Participatieverordening Beverwijk

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 25-08-2026

Intitulé

Participatieverordening Beverwijk

De gemeenteraad van de gemeente Beverwijk, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 mei 2026; gelet op:

  • De artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet

  • De artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet

  • Artikel 47 van de Participatiewet

  • Artikel 42 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

  • Artikel 42 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen

  • Artikel 2.1.3 derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

  • Artikel 2.10 van de Jeugdwet

  • De artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit

  • Het Participatiebeleid Beverwijk d.d. 15 September 2025

Overwegende dat:

  • de gemeente Beverwijk inwoners, maatschappelijke partijen en andere belanghebbenden tijdig en passend wil betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid;

  • participatie maatwerk vereist, passend bij de aard, impact en het beleidsveld van het onderwerp;

  • binnen het sociaal domein het benutten van ervaringskennis en inzichten uit de samenleving van bijzonder belang is;

  • de participatieraad sociaal domein Beverwijk is ingesteld als adviesorgaan van het college om, op basis van ervaringskennis en maatschappelijke signalen, bij te dragen aan de wijze waarop inwoners en belanghebbenden bij beleid binnen het sociaal domein worden betrokken;

  • de participatieraad sociaal domein Beverwijk een stimulerende, adviserende en ondersteunende rol vervult bij participatie door inwoners en belanghebbenden binnen het beleidsveld sociaal domein, en daarbij betrokken wordt bij vraagstukken en initiatieven die passen binnen dit beleidsveld en de in samenspraak met het college vastgestelde participatieagenda;

  • deze verordening beoogt samenhang en duidelijkheid te bieden in de wijze waarop participatie gemeentebreed en dus inclusief het sociaal domein wordt vormgegeven;

Besluit vast te stellen de Participatieverordening Beverwijk

Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen

Artikel l . Definities

Deze verordening verstaat onder.

  • Beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

  • Beleidsveld sociaal domein: dit omvat alle inspanningen van overheid en maatschappelijke organisaties gericht op het ondersteunen van inwoners bij welzijn, zorg, jeugd, werk, inkomen, maatschappelijke participatie en gezondheid. Met focus op kwetsbare groepen onder diverse wetten zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Participatiewet.

    Het doel is om inwoners volwaardig te laten deelnemen aan de samenleving;

  • Bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is; afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk;

  • Inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • Inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • Inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, lokale ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid;

  • Jeugdparticipatie: het structureel betrekken van jeugdigen bij het vormgeven, verbeteren en evalueren van jeugdhulp en jeugdzorg, zodat het beschikbare aanbod aansluit bij hun behoeften en bijdraagt aan tijdige, passende en toegankelijke zorg;

  • Maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, zoals bijvoorbeeld buurtcomités, wijkgroepen, dorpsraden, ondernemingen zonder winstoogmerk en andere organisaties die, al dan niet tijdelijk, een collectief vormen en die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente Beverwijk;

  • Ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente Beverwijk hun activiteiten verrichten;

  • Overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, daaronder ook het uitdaagrecht begrepen;

  • Participatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook, daaronder ook inwonersparticipatie en overheidsparticipatie begrepen;

  • Participatieraad sociaal domein Beverwijk: het door het college ingestelde adviesorgaan dat het college gevraagd en ongevraagd adviseert over vraagstukken binnen het beleidsveld sociaal domeinen over de wijze waarop inwoners en belanghebbenden daarbij worden betrokken. Dit op basis van ervaringskennis en inzichten uit de samenleving van Beverwijk.

  • Uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet;

Hoofdstuk 2 - Kaders en uitgangspunten

Artikel 2. Doelstelling

Het doel van deze verordening is:

  • a.

    Duidelijkheid te geven over het proces van participatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is;

  • b.

    De samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners en maatschappelijke partijen anderzijds te versterken;

  • c.

    De kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten;

  • d.

    De samenleving binnen de gemeente te versterken;

  • e.

    Kwetsbare groepen actief te betrekken.

Artikel 3. Reikwijdte

  • 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie wordt toegepast.

  • 2. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7,10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.

  • 3. Er vindt geen participatie plaats als:

    • a.

      Het gaat om trajecten die op het moment van vaststelling van deze verordening al in uitvoering zijn of geëvalueerd worden. Of bij een ondergeschikte herziening van die trajecten of van beleid,

    • b.

      Participatie bij of op grond van wettelijk voorschrift uitgesloten is;

    • c.

      De uitkomst van participatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

    • d.

      De verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

    • e.

      Sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • f.

      Het om interne aangelegenheden van de gemeente gaat;

    • g.

      Het gaat om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet.

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat:

  • a.

    Inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken;

  • b.

    Dat er nog opties open staan;

  • c.

    Inzichtelijk is hoe het proces van participatie eruitziet en welke vormen van participatie tijdens het proces mogelijk zijn;

  • d.

    De voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar, leesbaar en begrijpelijk zijn;

  • e.

    Tijdens het proces van participatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is;

  • f.

    Het proces van participatie zorgvuldig verloopt;

  • g.

    Duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partijen terecht kunnen met vragen over het proces van participatie;

  • h.

    Na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming.

Artikel 5. Participatieparagraaf en participatiejaarverslag

  • 1. Het college neemt elk jaar een paragraaf op in de begroting op waarin de thema's voor inwonersparticipatie bij nieuw beleid, projecten en programma's voor het komend jaar benoemd worden.

  • 2. Het college neemt elk jaar een paragraaf in het jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening. In de paragraaf in het jaarverslag gaat het college in op:

    • a.

      De wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd;

    • b.

      De rolinvulling door de gemeenteraad en het college;

    • c.

      De effectiviteit, inspanning, gebruikte instrumenten, resultaten en kosten van de participatieprocessen;

    • d.

      De samenwerking met de participatieraad sociaal domein Beverwijk sociaal domein Beverwijk;

    • e.

      De belangrijkste keuzes, ervaringen en de aanbevelingen die uit deze punten voortvloeien.

Hoofdstuk 3 - Inwonersparticipatie

Artikel 6. Plan voor inwonersparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van nieuwe projecten, programma's en beleid, aan de hand van het door de gemeenteraad vastgestelde; 'Beleidskader participatie september 2025, een startnotitie op met daarin naast aanleiding en kaderstelling, ook een plan voor het participatieproces, de (kwetsbare) doelgroepen en de planning van de inwonersparticipatie en maakt dit openbaar.

  • 2. De startnotitie omschrijft het nieuwe project, programma of beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt. Daarbij wordt ook de focus benoemd voor participatie waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit:

    • a.

      Kwaliteit of effectiviteit van het project, programma of beleid verbeteren;

    • b.

      Draagvlak voor het beleid vergroten;

    • c.

      Zorgen voor betere besluiten, vaardigheden of financiële voordelen;

    • d.

      Democratische rechten en actief burgerschap bevorderen;

    • e.

      Zeggenschap en medeverantwoordelijkheid creëren;

    • f.

      Democratisch ideaal, legitimiteit of overbrugging van de politieke kloof nastreven;

      OF

    • g.

      Een combinatie van deze focuspunten.

  • 3. Het niveau van participatie, waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit:

    • a.

      Meedenken: het bestuursorgaan gaat in gesprek met inwoners en maatschappelijke partijen en betrekt hun adviezen bij het nemen van het besluit;

    • b.

      Meedoen: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en besluit daarover;

    • c.

      Meebeslissen; het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en zij besluiten daar samen over; of

    • d.

      Een combinatie van deze vormen;

  • 4. Informatie over de procedure en de planning van het proces waarbij in elk geval aandacht is voor:

    • a.

      De keuze van te betrekken doelgroepen, waarbij aandacht is voor kwetsbare groepen;

    • b.

      Op welke momenten zij benaderd worden;

    • c.

      Welke werkvormen er gekozen worden;

    • d.

      De informatievoorziening;

    • e.

      De ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid.

  • 5. Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

  • 6. Bij onderwerpen waarbij de inhoud een relatie heeft met het sociaal domein, wordt de Participatieraad sociaal domein Beverwijk sociaal domein, betrokken. Deze ontwikkelt, in samenspraak met de ambtelijke organisatie en maatschappelijke organisaties, thematische netwerken en participatievormen ten behoeve van participatie op vraagstukken in het beleidsveld sociaal domein.

  • 7. Bij onderwerpen die een relatie hebben met andere gemeente(n) wordt participatie gezamenlijk met deze gemeenten vormgegeven.

  • 8. Indien participatie achterwege wordt gelaten dient dit een gemotiveerde toelichting dient te hebben.

Artikel 7. Inspraak

Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.

Hoofdstuk 4 — Aanvullende bepalingen inwonersparticipatie

Artikel 8. Ondersteuning inwonersparticipatie

  • 1. Het college zorgt voor ondersteuning van degene die aan het proces van inwonersparticipatie wil deelnemen.

  • 2. De wijze van ondersteuning wordt vastgelegd in de startnotitie.

Artikel 9. Eindverslag inwonersparticipatie

  • 1. Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en maakt dit openbaar.

  • 2. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      Het onderwerp en de participatievraag;

    • b.

      Het participatieniveau;

    • c.

      Een beschrijving van het proces dat is gevolgd;

    • d.

      De uitkomsten van het proces;

    • e.

      Een reactie op die uitkomsten waarbij beargumenteerd is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast;

  • 3. Als het college op grond van artikel 6, eerste lid het plan heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

Artikel 10 Evaluatie

  • 1. Na afloop van het participatieproces wordt dit proces geëvalueerd waarbij gekeken wordt naar;

    • a.

      De doelstelling van het participatieproces;

    • b.

      De benoemde doelgroepen/deelnemers aan het proces;

    • c.

      Het gekozen participatieniveau;

    • d.

      De gekozen participatievormen en het proces;

    • e.

      Een beoordeling van de kwaliteit van de gekozen werkvormen;

    • f.

      De communicatie met de doelgroepen/deelnemers;

    • g.

      De terugkoppeling van de resultaten van het proces aan de deelnemers;

    • h.

      Lessen en verbeterpunten voor de komende trajecten.

  • 2. De evaluatie wordt uiterlijk bij afronding van het betreffende traject openbaar gemaakt.

Hoofdstuk 5 —Overheidsparticipatie

Artikel 11. Verzoek om overheidsparticipatie

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen. Het verzoek bevat:

    • a.

      Een omschrijving van de gewenste overheidsparticipatie dat de indiener voor ogen heeft;

    • b.

      De reden dat de indiener het verzoek doet;

    • c.

      Het maatschappelijke resultaat dat de indiener beoogt;

    • d.

      Wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is;

    • e.

      Wat de participatievraag aan het college is;

    • f.

      Of en zo ja welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn;

    • g.

      Welke doelgroepen geraakt worden door het initiatief.

  • 2. Het college kan, naar aanleiding van het verzoek, aanvullende informatie opvragen.

Artikel 12. Ondersteuning indiener verzoek overheidsparticipatie

  • 1. Het college zorgt voor ondersteuning van degene die een verzoek om overheidsparticipatie wil indienen of heeft ingediend.

  • 2. De wijze van ondersteuning wordt vastgelegd in een participatieplan.

Artikel 13. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

  • 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3. Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      Het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van overheidsparticipatie verzet;

    • b.

      Het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid.

  • 4. Het bestuursorgaan kan een verzoek om overheidsparticipatie afwijzen als:

    • a.

      Het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de overheidsparticipatie niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;

    • b.

      De opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt.

  • 5. Het bestuursorgaan reageert binnen vier weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met 4 weken verdagen.

  • 6. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen twee weken na gereageerd te hebben op de indiener openbaar.

Artikel 14. Uitvoering overheidsparticipatie

Als het bestuursorgaan het verzoek om overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

  • a.

    Het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie;

  • b.

    Het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;

  • c.

    Het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;

  • d.

    De stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie;

  • e.

    De evaluatie van de overheidsparticipatie.

Hoofdstuk 6: Participatieraad sociaal domein Beverwijk

Artikel 15. Doelstelling van de participatieraad sociaal domein Beverwijk

  • 1. Het doel van de participatieraad sociaal domein Beverwijk is het stimuleren van brede en vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden en betrokkenen bij vraagstukken op het beleidsveld van sociaal domein.

  • 2. Waarborgen dat ervaringen, behoeften en inzichten van bewoners tijdig en passend worden betrokken bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van voorzieningen die hen aangaan. Dit om te zorgen dat deze aansluiten bij hun leefwereld.

Artikel 16. Uitvoering

  • 1. Het college installeert een participatieraad sociaal domein Beverwijk die het college adviseert over het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden en betrokkenen bij vraagstukken die spelen binnen het beleidsveld sociaal domein en die in samenspraak met de ambtelijke organisatie thematische netwerken en participatievormen ontwikkelt om belanghebbenden en betrokkenen vroegtijdig te betrekken bij vraagstukken in het beleidsveld sociaal domein.

  • 2. Het staat de participatieraad sociaal domein Beverwijk vrij om ongevraagd initiatief te ontplooien of maatschappelijke vraagstukken onder de aandacht brengen van het college wanneer belanghebbenden en/of betrokkenen dit aangeven, op het beleidsveld sociaal domein of verwante beleidsterreinen.

  • 3. Het college stelt in samenspraak met de participatieraad sociaal domein Beverwijk en belanghebbenden, jaarlijks een participatieagenda op die dient als leidraad voor de vraagstukken waarop de participatieraad sociaal domein Beverwijk in samenwerking met de ambtelijke organisatie uitvoering geeft aan haar opdracht. De agenda is flexibel in die zin dat er ruimte is voor maatschappelijke actualiteiten.

Artikel 17. Werkwijze participatieraad sociaal domein Beverwijk

  • 1. De participatieraad sociaal domein Beverwijk ontwikkelt in samenspraak met de ambtelijke organisatie thematische netwerken en participatievormen ten behoeve van participatie op vraagstukken in het beleidsveld sociaal domein.

  • 2. De participatieraad sociaal domein Beverwijk zorgt er in samenspraak met de ambtelijke organisatie voor dat in ieder geval belanghebbenden uitgenodigd worden voor deelname aan de thematische netwerken en andere participatievormen.

  • 3. De participatieraad sociaal domein Beverwijk zoekt verbinding met maatschappelijke netwerken en zet deze relaties in ten behoeve van vroegtijdige en brede betrokkenheid van belanghebbenden en betrokkenen.

Artikel 18 Samenstelling participatieraad sociaal domein Beverwijk

  • 1. De participatieraad sociaal domein Beverwijk bestaat uit ten minste 7 en maximaal 12 leden.

  • 2. De participatieraad sociaal domein Beverwijk beschikt in combinatie van leden over de competenties die nodig zijn om in samenspraak met de ambtelijke organisatie de beoogde flexibele werkwijze te ontwikkelen.

  • 3. De leden wijzen uit hun midden een voorzitter en een secretaris aan.

  • 4. De participatieraad sociaal domein Beverwijk werft en selecteert nieuwe leden op basis van een door het college vastgesteld profiel.

  • 5. Het college benoemt en ontslaat leden van de participatieraad sociaal domein Beverwijk op voordracht van de participatieraad sociaal domein Beverwijk,

  • 6. Het college kan de voordracht weigeren als er ernstige bezwaren bestaan tegen het voorgedragen lid.

  • 7. Het college kan op gemotiveerde voordracht van de participatieraad sociaal domein Beverwijk gedurende de zittingsduur ontslag verlenen

  • 8. De zittingsduur van de leden is in principe vier jaar. De zittingsduur kan in principe éénmalig verlengd worden met een periode van maximaal vier jaar.

Artikel 19 Periodiek overleg

  • 1. Het college organiseert een periodiek overleg, met een minimum van 3 maal per jaar, met de leden van de participatieraad sociaal domein Beverwijk, waarvoor ook belanghebbenden en betrokkenen worden uitgenodigd.

  • 2. De agenda voor dit overleg komt tot stand met inbreng van de participatieraad sociaal domein Beverwijk. Het college zorgt ervoor dat onderwerpen voor de agenda kunnen worden aangeleverd bij een ambtelijk aanspreekpunt voor de participatieraad sociaal domein Beverwijk die de opdracht heeft dit overleg voor te bereiden.

Artikel 20 Facilitering

Het college stelt middelen ter ondersteuning van participatie beschikbaar. Hiertoe:

  • a.

    Stelt het een uitvoeringsbudget beschikbaar voor de lokale participatieraad sociaal domein Beverwijk;

  • b.

    Stelt een vergaderruimte op het stadhuis beschikbaar voor de participatieraad sociaal domein Beverwijk;

  • c.

    Zorgt het college voor een ambtelijk aanspreekpunt voor de participatieraad sociaal domein Beverwijk;

  • d.

    De leden van de lokale participatieraad sociaal domein Beverwijk ontvangen een financiële vergoeding. Deze vergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd conform het door de gemeente vastgestelde indexeringspercentage.

Artikel 21 Evaluatie

Het college en de participatieraad sociaal domein Beverwijk evalueren in principe tweejaarlijks of de werkwijze voldoet met het oog op de in artikel 15 genoemde doelstellingen en de jaaragenda. Eventuele verbeterpunten worden gezamenlijk geformuleerd.

Hoofdstuk 8 Uitdaagrecht

Artikel 22

Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen gemeentelijke taken of hierop uitdaagrecht wordt toegepast.

Artikel 23.

Het bestuursorgaan wijst ingezetenen en lokale maatschappelijke partijen actief op het van toepassing zijn van het uitdaagrecht.

Artikel 24

Overname van de uitvoering van de volgende taken is niet mogelijk:

  • 1.

    Als het een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen daarvan betreft;

  • 2.

    Als het uitdaagrecht bij of op grond van wettelijk voorschrift is uitgesloten;

  • 3.

    Als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

  • 4.

    Inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

  • 5.

    Als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt;

  • 6.

    Als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat het benutten van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht;

  • 7.

    Als het belang van het uitdaagrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Artikel 25. Procedure uitdaagrecht

Een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht wordt bij het bestuursorgaan ingediend en omvat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • 1.

    Omschrijving van de gemeentelijke taak die de verzoeker wil overnemen;

  • 2.

    Uitleg waarom of hoe de verzoeker deze taak beter tegen gelijkblijvende kosten of goedkoper met een gelijkblijvende kwaliteit kan uitvoeren;

  • 3.

    Uitleg waarom of hoe de verzoeker deze taak beter en goedkoper kan uitvoeren;

  • 4.

    Duidelijkheid over de betrokkenheid, kennis of ervaring van de verzoeker;

  • 5.

    Indicatie van het draagvlak onder belanghebbende ingezetenen;

  • 6.

    Indicatie van de kosten die aan de uitvoering van de taak verbonden zijn;

  • 7.

    Omschrijving van de manier waarop de verzoeker met de gemeente wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft;

  • 8.

    Inzicht in hoe de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn kan worden gewaarborgd;

  • 9.

    Uitleg waarom of hoe de verzoeker deze taak beter tegen gelijkblijvende kosten of goedkoper met een gelijkblijvende kwaliteit kan uitvoeren.

Artikel 26

Het bestuursorgaan beslist binnen 12 weken op het verzoek.

Artikel 27

Als het verzoek wordt ingewilligd, voorziet het bestuursorgaan de verzoeker van gepaste ondersteuning.

Hoofdstuk 9 - Slotbepalingen

Artikel 28. Nadere regels college

Het college kan voor inwonersparticipatie en overheidsparticipatie nadere regels vaststellen.

Artikel 29. Hardheidsclausule

Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt.

Artikel 30. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Participatieverordening Beverwijk 2026 treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. De Participatieverordening 13 mei 2004 wordt ingetrokken.

  • 3. De Participatieverordening 13 mei 2004 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening

  • 4. De Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken wordt ingetrokken

  • 5. De Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken blijft van toepassing indien al een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

  • 6. De verordening Participatie sociaal domein gemeente Beverwijk 2018 wordt ingetrokken.

  • 7. De verordening Participatie sociaal domein gemeente Beverwijk 2018 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een participatieprocedure op grond van die verordening was gestart.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van I juli 2026.

De voorzitter,

De grifier,

TOELICHTING

Algemeen deel

Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau

Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken.

Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn.

Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet.

Invulling participatieverordening

In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn. Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt.

Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners en de maatschappelijke partijen van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van inwoners en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder.

Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, organisaties en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor inwonersparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken.

Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook overheidsparticipatie, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van die overheidsparticipatie is ook het uitdaagrecht zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder overheidsparticipatie plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie.

Aansprakelijkheid en aanbesteding

Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbesteding- en aansprakelijkheidsrecht.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met de inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico's te verkleinen?

Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.

Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet

In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager.