Regeling vervalt per 31-12-2031

Subsidieregeling Cultuureducatie Stichtse Vecht 2027-2031

Geldend van 25-07-2026 t/m 30-12-2031

Intitulé

Subsidieregeling Cultuureducatie Stichtse Vecht 2027-2031

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht,

gelet op het Subsidiebeleid Stichtse Vecht 2027 – 2031, het Integraal Beleidskader Sociaal Domein Stichtse Vecht en de Verordening Algemene subsidieverordening Stichtse Vecht 2026 (ASV),

Overwegende dat:

  • de gemeente Stichtse Vecht het belangrijk vindt dat kinderen en jongeren zich creatief, cultureel en persoonlijk kunnen ontwikkelen;

  • cultuureducatie bijdraagt aan de ontwikkeling van creativiteit, verbeeldingskracht, zelfvertrouwen, talenten en culturele vaardigheden;

  • deelname aan kunst- en cultuuractiviteiten de persoonlijke ontwikkeling, ontmoeting, sociale verbondenheid en mentale weerbaarheid van kinderen en jongeren versterkt;

  • de gemeente gelijke kansen wil bevorderen door cultuureducatie toegankelijk te maken voor alle kinderen en jongeren;

  • cultuureducatie binnen en buiten schooltijd kinderen en jongeren in staat stelt kennis te maken met verschillende kunst- en cultuurdisciplines en actief deel te nemen aan kunst- en cultuuractiviteiten;

  • de gemeente Stichtse Vecht met deze regeling cultuureducatie activiteiten voor kinderen en jongeren wil stimuleren en ondersteunen;

  • deze regeling uitvoering geeft aan de gemeentelijke ambities op het gebied van preventie, gelijke kansen en participatie;

Besluit de volgende regeling vast te stellen:

Artikel 1. Begrippen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    Aanvrager: een organisatie als bedoeld in artikel 4 die een subsidieaanvraag indient.

  • 2.

    ASV: Verordening Algemene subsidieverordening Stichtse Vecht 2026.

  • 3.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht.

  • 4.

    Cultuureducatie: activiteiten gericht op het ontwikkelen van kennis, vaardigheden, creativiteit, verbeeldingskracht en cultureel bewustzijn door actieve deelname aan kunst en cultuur.

  • 5.

    Cultuurparticipatie: actieve deelname aan kunst- en cultuuractiviteiten.

  • 6.

    Cultuurdiscipline: een kunst- of cultuurvorm, waaronder in ieder geval muziek, theater, dans, beeldende kunst, literatuur, media en erfgoededucatie.

  • 7.

    Erfgoededucatie: educatieve activiteiten gericht op het kennismaken met, begrijpen van en reflecteren op cultureel erfgoed.

  • 8.

    IBK: Integraal Beleidskader Sociaal Domein Stichtse Vecht.

  • 9.

    Kinderen en jongeren: personen van 2 tot en met 18 jaar die woonachtig zijn in of onderwijs volgen binnen de gemeente Stichtse Vecht.

  • 10.

    Schooltijd: de tijd waarin kinderen en jongeren deelnemen aan het reguliere onderwijsprogramma van een onderwijsinstelling.

  • 11.

    Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling.

  • 12.

    Subsidiabele activiteiten: activiteiten die op grond van artikel 5 voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 2. Aansluiting bij gemeentelijke doelen

Deze regeling draagt bij aan de gemeentelijke ambities op het gebied van cultuur, onderwijs, talentontwikkeling, gelijke kansen en participatie en sluit aan bij de uitgangspunten van het Integraal Beleidskader Sociaal Domein Stichtse Vecht en het coalitieakkoord 2026-2030.

De regeling draagt in het bijzonder bij aan:

  • a.

    het stimuleren van cultuureducatie voor kinderen en jongeren binnen en buiten schooltijd;

  • b.

    het vergroten van de creativiteit, verbeeldingskracht en persoonlijke ontwikkeling van kinderen en jongeren;

  • c.

    het bevorderen van gelijke kansen voor kinderen en jongeren en de mentale weerbaarheid door deelname aan cultuureducatie;

  • d.

    het stimuleren van actieve cultuurparticipatie en talentontwikkeling onder kinderen en jongeren.

Artikel 3. Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is het stimuleren van cultuureducatie voor kinderen en jongeren in Stichtse Vecht door middel van activiteiten binnen en buiten schooltijd die bijdragen aan de kennismaking met, deelname aan en ontwikkeling van kunst en cultuur.

Artikel 4. Doelgroep en reikwijdte

  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

      stichtingen, verenigingen en andere rechtspersonen zonder winstoogmerk;

    • b.

      culturele en maatschappelijke organisaties;

    • c.

      voorscholen en onderwijsinstellingen voor primair onderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, vmbo, voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs;

    • d.

      samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen, culturele organisaties en maatschappelijke organisaties.

  • 2. De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd vinden geheel of gedeeltelijk plaats binnen de gemeente Stichtse Vecht.

  • 3. De subsidie is gericht op kinderen en jongeren van 2 tot en met 18 jaar die woonachtig zijn in of onderwijs volgen binnen de gemeente Stichtse Vecht;

  • 4. Activiteiten kunnen plaatsvinden binnen schooltijd, buiten schooltijd of een combinatie daarvan.

  • 5. Activiteiten binnen schooltijd zijn aanvullend op het reguliere onderwijsprogramma en vervangen geen reguliere onderwijsactiviteiten, vakdocenten, groepsleerkrachten of andere taken waarvoor de onderwijsinstelling verantwoordelijk is.

Artikel 5. Subsidiabele activiteiten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van deze regeling en gericht zijn op cultuureducatie voor kinderen en jongeren in de gemeente Stichtse Vecht.

  • 2. Onder subsidiabele activiteiten worden in ieder geval verstaan:

    • a.

      cultuureducatieve lessen, workshops en projecten binnen schooltijd;

    • b.

      cultuureducatieve lessen, workshops en projecten buiten schooltijd;

    • c.

      cultuureducatieve activiteiten gericht op kennismaking met verschillende kunst- en cultuurdisciplines;

    • d.

      activiteiten gericht op actieve cultuurparticipatie;

    • e.

      activiteiten gericht op talentontwikkeling op het gebied van kunst en cultuur;

    • f.

      activiteiten die samenwerking stimuleren tussen onderwijsinstellingen, culturele organisaties, verenigingen en maatschappelijke organisaties;

    • g.

      cultuureducatieve activiteiten op het gebied van muziek, theater, dans, beeldende kunst, literatuur, media, erfgoededucatie en andere culturele disciplines.

  • 3. Activiteiten binnen schooltijd komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij aanvullend zijn op het reguliere onderwijsprogramma.

  • 4. Niet subsidiabel zijn:

    • a.

      reguliere onderwijsactiviteiten;

    • b.

      activiteiten die behoren tot de wettelijke taken van onderwijsinstellingen;

    • c.

      de inzet van vakdocenten, groepsleerkrachten of andere onderwijsmedewerkers ter vervanging van reguliere onderwijstaken;

    • d.

      structurele exploitatiekosten van organisaties of onderwijsinstellingen, waaronder huisvestingskosten, beheerlasten, reguliere personeelskosten en overheadkosten die niet rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de subsidiabele activiteit;

    • e.

      investeringen in gebouwen of huisvesting;

    • f.

      activiteiten waarvoor reeds op andere wijze gemeentelijke subsidie wordt verstrekt of die op andere wijze door of namens de gemeente worden gefinancierd;

    • g.

      activiteiten die hoofdzakelijk een commercieel doel dienen;

    • h.

      activiteiten die naar het oordeel van het college onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van deze regeling.

Artikel 6. Indicatoren

  • 1. De subsidieontvanger houdt gedurende de uitvoering van de activiteiten gegevens bij over:

    • a.

      het aantal georganiseerde activiteiten;

    • b.

      het aantal deelnemende kinderen en jongeren;

    • c.

      de bereikte onderwijsinstellingen, locaties of groepen;

    • d.

      de betrokken samenwerkingspartners;

    • e.

      de kunst-, cultuur- of erfgoeddisciplines waarop de activiteiten betrekking hebben;

    • f.

      de wijze waarop de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen van deze regeling.

  • 2. De subsidieontvanger rapporteert hierover bij de subsidieverantwoording.

  • 3. Het college kan nadere afspraken maken over de wijze waarop de resultaten worden gemonitord en verantwoord.

Artikel 7. Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt jaarlijks vóór aanvang van het subsidiejaar het subsidieplafond vast en maakt dit bekend overeenkomstig artikel 4:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Per aanvraag kan maximaal € 25.000 subsidie worden verleend.

  • 3. Het college kan besluiten een lager bedrag toe te kennen dan aangevraagd indien dit noodzakelijk is voor een evenwichtige verdeling van de beschikbare middelen.

  • 4. Subsidie kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien:

    • a.

      het subsidieplafond is bereikt;

    • b.

      de aanvraag onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van deze regeling;

    • c.

      de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden van deze regeling.

  • 5. Indien het totaal van de aanvragen die voldoen aan de voorwaarden van deze regeling het subsidieplafond overschrijdt, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de beoordelingscriteria zoals opgenomen in artikel 8.

Artikel 8. Beoordelingscriteria

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verleend indien:

    • a.

      de aanvrager voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4;

    • b.

      de activiteiten passen binnen de subsidiabele activiteiten genoemd in artikel 5;

    • c.

      de aanvraag past binnen het doel van deze regeling zoals bedoeld in artikel 3;

    • d.

      de aanvraag voldoet aan de aanvraagvereisten genoemd in artikel 9.

  • 2. Volledige aanvragen die voldoen aan het eerste lid worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria.

  • 3. Per criterium kunnen punten worden toegekend. Het maximaal aantal te behalen punten bedraagt 100.

    Beoordelingscriterium

    Maximaal aantal punten

    1. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan cultuureducatie en de culturele ontwikkeling van kinderen en jongeren.

    20

    2. De mate waarin de activiteit kinderen en jongeren actief laat deelnemen aan kunst- en cultuuractiviteiten.

    15

    3. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan gelijke kansen en het bereiken van kinderen en jongeren die minder gemakkelijk met cultuur in aanraking komen, waaronder leerlingen in het vmbo, praktijkonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.

    15

    4. De mate waarin sprake is van samenwerking tussen onderwijsinstellingen, culturele organisaties, verenigingen of maatschappelijke organisaties.

    5

    5. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan talentontwikkeling, duurzame cultuurdeelname of een doorgaande ontwikkeling van culturele vaardigheden.

    5

    6. De kwaliteit, uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het plan.

    20

    7. De redelijkheid van de begroting en doelmatige besteding van middelen.

    20

  • 4. Subsidie wordt uitsluitend verleend aan aanvragen die minimaal 70 punten behalen.

  • 5. Het college kan nadere regels vaststellen voor de toepassing van de beoordelingscriteria.

Artikel 9. Aanvraagvereisten

  • 1. Aanvragers dienen een subsidieaanvraag in via het door het college vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2. De aanvraag bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de activiteit(en) of het project;

    • b.

      een toelichting op de bijdrage van de activiteiten of het project aan de doelstellingen van deze regeling;

    • c.

      een beschrijving van de beoogde doelgroep(en);

    • d.

      een beschrijving van de wijze waarop kinderen en jongeren actief worden betrokken;

    • e.

      een planning van de activiteiten;

    • f.

      een sluitende begroting met een dekkingsplan, inclusief eventuele bijdragen van derden;

    • g.

      indien van toepassing, een beschrijving van de samenwerkingspartners.

  • 3. De aanvrager vermeldt bij de aanvraag welke subsidies, fondsen of andere financiële bijdragen voor dezelfde activiteit zijn of worden aangevraagd of zijn ontvangen.

  • 4. Het college kan aanvullende informatie opvragen indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 5. Subsidieaanvragen worden jaarlijks uiterlijk op 1 oktober ingediend voor activiteiten die plaatsvinden in het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 6. Indien een aanvraag onvolledig is, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen een door het college te stellen termijn aan te vullen.

Artikel 10. Verantwoording en controle

  • 1. De subsidieontvanger legt na afloop van de activiteit(en) of op uiterlijk 1 april na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie verleend is verantwoording af over de uitvoering van de activiteiten en de besteding van de subsidie.

  • 2. De verantwoording bevat ten minste:

    • a.

      een inhoudelijke beschrijving van de uitgevoerde activiteiten;

    • b.

      een beschrijving van de behaalde resultaten in relatie tot de doelstellingen van deze regeling;

    • c.

      een overzicht van het aantal deelnemende kinderen en jongeren gespecificeerd naar leeftijd;

    • d.

      een financieel overzicht van de werkelijke inkomsten en uitgaven van de activiteit.

  • 3. Het college kan aanvullende bewijsstukken opvragen indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de verantwoording.

  • 4. De subsidieontvanger verleent desgevraagd medewerking aan onderzoek of controle door of namens het college.

  • 5. Indien blijkt dat de activiteiten niet of slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd, of dat de subsidie niet overeenkomstig de doelstellingen van deze regeling is besteed, kan het college de subsidie lager vaststellen of geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

  • 6. Subsidies tot en met € 2.000 worden direct vastgesteld. Voor deze subsidies is geen afzonderlijke financiële verantwoording vereist. De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na afloop van de activiteit desgevraagd een korte inhoudelijke terugkoppeling van maximaal één pagina en ten minste één foto of ander bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de activiteit heeft plaatsgevonden.

  • 7. Op de verantwoording, vaststelling en controle van subsidies zijn tevens de bepalingen van de ASV van toepassing.

Artikel 11. Weigeringsgronden

  • 1. De subsidie kan worden geweigerd op grond van de weigeringsgronden uit de ASV.

  • 2. De subsidie kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden als de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4.

  • 3. De subsidie kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden als de aanvraag niet past binnen de genoemde subsidiabele activiteiten in artikel 5 en/of de beoordelingscriteria in artikel 8.

  • 4. De subsidie wordt zodanig vastgesteld dat dezelfde subsidiabele kosten niet meer dan eenmaal met gemeentelijke middelen worden gefinancierd. Indien sprake is van dubbele gemeentelijke financiering kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren, lager vaststellen of terugvorderen.

Artikel 12. Subsidieverlening

  • 1. Het college beslist binnen acht weken na vaststelling van de gemeentebegroting op de volledige subsidieaanvragen.

  • 2. Subsidieaanvragen die voldoen aan de voorwaarden van deze regeling worden beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria zoals opgenomen in artikel 8.

  • 3. Indien het totaal van de subsidieaanvragen die voldoen aan de voorwaarden van deze regeling het subsidieplafond overschrijdt, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de behaalde score op de beoordelingscriteria als bedoeld in artikel 8.

  • 4. Subsidie wordt verleend aan de hoogst scorende aanvragen totdat het subsidieplafond is bereikt.

  • 5. Het college betrekt bij de subsidieverlening de uitkomst van de beoordeling als bedoeld in artikel 8.

  • 6. Het college kan besluiten een lager subsidiebedrag toe te kennen dan aangevraagd indien de beoordelingscriteria, de begroting van de activiteit of een evenwichtige verdeling van de beschikbare middelen daartoe aanleiding geven.

  • 7. Subsidieverlening vindt plaats onder voorbehoud van vaststelling van de gemeentebegroting en beschikbaarheid van middelen.

Artikel 13 Monitoring en evaluatie

  • 1. Het college monitort gedurende de looptijd van deze regeling de uitvoering, resultaten en doelmatigheid van de verstrekte subsidies.

  • 2. Subsidieontvangers verlenen desgevraagd medewerking aan monitoring, onderzoek en evaluatie van deze regeling.

  • 3. Het college voert uiterlijk in 2030 een evaluatie uit van de werking, doeltreffendheid en effecten van deze regeling.

  • 4. De uitkomsten van de evaluatie worden betrokken bij de besluitvorming over de eventuele voortzetting, wijziging of vervanging van deze regeling na 31 december 2031.

Artikel 14. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

  • 1. In alle gevallen waarin deze subsidieregeling niet of niet voldoende voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan de bepalingen in deze subsidieregeling in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of subsidieontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

Artikel 15. Inwerkingtreding, looptijd en citeertitel

  • 1. Deze regeling treedt in werking na publicatie.

  • 2. Deze regeling geldt voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2031.

  • 3. Deze regeling wordt aangehaald als: “Subsidieregeling Cultuureducatie Stichtse Vecht 2027-2031”.

  • 4. In stukken, correspondentie en communicatie-uitingen kan deze regeling tevens worden aangeduid als: "Regeling Cultuureducatie".

  • 5. Voor zover deze regeling niet voorziet, gelden de bepalingen uit de Verordening Algemene subsidieverordening Stichtse Vecht 2026 en de Uitvoeringsvoorschriften Subsidies Stichtse Vecht 2026 onverkort.

Ondertekening