Algemene subsidieverordening Bergeijk 2005

Geldend van 28-11-2005 t/m 30-12-2009

Intitulé

Algemene subsidieverordening Bergeijk 2005

Hoofdstuk 1 Nieuw Hoofdstuk

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. subsidie: de aanspraak op financiële middelen door het gemeentebestuur verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan de gemeente geleverde goederen of diensten;

b. activiteit: iedere vorm van menselijk handelen, voor zover het gemeentebestuur dit wil bevorderen;

c. budgetsubsidie: een subsidie in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag per prestatie voor de uitvoering van activiteiten die het gemeentebestuur naar aard, inhoud, omvang en/of beoogde effecten wil beïnvloeden;

d. projectsubsidie: een subsidie die in beginsel eenmalig wordt verleend ter uitvoering van een project (een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het tijdig realiseren van een tevoren in de tijd vastgelegd doel met behulp van de inzet van geld, materiële en personele middelen) voor een specifieke gemeentelijke beleidsprioriteit;

e. waarderingssubsidie: een subsidie als waardering voor activiteiten die de gemeente van belang acht, maar die de gemeente niet rechtstreeks of slechts in beperkte mate naar aard, inhoud, omvang en/of beoogde effecten wil beïnvloeden; De activiteiten kunnen al dan niet structureel of regelmatig terugkerend zijn.

f. investeringssubsidie: een subsidie in de kosten van aankoop, verbouw, uitbreiding van accommodaties en/of materiële aanschaffingen ten behoeve van die accommodaties die voor de uitvoering van activiteiten noodzakelijk zijn;

g. subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.

h. Subsidieovereenkomst: de overeenkomst die tussen de ontvanger van een budgetsubsidie of een projectsubsidie en de gemeente wordt gesloten ter uitwerking van de beschikking tot subsidieverlening;

i. subsidieverlening: de beschikking met een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en waarin het subsidiebedrag wordt vermeld, dan wel de wijze wordt aangegeven waarop dit bedrag wordt bepaald, alsmede de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen;

j. subsidievaststelling: de beschikking waarin definitief wordt beslist dat de aanvrager subsidie ontvangt ter hoogte van een bepaald bedrag, en die aanspraak geeft op betaling van dat bedrag;

k. directe subsidievaststelling: het vaststellen van het subsidie voor de aanvang van het subsidietijdvak, zonder dat er voorafgaand een subsidieverlening plaatsvindt;

l. subsidietijdvak: het in de subsidieverlening genoemde tijdvak waarvoor subsidie is verleend;

m. boekjaar: kalenderjaar, tenzij met de subsidieontvanger een ander tijdvak is overeengekomen;

n. uitvoeringsregeling: een nadere regeling van subsidies voor bepaalde activiteiten, waarin subsidiegrondslagen en –criteria en verdeelregels zijn opgenomen;

o. voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 2:374 Burgerlijk Wetboek

p. reserve: een reserve als bedoeld in artikel 2:373 Burgerlijk Wetboek;

q. egalisatiereserve: reserve als bedoeld in artikel 4:72 Awb om de negatieve verschillen tussen de subsidie en de kosten van de gesubsidieerde activiteiten op te vangen;

r. gedeputeerde staten; gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant;

s. de raad: de raad van de gemeente Bergeijk;

t. het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk.

Artikel 2 Reikwijdte

1. Deze verordening is van toepassing op door de gemeente te verstrekken subsidies ter bereiking van de doelen, zoals vastgelegd in de Nota Welzijnsbeleid 2005, te weten:

a. Maatschappelijke opbouw en samenleving

b. Bevordering lichamelijke en geestelijke gezondheid en ontwikkeling van jeugdigen;

c. Bescherming van kwetsbare groepen

d. Participatie

e. Innovatie (Vernieuwing)

