Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766196
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766196/1
Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning Het Hogeland 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 05-09-2026
Intitulé
Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning Het Hogeland 2026Burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland;
Gelet op het bepaalde in artikel 1:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), artikel 4:81 tot en met 4:84 Awb, artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet (hierna: Ow);
Overwegende dat het gewenst is beleidsregel vast te stellen met betrekking tot de wijze waarop en wanneer een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken onder de Ow;
Besluit de beleidsregel intrekken omgevingsvergunning Het Hogeland 2026 vast te stellen
Artikel 1 Begripsbepaling
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
Aanvang: het moment waarop wordt gestart met het uitvoeren van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend;
- b.
Activiteit: een activiteit als bedoeld in artikel 5.1 van de Ow;
- c.
Belanghebbenden: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid van de Awb;
- d.
Bouwen: het plaatsen, het geheel of geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk, zoals bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow;
- e.
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente het Hogeland;
- f.
Intrekken: het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning;
- g.
Leegstaande vergunning: Een omgevingsvergunning waarvan de activiteit in het verleden wel gerealiseerd is, maar waarvan nu geen beroeps- of bedrijfsmatig gebruik meer wordt gemaakt;
- h.
Mba: Milieubelastende activiteit. Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken;
- i.
Omgevingsvergunning: een vergunning zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste tweede lid van de Ow, alsmede een omgevingsvergunning die op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Ow als omgevingsvergunning geldt voor een van de activiteiten genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid van de Ow;
- j.
Rechthebbende: eigenaar van het betreffende perceel waar een omgevingsvergunning voor is verleend. Dit kan een ander zijn dan de vergunninghouder doordat er bijvoorbeeld een eigendomsoverdracht van het perceel heeft plaatsgevonden;
- k.
Slapende vergunning: een omgevingsvergunning waarvan de activiteit (nog) niet gerealiseerd is, dan wel nooit is gestart;
- l.
Stilligging werkzaamheden: het niet wezenlijk voortgang maken in de bouwwerkzaamheden zoals de fundatie en/of begane grondvloer slechts deels aanbrengen, het lijmen van één of enkele gipsblokken of het metselen van één of enkele stenen of daarmee gelijk te stellen handelingen;
- m.
Vergunninghouder: de natuurlijke- of rechtspersoon aan wie de omgevingsvergunning is verleend, dan wel degene voor wie de omgevingsvergunning is gaan gelden na het doen van een melding zoals bedoeld in artikel 5.37, tweede lid van de Ow.
Artikel 2 Intrekking bij uitblijven aanvang van de (bouw)activiteiten c.q. staken van de (bouw)werkzaamheden na aanvang daarvan
- 1.
Op grond van artikel 5:40, tweede lid van de Ow is het college bevoegd een omgevingsvergunning voor een activiteit in te trekken, indien gedurende één jaar of gedurende de in de omgevingsvergunning bepaalde langere termijn, na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning.
- 2.
Indien zich relevante wijzigingen in wet- en regelgeving of beleid voordoen, wordt na het verstrijken van een periode van één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, van de bevoegdheid tot intrekking van de omgevingsvergunning gebruik gemaakt, tenzij in de omgevingsvergunning een langere termijn is gegund.
- 3.
Indien zich geen relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving of beleid voordoen, wordt na het verstrijken van een periode van twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, van de bevoegdheid tot intrekking van de omgevingsvergunning gebruik gemaakt, indien er geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, tenzij in de omgevingsvergunning een langere termijn is gegund.
- 4.
Bij het stilliggen van de bouwwerkzaamheden gedurende een periode van minstens één jaar, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van de omgevingsvergunning, tenzij in de omgevingsvergunning een langere termijn is gegund.
- 5.
Wanneer sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning met naast de activiteit bouwen nog andere activiteiten, kan dit resulteren in gehele of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning.
- 6.
Bij de voorbereiding van een besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning is het bepaalde in artikelen 3 en 6 van toepassing.
Artikel 3: Gunnen ruimere termijn voor de aanvang van de (bouw)activiteiten c.q. de herstart daarvan
- 1.
Als er een zienswijze is ingediend op het voornemen de omgevingsvergunning in te trekken wordt beoordeeld of deze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen gestart moet worden met de activiteit dan wel waarbinnen weer gestart moet worden met de activiteit. Indien zich geen relevante wijzigingen in wet- en regelgeving of beleid voordoen kan in de volgende gevallen een ruimere termijn gegeven worden:
- a.
De vergunninghouder of rechthebbende kan met een geaccepteerde offerte van een bedrijf dat de activiteiten gaat uitvoeren, facturen van bestelde (bouw)materialen, een planning en/of hiermee gelijk te stellen concrete documenten zijn/haar intentie tot het starten of herstarten van de activiteiten aantonen.
- b.
De vergunninghouder of rechthebbende kan persoonlijke omstandigheden, zoals een sterfgeval, ziekte in de familie of langdurige werkeloosheid, opvoeren welke aantoonbaar tot uitstel van het uitvoeren van de activiteit hebben geleid, waarbij de persoonlijke omstandigheden zich niet meer dan 26 weken voor de start van de procedure als bedoeld in artikel 6 heeft voorgedaan of deze op dat moment nog voortduurt.
- c.
Economische omstandigheden bij het realiseren van grotere projecten waardoor de activiteit niet gestart of niet herstart is.
- 2.
De ruimere termijn bedoeld onder het eerste lid wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 104 weken.
Artikel 4: Intrekking van de omgevingsvergunning bij milieubelastende activiteiten
- 1.
Op grond van artikel 5:40, tweede lid van de Ow is het college bevoegd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit in te trekken, indien gedurende één jaar of gedurende de in de omgevingsvergunning bepaalde langere termijn na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geen milieubelastende activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning.
- 2.
Van de bevoegdheid zoals genoemd in het eerste lid wordt, na het verstrijken van een periode van twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, gebruik gemaakt indien sprake is van een slapende- of leegstaande vergunning.
- 3.
Wanneer sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning met naast de milieubelastende activiteit nog andere activiteiten, kan dit resulteren in gehele of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning.
- 4.
Bij de voorbereiding van een besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning is het bepaalde in artikelen 5 en 6 van toepassing.
Artikel 5: Gunnen ruimere termijn voor het uitvoeren van milieubelastende activiteiten
- 1.
Als er een zienswijze is ingediend op het voornemen de omgevingsvergunning in te trekken wordt beoordeeld of deze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn. In de volgende gevallen kan een ruimere termijn gegeven worden:
- a.
De vergunninghouder kan persoonlijke omstandigheden, zoals een sterfgeval, ziekte in de familie of langdurige werkeloosheid, opvoeren welke aantoonbaar tot uitstel van het uitvoeren van de milieubelastende activiteit hebben geleid, waarbij de persoonlijke omstandigheden zich niet meer dan 26 weken voor de start van de procedure als bedoeld in artikel 6 heeft voorgedaan of deze op dat moment nog voortduurt.
- b.
Overbruggingsperiode voor bedrijfsopvolging, in geval van ziekte of overlijden van vergunninghouder.
- c.
Calamiteiten buiten de schuld van vergunninghouder om.
- d.
Benodigde tijd in verband met omschakeling naar een andere bedrijfsopzet.
- 2.
De ruimere termijn bedoeld onder het eerste lid wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 104 weken.
Artikel 6: Procedure tot intrekking van de omgevingsvergunning
- 1.
Als een omgevingsvergunning tot stand is gekomen met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure, wordt het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voorbereid met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 16.5.2 van de Ow.
- a.
Voordat besloten wordt om de omgevingsvergunning in te trekken, stelt het college de vergunninghouder dan wel de rechthebbende in de gelegenheid om binnen vier weken zijn zienswijze naar voren te brengen (volgens artikel 4:8 van de Awb). De zienswijze kan schriftelijk of mondeling worden ingediend.
- b.
Het college neemt binnen acht weken na de ontvangst van een zienswijze, of nadat de zienswijzetermijn ongebruikt is verstreken, een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning aan de hand van deze beleidsregel.
- c.
Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt aan de vergunninghouder dan wel rechthebbende. Daarnaast wordt het besluit gepubliceerd op de gebruikelijke wijze.
- d.
Tegen een besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning die is voorbereid volgens artikel 16.64 Ow kan een bezwaarschrift worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, daaropvolgend beroep bij de bestuursrechter en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
-
2. Als een omgevingsvergunning tot stand is gekomen met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, wordt het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voorbereid met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 16.5.3 van de Ow.
- e.
Voordat besloten wordt om de omgevingsvergunning in te trekken, wordt het ontwerp van het te nemen besluit gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een kennisgeving van het ontwerpbesluit wordt op gebruikelijke wijze gepubliceerd. Daarnaast ontvangt de vergunninghouder dan wel rechthebbende een afschrift.
- f.
Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na terinzagelegging van het ontwerpbesluit hun zienswijzen naar voren te brengen.
- g.
Als er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, neemt het college het besluit tot intrekking uiterlijk binnen vier weken nadat de termijn voor het indienen van een zienswijze is verstreken. Als er wel zienswijzen naar voren zijn gebracht, neemt het college het besluit tot intrekking uiterlijk binnen twaalf weken na de terinzagelegging (volgens artikel 3:18 Awb).
- h.
Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt aan vergunninghouder dan wel de rechthebbende. Daarnaast wordt het besluit gepubliceerd op gebruikelijke wijze.
- i.
Tegen een besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning die is voorbereid volgens artikel 16:65 Ow, kan direct beroep worden ingediend bij de bestuursrechter.
-
3. Als uit de zienswijze en/of de belangenafweging blijkt dat niet tot intrekking van de omgevingsvergunning over wordt gegaan, dan neemt het college hierover uiterlijk binnen twaalf weken na de terinzagelegging een besluit (volgens artikel 3:18 Awb). In dit besluit wordt een verlengde termijn opgenomen waarbinnen de activiteit alsnog gerealiseerd dient te worden.
-
4. De vergunninghouder dan wel de rechthebbende krijgt niet de gelegenheid zijn/haar zienswijze op het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning in te dienen, als zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb
Artikel 7: Intrekking na verlenging termijn
Als de in artikel 3, tweede lid en artikel 5, tweede lid van deze beleidsregel gestelde ruimere termijn ongebruikt is verstreken, wordt de omgevingsvergunning alsnog zonder vooraankondiging ingetrokken.
Artikel 8: Overige intrekkingsgronden
Deze beleidsregel ziet niet op de overige intrekkingsgronden als bedoeld in artikel 5:39, 5:40, tweede lid en 18:10 van de Ow.
Artikel 9: Hardheidsclausule
Er wordt volgens deze beleidsregel gehandeld, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 10: Teruggaaf leges
Teruggaaf van de leges vindt plaats op basis van de geldende regeling in de legesverordening van de gemeente Het Hogeland.
Artikel 11: Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel intrekking omgevingsvergunning Het Hogeland 2026”.
Artikel 12: Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking in het elektronisch gemeenteblad via www.officielebekendmakingen.nl. Bij invoering van deze beleidsregel wordt de Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’, zoals vastgesteld op 7 oktober 2020, ingetrokken.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland in zijn vergadering van 24 juni 2025
J.C.F. Broekhuizen, burgemeester
P.P.M. van Vilsteren, secretaris
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl