Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766270
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766270/1
Beleidsregels verantwoorde recreatievaart op vaarwegen Aa en Maas
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 09-09-2026
Intitulé
Beleidsregels verantwoorde recreatievaart op vaarwegen Aa en MaasHorende bij: Verkeersbesluit vaarwegen Aa en Maas 2026, vastgesteld op 25 augustus 2026
Aanleiding en doel
Deze beleidsregels verduidelijken het kader voor varen met kano’s, kajaks, SUP’s en andere lichte vaartuigen binnen het beheergebied van Aa en Maas. Aanleiding is de groeiende recreatieve druk op wateren en de behoefte aan bestuurlijke duidelijkheid over wat onder ‘verantwoorde recreatie’ wordt verstaan.
Reikwijdte en definities
Deze beleidsregels gelden voor recreatief varen op wateren onder beheer van het waterschap, met lichte vaartuigen zonder motor of met een elektromotor.
Belangrijke begrippen:
- •
Verantwoorde recreatie: recreatie die veilig is voor de recreant, geen afbreuk doet aan de kerntaken van het waterschap en past binnen de draagkracht van het watersysteem.
- •
Traject: een samenhangend deel van een waterloop dat voor recreatief gebruik kan worden beoordeeld.
- •
Ecologische Verbindingszone (EVZ) en Kaderrichtlijn Water (KRW): toetsingskaders voor ecologische kwaliteit en continuïteit.
- •
Varen: elke activiteit waarbij één of meerdere personen zich met een drijvend voorwerp op het wateroppervlak begeven.
Juridisch en beleidsmatig kader
Deze beleidsregels leggen vast hoe het dagelijks bestuur de beoordelingsruimte invult bij de uitoefening van zijn bevoegdheden voor het beheer van vaarwegen. Het gaat daarbij onder meer om besluiten over het verlenen van ontheffingen en de toelating, beperking en sluiting van vaartrajecten.
Het verkeersbesluit vaarwegen Aa en Maas 2026 bevat een verbod en ontheffingsmogelijkheden voor het varen alsmede een grondslag voor de (tijdelijke) afsluiting van trajecten of beperking van de vaaractiviteiten. Deze beleidsregels specificeren de toetsingscriteria die het waterschap daarbij hanteert.
Kernprincipes
De volgende kernprincipes zijn richtinggevend:
- •
Ja-mits-benadering: varen is toegestaan binnen waterstaatkundige, ecologische en veiligheidskaders.
- •
Eigen verantwoordelijkheid: recreanten handelen zorgvuldig en beperken schade of hinder.
- •
Ecologische draagkracht: activiteiten worden afgestemd op seizoensgevoelige perioden en kwetsbare habitats (EVZ/KRW).
- •
Waterstaat en ecologie: natuurlijke processen worden zo veel mogelijk gevolgd; structureel vrijzagen van door omgevallen bomen geblokkeerde waterlopen is geen standaardmaatregel.
- •
Kostenverhaal: de veroorzaker betaalt; beheerlasten worden niet afgewenteld op de algemene middelen.
- •
Transparantie en gelijkheid: vergelijkbare situaties worden gelijk behandeld en besluiten worden deugdelijk gemotiveerd.
Toets ‘verantwoorde recreatie’ bij varen
Of recreatief varen verantwoord is, wordt beoordeeld aan de hand van vijf criteria: veiligheid, ecologische draagkracht, waterstaatkundige continuïteit, omgeving en privacy, en uitvoerbaarheid en kosten.
- 1.
Veiligheid
Het waterschap waarborgt de basisveiligheid op zijn eigendommen, maar de recreant blijft primair zelf verantwoordelijk voor veilig gedrag.
Bij de beoordeling van veiligheidsrisico’s hanteert het dagelijks bestuur een afwegingskader dat is ontleend aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria voor gevaarzetting (de zogeheten Kelderluik-criteria). Deze criteria zijn ontwikkeld in het civielrecht, maar bieden ook in bestuursrechtelijke context een bruikbaar inhoudelijk kompas voor de vraag wanneer ingrijpen gerechtvaardigd is.
Het gaat daarbij om de volgende factoren, die in onderlinge samenhang worden gewogen:
- -
de voorzienbaarheid van het gevaar voor de gemiddelde recreant;
- -
de kans dat het gevaar zich verwezenlijkt;
- -
de ernst van de mogelijke gevolgen;
- -
de bezwaarlijkheid van de te nemen maatregelen afgezet tegen het te verwachten veiligheidseffect.
Dit afwegingskader geeft invulling aan het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb): een maatregel wordt alleen getroffen als het risico dat rechtvaardigt, en de maatregel moet in verhouding staan tot de ernst van dat risico. De uiteindelijke beslissing betreft de uitoefening van een bestuursrechtelijke bevoegdheid, en is niet gebaseerd op civielrechtelijke aansprakelijkheidsnormen.
Het dagelijks bestuur streeft naar een proportionele balans. Waar risico’s met eenvoudige middelen kunnen worden beperkt (bijvoorbeeld met een waarschuwing, routebord of obstakelmarkering), heeft dat de voorkeur.
Bij tijdelijk onveilige situaties (bijvoorbeeld door werkzaamheden, hoogwater of laagwater) kan het waterschap het varen tijdelijk beperken of verbieden.
- 2.
Ecologische draagkracht
Recreatief gebruik mag de ecologische functie van watergangen niet onevenredig belasten.
In EVZ’s en KRW-waterlichamen zijn natuurlijke processen (zoals de groei van oever- en waterplanten en de voortplanting van fauna) leidend bij de beoordeling.
Seizoenssluitingen of capaciteitsbeperkingen kunnen worden ingesteld als sprake is van herhaaldelijke verstoring (bijvoorbeeld van broedvogels) of aantoonbare schade aan vegetatie.
Op kwetsbare trajecten kan daarnaast een maximum gebruiksintensiteit worden gehanteerd, bijvoorbeeld door het beperken van georganiseerde tochten.
- 3.
Waterstaatkundige continuïteit
Vaarrecreatie mag de waterafvoer en natuurlijke morfologische processen niet hinderen.
De voorkeursvolgorde bij belemmeringen is:
- 1.
Waarschuwen – recreant informeren over obstakels of kwetsbaarheid;
- 2.
Omleiding of portage – alternatieve route of overstapmogelijkheid bieden;
- 3.
Gericht ingrijpen – fysieke ingreep (bijv. snoeien of verwijderen) enkel als laatste redmiddel.
Dit voorkomt onnodige aantasting van de hydrologische en ecologische structuur.
- 4.
Omgeving en privacy
Routes worden zo gesitueerd dat hinder voor aanwonenden en verstoring van rustgebieden wordt beperkt.
Afweging vindt plaats op basis van landschappelijke inpassing, zichtlijnen, afstand tot erven en cumulatieve belasting van de omgeving.
Inspanningen van het waterschap richten zich op samenwerking met terreinbeheerders en gemeenten bij het afstemmen van vaartrajecten.
- 5.
Uitvoerbaarheid en kosten
Vaaractiviteiten moeten uitvoerbaar en handhaafbaar zijn binnen bestaande middelen.
Als recreatief gebruik structureel leidt tot extra toezicht- of onderhoudsbehoefte, kan het waterschap de daarmee samenhangende kosten verhalen op de initiatiefnemer of organisator.
De extra beheerlast wordt onderbouwd met objectiveerbare gegevens. Bij georganiseerde activiteiten kan kostenverhaal vooraf als voorwaarde worden gesteld. Een besluit tot kostenverhaal bevat een gespecificeerde motivering en staat open voor bezwaar en beroep.
Zonering en capaciteitsbeheer
Als vertrekpunt geldt een indeling van onze waterlopen in groene, oranje en rode trajecten, op basis van geschiktheid en kwetsbaarheid (beoordeeld langs de vijf beoordelingslijnen).
Op oranje en rode trajecten kan het dagelijks bestuur, afhankelijk van de omstandigheden, kiezen voor:
- •
een capaciteitsbeperking (bijvoorbeeld een beperking van georganiseerde tochten);
- •
een seizoenssluiting.
Als een capaciteitsbeperking of seizoenssluiting wordt ingesteld, maakt het waterschap dit tijdig en passend bekend via de meest geschikte communicatiekanalen op dat moment (bijvoorbeeld de website, routeinformatie ter plaatse en/of afstemming met organisatoren en terreinbeheerders).
Tijdelijke beperkingen en sluitingen
Het dagelijks bestuur is bevoegd om tijdelijke beperkingen of sluitingen vast te stellen.
Het dagelijks bestuur onderscheidt drie niveaus van maatregelen:
- •
waarschuwing;
- •
beperking;
- •
sluiting.
Aanleiding voor het inzetten van deze niveaus kan onder meer zijn:
- •
(dreigend) laagwater of juist hoog debiet;
- •
ecologische noodsignalen die wijzen op risico’s voor beschermde soorten, dierenwelzijn en/of biodiversiteit;
- •
werkzaamheden of andere omstandigheden waardoor de veiligheid van recreanten in het geding kan komen.
Rollen en bevoegdheden
Het algemeen bestuur stelt de Gezamenlijke Visie op Recreatie vast.
Het dagelijks bestuur stelt beleidsregels vast binnen de kaders van deze visie.
Het dagelijks bestuur is door de provincie Noord-Brabant aangewezen als bevoegd gezag in de zin van artikel 2, lid 3, van de Scheepvaartverkeerswet (het zogeheten ‘nautisch beheer’) en stelt vanuit dat mandaat het verkeersbesluit vaarwegen Aa en Maas 2026 vast.
De afdelingen VTH, Onderzoek & Advies Watersysteem en Beheer & Onderhoud (districten) zijn verantwoordelijk voor respectievelijk toetsing, advisering en uitvoering.
Monitoring en PDCA
Monitoring richt zich op indicatoren als incidenten, naleving, ecologische signalen en gebruiksintensiteit. De bevindingen worden betrokken bij de PDCA-cyclus en benut voor actualisatie van het beleid voor recreatief medegebruik en het verkeersbesluit vaarwegen.
Ondertekening
Waterschap Aa en Maas, aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 25 augustus 2026,
de secretaris,
Peter Verlaan
de dijkgraaf,
Mario Jacobs
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl