage 4 bij dit beheerplan.
Muskus- en beverratten
Langs de randen van de plassen en de watergangen worden het gehele jaar muskus- en beverratten bestreden met behulp van klemmen, fuiken en vangkooien. Het bestrijdingswerk wordt uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurde gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen. In principe betreedt één persoon het gebied; in geval van een hoge populatie kunnen er tijdelijk meer personen in het gebied zijn. Omdat het plaatsen en legen van de klemmen en vangkooien ook buiten de reguliere infrastructuur plaatsvindt, kan er in principe verstoring van vogels en/of andere dieren in het gebied optreden. Door rekening te houden met kwetsbare locaties en periodes van soorten worden significante effecten van verstoring voorkomen. Daarnaast vindt ook monitoring plaats om inzichtelijk te maken of bevers zich nabij dijklichamen bevinden. Op 15 juni 2023 heeft de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord advies gegeven over een verlenging van het huidgie besluit voor de bestrijding van muskusrat en beverrat (kenmerk OMG-010167). Hierbij heeft zij besloten dit besluit te verlengen tot 16 juni 2028. Deze besluitvorming valt buiten het Natura 2000-beheerplan.
Bever
Op dit moment wordt bever niet bestreden in het Naardermeer. De populatie binnen het beheergebied van Waterschap AGV neemt wel toe. Er is door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord toestemming verleend in de vorm van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de bestrijding van bever om schade te voorkomen. De voorwaarden van de ontheffing en uitgangspunten van het beverprotocol zijn daarbij leidend. Besluitvorming valt buiten het Natura 2000-beheerplan en is ook niet via het Natura 2000-beheerplan vrijgesteld.
Beheer van cultuurhistorische elementen:
Betreft activiteiten binnen en buiten het Natura 2000-gebied.
Beheer en onderhoud van cultuurhistorische elementen betreft bijvoorbeeld het vrijhouden
van begroeiing, het maaien en het in stand houden van landschappelijke elementen (zoals
de kazematten van de Stelling van Amsterdam, een cultuurhistorische windmolen met
bemalingsfunctie) en de eendenkooi. Deze activiteiten leiden niet tot ecologisch relevante
effecten op Natura 2000-doelen, omdat ze op locaties buiten kwalificerende natuurwaarden
worden uitgevoerd, dan wel kleinschalig zijn. Daarnaast worden eventuele significante
effecten van verstoring voorkomen door rekening te houden met kwetsbare locaties en
periodes van vogels. Deze activiteiten kunnen in het beheerplan worden opgenomen onder
voorwaarde dat deze door of in afstemming met Natuurmonumenten worden uitgevoerd en
zijn dan vergunningvrij. Categorie 4b.
Gebruik van drones
Drones en andere Remotely Piloted Aircrafts (RPAS) van alle gewichtsklassen kunnen verstoring van natuurdoelen veroorzaken wanneer deze zonder kennis van aanwezige natuurdoelen worden ingezet. In de Omgevingswet is de (soortspecifieke) zorgplicht van toepassing. Onderdeel van die actieve zorgplicht is dat de professionele dronegebruiker zich op de hoogte stelt van de lokale situatie met betrekking tot de natuur en de wijze waarop verstoringsrisico’s kunnen worden voorkomen. Onder deze voorwaarde kan professioneel gebruik ten behoeve van noodzakelijk toezicht, monitoring, beheer, inrichting en onderzoek van het gebied van overheidswege, in opdracht van de overheid of van terreineigenaren, beheerders en toezichthouders vergunningvrij plaatsvinden (categorie 4b). Hieronder valt ook het gebruik van onbemande HEMS (Helicopter Emergency Medical Service)-, SAR (Search And Rescue) door politie en brandweer of kustwachtvluchten die daarom op eenzelfde manier vrijgesteld worden van de vergunningplicht. In algemene zin geldt in daadwerkelijke calamiteitssituaties het adagium ‘nood breekt wet’. Toegang beperkende besluiten geldend voor het gebied kunnen nadere beperkingen opleggen aan drone-gebruik. Voor ander (onder andere recreatief) drone gebruik is altijd toestemming nodig van het bevoegd gezag in de vorm van een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. Categorie 3.
Kleinschalig onderhoud aan kabels en leidingen en beheer en onderhoud van nutsvoorzieningen
Kleinschalig onderhoud vindt lokaal en incidenteel plaats. Dit omvat lokale ingrepen en inspecties ten behoeve van het bepalen van de onderhoudsopgave. Deze kabels, leidingen en nutsvoorzieningen bevinden zich niet op locaties met kwalificerend habitat, maar het betreft wel leefgebied van Vogelrichtlijnsoorten. Omdat onderhoud hiervan slechts incidenteel plaats vindt, is er in dit kader geen sprake van ecologisch relevante effecten van het huidige gebruik. Afstemming met of betrokkenheid van de natuurbeheerder is hierbij wel een voorwaarde. Categorie 4b.
Groot onderhoud van kabels en leidingen
Groot onderhoud kan significante effecten tot gevolg hebben. Er is hier bijvoorbeeld sprake van bij het uitvoeren van niet reguliere (terugkerende) werkzaamheden of het aanpassen van kabels en leidingen (tracé en/of zwaarte). Omdat er geen sprake is van regulier gebruik valt dit niet onder de definitie van huidig gebruik. Groot onderhoud wordt dan ook als een project beschouwd en dient de vergunningprocedure te doorlopen. Categorie 3.
Bijlage 4 Condities uitvoering ganzenbeheer
Condities waaronder ganzenbeheer wordt uitgevoerd door Natuurmonumenten:
Algemeen
-
De activiteit vindt plaats vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang met een piek in de ochtend en avond.
Afschot
-
Het Natura 2000-gebied is opgedeeld in twee compartimenten, waarbij de spoorlijn de grens is. Op een dag wordt slechts in een van de twee deelgebieden uitvoering gegeven aan het gecoördineerd beheer:
-
In het Naardermeer wordt per deelgebied maximaal twee keer per week uitvoering gegeven aan het afschot, gemaximaliseerd tot twee opeenvolgende dagen, met minimaal twee dagen rust tussen een opvolgende week;
-
Per deelgebied worden maximaal 60 schoten per dag gelost door maximaal 2 faunabeheerders;
-
Bij gebruik van gemotoriseerde boten is de snelheid maximaal 5 km/uur.
-
Er wordt een geluidsdemper toegepast.
-
Koppelafschot vindt plaats in de periode 1 februari tot en met 31 maart, voorjaarsafschot vindt plaats in de periode 1 maart tot en met 30 april
-
-
Tijdens uitvoer van koppel- en voorjaarsafschot dienen de kerngebieden, dan wel bekende broed(kolonie) locaties, inclusief een buffer van verstoringsvrije percelen van minimaal 300 meter van de kerngebieden van aalscholver te worden aangehouden.
-
Een verstoringsvrije zone van 300 meter rondom vastgestelde broedlocaties en/of (zicht- en geluid)waarnemingen (niet overvliegend) van aalscholver, zwarte stern, purperreiger en grote karekiet tijdens uitvoering van het faunabeheer
-
Betreding van rietkragen dient vermeden te worden, specifiek rietkragen met overjarig riet, breder dan 3 meter.
-
Nazomerafschot vindt plaats in de periode 1 augustus tot en met 30 september
-
Tijdens uitvoer van nazomerafschot dienen de kerngebieden, dan wel bekende broed(kolonie) locaties, inclusief een buffer van verstoringsvrije percelen van minimaal 300 meter van de kerngebieden van aalscholver te worden aangehouden.
Ruivangst
-
Ruivangst vindt plaats in de periode 1 mei tot en met 31 juli
-
Tijdens de uitvoer van ruivangsten dient betreding van rietkragen vermeden te worden (in het bijzonder rietkragen met overjarig riet, breder dan 3 meter)
-
Er dient een bufferzone van minimaal 250 meter aangehouden te worden tot kerngebieden, dan wel bekende broedkolonies, van aalscholver
-
Wanneer broedgevallen aanwezig zijn van zwarte stern en/of nestvlotjes zijn geplaatst dient geen ruivangsten plaats te vinden binnen een verstoringsafstand van 250 meter vanaf deze locaties
-
Bij broedgevallen of nestindicerend gedrag van grote karekiet of purperreiger dienen geen ruivangsten plaats te vinden binnen een verstoringsafstand van 250 meter vanaf deze locaties
-
Een verstoringsvrije zone aanhouden rondom vastgestelde broedlocaties en/of (zicht- en geluid)waarnemingen (niet overvliegend) van:
-
Aalscholver: 300 meter tijdens afschot en 250 meter tijdensnestbehandeling en ruivangsten;
-
Zwarte stern: 300 meter tijdens afschot in april rondom broedlocaties, nestvlotjes en broedgevallen. Verstoringsafstand van 250 meter tijdens nestbehandeling en ruivangsten rondom broedlocaties, nestvlotjes en broedgevallen;
-
Purperreiger: 300 meter rondom de vastgestelde broedlocaties en bij zicht- of geluidswaarnemingen (niet-overvliegend) bij afschot in april. Verstoringsafstand van 250 meter bij nestbehandeling en ruivangsten rondom de vastgestelde broedlocaties en bij zicht- of geluidswaarnemingen (niet-overvliegend);
-
Grote karekiet: verstoringsafstand van 300 meter tijdens afschot in april bij zicht- en geluidswaarnemingen van baltsgedrag of nest-indicerend gedrag. Een verstoringsafstand van 100 meter bij nestbehandeling en ruivangsten bij zicht- en geluidswaarnemingen van baltsgedrag of net-indicerend gedrag.
-
-
Daarbij dient de vangkraal te allen tijde buiten potentieel broedgebied van de aangewezen broedvogels te worden geplaatst.
Nestbehandeling
-
Nestbehandeling vindt plaats in de periode 1 maart tot en met 31 september
-
Er dient een bufferzone van minimaal 250 meter aangehouden te worden tot kerngebieden, dan wel bekende broedkolonies, van aalscholverWanneer broedgevallen aanwezig zijn van zwarte stern en/of nestvlotjes zijn geplaatst dient geen ruivangsten plaats te vinden binnen een verstoringsafstand van 250 meter vanaf deze locaties
-
Wanneer broedgevallen van grote karekiet aanwezig zijn of de soort nestindicerend gedrag vertoont dient geen nestbehandeling plaats te vinden binnen een verstoringsafstand van 250 meter vanaf deze locaties.
-
Een verstoringsvrije zone van 250 meter aanhouden rondom vastgestelde broedlocaties en/of (zicht- en geluid)waarnemingen (niet overvliegend) van aalscholver, zwarte stern, purperreiger en grote karekiet tijdens de uitvoering van het faunabeheer
-
Maximaal één hond, en enkel gebruikt bij afschot
-
Een maximaal kaliber van 22-250/.223 voor een kogelgeweer en kaliber 12-32 gram voor een hagelgeweer
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl

