Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766018
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR766018/1
Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 03-09-2026
Intitulé
Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie LimburgGedeputeerde Staten van Limburg stellen ter voldoening aan het bepaalde in de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg (laatst gewijzigd Pb. 2026, nr. 7816) in hun vergadering van 25 augustus 2026 het volgende besluit vast:
Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg
Gelet op artikel 1.2 van Hoofdstuk 1 en paragraaf 10 van Hoofstuk 2 van de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg (laatst gewijzigd Pb. 2026, nr. 7816), hierna te noemen “Verordening”, besluiten Gedeputeerden Staten van Limburg “Openstellingsbesluit 2024 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg", hierna te noemen “Openstellingsbesluit”, onder volgende nadere regels open te stellen:
- I.
Het subsidieplafond [A] voor aanvragen gericht op de biologische landbouw/ketens bedraagt € 250.000,00.
Dit bedrag bestaat voor 43% uit middelen vanuit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en 57% uit provinciale middelen.
- II.
Het subsidieplafond [B] voor aanvragen gericht op de wijnsector/ketens bedraagt € 200.000,00.
Dit bedrag bestaat voor 43% uit middelen vanuit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en 57% uit provinciale middelen.
- III.
Het subsidieplafond [C] voor overige aanvragen bedraagt € 235.000,00.
Dit bedrag bestaat voor 43% uit middelen vanuit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en 57% uit provinciale middelen.
- IV.
Aanvragen voor subsidie kunnen uitsluitend digitaal worden ingediend vanaf maandag 7 september 2026 vanaf 9.00 uur tot-en-met maandag 19 oktober 2026 tot 17:00 uur. Een subsidieaanvraag dient te worden ingediend bij Stimulus Programmamanagement via het daartoe bestemde webportal. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien deze buiten de openstellingsperiode wordt ingediend.
- V.
In de BIJLAGE zijn de nadere regels opgenomen die voor dit Openstellingsbesluit gelden.
- VI.
Dit Openstellingsbesluit wordt in onderstaande nadere regels aangehaald als “Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg”.
- VII.
Dit Openstellingsbesluit treedt in werking op 7 september 2026 tot einde GLB-NSP periode.
BIJLAGE: Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg
Artikel 1 Begripsomschrijving
In aanvulling op de artikelen 1.1 en 2.5.1 van de Verordening wordt in deze nadere regels verstaan onder:
- 1.
Verordening: Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg (laatst gewijzigd Pb. 2025, nr. 11088).
- 2.
Stimulus Programmamanagement: uitvoeringsorganisatie en onderdeel van de Provincie Noord-Brabant, gemandateerd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg om deze openstelling uit te voeren.
- 3.
Landbouwer: conform artikel 1.1, onder i, van de Verordening.
Artikel 2 Subsidiabele activiteiten
-
1. Conform artikel 2.10.1, eerste lid van de Verordening kan subsidie worden verstrekt voor:
- a.
trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieactiviteiten aan groepen van landbouwers;
- b.
kennisoverdracht in de vorm van een demonstratieproject door een landbouwer op het eigen landbouwbedrijf.
- a.
-
2. Voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid gericht op:
- a.
biologische landbouw/ketens is plafond [A] beschikbaar;
- b.
wijnsector/ketens is plafond [B] beschikbaar;
- c.
overig is plafond [C] beschikbaar.
- a.
-
3. In aanvulling op artikel 2.10.1, tweede lid van de Verordening dragen de activiteiten bij aan het gestelde binnen één van de drie actielijnen van “Een gezonde Toekomst voor de land- en tuinbouw in Limburg (2024-2027)” van het provinciale beleid:
- a.
Opgavegericht innoveren;
- b.
Strategisch verbinden;
- c.
Limburgse land- en tuinbouw in beeld.
- a.
Artikel 3 Aanvrager
Artikel 2.10.2 van de Verordening is van toepassing.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
-
1. Onverminderd artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening geldt dat een subsidieaanvraag uitsluitend kan worden ingediend bij Stimulus Programmamanagement via het daartoe bestemde webportal.
-
2. Artikel 2.10.3 van de Verordening is van toepassing.
Artikel 5 Subsidiabele kosten
-
1. Voor subsidie komen de kosten, bedoeld in artikel 1.8 van de Verordening, in aanmerking.
-
2. De subsidiabele kosten worden berekend conform artikel 1.9a, 1.9b, 1.9c of 1.9d van de Verordening.
-
3. Indien gebruik gemaakt wordt van artikel 1.9a van de Verordening, zijn de tarieven uit artikel 1.9a, eerste lid, onder b, van de Verordening niet van toepassing.
-
4. Indien gebruik gemaakt wordt van artikel 1.9c van de Verordening, zijn de tarieven uit artikel 1.9c, eerste lid, onder b, van de Verordening niet van toepassing.
Artikel 6 Niet subsidiabele kosten
Artikel 2.10.4 van de Verordening is van toepassing.
Artikel 7 Subsidieplafond
-
1. Indien een subsidieplafond ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van de andere subsidieplafonds.
-
2. Bij toepassing van het eerste lid geldt voor toedeling van onaangesproken middelen uit subsidieplafonds aan ontoereikende subsidieplafonds de volgende volgorde: A, B, C.
Artikel 8 Subsidiepercentage en -hoogte
In aanvulling op artikel 2.10.5 van de Verordening bedraagt de hoogte van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel artikel 2, eerste lid, onder a en b, minimaal € 50.000,00 en maximaal € 100.000,00.
Artikel 9 Rangschikking
-
1. Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden, overeenkomstig artikel 1.12, eerste lid, onder b, derde, vierde, zesde en zevende lid, en artikel 2.10.6, eerste lid, van de Verordening, gerangschikt op basis van de selectiecriteria zoals opgenomen in Bijlage A van dit Openstellings-besluit.
-
2. Overeenkomstig artikel 1.12, derde lid, onder b, van de Verordening hebben de criteria, bedoeld in artikel 2.10.6, eerste lid, van de Verordening de volgende wegingsfactoren:
Selectiecriterium
Weging
Te behalen punten
Maximum per criterium
- i.
Effectiviteit
4
0-5
20
- ii.
Haalbaarheid
4
0-5
20
- iii.
Efficiëntie
3
0-5
15
Maximum aantal punten
55
-
3. Overeenkomstig artikel 1.12, vierde lid, van de Verordening wordt een aanvraag die minder dan 33 punten scoort afgewezen.
-
4. Elk afzonderlijk selectiecriterium dient minimaal 1 punt te scoren.
-
5. Bij gelijk aantal punten en overschrijding van het subsidieplafond vindt prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: i. effectiviteit, ii. haalbaarheid, iii. efficiëntie.
-
6. Indien toepassing van het vijfde lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen conform artikel 1.12, zesde lid, van de Verordening bepaald door loting.
-
7. Overeenkomstig artikel 1.13 van de Verordening wordt gebruik gemaakt van een door Stimulus Programmamanagement aangestelde onafhankelijke adviescommissie.
Artikel 10 Verplichtingen
In aanvulling op de artikelen 1.15 en 2.10.8 van de Verordening dienen activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uiterlijk 31 december 2028 te hebben plaatsgevonden.
Artikel 11 Voorschot
Artikel 2.10.7 van de Verordening is van toepassing.
Artikel 12 Subsidie-arrangement
Gelet op artikel 1.7, vijfde lid, van de Verordening is artikel 1.7, eerste lid, onder c, van de Verordening van toepassing.
Artikel 13 Publicatie en inwerkingtreding
Dit besluit wordt geplaatst in het Provinciaal Blad en treedt in werking met ingang van 7 september 2026.
Artikel 14 Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg.
Ondertekening
Gedeputeerde Staten voornoemd,
de voorzitter,
dhr. E.G.M. Roemer
de secretaris,
dhr. D. Timmer
Bijlage A Selectiecriteria 2026 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg
Na sluiting van de indieningstermijn worden alle ontvankelijke aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld als bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027. Op basis van de in artikel 2.10.6, eerste lid van de Verordening bedoelde selectiecriteria worden deze in rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek. Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium als volgt plaats:
- -
0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is;
- -
1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is;
- -
2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is;
- -
3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, voldoende is;
- -
4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is;
- -
5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is.
De behaalde punten per selectiecriterium worden vervolgens gewogen:
|
Selectiecriterium |
Weging |
Te behalen punten |
Maximum per criterium |
|
|
i. |
Effectiviteit |
4 |
0-5 |
20 |
|
ii. |
Haalbaarheid |
4 |
0-5 |
20 |
|
iii. |
Efficiëntie |
3 |
0-5 |
15 |
|
Maximum aantal punten |
55 |
|||
Toetsing vindt plaats door een onafhankelijk adviescommissie die Gedeputeerde Staten adviseert.
De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat de adviescommissie aan het project toekent. Er worden maximaal 5 punten toegekend per criterium. Aan elk selectiecriterium is een wegingsfactor toegekend. Het maximumaantal punten dat behaald kan worden is 55. Het project met het meest aantal punten krijgt de hoogste ranking. Een project dient op elk selectiecriterium minimaal 1 punt te scoren.
Voor elk project geldt dat een minimumaantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen (60% van 55 punten = minimaal 33 punten). Indien een aanvraag minder dan 33 punten behaalt wordt de aanvraag afgewezen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te kunnen selecteren.
Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: i. effectiviteit, ii. haalbaarheid en iii. efficiëntie. Indien de aanvragen een gelijk aantal punten hebben behaald, wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Het toekennen van de punten en de rangschikking vindt plaats door een adviescommissie zoals bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening. Het bepalen van de punten van de selectiecriteria vindt als volgt plaats. Per selectiecriterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld:
i. Effectiviteit (maximaal 5 punten, weging 4, totaal te behalen punten is 20)
Bij dit selectiecriterium gaat het om de bijdrage die het project levert aan de beleidsdoelstelling(en) van het openstellingsbesluit. Bij de beoordeling hiervan wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen. Dat bij dit criterium ook naar het gevraagde subsidiebedrag wordt gekeken, betekent overigens niet dat het criterium rekenkundig (impact delen door subsidiebedrag) moet worden uitgelegd. De impact, dus het effect/resultaat van de activiteit (kennisoverdracht) blijft het leidende element. De mate van effectiviteit wordt derhalve bepaald op basis van de samenhang van de volgende aspecten:
- ▪
De mate waarin kennisoverdrachtactiviteiten bijdragen aan de doelen binnen de thema's van de openstelling zoals beschreven in artikel 2.10.1, tweede lid van de Verordening. Ofwel, in welke mate draagt de kennis bij aan deze doelen. De score is groter naarmate het project bijdraagt aan meerdere thema's en doelen uit dit artikel.
- ▪
Bereik van de betreffende kennisoverdrachtactiviteit: bij bereik gaat het om de omvang van de beoogde doelgroep(-en) die potentieel kan mee doen en welke acties ondernomen worden om deze groep te laten meedoen. Dit kan via e-mail, sociale media, vakbladen etc. Er wordt gekeken naar het aantal bijeenkomsten, aantal vervolgacties, aantal deelnemers, breedte/samenstelling van de groep per actie, aantal contacturen per deelnemer en dergelijke.
- ▪
De mate waarin de kennisbehoefte bekend is en de mate waarmee hierop wordt ingespeeld.
- ▪
De wijze waarop en de mate waarin (blijvende) toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd. Met borging wordt bedoeld de mate waarin de betreffende kennisoverdrachtactiviteit (trainingen, demonstraties etc.) opgevolgd wordt respectievelijk beklijft bij deelnemers.
ii. Haalbaarheid (maximaal 5 punten, weging 4, totaal te behalen punten is 20)
Haalbaarheid wordt beoordeeld aan de hand van de samenhang van de volgende aspecten:
- ▪
Kwaliteit projectplan: de kwaliteit van het projectplan wordt bepaald door duidelijke beschrijvingen van het probleem en aanpak van activiteiten ten behoeve van de kennisoverdracht. Daarnaast bevat het projectplan ook beheersmatige aspecten zoals tijdsplanning, kosten, menskracht, organisatie, communicatie en risico's. Er wordt gekeken naar hoe realistisch het plan is en of alle relevante partijen bij de kennisoverdrachtsactiviteit(-en) betrokken zijn.
- ▪
Kwaliteit kennisaanbieders: in hoeverre zijn betreffende kennisaanbieders aantoonbaar gekwalificeerd. Er wordt gekeken naar aanwezige kennis (met name van de Limburgse situatie/behoeften), ervaring (o.a. voldoende gekwalificeerde en regelmatig getrainde projectuitvoerders) en toegang tot relevante partijen/netwerken om de specifieke kennisoverdracht te kunnen verzorgen.
- ▪
Indien bij gelijke kwaliteit gebruik wordt gemaakt van relevante Limburgse kennis- en/of onderwijsinstellingen scoort de aanvraag hoger.
- ▪
Mate waarin uit het projectplan blijkt dat doelgroep(-en) effectief en efficiënt benaderd/uitgenodigd worden alsmede dat deelnemers uitgedaagd worden om de aangeboden/geleerde kennis daadwerkelijk in de praktijk toe te gaan toepassen.
- ▪
De eigen bijdrage van de doelgroep en eventuele derden. De omvang van een eigen bijdrage is een indicatie van de motivatie en daarmee de kans dat de projectdoelen worden gehaald. Bij derden kan onder meer worden gedacht aan onafhankelijke partijen in de keten en kennisinstellingen.
iii. Efficiëntie (maximaal 5 punten, weging 3, totaal te behalen punten is 15)
Efficiëntie wordt bepaald door in onderlinge samenhang te kijken naar de volgende aspecten:
- ▪
redelijkheid kosten: staat de begroting in reële verhouding tot de beoogde resultaten? Hoe is dit aannemelijk gemaakt?
- ▪
relevantie kosten(posten): wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?
- ▪
aandeel overhead in relatie tot de andere activiteiten/kostenposten?
- ▪
gebruik kennis, kunde/ervaring en middelen - in hoeverre worden deze op juiste plek ingezet?
- ▪
samenstelling van het samenwerkingsverband (eigen expertise) t.o.v. in te huren externe expertise.
TOELICHTING Openstellingsbesluit 2026 Paragraaf 10 Kennis en Informatie Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg
|
Leeswijzer Met dit Openstellingsbesluit wordt “Paragraaf 10 Kennis en informatie uit Hoofdstuk 2 van de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg (laatst gewijzigd Pb 2026, nr. 7816)” opengesteld. De artikelen 2.10.1 t/m 2.10.8 van deze Verordening moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in voorliggend Openstellingsbesluit. Voor zaken die niet specifiek benoemd zijn in voorliggend Openstellingsbesluit zijn de bepalingen uit de Verordening dus onverkort van toepassing. Daarnaast zijn de algemene en slotbepalingen uit de Verordening ook van toepassing op een aanvraag. Voorliggend Openstellingsbesluit bevat derhalve uitsluitend nadere regels ten opzichte van de Verordening. |
GLB/NSP
Met het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) werkt Nederland aan toekomstbestendige landbouw, het versterken van de natuur en een leefbaar platteland. Voor Nederland is dit beleid gezamenlijk opgesteld door het Rijk, de Provincies en de Unie van Waterschappen, het zogenaamde Nationaal Strategisch Plan (NSP-2023 t/m 2027). Het GLB-NSP omvat subsidies en instrumenten voor boeren en actoren waarmee zij kunnen bijdragen aan een toekomstbestendige landbouw. De Provincie Limburg heeft hiervoor de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg opgesteld.
Provinciaal land- en tuinbouwbeleid
De Limburgse land- en tuinbouw krijgt via diverse provinciale invalshoeken aandacht:
- ▪
Hoofdstuk 6 “Een gezonde toekomst voor de land- en tuinbouw in Limburg” van het beleidskader Werken aan een toekomstbestendige economie (2024-2027) alsmede middels Toekomst-perspectief Tuinbouwketen Limburg+ en het Stimuleringsplan Biologische landbouw 2026-2030.
- ▪
Beleidskader Perspectief van het Landelijk Gebied.
Meer informatie: www.limburg.nl
Limburg streeft naar een maatschappelijk gewaardeerde én toekomstbestendige landbouw. Een toekomstbestendige landbouw omvat een economisch rendabel landbouwsysteem, dat optimaal beheer van natuurlijke hulpbronnen duurzaam integreert in de bedrijfsvoering, inclusief zorg voor ecologische functies en de biodiversiteit op en om het bedrijf. Een duidelijk (ontwikkel) perspectief voor individuele agrariërs is een belangrijke sleutel om de doelen voor de landbouw te kunnen halen.
Het vigerende economisch landbouwbeleid “Een gezonde toekomst voor de land- en tuinbouw in Limburg” sluit aan op de beweging die via het GLB/NSP gemaakt wordt naar een toekomstbestendige manier van ondernemen. Het provinciaal beleid sluit aan op de beweging die via het GLB-NSP gemaakt wordt naar een toekomstbestendige manier van ondernemen. De nu voorliggende openstelling hanteert derhalve de volgende thema’s:
- A.
ontwikkelen van duurzame verdienmodellen binnen de landbouw, met als resultaat een rendabel inkomen voor landbouwers;
- B.
vergroten van de marktgerichtheid en het concurrentievermogen van landbouwbedrijven door meer aandacht voor onderzoek, nieuwe technologieën of digitalisering;
- C.
ontwikkelen van een marktrijp concept van een duurzame toegevoegde waardeketen gericht op landbouwproducten, waardoor de positie van de landbouwer in de waardeketen verbetert;
- D.
bijdragen aan de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de koolstofvastlegging te verbeteren of duurzame energie te bevorderen;
- E.
bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, door de afhankelijkheid van chemische middelen te verkleinen;
- F.
bijdragen aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten of de instandhouding van habitats of landschappen;
- G.
aantrekken en behouden van jonge landbouwers of nieuwe landbouwers of bevordering van duurzame bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;
- H.
bevorderen van de werkgelegenheid, groei, gendergelijkheid, sociale inclusie of lokale ont- wikkeling in plattelandsgebieden;
- I.
inspelen op maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van voedsel en gezondheid of vermindering van de voedselverspilling, verbetering van het dierenwelzijn of bestrijding van antimicrobiële resistentie.
De nu voorliggende openstelling stimuleert derhalve ontwikkelingen die bijdragen aan: - een beter verdienvermogen van de Limburgse agrofoodketen, - economisch perspectief in balans met ecologische doelen, - lagere uitstoot van emissies naar lucht, water en bodem én vergroten van biodiversiteit en - grotere kennisverspreiding, onderwijsaanbod en gedragsverandering zoals ook opgenomen in de GLB-doelen bij artikel 2.10.1, tweede lid, van de Verordening.
In de aanvraag dient derhalve duidelijk onderbouwd beschreven te worden hoe het project bijdraagt aan de voor het project relevante thema’s (A-I), alsmede waar en hoe het project aansluit bij het provinciale beleid, met name de drie actielijnen van “Een gezonde Toekomst voor de land- en tuinbouw in Limburg (2024-2027)”: (a) Opgavegericht innoveren, (b) Strategisch verbinden en (c) Limburgse land- en tuinbouw in beeld. Alle sectoren zowel gangbaar als biologisch (veehouderij, akkerbouw, tuinbouw, fruit, wijnbouw etc.) kunnen bijdragen aan het realiseren van gestelde provinciale doelen. Ook eventuele linken/aansluiting met andere relevante provinciale beleidskaders /programma’s dienen vermeld te worden. Meer informatie: www.Limburg.nl
Subsidiabele activiteiten (artikel 2)
Het gaat om steun voor activiteiten gericht op meerdere landbouwers tegelijk, waarmee de doelgroep van het project bedoeld wordt. De activiteiten hebben een collectief karakter, maar als onderdeel hiervan kunnen individuele activiteiten (zoals ondernemerscoaching) aan meerdere landbouwers tegelijk worden opgenomen in het project.
Het gaat om (a) activiteiten gericht op landbouwers, zoals trainingen, workshops, ondernemers- coaching, voorlichtingsacties of (b) demonstratie-activiteiten/projecten. Daarbij vindt kennisuitwisseling plaats rond een specifiek onderwerp. Het doel is om landbouwers te informeren over voor hen nieuwe, maar bestaande, kennis en innovaties in de landbouw die leiden tot toepassing ervan en bijdragen aan de verduurzaming van deze sector.
De kennis die wordt overgedragen betreft bestaande kennis over innovaties die nog niet breed aanwezig is bij een bredere groep van landbouwers. Een project kan enkel gericht zijn op het delen van bestaande kennis over innovaties om deze innovaties verder te brengen en is daarmee niet gericht op het ontwikkelen van nieuwe kennis. Tegelijk kan een project ook géén deel uitmaken van reguliere programma’s en leergangen uit het reguliere onderwijs: MBO-, HBO-, en WO-onderwijs.
Bij (b) nemen landbouwers zelf het initiatief voor de aanvraag om subsidie waarbij het de bedoeling is dat zij het eigen landbouwbedrijf beschikbaar stellen voor de demonstratie-activiteiten.
Inhoudelijk moeten de kennisoverdrachtactiviteiten aansluiten bij de Europese doelstellingen van het GLB 2023-2027, deze zijn terug te vinden in artikel 6 van verordening 2021/2115.
Er zijn drie plafonds ingericht:
[A] activiteiten (a) óf (b) die inzetten op biologische landbouw/ketens;
[B] activiteiten (a) óf (b) die inzetten op de wijnsector/ketens;
[C] activiteiten (a) óf (b) overig.
Bij de digitale indiening in de portal dient van te voren een keuze gemaakt te worden.
Samengevat: in het projectplan moet worden ingegaan op doel, beoogd resultaat en impact van het project, welke kennis en ervaring zal worden gedeeld, welke kennisoverdrachtactiviteiten worden uitgevoerd, welke doelgroepen worden benaderd/bereikt op welke manier en hoeveel agrariërs deelnemen. Het gaat uitdrukkelijk bij alle kennisoverdracht activiteiten (zowel bij (a) als bij (b)) om groepen van landbouwers (géén individuele trajecten). Deelnemers dienen beroepsmatig te participeren. Bezoekers van grootschalige open dagen of andere vormen van brede kennisverspreiding vallen hier niet onder.
Aanvrager(s) (artikel 3)
Subsidie wordt verstrekt aan:
- 1)
een kennisaanbieder of een samenwerkingsverband van kennisaanbieders;
- 2)
een landbouwer of een samenwerkingsverband van landbouwers.
Met een kennisaanbieder wordt bedoeld: degene die de kennisoverdracht verstrekt en faciliteert aan landbouwers.
In geval van kennisoverdrachtactiviteiten bij zowel (a) als (b) (zie artikel 2) dient de doelgroep te bestaan uit groepen van landbouwers.
Met demonstratieprojecten op het eigen landbouwbedrijf (b) wordt bedoeld dat het bedrijf van een landbouwer moet worden ingezet als locatie voor het uitvoeren van het demonstratieproject. De activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, dienen plaats te vinden op het landbouwbedrijf waarvan de landbouwer dan tevens de aanvragende partij voor de subsidie voor het demonstratieproject is.
In geval (b) kan indien nodig een faciliterende partij t.b.v. operationele en organisatorische zaken e.d. worden ingeschakeld.
In principe hoeft de aanvrager niet alle benodigde kennis zelf in huis te hebben, maar zijn/haar eigen kennisinbreng moet nadrukkelijk ingezet, aangetoond en beschreven worden in de aanvraag. Aanvrager kan overig benodigde deskundigheid, ervaring en expertise inhuren c.q. aantrekken. Het gaat om relevante kennis en ervaring. Het opleidingsniveau ‘sec’ is van minder belang. Met andere woorden een persoon met een MBO opleiding en jarenlange ervaring zou meer voor het project kunnen betekenen dan een persoon met een HBO opleiding en geen ervaring. Ervaring en kennis dient in de aanvraag aangetoond te worden (zie ook artikel 4 en artikel 2.10.3 van de Verordening).
Veel ervaring en kennis wordt opgebouwd doordat landbouwbedrijven samenwerken met kennis- en/of onderwijsinstellingen en/of bedrijfs- of teeltadviseurs. Daarom worden aanvragen die kennis en ervaringen van kennis- en/of onderwijsinstellingen benutten meer gewaardeerd.
Tevens wordt aanbevolen alle mogelijke andere relevante partijen bij de uitvoering van het project te betrekken. Dit om kennis en ervaringen met elkaar te delen en om verbindingen tussen boeren, bedrijven, onderwijs- en onderzoeksinstellingen te versterken.
Kennis en ervaring worden meegewogen bij het selectiecriterium iii. efficiëntie (zie Bijlage A).
Aanvraagvereisten (artikel 4)
De aanvraagvereisten in artikel 2.10.3 van de Verordening schrijven voor dat de aanvragers (kennisaanbieders) moeten beschikken over voldoende gekwalificeerde en regelmatig getrainde projectuitvoerders en over middelen om de activiteit succesvol uit te voeren. Ook wordt voorgeschreven dat het bereik (verwachte aantal deelnemers) van de activiteiten ten behoeve van kennisoverdracht aangegeven moet worden. Dit wordt meegewogen bij het selectiecriterium ii. haalbaarheid (zie Bijlage A).
Subsidiabele kosten (artikel 5)
Kosten die voor subsidie in aanmerking komen hebben betrekking op kennisoverdracht die plaatsvindt.
Subsidiabele kosten kunnen bestaan uit loonkosten, kosten van eigen arbeid, bijdragen in natura, afschrijvingskosten en andere kosten, zie ook artikel 1.8 uit de Verordening.
Voor de aanvrager bestaan drie begrotingsmethodieken om de begroting op te stellen. Hiervoor zijn voorwaarden opgenomen in artikel 1.9a tot en met 1.9c van de Verordening.
[1] Op basis van werkelijke kosten, zie artikel 1.9a van de Verordening.
[2] Op basis van de overige kosten waarvan 23% aan arbeidskosten kan worden begroot zonder dat voor deze arbeidskosten verantwoording afgelegd hoeft te worden.
[3] Op basis van de arbeidskosten waarvan 40% aan overige kosten kan worden begroot zonder dat voor deze overige kosten verantwoording afgelegd hoeft te worden.
Het feit dat deze drie begrotingsmethodieken zijn opgenomen in dit openstellingsbesluit, houdt in dat hierin een keuze gemaakt kan worden. Optie 2 en 3 bieden vereenvoudiging in de verantwoordingslast.
(NB de gemaakte keuze bij aanvraag kan echter niet meer worden gewijzigd).
Op basis van onderstaande rekenvoorbeelden wordt in beeld gebracht hoe de begroting van een project kan worden opgesteld.
Voorbeeld [1]
Werkelijke kosten conform artikel 1.9a van de Verordening:
alle kosten moeten worden verantwoord.
|
Arbeidskosten |
Overige kosten |
Totale kosten |
Financiering |
Subsidie |
|
€ 25.000 |
€ 75.000 |
€ 100.000 |
80% subsidie |
€ 80.000 |
Voorbeeld [2]
Vereenvoudigde kostenoptie voor arbeidskosten conform artikel 1.9b van de Verordening:
alleen de overige kosten moeten worden verantwoord.
|
Arbeidskosten |
Overige kosten |
Totale kosten |
Financiering |
Subsidie |
|
€ 17.250 (23%, van de overige kosten (€ 75.000)) |
€ 75.000 |
€ 92.250 |
80% subsidie |
€ 73.800 |
Voorbeeld [3]
Vereenvoudigde kostenoptie voor overige kosten, conform artikel 1.9c van de Verordening:
alleen arbeidskosten hoeven te worden verantwoord (op basis van uurtariefberekeningen en urenregistraties).
|
Arbeidskosten |
Overige kosten |
Totale kosten |
totaal |
|
|
€ 25.000 |
€ 10.000 (40% van de arbeidskosten: € 25.000) |
€ 35.000 |
80% subsidie |
€ 28.000 |
Indien voor kennisinstellingen gebruik gemaakt wordt van de Integrale KostenSystematiek (IKS) kan er géén gebruik gemaakt worden van de vereenvoudigde kostenmethode (zie artikel 1.9c, tweede lid, van de Verordening).
Kosten zijn enkel subsidiabel als deze zijn gemaakt nádat de subsidie-aanvraag is ingediend. Eventuele opdrachten kunnen (dus) pas verstrekt worden nadat de subsidie is aangevraagd (dit op eigen risico).
Kosten die vóór de aanvraag zijn gemaakt komen niet voor subsidie in aanmerking. Uitdrukkelijk zij vermeld dat het ondertekenen van een offerte - voor de datum van indiening van de aanvraag - uitgelegd wordt als start met de uitvoering van de activiteit.
Ervaring wijst uit dat veel initiatiefnemers met de start van hun project wachten totdat de beschikking ontvangen is. Dat hoeft niet. Kosten zijn subsidiabel vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
De beschikking geeft echter pas zekerheid over de subsidiabiliteit van de kosten. Kosten maken na het indienen van de aanvraag en voor ontvangst van de beschikking betekent dus een zeker risico nemen.
Niet subsidiabele kosten (artikel 6)
Er wordt géén subsidie verstrekt voor ontwikkeling van nieuwe kennis alsmede kennisaanbod dat deel uitmaakt van reguliere porgramma’s of leergangen in het mbo, hbo of wo. Ook zijn eigen uren besteed door landbouwers om als deelnemer aan de kennisoverdrachtactiviteit deel te nemen niet subsidiabel. Ingezette arbeidsuren van het in het samenwerkingsverband participerende bedrijf (kennisaanbieder/ aanvrager) worden wel vergoed. Voor andere landbouwbedrijven (maar géén partner in het samenwerkingsverband) die ingehuurd worden en/of demonstratieactiviteiten op hun bedrijf laten plaastvinden is dit ook van toepassing, mits dit gefactureerd wordt naar het samenwerkingsverband dat het project uitvoert.
Subsidieplafond (artikel 7)
Dit artikel maakt het mogelijk dat wanneer een subsidieplafond ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van de andere subsidieplafonds aan te spreken (eerste lid). In het tweede lid is bepaald welke volgorde hiervoor wordt aangehouden, te weten A,B, C.
Subsidiepercentage en -hoogte (artikel 8)
Voor de kennisoverdrachtvormen binnen (a) van deze openstelling geldt een subsidiepercentage van 80% van de subsidiabele kosten. Voor (b) geldt 100%. Het minimale subsidiebedrag betreft bij beiden € 50.000,00 alsook bij beiden maximaal € 100.000,00.
Rangschikking (artikel 9)
Deze subsidieverlening verloopt via een tendersysteem. Dat wil zeggen dat gedurende een beperkte periode (7 september 2026 t/m 19 oktober 2026 ) subsidie-aanvragen kunnen worden ingediend. Op de sluitingsdatum van de tender moet alle informatie (inclusief alle verplichte alsmede van toepassing zijnde bijlagen) die bij de aanvraag horen ontvangen zijn. Deze sluitingsdatum van 19 oktober 2026 17:00 uur wordt strikt gehanteerd. Na de sluiting is aanvullen van de aanvraag niet meer mogelijk.
De aanvragen die tijdig binnen zijn worden eerst getoetst op ontvankelijk- en compleetheid. Alle ontvankelijke complete aanvragen worden vervolgens door een adviescommissie beoordeeld op de selectiecriteria en vervolgens gerangschikt op basis van het toegekende aantal punten. Zie Bijlage A.
Verplichtingen (artikel 10)
Alle activiteiten onder een project dienen uiterlijk 31 december 2028 te hebben plaatsgevonden.
Tussentijds bij het rapporteren over de voortgang van het project en/of bij het indienen van een deelbetalingsverzoek geldt de verplichting om aan te geven hoeveel deelnemers tot dan toe bereikt zijn met de onderscheiden kennisoverdrachtactiviteiten. Bij het inhoudelijk verslag behorend bij het vaststellingsverzoek na afloop van het project moet het totaal aantal deelnemers dat bereikt is per kennisoverdrachtsvorm vermeld worden.
Voorschot (artikel 11)
Er worden géén voorschotten verstrekt.
Subsidie-arrangement (artikel 12)
Bij deze openstelling worden de spelregels gehanteerd van arrangement 3. De afrekening van de subsidie vindt derhalve plaats op basis van gemaakte kosten en betalingen. Hiervoor dient de desbetreffende projectadministratie ter onderbouwing aangeleverd te worden (opdrachtbevestigingen, facturen, betaalbewijzen, urenstaten, etc.).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl