Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766109
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766109/1
NATUURLIJK VERDER ONTWERP-OMGEVINGSVISIE BRUMMEN
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 04-09-2026
Intitulé
NATUURLIJK VERDER ONTWERP-OMGEVINGSVISIE BRUMMENKenmerk Z112990/D489141
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE BRUMMEN,
HEEFT BESLOTEN:
- 1.
De ontwerp-omgevingsvisie Brummen D489143 vrij te geven voor ter inzagelegging voor de duur van 6 weken;
- 2.
Het bijbehorende participatieverslag D489200 gelijktijdig ter inzage te leggen.
Natuurlijk Verder Ontwerp-omgevingsvisie Brummen
In opdracht van de gemeente Brummen
1 september 2026
Gemeente Brummen
Engelenburgerlaan 31
6971 BV Brummen
Tel: 0575-568233
www.brummen.nl
LOS - ruimte maak je samen
Nieuwe Linie 1-3
5264 PJ Vught
Tel: 073-7113770
infor@losruimte.nl
www.losruimte.nl
Inhoudsopgave
- 1.
Inleiding
- 1.
Waarom een omgevingsvisie?
- 2.
Totstandkoming van deze omgevingsvisie
- 3.
Participatie
- 1.
- 2.
Dit is Brummen
2.1 Ons DNA
-
2.2 Brummen in een breder perspectief
-
2.3 De uitdagingen en opgaven voor de toekomst
- 3.
Onze Koers
-
3.1 Wat we zijn
-
3.2 Werken vanuit brede welvaart
-
3.3 Wat willen we worden
- 4.
Thematische keuzes
-
4.1 Gezonde en verbonden dorpen
-
4.2 Verweven en veelzijdig buitengebied
-
4.3 Duurzame en circulaire economie
- 5.
Gebiedsgerichte keuzes
-
5.1 Veluwe
-
5.2 Veluweflank
-
5.3 Ontginningen
-
5.4 Landgoederenzone
-
5.5 Stroomruggenlandschap
-
5.6 IJssel en uiterwaarden
-
5.7 Eerbeek
-
5.8 Hall
-
5.9 Empe
-
5.10 Oeken
-
5.11 Brummen
-
5.12 Leuvenheim
- 6
Van visie naar uitvoering
-
6.1 Samenhang in instrumenten
-
6.2 Brummense beleidscyclus
-
6.3 Rolverdeling tussen gemeenteraad en college
-
6.4 Doorwerking
-
6.5 Rol omgevingsvisie bij het begeleiden van initiatieven
-
6.6 Kostenverhaal en financiële bijdrage
-
6.7 Voorkeursrecht
Bijlagen:
1. Participatieverslag
1 Inleiding
1.1 Waarom een omgevingsvisie?
De omgevingsvisie beschrijft hoe Brummen zich op de lange termijn wil ontwikkelen en hoe we omgaan met de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving. Het is een strategische visie waarin we onze belangrijkste waarden, doelen en keuzes vastleggen voor de komende jaren. De omgevingsvisie is geen concreet plan, maar een richtinggevend document dat helpt om beleid en ruimtelijke ontwikkelingen samenhangend te maken.
De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet en iedere gemeente is verplicht om er één te hebben. De visie vormt daarmee de basis voor het verdere handelen van de gemeente in de fysieke leefomgeving en geeft richting aan toekomstige beleidskeuzes, programma’s en het omgevingsplan.
De visie komt niet uit het niets. Zij bouwt voort op de identiteit van onze dorpen en het landschap dat Brummen zo kenmerkt. We benoemen wat voor ons waardevol is en wat we willen beschermen. Tegelijk laten we zien waar ruimte is voor vernieuwing en hoe we willen omgaan met de opgaven die op ons afkomen, zoals woningbouw, klimaatverandering, natuurherstel en economische transities. Met deze omgevingsvisie geven we invulling aan landelijke en regionale kaders, maar vooral aan onze eigen kwaliteiten, wensen en doelen.
1.2 Totstandkoming van deze omgevingsvisie
De omgevingsvisie is tot stand gekomen via een zorgvuldig en meerjarig proces, waarin stapsgewijs is gewerkt aan een gedeeld en samenhangend toekomstbeeld voor de fysieke leefomgeving van de gemeente Brummen.
Het proces is gestart in de jaren 2023 en 2024 waarin de kernwaarden, ambities en opgaven zijn geïnventariseerd. Deze analyse van de bestaande situatie vormde het fundament voor de verdere uitwerking. Daarna zijn per beleidsthema de hoofdlijnen en doelen opgesteld. Dit proces is gevoed door een breed participatietraject, met onder meer een inwonersenquête, inloopbijeenkomsten, een burgerklankbordgroep en gerichte activiteiten voor verschillende doelgroepen, waaronder jongeren en kinderen, evenals gesprekken met belangenorganisaties en partners.
In 2025 is het proces opnieuw vormgegeven, waarbij de reeds verzamelde inzichten als waardevolle basis zijn benut. In de eerste stap is een voortgangsnotitie opgesteld waarin alle bestaande informatie is gestructureerd en aangevuld. Hierbij zijn trends, opgaven, ambities en eerdere keuzes samengebracht en zijn ook de nog openstaande vraagstukken, de zogenaamde witte vlekken, in beeld gebracht. Dit bood richting voor het vervolgproces.
Vervolgens is gewerkt aan een koersdocument, waarin de hoofdkoers van de gemeente is vastgelegd. Dit document bevatte leidende principes, ambities en ruimtelijke keuzes. Daarbij is expliciet aandacht besteed aan dilemma’s en keuzes, onder meer door het uitwerken van scenario’s en het voeren van gesprekken met de gemeenteraad, ketenpartners, maatschappelijke organisaties en een klankbordgroep. Het koersdocument is in januari 2026 vastgesteld door de gemeenteraad en vormde daarmee het bestuurlijke fundament onder de omgevingsvisie.
Op basis van dit koersdocument is in 2026 de ontwerp omgevingsvisie opgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen uitgewerkt in een thematische en gebiedsgerichte benadering. In deze fase is aanvullende participatie georganiseerd, zowel digitaal als fysiek. Via een digitale participatietool en gerichte gesprekken met onder meer wijk- en dorpsraden, landschapsorganisaties en agrarische belangenverenigingen is de visie verder verrijkt en aangescherpt.
De laatste stap bestaat uit de formele vaststelling van de omgevingsvisie. Hierbij wordt de ontwerpvisie ter inzage gelegd en wordt het besluitvormingsproces doorlopen, waarna de gemeenteraad de visie definitief vaststelt. Deze afrondende fase vindt eind 2026 plaats.
1.3 Participatie
Bij de voorbereiding van deze omgevingsvisie heeft de gemeente uitgebreide participatie georganiseerd. De Omgevingswet schrijft voor dat bij de vaststelling van een omgevingsvisie wordt gemotiveerd hoe inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Deze motiveringsplicht volgt uit het Omgevingsbesluit en maakt onderdeel uit van het vaststellingsbesluit.
Het participatieproces had als doel om vroegtijdig kennis, ervaringen, belangen en ideeën uit de samenleving op te halen. Daarmee is inzicht verkregen in wat inwoners en andere betrokkenen belangrijk vinden voor de toekomstige ontwikkeling, het beheer, het gebruik, de bescherming en het behoud van de fysieke leefomgeving. De gemeente heeft daarbij gestreefd naar een zorgvuldig, open en toegankelijk proces, met ruimte voor verschillende perspectieven.
De participatie bestond uit verschillende vormen (ook digitaal via een online participatieplatform) van betrokkenheid, zoals informatiebijeenkomsten, gesprekken met maatschappelijke partners, overleg met andere overheden en mogelijkheden voor inwoners en ondernemers om hun aandachtspunten en ideeën in te brengen. Bij de inrichting van het proces is rekening gehouden met de aard en schaal van de omgevingsvisie en met de wens om een brede vertegenwoordiging van de samenleving te bereiken.
De opbrengsten uit de participatie (zie bijlage 1) zijn betrokken bij het formuleren van de opgaven, ambities en beleidskeuzes in deze omgevingsvisie. Waar inbreng niet of niet volledig is overgenomen, is dit afgewogen tegen andere belangen, wettelijke kaders, gemeentelijke beleidsdoelen en uitvoerbaarheid. De resultaten van de participatie zijn daarmee niet afzonderlijk bepalend geweest, maar vormen een belangrijk onderdeel van de integrale belangenafweging.
2 Dit is Brummen
2.1 Ons DNA
Deze paragraaf laat zien wat het DNA van Brummen vormt: hoe ons landschap is ontstaan, hoe dorpen en gemeenschappen zich daarin hebben ontwikkeld en welke kwaliteiten vandaag de dag bepalend zijn voor onze omgeving. Door deze kwaliteiten te kennen en te waarderen, kunnen we richting geven aan toekomstige keuzes die aansluiten bij de eigenheid van Brummen.
2.1.1 Ontstaansgeschiedenis
De gemeente Brummen is gelegen op één van de meest bijzondere overgangszones van Nederland: de plek waar de hoge, droge stuwwallen van de Veluwe overgaan in het lage, natte rivierdal van de IJssel. En dit op een afstand van soms nog geen 10 kilometer! De natuurlijke contrasten van hoog en laag, droog en nat en besloten en open vormen tot vandaag de dag het ruimtelijk DNA van Brummen. Deze reeks is het resultaat van millennia samenspel tussen natuurlijke processen (ijs, wind, water) en menselijk gebruik (ontginnen, bedijken, sprengen graven, markeverdeling en landgoederen).
1. IJstijd: de basis van het landschap (circa 150.000 jaar geleden)
De basis van ons hedendaagse landschap is terug te vinden in de voorlaatste ijstijd (het Saalien). Toen duwde een gletsjertong enorme hoeveelheden zand, grind en leem op tot de stuwwal van de Veluwe. Aan de oostzijde ontstond een uitgesleten dal: het latere IJsseldal. De essentie van de gemeente ontstaat hier: een hoog-landschappelijke rand naast een brede lage kom.
2. Laat‑Pleistoceen: dekzanden, slenken en de eerste nederzettingen (circa 12.000 jaar geleden)
Na het terugtrekken van het ijs blies de wind zand op tot langgerekte dekzandruggen, met daar tussen lage slenken. Deze reliëfverschillen bepaalden waar het later droog genoeg zou zijn om te wonen. Op deze ruggen vestigden zich ruim vóór het begin van de jaartelling de eerste bewoners van wat nu de gemeente Brummen is. Zij kozen de hogere, droge plekken die we nu kennen als Hall en Eerbeek. Deze dorpen vormen de oudste bewoningszone: de Veluweflank.
Figuur 1. Saalien-ijstijd (ca. 150.000 jaar geleden. Gletsjers duwen de stuwwal van de Veluwe omhoog en schuren het IJsseldal uit.
Figuur 2. Laat-Pleistoceen (ca. 12.000 jaar geleden). Wind en smeltwater vormen dekzanden oeverwallen en slenken: de basis voor Hall en Eerbeek.
3. De geboorte van de IJssel (600 - 900 n. Chr.)
In de vroege Middeleeuwen vond één van de belangrijkste gebeurtenissen in de regionale geschiedenis plaats: een spontane aftakking van de Rijn maakte een smalle beek in korte tijd tot een volwaardige rivier. De IJssel vormde brede uiterwaarden, zandige oeverwallen en een nieuwe dynamiek van overstroming en sedimentatie. In deze periode was het riviersysteem nog sterk in ontwikkeling, met wisselende waterafvoer en een minder stabiele loop dan tegenwoordig. Daarmee ontstond een tweede logische plek om te wonen: de oeverwal.
Figuur 3. 600-900 na Chr.: ontstaan van de IJssel. Een spontane aftakking van de Rijn verandert een beek in een grote rivier.
4. Dorpen ontstaan op de veilige oeverwallen (vanaf 900 n. Chr.)
De hoger gelegen zandruggen langs de IJssel boden veilige vestigingsplaatsen voor bewoning en handel. Handelssteden als Doesburg en Zutphen ontstonden. Op de hoge zandruggen ontwikkelden zich de latere dorpen Brummen (Brimnum), Oeken (Oichem), Leuvenheim (Lubbenhem) en Empe (Empa). De lintstructuur van deze dorpen, parallel aan de rivier, is vandaag de dag nog steeds herkenbaar. Daarbij laten recente archeologische opgravingen aan het Marktplein in Brummen sporen zien uit de 7de eeuw welke suggereren dat Brummen eerder is ontstaan dan tot op nu aangenomen.
Figuur 4. Vanaf 900: dorpen op de overwallen. Brummen, Oeken, Leuvenheim en Empe ontstaan op de droge ruggen langs de IJssel.
5. Ontginningen en marken: de mens vormt het landschap (11e - 14e eeuw)
Het achterland was nat, moerassig en slecht toegankelijk. Om dit gebied toch bruikbaar te maken, richtten boeren markegenootschappen op: samenwerkingsverbanden voor beheer, gebruik en ontwikkeling van het landschap. Zij legden lange rechte wegen aan, groeven sloten en beken voor ontwatering én bevloeiing en werkten gezamenlijk aan de vruchtbaarheid van de gronden. Op de hogere koppen ontstonden enken door de potstaltechniek, waarbij plaggen en mest zich ophoopten tot vruchtbare akkers. De lagere delen werden gebruikt als hooilanden. Deze logica is tot op de dag van vandaag zichtbaar in het landschap.
Figuur 5. 11e-14e eeuw: marken en ontginningen. Boeren organiseren zich in marken, leggen lange lijnen aan en maken het natte middenland bewoonbaar en productief.
6. Kastelen, versterkte huizen en de vorming van landgoederen (14e - 18e eeuw)
Naarmate de ontginningen vorderden, ontstonden op strategische plekken versterkte huizen: bij kruisingen, op hoge koppen en langs waterwegen. Deze groeiden later uit tot buitenplaatsen met parken, lanen, waterpartijen, boerderijen en rabattenbossen waarin eiken werden geteeld voor eikenschorsproductie. Zo ontstond de kenmerkende landgoederenzone tussen Veluwe en IJssel.
Figuur 6. 14e-18e eeuw: kastelen en landgoederen. Versterkte huizen groeien uit tot buitenplaatsen: de landgoederenzone ontstaat.
7. Waterkracht en papier: een nieuwe economie (vanaf 17e eeuw)
Langs de Veluweflank komt kalkrijk grondwater omhoog. Eeuwenlang vormden deze bronzones losse beekjes, maar vanaf de 17e eeuw werden ze gegraven, verlengd en versterkt tot krachtige sprengenbeken. Zo ontstond een fijnmazig systeem van snelle en betrouwbare waterlopen: precies wat nodig was om molens aan te drijven. In deze dynamiek ontwikkelde Eerbeek zich tot een ambachtelijk en later industrieel hart van de papierproductie. Het water, het hout en de vakkennis vormden een perfecte driehoek die de identiteit van Eerbeek tot op de dag van vandaag bepaalt.
Figuur 7. Vanaf 17e eeuw: sprengen & papiermolens. Sprengen en beken leveren kracht voor molens: de papierindustrie ontstaat.
8. Verbeteringen in transport en infrastructuur (19e eeuw)
De 19e eeuw voegde een nieuwe laag toe aan het landschap. Om de economie van de Veluwe te stimuleren werd vanaf 1825 gewerkt aan de aanleg van het Apeldoorns Kanaal. Eerst werd het noordelijke deel richting Hattem gerealiseerd, waarna het kanaal later werd doorgetrokken naar het zuiden, via Apeldoorn naar Dieren. Met de spoorlijn Dieren–Brummen–Zutphen (1865) werd Brummen onderdeel van een regionaal mobiliteitsnetwerk. De komst van de stoomtram Apeldoorn–Eerbeek–Dieren (1887) versterkte de papierindustrie en verbeterde de verbindingen op de oostflank van de Veluwe. Samen vormden deze infrastructuren nieuwe logistieke lijnen in het landschap.
Figuur 8. 19e eeuw: Apeldoorns Kanaal. Kanaal, spoor en tram verbinden Brummen en Eerbeek met de regio.
9. Ruilverkavelingen, modernisering en ingrepen (20e eeuw)
De 20e eeuw bracht verandering op grote schaal. Het natte middengebied werd gedraineerd en ontwaterd om het geschikt te maken voor moderne landbouw. Veel kleine landschapselementen verdwenen en beken werden rechtgetrokken om water zo snel mogelijk af te voeren. Ook de dorpen veranderden: Brummen, Eerbeek en de kleine kernen groeiden planmatiger met nieuwe woonwijken die niet altijd meer de logica van het oude landschap volgden.
Figuur 9. 20e eeuw: ruilverkavelingen en groei. Ontwatering en schaalvergroting veranderen het landbouwlandschap en dorpen groeien planmatig.
10. Herstel en nieuwe transities (20e en 21ste eeuw)
Vanaf de jaren negentig ontstaat een herwaardering voor de oorspronkelijke logica van het landschap. Er komt meer aandacht voor natuurontwikkeling, beekherstel, duurzaam landgebruik en klimaatadaptatie. Tegelijkertijd blijven biodiversiteit, waterkwaliteit en bodemkwaliteit onder druk staan en is herstel nog beperkt zichtbaar.
Deze periode wordt vooral gekenmerkt door een verandering in denken. We staan aan het begin van een fase waarin we ons bewust zijn geworden van deze opgaven en zoeken naar manieren om ze aan te pakken. Daarmee markeert dit tijdvak de start van nieuwe transities in de omgang met water, bodem, natuur en leefomgeving.
Figuur 10. 20e en 21ste eeuw: start van nieuwe transities, met groeiend bewustzijn van opgaven rond water, bodem en natuur.
2.1.2 Bodem en water
In onze gemeente vormen bodem en water het natuurlijke fundament onder alles wat we doen. De kaart waarop de grondwatertrappen zijn gecombineerd met de bodemsoort laat zien hoe sterk de bodemopbouw en waterhuishouding per plek verschillen. Deze variatie verklaart waarom ons landschap zo gelaagd is, waarom dorpen precies daar liggen waar ze liggen en waarom sommige gebieden gevoelig zijn voor droogte terwijl andere juist kletsnat kunnen worden.
Op de Veluwe liggen droge, voedselarme zandgronden met lage grondwaterstanden. Regenwater zakt hier snel weg in de bodem en voedt het grondwatersysteem onder de regio. Deze hoge en droge gronden zijn van nature geschikt voor bos, heide en het sprengenlandschap dat later de papierindustrie mogelijk maakte.
Op de flanken van de Veluwe verandert dit beeld. Hier beweegt het grondwater zich door de ondergrond, onder invloed van hoogteverschillen en minder doorlatende lagen. Dit zorgt voor zones waar het grondwater sterk kan fluctueren en op sommige plekken zelfs aan het oppervlak kan komen. Het gebied rond Eerbeek is een voorbeeld van zo’n overgangszone, ook wel grondwaterfluctuatiezone genoemd.
Direct ten oosten ligt het ontginningslandschap dat van nature laag en nat is. Dit gebied wordt gevoed door kwelwater uit de Veluwe dat plaatselijk over ondoorlatende bodemlagen ophoog wordt gestuwd, waardoor ook hoger gelegen delen onverwacht nat kunnen zijn. Deze combinatie van natuurlijke laagte en voortdurende kwel maakte de ontginningszone eeuwenlang geschikt voor hooilanden en voor bijzondere natte natuurtypen.
In de landgoederenzone wisselen natte en droge zandgronden elkaar op korte afstand af. Het grondwater staat hier hoog en komt op veel plekken als kwel omhoog, waardoor kleine hoogteverschillen grote effecten hebben op bodemvocht en vegetatie. Dit verklaart de aanwezigheid van rabatten, vijvers, sprengkoppen en vochtige loofbossen. Hier is de bodem letterlijk een mozaïek: kleinschalige variatie in grondwaterstanden maakt variatie in landgebruik en beplanting mogelijk.
Op de hoger gelegen gronden langs de IJssel, die deel uitmaken van het stroomruggenlandschap, verandert het beeld opnieuw. Deze gronden zijn ontstaan door rivierafzettingen en bestaan uit relatief droge, voedselrijke bodems. Ze liggen hoger dan de omliggende uiterwaarden en waren daardoor geschikt voor bewoning en akkerbouw. Dat is de reden dat Brummen, Oeken, Leuvenheim en Empe hier zijn ontstaan. Maar ook op deze hogere gronden speelt water een grote rol: de IJssel beïnvloedt het grondwaterpeil. Bij hoge waterstanden stuwt de IJssel de grondwaterstanden landinwaarts op en veroorzaakt zij kwel in dit gebied. In droge perioden gebeurt het omgekeerde: de rivier voert grondwater af, waardoor het lokale grondwaterpeil daalt en droogte kan optreden. Hoewel de gronden zijn opgebouwd uit rivierafzettingen, is de huidige bodemopbouw op veel plekken kleiig of lemig, met in lagere delen meer invloed van vroegere geulen en overstromingen.
Helemaal in het oosten liggen de uiterwaarden, het buitendijkse gebied tussen de dijken van de IJssel. Hier bestaat de ondergrond uit vruchtbare kleiige bodems, gevormd door eeuwenlange sedimentatie van de rivier. Deze gronden reageren sterk op het ritme van de IJssel: nat in de winter, droog en hard in de zomer. Ze zijn van groot belang voor graslanden, hooilanden en stroomdalvegetaties.
Samen laten deze patronen zien dat onze gemeente wordt gekenmerkt door een afwisseling van nat en droog, voedselrijk en -arm, hoog en laag, die in korte afstand kan wisselen. Kwelwater speelt in vrijwel alle zones een rol, soms als sturende factor voor natuur, soms als uitdaging voor landbouw of bebouwing. Hierdoor kan de waterhuishouding lokaal zeer verschillend zijn: binnen één gebied kunnen zowel droogtegevoelige als langdurig natte bodems voorkomen. Dit maakt bodem en water een bepalende kwaliteit voor hoe we in Brummen ruimte gebruiken en toekomstbestendig inrichten.
Figuur 11. Bodemsoorten en grondwatertrappen in de gemeente Brummen.
2.1.3 Natuur en landschap
Ons landschap bestaat uit een reeks landschapstypen die elkaar op korte afstand opvolgen. De karakteristieken van elk landschapstype bepalen hoe we onze ruimte gebruiken en welke natuurwaarden hier tot ontwikkeling zijn gekomen of nog kunnen komen. Elk landschapstype heeft zijn eigen karakteristieke openheid, begroeiing, ecologische functies en vormen van landgebruik. Samen vormen ze een samenhangend geheel dat onze gemeente bijzonder maakt.
Kijkend van west naar oost begint het landschap grootschalig. Op de Veluwe, onderdeel van Natura 2000, bestaan grote aaneengesloten gebieden met heide, bos en stuifzand. Dit is het leefgebied van soorten als edelhert, wild zwijn, zandhagedis en grote aantallen broedvogels. De Veluwe vormt daarnaast een belangrijke bron voor drinkwater. De hier aanwezige grondwaterreserves behoren tot de grootste van Nederland en zijn van grote betekenis voor de beschikbaarheid van schoon water in de regio. De Veluwe is ook recreatielandschap: ruime bosmassieven, heidevelden en recreatieve infrastructuur waar veel bezoekers gebruik van maken. Bossen worden hier beheerd voor natuur, houtproductie en recreatie. Om balans te houden tussen bezoek en natuur, heeft de provincie Gelderland in 2022 de huidige recreatiezonering ingesteld.
Langs de Veluweflank wordt het landschap kleinschaliger, met afwisseling van bos, erven, agrarisch gebruik en beekdalen. Hier liggen de sprengen en beken die beeldbepalend zijn voor onze gemeente, zoals de Gravinnebeek, Eerbeekse Beek, en Coldenhovense Beek en zijlopen die het water vanuit het hogere zandgebied naar het oosten brengen. Langs de beken vinden we vochtige loofbossen, graslanden en houtsingels die belangrijk zijn voor insecten, amfibieën en broedvogels. De Veluweflank is een overgangsgebied waar natuur, landbouw, papierindustrie en recreatie al eeuwenlang naast elkaar bestaan.
Het ontginningslandschap vormt de open zone tussen Veluweflank en landgoederenzone. Dit was van oorsprong een nat gebied met heide, veen en hooilanden en is later ingericht voor agrarisch gebruik. Vandaag is het een mix van landbouwpercelen, en natte natuur. De Empese en Tondense Heide zijn hiervan de belangrijkste natuurgebieden. Ze behoren tot het Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen vanwege hun bijzondere vegetaties, zoals blauwgraslanden en natte heide, en hun waarde voor insecten, vlinders en weidevogels. Voor zeldzame soorten als de knoflookpad en kamsalamander is onze gemeente belangrijk. In het omliggende agrarische gebied worden vooral grasland en akkers afgewisseld met houtsingels en sloten.
De landgoederenzone is één van de meest herkenbare landschappen in onze gemeente. Hier komen cultuur en natuur samen: oude lanen, parkbossen, rabatten, vijvers, lanen en open weilanden vormen een veelzijdig geheel. Het beheer is vaak gericht op een combinatie van natuur, landbouw, houtproductie en landschapsbehoud. Veel landgoederen liggen in Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen, omdat ze waardevolle leefgebieden bevatten voor vleermuizen, bosvogels, de kleine ijsvogelvlinder en bijzondere paddenstoelen. De afwisseling en beslotenheid geven dit gebied een sterk eigen karakter.
In het stroomruggenlandschap opent het landschap zich. Hier vinden we agrarische bedrijven, erven en kleine bosjes in een halfopen landschap. De dorpen Brummen, Oeken, Leuvenheim en Empe liggen als linten op deze hogere ruggen. De beken die vanuit het westen komen, waaronder de Rhienderense Beek, Leuvenheimsche Beek en Oekense Beek, verbinden open landbouwgronden met natuur in het oosten. Het stroomruggenlandschap is een waardevol agrarisch gebied en vormt een overgang van kleinschalige landschapselementen naar de open uiterwaarden.
Helemaal oostelijk liggen de uiterwaarden van de IJssel, onderdeel van het Natura 2000 gebied Rijntakken. Het is een dynamisch rivierenlandschap met stroomdalgraslanden, ooibossen, struweelzones, rietpercelen en brede graslanden. Hier worden natuur en landbouw gecombineerd: hooilandbeheer, extensieve begrazing en akkerstroken dragen bij aan biodiversiteit én landschappelijke kwaliteit. De openheid, variatie en seizoensdynamiek maken dit gebied een van de meest beeldbepalende landschappen van onze gemeente.
Figuur 12. Landschapstypen en beschermde natuurgebieden in de gemeente Brummen.
2.1.4 Cultuurhistorie
Onze gemeente heeft een rijk cultuurhistorisch landschap waarin sporen van duizend jaar gebruik nog altijd duidelijk zichtbaar zijn. De manier waarop mensen het land hebben ontgonnen, bewoond, beheerd en benut, is niet alleen terug te vinden in het gebouwde erfgoed, maar juist ook in het landschap zelf. Het zijn de lange lijnen, de beken, de lanen, de erven en de verkavelingen die samen het verhaal vertellen van hoe Brummen geworden is wat het nu is.
De landgoederen en buitenplaatsen vormen daarbij een van de meest beeldbepalende onderdelen. In de zone tussen Eerbeek, Brummen en de IJssel liggen historische ensembles zoals Voorstonden, Engelenburg, Den Bosch, De Wildbaan, Spaensweerd en Leusveld, waar parkaanleg, lanenstructuren, rabatten, vijvers, akkers en bossen een herkenbare eenheid vormen. Deze landgoederen zijn niet alleen van architectonische waarde; ze zijn ook structuurbepalend voor het landschap en functioneren al eeuwen als overgangsgebied tussen natuur, landbouw en bewoning. Samen vormen ze een groot aaneengesloten cultuurlandschap dat mede de reden is voor de aanwijzing van Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen.
Daarnaast herkennen we in het landschap nog altijd structuren uit het middeleeuwse markengebruik: rechte wegen, ontginningslijnen, percelen, houtsingels en oude kavelgrenzen die als lange lijnen door het landschap lopen. Ze vertellen het verhaal van gemeenschappelijk landgebruik, van potstal en enken, van hooilanden en heidegebieden die eeuwenlang de agrarische basis vormden. In delen van de gemeente is deze structuur opvallend goed bewaard gebleven.
Ook in onze dorpen zien we cultuurhistorische kwaliteit terug in de karakteristieke bebouwing, erven en lintstructuren. De oeverwaldorpen Brummen, Oeken, Leuvenheim en Empe liggen precies op de hogere zandruggen langs de IJssel, waar al vroeg bewoning mogelijk was. Hun lintvormige karakter, erven, oude boerderijen, kerken en kleinschalige stratenpatroon laten goed zien hoe nederzettingen zich in samenhang met het landschap ontwikkeld hebben. Op de Veluweflank ontstonden Hall en Eerbeek, waar oude wegen, erven, bossen en beken de dorpsstructuur nog altijd zichtbaar vormgeven.
Naast de landgoederen en dorpslinten speelt ook de papierindustrie een belangrijke rol in onze cultuurhistorie. Vooral in Eerbeek is de geschiedenis van sprengen, papiermolens en later fabrieken sterk verweven met het landschap. Hoewel papierproductie vandaag een veel grotere schaal heeft en een stevig ruimtelijk effect geeft, blijft dit een wezenlijk onderdeel van onze identiteit als gemeente.
Economische activiteiten hebben daarnaast een duidelijke invloed gehad op de ontwikkeling van onze dorpen. In de periode na de Tweede Wereldoorlog groeiden zowel Eerbeek als Brummen door de aanleg van planmatige woonwijken voor arbeiders. In Eerbeek zijn onder andere wijken zoals de Eerbeekse Enk ontstaan, terwijl in Brummen uitbreidingen plaatsvonden zoals de Staatsliedenbuurt en de Vogelbuurt. Deze buurten vormen nog altijd een herkenbaar onderdeel van de dorpsstructuur en laten zien hoe economie en ruimtelijke ontwikkeling met elkaar verweven zijn.
Figuur 13. Cultuurhistorische waarden in de gemeente Brummen.
2.1.5 Bereikbaarheid
In onze gemeente wordt het landschap niet alleen bepaald door bodem, water en natuur, maar ook door de manieren waarop we ons al eeuwen door dat landschap bewegen. Verkeer en verbindingen vormen een ruimtelijke laag die de dorpen onderling, en de gemeente met de regio, samenbindt.
Een belangrijke schakel naar de regio zijn de spoorverbindingen. Het station Brummen ligt aan de lijn Dieren–Zutphen, een as die ons verbindt met Arnhem en Zutphen. Daarnaast biedt station Voorst-Empe een directe verbinding tussen Zutphen en Apeldoorn en daarmee een tweede spoorontsluiting voor onze gemeente. Deze stations hebben een belangrijke rol in de bereikbaarheid van een deel van onze dorpen en in de dagelijkse verplaatsingen van inwoners. Daarnaast beschikt onze gemeente over een bescheiden busroutenetwerk, dat vooral de verbindingen tussen de dorpen ondersteunt en aanvullend is op de treinverbindingen en het fietsnetwerk.
Ook de historische infrastructuur heeft veel invloed gehad op de ruimtelijke structuur. Het Apeldoorns Kanaal vormde in de 19e eeuw een nieuwe economische levensader, terwijl de voormalige stoomtramlijn Apeldoorn–Eerbeek–Dieren nog altijd zichtbaar is in het landschap en in de wijze waarop Eerbeek en de omliggende dorpen zich hebben ontwikkeld. Samen met de provinciale wegenstructuur vormen deze lijnen een logische set verbindingen.
Naast deze functionele verbindingen heeft onze gemeente een fijnmazig en aantrekkelijk recreatief netwerk en grensoverschrijdend routenetwerk. De fietsroutes, historische zandwegen, dijklinten en het knooppuntennetwerk van wandel- en fietspaden maken het mogelijk om van landschapstype naar landschapstype te bewegen. De aanwezigheid van meerdere klompenpaden laat zien hoe sterk onze wandelstructuur verweven is met natuur, erfgoed en de agrarische omgeving.
Figuur 14. Belangrijkste (recreatieve) wegen, routes en mobiliteitsknooppunten in de gemeente Brummen.
2.1.6 Gemeenschappen
Onze gemeenschap is hecht van karakter en sterk verbonden met het landschap waarin onze dorpen liggen. In vrijwel alle kernen is sprake van een actief, zelforganiserend en betrokken gemeenschapsleven dat de sociale kwaliteit van onze gemeente draagt. We kennen een rijk verenigingsleven, met sportclubs, dorp- en wijkraden, muziekverenigingen, culturele stichtingen, natuurorganisaties en buurtinitiatieven die in bijna alle dorpen actief zijn. Deze verenigingen vormen belangrijke ontmoetingsplekken en zijn vaak het sociale hart van dorpen en wijken. Ook dorpshuizen en wijkcentra vervullen een centrale rol: van gymzaal tot repetitieruimte en van koffieochtend tot dorpsvergadering — zij geven vorm aan het dagelijks contact tussen inwoners.
Daarnaast is de traditie van naoberschap duidelijk aanwezig. Elkaar helpen waar nodig is geen uitzondering maar een vanzelfsprekend onderdeel van het dorpsleven. Dit komt terug in het meedoen aan activiteiten, het gezamenlijk onderhouden van routes en groen, het organiseren van festiviteiten en het ondersteunen van inwoners die een steuntje kunnen gebruiken.
Onze gemeenschappen zijn bovendien sterk verweven met het landschap. De waardering voor rust, natuur, groen en erfgoed, die uit participatie en onderzoeken naar voren komt, vormt een gedeeld fundament tussen de dorpen. Bewoners zien het landschap niet alleen als decor, maar als onderdeel van hun leefkwaliteit. Het landschap is iets dat je samen onderhoudt, beschermt en doorgeeft.
Figuur 15. Impressie van het wonen en leven in de gemeente Brummen.
2.2 Brummen in een breder perspectief
Brummen maakt deel uit van de regio Stedendriehoek, een gebied waar steden, dorpen, natuur, landschap, economie en voorzieningenniveau nauw met elkaar verbonden zijn. De regio wordt gekenmerkt door een sterke afwisseling van stedelijke centra, kleinschalige kernen, landelijk gebied en grote landschappelijke dragers zoals de Veluwe en de IJssel. Deze combinatie van groen, rust, bereikbaarheid en economische dynamiek bepaalt de regionale identiteit én de positie van Brummen daarbinnen.
Veel dagelijkse bewegingen en functies zijn regionaal verweven. Inwoners maken gebruik van voorzieningen in omliggende gemeenten, werken binnen de regio en verplaatsen zich dagelijks over gemeentegrenzen heen. Ook recreatie, natuurwaarden, mobiliteit en economische netwerken functioneren regionaal. Daardoor zijn de opgaven voor wonen, werken, bereikbaarheid, landschap en natuur logischerwijs niet beperkt tot de grenzen van de individuele gemeenten.
De gemeenten, de provincies Gelderland en Overijssel, de waterschappen en het Rijk werken gezamenlijk aan het 'Ontwikkelingsperspectief 2050' voor de Stedendriehoek. In dit perspectief wordt onderzocht hoe regionale opgaven, zoals woningbouw, economische ontwikkeling, bereikbaarheid, de energietransitie, klimaatopgaven en de versterking van natuur en landschap, in samenhang kunnen worden aangepakt en aansluiten bij de kwaliteiten en kenmerken van de regio.
De gemeentelijke omgevingsvisies en het regionale ontwikkelperspectief beïnvloeden elkaar. De koers die individuele gemeenten bepalen vormt input voor de regionale uitwerking, terwijl regionale inzichten weer richting kunnen geven aan lokale keuzes. Waar mogelijk worden opgaven al gezamenlijk opgepakt, zodat lokale ambities en regionale ontwikkelingen goed op elkaar aansluiten.
Binnen dit regionale verband heeft Brummen een uitgesproken profiel als groene, rustige en landschappelijk waardevolle gemeente, met sterke dorpen en een belangrijke positie tussen IJsselvallei en Veluwe. Tegelijkertijd vervult het papiercluster Eerbeek–Loenen een belangrijke rol in de regionale economie van de Stedendriehoek. Dit profiel vormt het vertrekpunt voor de manier waarop Brummen meebeweegt met en bijdraagt aan de ontwikkeling van de bredere Stedendriehoek.
2.3 De uitdagingen en opgaven voor de toekomst
De fysieke leefomgeving staat onder invloed van verschillende ontwikkelingen. Demografische veranderingen, druk op natuur en landschap, nieuwe woon- en mobiliteitsvragen, economische transities en klimaatverandering zorgen ervoor dat Brummen de komende jaren voor een aantal samenhangende maatschappelijke en ruimtelijke opgaven staat. Deze ontwikkelingen raken meerdere thema’s tegelijk, grijpen op elkaar in en vragen om een integrale manier van kijken naar onze dorpen, het buitengebied en de ruimte die we hebben.
In deze paragraaf geven we per thema een beknopte duiding van wat er verandert en welke vraagstukken dit richting de toekomst met zich meebrengt. Deze inzichten vormen het inhoudelijke vertrekpunt voor de koers en de keuzes die we in de volgende hoofdstukken verder uitwerken.
2.3.1 Gezondheid
Met de komst van de Omgevingswet heeft gezondheid een centrale plek gekregen in het ruimtelijk beleid: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is immers een belangrijk doel van de wet. Waar vroeger gezondheid werd gezien als het voorkómen of genezen van ziekten, wordt het begrip nu veel breder opgevat. Gezondheid gaat over welbevinden in de volle breedte: psychisch, lichamelijk en sociaal. Het gaat ook over het vermogen van mensen om zich aan te passen wanneer zij te maken krijgen met beperkingen of gezondheidsproblemen. Deze bredere benadering vraagt om een integrale kijk op de relatie tussen mens en leefomgeving.
Brummen beschikt over sterke uitgangspunten zoals rust, ruimte, natuur en een hechte sociale structuur. Tegelijkertijd zien we vergrijzing, eenzaamheid, leefstijlproblemen en een relatief hoge inzet van jeugdhulp. Ook spelen zaken als hittestress, luchtkwaliteit en geluidbelasting een steeds grotere rol in de ervaren gezondheid van inwoners. Deze ontwikkelingen laten zien dat gezondheid steeds meer verweven raakt met de manier waarop we onze leefomgeving vormgeven en inrichten.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Een gezonde en sociale openbare ruimte, die uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en verkoeling, en die voldoende groen, schaduw en veiligheid biedt in een vergrijzende samenleving.
-
• Een sterke sociale basis en toegankelijke voorzieningen, zodat mensen elkaar kunnen ontmoeten, informele netwerken kunnen blijven functioneren en inwoners (jong en oud) passende ondersteuning dichtbij huis kunnen vinden.
2.3.2 Wonen
De komende decennia verwachten we dat de bevolking binnen onze gemeente licht groeit (circa 6% in de periode 2020-2040). Tegelijkertijd verandert de samenstelling van de bevolking sterk. De groep 75-plussers groeit naar verwachting met ongeveer 60% en ook het aantal inwoners dat zorg nodig heeft neemt tot 2040 ten opzichte van 2025 met bijna 90% toe. Verder worden huishoudens kleiner en neemt het aantal eenpersoonshuishoudens verder toe. Hierdoor verandert de vraag naar woningen ingrijpend. De druk op sociale huur groeit eveneens: steeds meer woningzoekenden reageren op een kleiner aantal beschikbare woningen, waardoor de slaagkans afneemt.
Daarnaast verlaten jonge huishoudens de gemeente vanwege een gebrek aan passende en betaalbare woningen, wat invloed heeft op de vitaliteit van dorpen en het draagvlak voor voorzieningen. Om deze demografische ontwikkelingen op te vangen, het woningtekort terug te brengen en jonge gezinnen aan Brummen te binden, is een substantiële woningbouwopgave vastgesteld: 1.250 woningen tot 2030 en nog eens 1.193 woningen tussen 2031 en 2040. Dit aantal is gebaseerd op de verwachte bevolkingsgroei, het bestaande woningtekort, het belang van voldoende inwoners om lokale voorzieningen te kunnen behouden en de noodzaak om de gevolgen van vergrijzing op te vangen. Daarmee geeft Brummen invulling aan zowel de landelijke woningbouwdoelstellingen als de afspraken binnen de regio Stedendriehoek.
Met deze groei neemt ook de vraag naar ruimte voor voorzieningen, werken, mobiliteit en recreatie toe. De woningbouwopgave staat daarom niet op zichzelf, maar vraagt om keuzes die passen bij de kwaliteit en identiteit van onze dorpen en landschappen.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Een toekomstbestendige en passende woningvoorraad, die aansluit op vergrijzing, kleinere huishoudens en een groeiende zorgvraag, én aantrekkelijk is voor jonge gezinnen die zich in Brummen willen vestigen.
-
• Ruimte voor groei die past bij de kwaliteiten van onze gemeente, waarbij de woningbouwopgave zorgvuldig wordt ingepast in dorpen en landschap, in samenhang met ruimte voor voorzieningen, economie, mobiliteit en recreatie.
2.3.3 Economie en werkgelegenheid
De economische structuur van onze gemeente verandert onder invloed van digitalisering, personeelstekorten, stijgende kosten, netcongestie en verduurzamingsopgaven. Onder meer online winkelen zorgt ervoor dat fysieke winkels en de centrumgebieden van Eerbeek en vooral van Brummen onder druk staan. Tegelijkertijd zien bedrijven hun huisvestings- en exploitatiekosten toenemen, terwijl het arbeidspotentieel door vergrijzing afneemt en het steeds moeilijker wordt om lokaal personeel te vinden. Ook de omslag naar een circulaire en duurzame economie vraagt meer van ondernemers.
Brummen is daarnaast in belangrijke mate een woongemeente binnen de regio: een groot deel van de beroepsbevolking werkt buiten de gemeentegrenzen. Onze bedrijventerreinen zijn echter wel van groot belang voor de lokale economie: bijna 40% van de werkgelegenheid in onze gemeente is hier gevestigd. Tegelijkertijd zien we dat veel bedrijven behoefte hebben aan doorgroei- en ontwikkelmogelijkheden. Die behoefte neemt naar verwachting toe, omdat de woningbouwopgave ook vraagt om een evenwichtige groei van de lokale werkgelegenheid, bedrijven soms groeiruimte nodig hebben om competitief te blijven in hun markt en ook de verduurzamingsopgave op bedrijventerreinen om ruimte vraagt.
Binnen het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) is de uitbreidingsvraag verdeeld op basis van de economische structuur van gemeenten: het aandeel banen in groei- en krimpsectoren in vergelijking met de rest van de regio. Vanuit deze methodiek is bepaald welk deel van de regionale vraag logisch aansluit bij de positie en economische structuur van Brummen. Dit leidt tot een ruimtevraag van circa 2,5 tot 11 hectare richting 2040.
Naast deze groeiopgave is er ook een duidelijke kwaliteitsopgave voor onze bestaande bedrijventerreinen, die voor uitdagingen staan op het gebied van verduurzaming, veiligheid, modernisering en toekomstbestendigheid. Dit sluit aan bij bredere regionale trends waar bedrijven steeds meer moeten meebewegen met technologische ontwikkelingen en strengere milieueisen. Ook ligt er een opgave in het beter benutten van de bestaande terreinen, zowel in ruimtelijke als milieukundige zin.
Ook de papierindustrie en aanverwante sectoren blijven van groot economisch belang voor onze gemeente, maar staan onder druk door stikstofregels, verduurzamingseisen, drinkwaterschaarste, hoge concurrentiedruk met het buitenland en het feit dat deze bedrijven internationaal georganiseerd zijn en daardoor minder lokaal gebonden. Dat brengt onzekerheden met zich mee voor de toekomst van werkgelegenheid en economische vitaliteit, vooral in en rond Eerbeek, omdat een groot deel van de bedrijvigheid is verbonden aan het economisch ecosysteem van de papierindustrie.
Deze ontwikkelingen laten zien dat de economische opgave van Brummen niet alleen gaat over voldoende ruimte voor bedrijven, maar ook over het toekomstbestendig maken van bestaande bedrijventerreinen, het behouden van werkgelegenheid en het diversifiëren van onze economie.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Een toekomstbestendige lokale economie, waaronder het versterken van bestaande bedrijvigheid, het borgen van werkgelegenheid, en het omgaan met de kwetsbare positie van de papierindustrie en andere sectoren die onder druk staan.
-
• Voldoende ruimte en kwaliteit voor ondernemen, waarbij de ruimtevraag uit regionale afspraken, het moderniseren, verduurzamen en beter benutten van bestaande bedrijventerreinen én het principe ‘het juiste bedrijf op de juiste plek’ centraal staan.
2.3.4 Voorzieningen
De manier waarop we werken, winkelen, sporten en elkaar ontmoeten verandert. We leven flexibeler en digitaler, waardoor het gebruik van voorzieningen verschuift en traditionele patronen onder druk staan. Verenigingen, sportclubs en culturele organisaties ervaren een afname van leden en vrijwilligers, terwijl online winkelen de positie van fysieke winkels verzwakt en de vraag naar beleving in centrumgebieden groeit. Ook in de zorg ontstaan knelpunten door personeelstekorten en opvolgingsproblemen. Landelijk zien we daarnaast een trend naar meer multifunctionele accommodaties, waarin onderwijs, sport, welzijn en ontmoeting dichter bij elkaar worden georganiseerd.
In onze gemeente zijn voorzieningen op dit moment vaak nog op zichzelf staand georganiseerd. Dat geldt zowel voor Brummen en Eerbeek als voor de kleine kernen: functies zoals onderwijs, sport, cultuur, bibliotheek, welzijn en ontmoeten bevinden zich veelal op afzonderlijke locaties. Dit is op zichzelf niet problematisch, maar maakt voorzieningen wel gevoeliger voor demografische veranderingen, bereikbaarheid en draagvlak. Tegelijkertijd zien we verschillen tussen de kernen. In Brummen staat het centrum onder druk door leegstand en concurrentie van omliggende winkelgebieden, waardoor de verblijfskwaliteit en aantrekkingskracht afnemen. In Eerbeek is het centrum juist in beweging, met ontwikkelingen die bijdragen aan een toekomstbestendig en aantrekkelijk dorpshart. Het Oranje Nassauplein blijft achter in deze beweging. In de kleine kernen neemt het voorzieningenniveau af en is de kwetsbaarheid groter door beperkte schaal en afhankelijkheid van vrijwilligers.
Deze ontwikkelingen laten zien dat de opgave voor voorzieningen verder gaat dan behoud alleen. Het gaat om het versterken van samenhang, bereikbaarheid, aantrekkelijkheid en de plek die voorzieningen innemen in de leefomgeving van inwoners.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Toegankelijke en toekomstbestendige voorzieningen, die vindbaar, bereikbaar en bruikbaar zijn voor inwoners van alle leeftijden, waaronder de groeiende groep mensen in kwetsbare posities.
-
• Sterke en aantrekkelijke dorpscentra, waar voorzieningen, winkels, horeca en ontmoetingsfuncties elkaar versterken en bijdragen aan een vitaal, herkenbaar, toekomstbestendig en toeristisch relevant en aantrekkelijk Brummen en Eerbeek.
2.3.5 Mobiliteit
De manier waarop mensen zich verplaatsen verandert. We leven, werken en winkelen flexibeler en digitaler, waardoor mobiliteit minder voorspelbaar wordt. Tegelijkertijd groeit de aandacht voor een gezonde leefstijl: lopen en fietsen worden steeds belangrijker, zowel als duurzame vervoerswijze als vanwege de behoefte aan meer beweging. Elektrische fietsen, deelmobiliteit en nieuwe vormen van ketenreizen zorgen ervoor dat mensen vaker meerdere vervoersmiddelen combineren. Ook verwachten inwoners steeds meer dat routes logisch, veilig en aantrekkelijk zijn: de beleving van de openbare ruimte wordt onderdeel van mobiliteit.
In onze gemeente komen deze ontwikkelingen op verschillende manieren samen. Zo wordt het verkeer op de N348 bij Leuvenheim en Brummen door inwoners ervaren als een belemmering voor zowel leefbaarheid als doorstroming. In en rond Eerbeek spelen ook leefbaarheidsvraagstukken, mede door het vrachtverkeer van en naar de papierindustrie. Tussen de kernen en richting voorzieningen zijn de fiets- en wandelverbindingen op onderdelen nog onvoldoende op orde. Goede, veilige en herkenbare schoolroutes vormen daarvan een zichtbaar voorbeeld. In het buitengebied is de verkeersstructuur niet ingericht op doorgaand verkeer, waardoor het weren van dergelijke verkeersstromen belangrijk is voor rust, veiligheid en de kwaliteit van het landschap. Daarnaast vraagt de groei van elektrische mobiliteit om meer laadinfrastructuur, terwijl de capaciteit van het elektriciteitsnet beperkt is.
Deze ontwikkelingen laten zien dat mobiliteit in Brummen niet alleen gaat over bereikbaarheid, maar ook over leefkwaliteit, gezondheid, veiligheid en de manier waarop inwoners zich in en tussen onze dorpen bewegen.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Een veilig, gezond en toekomstbestendig mobiliteitssysteem, waarin lopen en fietsen vanzelfsprekende en aantrekkelijke keuzes zijn, met sterke en prettige verbindingen tussen de kernen, voorzieningen en
-
(school)locaties, en met routes die uitnodigen tot bewegen en ontmoeten.
-
• Het verminderen en sturen van verkeersdruk binnen de dorpen en het buitengebied, waarbij doorgaand verkeer en vrachtverkeer beter worden geleid en de leefbaarheid, rust en verkeersveiligheid in dorpen en buitengebied verbeterd worden.
2.3.6 Natuur, groen en biodiversiteit
Natuur, groen en biodiversiteit staan zowel landelijk als lokaal onder druk. Verdroging, stikstofbelasting, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, slechte waterkwaliteit en recreatiedruk beïnvloeden de kwaliteit en veerkracht van ecosystemen. Ook in de gemeente Brummen neemt de biodiversiteit af en staan groene structuren onder spanning door verstedelijking en concurrerende ruimteclaims. Tegelijkertijd wordt groen steeds multifunctioneler ingezet, onder meer voor gezondheid, klimaatadaptatie, ontmoeten en recreatie.
In onze gemeente zijn landbouw, landschap en natuur al lange tijd nauw met elkaar verweven. De agrarische structuur is relatief kleinschalig in vergelijking met andere delen van Nederland en bestaat voor een groot deel uit bedrijven met een beperkte omvang. Veel agrarische bedrijven werken met relatief lage intensiteit en hebben bedrijfsvoeringen die van oudsher aansluiten bij het landschap en het natuurlijk systeem. Agrariërs spelen hierdoor een belangrijke rol in het beheer van graslanden, houtsingels, beken en open ruimten. Deze elementen zijn bepalend voor de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het buitengebied. Deze samenhang wordt de komende jaren alleen maar belangrijker, omdat opgaven rondom natuur, landbouw, water en biodiversiteit steeds sterker in elkaar grijpen en gezamenlijk om ruimte en afweging vragen.
Daarnaast speelt de provinciale opgave rondom de Natura 2000 gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen een grote rol. De provincie Gelderland hanteert hier een stikstofreductiebeleid: binnen een zone van 500 meter rondom deze natuurgebieden moet de stikstofuitstoot de komende tien jaar substantieel worden verminderd. Deze stikstofreductiegebieden hebben invloed op de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven en op de wijze waarop natuurherstel, landschapsbeheer en landbouwtransitie in samenhang moeten worden vormgegeven. Hiernaast gaat de Aanpak Veluwe een impuls geven aan de gebiedsopgaven van de Veluwe.
Daarbovenop krijgt de Europese Natuurherstelverordening (NHV) de komende jaren een toenemende betekenis voor gemeenten. De verordening schrijft voor dat er uiterlijk in 2030 geen nettoverlies van stedelijk groen en boomkroonbedekking mag zijn ten opzichte van augustus 2024, en dat gemeenten na 2030 moeten toewerken naar een toenemende trend in boomkroonoppervlakte. Hoewel de nationale uitwerking nog volgt, is duidelijk dat de opgave rond stedelijk groen, ecologische kwaliteit en biodiversiteit groter wordt.
Deze ontwikkelingen laten zien dat de opgave voor natuur en biodiversiteit zowel betrekking heeft op het herstel van bestaande natuur en het versterken van ecologische netwerken, als op het ontwikkelen van toekomstbestendig groen in de kernen, waar groen meerdere functies vervult en steeds belangrijker wordt voor gezondheid, klimaatadaptatie, identiteit en leefkwaliteit.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Het versterken van biodiversiteit en ecologische verbindingen, inclusief herstel van natuurwaarden in landbouwgebieden, verbetering van waterkwaliteit en robuuste verbindingen tussen natuurgebieden.
-
• Voldoende en toekomstbestendig groen in onze dorpen, dat bijdraagt aan klimaatadaptatie, gezondheid, verkoeling en recreatie, en aansluit bij landelijke en Europese ontwikkelingen zoals de Natuurherstelverordening.
2.3.7 Landschap
Het Nederlandse landschap staat onder druk door uiteenlopende ruimteclaims, en ook in onze gemeente zien we dat ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten vaker onder spanning komen te staan. Waar het buitengebied traditioneel vooral een agrarische functie had, verandert het steeds meer in een multifunctioneel woon, leef en werklandschap. Deze verschuiving vergroot de druk op open ruimte, zichtlijnen, landschappelijke structuren en de karakteristieke kwaliteiten die het landschap van de gemeente Brummen bepalen.
De gemeente Brummen kent een rijk en gevarieerd landschap. Onze zes verschillende landschapstypen hebben elk een eigen identiteit en spelen een belangrijke rol voor natuur, recreatie, cultuurhistorie en de manier waarop inwoners en bezoekers het gebied ervaren. Tegelijkertijd vragen verschillende maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, economische ontwikkeling, recreatie, landbouwtransitie, biodiversiteitsherstel en de energietransitie steeds meer ruimte. Dit maakt het ingewikkelder om nieuwe functies een plek te geven zonder de kwaliteiten aan te tasten.
Daarbij komt dat veel opgaven elkaar raken. Opgaven binnen landschap, landbouw en natuur grijpen steeds meer in elkaar en vragen om samenhang en zorgvuldige afwegingen. Hoe deze opgaven landen in een beperkt fysiek domein, en hoe we het landschap kunnen beschermen én ontwikkelen, is de komende jaren een belangrijke vraag voor onze gemeente. De uitdaging ligt in het zoeken naar ruimte voor ontwikkeling, terwijl de landschappelijke identiteit en diversiteit behouden en versterkt worden.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Het behouden en versterken van onze landschappelijke identiteit, door te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen passen bij de schaal, openheid, structuren en kwaliteiten van de verschillende landschapstypen.
-
• Een zorgvuldige balans tussen ontwikkelruimte en landschappelijke kwaliteit, waarbij stedelijke ontwikkeling, landschaps-, landbouw- en natuuropgaven in samenhang worden meegewogen en ruimteclaims zorgvuldig worden ingepast in een toch al beperkte fysieke ruimte.
2.3.8 Water en klimaatadaptatie
De opgaven rond water en klimaatadaptatie beïnvloeden de fysieke leefomgeving steeds sterker. Klimaatverandering zorgt voor extremere neerslag, langere droge periodes en grotere fluctuaties in grondwaterstanden. Daarmee neemt de noodzaak voor een goed werkend watersysteem toe en wordt water steeds bepalender voor de inrichting en het gebruik van onze leefomgeving.
Binnen de gemeente Brummen werkt het watersysteem op verschillende schaalniveaus samen. De Veluwe fungeert als infiltratiegebied waar regenwater in de bodem zakt en het grondwater aanvult. Op de flanken van de Veluwe beweegt dit grondwater door de ondergrond en ontstaat een overgangszone met sterk wisselende grondwaterstanden. Met name in en rond Eerbeek liggen gebieden waar grondwaterstanden van nature sterk kunnen fluctueren en bij hoge standen zelfs aan het oppervlak kunnen komen. Dit vergroot het risico op wateroverlast, zeker bij intensievere neerslag.
Tegelijkertijd worden natte perioden vaker afgewisseld met langdurige droogte en hitte. Water dat in natte periodes valt, is juist nodig om in droge perioden beschikbaar te zijn voor onder meer landbouw, natuur en groen. Dit vraagt om een betere balans tussen het vasthouden, bergen en afvoeren van water en om een inrichting die beter aansluit op het natuurlijke systeem. Door toenemende verharding en extremere buien wordt het belang van deze opgave groter.
De IJssel speelt hierin een belangrijke rol. De rivier bepaalt mede de grondwaterstanden in de uiterwaarden en het stroomruggenlandschap en staat onder invloed van veranderingen in afvoer, die steeds meer samenhangen met neerslagpatronen in Europa. Hogere afvoeren leiden tot hogere grondwaterstanden, terwijl lagere afvoeren juist kunnen bijdragen aan verdroging. Tegelijkertijd brengen hogere piekafvoeren een toenemende behoefte met zich mee om ruimte te reserveren voor de rivier (Ruimte voor de Rivier 2.0).
Daarnaast staat de beschikbaarheid van drinkwater onder druk. De Veluwe vormt een belangrijke bron voor drinkwater in Nederland, maar door toenemende vraag en klimaatverandering nemen de risico’s op tekorten toe. Dit vraagt om zuinig omgaan met drinkwater, alternatieve toepassingen waar mogelijk en aandacht voor waterkwaliteit. Ook de kwaliteit van oppervlaktewater, waaronder de IJssel, staat onder druk door lozingen en uitspoeling, terwijl Europese en nationale doelen, zoals de KRW, juist om verbetering vragen.
Deze ontwikkelingen komen samen in een groeiend besef dat meer aandacht en ruimte voor water nodig is binnen de fysieke leefomgeving. Het watersysteem stelt grenzen aan wat waar mogelijk is, en vraagt om een inrichting van dorpen en buitengebied die beter bestand is tegen extremere weersomstandigheden en veranderende omstandigheden.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Het versterken van een robuust en toekomstbestendig watersysteem, waarin wateroverlast, droogte en grondwaterfluctuaties in samenhang worden benaderd met aandacht voor drinkwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit en de rol van de IJssel als regionale waterdrager.
-
• Een klimaatadaptieve inrichting van onze gemeente, met ruimte voor waterberging, vergroening, biodiversiteit, verkoeling en bescherming tegen extreem weer, waarbij water- en bodemsystemen leidend worden bij ruimtelijke keuzes.
2.3.9 Landbouw
De landbouwsector verandert snel, zowel landelijk als in onze gemeente. Het aantal agrarische bedrijven is de afgelopen jaren sterk afgenomen: tussen 2014 en 2023 daalde het aantal landbouwbedrijven met 29%, sneller dan gemiddeld in Gelderland of Nederland. Ruim de helft van de overgebleven bedrijven valt op basis van de standaardverdiencapaciteit (SVC) van de provincie Gelderland in de categorie zeer klein. In dezelfde periode is het totale aantal koeien in de gemeente met 7% afgenomen. Dit wijst erop dat de ontwikkeling van de landbouw in Brummen zich anders voltrekt dan in veel andere delen van Nederland, waar schaalvergroting vaak gepaard gaat met een sterke toename van de bedrijfsomvang. Tegelijkertijd wordt de landbouw in Brummen steeds natuurlijker: de oppervlakte natuurlijk grasland is in tien jaar tijd meer dan verdrievoudigd en beslaat inmiddels ongeveer 9% van alle cultuurgrond. Deze ontwikkelingen laten zien dat de landbouwstructuur in onze gemeente kleinschaliger, extensiever en nauwer verweven is met landschap en natuur dan in veel andere regio’s in ons land.
Een belangrijk aandachtspunt voor de komende jaren is de grote groep bedrijven zonder opvolger. In onze gemeente geldt dit voor ongeveer de helft van de landbouwbedrijven, samen goed voor ruim een derde van het totale cultuurgrondareaal. Hierdoor is de verwachting dat in de komende tien jaar veel bedrijven zullen stoppen, wat leidt tot een toename van vrijkomende agrarische bebouwing en gronden. Dit brengt risico’s met zich mee, zoals leegstand en ondermijning, maar biedt tegelijkertijd kansen voor zorgvuldig ingepaste nieuwe functies, mits deze passen bij de landschappelijke en agrarische structuur van ons buitengebied. Er liggen kansen om met nieuwe functies bij te dragen aan de kwaliteiten van ons buitengebied. Daarnaast kan vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk ruimte bieden voor het verplaatsen en verder ontwikkelen van bestaande agrarische bedrijven binnen de gemeente, bijvoorbeeld wanneer verdere ontwikkeling op de huidige locatie beperkt mogelijk is.
Landbouw speelt daarnaast een essentiële rol in het beheer van het landschap. Onze gemeente heeft van oudsher een relatief extensieve landbouw met bedrijfsvoeringen die sterk zijn verbonden met het landschap en het natuurlijk systeem. Veel agrariërs dragen bij aan het beheer van kruidenrijke graslanden, akkerranden en landschapselementen zoals houtsingels, boomgaarden en poelen, die samen de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het buitengebied bepalen. Deze verweving van landbouw en natuur wordt de komende jaren belangrijker, doordat natuur-, water- en landbouwopgaven steeds sterker in elkaar grijpen en de druk op biodiversiteit verder toeneemt.
Daarbovenop komt dat agrarische bedrijven worden geconfronteerd met externe druk en veranderende regelgeving. De provinciale stikstofstroken rondom de Natura 2000 gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen leggen beperkingen op aan ontwikkelruimte binnen een zone van 500 meter rondom deze natuurgebieden. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe ruimteclaims voor onder meer woningbouw, energieopwekking, natuurherstel, recreatie en klimaatopgaven, terwijl extensivering juist meer ruimte vraagt. Dit maakt het uitdagend om agrariërs die graag willen doorgaan — en die van groot belang zijn voor het beheer van het landschap — perspectief te bieden. De trend richting natuurinclusieve landbouw en multifunctioneel gebruik van erven speelt hierin een steeds grotere rol, maar vraagt om zorgvuldige ruimtelijke afwegingen.
Deze ontwikkelingen laten zien dat de opgave voor landbouw in onze gemeente zowel gaat over het vitaal houden van het buitengebied als over het ondersteunen van agrariërs in de transitie naar toekomstbestendige, natuurinclusieve en economisch haalbare bedrijfsmodellen.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Een vitaal en toekomstbestendig buitengebied, waarbij agrariërs die willen doorontwikkelen voldoende perspectief behouden en ruimte krijgen voor een duurzame en toekomstbestendige doorontwikkeling, zodat zij hun rol als beheerder van het landschap kunnen blijven vervullen.
-
• Het zorgvuldig omgaan met bedrijfsbeëindiging en vrijkomende bebouwing, door leegstand, ondermijning en landschapsverloedering te voorkomen en nieuwe functies alleen toe te laten waar zij passen bij de landschappelijke, agrarische en ecologische structuur van onze gemeente.
2.3.10 Toerisme en recreatie
Toerisme en recreatie veranderen snel. Landelijk zien we een groei van binnenlands toerisme, mede door veranderde reispatronen na COVID en de toename van senioren die vaker dichtbij huis recreëren. Ook groeit de belangstelling van buitenlandse bezoekers voor de Veluwe en omliggende regio’s. Daarnaast wandelen, fietsen en verblijven mensen vaker in hun eigen omgeving. Deze ontwikkelingen zorgen voor een stijgende druk op natuurgebieden, vooral op de Veluwe, waar rust en kwetsbaarheid onder toenemende recreatiedruk komen te staan. Tegelijkertijd ontstaat een bredere behoefte aan beleving: mensen zoeken naar vermaak, authenticiteit, vrijheid en variatie in hoe zij hun vrije tijd invullen.
Deze landelijke trends zijn duidelijk zichtbaar in onze gemeente. Jaarlijks vinden er circa 550.000 overnachtingen plaats, waarvan het merendeel op Landal Coldenhove. Dat maakt onze toeristische sector sterk afhankelijk van één grote aanbieder. Ook blijkt uit onderzoek dat ongeveer 80% van de recreanten op de Veluwe inwoners uit de eigen regio zijn, waardoor recreatie in hoge mate lokaal en regionaal georiënteerd is. Door bevolkingsgroei en de woningbouwopgave zal de vraag naar recreatieruimte en voorzieningen verder toenemen. De gebieden die nu al zwaar worden belast door toerisme kunnen die groei niet volledig opvangen, wat leidt tot een te grote druk op kwetsbare natuur en recreatieve hotspots.
Daarnaast kent de gemeente Brummen een ongelijke verdeling van recreatieruimte. De recreatieve druk concentreert zich sterk rondom Eerbeek en de Veluweflank, terwijl het aanbod rondom het dorp Brummen en de IJsselvallei relatief beperkt is. Dat maakt dat bezoekers én inwoners weinig aanleiding hebben om het centrum van Brummen te bezoeken of langer te blijven, ondanks de aantrekkelijke ligging aan rivier en landgoederen. Tegelijkertijd biedt de IJsselvallei kansen voor recreatie, natuurbeleving en routestructuren die dorpen, landschappen en functies beter met elkaar verbinden. Daarbij kunnen we meer profiteren van onze ligging tussen verschillende recreatieve gebieden, zoals de Veluwe, de IJsselvallei en het gebied rond Zutphen, Bronckhorst en Vorden.
De ligging van onze gemeente als onderdeel van de Veluwe en de Stedendriehoek biedt daarbij ook kansen. Dankzij deze positie kan toerisme en recreatie bijdragen aan bredere maatschappelijke doelen, zoals het versterken van het voorzieningenniveau, het behoud en benutten van erfgoed en cultuurhistorie, het ondersteunen van de landbouwtransitie en het vergroten van de economische vitaliteit van dorpen. Door recreatie bewust in te zetten als middel, kan het bijdragen aan een leefbare en toekomstbestendige gemeente.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Het spreiden van recreatie in tijd en ruimte, door druk op kwetsbare natuurgebieden te verminderen en nieuwe of versterkte recreatiemogelijkheden te bieden in de IJsselvallei, rondom het dorp Brummen en op plekken die beter aansluiten bij onze landschappen en routes.
-
• Het ontwikkelen van passend en duurzaam recreatief aanbod, waarbij recreatieruimte meegroeit met de woningbouwopgave en goed verbonden is met de omliggende dorpen, landschappen en voorzieningen via aantrekkelijke wandel-, fiets- en belevingsroutes.
2.3.11 Duurzaamheid en energie
De opgaven rond duurzaamheid, energie en klimaat beïnvloeden de fysieke leefomgeving steeds sterker. Klimaatverandering versnelt de energietransitie: de vraag naar elektriciteit groeit door warmtepompen, elektrische mobiliteit en digitalisering, terwijl het elektriciteitsnet in onze gemeente tot zeker 2032 te weinig capaciteit heeft om alle nieuwe aansluitingen en grootschalige opwek te verwerken. Deze netcongestie maakt elektrificatie, en daarmee verduurzaming, uitdagender. Binnen het Regionaal Programma Energievoorziening (voorheen RES) heeft de gemeente Brummen een duidelijke bijdrage afgesproken: het realiseren van netto 100 hectare zon op land in 2030, waarvan inmiddels circa 75 hectare is vergund.
De beschikbaarheid van energie en netcapaciteit raakt daarnaast steeds meer andere ruimtelijke opgaven. Woningbouw, bedrijvigheid, mobiliteit en voorzieningen vragen allemaal om ruimte binnen het energiesysteem. Hierdoor worden keuzes over energie-infrastructuur steeds meer onderdeel van gebiedsontwikkeling en ruimtelijke afwegingen. Dit vraagt om een netbewuste manier van ontwikkelen, waarbij vraag naar energie, energieopwekking, opslag, mobiliteit en de inrichting van gebieden zoveel mogelijk in samenhang worden bekeken. Ook liggen er kansen in het beter afstemmen van energiegebruik tussen functies, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen of in nieuwe woongebieden.
Ook groeit de maatschappelijke aandacht voor circulair gebruik van grondstoffen en materialen. Overheden stimuleren circulair en biobased bouwen, en ook de gemeente Brummen neemt deel aan projecten die gericht zijn op toekomstbestendige, duurzame bouw- en gebiedsontwikkeling. Ook wordt luchtkwaliteit een steeds belangrijker aandachtspunt, onder meer door strengere normen in 2030 en de relatie met gezondheid en leefomgeving.
Daarnaast wordt steeds meer gekeken naar lokale energieopwekking, -opslag en -gebruik als onderdeel van een robuust en toekomstbestendig energiesysteem. Tegelijkertijd neemt de urgentie van de warmtetransitie toe, net als de aandacht voor energiearmoede in kwetsbare huishoudens.
Deze ontwikkelingen vraagt om aandacht voor het gehele energiesysteem – opwek, opslag, transport en verbruik – in samenhang met ruimtegebruik, netcapaciteit en de kwaliteit van het landschap, onze dorpen en de leefbaarheid.
Deze ontwikkelingen vragen om aandacht voor:
-
• Een toekomstbestendig energie- en duurzaamheidsysteem, waarin wordt gewerkt aan lokale opwek, opslag en verduurzaming, waarbij netcongestie, energie-infrastructuur, de warmtetransitie en het tegengaan van energiearmoede in samenhang worden meegenomen.
-
• Duurzame en toekomstbestendige gebiedsontwikkeling, waarbij circulair en biobased bouwen, energiegebruik, luchtkwaliteit en klimaatbestendig ontwerpen in samenhang worden toegepast.
Figuur 16. Overzicht van de uitdagingen en opgaven voor de toekomst van de gemeente Brummen.
3 Onze Koers
3.1 Wat we zijn
Brummen is een groene, rustige plattelandsgemeente, gelegen in een bijzonder landschap tussen de Veluwe en de IJssel. De stuwwal, beken, ontginningen, landgoederen, stroomruggen en uiterwaarden liggen als natuurlijke lagen achter elkaar. Ze vormen al generaties lang het decor van onze dorpen en bepalen hoe inwoners hier leven, wonen en ondernemen.
Onze dorpen hebben een eigen karakter, maar delen dezelfde verbondenheid en gemeenschapskracht. Het rijke verenigingsleven, de traditie van naoberschap en de informele netwerken maken dat mensen elkaar kennen, helpen en samen verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving. Deze sociale basis is sterk en vormt een belangrijk deel van de identiteit van onze gemeente.
Brummen is ook een gemeente waarin functies al lange tijd vanzelfsprekend verweven zijn. Landbouw, natuur en recreatie vormen samen het buitengebied; de landgoederen verbinden dorp en landschap; en in Eerbeek is de papierindustrie al eeuwen onderdeel van het dorpse leven. Deze combinatie van rust, werkgelegenheid, landschap en gemeenschapszin maakt onze gemeente aantrekkelijk voor bewoners én bezoekers.
We zijn daarmee een gemeente die traditie en vernieuwing combineert. We koesteren onze dorpen, natuur en landschap, maar zijn tegelijk gewend om mee te bewegen met nieuwe ontwikkelingen: van landbouw en papierindustrie tot mobiliteit en recreatie.
3.2 Werken vanuit brede welvaart
We staan voor nieuwe en complexe opgaven, zoals vergrijzing, klimaatverandering, natuurherstel, veranderingen in landbouw en economie, mobiliteit, recreatieve druk en een forse woningbouwopgave. Deze opgaven grijpen in elkaar en vragen om een nieuwe manier van werken, die verder kijkt dan afzonderlijke sectoren of belangen en rekening houdt met de kenmerken en kwaliteiten van onze gemeente. We hebben een manier van afwegen nodig die recht doet aan gezondheid, leefomgevingskwaliteit, sociale verbondenheid, natuur, landschap en een veerkrachtige economie. Brede welvaart biedt dit integrale perspectief.
Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven in brede zin, nu en in de toekomst. Het gaat niet alleen om economische groei, maar ook om gezondheid, sociale samenhang, een aantrekkelijke leefomgeving, een sterk landschap en een duurzame omgang met natuurlijke hulpbronnen. Daarbij kijken we niet alleen naar effecten op de korte termijn, maar ook naar de gevolgen voor toekomstige generaties en voor andere plekken.
Daarom kiezen we voor brede welvaart als koers voor de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat we ruimtelijke keuzes niet alleen beoordelen op nut en noodzaak, maar vooral op hun waarde voor inwoners, natuur en landschap, nu en in de toekomst. Deze benadering sluit aan bij landelijke ontwikkelingen, waarin overheden steeds vaker sturen op brede welvaart als uitgangspunt voor beleid en ruimtelijke keuzes, en krijgt ook binnen de regio Stedendriehoek een steeds belangrijkere plek.
Om brede welvaart in de praktijk te brengen werken we met vier leidende principes. Deze principes vormen het kompas voor onze ruimtelijke keuzes. Ze helpen ons om zorgvuldig om te gaan met ruimte, om kwaliteiten van onze dorpen en landschappen te behouden en te versterken en om ontwikkelingen in balans af te wegen.
De vier principes worden altijd gezamenlijk toegepast. Ze vullen elkaar aan en versterken elkaar. In de praktijk kunnen ze ook spanning met elkaar opleveren. Zo kan een ontwikkellocatie bijvoorbeeld gunstig liggen vanuit het perspectief van water en bodem (het natuurlijk systeem), maar minder goed passen bij landschappelijke kwaliteit (identiteit) of een gezonde leefomgeving. In zulke gevallen maken we een zorgvuldige afweging, waarbij we zoeken naar oplossingen die per saldo bijdragen aan brede welvaart en de kwaliteit van de leefomgeving.
Daarbij gelden per principe ondergrenzen: ontwikkelingen mogen de basiskwaliteiten van onze leefomgeving niet onnodig verslechteren en dragen bij aan het behouden of versterken van brede welvaart en de kwaliteit van de leefomgeving. Zo borgen we dat elke ontwikkeling, groot of klein, waarde toevoegt aan de toekomst van Brummen.
Figuur 17. Brede welvaart als centraal perspectief richting de toekomst met daarbij de vier leidende principes als kompas voor het maken van ruimtelijk keuzes.
3.2.1 Leidend principe 1: Gezonde leefomgeving
Een gezonde leefomgeving betekent dat mensen prettig, veilig en vitaal kunnen leven; een omgeving waar mensen zich fysiek, mentaal en sociaal goed kunnen voelen. In onze gemeente draait dat onder andere om schone lucht, rust, natuur, ruimte om te bewegen en plekken om elkaar te ontmoeten. Gezondheid is voor ons niet alleen een medisch begrip, maar een sociaal en ruimtelijk vraagstuk: de inrichting van onze dorpen, wegen en landschappen heeft directe invloed op het (sociale) welzijn van onze inwoners.
Bij elke ontwikkeling kijken we daarom naar de bijdrage aan een gezonde leefomgeving. Dit doen we door te werken met vijf pijlers:
-
1. Gezonde leefstijl
Een omgeving die uitnodigt tot bewegen, gezond eten en rookvrij leven.
-
2. Gezond en prettig wonen
Woonomgevingen met frisse lucht, rust, veiligheid, verkoeling, comfort en passende woningen voor elke levensfase.
-
3. Actieve en duurzame mobiliteit
Fietsen, wandelen en openbaar vervoer als eerste, vanzelfsprekende en veilige keuze.
-
4. Nabije voorzieningen
Basisvoorzieningen en ontmoetingsplekken op loop- en fietsafstand, als fundament van leefbaarheid.
-
5. Aantrekkelijke en groene plekken
Groen, water en openbare ruimte die uitnodigen tot ontmoeting en ontspanning.
Figuur 18. Gezonde leefomgeving als leidend principe.
3.2.2 Leidend principe 2: Natuurlijk systeem
Het natuurlijk systeem, de samenhang van bodem, water, natuur en klimaat, is een richtinggevend uitgangspunt voor onze ruimtelijke keuzes. Dit systeem bepaalt wat en hoeveel een gebied kan dragen. Hoge zandgronden, natte laagtes, beekdalen, kwelgebieden, grondwaterfluctuatiezones en zones met hoge natuurwaarden vragen elk om een gebiedsspecifieke manier van ontwikkelen, bouwen, ondernemen en recreëren.
We streven naar een Brummen waarin het natuurlijk systeem niet alleen wordt beschermd, maar ook stap voor stap wordt hersteld. Dat betekent dat we kiezen voor het:
-
• verbeteren van bodem- en waterkwaliteit;
-
• versterken van groenblauwe structuren en biodiversiteit;
-
• bouwen en inrichten met oog voor klimaatadaptatie;
-
• zorgvuldig omgaan met het landschap.
In principe kiezen we voor ontwikkelingen die passen binnen de draagkracht van het natuurlijk systeem. Dit vraagt om klimaatbewuste en klimaatadaptieve keuzes: het verminderen van hittestress, het beter vasthouden, bergen en afvoeren van water, versterken van biodiversiteit en behouden en verbeteren van bodem- en waterkwaliteit en leven. Wanneer ontwikkelingen spanning geven met het natuurlijk systeem, zoeken we naar oplossingen die de belasting minimaliseren en de kwaliteit van het systeem aantoonbaar versterken, bijvoorbeeld door landschapsversterking, ecologische verbindingen of watermaatregelen.
Op deze manier werken we aan een veerkrachtige gemeente die bestand is tegen extreme weersomstandigheden, waarin robuuste groenblauwe structuren het landschap dragen en waarin we wonen, ondernemen en recreëren op een manier die in balans is met en aansluit bij natuurlijke processen.
Figuur 19. Natuurlijk systeem als leidend principe.
3.2.3 Leidend principe 3: Identiteit
Onze dorpen, landschappen en gemeenschappen vormen samen het karakter van de gemeente Brummen. Rust, ruimte, groen, erfgoed en sociale verbondenheid bepalen wie we zijn en hoe we onze leefomgeving waarderen. Dit gaat niet alleen over de fysieke inrichting van onze gemeente, maar ook over de manier waarop mensen zich verbonden voelen met hun leefomgeving en met elkaar.
Bij ruimtelijke keuzes streven we ernaar om de unieke kenmerken van plekken zichtbaar te houden en nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig in te passen. Dat betekent dat we kiezen voor het:
-
• bouwen in de schaal en het karakter van het dorp;
-
• behouden van zichtlijnen, groenstructuren en verkavelingspatronen;
-
• versterken van erfgoed en landschappelijke structuren;
-
• versterken van naoberschap en onderlinge verbinding door een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting;
-
• realiseren van zorgvuldige overgangen tussen dorp en landschap;
-
• realiseren van een herkenbare en samenhangende openbare ruimte.
Zo blijven we herkenbaar én eigentijds: een gemeente waar rust, ruimte en verbondenheid samenkomen, waar historie en vernieuwing hand in hand gaan, en waar menselijke maat en schoonheid de basis vormen voor omgevingskwaliteit voor inwoners én bezoekers.
Figuur 20. Identiteit als leidend principe.
3.2.4 Leidend principe 4: Zorgvuldig ruimtegebruik
De ruimte in de gemeente Brummen is schaars. Verschillende opgaven vragen om plek: woningbouw, landbouw, natuur, mobiliteit, economie, water, energie en recreatie. Daarom moeten we ruimte efficiënt, multifunctioneel, eerlijk en toekomstbestendig gebruiken. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen niet alleen ruimte innemen, maar bij voorkeur ook bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving, bijvoorbeeld op het gebied van landschap, natuur, klimaat, gezondheid, groen, sociale samenhang en ruimtelijke kwaliteit.
We kiezen voor zorgvuldig ruimtegebruik door:
-
• eerst bestaande bebouwing te benutten;
-
• te herstructureren waar dat kan;
-
• functies te combineren waar mogelijk;
-
• in geval van uitbreiden te kiezen voor het behouden en versterken van aanwezige kwaliteiten;
-
• te ontwikkelen met aandacht voor bodem, water, klimaat, landschap en leefomgeving;
-
• slim om te gaan met opwek, opslag, transport en gebruik van energie, waarin vraag en aanbod zoveel mogelijk lokaal in balans zijn;
-
• bij ontwikkelingen (groot en klein) altijd meerwaarde toe te voegen.
Figuur 21. Zorgvuldig ruimtegebruik als leidend principe.
3.3 Wat we willen worden
De vier leidende principes geven richting aan de manier waarop wij in Brummen naar ontwikkelingen kijken. Vanuit deze principes hebben we drie samenhangende thema’s bepaald die voor onze gemeente het meest bepalend zijn voor brede welvaart: gezonde en verbonden dorpen, een verweven en veelzijdig buitengebied en een duurzame en circulaire economie. Deze thema’s vormen de vertaling van onze koers naar concrete keuzes voor de toekomst.
3.3.1 Gezonde en verbonden dorpen
Ieder dorp biedt ruimte aan jong en oud, is goed verbonden, vitaal en sociaal sterk.
We werken toe naar dorpen die gezond, verbonden en leefbaar zijn voor jong en oud. Het zijn plekken waar mensen graag wonen, elkaar kennen en ondersteunen, en zich veilig en thuis voelen. Gezonde en verbonden dorpen bieden ruimte voor ontmoeting, passende woningen voor verschillende levensfasen en een openbare ruimte die bewegen, spelen en verblijven stimuleert. Ook zorgen sterke dorpen voor sociale samenhang, gezondheid en betrokkenheid. Om onze doelen te bereiken kiezen we voor:
-
• In ieder dorp en buurtschap ruimte voor woningbouw
-
• Dorpse zorgaanpak
-
• Multifunctionele accommodaties
-
• Versterken van cultuur, erfgoed en ruimtelijke kwaliteit
-
• Vergroening van de dorpen
-
• Multifunctionele openbare ruimte
-
• Versterken lokale en regionale verbindingen ten behoeve van bereikbaarheid en samenhang dorpen
-
• Een veilige leefomgeving
3.3.2 Verweven en veelzijdig buitengebied
Landbouw, natuur, water, landschap en recreatie vormen samen één vitaal en herkenbaar Brummens buitengebied.
We werken toe naar een vitaal en herkenbaar buitengebied, waarin landbouw, natuur, water, landschap en recreatie elkaar versterken. Het buitengebied is een waardevol onderdeel van onze leefomgeving en vormt een samenhangend landschap van Veluwe tot uiterwaarden. We werken toe naar een buitengebied waarin economische functies het landschap blijven dragen, natuurgebieden goed verbonden zijn en er ruimte is voor ondernemen, ontspannen en leven in een karakteristiek en toekomstbestendig landschap. Toerisme en recreatie worden daarbij niet alleen gezien als gebruiksfunctie, maar ook als middel dat bijdraagt aan leefbaarheid, economische vitaliteit en het behoud van landschap en erfgoed. We zetten in op een buitengebied dat zijn identiteit behoudt en waarin kwaliteiten worden versterkt. Vernieuwing vindt plaats op een manier die past bij de schaal en het landschap van Brummen, zodat functies elkaar ondersteunen en niet verdringen. Om onze doelen te bereiken kiezen we voor:
• Onderscheidende landschapstypen met behoud van karakter
• Robuust (regionaal) groenblauw raamwerk
• Toekomstbestendige landbouw
• Gespreide recreatie in tijd en plaats
3.3.3 Duurzame en circulaire economie
Brummen kiest voor een toekomst waarin bedrijvigheid bijdraagt aan leefbaarheid, circulariteit en duurzaamheid.
We werken toe naar een economie die niet alleen economisch rendeert, maar ook bijdraagt aan een gezonde leefomgeving, leefbaarheid, duurzaamheid en circulariteit. Deze economie biedt werkgelegenheid, versterkt onze centra en dorpen en gaat zorgvuldig om met water, materialen, landschap en energie. Dat betekent ruimte voor innovatie, circulair bouwen, duurzame bedrijvigheid en een papierindustrie die omgaat met water, energie en reststromen op een manier die past bij onze leefomgeving en landschap. Ook lokale ondernemers en vitale centra blijven een belangrijke drager van leefbaarheid en gemeenschapskracht. Om onze doelen te bereiken kiezen we voor:
-
• Levendige centra
-
• Toekomstbestendige bedrijventerreinen
-
• Lokaal ondernemerschap in dorpen
-
• Toekomstbestendige papier- en kartonindustrie
-
• Circulaire economie
-
• Duurzaam, robuust en circulair watersysteem
-
• Toekomstbestendig en betrouwbaar energiesysteem
-
• Schone lucht
Figuur 22. Visiekaart Omgevingsvisie Brummen.
4 Thematische keuzes
In hoofdstuk 3 hebben we onze koers bepaald. We hebben uitgewerkt hoe brede welvaart en de vier leidende principes richting geven aan de manier waarop we met de fysieke leefomgeving omgaan.
In dit hoofdstuk werken we die koers verder uit. Dat doen we aan de hand van de drie thema’s die in hoofdstuk 3 zijn benoemd: gezonde en verbonden dorpen, een verweven en veelzijdig buitengebied en een duurzame en circulaire economie.
Per thema lichten we onze ambities toe en benoemen we de beleidskeuzes die richting geven aan de ontwikkeling van onze dorpen, ons landschap en onze economie.
4.1 Gezonde en verbonden dorpen
Onze dorpen zijn het hart van Brummen. Het dorpse karakter, de sterke gemeenschapszin en de nabijheid van voorzieningen bepalen voor een groot deel de kwaliteit van leven. In de uitvoering werken we aan dorpen die ruimte bieden aan jong en oud, waar ontmoeting vanzelfsprekend is en waar de leefomgeving uitnodigt tot bewegen, verblijven en gezond wonen.
4.1.1 In ieder dorp en buurtschap ruimte voor woningbouw
We vinden het belangrijk dat zo veel mogelijk inwoners in het eigen dorp kunnen (blijven) wonen. Daarom kiezen we ervoor om in ieder dorp en buurtschap passende woningbouw mogelijk te maken. Dit biedt kansen om in de eigen vertrouwde omgeving oud te worden, maar ook om juist als starter de eerste eigen woning in het eigen dorp te vinden. Nieuwe woningen sluiten aan op de kwalitatieve woonvraag, zoals de behoefte aan passende woningen voor verschillende doelgroepen en levensfasen, en de kenmerken van het dorp. Met deze groeiruimte willen we de sociale cohesie, de bestaande voorzieningen en het verenigingsleven maximaal ondersteunen.
Kwantitatieve opgave
We geven invulling aan de vastgestelde woningbouwopgave van 1.250 woningen in 2020–2030 en 1.193 woningen in 2031–2040. Deze opgave is gebaseerd op bevolkingsgroei, het woningtekort, het belang van voldoende inwoners voor voorzieningen en de noodzaak om de effecten van vergrijzing op te vangen. Met projecten als Elzenbos fase 3 en Burgersterrein, aangevuld met diverse kleinere locaties, kunnen we de opgave tot 2030 grotendeels realiseren.
Voor de periode tot 2040 is het noodzakelijk om nieuwe ontwikkelplekken aan te wijzen. Voor het bepalen van geschikte locaties gebruiken we de leidende principes als afwegingskader. Daarbij kijken we integraal naar onder meer de geschiktheid van de plek vanuit het natuurlijk systeem, de gezonde leefomgeving, de aansluiting bij de identiteit van dorp en landschap en het zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte.
Voorkeursvolgorde woningbouw
In lijn met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik hanteren we de volgende voorkeursvolgorde om nieuwe woningen te realiseren.
1. Optimaal benutten bestaande bebouwing
We zetten eerst in op het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving. Dat kan door meer woningen te realiseren via bijvoorbeeld transformatie van leegstaande gebouwen, optoppen, aanplakken of mantelzorg- en familiewoningen. Ook zien we mogelijkheden om woningen intensiever te gebruiken, bijvoorbeeld via woningdelen, hospitaverhuur en woningsplitsing. Om eigenaren hierbij zo veel mogelijk te faciliteren stellen we (beleids)regels op die duidelijkheid bieden, heldere voorwaarden geven en zorgen voor een snelle en voorspelbare vergunningverlening. Zo maken we het makkelijker om bestaande woningen en gebouwen optimaal in te zetten voor de woonopgave.
Figuur 23. Voorbeelden van het optimaal benutten van bestaande bebouwing.
2. Herstructurering bestaande verharde en bebouwde plekken
Daarnaast kiezen we voor herstructurering van bestaande verharde en bebouwde plekken, bijvoorbeeld door het herontwikkelen van leegstaande of verouderde bebouwing. Dit biedt niet alleen maar ruimte voor extra woningen, maar vaak ook kansen om de omgevingskwaliteit ter plaatse te verbeteren. We behouden bewust de open, groene plekken in onze dorpen. Deze plekken zijn belangrijk voor klimaatadaptatie en gezondheid: ze bieden ruimte voor waterberging, verkoeling, sport en spel, en dragen bij aan de mentale gezondheid van inwoners. Bovendien zijn groene plekken een belangrijk onderdeel van de identiteit en leefkwaliteit van onze dorpen.
3. Groene uitbreiding voor de lokale behoefte
Hoewel we inzetten op optimaal benutten van de bestaande bebouwing en op herstructurering van verharding en bebouwing, weten we dat deze twee stappen onvoldoende ruimte bieden om de toekomstige lokale woningbehoefte op te vangen. Daarom is uitbreiding aan de randen van dorpen en buurtschappen nodig. Deze nieuwe woonbuurten moeten bijdragen aan groene en toegankelijke dorpsranden met aandacht voor landschap, ruimte voor water, spelen, bewegen en recreatieve uitloopmogelijkheden. Bij de keuze van locaties en de uitwerking van plannen vormen de leidende principes het vertrekpunt.
4. Uitbreiding voor de regionale behoefte
Naast het voorzien in de lokale woonbehoefte dragen we ook bij aan de regionale woonbehoefte. Om dat zorgvuldig te doen, kijken we eerst naar goed ontsloten plekken. In eerste instantie onderzoeken we de kansen nabij de stations van Brummen en Voorst-Empe als goed ontsloten plekken. In tweede instantie zoeken we in de nabijheid van de provinciale wegen. Hierdoor benutten we bestaande infrastructuur optimaal en kunnen we multimodale knooppunten ontwikkelen. Met het oog op gezondheid houden we nieuwe woongebieden op voldoende afstand van infrastructuur en werken we met groene bufferzones of functies zoals werken om hinder te beperken. Zo voorkomen we overlast van geluid en trillingen en creëren we ruimte voor groen, water en een gezonde leefomgeving. Overstromingsrisico’s, bodem, water en klimaatopgaven nemen we nadrukkelijk mee in de locatiekeuze en inrichting van nieuwe woongebieden, in samenhang met de andere leidende principes, zoals gezondheid, leefomgevingskwaliteit en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.
De komende periode werken we verder aan het concretiseren van de woningbouwopgave. Momenteel vindt onderzoek plaats naar geschikte locaties voor woningbouw. Daarbij gebruiken we onder meer de leidende principes uit deze omgevingsvisie als afwegingscriteria. Naar verwachting ontstaat begin 2027 meer duidelijkheid over welke zoeklocaties kansrijk zijn om invulling te geven aan zowel de lokale als de regionale woningbehoefte.
Woonvormen en doelgroepen
De demografische ontwikkelingen vragen om een diversere woningvoorraad met ruimte voor andere woningtypen en aandacht voor de meer kwetsbare doelgroepen op onze woningmarkt. In ons Volkshuisvestingsprogramma werken we dit verder uit.
Meer ruimte voor gestapelde bouw
Om onze dorpen compact te houden en voldoende woningen nabij voorzieningen te realiseren, kiezen we voor meer gestapelde bouw. De hoogte en vormgeving moeten passen bij de schaal en het karakter van het dorp. De (maximale) hoogte hangt af van de plek en de vormgeving van de bebouwing.
In de kleinere kernen en buurtschappen richten we ons vooral op gestapelde bouw in 2 tot 3 bouwlagen, waarbij de bovenste bouwlaag vaak in een kapconstructie kan worden uitgevoerd. Voor Brummen en Eerbeek denken we dat, zeker in en nabij de centra en bedrijvigheid, er kansen liggen voor woningbouw tot 5 bouwlagen, waarbij we in ieder geval de volgende randvoorwaarden willen meegeven:
-
- Zorg voor een (geleidelijke) overgang naar omliggende stedenbouwkundige structuren en houdt rekening met cultuurhistorische waarden.
-
- Zorg voor een passende geleding van bebouwing die past bij de omgeving.
-
- Gebruik groen om gestapelde bouw een eigen plek te geven.
Gestapelde bouw zien we ook als kans om woningbouw te combineren met extra ruimte voor groen, water en recreatieve ontspanningsmogelijkheden aan de randen van onze dorpen.
Figuur 24. Een voorbeeld van een passende geleding en voldoende ruimte rondom bebouwing houden bij gestapelde bouw.
Figuur 25. Een voorbeeld van geleidelijke overgangen en geleding.
Figuur 26. Een voorbeeld van en groene ruimte rondom gestapelde bouw.
Voor iedereen een passende woning
Iedereen moet binnen onze gemeente een wooncarrière kunnen doorlopen. Om mismatch tussen ons woningaanbod en de vraag te verkleinen, streven we naar meer betaalbare en kleinere woningen. Daarom realiseren we onze woningbouwopgave via de verdeling van 30% sociale huur, 35% goedkope koop/betaalbare koop/middenhuur en 35% overig koop. Daarbij hebben we een focus op het bouwen van meer kleinere woningen en/of flexibel aan te passen woningen. Levensloopbestendig bouwen vormt daarbij een belangrijk principe, mede gelet op de sterke vergrijzing binnen onze gemeente. Dat betekent dat we binnen projecten een substantiële hoeveelheid woningen realiseren die zodanig zijn ontworpen dat bewoners er in alle fasen van hun leven kunnen blijven wonen, ook wanneer hun fysieke mogelijkheden veranderen. Daarbij kijken we onder andere naar de toegankelijkheid van woningen (rolstoeltoegankelijk, gelijkvloers, lift en dergelijke) en de zorggeschiktheid (onder andere of slaapkamer en badkamer op de begane grond aanwezig (kunnen) zijn).
Mix van doelgroepen
Om het naoberschap en de sociale samenhang te versterken, streven we naar gemengde woonwijken waarin verschillende doelgroepen door elkaar heen wonen: jong en oud, met en zonder zorgvraag. Bij nieuwbouw hebben we extra aandacht voor doelgroepen die moeilijk aan een woning komen, zoals jongeren, ouderen, mensen met een zorgvraag, statushouders en spoedzoekers. Deze gemengde opbouw draagt bij aan leefbaarheid en een veerkrachtige dorpsgemeenschap.
4.1.2 Dorpse zorgaanpak
We kiezen voor een dorpse, relationele zorgaanpak waarbij mensen zoveel mogelijk in hun eigen dorp zelfstandig thuis kunnen wonen, ook als enige zorg nodig is. In onze dorpen zijn sociale netwerken, vrijwilligers, verenigingen en lokale voorzieningen belangrijke dragers van ondersteuning. Zij vormen een natuurlijke basis voor het opvangen van lichte zorgvragen, het bieden van informele hulp en het versterken van het sociale vangnet.
Dorpsuitbreidingen
Bij nieuwe dorpsuitbreidingen maken we ruimte voor woonvormen die onze dorpse zorgaanpak versterken. We denken dan aan generatiewonen, hofwonen en andere gezamenlijke woonvormen waarin ontmoeting, nabijheid en onderlinge hulp centraal staan. Door woningen te realiseren die geschikt zijn voor verschillende leeftijden en zorgbehoeften, creëren we buurten waar mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen en tegelijkertijd deel uitmaken van een hechte sociale gemeenschap waar mensen naar elkaar omkijken en elkaar ondersteunen.
Specialistische zorg
Daarnaast is het belangrijk dat specialistische zorg in onze gemeente beschikbaar blijft. Daarom zetten we in op het behouden en versterken van de grotere en meer specialistische woonzorgvoorzieningen in Eerbeek en Brummen. Deze voorzieningen zijn van betekenis voor inwoners met een zwaardere zorgvraag en realiseren we bij voorkeur zo dicht mogelijk bij voorzieningen en gezondheidscentra.
4.1.3 Multifunctionele accommodaties
Om de sociale basis in onze dorpen sterk te houden en voorzieningen toekomstbestendig te organiseren, kiezen we voor een samenhangend netwerk van fysieke ontmoetingsplekken. Dit zijn voorzieningen zoals dorpshuizen, scholen, sportvoorzieningen, bibliotheken en kerken. Ze liggen dichtbij, zijn herkenbaar voor inwoners en vormen een belangrijk fundament voor leefbaarheid en naoberschap. We benutten deze plekken zo dat zij meerdere functies kunnen dragen en daarmee hun waarde voor het dorp vergroten.
Waar dat passend is bij de schaal en behoefte van het dorp, zetten we in op multifunctionele accommodaties waarin functies zoals onderwijs, dorpshuis, verenigingsleven, welzijn, zorg en sport samenkomen. Door voorzieningen te bundelen ontstaat een toekomstbestendig gebouw dat efficiënt ruimtegebruik mogelijk maakt, samenwerking stimuleert en bijdraagt aan dagelijkse ontmoeting.
Multifunctionele accommodaties zijn geen doel op zich, maar een middel om duurzame, toegankelijke en herkenbare voorzieningen te realiseren. Zij versterken de sociale infrastructuur van het dorp en dragen bij aan een leefomgeving waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten en ondersteunen. Ook zien we kansen om multifunctionele accommodaties een rol te laten spelen als koele verblijfs- of ontmoetingsplek tijdens perioden van extreme hitte.
4.1.4 Versterken van cultuur, erfgoed en ruimtelijke kwaliteit
Om onze dorpen aantrekkelijk, herkenbaar en toekomstbestendig te houden, kiezen we voor het behouden en versterken van onze cultuur, erfgoed en ruimtelijke kwaliteit. Deze waarden vormen de identiteit van onze kernen en dragen bij aan de beleving, leefbaarheid en verbondenheid van inwoners met hun omgeving.
Cultuurhistorische waarden
De drie kernuitgangspunten voor ons erfgoed en cultuurhistorie zijn behouden, beleven en benutten. Door het zichtbaar en toegankelijk maken van deze waarden verbinden we het verleden met het heden en de toekomst. Het gaat hier niet enkel om monumenten, maar om erfgoed in zijn breedste zin: monumenten, beeldbepalende panden en gezichten, landschap en archeologie. Momenteel brengen wij nog onbeschermde waardevolle en beeldbepalende panden in beeld, zodat deze in de toekomst beschermd kunnen worden en blijvend bijdragen aan de identiteit van onze gemeente. We vinden het belangrijk om ons erfgoed beter in kaart te brengen en de omgang hiermee verder uit te werken. Op die manier kunnen we cultuurhistorie een betere plek geven binnen onze gemeente en de ruimtelijke ontwikkelingen.
Erfgoed staat voor ons niet op zichzelf: we zien kansen om cultuur, erfgoed, toerisme en recreatie, groen en water beter met elkaar te verbinden. Door deze elementen met elkaar te verweven ontstaat een krachtige en aantrekkelijke combinatie die zowel inwoners als bezoekers aanspreekt. Routes, zichtlijnen, openbare ruimte en landschapselementen kunnen bijdragen aan deze beleving, waarbij ook cultuur en kunst een rol spelen in het zichtbaar en beleefbaar maken van het verhaal van Brummen. Daarbij zien we kansen om kunstwerken en culturele uitingen van lokale makers een plek te geven in de leefomgeving, bijvoorbeeld langs wandel- en fietsroutes, op verblijfsplekken en op locaties waar landschap, cultuur en erfgoed samenkomen.
Dorpskwaliteitsgidsen
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de bebouwde omgeving zetten we in op het versterken van ruimtelijke kwaliteit, zodat nieuwe gebouwen passen bij de schaal en sfeer van onze dorpen. Hiervoor gebruiken we de Dorpskwaliteitsgidsen, die richting geven aan de manier waarop identiteit, architectuur en cultuurhistorie een plek krijgen in nieuwe plannen. De gidsen helpen om kleur, materiaalgebruik, maatvoering en de karakteristiek van het dorp herkenbaar te houden. Daarmee vormen zij een belangrijk hulpmiddel voor inwoners, initiatiefnemers en ontwerpers. Op deze manier bouwen we aan dorpen en buurtschappen waarin historie, karakteristieke kenmerken en nieuwe ontwikkelingen elkaar versterken, en waarin de ruimtelijke kwaliteit bijdraagt aan een prettige, herkenbare en betekenisvolle leefomgeving. Voor nieuwe grotere ontwikkelingen kan een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld als aanvulling op de Dorpskwaliteitsgidsen.
4.1.5 Vergroening van de dorpen
Om onze dorpen klimaatbestendig, gezond en aantrekkelijk te houden kiezen, we voor het versterken van groen op en rond de plekken waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. Groen draagt bij aan verkoeling en biodiversiteit, gaat samen met waterberging en een prettige en uitnodigende leefomgeving, en vormt daarmee een essentieel onderdeel van de kwaliteit van onze dorpen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de dorpen vragen we om een financiële bijdrage. Deze bijdrage zetten we onder meer in voor vergroening, klimaatadaptieve maatregelen en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In hoofdstuk 6 lichten we deze financiële bijdrage nader toe.
Groen-tenzij
We behouden bestaande groene plekken en elementen en hanteren bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het principe groen tenzij: we leggen verharding alleen aan wanneer dat noodzakelijk is. Bij herinrichting en nieuwbouw streven we naar minder stenen en meer groen en blauw, zodat onze dorpen beter bestand zijn tegen langere perioden van droogte en hitte en overlast bij hevige regen wordt beperkt. Meer bomen en schaduwrijke routes helpen om straten en pleinen leefbaar te houden, terwijl extra groen bijdraagt aan het opvangen en vasthouden van hemelwater. Waar mogelijk gebruiken we infiltrerende maatregelen zoals wadi’s of halfverharding, bijvoorbeeld bij parkeerplaatsen, om water lokaal te verwerken. Daarnaast stimuleren we ook de vergroening van gebouwen door het toepassen van gevelgroen en groene daken, zodat we ook zo extra ruimte creëren voor groen, verkoeling en wateropvang. Ook zien we kansen om versteende particuliere erven en tuinen verder te vergroenen, bijvoorbeeld door het vervangen van verharding door groen (tegelwippen).
Groene verbindingen en uitloopgebieden
We willen dat groen in de dorpen een samenhangend netwerk vormt in plaats van losse elementen. Door groene plekken binnen de dorpen beter met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld via bomenrijen, hagen, groene voortuinen en plantsoenen, ontstaat een groen raamwerk dat aantrekkelijk is om doorheen te wandelen, te spelen, te verblijven en waarlangs dieren zich kunnen verplaatsen.
Aan de randen van de dorpen willen we voldoende groene uitloopgebieden realiseren. Dit zijn plekken waar inwoners gemakkelijk terechtkunnen voor een ommetje, sport en spel, natuurbeleving of simpelweg een moment van rust. Ze dragen bij aan gezondheid, recreatie en verbondenheid met de omgeving, en bieden tegelijkertijd ruimte voor waterberging, biodiversiteit, natuurontwikkeling en klimaatadaptieve maatregelen.
Klimaatbestendig en biodivers groen
Bij het versterken van groen kiezen we voor inheemse en klimaatrobuuste soorten die beter bestand zijn tegen weersextremen. Zo vergroten we de lokale biodiversiteit en creëren we geschikte habitats voor insecten, vogels en andere fauna. We hanteren daarbij als uitgangspunt dat groenbeheer natuurvriendelijk is, tenzij dit geen meerwaarde heeft of niet passend is bij het gebruik van de plek. Zo worden kruidige vegetaties natuurvriendelijk beheerd, terwijl op locaties waar ruimte nodig is voor spelen, ontmoeten of intensief gebruik gekozen kan worden voor een meer functionele inrichting en beheer, zoals gazon. Door rekening te houden met landschapsecologische omstandigheden sluiten we ecosystemen beter op elkaar aan en versterken we het natuurlijke karakter van onze dorpen. In ons Biodiversiteitsplan werken we dit nader uit.
Programma Groen
Met ons Programma Groen geven we verder richting aan hoe we de groene kwaliteit in onze dorpen vergroten en hoe we groen inzetten als middel voor een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Daarbij horen concrete ambities, zoals het streven naar een groennorm van 75 m² per woning, het principe dat inwoners uitzicht hebben op ten minste drie bomen, en de doelstelling dat minimaal 30% van de openbare ruimte schaduw biedt via boomkronen. Daarnaast streven we ernaar dat inwoners binnen 300 meter altijd toegang hebben tot voldoende grote groene plekken, waar ruimte is voor spelen, ontmoeten, bewegen en verkoeling. Door deze principes toe te passen bij nieuwe ontwikkelingen én in bestaande wijken, werken we stap voor stap aan dorpen die groener, gezonder en klimaatbestendiger worden.
4.1.6 Multifunctionele openbare ruimte
Om onze dorpen gezond, aantrekkelijk en sociaal verbonden te houden, kiezen we voor een openbare ruimte die meerdere functies tegelijk vervult. De openbare ruimte is een dagelijkse ontmoetingsplek waar bewegen, spelen, verblijven en verplaatsen samenkomen. Een sterke inrichting draagt direct bij aan de leefkwaliteit in onze kernen.
Bewegen, ontmoeten en ontspannen
Daarom richten we de openbare ruimte zo in dat deze uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen, en tegelijk bijdraagt aan klimaatadaptatie en biodiversiteit. We geven voorrang aan veilige en aantrekkelijke routes voor voetgangers en fietsers, vergroenen straten en pleinen, creëren schaduwrijke plekken en zorgen voor voldoende ruimte voor water, spelen en verblijven. Daarbij houden we rekening met een veranderende bevolkingssamenstelling, waaronder vergrijzing, en met de toegankelijkheid voor mensen met een beperking. We zorgen voor toegankelijke routes, voldoende zit- en rustplekken en een openbare ruimte die voor iedereen bruikbaar, veilig en comfortabel is. Door functies slim te combineren, benutten we de beschikbare ruimte efficiënt en sluiten we aan bij de schaal van het dorp. Daarbij benutten we zowel de groene structuren binnen de dorpen als de nabijheid van het buitengebied: ommetjes, speelplekken en beweegroutes kunnen doorlopen tot aan de dorpsranden en zo onderdeel vormen van een dagelijkse leefomgeving die actief en gezond gedrag stimuleert. We streven ernaar dat iedere wijk beschikt over ten minste één grotere speelvoorziening. Naast formele speelplekken bieden ook straten, groenstructuren en verblijfsruimten kansen voor dagelijks buitenspelen en bewegen. Daarbij streven we ernaar om ongeveer 3% van onze woonomgevingen beschikbaar te stellen als bruikbare speelruimte voor kinderen. Deze zogenoemde Jantje Betonnorm helpt ons om ook in de toekomst voldoende en kwalitatief goede speelruimte voor kinderen te behouden.
Ruimte slim delen
Multifunctionele openbare ruimte betekent ook dat we ruimte slim delen. Een sportveld kan overdag bijvoorbeeld een beweegplek zijn voor jongeren of ouderen en een schoolplein kan in de avonduren fungeren als buurtplek. Door slim gebruik van ruimte te maken, vergroten we de toegankelijkheid en kwaliteit van de openbare ruimte zonder dat er extra ruimte hoeft te worden aangewend.
Samenhang tussen boven- en ondergrond
Bij het (her)inrichten en ontwerpen van de openbare ruimte houden we rekening met de ondergrond en de aanwezigheid van kabels en leidingen. Door bovengrondse en ondergrondse functies beter op elkaar af te stemmen, voorkomen we dat vergroening, waterberging en infrastructuur elkaar in de weg zitten en werken we toe naar duurzame oplossingen op de lange termijn.
Een fysiek en sociaal veilige openbare ruimte
Daarbij hebben we ook oog voor de fysieke en sociale veiligheid. Dit doen we door onder meer rekening te houden met de ontwerpprincipes van het landelijke programma ‘Ontwerp Veilige Omgeving’ en te zorgen voor voldoende en goede bluswatervoorzieningen volgens de richtlijnen uit de ‘Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid’. Ook zetten we bij het ontwerpen en beheren van de openbare ruimte in op het stimuleren van positieve interactie tussen inwoners en ontmoedigen we ongewenst gedrag, bijvoorbeeld via heldere zichtlijnen, overzichtelijke looproutes, goede verlichting en sociale controle.
Rookvrije openbare ruimte
Roken is nog steeds een van de grootste veroorzakers van ziekte en sterfte. In de buitenlucht worden ook omstanders blootgesteld aan de schadelijke rook. Vooral kinderen hebben bij meeroken een grotere kans op (ernstige) infecties en luchtwegproblemen. Bovendien hebben ze een grotere kans om later zelf te gaan roken. Door meer openbare locaties rookvrij in te richten stimuleren we een rookvrije generatie. Momenteel kennen treinstations en schoolpleinen al een landelijk rookverbod. Als gemeente hebben we inmiddels ook onze speelvoorzieningen, bibliotheken en locaties van Stichting Welzijn Brummen rookvrij gemaakt. Ook diverse sportlocaties hebben zich hierbij aangesloten. Hier bouwen we op voort door te onderzoeken waar aanvullende sport-, jeugd- en ontmoetingsplekken rookvrij kunnen worden ingericht.
4.1.7 Versterken lokale en regionale verbindingen ten behoeve van bereikbaarheid en samenhang dorpen
We kiezen voor het versterken van zowel de lokale als regionale verbindingen tussen onze dorpen, zodat de samenhang binnen de gemeente wordt vergroot en inwoners zich veilig, gezond en prettig kunnen verplaatsen. Goede verbindingen bepalen immers of inwoners gemakkelijk bij voorzieningen kunnen komen, elkaar kunnen ontmoeten, zorg en onderwijs bereikbaar zijn, en verenigingen en lokale ondernemers voldoende draagvlak houden.
Fietser en wandelaar centraal
Binnen de bebouwde kom geven we langzaam verkeer meer prioriteit. We willen dat lopen en fietsen de natuurlijke en veilige keuze zijn voor dagelijkse verplaatsingen binnen de dorpen. Dit nemen we mee in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en in de herinrichting van onze wegen. We werken daarbij toe naar een maximum snelheid van 30 km/uur, waarbij de inrichting van wegen wordt aangepast zodat deze snelheid logisch en vanzelfsprekend is. Dit bevordert de verkeersveiligheid en leefbaarheid en zorgt voor meer ruimte voor verblijfskwaliteit, groen en ontmoeting in de openbare ruimte.
Sterke verbindingen tussen dorpen en met buurgemeenten
Ook tussen de dorpen zetten we de fietser en wandelaar meer centraal. Met de komst van de elektrische fiets is het aantrekkelijker geworden om grotere afstanden per fiets af te leggen. Daarom investeren we in sterke, logische en herkenbare verbindingen tussen onze dorpen, maar ook richting buurgemeenten. Deze routes sluiten aan op de dagelijkse verplaatsingen van inwoners, zoals school- en werkroutes, sportlocaties en zorgvoorzieningen, en vormen tegelijkertijd aantrekkelijke verbindingen voor recreatief gebruik door inwoners en bezoekers. Met sterke west-oostverbindingen verbinden we onze dorpskernen én zorgen we voor het beleven van onze landschappen.
Veiligheid is daarbij essentieel. Auto’s, landbouwvoertuigen, school-/werkverkeer en recreanten maken de verkeersstromen in onze gemeente divers. Door onderscheid tussen verkeerssoorten te maken en het waar mogelijk scheiden van auto’s en fietsers, zorgen we voor aantrekkelijkere en veiligere routes. Tegelijkertijd willen we dat het landelijke gebied zoveel mogelijk wordt ontzien van doorgaand verkeer. Door het mobiliteitsnetwerk beter te structureren en door sterker te sturen op gewenste rijroutes, kunnen we het buitengebied rustiger, veiliger en aantrekkelijker houden voor wandelen, fietsen, natuurbeleving en recreatie.
Mobiliteitshubs
Naast het versterken van langzaam verkeer zetten we in op mobiliteitshubs in onze grotere dorpen. Dit zijn overstapplekken waar verschillende vervoerswijzen samenkomen, zoals openbaar vervoer, fietsenstallingen, deelmobiliteit, oplaadpunten en eventueel aanvullende voorzieningen zoals pakketkluizen of toeristische informatie. Mobiliteitshubs helpen inwoners om vaker te kiezen voor lopen, fietsen en openbaar vervoer, maken overstappen eenvoudiger en verminderen de druk van autoverkeer in de dorpen. Voor de kleinere kernen kiezen we voor sobere hubs, als functionele overstappunten die passen bij de schaal en behoefte van het dorp. Als gemeente blijven we ons inzetten om de OV verbindingen tussen onze dorpen te verbeteren, al erkennen we dat dit in een landelijke gemeente uitdagend blijft en dat de auto een belangrijke rol zal blijven vervullen.
Beter benutten stationsgebieden
De stations van Brummen en Voorst-Empe vervullen een speciale rol als regionale vervoersknooppunten. Er liggen kansen om deze stationsgebieden beter te benutten. De komende jaren onderzoeken we hoe de stationsgebieden kunnen doorontwikkelen tot aantrekkelijke en multifunctionele vervoersknooppunten, die bereikbaar zijn via goede fiets- en loopverbindingen en belangrijke mobiliteitshubs vormen binnen onze gemeente. Een goed ingericht stationsgebied draagt bovendien bij aan de verblijfskwaliteit en aantrekkelijkheid om te reizen met het openbaar vervoer. We zien daarbij ook koppelkansen met onze woon- en werkopgave.
Wegennet Brummen en Eerbeek
Het wegennet in en rond Brummen en Eerbeek vraagt om aandacht vanwege knelpunten op het gebied van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefkwaliteit. In beide dorpen komt doorgaand verkeer samen met lokaal verkeer, langzaam verkeer en woonfuncties, wat leidt tot spanningen.
Voor Brummen en Leuvenheim geldt dat de N348 een belangrijke rol speelt in de verkeersafwikkeling, maar tegelijkertijd een barrière vormt voor leefbaarheid en veiligheid in en rondom het dorp. We blijven daarom bij de provincie aandringen op het terugbrengen van de maximumsnelheid naar 80 km/uur. Voor Brummen onderzoeken we oplossingen om doorgaand verkeer beter te geleiden en woonstraten, zoals de Pothof, te ontlasten. In dit kader verkennen we ook de mogelijkheid van een westelijke rondweg. Deze kan bijdragen aan het verminderen van doorgaand verkeer door de kern en het verbeteren van de leefbaarheid en verkeersveiligheid. Tegelijkertijd vraagt een dergelijke ingreep om een zorgvuldige afweging, gezien de impact op landschap, ruimtegebruik en omgeving.
Ook in Eerbeek spelen vergelijkbare vraagstukken. De verbinding tussen provinciale wegen via de Coldenhovenseweg en Loubergweg zorgt voor druk van met name zwaar verkeer, terwijl deze routes ook worden gebruikt door fietsers en ander langzaam verkeer. Daarnaast staat het centrum van Eerbeek onder druk door doorgaand verkeer.
Voor beide dorpen geldt dat we inzetten op het verminderen en beter sturen van doorgaand verkeer, het verbeteren van de verkeersveiligheid en het versterken van de leefkwaliteit.
Programma Mobiliteit
We geven uitvoering aan het Programma Mobiliteit, waarin deze ambities verder worden uitgewerkt en waarin wordt gestuurd op een toekomstbestendig mobiliteitssysteem dat past bij een gezonde, verbonden en leefbare gemeente.
4.1.8 Een veilige leefomgeving
Een veilige leefomgeving is een randvoorwaarde voor gezonde en leefbare dorpen. We sturen erop dat risico’s voor inwoners, ondernemers en bezoekers zo veel mogelijk worden voorkomen en dat de gevolgen van incidenten beheersbaar blijven. Daarbij hebben we niet alleen aandacht voor externe veiligheid, maar ook voor verkeersveiligheid, sociale veiligheid en het veiligheidsgevoel in de openbare ruimte. Dit doen we door onder meer rekening te houden met de ontwerpprincipes van het landelijke programma ‘Ontwerp Veilige Omgeving’ en te zorgen voor voldoende en goede bluswatervoorzieningen volgens de richtlijnen uit de ‘Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid’. Ook zetten we bij het ontwerpen en beheren van de gebouwde en openbare ruimte in op het stimuleren van positieve interactie tussen inwoners en ontmoedigen we ongewenst gedrag, bijvoorbeeld via heldere zichtlijnen, overzichtelijke looproutes, goede verlichting en sociale controle.
Bij nieuwe ontwikkelingen houden we rekening met risicobronnen, zoals bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt en routes waarover deze stoffen worden vervoerd. We betrekken de Veiligheidsregio vroegtijdig bij ruimtelijke ontwikkelingen, zodat veiligheid vanaf het begin wordt meegenomen in het ontwerp. Daarbij hebben we aandacht voor zelfredzaamheid, bereikbaarheid en de inzet van hulpdiensten. Nieuwe zeer kwetsbare functies, zoals voorzieningen voor minder zelfredzame groepen, situeren we bij voorkeur niet in gebieden met verhoogde risico’s.
Ook bij nieuwe ontwikkelingen in het kader van de energietransitie houden we rekening met veiligheid, bijvoorbeeld bij de inpassing van energievoorzieningen zoals opslag, opwek en distributie. Daarnaast brengen klimaatverandering en extremere weersomstandigheden nieuwe risico’s met zich mee, zoals natuurbrandrisico’s bij droogte en wateroverlast bij hevige neerslag. We houden hier rekening mee bij de inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving, zodat deze ook in de toekomst veilig en veerkrachtig blijft.
4.2 Verweven en veelzijdig buitengebied
Het buitengebied van de gemeente Brummen vormt een samenhangend landschap van Veluwe tot IJssel, waarin natuur, landbouw, water, landschap en recreatie sterk met elkaar verweven zijn. Deze combinatie bepaalt in grote mate de identiteit van onze gemeente en de kwaliteit van de leefomgeving. In de uitvoering werken we aan een buitengebied waarin functies elkaar versterken in plaats van verdringen, waar ruimte is voor landbouw en ondernemerschap, en waar tegelijkertijd natuur, water en landschap worden behouden en versterkt.
4.2.1 Onderscheidende landschapstypen met behoud van karakter
Om de afwisseling en herkenbaarheid van onze landschappen te behouden, kiezen we voor een benadering waarin onderscheidende landschapselementen het uitgangspunt vormen voor nieuwe ontwikkelingen. Elk landschapstype heeft zijn eigen identiteit, schaal en gevoeligheden. Nieuwe initiatieven sluiten aan op deze kenmerken en dragen bij aan de kwaliteit en structuur van het gebied.
Beleefbare landschappen
We versterken landschappelijke structuurdragers zoals beken, watergangen, lanen, houtsingels, zichtlijnen en beplantingsstructuren. Deze elementen zorgen voor samenhang en vormen de verbinding tussen dorpen en buitengebied. Door overgangen tussen bebouwing en landschap zorgvuldig vorm te geven, blijft het landschap leesbaar en herkenbaar.
We maken landschappen beter beleefbaar door landschappelijke structuren zichtbaar te houden, maar ook door goed ontworpen recreatieve routes en informatievoorziening. We zetten daarbij in op sterke west oostverbindingen die zowel dorpen met elkaar verbinden als de diversiteit van het landschap zichtbaar maken. Functionele routes voor dagelijkse verplaatsingen en recreatieve ‘beleefpaden’ lopen steeds meer in elkaar over, waardoor inwoners en bezoekers het landschap beter ervaren en waarderen. Tegelijkertijd zetten we in op het weren van ongewenst doorgaand verkeer uit het buitengebied. Hierdoor blijven de rust, verkeersveiligheid en recreatieve kwaliteit van onze landschappen behouden en krijgen wandelen en fietsen meer ruimte.
Landgoederen
We zien onze landgoederen en buitenplaatsen als dynamische gebieden die zich blijven ontwikkelen. Om deze gebieden toekomstbestendig te houden, bieden we ruimte voor passende doorontwikkeling, waarbij behoud van landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden centraal staat.
We zetten in op het versterken van de samenhang tussen landgoederen en hun omgeving. Door verbindingen te leggen met het omliggende landschap en het groenblauwe netwerk ontstaat een robuust en herkenbaar geheel dat bijdraagt aan biodiversiteit, recreatie en ruimtelijke kwaliteit. Landgoederen spelen daarnaast een belangrijke rol in het recreatieve netwerk van de gemeente. Ze bieden kansen voor het versterken van routes, het vergroten van de beleefbaarheid van het landschap en het beter verbinden van dorpen met het buitengebied.
Daarbij bieden we ruimte voor nieuwe functies en economische dragers die bijdragen aan een duurzaam beheer van de landgoederen, zoals recreatie, kleinschalige bedrijvigheid en natuurbeheer. Voorwaarde is dat deze ontwikkelingen passen bij de schaal, identiteit en draagkracht van het landschap.
Waar dit leidt tot een versterking van landschappelijke kwaliteit en samenhang, zien we ook kansen voor nieuwe landgoedachtige ontwikkelingen of het uitbreiden van bestaande landgoederen. Deze ontwikkelingen moeten aantoonbaar bijdragen aan het versterken van natuur, landschap en recreatie.
Ruimte voor ontwikkeling koppelen aan investeringen in kwaliteit
Vernieuwing in het buitengebied kan ingezet worden om kwaliteit toe te voegen. Daarbij is het belangrijk dat de ontwikkeling past bij het karakter van het landschap. Nieuwe initiatieven stemmen we af op de schaal, structuur en openheid van het gebied waarin ze plaatsvinden. In hoofdstuk 5 worden de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen verder uitgewerkt, zodat initiatieven in elk gebied kunnen worden beoordeeld op hun landschappelijke inpassing. Naast een zorgvuldige landschappelijke inpassing vragen we bij ruimtelijke ontwikkelingen in ons buitengebied ook om een financiële bijdrage, die we onder meer inzetten om de ecologische kwaliteiten te verbeteren en landschapskenmerken te versterken. In hoofdstuk 6 lichten we deze financiële bijdrage nader toe.
In een programma Buitengebied werken we deze doelen en ambities verder uit.
4.2.2 Robuust (regionaal) groenblauw raamwerk
Om ons landschap veerkrachtig, klimaatbestendig en ecologisch sterk te maken, kiezen we voor het versterken van een robuust groenblauw raamwerk. Dit raamwerk vormt de basis voor een goed functionerend watersysteem, biodiversiteit, verkoeling en recreatie en komt zowel de natuur als de landbouw ten goede. In een programma Buitengebied werken we deze doelen en ambities verder uit.
Bescherming en versterking van natuurgebieden
We zetten in op het behoud, herstel en de versterking van natuurwaarden in onze gemeente. Dat betekent dat we zorgvuldig omgaan met kwetsbare ecosystemen, Natura 2000 gebieden en landschappelijke structuren die waardevol zijn voor planten en dieren. We stimuleren initiatieven die bijdragen aan verbetering van de biodiversiteit en de ecologische verbindingen tussen natuurkernen, onder andere via groenblauwe structuren langs beken, watergangen, lanen, houtsingels en oevers.
Tegelijkertijd willen we dat onze natuurgebieden toegankelijk en beleefbaar blijven, zonder dat de draagkracht wordt overschreden. We zetten daarom in op recreatiespreiding en meer groenblauwe beleefbare recreatieruimte, waarbij we inwoners en bezoekers verleiden om vaker gebruik te maken van recreatieve routes en uitloopgebieden dichter bij de dorpen. Zo ontlasten we natuurgebieden die gevoelig zijn voor verstoring en blijft er ruimte voor natuurwaarden die rust vragen. Dit sluit aan bij regionale afspraken over recreatiezonering en bij onze inzet op een sterker recreatief aanbod rondom de kernen.
We stimuleren vormen van landbouw die zorgen voor een levende bodem, sterkere biodiversiteit en een klimaatbestendig landschap. We zien kansen om landbouw, landschap en natuurontwikkeling met elkaar te verbinden, zodat een veerkrachtig en vitaal landschap ontstaat dat geschikt is voor zowel voedselproductie als ecologische kwaliteit. Met name rondom de Natura 2000-gebieden, beken en KRW-wateren ligt hier een grote opgave.
We werken samen met gebiedspartijen, zoals de gebiedscoöperatie Zuidelijke IJsselvallei, IJsselmarke en Boerennatuur, aan het ontwikkelen van projecten die bijdragen aan stikstofreductie, het versterken van groenblauwe structuren en het verbeteren van de waterkwaliteit. Op deze manier koppelen we natuurherstel, landbouwtransitie en wateropgaven aan elkaar in een gebiedsgerichte aanpak.
Beken als ruggengraat
De beken en watergangen functioneren als natuurlijke assen waar water, natuur en recreatie samenkomen en vormen daarmee de ruggengraat van de groenblauwe dooradering door onze gemeente. Door water langer vast te houden, afstroming te vertragen en waterlopen een natuurlijker verloop te geven, versterken we de sponswerking van de bodem en vergroten we de veerkracht van ons landschap.
Dit vraagt om gebiedseigen maatregelen die passen bij de variatie in ons landschap. In lagere, vochtige delen, zoals laagtes en kwelzones, zetten we in op oplossingen zoals plas draszones, vochtige natuur, natuurvriendelijke oevers en tijdelijke retentievlaktes. Daarmee wordt water opgevangen in periodes van overvloed en geleidelijk afgegeven in droge periodes, waardoor het watersysteem minder onder druk staat. Op de hogere zandgronden benutten we juist de infiltratiekracht van de bodem en traditionele structuren zoals rabatbossen en houtsingels, die water vasthouden, vertraagd afvoeren en bijdragen aan de sponswerking van het landschap.
Deze maatregelen dragen niet alleen bij aan waterbergingsmogelijkheden en waterkwaliteit, maar leggen ook een belangrijke basis voor biodiversiteit en recreatieve beleving. Door te werken met passende oevervegetaties, struweel en natuurlijke graslanden worden ecologische verbindingen versterkt. Tegelijkertijd biedt het groenblauwe netwerk kansen voor aantrekkelijke wandel- en recreatieve routes, waardoor de landschappelijke kwaliteiten beter zichtbaar en beleefbaar worden voor inwoners en bezoekers.
Figuur 27. Themakaart Verweven en veelzijdig buitengebied.
Groenblauwe dooradering
Met het huidige stelstel van beken en watergangen hebben we nog geen robuust netwerk. Daarom zetten we in op een aantal nieuwe blauwe verbindingszones. Dit zijn natte natuurlijke verbindingen, die bijdragen aan een robuust toekomstbestendig watersysteem en waarbij groene en blauwe gebieden met elkaar worden verbonden.
Daarnaast zetten we in op een groene en robuuste verbindingszone die de Veluwe(zoom), de Landgoederen Brummen en het Appense Bos (gemeente Voorst) met elkaar verbindt. Deze verbinding vormt een regionaal netwerk dat planten en dieren meer ruimte biedt en recreanten de mogelijkheid geeft om het landschap op een aantrekkelijke en veilige manier te ervaren.
Naast deze grotere structuren zetten we ook in op het versterken van de groenblauwe dooradering op lokaal en fijnmazig niveau, ook buiten de groene verbindingszone. Door het toevoegen en versterken van landschapselementen zoals hagen, houtsingels, akkerranden en watergangen, ontstaat een netwerk dat bijdraagt aan biodiversiteit, waterberging en landschappelijke kwaliteit. Deze dooradering verbindt grotere natuurgebieden en verschillende landschappelijke zones met elkaar en maakt het landschap robuuster en veerkrachtiger. Ook biedt het kansen voor een aantrekkelijker en beleefbaar buitengebied.
Ruimte voor de Rivier 2.0
Het Rijk onderzoekt in het kader van Ruimte voor de Rivier 2.0 welke maatregelen nodig zijn om het rivierengebied in Nederland beter voor te bereiden op klimaatverandering. Daarbij wordt ook gekeken naar projecten/ingrepen binnen onze gemeente.
Om goed voorbereid te zijn kiezen we voor een gezamenlijke en gebiedsgerichte benadering. Samen met de gemeenten Voorst en Zutphen en de provincie Gelderland werken we aan een integrale toekomstvisie. In deze visie brengen we de gebiedskenmerken, wateropgaven en de mogelijke gevolgen van riviermaatregelen samen en kijken we naar koppelkansen op het gebied van onder meer woningbouw, mobiliteit, natuurontwikkeling en recreatie. Deze gezamenlijke toekomstvisie vormt het uitgangspunt voor het gesprek met Rijkswaterstaat wanneer maatregelen in onze gemeente aan de orde zijn.
Aanpak Veluwe
In de Aanpak Veluwe werken het Rijk, de provincie Gelderland, waterschappen en 21 gemeenten, waaronder Brummen, samen aan een toekomstbestendig Veluwegebied. De aanpak is gericht op twee samenhangende ambities: het realiseren van een robuuste natuur en een vitaal landelijk gebied. Dit betekent dat natuurherstel, water- en bodemherstel, landbouw, economie, recreatie en leefbaarheid in samenhang worden opgepakt. De belangrijkste opgaven richten zich op het reduceren van stikstof, het herstellen van natuur en het versterken van het bodem- en watersysteem.
We geven invulling aan onze rol door actief deel te nemen aan de gebiedsprocessen, het vertalen van de regionale opgaven naar lokale keuzes en het benutten van kansen om de kwaliteit en beleefbaarheid van landschap en natuur te versterken. We betrekken de uitgangspunten van de Aanpak Veluwe bij het opstellen van het programma Buitengebied.
4.2.3 Toekomstbestendige landbouw
Om landbouw een toekomst te geven die past bij ons landschap en bijdraagt aan brede welvaart, kiezen we voor een landbouw waarin aandacht is voor bodemkwaliteit, water, natuur, biodiversiteit, gezondheid en landschap. Landbouw blijft een belangrijke drager van ons landschap en vormt in veel gebieden een natuurlijke partner van natuur en recreatie. In een programma Buitengebied werken we onze doelen en ambities verder uit. Daarbij zullen we ook gebiedspartijen, zoals de gebiedscoöperatie Zuidelijke IJsselvallei, IJsselmarke en Boerennatuur, betrekken om te komen tot een toekomstbestendige en gebiedsgerichte aanpak.
Duurzame doorontwikkeling
We zetten samen met de sector in op het verminderen van de milieudruk. Dit vraagt om maatwerk, waarbij we niet sturen op één ontwikkelrichting. Sommige bedrijven kiezen voor extensivering, natuurinclusieve landbouw of nieuwe combinaties van landbouw en natuur. Andere bedrijven investeren juist in innovatie, nieuwe technieken of aanvullende verdienmodellen. Vaak zullen deze ontwikkelrichtingen elkaar aanvullen. Waar dit past bij het landschap en maatschappelijke meerwaarde levert, willen we ruimte bieden aan doorontwikkeling.
We onderscheiden twee soorten landbouwbedrijven, namelijk grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven. Grondgebonden landbouw past als gebiedseigen functie bij het Brummense landschap en blijft ruimte krijgen voor doorontwikkeling, mits deze bijdraagt aan verduurzaming en een toekomstbestendige bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door maatregelen op het gebied van dierenwelzijn, het sluiten van kringlopen, bodemkwaliteit, waterbeheer of biodiversiteit. Voor niet‑grondgebonden intensieve landbouw kiezen we voor een andere koers: we faciliteren geen verdere intensivering of uitbreiding van deze bedrijven. In plaats daarvan sturen we op een geleidelijke omschakeling naar meer natuurinclusieve, gemengde of minder intensieve bedrijfsmodellen.
Daarnaast faciliteren we agrariërs in hun zoektocht naar nieuwe verdienmodellen en multifunctionele vormen van landbouw. We bieden ruimte voor aanvullende functies op agrarische erven, zoals educatie, zorg, recreatie, natuurbeheer, energieopwekking of de verwerking en verkoop van streekproducten. Ook zien we kansen voor bedrijfsvormen waarin voedselproductie wordt gecombineerd met opgaven rond natuur, water, biodiversiteit en landschap, bijvoorbeeld via agroforestry, natuurinclusieve landbouw of natte teelten. Hoe en waar we deze ontwikkelruimte bieden, verschilt per gebied en werken we nader uit in het programma Buitengebied.
Groenblauwe dooradering en landbouw
Een toekomstbestendige landbouw vraagt ook om een landschap dat water kan vasthouden, biodiversiteit ondersteunt en ruimte biedt voor natuurlijke processen. We sturen erop dat landbouw en natuur elkaar versterken en samengaan. Met groenblauwe dooradering willen we landbouw en natuur meer met elkaar verweven.
De manier waarop groenblauwe dooradering wordt vormgegeven verschilt per bedrijf en per bedrijfsvoering. Op sommige bedrijven kan de dooradering zich verspreiden over het hele perceel, bijvoorbeeld via kruidenrijke graslanden, natte teelten, agroforestry, extensieve teeltvormen of andere vormen van multifunctioneel landgebruik. Op andere bedrijven ligt een focus op perceelsranden en overgangszones, zoals houtsingels, akkerranden en natuurvriendelijke slootranden. Zo ontstaat ruimte voor insecten, vogels, kleine zoogdieren en een bodem die beter water kan vasthouden en afgeven. Tegelijkertijd blijft ruimte bestaan voor een toekomstbestendige en economisch vitale landbouw. We zetten in op het aansluiten van nieuwe landschapselementen bij de bedrijfsvoering, zodat biodiversiteit, waterbeheer, landschappelijke kwaliteit en bedrijfsrendement elkaar kunnen versterken.
We zetten ons ervoor in dat agrariërs een eerlijke beloning krijgen voor hun bijdrage aan het landschap en maatschappelijke diensten, zoals water vasthouden, CO₂-opslag of natuurbeheer. Waar mogelijk ondersteunen we regelingen of verdienmodellen die dit mogelijk maken.
Vrijkomende agrarische bebouwing
Voor agrariërs die stoppen bieden we de mogelijkheid om vrijkomende erven zorgvuldig te transformeren naar nieuwe functies, zoals wonen of kleinschalige (recreatieve) bedrijvigheid. Daarbij kijken we naar wat past bij de identiteit en het karakter van het gebied, welke maatschappelijke behoefte er is en hoe de ruimtelijke kwaliteit versterkt kan worden. De transformatiemogelijkheden verschillen dan ook per gebied. In alle gevallen geldt dat transformaties bijdragen aan maatschappelijke opgaven en zorgvuldig worden vormgegeven, onder andere met aandacht voor gewasbeschermingsmiddelen bij nieuwe woningen. Nieuwe functies mogen geen belemmering vormen voor omliggende agrarische bedrijven.
Vrijkomende agrarische gronden behouden daarbij bij voorkeur hun agrarische functie. We zien kansen om deze gronden in te zetten voor de toekomstbestendige ontwikkeling van blijvende agrarische bedrijven, bijvoorbeeld door bedrijfsverplaatsing, extensivering, verduurzaming of het versterken van een grondgebonden bedrijfsvoering. Daarbij benutten we koppelkansen op het gebied van bijvoorbeeld het versterken van groenblauwe dooradering, biodiversiteit, waterkwaliteit, waterberging en een robuust watersysteem.
4.2.4 Gespreide recreatie in tijd en plaats
Om natuur te beschermen en recreatie op een duurzame manier te versterken, kiezen we voor spreiding van recreatie in tijd en plaats. We sluiten aan bij de Veluwebrede koers die inzet op het verlichten van de recreatiedruk op het Veluwemassief door recreatie juist in de Gouden Randen, waaronder de IJsselvallei, aantrekkelijker en toegankelijker te maken. In een programma Toerisme en recreatie werken we deze doelen en ambities verder uit.
Meer ruimte voor recreatie richting de IJsselvallei
We behouden recreatieve functies rondom de Veluwe, maar willen recreanten vaker verleiden om ook andere delen van de gemeente te ontdekken. Vooral in en rond de kern Brummen en in de IJsselvallei liggen kansen om nieuwe recreatieve mogelijkheden te ontwikkelen, passend bij de draagkracht van het landschap. Groenblauwe structuren, (nieuwe) landgoederen en plekken zoals het Gat van Cortenoever bieden mogelijkheden voor recreatie, zoals ommetjes, fietsen, natuurbeleving en kleinschalige recreatieve dag- en verblijfsfuncties. Daarbij zien we kansen om Brummen sterker te positioneren als uitvalsbasis voor recreatieve routes richting bijvoorbeeld de IJsselvallei, Bronckhorst, Zutphen en Voorst.
Rondom de dorpskern Brummen zien we specifieke kansen op ongeveer vijftien minuten fietsafstand. Door recreatieve functies hier te versterken, stimuleren we dat bezoekers het centrum van Brummen vaker aandoen. Dit vraagt ook om een aantrekkelijk en levendig centrum, met een goede verblijfskwaliteit en een passend recreatief en voorzieningenniveau dat een duidelijk bezoekersmotief biedt en zo de vitaliteit van het centrum versterkt. Het behouden van de Bronkhorsterveer over de IJssel is daarin onder meer belangrijk: het vormt een karakteristieke recreatieve schakel binnen het bredere netwerk van routes.
Ons bestaande ontwikkelkader voor dag- en verblijfsrecreatie gebruiken we om nieuwe recreatieve functies op een zorgvuldige manier een plek te geven. Zo zorgen we ervoor dat recreatie past bij het landschap, niet leidt tot verstoring van natuurwaarden en tegelijkertijd bijdraagt aan vitaliteit en beleving.
Agrotoerisme
Daarnaast biedt agrotoerisme kansen om landbouw, natuur en recreatie op een vanzelfsprekende manier met elkaar te verbinden. Door ruimte te geven aan recreatieve initiatieven bij (stoppende) agrarische bedrijven ontstaan nieuwe vormen van beleving die bijdragen aan het perspectief voor boeren, het zichtbaar maken van het landschap en het toegankelijker maken van het buitengebied. Zo kunnen landbouw, natuur en recreatie elkaar versterken en ontstaat er een aantrekkelijk en veelzijdig buitengebied.
Recreatieruimte meebewegend met woningbouw
Meer woningen betekent ook meer behoefte aan recreatie dichtbij huis. Wanneer we onze dorpen laten groeien zonder extra recreatieruimte, neemt de druk op natuurgebieden toe en ontstaan knelpunten in de leefomgeving. Daarom verbinden we woningbouwopgaven aan het versterken van recreatieve routes, ommetjes en groene plekken in en rond onze kernen.
Deze ontwikkeling staat niet op zichzelf. Door de groei van omliggende steden zoals Apeldoorn, Deventer, Zutphen en Arnhem neemt ook de druk op het buitengebied van Brummen als recreatief uitloopgebied toe. Dit betekent dat we niet alleen lokaal, maar ook in regionaal verband moeten nadenken over voldoende recreatieruimte en spreiding van recreatie.
4.3 Duurzame en circulaire economie
Onze economie is nauw verbonden met onze identiteit: vitale centra, lokale ondernemers, de papierindustrie in Eerbeek en bedrijventerreinen die ruimte bieden aan werkgelegenheid. In de uitvoering werken we aan een economie die circulair, biobased, duurzaam en toekomstgericht is en die bewoners, landschap en leefkwaliteit versterkt.
4.3.1 Levendige centra
Om de leefbaarheid en economische vitaliteit van Brummen en Eerbeek te versterken kiezen we voor compacte en levendige centra. Deze centra combineren voorzieningen, winkels, horeca, cultuur, ontmoeten en verblijfskwaliteit tot plekken waar inwoners en bezoekers graag komen.
Centrum Eerbeek
Na de vaststelling van de structuurvisie voor het centrum van Eerbeek in 2018 zijn we gestart met verschillende projecten, zoals het ontwikkelen van het braakliggende Burgersterrein, de Spoorzone (inclusief het Kerstenterrein), de ontwikkelingen rondom en herinrichting van De Wasacker, het 'rondje centrum' en het vaststellen van een beleidsregel over wonen in het centrumgebied in Eerbeek (het Woonkader Eerbeek).
Deze ontwikkelingen beginnen zichtbaar resultaat te geven; het centrum komt in beweging. Met het nieuwe Toeristische OpstapPunt krijgt Eerbeek extra kansen om het industriële en Veluwse DNA van het dorp beleefbaar te maken. Ook met de ontwikkeling van het PAKhuis, waarin de bibliotheek, het welzijnswerk, een papier- en kartonmuseum en de gemeente samenkomen, komt er een nieuwe toegankelijke, levendige en uitnodigende plek in Eerbeek bij. Zowel inwoners als recreanten en toeristen vinden hier straks hun weg.
We blijven verder werken aan de doelen uit de structuurvisie en werken zo toe naar een toekomstbestendig en aantrekkelijk dorpshart, waarbij onder meer aandacht nodig is voor een duurzame invulling van het Oranje Nassauplein.
Centrum Brummen
Ook voor het centrum van Brummen is een structuurvisie opgesteld en zijn de eerste projecten gestart, zoals woningbouw op voormalige schoollocaties, de herontwikkeling van het Graaf van Limburg Stirumplein en de uitbreiding van de Jumbo.
Tegelijkertijd zien we dat het centrum extra aandacht nodig heeft om sterk en toekomstbestendig te blijven. Daarom zetten we in op een ‘aanvalsplan’ voor het centrum van Brummen. Hiermee geven we gerichte aandacht aan de verblijfskwaliteit, de samenhang van functies, de rol van toerisme en de relatie met de IJssel, zodat het centrum aantrekkelijker wordt voor inwoners, ondernemers én bezoekers.
4.3.2 Toekomstbestendige bedrijventerreinen
Onze bedrijventerreinen vormen een belangrijke basis voor de werkgelegenheid binnen onze gemeente en bieden ruimte aan lokale en regionale bedrijven. Tegelijkertijd staan zij voor grote opgaven op het gebied van verduurzaming, vergroening, energie en ruimtedruk. Richting 2040 verwachten we een aanvullende ruimtevraag van circa 2,5 tot 11 hectare. Omdat ruimte in onze gemeente schaars is en meerdere claims samenkomen, kiezen we voor een zorgvuldige en stapsgewijze benadering.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen op bedrijventerreinen vragen we om een financiële bijdrage. Deze bijdrage zetten we onder meer in voor vergroening, klimaatadaptieve maatregelen en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In hoofdstuk 6 lichten we deze financiële bijdrage nader toe.
Efficiënter benutten bestaande bedrijventerreinen
We zetten allereerst in op het optimaal benutten van de bestaande bedrijventerreinen. Dat betekent dat we kijken naar mogelijkheden om terreinen intensiever te gebruiken, functies slimmer te ordenen en verouderde percelen te herontwikkelen. Daarbij verkennen we of lichte bedrijfsactiviteiten kunnen worden verplaatst naar meer passende locaties, zoals dorpsranden of centra, mits dit ruimtelijk en milieukundig past en een bijdrage levert aan de leefbaarheid. Hiermee ontstaat ruimte voor bedrijven die daadwerkelijk gebonden zijn aan bedrijventerreinruimte. Functiemenging in de randen van de centra kan daarbij voor schuifruimte zorgen op bedrijventerreinen. Tegelijkertijd helpt dit om leegstand in de centra aan te pakken, zonder dat de economische functie verloren gaat. We voeren momenteel onderzoek uit naar efficiënt gebruik van milieucategorieën en ruimte en kijken daarbij welk deel van de ruimtevraag tot 2040 via deze eerste stap kan worden opgevangen. Ook zetten we in op een slimmer gebruik van de beschikbare energie-infrastructuur. Door energiegebruik, opwek en opslag beter op elkaar af te stemmen en samenwerking tussen bedrijven te stimuleren, kunnen bestaande netcapaciteit en bedrijfslocaties efficiënter worden benut.
Een toekomstbestendig bedrijventerrein vraagt daarnaast om kwaliteitsverbetering. We zien kansen om terreinen te vergroenen, klimaatadaptief te maken en aantrekkelijker te maken voor werknemers en bezoekers. Dit geldt zowel voor de openbare ruimte als voor individuele kavels. In het bijzonder richten we ons op het optimaal benutten van daken, bijvoorbeeld voor energieopwekking, wateropvang of groen. Deze kwaliteitsimpulsen dragen niet alleen bij aan een beter vestigingsklimaat, maar ook aan biodiversiteit, klimaatbestendigheid en de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Als gemeente stimuleren we ondernemers in het verduurzamen en klimaatadaptief maken van hun bedrijfspand en -perceel.
Nieuwe locaties
Wanneer het efficiënter benutten van bestaande bedrijventerreinen onvoldoende is om in de toekomstige ruimtevraag te kunnen voorzien, zetten we een tweede stap: het zoeken naar nieuwe locaties voor de resterende vraag. Daarbij kijken we zorgvuldig naar maatschappelijke meerwaarde, landschappelijke kwaliteit, verkeersstructuur, energie en wateropgaven en de relatie met omliggende functies. Bij de keuze van locaties en de uitwerking van plannen vormen de leidende principes het vertrekpunt.
4.3.3 Lokaal ondernemerschap in dorpen
Om de leefbaarheid van kleine kernen te versterken kiezen we voor ruimte voor lokaal ondernemerschap dat past bij de schaal en het karakter van het dorp. Kleinschalige bedrijvigheid, zoals ambachten, dienstverlening en ondernemingen aan huis, is passend wanneer deze bijdraagt aan een divers en vitaal dorpsleven. Nieuwe lokale ondernemingen zijn mogelijk wanneer zij passen binnen de schaal en het karakter van het dorp en geen overmatige milieu- en verkeersdruk veroorzaken.
4.3.4 Toekomstbestendige papier- en kartonindustrie
De papier- en kartonindustrie is een belangrijke pijler van onze lokale economie en heeft daarnaast een belangrijke economische betekenis voor de regio en provincie. Daarom kiezen we voor een papierindustrie die toekomstbestendig is, past bij een gezonde leefomgeving, zorgvuldig omgaat met water en energie en stappen zet richting circulariteit.
Binnen het programma Eerbeek-Loenen 2030 werken we samen met Industriekern Eerbeek-Loenen (IKEL), provincie Gelderland, waterschap Vallei en Veluwe, Veluwonen en inwoners aan de verbetering van het evenwicht tussen leefbaarheid, duurzaamheid en vestigingsklimaat. Deze samenwerking zetten we ook graag na 2030 voort, onder gemeentelijke regie.
We zetten in op een transitie naar een circulaire, energie- en waterneutrale papierindustrie. Dit vraagt om innovatieve productiemethoden, efficiënter watergebruik en het benutten van restwarmte binnen een slim energiesysteem. In samenwerking met bedrijven, IWE, netwerkbeheerders en kennispartners onderzoeken we hoe de industrie kan verduurzamen en hoe reststromen kunnen worden ingezet voor andere functies binnen onze gemeente, zoals collectieve warmtesystemen. Zo behouden we werkgelegenheid, versterken we onze economische basis en bouwen we aan een toekomstbestendige industriële sector.
Tegelijkertijd erkennen we dat de toekomst van de papier- en kartonindustrie niet vanzelfsprekend is. Daarom zijn we gestart met een onderzoekstraject waarin we samen met inwoners en belanghebbenden drie toekomstscenario’s gaan uitwerken. Daarbij hebben we oog voor werkgelegenheid, sociale structuur, ruimtelijke impact, Natura 2000 en financiële consequenties. De resultaten van dit onderzoek betrekken we in de toekomstige ruimtelijke en economische ontwikkeling van Eerbeek en bij het op te stellen Programma Eerbeek.
4.3.5 Circulaire economie
Om onze economie minder afhankelijk te maken van eindige grondstoffen kiezen we voor een circulaire economie. Hergebruik van materialen, biobased bouwen en schone productie worden hierbij het uitgangspunt. We verminderen het gebruik van primaire grondstoffen met 50% in 2030 en werken toe naar een volledig circulaire gemeente in 2050. Bij nieuwbouw en renovatie zijn circulaire ontwerpprincipes leidend: gebouwen zijn demontabel, herbruikbaar en klimaatbewust. We zetten daarnaast nadrukkelijk in op het beter benutten en herbestemmen van bestaande bebouwing, om sloop te voorkomen en de levensduur van gebouwen te verlengen.
We voeren de convenanten Biobased Bouwen en Schoon en Emissieloos Bouwen actief uit en verwachten dat initiatiefnemer deze principes toepassen. Met deze aanpak beperken we grondstoffengebruik, verlagen we emissies en versterken we de lokale economie
4.3.6 Duurzaam, robuust en circulair watersysteem
Water is een structurerend element van onze gemeente. We kiezen voor een robuust en toekomstbestendig watersysteem, waarin water vasthouden, bergen, infiltreren en hergebruiken centraal staan en dat bijdraagt aan natuur en leefkwaliteit.
In onze dorpen zetten we in op vergroening, schaduwrijke routes, wadi’s, infiltratie en minder verharding. Allemaal maatregelen die samen zorgen voor wateropvang, verkoeling en een prettige leefomgeving. Daarmee verbinden we het werken aan water met onze doelen rondom gezonde en verbonden dorpen zoals beschreven in hoofdstuk 4.1.
In het buitengebied versterken we het robuuste groenblauwe raamwerk: beken worden beter benut als natuurlijke waterdragers, water wordt langer vastgehouden en we creëren nieuwe blauwe en groene verbindingen. Deze aanpak sluit aan op de koers voor een verweven en veelzijdig buitengebied zoals beschreven in hoofdstuk 4.2.
Voorkeursvolgorde voor de omgang met water
Voor de omgang met water hanteren we een voorkeursvolgorde die aansluit bij het landschap en watersysteem van onze gemeente. Deze voorkeursvolgorde geldt voor dorpen, bedrijventerreinen, buitengebied én nieuwe ontwikkellocaties, en vormt een rode draad in onze ruimtelijke afwegingen. Deze volgorde helpt ons om ruimtelijke keuzes waterbewust en klimaatadaptief te maken.
We beginnen met besparen, door het gebruik van drinkwater te verminderen en het hergebruik van hemelwater actief te stimuleren. Bij renovatie en nieuwbouw streven we ernaar onderscheid te maken tussen drinkwater, huishoudwater en afvalwater, zodat bijvoorbeeld toiletten en wasmachines niet onnodig met volledig schoon drinkwater worden gevoed. Hiermee ontlasten we het watersysteem en verminderen we het gebruik van kostbaar drinkwater.
Daarna streven we naar vasthouden: water moet zo veel mogelijk lokaal in de bodem kunnen wegzakken en verblijven. In de dorpen gebeurt dat via infiltratie in de openbare ruimte of slimme systemen zoals wadi’s of IT riolen; in het landelijk gebied benutten we gebiedseigen structuren zoals rabatbossen, houtsingels, watergangen, natte laagtes en sponsbodems om water vast te houden en vertraagd af te geven.
Wanneer vasthouden niet voldoende is, zoeken we naar mogelijkheden om water tijdelijk te bergen. Dat kan in vijvers of retentieplekken in dorpen, maar ook via plas draszones, tijdelijke retentievlaktes of andere plekken in het landschap die ruimte bieden om water op een natuurlijke manier op te vangen.
Aanpassen betekent dat water sturend is voor onze ruimtelijke keuzes. Bij nieuwe ontwikkelingen houden we rekening met het watersysteem van nu én met de veranderingen die we in de toekomst verwachten. We ontwerpen met de bodemopbouw, grondwaterstanden, kwel en overstromingsgevoeligheid in gedachten en zorgen dat natuur, landbouw en bebouwing passen bij de waterlogica van het gebied.
Pas wanneer eerdere stappen niet toereikend zijn, kiezen we voor afvoeren. Water moet uiteindelijk kunnen stromen, maar altijd op een manier die past bij een veilig, klimaatbestendig en natuurlijk functionerend watersysteem.
Drinkbare IJssel
De IJssel is een van de belangrijkste landschappelijke dragers van onze gemeente. De rivier bepaalt niet alleen het beeld van de uiterwaarden en de stroomruggen, maar is ook van groot belang voor natuur, waterkwaliteit, recreatie en leefomgeving. In regionaal verband werken we daarom mee aan de ambitie van een Drinkbare IJssel, een lange termijnopgave waarin wordt toegewerkt naar een rivier die schoon genoeg is om in te zwemmen en - uiteindelijk - weer drinkbaar te worden.
We zijn een actieve partner in de regio en werken samen met het waterschap, de provincie en maatschappelijke partners aan deze doelstelling. Water dat vanuit onze gemeente naar de IJssel stroomt moet bijdragen aan de ambitie van een Drinkbare IJssel. We zien kansen om via het versterken van natuurvriendelijke oevers, het verbeteren van waterkwaliteit, het verminderen van verontreinigende afstroming en het herstellen van ecologische verbindingen bij te dragen aan deze ambitie. Tegelijkertijd levert een schonere IJssel voordelen op voor recreatie, gezondheid, biodiversiteit en de beleving van het rivierenlandschap.
Circulair watersysteem
Op langere termijn bouwen we aan een circulair watersysteem, waarin water zo veel mogelijk wordt hergebruikt, vastgehouden en teruggebracht in de natuurlijke kringloop. Daarmee vergroten we de waterbeschikbaarheid én versterken we natuur, bodem en landbouw.
4.3.7 Toekomstbestendig en betrouwbaar energiesysteem
We willen in 2050 klimaatneutraal zijn. Daarom kiezen we voor een toekomstbestendig en betrouwbaar energiesysteem dat betaalbaar, haalbaar en ruimtelijk verantwoord is. Dat vraagt om een sterke daling van CO₂ uitstoot: 55% reductie in 2030 en 90% in 2040.
Energiestrategie
We bouwen voort op onze vastgestelde Energiestrategie, waarin we inzetten op energiebesparing in de gebouwde omgeving en de verduurzaming van warmte- en elektriciteitsgebruik. Dat betekent dat we isolatie, hybride en elektrische warmtepompen, collectieve warmtesystemen en de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed stimuleren. Waar mogelijk benutten we restwarmte van de papierindustrie voor een slim en efficiënt energiesysteem dat de vraag naar individuele aardgasoplossingen vermindert. We zien geen rol voor (kleine) kerncentrales. De energiestrategie kent een duidelijke fasering, waarmee we stapsgewijs toewerken naar een klimaatneutraal Brummen.
Korte termijn (tot 2030)
Tot 2030 ligt de focus op het terugdringen van energiegebruik, onder andere door in te zetten op isolatie (bij voorkeur tot minimaal label B). Ook zien we kansen voor het benutten van restwarmte van onder andere de papierindustrie. Wat betreft duurzame opwek realiseren we ons RES bod van 100 hectare zon op land, verspreid over het buitengebied en naar draagkracht van het landschap. Daarnaast breiden we de laad en energie-infrastructuur uit, met extra aandacht voor de laadvraag van zwaar vervoer.
Om de energietransitie en verdere elektrificatie mogelijk te maken, is uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet noodzakelijk. Dit vraagt om extra ruimte voor voorzieningen zoals transformatorhuisjes en andere energie-infrastructuur, zowel in de dorpen als in het buitengebied. We zorgen voor een zorgvuldige inpassing van deze voorzieningen in de leefomgeving, passend bij de schaal en ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Om particuliere elektrificatie mogelijk te maken creëren we daarnaast de juiste voorwaarden en versterken we waar mogelijk de netcapaciteit. Om eigenaren en netbeheerders hierbij te faciliteren stellen we (beleids)regels op die duidelijkheid bieden, heldere voorwaarden geven en zorgen voor een snelle en voorspelbare vergunningverlening.
Daarnaast zien we energieopslag, zoals batterijsystemen, als een essentieel onderdeel van het toekomstige energiesysteem. Energieopslag speelt een belangrijke rol bij het oplossen van netcongestie en maakt nieuwe ontwikkelingen, zoals woningbouw en bedrijvigheid, mogelijk. We geven de voorkeur aan het realiseren van energieopslag op of nabij bedrijventerreinen, energiehubs en bestaande energie-infrastructuur. Daarbij maken we onderscheid tussen kleinschalige toepassingen, die vaak onderdeel zijn van gebouwen of bedrijven, en grootschalige systemen met een grotere ruimtelijke impact, waarvoor een zorgvuldige afweging nodig is.
Bij verduurzaming van gebouwen ten behoeve van de energietransitie houden we rekening met de bescherming van beschermde diersoorten. Met het soortenmanagementplan (SMP) werken we aan een aanpak, waarin bescherming van soorten wordt geborgd bij bijvoorbeeld verbouwing, isolatie en renovatie van gebouwen. Daarbij zorgen we voor het behouden en waar nodig compenseren van verblijfplaatsen en andere essentiële onderdelen van het leefgebied, zodat natuur een plek houdt in de gebouwde omgeving.
Middellange termijn (2030-2040)
Vanaf 2030 verschuift de aandacht naar het opschalen van warmtepompen, miniwarmtenetten en andere lokale warmteoplossingen, vooral in gebieden waar collectieve alternatieven niet haalbaar zijn. De tweede fase van ons RES bod, 30 hectare zon op land, wordt in deze periode ingevuld. We blijven investeren in elektrische mobiliteit en laadpalen, zodat deze voorzieningen in toenemende mate onderdeel worden van het dagelijkse gebruik.
Lange termijn (2040-2050)
Voor de langere termijn onderzoeken we aanvullende duurzame bronnen. In de Energiestrategie is opgenomen dat we onder andere kijken naar windturbines (135 TJ potentieel, mits ruimtelijk en ecologisch haalbaar) en naar de inzet van biogas uit de landbouw. Elektrische mobiliteit blijft zich doorontwikkelen en vraagt blijvend om investeringen in laadinfra en netinpassing.
We gaan aan de slag met een programma Energie waarin we onze energiestrategie verder ruimtelijk uitwerken.
Uitnodigingskader zon en wind
In 2021 hebben we ons Uitnodigingskader zon en wind vastgesteld, waarmee we richting geven aan de energietransitie op een manier die past bij onze landschappen, dorpen en natuurwaarden. Dit kader is leidend voor nieuwe initiatieven om duurzame energie op te wekken. We werken met een ruimtelijke benadering waarin het landschap de mogelijkheden bepaalt: zonnevelden worden gespreid over de zes landschapstypen met een maximum per landschapstype en een totaalplafond van circa 100 hectare tot 2030. Elke ontwikkeling moet bijdragen aan biodiversiteit, bodemkwaliteit, waterberging en landschappelijke structuren. We stimuleren lokaal eigendom en stellen gebiedsgerichte participatie als voorwaarde via maatschappelijke tenders en procesafspraken met de omgeving.
Voor windenergie bieden we ruimte voor erfmolens tot 15 meter en, waar een lokaal collectief dit wenselijk acht, voor dorpsmolens tot circa 40 meter. Dorpsmolens zijn lokaal georganiseerde energie-initiatieven waarbij de opgewekte energie en opbrengsten ten goede komen aan de gemeenschap. Erfmolens zijn gekoppeld aan bestaande erven en bebouwing en hebben een schaal die aansluit bij de lokale energiebehoefte, bijvoorbeeld van enkele woningen of een agrarisch bedrijf.
Op basis van onder andere de meest recente inzichten, normen en ontwikkelingen rondom zon- en windenergie en het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) gaan we aan de slag met het actualiseren van het uitnodigingskader.
Warmteprogramma
De warmtetransitie vraagt om duidelijke keuzes, vooral omdat de mogelijkheden per dorp en wijk verschillen. Daarom werken we aan een warmteprogramma, waarin we de doelstellingen uit onze eerder vastgestelde energiestrategie vertalen naar een gebiedsgerichte aanpak. Dit programma geeft richting aan hoe we als gemeente stap voor stap minder afhankelijk worden van aardgas en overgaan naar duurzame warmtebronnen.
Met het warmteprogramma willen we ervaring opdoen op kleine schaal, door te werken met een beperkt aantal wijkuitvoeringsplannen (WUP’s). We pakken dit gefaseerd aan, zodat de eerste WUP’s ons helpen om beter te begrijpen welke technische, organisatorische en financiële oplossingen passend zijn binnen onze gemeente. Het programma biedt daarnaast duidelijkheid over de verwachte volgorde in de tijd: waar we eerst stappen zetten, welke alternatieven kansrijk zijn en hoe we inwoners en ondernemers daarbij betrekken. Voor de uitvoering zoeken we actief samenwerking met partijen zoals IWE, de papierindustrie, woningcorporaties, energiecoöperaties, Liander, ontwikkelaars en burgerinitiatieven. Het warmteprogramma helpt ons om die samenwerking te organiseren.
Zo creëren we een realistische route naar een aardgasvrije en klimaatneutrale gemeente, waarin warmteoplossingen passen bij de lokale mogelijkheden en kwaliteiten van onze dorpen.
4.3.8 Schone lucht
Brummen is aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord. Om onze dorpen gezond, veilig en leefbaar te houden kiezen we voor ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verbeteren en blootstelling aan luchtvervuiling beperken.
Daarom sturen we bij ruimtelijke keuzes op het verminderen van emissies en op een inrichting die uitnodigt tot schoon en gezond gedrag. Nieuwe woongebieden, zorgfuncties en scholen liggen op voldoende afstand van drukke wegen en spoor en worden waar nodig afgeschermd met groene bufferzones of functies zoals werken. We richten onze dorpen zo in dat lopen, fietsen en duurzame mobiliteit vanzelfsprekende keuzes zijn.
We combineren maatregelen voor schone lucht met klimaatadaptatie en vergroening. Door te werken met bomen, hagen, groene randen en natuurlijke zones creëren we gebieden die verkoelen, water vasthouden en tegelijkertijd lucht zuiveren. Zo bouwen we aan dorpen die gezond, leefbaar en toekomstbestendig zijn.
5 Gebiedsgerichte keuzes
5.1 Veluwe
Gebiedsbeschrijving
Het hoogstgelegen deel van onze gemeente maakt deel uit van de Veluwe. Dit gebied ligt op de stuwwal die in de ijstijd is ontstaan en heeft daardoor een markant reliëf met overwegend droge en voedselarme zandgronden. Het landschap bestaat grotendeels uit uitgestrekte bosgebieden die worden afgewisseld door heidevelden, open plekken en enkele landbouwpercelen. Het gesloten bos, dat deels bestaat uit oudere naaldhoutaanplant en deels uit gemengde en loofbosstructuren, geeft de Veluwe een rustige en natuurlijke uitstraling. Tegelijkertijd staat deze rust onder druk door de hoge recreatieve aantrekkingskracht van het gebied.
De Veluwe heeft een hoge ecologische waarde en heeft een status als Natura 2000 gebied. De afwisseling van bos, heide, natte en droge plekken en de schaal van het gebied maken het belangrijk voor tal van soorten. Daarnaast liggen hier sprengkoppen, plekken waar grondwater aan de oppervlakte komt. Deze bronnen vormden historisch de basis voor het bekenstelsel en de papierindustrie in Eerbeek. De sprengen en beken zijn daarmee zowel ecologisch als cultuurhistorisch waardevol.
Het gebied is vrijwel onbebouwd, op enkele functies in of aan de bosrand na, zoals de papierfabriek Coldenhove, recreatiepark Coldenhove, zwembad Coldenhove, het bedrijventerrein Karel van Gelreweg en incidentele woningen langs de boswegen. De bestaande bebouwing ligt verspreid en is overwegend kleinschalig, passend bij het natuurlijke karakter van de Veluwe.
De Veluwe is tegelijkertijd een belangrijk recreatielandschap. Wandelroutes, fietspaden en verbindingen met onder meer de Veluweflank maken het gebied goed toegankelijk. De schaal, rust en natuurlijke variatie van dit gebied dragen in hoge mate bij aan de identiteit van onze gemeente als groene, landschappelijk waardevolle omgeving.
Kernkwaliteiten
-
• Hooggelegen stuwwallandschap met uitgestrekte bos en heidegebieden.
-
• Onderdeel van Natura 2000 gebied Veluwe, met grote ecologische en recreatieve waarde.
-
• Aanwezigheid van sprengkoppen en beken die zowel ecologisch als cultuurhistorisch bepalend zijn.
-
• Overwegend gesloten, natuurlijk rustig gebied met zeer weinig bebouwing en sterke belevingswaarde van rust en natuur.
-
• Duidelijke historische relatie met de papierindustrie en de vroegere watermolens.
Ambities
In het deelgebied Veluwe staan behoud en versterking van natuur, landschap en rust centraal. Ontwikkelingen zijn ondergeschikt aan deze waarden en vinden alleen plaats als zij bijdragen aan het behoud of de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Daarbij versterken we de samenhang in het gebied en maken we het systeem robuuster voor de effecten van klimaatverandering, zoals droogte en natuurbrandrisico’s.
Voor het watersysteem betekent dit dat we inzetten op het beter vasthouden en infiltreren van water in de bodem en het versterken van het beken- en sprengenstelsel. Daarmee dragen we bij aan het herstel van natuurlijke processen en de ecologische kwaliteit van het gebied. Daarnaast zetten we in op een geleidelijke omvorming van naaldbossen naar gemengde en loofbossen. Dit draagt bij aan een grotere biodiversiteit, een robuuster ecosysteem en een beter functionerend watersysteem, doordat loofbos minder water onttrekt aan de bodem. Via beheer en inrichting werken we aan meer variatie in boomsoorten, leeftijdsopbouw en vegetatiestructuren. Hierdoor ontstaat een veerkrachtiger landschap waarin natuurbranden zich minder gemakkelijk over grote oppervlakten kunnen verspreiden en beter beheersbaar blijven.
De Veluwe blijft een belangrijk recreatief gebied, maar verdere intensivering van recreatieve functies is niet wenselijk. We richten ons op het behouden en optimaliseren van het bestaande recreatienetwerk. Door recreanten te verleiden ook andere gebieden binnen de gemeente te bezoeken en door in te zetten op seizoensverlenging, verminderen we de druk op kwetsbare delen van de Veluwe.
De bestaande bebouwde en recreatieve functies in het gebied behouden we, maar we bieden geen verdere groeiruimte, zodat de balans tussen natuur en gebruik behouden blijft.
Figuur 28. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Veluwe.
5.2 Veluweflank
Gebiedsbeschrijving
De Veluweflank vormt de overgang tussen de hoge gronden van de Veluwe en de lagere delen oostelijker in onze gemeente. Het is een landschap met een duidelijke gelaagdheid waarin reliëf, oude ontginningen, sprengen, beken en landbouwgronden dicht bij elkaar liggen. De zandige en licht golvende ondergrond heeft geleid tot een afwisselend mozaïek van open en besloten landschappen. De ligging op de overgang van hoge en lagere gronden zorgt daarnaast voor een dynamisch grondwatersysteem met lokale verschillen in natte en drogere omstandigheden.
Een belangrijk element van de Veluweflank is het systeem van sprengen en beken dat vanuit de Veluwe door het gebied stroomt. De Eerbeekse Beek, samen met andere bovenlopen zoals de Coldenhovensebeek, heeft een grote invloed gehad op zowel de ruimtelijke ontwikkeling als de economische geschiedenis van Eerbeek. De beken lopen vanuit de Veluwe geleidelijk omlaag en zijn zichtbaar in het landschap als groene lijnen met begeleidende beplanting. Ze zijn ecologisch waardevol en historisch verbonden met het ontstaan van de papierindustrie en de locatiekeuze van watermolens, erven en later fabrieken. Het Apeldoorns Kanaal vormt daarbij een fysieke scheiding in het gebied, die voor mens en dier een zekere barrière vormt.
De nederzettingen op de flank hebben zich ontwikkeld op de hogere en drogere delen. Eerbeek en Hall liggen beide op hoger gelegen enken die zich goed leenden voor akkerbouw. De erven op deze plekken passen zich aan de landschapsstructuur aan; in Hall in een kleinschaliger, historisch patroon; in Eerbeek in een meer rationele opzet die vanaf de twintigste eeuw is uitgebreid met woonwijken. De flank is hierdoor zowel een agrarisch als een woon- en werklandschap geworden, met verspreide erven, lintbebouwing en een netwerk van oude wegen dat nog steeds herkenbaar is.
Beplanting speelt een belangrijke rol in de ruimtelijke beleving van dit gebied. Laanstructuren, houtsingels, bosranden en perceelsrandbeplanting markeren kavels en wegen en geven structuur aan het landschap. Hierdoor ontstaat een afwisseling tussen open akkergebieden en meer besloten zones rondom erven en bosranden. Oude wegen, fietsroutes en wandeltrajecten verbinden de dorpen op de flank met de Veluwe met de landgoederenzone en de rest van onze gemeente.
De Veluweflank is daarmee een gebied waar landbouw, natuur, erfgoed en bewoning dicht bij elkaar liggen en elkaar versterken.
Kernkwaliteiten
-
• Afwisselend overgangslandschap met reliëf, bosranden, open akkers en kleinschalige kampen.
-
• Aanwezigheid van sprengen en bovenlopen van beken die ecologisch en cultuurhistorisch bepalend zijn.
-
• Combinatie van historisch gegroeide erven rond Hall en rationele verkaveling rond Eerbeek.
-
• Duidelijke landschappelijke structuur door lanen, houtsingels en perceelsbeplanting.
-
• Overgangsgebied waar landbouw, (papier)industrie, natuur en wonen in samenhang voorkomen.
Ambities
De Veluweflank is een veelzijdig en dynamisch overgangsgebied waar landschap, water, landbouw, bedrijvigheid, recreatie en wonen samenkomen. We bouwen voort op deze gelaagde structuur en zetten in op het behouden en versterken van de landschappelijke kwaliteiten, met ruimte voor doorontwikkeling naar een meer gemengd en toekomstbestendig landschap. De bestaande variatie van kleinschalige kampen tot rationele verkaveling blijft behouden en wordt waar mogelijk versterkt, onder andere door het behoud en herstel van lanen, houtsingels en perceelsbeplanting.
We zien kansen voor nieuwe functies zoals wonen, zorg, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid, mits deze gepaard gaan met een investering in landschappelijke kwaliteit, natuur, water en recreatieve structuren. Hergebruik en transformatie van vrijkomende agrarische erven spelen hierbij een belangrijke rol. Tegelijkertijd versterken we de rol van de Veluweflank als schakel tussen de Veluwe en de rest van de gemeente. Dit doen we door te werken aan een aantrekkelijk en samenhangend recreatief netwerk, dat bijdraagt aan een betere spreiding van recreanten.
Een belangrijk uitgangspunt is het versterken van het watersysteem. We spelen in op de natuurlijke gradiënt van hoog naar laag en zetten in op het beter vasthouden, infiltreren en benutten van water. Daarbij hebben we aandacht voor fluctuaties van de grondwaterstanden en onderzoeken handelingsperspectieven om wateroverlast als gevolg van deze fluctuaties in de toekomst zo veel mogelijk te beperken. Daarnaast werken we aan het herstel en de versterking van beken en watergangen als dragers van het landschap. Mogelijk liggen er kansen om in de nattere gebieden te experimenteren met nieuwe teelten of andere functies die inspelen op deze fluctuaties.
Langs het Apeldoorns Kanaal bouwen we verder aan het bestaande industrieel watercluster. Initiatieven zoals de waterrotonde laten zien hoe wordt gewerkt aan een circulair proceswatersysteem, waarbij water efficiënter wordt gebruikt en de afhankelijkheid van grondwater voor industriële toepassingen afneemt. Dit biedt kansen om de verduurzaming van de industrie verder te ondersteunen.
Tegelijkertijd vraagt het kanaal aandacht als ruimtelijke en ecologische barrière. We verkennen mogelijkheden om deze scheidende werking te verzachten, bijvoorbeeld door het verbeteren van langzaamverkeersverbindingen en het versterken van ecologische relaties.
Figuur 29. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Veuweflank.
5.3 Ontginningen
Gebiedsbeschrijving
Het ontginningslandschap vormt de brede open zone tussen de Veluweflank en de landgoederenzone. Het is een gebied dat in de 19e en 20e eeuw in relatief korte tijd is getransformeerd van heidevelden, natte hooilanden en moerassen naar rationeel ingerichte landbouwgrond. Deze ontwikkeling is duidelijk terug te zien in het huidige landschap. Het gebied kenmerkt zich door lange, rechte wegen, rechtlijnige kavelgrenzen en een duidelijke agrarische opzet. De ruimte is grotendeels open en weids, met percelen die weinig beplanting bevatten. Waar beplanting wel aanwezig is, gaat het vooral om laanbeplanting langs wegen en erfbeplanting rond boerderijen. De openheid en helderheid van het verkavelingspatroon bepalen de beleving van deze zone.
Het gebied is van nature laag en relatief nat. Daarnaast stroomt kwelwater vanuit de hogere Veluwe en komt in dit gebied op verschillende plekken aan of tot dicht onder het maaiveld. Hierdoor konden in de ontginningen natte natuurtypen ontstaan die vandaag nog zichtbaar zijn op plekken die niet zijn ontwaterd. De Empese en Tondense Heide en het Soerense Broek behoren tot de meest waardevolle voorbeelden hiervan. Zij zijn onderdeel van het Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen en herbergen blauwgraslanden, natte heide en soortenrijke hooilanden. Deze natuurgebieden liggen als groene en ecologische accenten in het verder agrarisch ingerichte landschap.
De bebouwing binnen het ontginningslandschap is schaars en geconcentreerd langs de rechte wegen. Boerderijen staan meestal vrij in het open veld en zijn functioneel van opzet. De erven zijn ruim, overzichtelijk en georiënteerd op de weg. Door deze rationele opbouw sluiten zij aan bij de structuur van het ontginningslandschap.
Het ontginningslandschap heeft tot op de dag van vandaag een sterke agrarische functie. Melkveehouderij en graslandgebruik domineren het beeld. De openheid van het gebied en de grote percelen maken modern agrarisch gebruik goed mogelijk. Tegelijkertijd vormt de aanwezigheid van beken zoals de Eerbeekse Beek, de Voorstondse Beek en de Oekense Beek een belangrijke landschappelijke en ecologische drager. De beken lopen kronkelend door het verder rechte landschap en creëren daarmee contrast en herkenbaarheid. Zij verbinden natte natuurgebieden met landbouwgronden en dragen bij aan biodiversiteit en waterhuishouding.
Kernkwaliteiten
-
• Rationeel verkavelingspatroon met rechte wegen en lange kavels.
-
• Een open agrarisch landschap met graslanden en verspreide boerderijen.
-
• Aanwezigheid van waardevolle natte natuur, waaronder Empese en Tondense Heide en het Soerense Broek.
-
• Natte laagtes en kwelzones.
-
• Kronkelende beken als contrast in een verder rechtlijnig landschap.
Ambities
In de ontginningen zetten we in op het behouden en versterken van het open agrarische landschap en de bijbehorende structuur. De grootschaligheid, rechtlijnigheid en openheid vormen de basis voor toekomstig gebruik en ontwikkeling. Het agrarisch karakter blijft leidend, waarbij we werken aan een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw.
We werken aan een goede balans tussen landbouw, natuur en water, waarbij landbouw de dragende functie blijft binnen het gebied. Daarbij zetten we in op het versterken van de samenhang tussen deze functies, bijvoorbeeld door biodiversiteit te vergroten langs perceelsranden, beken en in natte zones. De bestaande natte natuurgebieden en kwelzones beschermen en versterken we als belangrijke ecologische kerngebieden binnen het landschap.
Het watersysteem is een belangrijke drager voor de ontwikkeling van het gebied. We spelen in op de natuurlijke dynamiek van natte laagtes en kwel en zetten in op het vasthouden en bergen van water. In gebieden die gevoelig zijn voor natte omstandigheden zijn we terughoudend met nieuwe bebouwing.
Nieuwe functies moeten passen bij het open en agrarische karakter van het gebied. Met name nieuwe woningen en andere kwetsbare functies vragen om een zorgvuldige afweging, mede in relatie tot de agrarische bedrijfsvoering en de milieuruimte. Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de landschappelijke kwaliteit en gaan gepaard met een passende landschappelijke inpassing.
Recreatie speelt een ondersteunende rol en sluit aan bij het agrarische karakter van het gebied. We zetten in op het versterken van wandel- en fietsroutes, zodat het landschap beter beleefbaar wordt en goede verbindingen ontstaan tussen de dorpen, natuurgebieden en het buitengebied. Daarbij verbeteren we met name de oost-west verbindingen, zodat zowel inwoners als recreanten zich beter door de gemeente kunnen verplaatsen.
Figuur 30. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Ontginningen.
5.4 Landgoederenzone
Gebiedsbeschrijving
De landgoederenzone vormt een van de meest karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle delen van onze gemeente. Dit gebied ligt op de overgang van de ontginningen naar de hogere stroomruggen en bestaat uit een reeks historische landgoederen en buitenplaatsen die vanaf de 17de eeuw zijn aangelegd. Landgoederen zoals Engelenburg, Voorstonden, Spaensweerd, Den Bosch, De Wildbaan en Huis te Eerbeek bepalen het beeld van dit landschap. Zij vormen samen een fijnmazig netwerk van parken, lanen, zichtassen, bospercelen, weilanden en akkers, waarbij elke plek verwijzingen bevat naar verschillende historische ontwerpstijlen en tijdsperioden. De zone heeft daardoor een verfijnd en gelaagd karakter dat uniek is binnen onze gemeente.
Tussen deze landgoederen ligt het buurtschap Broek, een kleine, herkenbare nederzetting aan de Knoevennoordstraat, waar erven en woningen als een kleinschalig ensemble in het parkachtige landschap liggen. Broek vormt een logisch onderdeel van de landgoederenzone en volgt de open besloten structuur van het omliggende cultuurlandschap.
Het landschap wordt gekenmerkt door een sterke afwisseling van open en besloten ruimtes. Weilanden en akkers liggen ingebed tussen oude bosranden, houtsingels en lanen. Deze structuur maakt de landgoederenzone tot een coulissenlandschap waarin telkens nieuwe perspectieven ontstaan. De formele lanen en parkbossen verwijzen naar de oorsprong van de buitenplaatsen, terwijl de afwisseling van bos en open landbouwgrond de diversiteit van het gebied versterkt. De beken die vanuit het westen komen, zoals de Eerbeekse Beek en de Oekense Beek, zijn in verschillende landgoederen opgenomen in vijvers, grachten of waterpartijen. Hiermee vormen zij zowel landschappelijke als cultuurhistorische dragers.
De bebouwing in de landgoederenzone bestaat voor een belangrijk deel uit historische ensembles. Hoofdgebouwen met bijgebouwen, koetshuizen, boerderijen en dienstwoningen liggen ingebed in ontworpen groenstructuren. Nieuwe bebouwing komt slechts beperkt voor en maakt doorgaans onderdeel uit van bestaande erven of functiewijzigingen. Landbouw is in dit gebied aanwezig in de vorm van graslanden, akkers en agrarische erven, maar het agrarisch gebruik is hier vrijwel altijd ingebed in de landschappelijke structuur van de landgoederen. Dat maakt dit gebied anders dan de open ontginningen of de rationele landbouwstructuren elders in onze gemeente.
De landgoederenzone heeft daarnaast een belangrijke ecologische functie. De combinatie van oude lanen, boscomplexen, natte laagtes, kwelplekken en open percelen zorgt voor een hoge biodiversiteit. Deze variatie is mede aanleiding geweest voor de aanwijzing van delen van het gebied als Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen, waar bijzondere soorten voorkomen, zoals vleermuizen, bosvogels, insecten en verschillende plantensoorten. De zone vormt een belangrijke ecologische verbinding tussen Veluwe, ontginningen en stroomruggenlandschap.
Kernkwaliteiten
-
• Een uniek ensemble van historische landgoederen en buitenplaatsen met parken, lanen en waterpartijen.
-
• Afwisseling van open en besloten landschap met bosranden, weilanden, akkers en houtsingels.
-
• Beken en waterlopen die als belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische dragers onderdeel uitmaken van de landgoederen.
-
• Hoge biodiversiteit door de combinatie van bos, vochtige laagtes, open percelen en oude beplantingsstructuren.
-
• Cultuurhistorische rijkdom met zichtassen, historische bebouwing en ontworpen landschappen.
-
• Een gebied waarin natuur, landbouw, recreatie en erfgoed in samenhang aanwezig zijn.
Ambities
De landgoederenzone is een gebied waar natuur, erfgoed, landbouw en recreatie op een unieke manier met elkaar verweven zijn. Dit multifunctionele karakter behouden en versterken we, waarbij de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het landgoederenlandschap leidend zijn. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en de versterking van de kenmerkende ‘landgoedsfeer’, waarin historie, natuur en gebruik in balans zijn.
We behouden en versterken de bestaande natuurwaarden en zien kansen om deze verder kwalitatief te ontwikkelen in samenhang met het beheer van landgoederen en landbouwgronden. Natuurinclusieve vormen van landbouw spelen hierbij een belangrijke rol als beheerder van het landschap en dragen bij aan biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit. Het stelsel van beken en watergangen vormt ook een belangrijke drager van het gebied. We zetten in op het behouden en versterken van deze structuren, zowel vanuit ecologisch als cultuurhistorisch perspectief. Daarmee blijven water en landschap onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De landgoederenzone biedt ruimte voor een duurzame mix van functies, waarin natuur, landbouw, erfgoed en recreatie in samenhang met elkaar functioneren. Landgoederen en erven vormen de dragers van deze ontwikkeling. De landgoederenzone is daarbij nooit een statisch landschap geweest. Door de eeuwen heen hebben landgoederen zich steeds aangepast aan veranderende maatschappelijke, economische en landschappelijke omstandigheden. Nieuwe functies, ontwerpstijlen en vormen van gebruik hebben daarbij telkens hun plek gevonden, terwijl de karakteristieke kwaliteiten van het gebied behouden bleven. In die traditie zien wij ook ruimte voor verdere ontwikkeling. Hergebruik en transformatie van vrijkomende agrarische erven spelen hierbij een belangrijke rol. We bieden ruimte voor functieverandering en nieuwe economische dragers die bijdragen aan een duurzaam beheer en de instandhouding van landgoederen en het omliggende landschap. We zien kansen voor kleinschalige recreatie, verbreding van agrarische bedrijven en nieuwe functies, zoals zorg, wonen en kleinschalige bedrijvigheid. Voorwaarde is dat deze ontwikkelingen passen bij de schaal en uitstraling van het gebied en bijdragen aan het versterken van de kernkwaliteiten. We zijn bij functieverandering terughoudend met grote aantallen nieuwe woningen en functies die leiden tot een sterke toename van verkeer of druk op het gebied. Ontwikkelingen die niet passen bij het rustige en verfijnde karakter van de landgoederenzone worden niet toegestaan, mede om zo verrommeling van het gebied te voorkomen. We bieden kleinschalige ontwikkelruimte in buurtschappen, mits deze past bij de schaal, structuur en het karakter van het gebied en bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit.
Recreatie maakt onderdeel uit van deze functiemix en wordt op een passende manier versterkt, met name rondom de kern Brummen. We leggen daarbij de focus op kleinschaligheid, beleving en kwaliteit, passend bij het karakter van het gebied. Daarnaast zetten we in op het versterken van wandel- en fietsroutes, zodat het landschap beter beleefbaar wordt en goede verbindingen ontstaan tussen de dorpen, natuurgebieden en het buitengebied. Daarbij verbeteren we met name de oost-west verbindingen, zodat zowel inwoners als recreanten zich beter door de gemeente kunnen verplaatsen.
Figuur 31. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Landgoederenzone.
5.5 Stroomruggenlandschap
Gebiedsbeschrijving
Het stroomruggenlandschap vormt de verhoogde zone tussen de lagere ontginningen en de uiterwaarden van de IJssel. Deze hoger gelegen zandige ruggen zijn ontstaan uit oude rivierafzettingen en boden daardoor al vroeg geschikte vestigingsplekken voor akkerbouw en bewoning. De dorpen Brummen, Leuvenheim, Oeken en Empe liggen op deze ruggen. Daarnaast zijn in dit landschap verschillende herkenbare buurtschappen ontstaan, waaronder Voorstonden en Tonden, die als kleine clusters van erven en woningen onderdeel uitmaken van het historisch gegroeide lintpatroon. In de verkaveling, de ligging van erven en de bochtige loop van de wegen is de relatie met de rivier nog altijd duidelijk herkenbaar. Hoewel het landschap voornamelijk uit zandige rivierafzettingen bestaat, komen in lagere delen ook kleiige afzettingen voor die samenhangen met vroegere geulen en overstromingsdynamiek.
Het landschap heeft een halfopen karakter. De hoogste delen werden traditioneel gebruikt als akkercomplexen, terwijl de lagere zones in het landschap als grasland functioneerden. Door ruilverkaveling in de twintigste eeuw is de verkaveling grootschaliger geworden en is een deel van de beplanting verdwenen, maar de onregelmatige en bochtige structuren van wegen en kavels zijn nog altijd duidelijk zichtbaar. De openheid van de akkers contrasteert met kleine bosjes, erfbeplanting en incidentele houtsingels die het landschap markeren. Zo ontstaat een afwisseling van zichtlijnen, groenaccenten en open landbouwgronden.
De dorpen en buurtschappen op de stroomruggen hebben een verspreide en informele verkavelingsstructuur. Boerderijen, erven en woningen liggen langs slingerende wegen die het natuurlijke reliëf volgen. De bebouwing sluit nauw aan bij het landschap: erven liggen vaak iets verhoogd, met hagen, bomen of kleine boomgaarden die de overgang vormen tussen erf en open veld. De samenhang tussen nederzettingsstructuur en landschapsvorm is hierdoor goed bewaard gebleven en draagt sterk bij aan de herkenbaarheid van het gebied.
Daarnaast heeft dit deelgebied een belangrijke rol als schakellandschap. De zone vormt de overgang tussen de meer besloten landgoederenzone en het open rivierenlandschap van de uiterwaarden. Tegelijkertijd fungeert zij als ecologische en recreatieve verbinding. Verschillende beken, waaronder de Rhienderense Beek, stromen door dit gebied richting de IJssel en vormen natuurlijke structuren in het landschap. Dankzij de combinatie van landbouw, erfbeplanting, dorpslinten en open ruimte is het stroomruggenlandschap een veelzijdig en karakteristiek onderdeel van onze gemeente.
Kernkwaliteiten
-
• Hoger en droger zandlandschap op oude rivierafzettingen.
-
• Lokaal kleiige afzettingen in de lagere delen.
-
• Lintvormige dorpen en buurtschappen die het reliëf volgen en sterk verbonden zijn met het landschap.
-
• Onregelmatige, bochtige wegen en kavels die de historische ontginning leesbaar houden.
-
• Halfopen landschap met open akkercomplexen, erfbeplanting, kleine bosjes en markante doorzichten.
-
• Natuurlijke structuren door beken die richting de IJssel lopen.
-
• Overgangsgebied dat landgoederen, landbouw en het rivierengebied ruimtelijk met elkaar verbindt.
Ambities
Het stroomruggenlandschap is van oudsher het gebied waarin wonen, werken en landbouw samenkomen. Deze verwevenheid is nog altijd zichtbaar en vormt het uitgangspunt voor de verdere ontwikkeling van het gebied.
Een belangrijk deel van de toekomstige ontwikkelopgaven, zoals wonen en werken, zal naar verwachting in of nabij dit deelgebied landen. Deze ontwikkelingen bouwen voort op de bestaande ruimtelijke structuren en worden zorgvuldig ingepast in het landschap. Dit geldt ook voor de gepaste groeimogelijkheden van de buurtschappen. Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig ingepast in de bestaande landschappelijke structuur. Hergebruik en transformatie van vrijkomende agrarische erven spelen daarnaast een belangrijke rol in het bieden van ontwikkelmogelijkheden.
Het omliggende landschap behoudt zijn agrarische karakter en blijft een belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit. We richten ons op het behouden en versterken van het halfopen landschap met zichtlijnen, open akkercomplexen en groene erfstructuren. De landbouw blijft een belangrijke functie binnen dit gebied en draagt bij aan het beheer en gebruik van het landschap.
Het stelsel van beken en watergangen vormt een belangrijke drager van het gebied. We zetten in op het behouden en versterken van deze structuren en geven water een nadrukkelijke plek in de inrichting van het gebied, onder andere in relatie tot klimaatadaptatie en de nabijheid van de IJssel.
Dit deelgebied speelt een belangrijke rol in de relatie tussen de kern Brummen en het omliggende landschap en de IJssel. We versterken de recreatieve verbindingen tussen de dorpskern en het IJssellandschap, zodat inwoners het landschap beter kunnen bereiken en beleven. Rondom de kern Brummen zien we kansen om de recreatieve betekenis van het gebied te versterken. Daarbij zien we het Gat van Cortenoever als plek met grote recreatieve potentie. Verder zetten we in op het versterken van wandel- en fietsroutes, zodat het landschap beter beleefbaar wordt en goede verbindingen ontstaan tussen de dorpen, natuurgebieden en het buitengebied. Daarbij verbeteren we met name de oost-west verbindingen, zodat zowel inwoners als recreanten zich beter door de gemeente kunnen verplaatsen.
Figuur 32. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Stroomruggenlandschap.
5.6 IJssel en uiterwaarden
Gebiedsbeschrijving
De uiterwaarden vormen het laaggelegen en dynamische rivierenlandschap langs de IJssel. Dit gebied is door de eeuwen heen gevormd door sedimentatie, overstromingen en menselijke ingrepen zoals dijklegging en rivierverlegging. De openheid, het reliëf en de zichtbare rivierstructuren maken de uiterwaarden tot een van de meest herkenbare landschappen van onze gemeente. Binnendijks bestaat het landschap vooral uit akkers en graslanden met een onregelmatige verkaveling. Buitendijks liggen graslanden, oude riviergeulen, glooiingen, meidoornhagen, kleine bosjes en moerasachtige zones die samen een rijk en afwisselend beeld vormen.
Het gebied heeft een duidelijke cultuurhistorische gelaagdheid. Dijken, kaden, kolkgaten (wielen) en restanten van kleiwinning laten zien hoe mens en rivier elkaar door de tijd hebben beïnvloed. Buitendijks is het patroon van oude IJsselgeulen goed zichtbaar en vormt het reliëf een belangrijke drager van natuurwaarden. Huize Reuversweerd en Laag Helbergen markeren de overgang naar de hogere stroomruggen en zijn onderdeel van het historische landschap. De uiterwaarden hebben een grote ecologische waarde voor onder andere weide en watervogels en zijn onderdeel van het Natura 2000 gebied Rijntakken.
De relatie met water is in dit landschap altijd aanwezig. De IJssel bepaalt de seizoensdynamiek; in natte perioden staat het water hoog en kan een groot deel van de uiterwaarden overstromen, terwijl het gebied in drogere perioden toegankelijker wordt. De uiterwaarden functioneren als waterbergingsgebied en dragen daarmee bij aan waterveiligheid in onze gemeente. Het herstel van rivierruimte in projecten zoals Ruimte voor de Rivier heeft de natuurlijke dynamiek versterkt en nieuwe natuurontwikkeling mogelijk gemaakt.
Bebouwing in de uiterwaarden is schaars en beperkt zich tot enkele agrarische erven op veilige, hoger gelegen plekken nabij de dijk. Buurtschap Cortenoever vormt een karakteristieke plek in dit gebied waar cultuurlandschap en rivierlandschap samenkomen. Landbouw blijft een belangrijke functie in de binnendijkse delen, waar gras- en akkerland gecombineerd worden met landschappelijke elementen zoals hagen en erfbeplanting. De uiterwaarden hebben ook een grote recreatieve waarde door hun openheid, zichtlijnen en wandel- en fietsroutes.
Kernkwaliteiten
-
• Laaggelegen rivierenlandschap met hoge dynamiek door waterstanden en overstromingen.
-
• Open landschap met zichtbaar reliëf, oude geulen, moeraszones, hagen en kleine bosjes.
-
• Grote cultuurhistorische rijkdom met dijken, wielen, tichelgaten en historische buitenplaatsen.
-
• Ecologisch waardevol onderdeel van Natura 2000 gebied Rijntakken.
-
• Grote recreatieve waarde door openheid, zichtlijnen en verbinding met de IJssel.
Ambities
De IJssel en haar uiterwaarden vormen een dynamisch rivierlandschap waarin waterveiligheid en natuurlijke processen leidend zijn. Waterveiligheid en natuur zijn bepalend voor de ontwikkelingen in het IJssellandschap en gaan samen met passende vormen van landbouw en extensief gebruik.
De natuurwaarden in het gebied zijn hoog en maken deel uit van het Natura 2000-gebied Rijntakken. We behouden en versterken deze waarden en dragen bij aan het verbeteren van de natuur en de waterkwaliteit van de IJssel. Ontwikkelingen dragen bij aan het functioneren van het riviersysteem en de biodiversiteit. Het risico op overstromingen nemen we nadrukkelijk mee in de afweging of nieuwe bebouwing en functies in het gebied wenselijk zijn.
In dit kader onderzoeken we samen met de gemeente Zutphen de mogelijkheden voor woningbouw in het gebied ten zuiden van De Hoven (Nieuw Baank). Hierbij zoeken we nadrukkelijk naar een ontwikkeling die past binnen het riviersysteem en rekening houdt met waterveiligheid en klimaatverandering.
De uiterwaarden hebben een belangrijke recreatieve waarde. We versterken de recreatieve beleving van het gebied op een manier die past bij het karakter van het landschap, met ruimte voor wandelen, fietsen en het beleven van de rivier. Daarbij behouden we voorzieningen zoals de veerdienst bij Bronkhorsterveer als belangrijke verbinding over de IJssel. Ook versterken we de verbindingen tussen de dorpskern Brummen en het IJssellandschap, zodat inwoners het gebied beter kunnen bereiken en gebruiken. De uiterwaarden vormen een belangrijke uitloop- en belevingsruimte voor inwoners en bezoekers.
We bereiden ons verder voor op toekomstige ontwikkelingen in het kader van Ruimte voor de Rivier 2.0. Samen met de gemeenten Voorst en Zutphen en de provincie Gelderland werken we aan een integrale en gebiedsgerichte toekomstvisie. Hierin brengen we wateropgaven, gebiedskenmerken en mogelijke ingrepen samen en benutten we zo veel mogelijk koppelkansen op het gebied van onder meer natuur, recreatie, mobiliteit en, waar passend, andere functies. Deze gezamenlijke toekomstvisie vormt het uitgangspunt voor het gesprek met Rijkswaterstaat wanneer maatregelen in onze gemeente aan de orde zijn.
Figuur 33. Themakaart gebiedsgerichte keuzes IJssel en uiterwaarden.
5.7 Eerbeek
Gebiedsbeschrijving
Eerbeek ligt op de overgang van de hoge Veluweflank naar de lagere ontginningen en is van oorsprong een nederzetting op twee enken: de Molenenk en de Noorderenk. Deze ligging heeft een sterke invloed op de ruimtelijke opbouw van het dorp. De hogere zandgronden vormden geschikte akkercomplexen, terwijl het reliëf en de waterhuishouding bepalend waren voor de plaats van erven, wegen en later de papierindustrie. De Eerbeekse Beek is daarbij het meest structurerende element. De beek stroomt vanuit de Veluwe door het dorp heen richting de IJssel, en bepaalde zowel de locatie van de vroegste papiermolens als de latere fabrieken. Hierdoor is het dorp al eeuwenlang een plek waar landschap, wonen en bedrijvigheid nauw met elkaar verweven zijn.
De historische kern van Eerbeek heeft een onregelmatige structuur, waarin oude lintbebouwing langs de Harderwijkerweg, de Loenenseweg en de Stuijvenburchstraat zichtbaar is gebleven. Het centrum heeft een gemengd en geleed karakter, waarin verschillende bouwperioden, functies en schaalniveaus elkaar afwisselen. De Stuijvenburchstraat vormt een belangrijke drager van het voorzieningenaanbod en sluit aan op het Stuijvenburchplein, dat zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot een centraal verblijfsgebied. Het centrum wordt gekenmerkt door een afwisseling van winkels, horeca, maatschappelijke functies en bebouwing die direct aan de straat staat, wat zorgt voor levendigheid maar ook voor een zekere ruimtelijke fragmentatie. De aanwezigheid van toeristen en recreanten speelt in Eerbeek een rol door de nabijheid van de Veluwe en grootschalige recreatieve verblijfsmogelijkheden.
De woongebieden van Eerbeek bestaan uit een combinatie van historisch gegroeide linten en planmatige uitbreidingen vanaf de jaren vijftig. De enkenstructuur en het reliëf zijn op verschillende plekken nog herkenbaar in de oriëntatie van wegen, de ligging van oude erven en de aanwezigheid van groenranden. Aan de zuidzijde sluiten de woonwijken aan op bosranden en bedrijvigheid, terwijl het noordelijk deel meer open van karakter is. De wijken worden gekenmerkt door een afwisseling van voornamelijk verschillende grondgebonden woningen, groene openbare ruimte en de zichtbaarheid van waterlopen, waaronder de nog open delen van de Eerbeekse Beek.
Eerbeek heeft een ruimtelijk en functioneel sterk profiel door de aanwezigheid van meerdere bedrijventerreinen. Het grootste daarvan is Eerbeek Zuid (inclusief Folding Boxboard), waar een concentratie van industrie aanwezig is, waaronder grote bedrijven in de papier‑ en kartonsector. Bedrijventerrein Coldenhove ligt in een bosrijke setting aan de westzijde van het dorp en omvat in essentie één grote papierfabriek. In een vergelijkbare setting bevindt zich het terrein aan de Karel van Gelreweg, waar eveneens één groot bedrijf is gevestigd. Soerense Zand grenst direct aan Eerbeek Zuid en betreft een kleinschalig gemengd bedrijventerrein. De terreinen Kollergang en Hallseweg liggen verder van de dorpskern af en hebben een klassiek gemengd karakter met verschillende kleinere bedrijven. Deze bedrijventerreinen hebben gezamenlijk een aanzienlijke invloed op de ruimtelijke structuur, bereikbaarheid en beleving van het dorp. Ze liggen grotendeels aan de randen van de kern, maar blijven door infrastructuur, waterlopen en zichtrelaties duidelijk verbonden met Eerbeek.
Kernkwaliteiten
-
• Ontstaan op de Molenenk en Noorderenk, zichtbaar in lintstructuren, wegenpatroon en reliëf.
-
• De Eerbeekse Beek als landschappelijke, cultuurhistorische en ruimtelijk structurerende drager.
-
• Een centrum met een gemengd en geleed karakter, waarin winkels, horeca en maatschappelijke functies samenkomen.
-
• Groene woonwijken die aansluiten op bosranden, beeklopen en historische structuren.
-
• Een omvangrijke verzameling bedrijventerreinen die de economische identiteit van het dorp mede bepalen.
-
• Een sterke verwevenheid van natuur, industrie en recreatie.
In de dorpskwaliteitsgidsen zijn deze kernkwaliteiten verder uitgewerkt en vertaald naar gebiedsspecifieke ontwerprichtlijnen.
Ambities
We zetten in op het verder ontwikkelen van Eerbeek als een sterke en toekomstbestendige dorpskern binnen onze gemeente, waar wonen, werken en voorzieningen op een evenwichtige manier samenkomen. Daarbij bouwen we voort op de bestaande kwaliteiten van het dorp, zoals de ligging aan de Veluwe met bijbehorende (recreatieve) aantrekkingskracht, de Eerbeekse Beek en de aanwezigheid van een sterke economische structuur. De historie en ruimtelijke kwaliteiten van Eerbeek vormen het uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen. We versterken het karakteristieke dorpsbeeld, maken de cultuurhistorische gelaagdheid zichtbaar en benutten de Eerbeekse Beek als groene en ruimtelijke ruggengraat.
Het centrum van Eerbeek is in ontwikkeling en deze positieve beweging zetten we voort. We werken verder aan een groen, levendig en compact dorpshart, waarin voorzieningen, wonen en ontmoeting samenkomen. Ontwikkelingen zoals het PAKhuis, het Toeristisch OpstapPunt en de herontwikkeling van het Burgersterrein dragen hieraan bij. Ook het Kerstenterrein biedt kansen voor verdere versterking van het kernwinkelgebied. Voor het Oranje Nassauplein werken we aan een toekomstbestendige invulling, waarbij we transformatiekansen benutten richting onder meer functies op het gebied van eerstelijnszorg, horeca, sport, dienstverlening en kleinschalige werkfuncties.
Eerbeek speelt een belangrijke rol in de woningbouwopgave van de gemeente. Het Burgersterrein is daarbij een belangrijke ontwikkellocatie richting 2030. Na 2030 onderzoeken we hoe de resterende lokale woningbehoefte kan worden opgevangen, onder andere door benutting van bestaande bebouwing, herontwikkeling van bestaande bebouwde locaties en mogelijke nieuwe locaties in de dorpsrand die passen bij de structuur van het dorp. We zetten daarbij in op gevarieerde woningen voor verschillende doelgroepen. Verder vervult Eerbeek een belangrijke functie voor wat betreft meer specialistische woonzorgvoorzieningen. Deze voorzieningen behouden we richting de toekomst.
De openbare ruimte in Eerbeek vraagt op meerdere plekken een kwaliteitsimpuls en is niet overal even toekomstbestendig. De beschikbare ruimte staat onder druk door functies zoals parkeren, groen en kabels en leidingen. We zoeken naar een betere balans in het gebruik van de openbare ruimte, waarbij we inzetten op vergroening, verblijfskwaliteit en een inrichting die past bij het gebruik van de straat. Verkeer en bereikbaarheid blijven daarbij ook belangrijke aandachtspunten. We werken aan de aanpak van belangrijke ontsluitingsroutes, zoals de Loenenseweg, de Coldenhovenseweg en de route langs het Apeldoorns Kanaal conform de Koersnota wegennet Eerbeek-Loenen.
Mede als gevolg van klimaatverandering en het stoppen van De Hoop zien we de afgelopen jaren dat Eerbeek te maken heeft met soms hoge grondwaterstanden die tot overlast kunnen leiden. Tegelijkertijd treden in toenemende mate perioden van droogte op. Daarom zijn we een onderzoek gestart naar handelingsperspectieven om wateroverlast in de toekomst zo veel mogelijk te beperken.
De economische structuur van Eerbeek, met name de papier- en kartonindustrie, is een belangrijke pijler onder het dorp. We zetten in op het behouden en toekomstbestendig maken van deze sector en de bedrijventerreinen. Tegelijkertijd erkennen we dat de toekomst van de papier- en kartonindustrie niet vanzelfsprekend is. Daarom zijn we gestart met een onderzoekstraject waarin we samen met inwoners en belanghebbenden drie toekomstscenario’s gaan uitwerken. Daarbij hebben we oog voor werkgelegenheid, sociale structuur, ruimtelijke impact, Natura 2000 en financiële consequenties. De resultaten van dit onderzoek betrekken we in de toekomstige ruimtelijke en economische ontwikkeling van Eerbeek en bij het op te stellen Programma Eerbeek.
Daarnaast verkennen we hoe de bedrijventerreinen zich op termijn kunnen ontwikkelen, met oog voor onder meer verduurzaming, leefbaarheid en efficiënter ruimtegebruik. De herontwikkeling van De Hoop biedt daarbij kansen om de problematiek van netcongestie te verminderen. Ook onderzoeken we mogelijkheden om lichtere bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar (de randen van) het centrum om zo tot een compact en levendig centrum te komen.
Toerisme en recreatie bieden aanvullende kansen voor Eerbeek, mede door de ligging nabij de Veluwe. Initiatieven zoals het PAKhuis en het Toeristisch OpstapPunt versterken deze rol en maken het industriële en landschappelijke karakter van Eerbeek beter beleefbaar met kansen om toeristen en recreanten ook verder onze gemeente in te begeleiden.
Aan de randen van Eerbeek werken we aan een robuuste kernrandzone, waarin een geleidelijke overgang ontstaat tussen de bebouwde kern en het omringende landschap. In deze zone zoeken we naar een goede balans tussen ontwikkelmogelijkheden en het versterken van landschap, natuur, water en recreatieve kwaliteit. We benutten ontwikkelkansen en creëren voldoende groene uitloopgebieden: plekken waar inwoners terechtkunnen voor ommetjes, sport en spel, natuurbeleving of rust. Deze gebieden dragen bij aan gezondheid en verbondenheid met de omgeving en bieden tegelijkertijd ruimte voor waterberging, natuurontwikkeling en klimaatadaptieve maatregelen.
Programma Eerbeek
We gaan aan de slag met een dorpsbreed programma waarin we deze opgaven integraal oppakken. Waar mogelijk voeren we vooruitlopend op dit programma al projecten uit die bijdragen aan een toekomstbestendig en aantrekkelijk Eerbeek. Dit programma zal als opvolger van Programma Eerbeek-Loenen2030 functioneren.
Figuur 34. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Eerbeek.
5.8 Hall
Gebiedsbeschrijving
Hall ligt op een hoger gelegen enk aan de voet van de Veluweflank. Het dorp heeft een duidelijk historisch karakter met een verspreid bebouwingspatroon langs enkele oude wegen, waaronder de Hallseweg, Dorpsstraat en Zwarteweg. Deze wegen vormen nog steeds de ruimtelijke structuur van het dorp. Hall is herkenbaar als een kleine nederzetting met de kerk met zijn omringende bomen als sterk oriëntatiepunt. De open ruimtes, kleine akkers, beplanting aan de randen van het dorp en zichtlijnen richting het omliggende landschap geven Hall een open en landelijk karakter.
De bebouwing bestaat uit een mix van karakteristieke boerderijtjes, (vrijstaande) woningen en kleinschalige voorzieningen. De historische structuur is nog steeds goed zichtbaar, met erven die aansluiten op het reliëf van de enk en in hun oriëntatie de oude verkaveling volgen. De dorpsranden zijn groen en sluiten geleidelijk aan op het landschap. Voorzieningen zoals de kerk, basisschool, zalencentrum en sportclub vormen belangrijke ontmoetingsplekken in het dorp en dragen bij aan de sociale samenhang.
Kernkwaliteiten
-
• Dorp op een hoger gelegen enk met historische lintstructuren.
-
• De kerk als beeldbepalend en herkenbaar dorpscentrum.
-
• Kleinschalige, agrarisch landelijke bebouwing met doorzichten naar het landschap.
-
• Groene randen en open ruimtes die de enkstructuur leesbaar houden.
-
• Sterke sociale structuur met centrale dorpsvoorzieningen.
In de dorpskwaliteitsgidsen zijn deze kernkwaliteiten verder uitgewerkt en vertaald naar gebiedsspecifieke ontwerprichtlijnen.
Ambities
We zetten in op het behouden en versterken van de leefbaarheid van Hall als een compact, groen en sociaal dorp. De sociale samenhang en de sterke relatie met het omliggende landschap vormen daarbij het uitgangspunt.
De voorzieningen in het dorp staan onder druk, terwijl deze juist van groot belang zijn voor ontmoeting en gemeenschapszin. Samen met inwoners, verenigingen en andere maatschappelijke organisaties onderzoeken we hoe deze voorzieningen toekomstbestendig gemaakt kunnen worden. Daarbij kijken we naar mogelijkheden om functies te bundelen, bijvoorbeeld in een multifunctionele accommodatie als centrale ontmoetingsplek. We benutten daarbij de kracht, betrokkenheid en energie uit het dorp.
Om Hall leefbaar te houden voor huidige en nieuwe generaties bieden we ruimte voor zorgvuldig ingepaste woningbouw. Ontwikkelingen vinden plaats binnen de bestaande dorpsstructuur en sluiten aan op de schaal, het karakter en de landschappelijke inbedding van het dorp. We houden de kern compact en voorkomen uitbreiding langs de linten buiten de bebouwde kom. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van het agrarische en dorpse karakter, met aandacht voor groene structuren, erfbeplanting, recreatie en een zorgvuldige overgang naar en verbinding met het omliggende landschap.
De groene dorpsranden, open ruimtes en zichtlijnen blijven behouden en worden waar mogelijk versterkt. Landschappelijke elementen zoals lanen, hagen en beplanting worden ingezet als structurerende dragers van nieuwe ontwikkelingen. Hiermee zorgen we voor samenhang tussen oude en nieuwe delen van het dorp en versterken we de identiteit van Hall.
De kwaliteit van de openbare ruimte speelt een belangrijke rol in de leefbaarheid van het dorp. We verbeteren de verblijfskwaliteit en verkeersveiligheid, onder andere door de inrichting van wegen beter af te stemmen op het gebruik en de gewenste snelheid van 30 km/uur. De ruimte rond de kerk en de school vormt daarbij een belangrijk dorpshart, waar we inzetten op versterking van verblijfskwaliteit, ontmoeting en herkenbaarheid. Ook de entrees van het dorp worden hierbij nadrukkelijk meegenomen. We verkennen daarnaast de mogelijkheden voor een mobiliteitshub die past bij de schaal van het dorp, als functioneel overstappunt voor fiets, openbaar vervoer en deelmobiliteit.
Figuur 35. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Hall.
5.9 Empe
Gebiedsbeschrijving
Empe is ontstaan langs een oude arm van de IJssel en heeft zich ontwikkeld als een lineair dorp langs de Emperweg en Voorsterweg. De kern ligt op de overgang tussen oeverwal en uiterwaarden, wat nog goed zichtbaar is in het verkavelingspatroon en de ligging van erven op de hogere delen. De bebouwing is verspreid en volgt de oude routes door het landschap, waardoor Empe een duidelijke wegdorp structuur heeft. Tussen de erven door zijn open ruimtes en doorzichten aanwezig die het omliggende landschap beleefbaar maken.
De aanwezigheid van een sportcomplex en enkele voorzieningen geeft het dorp een functionele basis, maar het meest kenmerkend is de landschappelijke inbedding. De linten dragen het dorp en bepalen de ruimtelijke samenhang.
Kernkwaliteiten
-
• Wegdorp met lintbebouwing langs Emperweg en Voorsterweg.
-
• Ontstaan op de overgang van oeverwal naar uiterwaarden, zichtbaar in reliëf en erven.
-
• Open ruimtes en zichtlijnen die het rivierenlandschap voelbaar maken.
-
Kleinschalige voorzieningen en sportcomplex als dorpsankers.
-
• Sterke landschappelijke samenhang door historische routes en waterstructuren.
In de dorpskwaliteitsgidsen zijn deze kernkwaliteiten verder uitgewerkt en vertaald naar gebiedsspecifieke ontwerprichtlijnen.
Ambities
We zetten in op het behouden en versterken van de leefbaarheid van Empe als een kleinschalig lintdorp, waarin wonen en landschap sterk met elkaar verweven zijn. Het historische wegdorpkarakter langs de Emperweg vormt daarbij het uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan een samenhangend, groen en goed verbonden dorp.
Het landschap speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van Empe. We zorgen voor een zachte overgang naar het buitengebied, bijvoorbeeld door het behouden en versterken van doorzichten en bestaande landschapsstructuren. Het landschap wordt waar mogelijk benut als groene verblijfsruimte, met ruimte voor ommetjes, waterberging en biodiversiteit. De Oude IJsselarm vormt daarbij een bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische structuur, die we beter zichtbaar en beleefbaar maken.
Om Empe vitaal te houden bieden we ruimte voor passende woningbouw, waarbij we voortbouwen op de bestaande lintstructuur en historische lijnen in het landschap. We ronden de bebouwing aan de noordzijde zorgvuldig af en benutten kansen voor nieuwe bebouwingsconcentraties in het groen. Hiermee versterken we de samenhang in het dorp en combineren we woningbouw met een groene verblijfsruimte met ruimte voor onder meer waterberging en recreatie.
De aanwezigheid van het station Voorst-Empe biedt kansen voor het dorp en de regio. Samen met de gemeente Voorst onderzoeken we hoe het stationsgebied zich kan ontwikkelen als aantrekkelijk en goed bereikbaar mobiliteitsknooppunt, met koppelingen naar wonen en voorzieningen en recreatief gebruik van het omliggende landschap die passen bij de schaal van het dorp.
De voorzieningen in het dorp staan onder druk, terwijl deze juist van groot belang zijn voor ontmoeting en gemeenschapszin. Samen met inwoners, verenigingen en andere maatschappelijke organisaties onderzoeken we hoe deze voorzieningen toekomstbestendig gemaakt kunnen worden. Daarbij kijken we naar mogelijkheden om functies te bundelen, bijvoorbeeld in een multifunctionele accommodatie als centrale ontmoetingsplek. We benutten daarbij de kracht, betrokkenheid en energie uit het dorp.
De Emperweg en Voorsterweg vormen de twee belangrijkste linten van Empe, elk met een eigen sfeer. We zetten in op een zorgvuldige inrichting van de openbare ruimte, zodat beide structuren beter met elkaar verbonden worden en een samenhangend dorpsbeeld ontstaat. Tegelijkertijd verbeteren we de verblijfskwaliteit en verkeersveiligheid, onder andere door de inrichting van wegen, zoals de Emperweg, beter af te stemmen op het gebruik en de gewenste snelheid van 30 km/uur.
Figuur 36. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Empe.
5.10 Oeken
Gebiedsbeschrijving
Oeken is een klein, landelijk gelegen dorp dat bestaat uit twee losse bebouwingsclusters langs de Voorsterweg en de Buurtweg. De kern is ingebed in een groen en agrarisch landschap, waarbij erven, boomgaarden, houtsingels en bosranden samen een afwisselend beeld vormen. De nederzettingsstructuur is historisch gegroeid en relatief open; tussen de woningen en boerderijen zijn zichtlijnen naar het omliggende landschap nog altijd aanwezig. De ligging aan de rand van de landgoederenzone zorgt voor een directe relatie met historische structuren, lanen en beplantingspatronen.
De bebouwing bestaat voornamelijk uit boerderijen, vrijstaande woningen en erven die zich richten op de oude wegen. De schaal van de bebouwing is bescheiden en sluit aan op het omliggende agrarisch landschap. Door het ontbreken van een formeel dorpscentrum heeft Oeken een verspreid, informeel en rustig karakter.
Kernkwaliteiten
-
• Verspreid liggend dorp met twee bebouwingslinten langs Voorsterweg en Buurtweg.
-
• Sterke relatie met de landgoederenzone en historische beplantingsstructuren.
-
• Kleinschalige erven met natuurlijke overgangen naar het omliggende landschap.
-
• Doorzichten tussen erven die het open, agrarische karakter behouden.
In de dorpskwaliteitsgidsen zijn deze kernkwaliteiten verder uitgewerkt en vertaald naar gebiedsspecifieke ontwerprichtlijnen.
Ambities
We zetten in op het behouden en versterken van de leefbaarheid van Oeken als een kleinschalig, rustig en landschappelijk ingebed dorp. Daarbij bouwen we voort op het landelijke karakter, de agrarische identiteit en de losse opzet van de bebouwing, met een sterke relatie tot het omliggende landschap. Doorzichten, erfstructuren en de overgang naar het omliggende landschap blijven uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen
Om het dorp vitaal te houden bieden we ruimte voor beperkte en zorgvuldig ingepaste woningbouw, waarbij de ontwikkeling aan de Buurtweg reeds een bijdrage levert aan het diversifiëren van de woningvoorraad. Daarnaast onderzoeken we wat de resterende woonvraag is om in de lokale behoefte te kunnen voorzien. Op basis daarvan zoeken we naar woningbouwmogelijkheden die aansluiten op de schaal, structuur en landschappelijke kwaliteiten van het dorp. We voorkomen daarbij dat het dorp te veel richting Brummen groeit en behouden de herkenbare, losse opzet van de bebouwing. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op de erfinrichting, schaal en verschijningsvorm van het agrarische landschap en dragen bij aan het versterken van de dorpse identiteit.
De sociale basis in het dorp vraagt aandacht, mede door het ontbreken van voorzieningen. We verkennen samen met inwoners mogelijkheden om ontmoeting te versterken. Door een zorgvuldige inrichting van de openbare ruimte en herkenbare entrees werken we toe naar een sterker geheel, waarin de bebouwing langs de Voorsterweg en de Buurtweg beter met elkaar verbonden worden. Daarbij zien we een verbeterde inrichting van de Voorsterweg, die aansluit op het gebruik en de gewenste snelheid van 30 km/uur, als een belangrijke kans om meer verblijfskwaliteit in het dorp te realiseren.
Aanvullend versterken we de verbindingen met omliggende kernen, in het bijzonder de fietsverbinding met Brummen, zodat voorzieningen en ontmoetingsplekken daar beter bereikbaar worden. Ook onderzoeken we de mogelijkheden voor een mobiliteitshub die past bij de schaal en behoefte van het dorp.
Figuur 37. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Oeken.
5.11 Brummen
Gebiedsbeschrijving
Brummen ligt op de hogere gronden van het stroomruggenlandschap langs de IJssel en heeft zich ontwikkeld als enkdorp, met het huidige marktplein als historische kern. Deze ligging op de oude stroomrug bepaalde vanaf het begin het nederzettingspatroon: boerderijen en woningen vestigden zich langs hoger gelegen linten die het omliggende cultuurlandschap verbonden met de rivier, de landgoederen en de Veluweflank. De historische wegenstructuur, waaronder de Arnhemsestraat, Zutphensestraat, Ambachtstraat en Cortenoeverseweg, is nog steeds duidelijk herkenbaar en vormt het ruimtelijke raamwerk van het dorp.
De historische kern van Brummen wordt gekenmerkt door een kleinschalige korrel, een afwisseling van historische gevels en een variatie in dakvormen en bouwperiodes. De bebouwing langs de oude linten bestaat uit karakteristieke panden, waaronder herenhuizen en vrijstaande woningen met rijke detailleringen, zoals kroonlijsten, overstekken en muurankers. De groene uitstraling van het dorp is vooral te danken aan de vele grote bomen in de openbare ruimte en particuliere tuinen, die samen een stedelijke groenstructuur vormen die voor Brummen beeldbepalend is.
Het centrumgebied van Brummen vervult een belangrijke rol als verzorgende kern voor bewoners en omliggende buurtschappen. Rondom het Marktplein, de Ambachtstraat en de belangrijkste linten is sprake van een menging van detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, horeca en wonen. De schaal van de gebouwen is overwegend kleinschalig, waardoor het centrum zich onderscheidt door een dorpse, historische sfeer. Tegelijkertijd is de centrumstructuur gevoelig voor veranderingen, doordat het voorzieningenniveau onder druk staat en de nabijheid van grotere steden invloed heeft op koopstromen en bezoekerspatronen. De groene kwaliteit, de samenhang van straten en pleinen en de verbindingen met de landgoederenzone dragen sterk bij aan de identiteit en beleving van het centrum.
Het centrum is daarnaast in ontwikkeling. Verschillende locaties worden herontwikkeld, waaronder voormalige schoollocaties, het Graaf van Limburg Stirumplein en delen van het gebied rondom het Burgemeester Dekkerplein. Deze ontwikkelingen voegen eigentijdse woningbouw toe en zorgen voor een geleidelijke vernieuwing van delen van het centrumgebied. Hierdoor ontstaat een groter contrast tussen de historische linten en monumentale bebouwing langs onder meer de Arnhemsestraat, Zutphensestraat en Burgemeester de Wijslaan enerzijds, en de recentere ontwikkelingen in het centrumgebied anderzijds.
De woongebieden van Brummen bestaan uit een combinatie van historische lintbebouwing, uitbreidingswijken uit de twintigste eeuw en recentere planmatige woonmilieus. In de oudere delen is de verkaveling informeel en ontstaat een speels straatbeeld met variërende rooilijnen, erfbeplanting en een mix van woningtypen. De latere woonwijken hebben een planmatige opzet, met groene openbare ruimtes, bomenrijke straten en voornamelijk grondgebonden woningen.
Brummen kent twee bedrijventerreinen: Rhienderen Noord en Hazenberg. Beide terreinen vervullen een rol binnen de lokale economie en huisvesten een mix van industrie, bouw, handel en dienstverlening. Rhienderen Noord heeft een relatief gemengd karakter met zowel industriële bedrijven als kleinschalige ondernemingen. Hazenberg ligt dichter bij het station en kent eveneens een gemengd profiel, met een verscheidenheid aan bedrijven in uiteenlopende sectoren. Beide terreinen hebben ruimtelijke invloed door hun ligging nabij belangrijke ontsluitingswegen en door de overgang die zij vormen tussen de kern en het omliggende landschap.
Kernkwaliteiten
-
• Ligging op de oeverwal langs de IJssel, zichtbaar in reliëf, open zichtlijnen en historische routes.
-
• Enkdorpstructuur met historische linten, karakteristieke bebouwing en het marktplein als centrale plek.
-
• Groen en ruimtelijk dorp met beeldbepalende bomen, groene woonstraten en parkachtige kwaliteiten.
-
• Centrumgebied met historische uitstraling en een mix van detailhandel, voorzieningen en horeca.
-
• Afwisselende woongebieden met zowel historische linten als planmatige groenrijke wijken.
-
• De aanwezigheid van bedrijventerreinen Rhienderen Noord en Hazenberg met een gemengd en lokaal verankerd profiel.
In de dorpskwaliteitsgidsen zijn deze kernkwaliteiten verder uitgewerkt en vertaald naar gebiedsspecifieke ontwerprichtlijnen.
Ambities
We zetten in op het versterken van Brummen als een groen en aantrekkelijk woondorp, met een levendig dorpshart en een sterke verbinding met het omliggende landschap en de IJssel, dat aantrekkelijk is voor inwoners en bezoekers.
Het centrum van Brummen speelt hierin een sleutelrol. We werken aan een aantrekkelijk, levendig en samenhangend dorpshart, waar inwoners en bezoekers samenkomen. Daarbij zetten we in op een sterkere concentratie van winkels, voorzieningen, horeca, ambachten en andere publieksgerichte functies in en rondom het centrum. Hierdoor ontstaat een compacter en aantrekkelijker centrumgebied met een breed aanbod aan voorzieningen voor dagelijks gebruik. Naast het versterken van voorzieningen en verblijfskwaliteit zetten we in op het toevoegen van functies en activiteiten die het dorp aantrekkelijk maken om te bezoeken. Ook werken we aan logische en aantrekkelijke routes en een uitnodigende openbare ruimte, zodat inwoners en bezoekers het centrum beter weten te vinden en ervaren als een herkenbare bezoek- en verblijfsplek. Met een ‘aanvalsplan’ voor het centrum geven we gericht invulling aan deze ambitie en versterken we de samenhang, de beleving en de relatie met de IJssel.
Om Brummen vitaal te houden bieden we ruimte voor passende woningbouw. Met onder andere de ontwikkeling van Elzenbos fase 3 levert Brummen een belangrijke bijdrage aan de woningbouwopgave richting 2030. Na 2030 onderzoeken we hoe de resterende lokale en regionale woningbehoefte kan worden opgevangen, onder andere door herontwikkeling, benutting van bestaande bebouwing en nieuwe locaties aan de dorpsrand die passen binnen de structuur van het dorp. Het gebied rondom het station zien we daarbij als een belangrijke kansrijke locatie voor de periode na 2030. Hier liggen mogelijkheden om woningbouw te combineren met een goede bereikbaarheid en de ontwikkeling van een mobiliteitshub. Daarnaast kan het station functioneren als toeristisch overstappunt, met verbindingen naar het centrum, de IJssel en het omliggende landschap. We zetten daarbij in op een gevarieerde woningbouwprogrammering voor verschillende doelgroepen. Verder vervult Brummen een belangrijke functie voor wat betreft meer specialistische woonzorgvoorzieningen. Deze voorzieningen behouden we richting de toekomst.
De relatie met de IJssel en het landschap wordt versterkt. We verbeteren recreatieve verbindingen en routes tussen onder meer station, centrum, IJssel en Bronckhorsterveer, zodat het dorp zich meer opent richting de rivier. Daarbij behouden we bestaande voorzieningen zoals het pontje en benutten we kansen om dag- en verblijfsrecreatie verder te ontwikkelen in en rondom de kern.
De openbare ruimte in Brummen vraagt op meerdere plekken een kwaliteitsimpuls. We zoeken naar een betere balans in het gebruik van de ruimte, waarin vergroening, verblijfskwaliteit en een passend gebruik van de straat centraal staan. Dit draagt bij aan de leefbaarheid én de aantrekkelijkheid van het dorp voor bewoners en bezoekers.
Verkeer en bereikbaarheid vormen een belangrijke opgave. De N348, de Pothof en de Zutphensestraat zorgen voor druk op de leefbaarheid en verkeersveiligheid. We werken aan oplossingen om doorgaand (vracht)verkeer beter te geleiden en woonstraten te ontlasten en blijven ons inzetten om de maximumsnelheid op de N348 terug te brengen naar 80 km/uur. Daarbij verkennen we ook de mogelijkheid van een westelijke rondweg, met nadrukkelijke aandacht voor de impact op landschap en leefomgeving.
De economische structuur en bedrijventerreinen blijven van belang voor het functioneren van Brummen. We zetten in op het toekomstbestendig maken van deze terreinen en onderzoeken hoe functies efficiënter benut en beter ingepast kunnen worden. Daarbij bekijken we mogelijkheden om lichtere bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar (de randen van) het centrum en of uitbreiding noodzakelijk is om in de ruimtevraag te voorzien.
Aan de randen van Brummen werken we aan een robuuste kernrandzone, waarin een geleidelijke overgang ontstaat tussen de bebouwde kern en het omringende landschap. In deze zone zoeken we naar een goede balans tussen ontwikkelmogelijkheden en het versterken van landschap, natuur, water en recreatieve kwaliteit. We benutten ontwikkelkansen en creëren voldoende groene uitloopgebieden: plekken waar inwoners terechtkunnen voor ommetjes, sport en spel, natuurbeleving of rust. Deze gebieden dragen bij aan gezondheid en verbondenheid met de omgeving en bieden tegelijkertijd ruimte voor waterberging, natuurontwikkeling en klimaatadaptieve maatregelen.
Programma Brummen
We gaan aan de slag met een dorpsbreed programma waarin we deze opgaven integraal oppakken. Waar mogelijk voeren we vooruitlopend op dit programma al projecten uit die bijdragen aan een toekomstbestendig en aantrekkelijk Brummen.
Figuur 38. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Brummen.
5.12 Leuvenheim
Gebiedsbeschrijving
Leuvenheim is een langgerekt dorp op de oeverwal langs de IJssel en wordt gekenmerkt door vier parallelle historische linten. Deze strengen bepalen de ruimtelijke opbouw van het dorp en geven het een herkenbare lineaire structuur. De ligging op de hoger gelegen oeverwal zorgt voor open zichtlijnen naar het omliggende landschap.
Aan de noord- en westzijde sluiten de landgoederen, waaronder De Rees, naadloos aan op het dorp. De lintbebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen, boerderijen en erven die in schaal en karakter aansluiten op het landschap. Het dorpshuis, school en kleinschalige voorzieningen zijn verspreid over het dorp en vormen samen het functionele netwerk en sociale hart van de kern. De aanwezigheid van de spoorlijn en de N348 beïnvloedt de ruimtelijke structuur en zorgt voor barrièrewerking, maar de dorpse identiteit blijft sterk door de continuïteit van de linten.
Kernkwaliteiten
-
• Dorp met vier historische evenwijdige linten langs de oeverwal.
-
• Doorzichten naar de IJssel en sterke relatie met het rivierenlandschap.
-
• Aansluiting op landgoederen en historische beplantingsstructuren.
-
• Verspreide voorzieningen met een dorps en kleinschalig karakter.
-
• Rustige woonomgeving met uitgesproken landschappelijke inpassing.
In de dorpskwaliteitsgidsen zijn deze kernkwaliteiten verder uitgewerkt en vertaald naar gebiedsspecifieke ontwerprichtlijnen.
Ambities
We zetten in op het behouden en versterken van de leefbaarheid van Leuvenheim als een kleinschalig lintdorp met een sterke landschappelijke inbedding. De historische lintstructuren en de relatie met het omliggende landschap vormen daarbij het uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen.
De historische linten blijven leidend in de ruimtelijke ontwikkeling van het dorp. We behouden en versterken de karakteristieke doorzichten naar de IJssel en zorgen ervoor dat nieuwe ontwikkelingen deze zichtlijnen respecteren en waar mogelijk versterken. Ook de landschappelijke verbinding met de omliggende landgoederen blijft behouden en wordt waar mogelijk versterkt, zodat het dorp en het landschap in samenhang blijven functioneren.
Om het dorp vitaal te houden bieden we ruimte voor passende woningbouw, onder andere op de locatie aan de Metelerkampweg. Hiermee dragen we bij aan doorstroming en maken we het mogelijk voor verschillende doelgroepen om in het dorp te (kunnen blijven) wonen. We onderzoeken verder wat er de komende jaren nog nodig is om in de resterende lokale woonbehoefte te kunnen voorzien.
De voorzieningen in het dorp staan onder druk, terwijl deze juist van groot belang zijn voor ontmoeting en gemeenschapszin. Samen met inwoners, verenigingen en andere maatschappelijke organisaties onderzoeken we hoe deze voorzieningen toekomstbestendig gemaakt kunnen worden. Daarbij kijken we naar mogelijkheden om functies te bundelen, bijvoorbeeld in een multifunctionele accommodatie als centrale ontmoetingsplek. We benutten daarbij de kracht, betrokkenheid en energie uit het dorp.
De doorsnijding van het dorp door de N348 en de spoorlijn vormt een belangrijke opgave voor de leefbaarheid en samenhang. We zetten in op het verbeteren van de verkeersveiligheid en oversteekbaarheid, zodat de verschillende delen van het dorp beter met elkaar worden verbonden en de relatie met het omliggende landschap wordt versterkt. De inrichting van de openbare ruimte speelt ook een belangrijke rol in het versterken van de samenhang en identiteit van het dorp. We zetten in op een herkenbare en samenhangende inrichting, met aandacht voor groen, dorpse schaal en materiaalgebruik. Hiermee verbeteren we de verblijfskwaliteit en versterken we het dorpsbeeld. We hebben daarbij specifieke aandacht voor de kwaliteit en inrichting van de openbare ruimte rondom voorzieningen, zoals de parkeervoorzieningen rondom de school.
Figuur 39. Themakaart gebiedsgerichte keuzes Leuvenheim.
6 Van visie naar uitvoering
6.1 Samenhang in instrumenten
De Omgevingswet werkt met een samenhangende beleidscyclus waarin denken, doen en bijsturen met elkaar verbonden zijn.
De omgevingsvisie vormt het startpunt: hierin legt de gemeenteraad de bestuurlijke doelen en ambities voor de fysieke leefomgeving vast.
Programma’s werken deze doelen verder uit en vertalen ambities naar samenhangende maatregelen, projecten en uitvoeringsafspraken. Programma’s kunnen thematisch of gebiedsgericht zijn en vormen de inhoudelijke motor achter de uitvoering.
Het omgevingsplan is niet alleen de juridische vertaling van deze doelen, maar functioneert als een doorlopende schil rond de gehele beleidscyclus. In het plan worden initiatieven mogelijk gemaakt of begrensd, worden maatregelen uit programma’s geborgd én worden voorwaarden gesteld die nodig zijn om projecten zorgvuldig uit te voeren. Het omgevingsplan wordt daarmee ingezet als sturings- en borgingsinstrument: het verankert ambities, maakt uitvoering mogelijk en past mee wanneer nieuwe inzichten of opgaven ontstaan.
Projecten en maatregelen geven uitvoering aan de doelen uit visie en programma’s. Hiervoor is vaak een aanpassing van het omgevingsplan nodig, zodat de uitvoering juridisch geborgd is en zorgvuldig kan plaatsvinden.
Monitoring en evaluatie sluiten de cyclus. Aan de hand van indicatoren uit de omgevingsvisie en programma’s wordt beoordeeld of ontwikkelingen bijdragen aan de bestuurlijke doelen. Wanneer dat niet het geval is, worden ambities, programma’s of het omgevingsplan aangepast. Zo ontstaat een lerend en adaptief systeem waarin de gemeente voortdurend stuurt op brede welvaart en ruimtelijke kwaliteit.
Figuur 40. Beleidscyclus Omgevingswet.
6.2 Brummense beleidscyclus
Om onze omgevingsvisie actueel en sturend te houden, actualiseren we deze wanneer ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Daarmee geven we invulling aan de verplichting uit de Omgevingswet om de visie actueel te houden én borgen we dat de omgevingsvisie richting blijft geven aan programma’s, regelgeving, uitvoering en het omgevingsplan als samenhangend stelsel van instrumenten.
Bij beperkte wijzigingen, nieuwe beleidsinzichten of kleinere ontwikkelingen in de leefomgeving kan een lichte actualisatie van de omgevingsvisie plaatsvinden. Hierbij beoordelen we of de omgevingsvisie nog voldoende richting geeft aan beleidsvorming, programma’s, uitvoering en aanpassingen van het omgevingsplan. Ook verwerken we zelfstandig vastgesteld beleid, nieuwe inzichten uit monitoring of ontwikkelingen in de leefomgeving die een beperkte bijstelling vragen. Deze actualisatie zorgt ervoor dat de visie continu aansluit op wat er speelt in onze gemeente.
Wanneer maatschappelijke trends, ontwikkelingen, opgaven of nieuwe inzichten daarom vragen, voeren we een brede herijking van de omgevingsvisie uit. Daarbij kijken we naar de bestuurlijke doelen, ambities en uitgangspunten van de visie en beoordelen we of deze nog aansluiten bij de opgaven van dat moment. Dit is tevens het moment om grotere wijzigingen door te voeren en hierover het maatschappelijke en politieke gesprek te voeren.
Op deze manier blijft de omgevingsvisie een actueel, richtinggevend en adaptief instrument, dat het fundament vormt onder programma’s, het omgevingsplan, uitvoering en monitoring.
6.3 Rolverdeling tussen gemeenteraad en college
Binnen de Omgevingswet is een duidelijke rolverdeling tussen gemeenteraad en college. De raad bepaalt de koers voor de fysieke leefomgeving door het vaststellen van de omgevingsvisie. Daarmee geeft de raad richting aan de ontwikkeling van Brummen op de lange termijn.
Het college werkt deze koers uit. Programma’s worden door het college vastgesteld en bevatten de inhoudelijke uitwerking van de doelen uit de omgevingsvisie, waaronder maatregelen, projecten en monitoring. De raad wordt betrokken bij de totstandkoming van programma’s en geïnformeerd over de keuzes die daarin worden gemaakt. Het college zorgt daarnaast voor de uitvoering van de omgevingsvisie en de programma’s via projecten en maatregelen.
Het omgevingsplan is het juridische instrument waarmee beleid wordt vertaald naar regels voor de fysieke leefomgeving. De raad stelt de juridische kaders vast; het college bereidt planwijzigingen voor, werkt met uitvoeringsregels en past het plan toe in vergunningverlening. Het plan vormt zo een doorlopende schil rond visie, programma’s en uitvoering, waarin ambities worden verankerd en projecten zorgvuldig kunnen worden uitgevoerd.
Monitoring en evaluatie verbinden de rollen van raad en college. Het college levert inzichten uit monitoring en uitvoering; de raad beoordeelt of de doelen nog actueel zijn en voldoende richting geven. Wanneer bijsturing nodig is, past de raad de koers aan in de omgevingsvisie en werkt het college deze waar nodig bij via programma’s.
Figuur 41. Beleidscyclus Omgevingswet met rolverdeling tussen raad en college.
6.4 Doorwerking
Deze omgevingsvisie geeft richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Brummen. De visie bevat ambities en keuzes op hoofdlijnen. Voor de uitvoering worden deze keuzes uitgewerkt in programma’s, beleidsregels, het omgevingsplan en concrete projecten.
Een deel van de ambities wordt uitgevoerd via bestaande programma's, zoals het Programma Mobiliteit, Programma Groen, Programma Water en Riolering en het Programma Economie. Deze programma's bevatten concrete maatregelen, projecten en uitvoeringsafspraken en worden waar nodig aangepast aan de koers van deze omgevingsvisie.
Daarnaast geven we uitvoering aan de visie door nieuwe programma's op te stellen. Op thematisch niveau werken we onder andere aan een Programma Volkshuisvesting, Programma Energie, Programma Warmte en een Programma Toerisme en Recreatie. Hierin werken we de ambities uit deze visie verder uit en maken we verdere keuzes over prioriteiten, locaties, fasering en uitvoering.
Naast deze thematische programma's werken we gebiedsgericht. Voor Eerbeek en Brummen stellen we integrale programma's op waarin de belangrijkste opgaven voor deze dorpen samenkomen. Ook gaan we aan de slag met een Programma Buitengebied. Verder werken we samen met de gemeenten Voorst en Zutphen en de provincie Gelderland we aan een integrale toekomstvisie voor het gebied rond de IJssel en Empe.
Waar nadere kaders nodig zijn voor specifieke ontwikkelingen stellen we (beleids)regels op. Dit geldt bijvoorbeeld voor het benutten van bestaande bebouwing, nutsvoorzieningen en andere ontwikkelingen waarvoor initiatiefnemers behoefte hebben aan duidelijke voorwaarden en een voorspelbaar proces. De juridische doorwerking vindt plaats via het omgevingsplan. Hierin worden de ambities en keuzes uit deze omgevingsvisie vertaald naar regels voor de fysieke leefomgeving.
6.5 Rol omgevingsvisie bij het begeleiden van initiatieven
Als gemeente staan we open voor initiatieven die bijdragen aan de ambities en kwaliteiten van deze omgevingsvisie. Om initiatiefnemers duidelijkheid te bieden over het proces en de afwegingen die daarbij een rol spelen, beschrijven we hieronder hoe ruimtelijke initiatieven worden beoordeeld en begeleid.
De omgevingsvisie vormt daarbij een belangrijk vertrekpunt. Aan de hand van de ambities, leidende principes en thematische en gebiedsgerichte keuzes bekijken we in een vroeg stadium of een initiatief past bij de gewenste ontwikkeling van de leefomgeving en welke aandachtspunten daarbij relevant zijn. Op deze manier bieden we initiatiefnemers tijdig duidelijkheid en werken we samen aan plannen die bijdragen aan een toekomstbestendig Brummen.
|
Stap |
Doel |
Go/no-go moment |
Vervolg |
|
1. Oriënterend gesprek |
Verkennen of het initiatief kansrijk is binnen beleid, gebiedskwaliteiten en gemeentelijke ambities. |
Go: initiatief past op hoofdlijnen. No-go: initiatief is strijdig met essentiële kaders of onvoldoende concreet. |
Bij go: uitwerken richting principeverzoek. Bij no-go: initiatief aanpassen, parkeren of beëindigen. |
|
2. Principeverzoek voorbereiden |
Initiatief inhoudelijk aanscherpen, participatie starten en benodigde informatie verzamelen. |
Go: voldoende basis voor bestuurlijke beoordeling. No-go: ontbrekende onderbouwing, onvoldoende draagvlak of onduidelijke haalbaarheid. |
Bij go: ambtelijk voorstel voorbereiden. Bij no-go: aanvullen, aanpassen of stoppen. |
|
3. Principebesluit college |
Bestuurlijk bepalen of de gemeente bereid is medewerking te verlenen. |
Go: positief principebesluit. No-go: college ziet onvoldoende aanleiding om mee te werken. |
Bij go: initiatief verder uitwerken. Bij no-go: plan heroverwegen of beëindigen. |
|
4. Uitwerking formele procedure |
Onderzoeken, ontwerpen, participatieverslag, onderbouwing en financiële afspraken gereedmaken. Overleg hierover vindt plaats met de Omgevingsdienst, veiligheidsregio (VNOG), Waterschap Vallei Veluwe en de Provincie. |
Go: stukken zijn compleet en procedureel uitvoerbaar. No-go: onderzoeken of afspraken leveren belemmeringen op. |
Bij go: overeen-komsten sluiten en procedure starten. Bij no-go: aanpassen, aanvullend onderzoek doen of stoppen. |
|
5. Overeenkomsten |
Afspraken vastleggen over kosten, risico’s, planning en samenwerking. |
Go: overeenkomsten zijn akkoord en ondertekend. No-go: geen overeen-stemming over kosten, risico’s of uitvoerbaarheid. |
Bij go: formele besluitvorming voorbereiden. Bij no-go: opnieuw onderhandelen of initiatief beëindigen. |
|
6. Formele besluitvorming college |
College besluit over de procedure, publicatie en eventuele terinzagelegging. |
Go: college stelt besluit vast. No-go: besluit wordt aangehouden of geweigerd. |
Bij go: vervolg-procedure doorlopen. Bij no-go: herstellen, aanpassen of stoppen. |
|
7. Gemeenteraad indien nodig |
Raad besluit of adviseert waanneer het initiatief daarom vraagt. |
Go: raad stemt in of geeft positief advies. No-go: raad stemt niet in of geeft negatief advies. |
Bij go: besluit afronden en uitvoeren. Bij no-go: initiatief aanpassen, opnieuw indienen of beëindigen. |
6.6 Kostenverhaal en financiële bijdrage
Kostenverhaal
Bij ruimtelijke ontwikkelingen maakt de gemeente kosten voor bijvoorbeeld planvorming, onderzoek en inrichting van de openbare ruimte. Op grond van de Omgevingswet zijn wij verplicht deze kosten te verhalen op initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen. In de praktijk leggen we hierover bij voorkeur afspraken vast in een anterieure overeenkomst. Dit is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente waarin de voorwaarden en verplichtingen van beide partijen worden vastgelegd.
Lukt dit niet, dan nemen we in het omgevingsplan kostenverhaalregels op of verbinden we kostenverhaalsvoorschriften aan een buitenplanse omgevingsvergunning. Met kostenverhaalsregels of kostenverhaalsvoorschriften is kostenverhaal publiekrechtelijk verzekerd. In de kostensoortenlijst is aangegeven welke kosten verhaald mogen worden en wanneer.
Financiële bijdragen
De Omgevingswet biedt daarnaast de mogelijkheid om financiële bijdragen te vragen voor ontwikkelingen die bijdragen aan maatschappelijke doelen, zoals natuur, landschap, recreatie, infrastructuur, klimaatadaptatie en een evenwichtige woningvoorraad. Op grond van artikel 13.22 van de Omgevingswet kan hiervoor via een anterieure overeenkomst een financiële bijdrage worden gevraagd van initiatiefnemers, mits deze ontwikkelingen zijn opgenomen in een omgevingsvisie of omgevingsprogramma. Naast deze privaatrechtelijke variant kent de Omgevingswet ook een publiekrechtelijke afdwingbare variant voor financiële bijdragen (artikelen 13.23 en 13.24 Omgevingswet). Voorwaarde is dat er een ruimtelijke en functionele samenhang bestaat tussen de ontwikkeling die de bijdrage levert en de ontwikkeling waarvoor de bijdrage wordt ingezet.
Met deze omgevingsvisie leggen we de koers vast voor de maatschappelijke opgaven van de gemeente Brummen. Hierbij geven wij aan ‘wat’ we willen. De verdere uitwerking, inclusief de bestedingsdoelen en de wijze waarop financiële bijdragen worden ingezet, vindt plaats in omgevingsprogramma's en bijbehorende uitvoeringsafspraken (het ‘hoe’). Bij de totstandkoming van de omgevingsprogramma’s wordt hier in een bijlagenotitie nadere uitwerking aan gegeven.
6.7 Voorkeursrecht
De gemeente Brummen wil het voorkeursrecht inzetten als instrument om regie te houden op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Met een voorkeursrecht krijgt de gemeente het eerste recht van koop wanneer een eigenaar een onroerende zaak wil verkopen. Dit helpt te voorkomen dat grondposities worden ingenomen die gewenste gebiedsontwikkelingen kunnen belemmeren of dat grondprijzen door speculatie onnodig worden opgedreven.
Deze omgevingsvisie vormt één van de beleidsmatige grondslagen voor het vestigen, bestendigen of voortzetten van het voorkeursrecht. Daarbij is van belang dat voldoende duidelijk wordt aangegeven welke toekomstige functie, ontwikkeling of moderniseringsopgave voor een gebied wordt voorzien.
In deze omgevingsvisie worden gebieden benoemd waar de gemeente op termijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk wil maken en waar actieve sturing op grondposities wenselijk kan zijn. Het voorkeursrecht kan in deze gebieden worden ingezet om publieke doelen te borgen, zoals woningbouw, maatschappelijke voorzieningen, duurzame energie, klimaatadaptatie, economische ontwikkeling, bereikbaarheid en herstructurering van bestaande functies.
Per gebied beoordeelt de gemeente of inzet van het voorkeursrecht noodzakelijk, proportioneel en doelmatig is. Daarbij worden onder meer de aard en urgentie van de beoogde ontwikkeling, de bestaande eigendomssituatie, de gewenste mate van publieke regie en de financiële en juridische uitvoerbaarheid betrokken. Het voorkeursrecht is daarmee geen doel op zichzelf, maar een ondersteunend instrument binnen een zorgvuldige en uitvoerbare gebiedsstrategie.
Op de locaties Metelerkampweg in Leuvenheim en De Lei in Brummen is reeds een voorkeursrecht gevest
Ondertekening
Dit besluit is genomen tijdens de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders op 25 augustus 2026.
Het college B&W van de gemeente Brummen,
Secretaris H. Matser
Burgemeester J.N. Rozendaal
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl