Beleidsregels Borgstellingen en geldleningen gemeente Velsen 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 12-09-2026

Intitulé

Beleidsregels Borgstellingen en geldleningen gemeente Velsen 2026

1. Inleiding 2

Aanleiding 2

Begrippenlijst 2

Doelstelling toetsingskader 2

2. Uitgangspunten 3

2.1. Algemene uitgangspunten 3

2.2 Specifieke uitgangspunten 3

3. Werkwijze 5

Specifieke werkwijze per aanvraag 5

4. Slotbepalingen 7

1. Inleiding

Aanleiding

Het huidige Toetsingskader van de gemeente Velsen is vastgesteld in 2019. In de financiële verordening is aangegeven dat iedere 5 jaar het toetsingskader wordt geactualiseerd.

Het toetsingskader bestaat uit een set van beleidsregels voor het behandelen van aanvragen voor borgstellingen en geldleningen.

Begrippenlijst

Borgstelling

Het zich voor de schuld van een ander verplichten tot betaling, indien deze zijn

betalingsverplichtingen niet nakomt.

Exploitatiebegroting

Een begroting van de aanvrager van de kosten en opbrengsten van een bedrijfsactiviteit.

Liquiditeit

De mate waarop aan lopende betalingsverplichtingen kan worden voldaan.

Liquiditeitsbegroting

Berekening van verwachte ontvangsten en uitgaven die aangeeft of er iedere maand

voldoende geld op de bank staat.

Solvabiliteit

Geeft aan in hoeverre een rechtspersoon in staat is om de financiële verplichtingen

(betalingen) aan verschaffers van vreemd vermogen (leningen) na te komen, met behulp van alle activa.

Waarborgfonds

Fonds dat is bestemd voor het toekennen van een bijkomende waarborg voor kredieten

waarvan de borg onvoldoende wordt geacht, door de instelling die de lening verstrekt.

Doelstelling toetsingskader

Het college hanteert het verlenen van borgstellingen en geldleningen als instrument om rechtspersonen in de gemeente te ondersteunen hun doelstellingen te verwezenlijken. Het doel waarvoor deze instrumenten worden gebruikt moet passen binnen het gemeentelijke beleid uit hoofde van de publieke taak van de gemeente.

Met dit kader wordt beoogd:

• transparantie en eenduidigheid van het beleid inzake borgstellingen en verstrekken van leningen;

• rechtszekerheid voor instellingen die een gemeentelijk, publiek belang dienen;

• het borgen van verstrekking van borgstellingen en leningen.

2. Uitgangspunten

2.1. Algemene uitgangspunten

Bij verstrekking van borgstellingen en leningen moet gehandeld worden uit de volgende overwegingen:

• het betrachten van terughoudendheid. Rechtspersonen en private marktpartijen (zoals kredietverstrekkers) behoren hun zaken te regelen vanuit eigen verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van de (lokale) overheden;

• de aanvraag voor een borgstelling of geldlening moet worden getoetst aan de bepalingen van de financiële verordening;

• het financiële risico is draagbaar voor de gemeente;

• de verstrekking is niet in strijd met de nationale of Europese regelgeving waaronder staatssteun regels;

• de verstrekking leidt niet tot een overschrijding van het kasgeldlimiet of renterisiconorm als bedoeld in Wet financiering decentrale overheden;

• de verstrekking is verenigbaar met het gemeentelijk treasurybeleid;

• de verstrekking betreft geen structurele financieringsfunctie;

• de aanvraag heeft betrekking op het vervullen van een publieke taak;

• de aanvrager kan aantonen dat er zekerheid is dat aan rente- en aflossing kan worden voldaan;

Een borgstelling of lening is een vorm van subsidie. Op de aanvraag zijn titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, de geldende Algemene Subsidieverordening en beleidsregels subsidieverstrekking sturing en toezicht van toepassing.

Bij de verlening van subsidie in de vorm van een geldlening of borgstelling aan een onderneming kan sprake zijn van staatssteun.

Bij iedere aanvraag voor borgstelling of geldlening wordt voorafgaand aan de besluitvorming een staatssteuntoets uitgevoerd. Het college beoordeelt of sprake is van (ongeoorloofde) staatssteun als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU.

Bij het verstrekken van geldleningen gaat de gemeente ‘bankieren’. Dit behoort niet tot de gemeentelijke kerntaken. Aanvragende partijen kunnen hiervoor in principe bij reguliere geldinstellingen terecht. Elke aanvraag wordt getoetst aan de wet Financiering decentrale overheden (Fido).

2.2 Specifieke uitgangspunten

1. Rechtspersonen kunnen een aanvraag doen voor een geldlening of borgstelling voor het verrichten van activiteiten in het kader van de gemeentelijke publieke taak.

2. Wanneer de keuze voorligt tussen het verstrekken van een geldlening of een borgstelling, dan heeft een borgstelling de voorkeur.

3. Door de aanvrager wordt eerst getracht een lening op de markt te verkrijgen. Pas nadat de aanvrager heeft aangetoond dat dit onmogelijk is zonder borgstelling van de gemeente, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende volgorde :

a. een borgstelling bij een van de waarborgfondsen;

b. een borgstelling bij een waarborgfonds aangevuld met een borgstelling van de

gemeente;

c. een borgstelling van de gemeente;

d. in laatste instantie een geldlening.

4. Indien een geldlening of borgstelling een bedrag van € 500.000 of meer betreft, of indien anderszins sprake is van ingrijpende financiële of beleidsmatige gevolgen voor de gemeente, wordt de raad in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Onder ingrijpende gevolgen wordt in ieder geval verstaan:

a. een verhoogd risicoprofiel voor de gemeentelijke begroting;

b. precedentwerking;

c. langdurige financiële verplichtingen;

d. afwijken van bestaand beleid.

In afwijking van het hierboven gestelde, wordt voor borgstellingen in het kader van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw geen zienswijze gevraagd.

5. Het college gaat voor de borgstellingen aan het waarborgfonds voor de Woningbouw een overeenkomst aan met het waarborgfonds waarin onder meer vastligt dat corporaties rechtstreeks een borgstelling bij dit fonds kunnen aanvragen tot een limiet per jaar.

6. Het college stelt jaarlijks de in het eerste lid genoemde limiet per corporatie vast.

7. De activiteit die de aanvraag met zich meebrengt, vindt zoveel mogelijk plaats zonder tussenkomst van de gemeente.

8. Het college kan voorwaarden stellen om het financiële risico voor de gemeente zo veel mogelijk te beperken.

9. Het college kan zekerheden vragen, waaronder het recht van hypotheek op een onroerend goed;

10. Intrekken, wijzigen en terugvordering

Het college kan een beschikking tot borgstelling of geldlening geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien:

a. Niet wordt voldaan aan de aan de beschikking verbonden verplichtingen

b. De borgstelling of lening niet wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend;

c. De aanvrager onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt;

d. Dit noodzakelijk is ter naleving van de nationale of Europese wetgeving.

Reeds betaalde bedragen of door gemeente geleden schadde kunnen worden teruggevorderd overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht.

11. Het totaal van borgstellingen en leningen, wordt in de jaarrekening (en begroting) gerapporteerd aan de raad. Hierbij wordt de stand van zaken in beeld gebracht. In het jaarverslag en begroting wordt inzicht gegeven in het risicoprofiel per borgstelling en lening; de mate waarin zekerheden zijn gesteld en eventuele aanspraken of verhoogd risico’s per verslagjaar.

3. Werkwijze

Specifieke werkwijze per aanvraag

Het verzoek om een borgstelling of geldlening wordt alleen in behandeling genomen na het indienen van een schriftelijke aanvraag met de daarbij behorende documenten. Aanbevolen wordt om, voordat een definitieve aanvraag wordt ingediend, een voorlopige aanvraag te doen met als bijlage relevante financiële informatie.

Artikel 1. Aanvraagvereisten

Bij het aanvraagformulier bij de definitieve aanvraag worden de volgende stukken

overlegd:

a. Een afwijzing van een waarborgfonds of bank waaruit blijkt dat een borgstelling of

geldlening niet bij deze organisaties te verkrijgen zijn;

b. Een document waaruit het doel, de hoogte en de looptijd van de lening of borgstelling blijkt;

c. Een kopie uittreksel van de Kamer van Koophandel;

d. De jaarrekeningen van de laatste twee boekjaren van de aanvrager (inclusief

eventuele accountantsverklaring);

e. Een exploitatiebegroting en liquiditeitsbegroting in meerjarig perspectief waarin rente en aflossing zijn verwerkt;

f. Kopie van het verslag van een bestuursvergadering waarin wordt ingestemd met de investering en de daarbij horende financiering;

g. Risico’s die worden verwacht;

h. Niet uit de balans blijkende verplichtingen.

Artikel 2. Beoordelingscriteria

De aanvraag wordt beoordeeld op twee typen criteria: inhoudelijke en financiële criteria:

1. Inhoudelijke criteria:

a. wordt het publiek belang gediend?

b. wat is het advies geweest van een eerder bij een derde gevraagde borg?

c. past de investering waarvoor de lening wordt aangegaan binnen het bestaande beleid van de gemeente?

d. is de urgentie voldoende aangetoond?

e. zijn er wettelijk gezien belemmeringen?

f. wordt met het verlenen van de borg of lening (ongeoorloofde) staatssteun verstrekt?

2. Financiële criteria:

a. is er al een borgverstrekker op het gebied waarvoor de lening wordt aangevraagd?

b. liquiditeit; kan de instelling op korte termijn voldoen aan de aflossingsverplichting van de lening?

c. solvabiliteit; kan de instelling op langere termijn voldoen aan de aflossingsverplichting van de lening?

d. meerjarenramingen; leiden de meerjarenramingen tot een risico voor de aflossingsverplichting bij de instelling?

e. organisatorische aspecten; zijn er ontwikkelingen op organisatorisch vlak die kunnen leiden tot het niet kunnen voldoen aan de verplichtingen?

f. is er voor het komende tijdvak een sluitende begroting?

g. voldoet de overeenkomst van geldlening aan de bepalingen van de wet FIDO?

Artikel 3. Verplichtingen

Het college legt de ontvanger van een subsidie in de vorm van een borgstelling of geldlening de volgende verplichtingen op:

a. jaarlijks, binnen drie maanden na het eind van ieder boekjaar, wordt een jaarverslag ingediend;

b. jaarlijks wordt een begroting ingediend, voor 1 juli in het voorafgaand jaar;

c. het college is bevoegd gedurende de gehele looptijd van de borgstelling of lening, informatie op te vragen bij de ontvanger;

d. bij financiële tegenvallers (> 10% van het balanstotaal) worden het college onverwijld

e. geïnformeerd door de ontvanger ;

f. het college is bevoegd de ontvanger aanwijzingen te geven omtrent inhoudelijke en financiële zaken; de ontvanger verbindt zich daartoe passende maatregelen te treffen;

g. de opbrengsten van de lening mogen slechts gebruikt worden voor het doel waarvoor deze is verstrekt ;

h. wanneer de gemeente wordt aangesproken als borg voor de betaling van rente en aflossing van een geldlening, blijft deze betaling als schuld op de ontvanger rusten, vermeerderd met de op het moment van aanspraak geldende rente.

Artikel 4 Overeenkomst borgstelling

De ontvanger van subsidie in de vorm van een borgstelling is verplicht mee te werken aan het aangaan van een overeenkomst met de gemeente. In de overeenkomst

wordt vastgelegd:

a. Dat er sprake is van een zelfstandige borgtocht;

b. Dat de gemeente gerechtigd is tot regres op de hoofdschuldenaar;

c. Welke zekerheden worden verlangd;

d. Onder welke voorwaarden de borgstelling kan worden aangesproken;

e. Dat de gemeente afstand doet noch wordt geacht afstand te doen van haar wettelijke rechten en verweren, voor zover rechtens toegestaan.

4. Slotbepalingen

Artikel 5 Inwerkingtreding en intrekking

Deze regel treedt in werking op de dag volgend op de dag van publicatie onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels behorend bij de nota borgstellingen en geldleningen Gemeente Velsen van 31 januari 2019.

Artikel 6 Overgangsrecht

Op subsidie verleent in de vorm van een borgstelling of garantie voor de inwerkingtreding van deze regeling blijft de regeling van 2019 van toepassing.

Artikel 7 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels borgstellingen en geldleningen gemeente Velsen 2026.

Ondertekening