Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766019
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766019/1
Beleidsregels algemene en bijzondere Bijstand gemeente Oldenzaal 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 02-09-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels algemene en bijzondere Bijstand gemeente Oldenzaal 2026Het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal;
gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 31 tweede lid onderdeel s, 35, 41 elfde lid, 43a eerste lid, en 44 vijfde lid van de Participatiewet en de artikelen 15a eerste lid, en 16a vierde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
b e s l u i t :
vast te stellen: Beleidsregels algemene en bijzondere Bijstand gemeente Oldenzaal 2026
Hoofdstuk 1 – Begripsomschrijvingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
-
1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (levensonderhoud);
- b.
bijstandsnorm: de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet;
- c.
bijzondere bijstand: bijstand ter voorziening in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet;
- d.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal;
- e.
ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- f.
jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41 lid 4 van de wet;
- g.
wet: Participatiewet;
- h.
zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41 lid 4 van de wet.
- a.
-
2. Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet.
Hoofdstuk 2 – Algemene Bijstand
Artikel 2. Aanvraag jongeren en zoektermijn
-
1. Op grond van artikel 41 lid 11 van de wet neemt het college een door een jongere voor afloop van de vier weken zoektermijn ingediende aanvraag om bijstand toch in behandeling als dit gelet op de omstandigheden van de jongere naar het oordeel van het college noodzakelijk is.
-
2. Van de in lid 1 van dit artikel bedoelde omstandigheden is in ieder geval sprake als:
- a.
de jongere in de afgelopen 12 maanden bijstand ontving;
- b.
de jongere problematische schulden heeft (of krijgt) die problematischer worden als de zoekperiode toegepast wordt;
- c.
de jongere op meerdere leefgebieden problemen heeft;
- d.
de jongere in een inrichting, opvang, pleeggezin of gezinshuis verblijft of hier in de afgelopen 12 maanden verbleef.
- e.
in de afgelopen 12 maanden een kinderbeschermingsmaatregel gold voor de jongere;
- f.
de jongere ondersteuning nodig heeft bij het vinden van werk;
- g.
de jongere met een briefadres is ingeschreven in de BRP;
- h.
de zoekperiode gelet op de individuele situatie niet effectief is.
- a.
Artikel 3. Vereenvoudigde aanvraagprocedure
-
1. Het college past op grond van artikel 43a lid 1 van de wet de vereenvoudigde aanvraagprocedure toe als belanghebbende binnen 6 maanden na het beëindigen van de algemene bijstand opnieuw bijstand aanvraagt.
-
2. Het college maakt hierbij gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening te gebruiken.
-
3. In de verkorte aanvraagprocedure gaat het college bij belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- a.
het hoofdverblijf;
- b.
de gezinssituatie; en
- c.
het inkomen en het vermogen.
- a.
-
4. Indien het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden op basis van de gegevens van de verkorte procedure, dan worden aanvullende gegevens, feiten of omstandigheden bij belanghebbende opgevraagd.
-
5. Dit artikel is overeenkomstig van toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.
Artikel 4. Toekenning met terugwerkende kracht
-
1. De bijstandsverlening gaat in beginsel in op de datum waarop belanghebbende zich voor het eerst meldt voor een aanvraag.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf een dag die maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum ligt. Er moet dan wel sprake zijn van individuele omstandigheden die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld óf die er op wijzen dat het ernstige gevolgen voor belanghebbende heeft als de bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend.
-
3. Van individuele omstandigheden, die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, is in ieder geval sprake als:
- a.
belanghebbende niet in staat was om zich tijdig te melden voor een aanvraag;
- b.
belanghebbende eerst een andere uitkering, zoals IOAW-, IOAZ-, Bbz- of een WW-uitkering heeft aangevraagd en die is afgewezen;
- c.
een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
- d.
belanghebbende onvoldoende zicht had op zijn inkomen en vermogen, vanwege bijvoorbeeld een echtscheiding of flexibel arbeidscontract.
- e.
belanghebbende met terugwerkende kracht in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.
- a.
-
4. Van individuele omstandigheden die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor belanghebbende heeft, als de bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende probleemschulden of betalingsachterstanden heeft of dat die dreigen te ontstaan.
-
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.
Artikel 5. Aanvulling op jongerennorm
-
1. De algemene bijstandsnorm voor personen van 18 t/m 20 jaar (artikel 20 lid 1 en 2 Participatiewet) en de wettelijke onderhoudsplicht van de ouders wordt toereikend geacht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
-
2. Indien de jongere aantoonbare noodzakelijke kosten van het bestaan heeft die hoger zijn dan de jongerennorm (bijvoorbeeld omdat de jongere zelfstandig woont), dan kan een aanvulling op de jongerennorm verstrekt worden (conform artikel 20 lid 3 en 4 Participatiewet) als:
- a.
de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn;
- b.
de jongere het onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde kan maken.
- a.
-
3. In de volgende situaties wordt in ieder geval verondersteld dat de onderhoudsplicht niet te gelde gemaakt kan worden:
- a.
beide ouders zijn overleden;
- b.
de jongere is uithuisgeplaatst op grond van een officiële maatregel (o.a. Jeugdwet);
- c.
de ouders zijn onbereikbaar en maken geen deel (meer) uit van het leven van de jongere;
- d.
de jongere heeft de zorg voor één of meer kinderen;
- e.
de jongere is als alleenstaande vluchteling naar Nederland gekomen.
- a.
Artikel 6. Bijzonderheden i.v.m. zorgbehoefte
-
1. Een bijstandsgerechtigde wordt niet als gehuwd aangemerkt als er sprake is van een zorgbehoefte én de zorgbehoefte de directe aannemelijke aanleiding is geweest voor het samenwonen (conform artikel 3 lid 2 a Pw).
-
2. De kostendelersnorm wordt niet toegepast als er sprake is van het tijdelijk gebruik maken van een hoofdverblijf elders vanwege het leveren van mantelzorg bij een zorgbehoefte (conform artikel 22a lid 4 Pw). Onder tijdelijk wordt de duur van maximaal 6 maanden verstaan, waarbij het college eenmalig kan verlengen met maximaal 6 maanden als de mantelzorgsituatie voortduurt en noodzakelijk is.
-
3. Van een zorgbehoefte is sprake als iemand door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychisch probleem verzorging nodig heeft en:
- a.
in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-instelling; of
- b.
duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of
- c.
duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
- a.
-
4. Deze zorgbehoefte moet blijken uit een indicatie op grond van de Wlz of Wmo of een advies van een onafhankelijke medisch adviseur.
Artikel 7. Motorvoertuig
-
1. Een motorvoertuig met een waarde van € 7.000 of minder wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten bij de vermogensvaststelling.
-
2. De waarde van een auto wordt vastgesteld aan de hand van de koerslijst ANWB.
-
3. De genoemde vrijlating van lid 1 wordt toegepast op maximaal één motorvoertuig.
Artikel 8. Giften
-
1. Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m en s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
- a.
giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend had kunnen worden;
- b.
giften die ingezet worden voor medisch noodzakelijke kosten;
- c.
giften die gebruikt worden om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening;
- d.
giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank, kerken, Vincentiusvereniging en soortgelijke charitatieve instellingen;
- e.
giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18 lid 8 van de wet, met een waarde tot maximaal het bedrag van artikel 31 lid 2 onder m van de wet.
- a.
-
2. Lid 1 is overeenkomstig van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt in het kader van de BBZ, mits de gift uitsluitend en overduidelijk voor privégebruik is.
Hoofdstuk 3 – Bijzondere Bijstand
Artikel 9. Aanvraag
-
1. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend binnen een maand voordat óf op de datum waarop de kosten zijn ontstaan.
-
2. In afwijking van lid 1 kan het college maximaal drie maanden met terugwerkende kracht bijstand toekennen als er sprake is van individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels.
-
3. Toekenning met terugwerkende kracht is niet van toepassing op aanvragen voor verhuis- en of inrichtingskosten alsmede duurzame gebruiksgoederen. Dergelijke aanvragen moeten ingediend worden alvorens de kosten worden gemaakt.
Artikel 10. Beoordelingskader bijzondere bijstand
-
1. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt als eerste beoordeeld of er een voorliggende voorziening is (artikel 15 van de wet).
-
2. Als er geen voorliggende voorziening is, wordt de dwingende vraagstelling alsmede de volgorde gehanteerd zoals door de Centrale Raad van Beroep is afgeleid uit artikel 35 van de wet:
- a.
doen de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd zich daadwerkelijk voor;
- b.
zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk;
- c.
vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden;
- d.
kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen.
- a.
Artikel 11. In aanmerking te nemen inkomen
-
1. De hoogte van het inkomen wordt vastgesteld met inachtneming van artikel 31, 32 en 33 van de wet.
-
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, wordt een verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten en wordt bij de berekening van het inkomen rekening gehouden met het inkomen ná beslag en WSNP waarover aanvrager daadwerkelijk kan beschikken.
Artikel 12. In aanmerking te nemen vermogen
-
1. Het vermogen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van de wet.
-
2. De waarde van een auto wordt bepaald op grond van de ANWB Koerslijst en wordt voor één auto tot maximaal € 7.000 vrijgelaten.
Artikel 13. Beoordelen draagkracht
-
1. Bijzondere bijstand kan slechts worden toegekend voor zover de gevraagde kosten de draagkracht te boven gaan.
-
2. Draagkracht is dat deel van het eigen inkomen en vermogen dat de belanghebbende moet gebruiken om de kosten te betalen.
-
3. De draagkracht uit vermogen en inkomen wordt vastgesteld voor de duur van twaalf maanden op datum aanvraag dan wel de ingangsdatum van de (periodieke) bijzondere bijstand.
-
4. De draagkracht uit inkomen is 25% van het inkomen boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.
-
5. Draagkracht wordt bij een periodieke verstrekking maandelijks voor 1/12e deel op de bijstand in mindering gebracht en ineens ingeval van een incidentele verstrekking.
-
6. Draagkracht uit vermogen is dat deel van het vermogen dat hoger is dan de geldende vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet. Tenzij het kosten voor woninginrichting of woonlasten betreft. Hiervoor geldt een afwijkende vermogensvrijlating van twee keer de geldende bijstandsnorm.
-
7. Als er sprake is van draagkracht uit vermogen én inkomen, dan wordt eerst de draagkracht uit het vermogen ingezet om in de kosten te voorzien.
Artikel 14. Wijziging draagkracht
In beginsel wordt de eenmaal vastgestelde draagkracht niet gewijzigd. Alleen als zich in de loop van de vastgestelde periode ontwikkelingen voordoen, zoals het wegvallen of ontstaan van inkomstenbronnen kan tussentijdse herziening plaatsvinden.
Artikel 15. Drempelbedrag
Er wordt geen drempelbedrag zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 van de Participatiewet gehanteerd.
Hoofdstuk 4 – Kostensoorten
Er bestaat geen volledige lijst van bijzondere kostensoorten. Deze kosten vloeien immers voort uit een bijzondere omstandigheid. Hieronder worden enkele kostensoorten benoemd die inkadering noodzakelijk maken.
Artikel 16. Medische kosten
-
1. Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor medische kosten die onder de Zvw, Wlz en samenhangende regelingen vallen. Deze wetten gelden namelijk als een voorliggende voorziening die als passend en toereikend worden gezien (artikel 15 lid 1 van de wet).
-
2. Dit geldt ook voor de kosten die voor rekening van de inwoner blijven zoals een eigen bijdrage en het wettelijk of vrijwillig eigen risico.
-
3. Van lid 1 kan in uitzonderlijke situaties afgeweken worden als de aanvrager zich niet kón verzekeren, bijvoorbeeld ingeval van een bestuursrechtelijke premie.
Artikel 17. Kosten bewindvoering, mentorschap en curatele
-
1. Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van een door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind, mentorschap of curatele.
-
2. Voor het vaststellen van de noodzaak sluit het college aan bij de beschikking van de kantonrechter. Uit de beschikking blijkt welke bewindvoerder, mentor of curator is benoemd en voor welke werkzaamheden kosten in rekening gebracht mogen worden.
-
3. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de beloning die door de kantonrechter bij benoeming is vastgesteld overeenkomstig Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en wordt jaarlijks geactualiseerd in de vergoedingenlijst.
Artikel 18. Woninginrichting
-
1. In beginsel bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor woninginrichting, omdat dit behoort tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de norm voldaan kan worden door reservering vooraf (sparen) of achteraf (door middel van lenen).
-
2. Als de inwoner zelf niet in deze kosten kan voorzien (ook niet door het aangaan van een lening en eventueel onder borgstelling) dan is bijstand alleen mogelijk als er sprake is van bijzondere omstandigheden.
-
3. Bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening. Als directe terugbetaling niet mogelijk is, wordt de aflossing vastgesteld op minimaal 5% van de bijstandsnorm met inachtneming van de beslagvrije voet.
Artikel 19. Woonkostentoeslag
-
1. In beginsel bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor woonkosten, omdat dit behoort tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de norm voldaan kan worden, waar mogelijk aangevuld huurtoeslag. Ingeval van bijzondere omstandigheden kan er recht op woonkostentoeslag bestaan.
-
2. Van bijzondere omstandigheden voor het recht op woonkostentoeslag is sprake als:
- a.
een inwoner een woning huurt onder de huurtoeslaggrens, maar nog geen recht op huurtoeslag heeft. Hiervoor kan tijdelijk bijzondere bijstand verleend worden. Dit wordt berekend volgens de systematiek van de huurtoeslag;
- b.
een inwoner een woning boven de huurtoeslaggrens huurt en daarbij huurtoeslag ontvangt dat berekend is o.b.v. de huurgrens, maar de resterende huurlasten niet meer op kan brengen vanwege een bijzondere situatie. Hiervoor kan maximaal 6 maanden een woonkostentoeslag worden verleend ter hoogte van het deel dat boven de huurtoeslaggrens ligt, met de volgende aanvullende verplichtingen:
- •
binnen een maand na aanvraag schrijft de inwoner zich als woningzoekende in bij de WBO voor een goedkopere woonruimte;
- •
de inwoner spant zich aantoonbaar in om een nieuwe woonruimte te vinden waarvan de woonlasten minder bedragen dan de maximum huurgrens.
- •
-
De verlening van woonkostentoeslag kan 6 maanden verlengd worden indien aan de verplichtingen en (opnieuw) aan de voorwaarden voldaan wordt;
- c.
een inwoner een eigen woning bewoont en de woonlasten (minus de belastingteruggave en rijkssubsidie) hoger zijn dan de maximale huurgrens. Dan kan maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag worden verleend met de verplichting om de eigen woning binnen 1 maand na aanvraag te koop aan te bieden bij een erkend makelaar. De termijn kan steeds met 6 maanden verlengd worden, als buiten eigen toedoen nog geen goedkopere huisvesting is gevonden. Bij de hoogte van de woonkostentoeslag wordt rekening gehouden met de verplichte woonlasten zoals: hypotheek, hypotheekrente, opstalverzekering, VVE. Onderhoudskosten vallen hier niet onder. In de vergoedingenlijst is de berekening nader beschreven en worden de bedragen jaarlijks geïndexeerd.
- a.
-
3. Woonkostentoeslag wordt niet toegekend (of verlengd) wanneer er voldoende draagkracht uit vermogen is. Voor de beoordeling van de draagkracht wordt tweemaal het geldende normbedrag vrijgelaten.
Artikel 20. Doorbetaling huur (woonlasten) bij verblijf in detentie
-
1. In afwijking van artikel 13 lid 1 onder a van de wet kan het college voor doorbetaling van de vaste lasten bijzondere bijstand verstrekken voor zover de inwoner die in detentie zit deze kosten aantoonbaar niet over de hele detentieperiode zelf kan betalen en als er sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het noodzakelijk is dat de woning wel wordt aangehouden.
-
2. Bijstand betreft alleen de periode van de woonlasten waarin de inwoner niet zelf kan voorzien.
-
3. Als er bijzondere bijstand wordt verstrekt dan heeft deze de vorm van een geldlening op grond van artikel 48 lid 2 onder b van de wet.
-
4. Er wordt in ieder geval geen bijzondere bijstand verstrekt:
- •
als de detentieperiode korter duurt dan één maand;
- •
als de detentieperiode langer zal zijn dan 9 maanden;
- •
voor zover de inwoner er zelf in kan voorzien;
- •
het detentie betreft in plaats van een boete;
- •
voor opslag van de inboedel.
- •
Artikel 21. Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in een inrichting
-
1. Het college kan aan een inwoner zonder partner en/of medebewoners die tijdelijk in een instelling verblijft vanwege medische, psychische of sociale omstandigheden bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten als het aanhouden van de woning noodzakelijk is.
-
2. Indien sprake is van algemene bijstand dan wordt eerst de reguliere norm maximaal 6 weken vanaf moment van opname doorbetaald, voordat bijzondere bijstand verleend wordt.
-
3. Onder de vaste lasten als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: huur, gas, elektriciteit en water.
-
4. Bijstandsverlening is mogelijk gedurende maximaal 12 maanden te rekenen vanaf het moment dat de norm aangepast is naar zak- en kleedgeld met de aanvullende verplichting dat de voorschotbedragen verlaagd worden.
-
5. Indien de opname tijdelijk is, maar toch aanmerkelijk langer duurt dan werd verwacht kan de bijstandsverlening nog maximaal met 12 maanden verlengd worden.
Artikel 22. Overige kosten (vergoedingenlijst)
Voor de meest voorkomende overige kosten zijn in de vergoedingenlijst voorwaarden en bedragen opgenomen. Deze worden jaarlijks geïndexeerd.
Hoofdstuk 5 - Slotbepalingen
Artikel 23. Hardheidsclausule
Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 24. Intrekking
-
1. De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Oldenzaal 2024 worden met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken.
-
2. Het Besluit Uitvoeringsregels Bijzondere Bijstand gemeente Oldenzaal 2021 wordt met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken.
-
3. De Beleidsregel vrijlating giften Participatiewet gemeente Oldenzaal 2020 wordt met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken.
-
4. Op aanvragen die betrekking hebben op een periode vanaf 1 januari 2026 zijn deze beleidsregels van toepassing.
-
5. Indien een aanvraag vóór de datum van bekendmaking van deze beleidsregels is ingediend en toepassing van de vóór 1 januari 2026 geldende beleidsregels voor belanghebbende gunstiger is, wordt de aanvraag beoordeeld met toepassing van die eerdere beleidsregels.
-
6. Besluiten die vóór de datum van bekendmaking van deze beleidsregels zijn genomen, behouden hun rechtskracht.
Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.
-
2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand gemeente Oldenzaal 2026.
Ondertekening
Vastgesteld op 25 augustus 2026.
Het college van burgemeester en wethouders
de secretaris
de burgemeester
Toelichting behorende bij de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand 2026
(vastgesteld bij besluit van college van INTB-26-07287 d.d. 25 augustus 2026)
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1 – Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van begrippen die in de beleidsregels voorkomen, en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. Bij het omschrijven van de begrippen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in de Participatiewet.
Hoofdstuk 2 – Algemene bijstand
Artikel 2. Aanvraag jongeren en zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of jongeren die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd, waardoor het college aanvragen vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling kan nemen. In artikel 2 zijn groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief.
Artikel 3. Vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a Participatiewet.
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen maximaal twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Eerste lid
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Derde lid
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
Vierde lid
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 4. Toekenning met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid van de Participatiewet.
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 4647) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
- 1.
de melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden;
- 2.
de gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Derde lid
In dit lid worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen a en d geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen b, c en e geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Vierde lid
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden of om problemen die door financiële omstandigheden kunnen worden veroorzaakt, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Vijfde lid
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5. Aanvulling op jongerennorm
Voor bijstandsbehoeftige jongeren van 18 tot 21 jaar is er de jongerennorm uit artikel 20 lid 1 en 2 Pw. Deze normen zijn afgeleid van de kinderbijslagbedragen. De meeste jongmeerderjarigen van 18, 19 en 20 zullen nog bij (één van) hun ouders wonen, en hebben hierdoor geen of weinig kosten voor levensonderhoud. In de meeste situaties wordt de jongerennorm daarmee toereikend geacht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Mede omdat de ouders een onderhoudsplicht plicht hebben totdat hun kind 21 jaar is (artikel 1:395a BW).
In lid 2 is geregeld dat er een aanvulling op de jongerennorm verstrekt kan worden als de jongere aantoonbare noodzakelijke kosten heeft die hoger zijn dan de jongerennorm (bijvoorbeeld omdat de jongere zelfstandig woont). Voor het recht op aanvulling wordt eerst onderzocht in hoeverre de onderhoudsplicht van de ouders te gelde gemaakt kan worden. M.u.v. de situaties van lid 3. In die situaties doen we geen onderzoek en gaan we ervan uit dat de onderhoudsplicht niet te gelde gemaakt kan worden. Echter heel zelden wordt zak- en kleedgeld verstrekt o.g.v. de jeugdwet aan jongeren die in een instelling verblijven. Om dubbele betaling te voorkomen vanuit twee verschillende wetten, stemmen we de verstrekking in dit soort gevallen af met team jeugd.
Als er geen beroep op de ouders mogelijk is, dan kan de jongerennorm verhoogd worden met de standaard aanvulling van artikel 20 lid 3 Pw.
Blijkt uit onderzoek echter dat ook de jongerennorm + aanvulling art 20 lid 3 Pw samen ook onvoldoende is om in levensonderhoud te voorzien? Dan kan de algemene bijstand op grond van artikel 18 afgestemd worden op de situatie, maar mag dit nooit hoger zijn dan de 21-jarigen norm in een vergelijkbare situatie (artikel 20 lid 4 Pw). Dat betekent dat er een begrenzing is op de hoogte van de aanvulling en er situaties kunnen zijn waarin de aanvulling moet worden verlaagd. Denk aan samenwoning met een partner van 21 jaar of ouder óf een situatie waarbij sprake is van kostendelers. Het toepassen van het standaardbedrag zou in die gevallen betekenen dat de (gezamenlijke) norm + ophoging boven de bijstandsnorm van artikel 21 uitkomt, en dat is niet de bedoeling (conform artikel 20 lid 4 Pw).
Artikel 6. Bijzonderheden i.v.m. zorgbehoefte
In de Participatiewet zijn wijzigingen aangebracht waardoor er meer ruimte is gekomen voor het verrichten van ontvangen van mantelzorg zonder dat dit gevolgen heeft voor de bijstandsuitkering.
In hoofdlijnen zijn dat de volgende aanpassingen:
- 1.
samenwonen wordt mogelijk gemaakt zonder er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Deze uitzondering geldt alleen wanneer sprake is van een zorgbehoefte en deze zorgbehoefte de reden is van het samenwonen (artikel 3 lid 2 onderdeel a Pw);
- 2.
de kostendelersnorm geldt niet bij het tijdelijk delen van een woning in verband met mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte (artikel 22a lid 4 Pw);
- 3.
mantelzorg wordt niet gezien als op loon te waarderen arbeid (artikel 33 Pw); en Het tijdelijk intrekken bij iemand om mantelzorg te leveren (aan iemand met een intensieve zorgbehoefte) is geen reden voor een opschorting van de betaling van de uitkering (artikel 40 lid 3 Pw).
De zorgbehoefte zal moeten blijken uit een Wlz/Wmo-indicatie of uit onderzoek van een onafhankelijk medisch deskundige van bijvoorbeeld A&K.
Artikel 7. Motorvoertuig
Bij de vermogensvaststelling wordt de waarde van één auto tot maximaal € 7.000 buiten beschouwing gelaten. De waarde wordt bepaald op grond van de ANWB koerslijst.
Artikel 8. Giften
In dit artikel zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’.
Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten:
- ▯
de verarming van de gever
- ▯
de verrijking van de ontvanger
- ▯
als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
Grens vrijlating
Op grond van artikel 31 lid 2 onder m Pw worden giften en kostenbesparende bijdragen buiten beschouwing gelaten als dit (gezamenlijk) minder bedraagt dan het genoemde bedrag (Voor 2026 = € 1.200).
Kostenbesparende bijdragen
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18 van de Wet. Dit is nu lid 8, maar wordt in later in 2026 het 13e lid). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, maar kunnen wel leiden tot verlaging (=afstemmen) van de algemene bijstand vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen echter ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar (artikel 31 lid 2 onder m Pw).
Dat betekent dat afstemming van de uitkering pas aan de orde is als de kostenbesparende bijdragen samen (en met eventuele andere giften) meer bedragen dan € 1.200.
Giften
In artikel 31 2e lid onder s Pw is geregeld dat een gift niet als middel wordt gezien als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening.
Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuld-regeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.
In het eerste lid van artikel 7 van deze beleidsregels zijn een aantal omstandigheden genoemd waarvan het college het in ieder geval verantwoord vindt dat deze gift niet als middel gezien wordt.
Lid 1 Onderdeel e
Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. In onderdeel e gaat het om andere bijdragen die niet tot een kostenbesparing leiden. Deze andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden.
Hoofdstuk 3 – Bijzondere bijstand
Artikel 9. Aanvraag
Lid 1
Hoofdregel voor bijstandsverlening is dat dit verleend kan worden vanaf de dag dat hierop recht bestaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag van aanvraag (artikel 44 lid 1 Pw). Voor bijzondere bijstand is in dit eerste lid bepaald dat dit verruimd wordt áls de aanvraag binnen 1 maand is ingediend nadat de kosten zijn gemaakt of duidelijk is geworden wat de kosten zijn die voor eigen rekening blijven én de noodzaak van de kosten nog kan worden vastgesteld. Voor deze mogelijkheid van terugwerkende kracht hoeft geen sprake te zijn van individuele omstandigheden zoals dat voor de verruiming van lid 2 wel geldt.
Lid 2 en 3
Lid 2 geeft vervolgens de mogelijkheid om bijstand maximaal 3 maand met terugwerkende kracht toe te kennen als er sprake is van individuele omstandigheden. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen van artikel 4 van deze beleidsregels. Terugwerkende kracht is echter niet mogelijk als het aanvragen voor verhuis- en of inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen betreft. Dergelijke aanvragen moeten ingediend worden alvorens de kosten worden gemaakt.
Artikel 10. Beoordelingskader bijzondere bijstand
Voor het recht op bijzondere bijstand gelden allereerst de algemene voorwaarden voor bijstand zoals genoemd in artikel 11 tot en met 16 Pw. Dat betekent dat je tot de kring van rechthebbenden moet behoren (art. 11 en 13 Pw), dat bepaalde kosten zijn uitgesloten (art. 14 Pw) en dat er dat er geen voorliggende voorziening is (art. 15 Pw).
Ten aanzien van een voorliggende voorziening geldt dat er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passen te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Onder voorliggende voorziening wordt verstaan elke voorziening buiten de Participatiewet waarop aanspraak bestaat ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
Hieruit volgt dat bijzondere bijstand kan worden verstrekt als een voorziening noodzakelijk is, maar een voorliggende voorziening toch geen vergoeding geeft (bijvoorbeeld om budgettaire reden). Als de voorliggende voorziening de kosten echter als niet noodzakelijk beschouwt, dan bestaat er in principe ook geen recht op bijzondere bijstand.
Als een aanvraag bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, dan dient vast te staan dat de aanvrager ook daadwerkelijk een beroep kan doen op deze voorliggende voorziening. Als de aanvrager bijvoorbeeld niet meer kan aanvragen bij de voorliggende voorziening omdat hij te laat is, dan kan de aanvraag niet worden afgewezen met de motivering dat hij een beroep kan doen op een voorliggende voorziening. Onderzocht moet dan worden of de aanvrager verwijtbaar heeft gehandeld en of de bijzondere bijstand daarom ook moet worden afgewezen. Daarnaast kan bezien worden of de bijzondere bijstand als lening verstrekt moet worden
Pas als blijkt dat er geen voorliggende voorziening is worden de volgende dwingende beoordelingsvragen gesteld conform de voorwaarden van artikel 35 Pw:
- •
Doen de kosten zich voor?
Bijzondere bijstand is alleen mogelijk als de gestelde kosten ook echt gemaakt worden. De aanvrager heeft hierbij een aantoonplicht.
- •
Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?
Hierbij geldt het maatwerkprincipe dat altijd getoetst moet worden aan de omstandigheden van het individuele geval.
- •
Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?
Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand als zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de kosten noodzakelijk maken.
- •
Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen?
Hiervoor wordt beoordeeld of de kosten uit het inkomen en/of vermogen kunnen worden voldaan. Hierbij worden de bepalingen rondom draagkracht in acht genomen.
Artikel 11. In aanmerking te nemen inkomen
Voor de vaststelling van het aanwezige inkomen waarmee de kosten mogelijk voldaan kunnen worden, wordt aansluiting gezocht bij de middelen van artikel 31, 32 en 33 van de Participatiewet. Dat betekent dat vermogens- of inkomensbestanddelen die op grond van artikel 31 lid 2 van de wet niet tot de middelen worden gerekend ook niet in aanmerking genomen worden voor bijzondere bijstand. Vrijlatingsbepalingen van artikel 34 van de wet blijven buiten beschouwing van de inkomstenbeoordeling.
Daarnaast zijn de volgende twee aanvullingen bepaald:
- •
Er wordt rekening gehouden met het inkomen na beslag en WSNP waarover cliënt daadwerkelijk kan beschikken (CRvB). Dit geldt niet indien er een schuldregeling in het kader van een minnelijk traject is gesloten.
- •
Een eventueel verstrekte Individuele inkomenstoeslag wordt niet meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht
Artikel 12. In aanmerking te nemen vermogen
Voor de vaststelling van het aanwezige vermogen waarmee de kosten mogelijk voldaan kunnen worden, wordt aansluiting gezocht bij artikel 34 van de Participatiewet. Aanvullend hierop is bepaald dat de waarde van één auto tot maximaal € 7.000 buiten beschouwing blijft. De waarde wordt bepaald op grond van de ANWB koerslijst.
Artikel 13. Beoordelen draagkracht
Onder draagkracht wordt verstaan dat gedeelte van het inkomen en/of vermogen dat een bepaalde grens te boven gaat. Men wordt in staat geacht met de draagkracht een gedeelte van de kosten zelf te voldoen.
Draagkrachtperiode
De draagkracht wordt vastgesteld voor een jaar en gaat in op datum aanvraag óf de ingangsdatum van de (periodieke) bijzondere bijstand. De draagkracht dient binnen het jaar te worden gebruikt. Als met terugwerkende kracht bijzondere bijstand wordt aangevraagd gaat de draagkracht in op de eerste van de maand waarin de kosten zijn gemaakt (dus ook met terugwerkende kracht).
Draagkrachtpercentage
Bij een inkomen tot 110% van de betreffende bijstandsnorm wordt geen draagkracht aanwezig geacht. Dat betekent dat de bijzondere kosten volledig met bijzondere bijstand kunnen worden vergoed. De betreffende bijstandsnorm wordt berekend met toepassing van het kostendelersprincipe (artikel 22a Participatiewet). Bedraagt het inkomen meer dan 110% van de bijstandsnorm, dan wordt de draagkracht vastgesteld op 25% van de inkomensoverschrijding. Dat houdt in dat 75% van het inkomen boven 110% van de betreffende bijstandsnorm wordt vrijgelaten.
Voor aanvragers die over een inkomen anders dan bijstand beschikken, zal hierdoor eerst een beoordeling van de kostendelersnorm plaats moeten vinden, voordat de draagkracht kan worden vastgesteld. Voor de berekening van de draagkracht kan gebruik worden gemaakt van het berekeningsmodel op de kennisbank.
Draagkracht uit vermogen
Voor de beoordeling of er draagkracht uit vermogen is, wordt berekend óf en hoeveel de bezittingen minus de schulden meer bedragen dan de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet. Tenzij het kosten voor woninginrichting of woonlasten betreft. Hiervoor geldt een afwijkende vermogensvrijlating van twee keer de geldende bijstandsnorm.
Toepassen draagkracht bij periodieke bijstand
Als er sprake is van samenloop tussen periodieke bijzondere bijstand én draagkracht, dan wordt de draagkracht maandelijks voor 1/12e deel op de bijstand in mindering gebracht.
Samenloop draagkracht uit vermogen en inkomen
Als er sprake is van draagkracht uit zowel vermogen als inkomen, dan wordt eerst de draagkracht uit het vermogen ingezet om de kosten te voldoen.
Artikel 14. Wijzigen draagkracht
In beginsel wordt de eenmaal vastgestelde draagkracht niet gewijzigd. Alleen als zich in de loop van de vastgestelde periode ontwikkelingen voordoen, zoals het wegvallen of ontstaan van inkomstenbronnen kan tussentijdse herziening plaatsvinden.
Artikel 15. Drempelbedrag
Er wordt geen drempelbedrag toegepast zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 van de Participatiewet.
Hoofdstuk 4 – Kostensoorten Artikel 16 t/m 22
De meest voorkomende kostensoorten zijn daar waar nodig toegelicht in de vergoedingenlijst en worden jaarlijks geïndexeerd met de actuele bedragen.
Hoofdstuk 5 – Slotbepalingen
Deze artikelen hebben geen toelichting nodig.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl