Nadere regels bewaren van houtopstanden Het Hogeland 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-09-2026

Intitulé

Nadere regels bewaren van houtopstanden Het Hogeland 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland;

gelet op artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Het Hogeland;

besluit vast te stellen de Nadere regels bewaren van houtopstanden Het Hogeland 2026

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    afdeling VTH: afdeling Vergunning Toezicht en Handhaving van de gemeente Het Hogeland;

  • 2.

    bebouwingscontour houtkap: de door de gemeente aangewezen bebouwingscontour houtkap, volgens artikel 5.165b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente wanneer de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. De bebouwingscontour houtkap valt samen met de bebouwde komgrenzen van de gemeente.

  • 3.

    boom: een houtig opgaand gewas met, gemeten op 1.30 meter boven het maaiveld, een dwarsdoorsnede (diameter) van de stam van meer dan 20 centimeter. Bij meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

  • 4.

    Boom Effect Analyse (BEA): een rapportage waarin beschreven is welke effecten een ruimtelijke ontwikkeling op de houtopstand heeft, welke alternatieven er zijn voor het behoud van de houtopstand en op welke wijze het verlies aan houtopstand gecompenseerd wordt als kap onvermijdelijk blijkt te zijn;

  • 5.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland;

  • 6.

    deskundige: een persoon die door ervaring en/of opleiding (ETW, ETT, BTA, Boomveiligheidscontroleur) over relevante specialistische kennis beschikt.

  • 7.

    directe omgeving Projectgebied (als bedoeld in artikel 1.8): de omgeving in een straal van 500 meter buiten de grens van het projectgebied;

  • 8.

    dunnen: vellen van delen van een houtopstand ter bevordering van groei en gezondheid van de overblijvende houtopstand;

  • 9.

    gedenkboom: een houtig opgaand gewas dat is aangeplant ter nagedachtenis aan een gebeurtenis of persoon die (inter)nationaal, regionaal of lokaal van betekenis is.

  • 10.

    hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

  • 11.

    houtopstand: één boom of meerdere bomen of een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout; knotten/ kandelaberen: het tot de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; met een minimale aaneengesloten oppervlakte van 100 m2 en een gemiddelde natuurlijke groeihoogte van > 2 meter;

  • 12.

    kandelaberen: verkleinen van de kroon van een boom tot de hoofdstam en/of hoofdgesteltakken met takstompen;

  • 13.

    knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats;

  • 14.

    monumentale houtopstand: Houtopstanden die staan vermeld op:

    • De landelijke lijst van monumentale bomen van de Bomenstichting (monumentalebomen).

  • 15.

    noodvelling: de burgemeester of diens gemandateerde toestemming of opdracht verlenen tot direct vellen van een boom bij acute gevaarzetting of een vergelijkbaar spoedeisend belang van bijvoorbeeld openbare orde of veiligheid. Dit geldt zowel voor bomen in particulier eigendom als in gemeentelijk eigendom (ook andere overheidsorganen). De acute gevaarzetting dient te zijn vastgesteld door het bevoegd gezag. Na de noodkap wordt zo mogelijk spoedig een herplantplicht opgelegd, maar dit kan ook later geschieden.

  • 16.

    omgevingsvergunning: de omgevingsvergunning vellen van een houtopstand, zoals bedoeld in artikel 11.111, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

  • 17.

    projectgebied: een op een tekening aangeduid gebied waarin de werkzaamheden plaatsvinden;

  • 18.

    Ruimtelijke ontwikkeling: Een ontwikkeling door (semi) overheden of projectontwikkelaars, zoals aanleg van wegen, bedrijventerreinen, havens, woonwijken dan wel een bouwplan dat alleen met een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan gerealiseerd kan worden;

  • 19.

    taxatiemethode NVTB: methode van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs voor Bomen om de waarde van een houtopstand te bepalen;

  • 20.

    vellen: kappen, rooien, verplanten, vernielen, of het knotten, kandelaberen, snoeien van meer dan 25 procent van de blijvende kroon of wortelgestel van een houtopstand en verder het verrichten van alle handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige aantasting van het (straat)beeld van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

  • Onder verplanten wordt niet verstaan het doen van voorbereidende werkzaamheden, voorafgaande aan het verplaatsen van de boom.

  • Onder knotten en kandelaberen wordt niet verstaan de repeterende periodieke snoeiwerkzaamheden die daar het gevolg van zijn.

  • 21.

    vaardevolle houtopstand: de houtopstand die voldoet aan de hierna te noemen basisvoorwaarden en aan tenminste één van de nader te noemen specifieke voorwaarden:

Basisvoorwaarden:

  • Minstens 50 jaar oud;

  • Voldoende vitaal: levensverwachting van minstens 10 jaar.

Specifieke voorwaarden:

  • De houtopstand maakt onderdeel uit van een ecologische structuur of heeft een bijzondere ecologische waarde;

  • Het betreft een karakteristieke boom of maakt onderdeel uit van een karakteristieke boomgroep of bomenstructuur;

  • Een (gemeentelijk) zeldzame boomsoort en/of gedenkboom;

  • De houtopstand heeft door zijn standplaats en kroonvorm een cultuurhistorische waarde;

  • De houtopstand is beeldbepalend voor de omgeving.

Artikel 2 Doelen

Doelen van deze nadere regels met het oog van de fysieke leefomgeving zijn gericht op:

  • a.

    Het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    De natuurbescherming;

  • c.

    Het beschermen van het milieu;

  • d.

    Het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

  • e.

    Het behoud van cultureel erfgoed inclusief waardevolle landschapselementen;

  • f.

    Het beperken van klimaatverandering;

  • g.

    De instandhouding van het bos- en landschapsareaal binnen de gemeente;

  • h.

    De leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de woonomgeving.

Artikel 3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt:

  • a.

    Iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie;

  • b.

    De stamomtrek in centimeters op 130 centimeter boven maaiveld van iedere houtopstand aangegeven;

  • c.

    De reden voor het vellen van iedere houtopstand opgenomen;

  • d.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, in het geval van bouwen, aanleggen of andere werkzaamheden nabij houtopstand, wordt door aanvrager een Boom Effect Analyse (BEA) overgelegd, welke is opgesteld door onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European Tree Technician, inzake alternatieven voor het behoud van houtopstand, zoals verplanten, reconstructie van de ondergrondse groeiplaats bij verharden, het zwevend bouwen over wortels heen, of andere inpassing van houtopstand bij bouwen of aanleggen, of, een plan tot bescherming van houtopstand tijdens het bouwen of aanleggen;

  • e.

    In het geval van vrees voor breuk, verminderde stabiliteit of vitaliteit van een houtopstand, wordt door aanvrager een rapport van een onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician hierover overgelegd;

  • f.

    Indien herplant mogelijk is, wordt een voorstel gedaan inzake het aantal, de soort(en), de grootte, de termijn, de locatie en de groeiruimte van de te herplanten houtopstand.

Artikel 4 Toetsing aanvraag omgevingsvergunning

  • 1.

    Het college toetst een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand.

  • 2.

    Het college toetst voor het criterium ‘waardering’ de volgende aspecten:

    • a.

      Onderdeel van een groenstructuur;

    • b.

      Leefbaarheid;

    • c.

      Ecologische waarde

    • d.

      Esthetische waarde;

    • e.

      (Potentieel) waardevolle houtopstand;

    • f.

      Zeldzaamheid (dendrologische waarde).

  • 3.

    Het college toetst voor het criterium ‘kwaliteit’ (levensverwachting) de volgende aspecten:

    • a.

      Goed, > 15 jaar;

    • b.

      Redelijk, tussen 10 en 15 jaar;

    • c.

      Matig, tussen 5 en 10 jaar;

    • d.

      Slecht, < 5 jaar.

  • 4.

    Het college toetst voor het criterium ‘overlast’ de volgende aspecten:

  • a.

    Lichtreductie of schaduwwerking;

  • b.

    Opdruk van verhardingen door boomwortels.

  • c.

    Schade aan bouwwerken.

  • 5.

    Het college toets voor het criterium ‘overlast’ niet op de volgende aspecten:

  • a.

    Bladval (hierbij inbegrepen afvallende naalden, druipen van hars e.d.);

  • b.

    Vruchten/zaden/bloesem;

  • c.

    Op of in houtopstanden levende organismen;

  • d.

    Overlast door hogere energiekosten;

  • e.

    Rendementsverlies energie-opwekkers;

  • f.

    Overlast door groene aanslag.

  • 6.

    Het college toetst voor het criterium ‘dringende reden’ de volgende aspecten:

  • a.

    Ruimtelijke ontwikkeling;

  • b.

    Bouwplan;

  • c.

    Groot onderhoud.

  • 7.

    Toepassing belangenafwegingsformulier:

  • a.

    Voor de toetsing van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand wordt het belangenafwegingsformulier (bijlage 1) toegepast.

  • b.

    Het belangenafwegingsformulier vormt eventueel samen met andere wegingskaders de basis voor de belangenafweging.

  • 8.

    Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een ruimtelijke ontwikkeling toetst de aanvrager of er werkzaamheden rondom of onder bomen met een stamdiameter van meer dan 20 cm worden uitgevoerd. Hieronder vallen ook activiteiten zoals aan- en afvoerroutes, op- en overslag van materiaal en opstelplaatsen van materieel. In dat geval is een Boom Effect Analyse vereist.

    • a.

      De Boom Effect Analyse (BEA) wordt opgesteld conform de richtlijn BEA van de Bomenstichting en CROW. De BEA dekt de ontwikkeling vanaf initiatieffase tot en met de uitvoering/afronding;

    • b.

      Het college besluit over de BEA indien er sprake is van een negatieve balans op de houtopstand, en/of als er sprake is van het vellen van een waardevolle houtopstand ongeacht de groenbalans.

    • c.

      Het college mandateert in de overige gevallen de teamcoach VTH of diens gemandateerde plaatsvervanger tot het vaststellen van de BEA.

  • 9.

    Bij werkzaamheden onder of in de nabijheid van te behouden bomen is een boombeschermingsplan verplicht. Het uitgangspunt vormt de poster “boombescherming op bouwlocaties” van de vereniging Stadswerk en de Bomenstichting. Het boombeschermingsplan wordt voorafgaand aan de uitvoering van het werk aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voorgelegd.

  • 10.

    Indien een financiële compensatie aan de omgevingsvergunning is verbonden, mag de houtopstand niet eerder worden geveld dan nadat de opgelegde financiële compensatie in het groencompensatiefonds is gestort.

Artikel 5 Eisen aan een Boom Effect Analyse

  • 1.

    Een BEA dient te voldoen aan de Richtlijn Bomen Effect Analyse van de Bomenstichting en CROW en bevat minimaal de volgende onderdelen:

  • a.

    Het aantal bomen en de oppervlakte van de houtopstand;

  • b.

    Boomsoort (Nederlandse en wetenschappelijke naam);

  • c.

    Diameter van de stam op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;

  • d.

    Kroonprojectie van de boom;

  • e.

    Schaalvaste tekening waarop de ingemeten bomen (met weergave van de kroonprojectie) staan weergegeven;

  • f.

    Unieke boomnummering;

  • g.

    Verplantbaarheid (nader onderzoek wortelpakket, ligging kabels en leidingen, transportmogelijkheden, nieuwe locatie);

  • h.

    Kwaliteit van de boom: conditie op basis Roloff;

  • i.

    Levensverwachting;

  • j.

    Bijzondere karakteristiek van de boom (meerstammig, leiboom, knotboom, gedenkboom etc.)

  • k.

    Monumentale of waardevolle boom;

  • l.

    Herplant mogelijk in het projectgebied of in de directe omgeving van het projectgebied (Groenbalans);

  • m.

    Alternatieven voor het behoud van houtopstand, zoals verplanten, reconstructie van de ondergrondse groeiplaats bij verharden, het zwevend bouwen over wortels heen, of andere inpassing van houtopstand bij bouwen of aanleggen, of, een plan tot bescherming van houtopstand tijdens het bouwen of aanleggen;

  • n.

    Motivering vellen van een houtopstand;

  • o.

    Tekening met daarop de beschermingsmaatregelen voor de te handhaven bomen;

  • p.

    De hoogte van de eventuele financiële compensatie;

  • q.

    Eventuele bijzonderheden.

  • 2.

    Een BEA dient te zijn opgesteld door een onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European Tree Technician. In overleg met de boomdeskundige van de gemeente Het Hogeland kan bij kleinschalige projecten een Boombeschermingsplan toereikend zijn.

Artikel 6 Herplantplicht en compensatie

  • 1.

    Het college legt voor iedere gevelde vergunningplichtige houtopstand een herplantplicht voor een nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie hetzij in de directe omgeving. Dit geldt ook voor de gemeente Het Hogeland, tenzij er in de directe omgeving geen ruimte is. Dan mag de herplant elders in de gemeente plaatsvinden.

  • 2.

    Een herplantverplichting is niet aan de orde indien:

  • a.

    Indien aanplant conform een goedgekeurd beheerplan, vastgesteld groenbeleid, groenstructuurplan of molenbiotoop ongewenst is;

  • b.

    Indien de te vellen houtopstand zich bevindt op een voor-, zij- of achtererf kleiner dan 100m² is;

  • c.

    Indien het een houtopstand betreft die als gevolg van een dunning is geveld;

  • d.

    Indien de onverkorte toepassing van de herplantplicht zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de oplegging van de herplantplicht zouden kunnen voordoen.

  • 3.

    Het college stelt eisen met betrekking tot de boomsoort (type boom), de plantmaat (in cm. omtrek op 1 meter hoogte), de locatie, de wijze van planten, de plantdatum (binnen 36 maanden vanaf het moment van verlening van de kapvergunning), instandhoudingsplicht, vervanging bij niet-geslaagde herplant gedurende 5 jaar na aanplant, en het aantal bomen te herplanten.

  • 4.

    Indien de herplant plaatsvindt op grond van een ruimtelijke ontwikkeling gelden de volgende nadere voorwaarden:

  • a.

    Een te vervallen boom moet worden vervangen door een boom met een min of meer gelijkwaardig volume aan kroonvolume. Daarbij wordt uitgegaan van de stamomvang (diameter gemeten op 1.30 meter boven maaiveld) van de te vellen boom. Bij het vaststellen van de fysieke compensatie wordt gebruik gemaakt van tabel 1:

Tabel 1: omrekentabel herplant aantal bomen op basis van de stamdiameter van de gekapte bomen.

Stamdiameter in cm

Aantal te herplanten ‘standaardbomen’ (plantmaat 18-20 cm)

< 40

1

40-60

2

61-80

4

81-100

8

>100

10 + 1 per 5 cm Ø boven het meerdere

  • b.

    In plaats van de aantallen te herplanten bomen als genoemd in artikel 4:4a, tabel 1, kunnen ook minder, maar wel grotere bomen worden herplant, mits de vervangende bomen dezelfde fysieke boomwaarde vertegenwoordigen als de gevelde bomen. Tabel 2 geeft daarvoor een omrekentabel naar rato van de stamdikte.

Tabel 2: omrekentabel van ‘standaardboom’ naar dunnere of dikkere bomen (omtrek gemeten op 1 meter hoogte)

Herplant met een stamomtrek van 14-17 cm

Herplant met een stamomtrek van 18-20 cm

Herplant met een stamomtrek van 21-35 cm

Herplant met een stamomtrek van 36-45 cm

Herplant met een stamomtrek van 46-55 cm

Factor 2

Factor 1

Factor 0,5

Factor 0,25

Factor 0,1

Artikel 7 Handhaving

  • 1.

    Indien een houtopstand wordt geveld zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning, legt het college een herplantplicht op. Wanneer herplant aantoonbaar niet mogelijk is, geldt de financiële compensatieplicht uit artikel 6.

  • 2.

    Bij het zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning vellen van een gemeentelijke houtopstand brengt het college:

  • a.

    De kosten in verband met de herplant in rekening bij de illegale veller.

  • b.

    De waarde volgens de taxatiemethode NVTB, vermeerdert met de taxatiekosten, in rekening bij de illegale veller.

  • c.

    De op basis van artikel 2b ontvangen bedragen komen ten gunste van het groencompensatiefonds.

Artikel 8 Financiële compensatie

  • 1.

    Indien vanwege een ruimtelijke ontwikkeling de houtopstand volgens een door het college vastgestelde BEA afneemt, legt het college een financiële compensatie op.

  • Hierbij hanteert het college per afname van een vergunningsplichtige boom of houtopstand de tarieven uit onderstaande tabel:

Tabel 3: compensatie per vergunningsplichtige boom

Categorie houtopstand

Compensatie (€)

Standaard boom ( plantmaat 16-18)

€ 2.500/ st 

Waardevolle boom

€ 3.600/ st

Monumentale boom (Landelijk monumentaal)

€ 15.000/ st

Hakhout: oppervlakte van >100 m2 en natuurlijke groeihoogte > 2.00 M

€ 65/ m²

Bosplantsoen: oppervlakte van >100 M2 en natuurlijke groeihoogte > 2.00 M

€ 65/ m²

(Gemengde) heesters: oppervlakte van >100 M2 en natuurlijke groeihoogte > 2.00 M

€ 65/ m²

  • 2.

    Indien een financiële compensatie aan de omgevingsvergunning vellen van een houtopstand is verbonden, mag de houtopstand niet eerder worden geveld dan nadat de opgelegde financiële compensatie in het compensatiefonds is gestort.

  • 3.

    De inkomsten in het groencompensatiefonds worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen in gemeente Het Hogeland. De gelden uit dit fonds mogen niet worden aangewend voor de aanleg van groen in grote ruimtelijke ontwikkelingsprojecten.

  • 4.

    Een in het groencompensatiefonds gestort bedrag wordt binnen twee jaar na storting ingezet volgens onderstaande prioritering:

  • a.

    Versterken van de hoofdgroenstructuur;

  • b.

    Ondersteuning van groenprojecten en bewonersinitiatieven;

  • c.

    Investeren in de groeiplaats van bestaande bomen om de kwaliteit daarvan te verbeteren.

  • d.

    Ondersteuning van projecten in het kader van de Landelijke Bossenstrategie.

Artikel 9 Vrijstelling

Situatie waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist:

  • a.

    Een houtopstand in een voor-, zij- of achtertuin (erf) kleiner dan 100 m² behorend tot een bebouwde kavel.

  • b.

    Gemeentelijke houtopstand waarvan in een door het college goedgekeurd beheerplan staat dat dunnen als beheermaatregel kan worden toegepast. Dunnen is eveneens vergunningsvrij als dit geschiedt op basis van een beheer- of onderhoudsplan van een door de Stichting Certificering SNL gecertificeerde natuurbeheerorganisatie. Dunnen van overig particulier bezit, bijvoorbeeld van een woningbouwstichting, is vergunningsvrij als het beheer- of onderhoudsplan vooraf door de gemeente is goedgekeurd.

  • c.

    Als verwijdering vereist is op grond van artikel 42, Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek of op grond van een rechterlijke uitspraak of arbitragevonnis.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na datum bekendmaking.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland op 25 augustus 2026

J.C.F. Broekhuizen, burgemeester

P.P.M. van Vilsteren, secretaris

Deel B Belangenafweging

1. Inleiding

Bomen leveren een belangrijke bijdrage aan de belevingswaarde van steden, dorpen en het omliggende landschap. Bomen geven verkoeling, zuiveren stofdeeltjes uit de lucht en zijn van groot belang voor de biodiversiteit. Daarom hecht de gemeente veel waarde aan de bomen en zet zij zich in voor het vergroten van het boomkroonvolume in heel de gemeente (Europese Natuurherstelverordening). Het doel is dat het groen in de gemeente nog beter kan voldoen aan de wensen van de toekomst zoals het tegengaan van hittestress, wateroverlast en beter bestand zijn tegen boomplagen, ziektes en de effecten van klimaatverandering.

In de Algemene Plaatselijke Verordening van gemeente Het Hogeland is een hoofdstuk gewijd aan de bescherming van bomen en overig groen, afdeling 3 artikel 4 Het bewaren van houtopstanden. Hierin is beschreven in welke situatie een Omgevingsvergunning vereist is voor het vellen van een houtopstand en op welke gronden een vergunning kan worden geweigerd. Dit betreft situaties waarin de gemeente bevoegd gezag is. De provincie is bevoegd gezag voor handhaving in het buitengebied met uitsluiting van erven.

Voor bomen met een stamdoorsnede (diameter) groter dan 20 cm (omtrek circa 63 cm), gemeten op 1.30 meter boven maaiveld geldt de bescherming door de omgevingsvergunning. Dit geldt eveneens voor een houtopstand, zoals gedefinieerd in artikel 1.3.

Voor al deze houtopstanden is het uitgangspunt: ‘niet vellen, tenzij’. Om een aanvraag voor een omgevingsvergunning zo objectief mogelijk te kunnen beoordelen zijn deze Nadere regels voor het bewaren van een houtopstand opgesteld. Het betreft zowel het vellen van een houtopstand als de daaraan eventueel verbonden voorwaarden.

Uit de motivering van een verleende omgevingsvergunning moet blijken dat er een zorgvuldige belangenafweging is gemaakt. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij de motivering ‘overlast’ is kan daarbij gebruik gemaakt van een belangenafwegingsformulier. Op dit belangenafwegingsformulier komt zowel het belang voor het behoud als het belang voor het verwijderen van de houtopstand via een score naar voren. Dit formulier is als bijlage 1 toegevoegd. De artikelen worden hieronder nader toegelicht.

2. Artikelsgewijze toelichting

Toelichting artikel 4 lid 2

Criteria voor het behoud van de houtopstand (waardering)

  • Onderdeel groenstructuur

De houtopstand maakt als element onderdeel uit van de groene hoofd- of nevenstructuur. De basis is een bomenstructuurplan.

  • Leefbaarheid

In een omgeving met weinig groen weegt het aanwezige groen zwaarder voor de leefbaarheid dan in een groene omgeving, omdat het schaars is en daardoor moeilijker te missen.

De houtopstand levert een bijdrage aan een aangename woonomgeving, bijvoorbeeld doordat hij schaduw biedt, gelegenheid geeft tot spelen en of een belangrijke rol speelt bij recreatie (park, wandel- en fietsroutes etc.). In welke mate de houtopstand essentieel is om de omgeving als prettig (leefbaar) te ervaren bepaalt de klasse: Essentieel voor woonomgeving, gemiddeld belang, of geen belang.

  • Ecologische waarde

In feite is vrijwel iedere houtopstand ecologisch relevant; van bijzondere waarde is deze wanneer zij een aanvullende functie vervult binnen het lokale ecosysteem. Voorbeelden zijn jaarrond beschermde nesten van vogels, verblijven en/of essentiële vliegroutes voor vleermuizen, essentieel leefgebied voor beschermde fauna etc. Als een dergelijke houtopstand wegvalt zijn er directe gevolgen voor de aanwezige beschermde fauna. In welke mate de betreffende houtopstand van ecologisch belang is bepaald de score: Essentieel, gemiddeld belang, of geen belang.

  • Beeldbepalende waarde

Sommige bomen vallen niet op als groen decor, andere zijn direct markant en opvallend.

De beeldbepalendheid van een boom hangt nauw samen met de vraag door hoeveel mensen een boom dagelijks gezien wordt en voor welk gedeelte/percentage van de kroon en/of stam de boom gezien wordt. Hoe beter een boom volledig zichtbaar is vanaf openbaar terrein des te meer beeldbepalend is een boom. De mate van zichtbaarheid bepaalt de klasse.

  • Waardevolle houtopstand

In artikel 1 lid 15 en 16 is een definitie opgenomen voor een waardevolle houtopstand. Een houtopstand welke aan de basisvoorwaarden voldoet is waardevol.

Een deskundige kan het toekomstperspectief van een houtopstand beoordelen. Een houtopstand in een onomkeerbaar slechte conditie zal niet in aanmerking komen als waardevolle houtopstand (toekomstverwachting minder dan 10 jaar).

Specifieke voorwaarden:

  • Onderdeel ecologische infrastructuur;

De houtopstand vormt een wezenlijke schakel tussen natuurgebieden, en of tussen vaste verblijfplaatsen en foerageergebieden. Ze is van belang voor migratie van dieren en planten. Een voorbeeld zijn vliegroutes voor vleermuizen.

  • Onderdeel karakteristieke boomgroep/laanbeplanting;

Een houtopstand kan karakter geven aan zijn omgeving door bijvoorbeeld een opvallende grootte, verschijningsvorm, snoeivorm of kleur. Deze specifieke kwaliteit is uniek en laat zich niet één-op-één compenseren met een andere houtopstand in de directe omgeving.

  • Zeldzaam en/of gedenkboom;

Een houtopstand is dendrologisch waardevol als de soort in Nederland zeldzaam of zeer zeldzaam is. Het boek ‘Nederlandse dendrologie’ van dr. B. K. Boom is hiervoor richtinggevend. Houtopstanden die voor gemeente Het Hogeland uniek/zeldzaam zijn, maar volgens dr. B.K. Boom voor Nederland (zeer) algemeen zijn, worden toch als dendrologisch waardevol aangemerkt.

Gedenkboom: boom (ongeacht diameter of leeftijd) welke geplant is ter nagedachtenis aan een (inter)nationaal, regionaal of lokaal betekenisvolle gebeurtenis of persoon.

  • Cultuurhistorische waarde

    • °

      Houtopstanden die kenmerkend zijn voor het historische karakter van een gebied (verhaal, structuur of gebruik) en daarbij de landschappelijke kwaliteit van het onbebouwde en bebouwde gebied verhogen. Het gaat hierbij om bomen die informatie geven over de geschiedenis van hun omgeving.

    • °

      Houtopstanden als onderdeel van Rijks beschermde groenaanleg (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), een gemeentelijk monument of een beschermd dorpsgezicht.

  • Bepalend voor de omgeving

    • °

      De houtopstand vormt een herkenningspunt door zijn bijzondere, opvallende of aansprekende locatie, bijvoorbeeld een solitaire treurwilg op een begraafplaats;

    • °

      De houtopstand is op de plek waar hij staat esthetisch waardevol. Een houtopstand is esthetisch waardevol als deze een bijzondere vorm heeft aangenomen. Bijvoorbeeld meerstammig, zware gesteltakken, of een bijzondere intensieve snoeivorm heeft (bijv. als knot- of leiboom).

    • °

      Houtopstanden op of rondom pleinen, rotondes, kruispunten en andere bomen met een duidelijk markerende functie.

Toelichting artikel 4 lid 3

Incidenteel komt het voor dat vanwege de kwaliteit van de houtopstand er een dusdanige situatie is ontstaan dat (spoedig) vellen onvermijdelijk is. In deze gevallen volgt er geen volledige toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning, maar zal de omgevingsvergunning gelijk worden verleend. Wel kan er een herplantplicht worden opgelegd. Het gaat hierbij om:

Gevaarzetting 

Voor een houtopstand met hoge gevaarzetting op een voor publiek toegankelijke plaats zal, ongeacht de waarde, een omgevingsvergunning vellen houtopstand worden verleend. Het gaat hierbij om een houtopstand die vanwege zijn vorm, verminderde vitaliteit, ziekte, instabiliteit, stormschade e.d. een gevaar voor zijn omgeving is.

Ziekte/aantasting 

Een ernstige ziekte dan wel aantasting van een houtopstand kan aanleiding zijn voor het vellen. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de Kastanjebloedingsziekte (Pseudomonas syringae), Watermerkziekte (wilgen), plataanziekte (Massaria), Iepziekte (Ophiostoma ulmi en Ophiostoma novo-ulmi) en Essentakziekte (Chalara fraxinea). Deze aantastingen leveren vaak gevaarzetting op.

Voor ziekten/plagen die grote economische schade kunnen aanrichten geldt de Europese Fytorichtlijn. Op basis van deze regelgeving kan acuut een houtopstand verwijderd worden. Denk hierbij aan het bestrijden van de Aziatische boktor.

Slechte en dode houtopstanden 

Deze houtopstanden hebben vrijwel geen betekenis als waarde zoals omschreven in de criteria voor het behoud van een houtopstand. Uitzondering kan zijn dat er sprake is van ecologische waarde zoals bijv. aanwezige nestholtes. In die situatie wordt een omgevingsvergunning verleend met aanvullende voorwaarden.

Criterium voor het behoud van de houtopstand (kwaliteit: levensverwachting)

De kwaliteit van een houtopstand is een toetsingsgrond voor het behoud. Hoe gezonder een houtopstand hoe moeilijker het verkrijgen van een omgevingsvergunning vellen houtopstand.

De kwaliteit van een houtopstand is objectief vast te stellen via de methode ‘Roloff’. Deze methodiek gaat uit van vier conditieklassen van een houtopstand aan de hand van de kroonontwikkeling: goed, redelijk, matig, slecht (figuur 1).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1: Conditieklassen Prof.Dr. A.Roloff , Baumkronen (2010). De linker afbeeldingen geven het winterbeeld van de bovenkant van de kroon van de houtopstand weer. De rechter afbeeldingen het zomerbeeld.

Goed: De conditie is goed. Op middellange termijn (10–15 jaar) worden er geen problemen verwacht. Een houtopstand met een goede conditie heeft een goed ontwikkelde kroon, met een gelijkmatige verdeling van veel fijne twijgen in de buitenkroon. Er zijn geen of nauwelijks dode takken aanwezig.

Redelijk: De conditie is verminderd, maar op de korte termijn (< 10 jaar),

worden ten aanzien van de fysiologische toestand van de houtopstand geen problemen verwacht. Houtopstanden met een verminderde conditie hebben een redelijke verdeling van fijne twijgen. Er zijn weinig dode takken aanwezig.

Matig: De conditie is duidelijk verminderd, maar herstel van de houtopstand is nog mogelijk. Houtopstanden met een matige conditie hebben weinig fijne twijgen in de buitenkroon. Er kunnen veel dode takken in de kroon aanwezig zijn.

Slecht: De conditie en levensverwachting van de houtopstand is minimaal. De mechanische en/of fysiologische toestand is zo slecht dat 'herstel' van de houtopstand niet meer valt te verwachten.

Toelichting artikel 4 lid 4

Criteria voor het verwijderen van een houtopstand (overlast) 

De redenen om een houtopstand te verwijderen kunnen divers zijn. Een groot aantal verzoeken om een omgevingsvergunning wordt ingediend in verband met overlast die men ervaart. In dit artikellid gaat het om de overlastvormen die objectief te constateren zijn en om deze reden op het belangenafwegingsformulier terugkomen.

Overlast door lichtreductie of schaduwwerking

De mate van schaduwwerking of lichtreductie wordt objectief inzichtelijk gemaakt door:

  • 1.

    De bepaling van de afstand van de houtopstand tot de woning (gerekend vanaf de stam tot de woning);

  • 2.

    De standplaats van de houtopstand ten opzichte van de woning. Een houtopstand met een standplaats ten noorden en/of oosten van de woning geeft minder schaduwoverlast dan een houtopstand op het zuiden en/of westen;

  • 3.

    De invloed van het seizoen op de mate van schaduw. Bij schaduwoverlast wordt beoordeeld hoeveel overlast er is. Bij houtopstanden die wintergroen zijn (onder meer coniferen) of die een zeer dichte takkenstructuur hebben kan er sprake zijn van schaduwoverlast gedurende het gehele jaar;

  • 4.

    Het aantal uren dat er schaduwoverlast per dag is, hierbij is een direct verband met de hoogte van de houtopstand;

  • 5.

    Grootte van de boomkruin ten opzichte van de tuin. Een houtopstand die slechts een klein gedeelte van de tuin bedekt veroorzaakt over het algemeen minder overlast dan een houtopstand die bijna de gehele tuin bedekt.

Overlast door boomwortels

Boomwortels kunnen schade veroorzaken aan verharding, bouwwerken en riolering. Dit hoeft echter niet te betekenen dat een houtopstand hierom geveld moet worden. Wortelgroei op particulier terrein: het staat de inwoners vrij om de op hun erf groeiende wortels te verwijderen, zolang de vitaliteit en stabiliteit van de boom niet in gevaar worden gebracht.

Vaak zijn er maatregelen mogelijk die ervoor zorgen dat boomwortels geen schade meer veroorzaken. Bijvoorbeeld door het plaatsen van een ondergronds scherm om te voorkomen dat boomwortels bij riolering of verharding kunnen komen. Voor het toepassen van deze maatregel is het wel nodig om de boomwortels op de plek van overlast vakkundig te verwijderen. Deze maatregel is echter niet mogelijk bij dikke boomwortels (dikker dan 5 cm). Het verwijderen van boomwortels van die omvang kan leiden tot instabiliteit van de boom.

Ook opnieuw bestraten kan een oplossing bieden, waarbij de verharding wordt verhoogd. Op het moment dat de verharding niet meer verhoogd kan worden (bijvoorbeeld vanwege de afwatering of hoogte van de drempel) kan dat een reden voor het vellen van een houtopstand zijn.

Overlast door boomwortels is objectief vast te stellen en daarom opgenomen op het belangenafwegingsformulier. De overlast en of schade moet door aanvrager omgevingsvergunning aangetoond worden.

Toelichting artikel 4 lid 5

In dit artikel volgt een toelichting op de overlastvormen die in uitzonderlijke gevallen aanleiding geven voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Bij deze overlastcategorieën is altijd sprake van maatwerk. Om deze reden wordt geen score verbonden aan deze criteria.

Overlast door vruchten/zaden/bloesem

Overlast door vruchten, zaden en bloesem is over het algemeen zeer seizoensgebonden en kortdurend. In principe wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning met deze motivatie geweigerd. Alleen in extreme gevallen kan een aanvraag omgevingsvergunning gehonoreerd worden. Er dient dan aan de volgende criteria te worden voldaan:

  • 1.

    Genomen maatregelen (snoeien, opruimen vruchten e.d.) lossen de extreme overlast niet op;

  • 2.

    Jaarlijks terugkerende extreme overlast (bij veel bomen is er 1 keer per X jaar sprake van extreme hoeveelheid vruchten/zaden/bloesem, dit wordt een ‘mastjaar’ genoemd, dit is geen reden voor het vellen) en/of;

  • 3.

    Er dient een dossier te zijn waaruit blijkt dat er sprake is van jaarlijks terugkerende extreme overlast.

Overlast door allergie

Deze overlastvorm wordt meestal veroorzaakt door pollen. Overlast door pollen is bijzonder lastig aan te tonen. Wordt de allergie veroorzaakt door een nabijgelegen houtopstand of is een andere, verderop gelegen, houtopstand de oorzaak? Pollen verspreiden zich door de wind erg ver (vele kilometers). Ook voor deze overlastcategorie geldt dat het maatwerk betreft. Alleen in heel extreme gevallen kan een aanvraag omgevingsvergunning gehonoreerd worden.

Overlast door op of in bomen levende organismen

Een veelvoorkomende overlastvorm van op houtopstanden levende organismen zijn bladluizen. Bladluizen veroorzaken een plakkerige substantie op ondergelegen objecten zoals auto’s. Over het algemeen is dergelijke overlast kortdurend en daardoor geen reden om een houtopstand te vellen. Vaak zijn ook maatregelen mogelijk om de overlast te beperken. Onder meer door biologische bestrijding van de overlast veroorzakende organismen of het wegnemen van de voedselbron zoals rottend fruit bij wespen.

Toch kunnen er zich extreme situaties voordoen die het vellen van een houtopstand rechtvaardigen.

Er kan overlast worden ervaren door groepen vogels die met name in het broedseizoen veel geluid produceren. Ook de uitwerpselen van deze vogels kunnen overlast veroorzaken. Vogels worden door de Omgevingswet beschermd. Een aanvraag omgevingsvergunning kan alleen gehonoreerd worden als de aanvrager beschikt over een door het bevoegd gezag (meestal is dit de provincie) verstrekte ontheffing in het kader van de Omgevingswet.

Overlast door gebrek aan uitzicht

De enige vorm van gebrek aan uitzicht dat wel te objectiveren valt is een gebrek aan uitzicht vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid.

Toelichting artikel 4 lid 6

Er zijn overlastvormen die nooit een reden vormen voor het vellen van een houtopstand. Het gaat hierbij om:

  • 1.

    Overlast door bladval: overlast door bladval is over het algemeen zeer seizoensgebonden en kortdurend. Deze vorm van overlast is door het opruimen van het blad eenvoudig op te lossen. Dit is eveneens van toepassing op vallende twijgen van bijvoorbeeld berken, afgevallen naalden van naaldbomen en lekplekken op stam of takken waaruit hars druipt;

  • 2.

    Overlast door hogere energiekosten: overlast van een houtopstand vanwege hogere energiekosten is bijzonder moeilijk aan te tonen. Er zijn meer aspecten die tot hogere energiekosten kunnen leiden. Bijvoorbeeld een slecht functionerende cv-ketel, stookgedrag en slechte isolatie. Ieder huis/huishouden is uniek waardoor onderlinge vergelijking bijzonder lastig is. Wel is aantoonbaar dat bij schaduwwerking van een houtopstand de verlichting sneller aan moet. Het eerder moeten inschakelen van verlichting wordt echter niet als voldoende motivering gezien voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

  • 3.

    Overlast door groene aanslag: hoewel de groene aanslag objectief is vast te stellen kan de oorzaak van de groene aanslag divers zijn. Het is mogelijk dat de aanslag bijvoorbeeld wordt veroorzaakt door optrekkend grondwater of een lekkende regenwaterafvoer. De groene aanslag hoeft dus niet door de schaduwwerking van een houtopstand te worden veroorzaakt.

Toelichting artikel 4 lid 7 Criterium voor het verwijderen van een houtopstand (dringende reden)

Ruimtelijke ontwikkeling 

Een ruimtelijke ontwikkeling veroorzaakt een ingrijpende verandering in een gebied. Bij ruimtelijke ontwikkelingen (zowel gemeentelijke, andere overheden als opgestart door een projectontwikkelaar) is een vastgestelde BEA conform de richtlijn van de CROW het toetsingskader.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen (door overheden of projectontwikkelaars) komt het voor dat binnen een plangebied houtopstanden moeten wijken. Het gaat hierbij om (bos)percelen waar veel bomen en struiken staan waarbij het erg lastig is om iedere individuele houtopstand in te meten.

In een dergelijk geval is het mogelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het betreffende gebied waarbinnen de houtopstand geveld moet worden. Het totaal aantal vierkante meters te verwijderen houtopstand wordt in beeld gebracht. Door middel van een duidelijke kaart zal inzichtelijk gemaakt moeten worden wat de begrenzing van het gebied is zodat geen verwarring kan ontstaan welke houtopstand wel of niet onder de omgevingsvergunning valt.

Een inventarisatie van het aanwezige groen maakt deel uit van het projectvoorstel van de betreffende ruimtelijke ontwikkeling. Wanneer een waardevolle of monumentale boom binnen het projectgebied aanwezig is, moet deze apart worden vermeld.

Bouwplan 

Als het bestemmingsplan bij direct bouwrecht of met een binnenplanse ontheffing van het bestemmingsplan een bouwwerk toestaat is dit een motivatie voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Hierbij wordt overigens wel door het college onderzocht (binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan) in hoeverre het bouwplan aangepast kan worden zodat de houtopstand kan worden gespaard.

Een vergunningvrij bouwwerk is geen dringende reden voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

Rendementsverlies energie-opwekkers. 

Hierbij moet worden afgewogen welk duurzaamheidsbelang prevaleert: het groen of de groene energie. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan worden gehonoreerd indien:

  • 1.

    De jaarlijkse energieopbrengst tenminste 1500 kW is;

  • 2.

    Het rendementsverlies veroorzaakt door een houtopstand aantoonbaar minimaal 1/3 minder is ten opzichte van de verwachte opbrengst van de energie-opwekkers zoals die geplaatst zijn. Een rendementsverlies door inefficiënte plaatsing (te grote/kleine hellinghoek of zon/wind oriëntatie), modulaire schakeling (individuele schakeling van de panelen), slijtage (rendement zonnepanelen loopt per jaar iets terug) of vervuiling telt niet mee in de berekening.

Sloopmelding 

Als een object gesloopt wordt, kan het voorkomen dat bomen het slopen belemmeren of bomen instabiel worden, nadat het pand gesloopt is. Hierbij wordt altijd advies gevraagd aan een deskundige (Boom Effect Analyse).

Groot onderhoud 

Soms is het noodzakelijk om een houtopstand te vellen om groot onderhoud aan bijvoorbeeld verhardingen of nutsvoorzieningen mogelijk te maken. Het groot onderhoud geldt dan als dringende reden voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Uiteraard wordt er een uiterste inspanning geleverd om de houtopstand te handhaven. Hierbij wordt altijd advies gevraagd aan een deskundige (Boom Effect Analyse) en is compensatie van de houtopstand vereist.

Toelichting artikel 4 lid 8

Toepassing van het belangenafwegingsformulier

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning vellen houtopstand spelen vaak verschillende belangen. De afweging van belangen moet zorgvuldig gebeuren. Voor een objectieve en reproduceerbare afweging is een belangenafwegingsformulier opgesteld, zie bijlage 1.

De basis voor de belangenafweging vormt de door de aanvrager aangevoerde motivatie voor het vellen van de houtopstand. De aanvraag moet zijn voorzien van een situatieschets en/of fotomateriaal. Bij twijfel vraagt de gemeente om aanvullende informatie bij de eigenaar of wordt een bezoek op locatie afgelegd.

Belangenafweging

Het belangenafwegingsformulier vormt de leidraad voor de belangenafweging van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit vellen van een houtopstand (hierna: de aanvraag). Hiermee wordt de status en de waarde van de houtopstand afgewogen tegen de belangen van de aanvrager voor het vellen van de houtopstand.

De uitkomst van de beoordeling van de verschillende aspecten van de belangenafweging leidt tot het advies aan het college de vergunning te verlenen – al dan niet onder voorwaarden – of te weigeren. Het college motiveert vervolgens haar besluit op de aanvraag.

Bij een dringende reden zoals gevaarzetting, ziekte/aantasting of een dode boom wordt het belangenafwegingsformulier niet toegepast. Er kan in zo’n geval wel sprake zijn van herplantplicht.

Het belangenafwegingsformulier kan ook worden toegepast voor een gemeentelijke houtopstand waarvan wordt aangegeven dat deze overlast veroorzaakt. In dit geval gaat het om een verzoek aan de gemeente om een houtopstand te vellen. De gemeente dient vervolgens zelf een vergunning aan te vragen.

Toelichting artikel 6

In principe geldt dat iedere te vellen houtopstand wordt vervangen door een nieuwe houtopstand (gelijkwaardige vervanging). Dit is mede ingegeven door de Europese Natuurherstelverordening, waarin onder meer de eis is opgenomen dat de bedekking door boomkronen in de bebouwde omgeving niet mag afnemen, maar juist moet worden vergroot. Deze eis heeft betrekking op particulier en gemeentelijk grondbezit.

Er kunnen redenen zijn om van de herplantregels af te wijken. Het uitgangspunt is kwaliteit in plaats van kwantiteit. Liever één boom op een goede standplaats dan twee bomen op een matige standplaats waardoor op termijn de groei van de boom wordt belemmerd. Soms is de beschikbare ruimte onvoldoende voor een houtopstand.

Voorkomen moet worden dat door herplant op termijn een onwenselijke of nieuwe overlastsituatie kan ontstaan. Voor niet voorziene en/of kennelijk zeer onredelijk benadelende situaties kan het college afzien van de herplantplicht. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het kappen van een grote boom in een kleine tuin. Een ander voorbeeld kan zijn dat wanneer een bouwlocatie een lange tijd niet wordt gebruikt en er vervolgens spontaan bomen zijn ontkiemd. Dan kan het niet redelijk zijn dat daarvoor gecompenseerd moet worden.

Bij (regulier) onderhoud zoals een dunning in een bosbeplanting is het juist niet gewenst om tot herplant over te gaan. Deze onderhoudsmaatregelen worden uitgevoerd om overblijvende bomen de kans te geven zich goed te ontwikkelen.

Toelichting artikel 7

Als een houtopstand zonder de benodigde omgevingsvergunning is geveld, is er sprake van het illegaal vellen van een houtopstand. De eigenaar dan wel zakelijk gerechtigde van de gevelde houtopstand moet alsnog een aanvraag voor een omgevingsvergunning indienen. Er wordt in principe een herplantplicht opgelegd, waarbij uitgegaan wordt van herstel van de oorspronkelijke situatie. Indien herplant niet mogelijk is, wordt een financiële compensatie opgelegd.

Toelichting artikel 8

De vergunningverlener toetst de aanvraag en adviseert aangaande het compensatiebedrag. Het college besluit over het opleggen van een financiële compensatie. Zie hiervoor artikel 6 van de regeling.

Toelichting artikel 9

Soms is de beschikbare ruimte onvoldoende voor een boom. Met tuindeel wordt in artikel 9a van de regeling bedoeld het specifieke deel van de (bedrijfs)tuin of het terrein waarin de te vellen houtopstand zich bevindt. Wanneer de voor-, zij- of achtertuin, ook wel erf genoemd (zie onderstaande afbeelding), afzonderlijk een oppervlakte heeft die kleiner is dan 100 m² en er bovendien geen sprake is van een waardevolle boom, dan is een herplant niet nodig.

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 1 Belangenafwegingsformulier

Belangenafwegingsformulier aanvraag omgevingsvergunning

Algemeen

Betreft de aanvraag meerdere bomen en wijken deze onderling sterk af in waarden, aspecten van overlast of belangen voor de aanvrager, die beoordeeld moeten worden? Zo ja, vul dan meerdere belangenafwegingformulieren in of specificeer duidelijk.

Kies selectievakje welke van toepassing is en vul gevraagde gegevens in.

Zaaknummer

 

Naam aanvrager

 

Aanvrager

☐ = eigenaar

☐ =aanvrager namens eigenaar

Evt. naam (bedrijf) gemachtigde

 

Contactgegevens

telefoon:

e-mail:

Datum aanvraag

Klik of tik om een datum in te voeren. 

Datum beoordeling

Klik of tik om een datum in te voeren. 

Beoordelaar

 

Locatie

 

Kadastraal

 

Overleg aanvrager

☐ ja

☐ nee

Resultaat:

Bevoegd

☐ ja

☐ gemachtigd

☐ nee

Ontvankelijk

☐ ja

☐ nee

Dringende reden

 

Betreft de aanvraag een houtopstand of houtopstanden die direct moet(en) worden geveld vanwege gevaarzetting of ziekte/aantasting?

(Indien ja, dan geen belangenafweging)

☐ ja

☐ nee

Aanvraag betreft individuele bomen

 
 

☐ ja ☐ nee

Nederlandse en wetenschappelijke naam

nr

aan

tal

Ø cm

bijzonderheden

Kies een item. 

 
 
 
 

Kies een item. 

 
 
 
 

Kies een item. 

 
 
 
 

Kies een item. 

 
 
 
 

Kies een item. 

 
 
 
 

Aanvraag betreft beplantingsvak of bos

 

☐ ja ☐ nee

 

Hoofdsoort(en)

 

Omschrijving en bijzonderheden

 
 
 
 
 
 

Waarde art. 2.2 Nadere regels

Kies 1 optie per regel

 

score

Onderdeel groenstructuur;

☐ hoofdstructuur

☐ nevenstructuur

☐ n.v.t.

Kies een item. 

Leefbaarheid: ecologisch belang

☐ essentieel belang

☐ gemiddeld belang

☐ geen belang

Kies een item. 

Leefbaarheid: belang woonomgeving

☐ essentieel belang

☐ gemiddeld belang

☐ geen belang

Kies een item. 

Beeldbepalende waarde;

☐ goed zichtbaar vanaf openbare weg (>50%)

☐ deels zichtbaar vanaf

openbare weg (20-50%)

☐ (bijna) niet zichtbaar (<20%)

Kies een item. 

Waardevol;

☐ ja

☐ potentieel waardevol

☐ nee

Kies een item. 

Zeldzaamheid

☐ zeer zeldzaam

vrij zeld-

zaam

☐ vrij algemeen

☐ zeer algemeen

Kies een item. 

Kwaliteit (levensverwachting)

art. 2.3 Nadere regels

kies 1 optie

score

Goed, > 15 jaar

☐ 

Kies een item. 

Redelijk, 10-15 jaar

☐ 

Kies een item. 

Matig, 5-10 jaar

☐ 

Kies een item. 

Slecht, < 5 jaar

☐ 

Kies een item. 

Dood

☐ 

Kies een item. 

Overlast

art. 2.4 Nadere regels

kies 1 optie per regel

 
 

score

Afstand tot bestaand object

☐ > 10 M

☐ 5 tot 10 M

☐ 2 tot 5 M

< 2 M

Kies een item. 

Schaduw overlast

☐ n.v.t.

standplaats t.o.v. object

N,NNO,O,ZO

☐ standplaats t.o.v. object

Z,ZW,W,NW

 

Kies een item. 

Tijdsduur schaduw overlast

☐ n.v.t.

☐ seizoens- gebonden

☐ gehele jaar

 

Kies een item. 

Uren schaduw overlast per dag

☐ < 2 uur

☐ 2 tot 5 uur

☐ 5 tot 10 uur

☐ > 10 uur

Kies een item. 

Deel bedekking tuin door boomkroon

☐ < 10%

10 tot 50%

> 50%

 

Kies een item. 

Schade door boomwortels.

☐ n.v.t.

☐ herstelbaar

☐ niet herstelbaar

 

Kies een item. 

Argumenten aanvrager

 

Argumenten beoordelaar

 

Afweging en advies

 
 

Totaal score belang behoud art. 2.2 en 2.3 Nadere regels

 
 

Totaal score belang verwijderen, art. 2.4 Nadere regels

 
 

Alternatieven mogelijk?

☐ Ja.: namelijk:

☐ nee

Herplant mogelijk?

☐ ja

☐ nee

☐ deels

 

Herplantplicht art. 6 Nadere regels

☐ ja

☐ nee

 

Voorwaarden herplantplicht

soort boom en / of beplanting

maat

aantal en / of m²

 
 
 
 
 
 

Aanvullende voorwaarden herplant

 

☐ n.v.t.

Financiële compensatie art. 8 Nadere regels

☐ ja

☐ nee

☐ n.v.t.

€ 

toewijzen kapvergunning

ja

nee

deels

 

toelichting

 
 

Bijlage 2 Scoretabel

Scoretabel

Houtopstand waarde

score

art. 2.2

groenstructuur

houtopstand is onderdeel hoofdgroenstructuur

15

 
 

houtopstand is onderdeel nevengroenstructuur

10

 
 

houtopstand is geen onderdeel groenstructuur

0

 
 
 
 

art. 2.2

leefbaarheid:

ecologisch belang

Essentieel belang

15

 
 

gemiddeld belang

10

 
 

geen belang

0

 
 
 
 
 

leefbaarheid:

belang woonomgeving

Essentieel belang

15

 
 

gemiddeld belang

10

 
 

geen belang.

0

 
 
 
 

art. 2.2

beeldbepalende waarde

goed zichtbaar vanaf openbare ruimte

10

 
 

deels zichtbaar vanaf openbare ruimte

5

 
 

(bijna) niet zichtbaar vanaf openbare ruimte

0

 
 
 
 

art. 2.2

waardevol

waardevolle boom

30

 
 

potentieel waardevolle boom

15

 
 

n.v.t.

0

 
 
 
 

art. 2.2

zeldzaamheid

zeer zeldzaam

15

 
 

vrij zeldzaam

10

 
 

vrij algemeen of zeer algemeen

0

 
 
 
 

art. 2.3

kwaliteit

goed

20

 
 

voldoende

10

 
 

matig

5

 
 

slecht

0

 
 

dood

-120

 
 
 
 
 

maximale score criterium houtopstand waarde

120

Houtopstand overlast

 

score

art. 2.4

afstand tot bestaand object

meer dan 10 M

0

 
 

5 tot 10 M

5

 
 

2 tot 5 M

10

 
 

minder dan 2 M

20

 
 
 
 
 

schaduw overlast

geen overlast

0

 
 

standplaats t.o.v. object N,NNO,O,ZO

10

 
 

standplaats t.o.v. object Z,ZW,W,NW

20

 
 
 
 
 

tijdsduur schaduw overlast

geen overlast

0

 
 

seizoensgebonden

10

 
 

gehele jaar

20

 
 
 
 
 

uren schaduw overlast per dag

minder dan 2 uur

0

 
 

2 tot 5 uur

5

 
 

5 tot 10 uur

10

 
 

meer dan 10 uur

20

 
 
 
 
 

deel tuin bedekt door boomkroon

minder dan 10%

0

 
 

10 tot 50%

10

 
 

meer dan 50%

20

 
 
 
 
 
 
 
 
 

schade door boomwortels.

schade niet te herstellen door maatregelen

20

 
 

schade is herstelbaar of n.v.t.

0

 
 
 
 
 

maximale score criterium overlast houtopstand

120