2. De raad stelt jaarlijks, per instelling, bij de vaststelling van de begroting het bedrag vast dat ten hoogste als budgetsubsidie voor het daarop volgende jaar ter bereiking van de in het eerste lid bedoelde doelen door het college kan worden verleend aan professionele regionale welzijnsinstellingen met basistaken op het gebied van gezondheid, educatie en maatschappelijk werk. Het betreft de volgende instellingen:

a. Stichting Basisbibliotheek De Kempen

b. Stichting Kempisch Centrum voor Muziek en Dans of eventuele rechtsopvolger

c. Stichting Maatschappelijk werk Dommelregio;

d. Stichting MEE

e. Stichting Peuterspeelzalen

f. Schoolbegeleidingsdienst De Kempen

g. Stichting Slachtofferhulp

h. Stichting Zuidzorg

i. Het Jeugd Preventie Programma (JPP) aan Stichting Maatschappelijk Werk Dommelregio

j. Preventieve logopedie op basisscholen

3. De raad stelt jaarlijks, per instelling, bij de vaststelling van de begroting het bedrag vast dat ten hoogste als waarderingssubsidie voor het daarop volgende jaar kan worden verleend aan:

a. de vier Stichtingen Dorp- en Kernraden (Riethoven, Westerhoven, Weebosch en Luyksgestel)

b. de Cliëntenraad;

4. De raad stelt jaarlijks, per instelling, bij de vaststelling van de begroting het bedrag vast dat ten hoogste als subsidie voor het begrotingsjaar kan worden verleend aan:

- GOW De Kempen

- Seniorenraad

- Steunpunt Lucia

- Steunpunt Riethoven

- Steunpunt Westerhoven

- OVO

5. De raad stelt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting bij wijze van subsidieplafond het totale bedrag vast dat ten hoogste als budgetsubsidie voor het daarop volgende jaar ten behoeve van de exploitatie van een facilitaire voorziening door het college kan worden verleend. Het betreft de volgende voorzieningen en beherende instellingen:

a. De Kattendans (Stichting Gemeenschapswerk Bergeijk)

b. De Buitengaander Westerhoven (Stichting De Buitengaander)

c. Rietstek Riethoven (stichting Jeugdbelangen Riethoven)

d. ’t Sant te Weebosch

e. Terlo op ‘t Loo

f. De Eyckholt Luyksgestel.

6. De raad stelt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting bij wijze van subsidieplafond het totale bedrag vast dat ten hoogste als waarderingssubsidie voor het daarop volgende jaar ten behoeve van de exploitatie van een harmonie of fanfare door het college kan worden verleend. Het betreft de volgende harmonieën en fanfares:

a. Koninklijke Harmonie “Echo der Kempen” Bergeijk;

b. Harmonie “Theodatus” Luyksgestel;

c. “Riethovens Harmonie Corps”

d. Fanfare “Irene” Westerhoven.

7. Het college verleent overigens de subsidies ter bereiking van de in het eerste lid bedoelde doelen.

8. Het college stelt, ter uitvoering van het vijfde, zesde en zevende lid, een uitvoeringsregeling vast. Hierin worden tenminste aangegeven:

a. de doelen die daarmee worden nagestreefd;

b. de subsidiabele activiteiten of prestaties;

c. de grondslag voor de subsidiëring;

d. de van toepassing zijnde subsidievorm(en)

9. De raad stelt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting een subsidieplafond vast voor de in het zevende lid bedoelde subsidies.

Artikel 3 Evaluatie

Het college verricht eenmaal in de 4 jaren op grond van een door de raad geformuleerde opdracht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze verordening en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen.

Artikel 4 Begrotingsvoorbehoud

1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de raad de benodigde gelden ter beschikking heeft gesteld.

2. Indien subsidie wordt verstrekt ten laste van een nog niet door de raad vastgestelde of door gedeputeerde staten goedgekeurde begroting, wordt het begrotingsvoorbehoud gemaakt zoals genoemd in artikel 4:34 Awb.

Artikel 5 Modellen, formulieren

Het college kan modellen en richtlijnen voor aanvragen tot subsidieverlening, directe subsidievaststelling en subsidievaststelling vaststellen.

Artikel 6 Niet tijdige of onvolledige aanvraag tot subsidieverlening of directe subsidievaststelling

1. Indien een aanvraag tot subsidieverlening of directe subsidievaststelling niet tijdig is ingediend kan het college besluiten deze buiten behandeling te laten.

2. Indien een aanvraag niet volgens de geldende regels en voorschriften is ingediend, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken nadat de aanvrager door het college van de onvolledigheid van de subsidieaanvraag op de hoogte is gesteld.

Artikel 7 Weigeringsgronden

1. De subsidieverlening of de directe subsidievaststelling kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien een gegronde reden bestaat aan te nemen dat:

a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

2. De subsidieverlening of de directe subsidievaststelling kan voorts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien de aanvrager:

a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 8 Directe subsidievaststelling

1. Directe subsidievaststelling vindt uitsluitend plaats in geval van waarderingssubsidies.

2. Een beschikking tot directe subsidievaststelling kan uitsluitend worden ingetrokken of gewijzigd op grond van artikel 12 van deze verordening.

Artikel 9 Subsidievaststelling

1. Subsidievaststelling nadat voorafgaand subsidieverlening heeft plaatsgevonden, komt uitsluitend voor in geval van budgetsubsidies, projectsubsidies en investeringssubsidies.

2. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven stelt het college de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

3. De subsidievaststelling vindt plaats uiterlijk binnen drie maanden nadat de aanvraag daartoe op correcte wijze heeft plaatsgevonden.

4. Het college kan de subsidie lager vaststellen indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

5. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.

Artikel 10 Intrekking en wijziging subsidieverlening

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het college de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten;

e. het college met toepassing van artikel 4 een beroep doet op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

2. De intrekking werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 11 Intrekking en wijziging subsidieverlening wegens veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het college de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:

a. voorzover de subsidieverlening onjuist is;

b. voorzover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of

c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.

2. Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onder a. of b., vergoedt het college de schade die de subsidie-ontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.

Artikel 12 Intrekking en wijziging subsidieverlening wegens veranderde omstandigheden

1. Het college kan de (directe) subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten;

c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

3. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.

Artikel 13 Weigering voortzetting subsidie

1. Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend subsidietijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

2. Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend subsidietijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig met overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 5.

Artikel 14 Bevoorschotting

Het college is bevoegd voorschotten te verstrekken op een nog vast te stellen subsidie nadat de subsidieverlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 15 Betaling / terugvordering

1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten.

2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de subsidievaststelling betaald.

3. Indien het vastgestelde subsidiebedrag lager is dan de verstrekte voorschotten, wordt het teveel betaalde teruggevorderd.

Hoofdstuk 2 Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 16 Indienen aanvraag beschikking

Een aanvraag om subsidieverlening, directe subsidievaststelling of subsidievaststelling wordt schriftelijk ingediend bij het college.

Artikel 17 Over te leggen stukken

Bij een eerste subsidieaanvraag overlegt de aanvrager die een rechtspersoon is tevens een exemplaar van de statuten, een exemplaar van het huishoudelijk reglement, een opgave van de bestuurssamenstelling en een inzicht in de financiële situatie van de subsidieaanvrager voor zover noodzakelijk ter beoordeling van de subsidieaanvraag.

Artikel 18 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

1. De subsidieontvanger deelt wijzigingen van de statutaire doelstelling onverwijld schriftelijk aan het college mede.

2. De subsidieontvanger brengt het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon of het aanvragen van faillissement of surséance van betaling respectievelijk van en voor de rechtspersoon, alsmede het geheel of gedeeltelijk staken van gesubsidieerde activiteiten onverwijld ter kennis van het college.

- 1. Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde activiteiten tevens subsidie, respectievelijk een financiële bijdrage, heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, respectievelijk private organisaties, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag onder vermelding van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

Artikel 19 Opleggen van verplichtingen

1. Het college kan aan de subsidie-ontvanger verplichtingen opleggen zoals bedoeld in artikel 4:37, en 4:38 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Het college kan aan de administratie van de subsidie-ontvanger eisen stellen op basis van Afdeling 4.2.4. en/of Paragraaf 4.2.8.4. van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 20 Toezicht

Indien met toepassing van Afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht subsidie wordt verleend, kan het college een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen.

Artikel 21 Verzekering

1. De subsidieontvanger is verplicht zijn roerende en onroerende eigendommen en bezittingen te verzekeren tegen herbouw- of vervangingswaarde tegen de schade van brand, storm en inbraak en andere door het college verder eventueel aan te duiden risico’s waaronder wettelijke aansprakelijkheid.

2. Indien de subsidieontvanger schade lijdt en zich daartegen niet heeft verzekerd, biedt het college geen financiële compensatie voor de geleden schade.

Hoofdstuk 3 Budgetsubsidies

Artikel 22 Aanvraag budgetsubsidie

1. Een aanvraag voor een budgetsubsidie wordt bij het college ingediend vóór 1 juni voorafgaand aan het boekjaar of de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

2. Bij de aanvraag worden in ieder geval overlegd:

a. een activiteitenplan met daarin een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en een aanduiding hoe de activiteiten aansluiten bij de gemeentelijke doelstellingen op het desbetreffende beleidsterrein;

b. een begroting met een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven per cluster van activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en, voor zover van toepassing, een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende jaar.

c. een plan, waarin aangegeven wordt welke voorzieningen en reserves de subsidieaanvrager meent te moeten treffen, voor welke doeleinden deze dienen en tot welk bedrag hij deze wenst te vormen;

d. de omvang van de egalisatiereserve;

e. de balans van het voorafgaande jaar met toelichting;

f. een opgave van met de instelling gelieerde rechtspersonen alsmede van de aard van de betrekking met die rechtspersonen.

3. Het college kan indien het dat nodig acht ook andere dan de in het tweede lid genoemde gegevens opvragen teneinde de subsidieaanvraag te kunnen toetsen.

Artikel 23 Subsidieverlening

1. De beschikking tot subsidieverlening wordt genomen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag, doch uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidietijdvak.

2. De beschikking tot subsidieverlening kan vergezeld gaan van een uitvoeringsovereenkomst.

3. Subsidie kan worden verleend voor meerdere perioden van een jaar, waarbij steeds het begrotingsvoorbehoud dient te worden gemaakt.

4. Indien subsidie voor meerdere perioden van een jaar wordt verleend, kan daarbij een indexering worden toegepast, overeenkomstig de nominale vergoeding Gemeentefondsuitkering. De definitieve subsidie over het afgelopen jaar geldt dan als basis voor de indexering van het daarop volgende jaar.

Artikel 24 Tussentijdse rapportage

1. Het college kan aan de subsidiebeschikking de voorwaarde verbinden dat de subsidieontvanger uiterlijk 31 juli van het jaar waarvoor subsidie is verleend een tussentijds verslag indient bij het college over de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten in het eerste halfjaar, en een prognose voor het tweede halfjaar.

2. Het college kan per subsidieontvanger nadere regels stellen omtrent de aard en de inhoud van de tussentijdse rapportage.

3. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de tussentijds rapportage treedt het college in overleg met de subsidieontvanger indien de rapportage daartoe aanleiding geeft dan wel indien de subsidieontvanger daartoe een verzoek indient.

Artikel 25 Aanmerkelijke verschillen begrote inkomsten en uitgaven

Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het college onder vermelding van de oorzaken van de verschillen.

Artikel 26 Vaststellen budgetsubsidie

1. De subsidieontvanger dient vóór 1 mei volgend op het boekjaar waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling bij het college in.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een jaarrekening met balans en een activiteitenverslag.

3. De jaarrekening is zodanig opgesteld dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen, het exploitatiesaldo en de liquiditeit van de subsidieontvanger.

4. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van het boekjaar weer.

5. De jaarrekening sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend en behelst een vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie is verleend.

6. Het college kan bij de verlening van subsidie bepalen dat de jaarrekening vergezeld gaat van een accountantsverklaring op basis van een onderzoek naar de jaarrekening. De accountantsverklaring geeft aan of de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is.

7. De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag.

8. Binnen drie maanden na indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling stelt het college de subsidie vast.

Artikel 27 Egalisatiereserve

1. De ontvanger van een budgetsubsidie mag een egalisatiereserve vormen als bedoeld in artikel 4:72 Awb.

2. Het college stelt beleidsregels vast over de maximale omvang van de egalisatiereserve.

3. Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.

4. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.

5. De subsidieontvanger is ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig - naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen - in de volgende gevallen:

a. de gesubsidieerde activiteiten worden geheel of gedeeltelijk beëindigd;

b. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

c. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

d. de rechtspersoon wordt ontbonden

Artikel 28 Toestemming rechtshandeling

1. De subsidieontvanger behoeft toestemming van het college voor:

a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

b. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;

c. het om niet ter beschikking stellen van middelen aan derden;

d. het aangaan en beëindigen van overeenkomstern tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;

e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten tot geldlening;

f. het vormen van voorzieningen en reserves;

g. het anders beschikken over voorzieningen en reserves.

2. Het college kan nadere voorschriften aan de toestemming verbinden.

3. Het college beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.

4. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

5. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.

Artikel 29 Vermogensvorming

1. Indien het verstrekken van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming is de subsidieontvanger daarvoor een vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen: a. de subsidieontvanger vervreemdt of wijzigt de bestemming van voor het verrichten van de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

b. de subsidieontvanger ontvangt een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van voor het verrichten van de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

c. de gesubsidieerde activiteiten worden geheel of gedeeltelijk beëindigd;

d. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

e. de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

2. Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten geheel of in overwegende mate ontleent aan subsidie van de gemeente Bergeijk, wordt de maximale vergoeding gevraagd.

3. Indien het tweede lid niet van toepassing is, wordt de hoogte van de vergoeding bepaald naar evenredigheid van het aandeel van de subsidie van de gemeente Bergeijk in de totale inkomsten.

4. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

5. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijk deskundige.

Hoofdstuk 4 Projectsubsidies

Artikel 30 Aanvraag projectsubsidies

1. Een aanvraag voor een projectsubsidie wordt bij het college ingediend ten minste 12 weken voordat een start wordt gemaakt met de activiteiten waarvoor subsidie wordt verlangd.

2. De in het eerste lid genoemde termijn geldt niet indien de subsidieaanvraag op verzoek van de gemeente wordt ingediend.

3. Het college is bevoegd, in afwijking van het eerste lid, te bepalen dat de aanvraag vóór een bepaalde datum dient te worden ingediend.

4. De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van een activiteitenplan met nader omschreven doelstellingen en een begroting met toelichting.

Artikel 31 Subsidieverlening

1. De beschikking tot subsidieverlening of directe subsidievaststelling wordt genomen binnen vier weken nadat de aanvraag daartoe is ingediend.

2. De in het eerste lid genoemde termijn kan eenmaal verlengd worden met vier weken.

3. De beschikking tot subsidieverlening kan vergezeld gaan van een uitvoeringsovereenkomst

4. In de beschikking tot directe subsidievaststelling kan worden aangegeven welk bedrag voor welke activiteit(en) wordt verstrekt, voor welk tijdvak en met welke verplichtingen en op welke wijze tot uitbetaling van de subsidie wordt overgegaan.

Artikel 32 Tussentijdse rapportage

1. Het college kan de subsidieontvanger verplichten tot het afleggen van (een) tussentijdse rapportage(s) over de voortgang van het project, mede in relatie tot de uitputting van de beschikbare middelen.

2. Het college kan per project nadere regels stellen omtrent de aard en de inhoud van de tussentijdse rapportage.

3. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de tussentijdse rapportage treedt het college in overleg met de subsidieontvanger indien de rapportage daartoe aanleiding geeft dan wel indien de subsidieontvanger daartoe een verzoek indient.

Artikel 33 Vaststelling projectsubsidie

1. Binnen twaalf weken nadat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn afgerond dient de subsidieontvanger bij het college een aanvraag in tot subsidievaststelling.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenverslag en een financieel verslag.

3. Het college kan per project nadere regels stellen omtrent de inhoudelijke en financiële verantwoording .

4. Binnen drie maanden na de indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling stelt het college de subsidie vast.

Hoofdstuk 5 Waarderingssubsidie

Artikel 34 Aanvraag waarderingssubsidie

1. De aanvraag voor een waarderingssubsidie wordt ingediend vóór 1 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt verlangd.

2. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de bescheiden als genoemd in de van toepassing zijnde uitvoeringsregeling.

Artikel 35 Directe subsidievaststelling

1. Tenzij de omvang van de subsidie niet onmiddellijk bepaalbaar is, vindt directe subsidievaststelling plaats.

2. De beschikking tot directe subsidievaststelling wordt bekend gemaakt binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag, doch uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidietijdvak.

3. In de beschikking wordt aangegeven welk bedrag voor welke activiteit(en) wordt verstrekt, voor welk tijdvak en met welke verplichtingen en op welke wijze tot uitbetaling van de subsidie zal worden overgegaan, dan wel voorschotten worden gegeven.

Hoofdstuk 6 Investeringssubsidie

Artikel 36 Begrenzing investeringssubsidies

Het college kan voor de aanpassing van gemeenschapshuizen investeringssubsidies verstrekken.

Artikel 37 Aanvraag investeringssubsidie

1. Een aanvraag voor een investeringssubsidie wordt bij het college ingediend vóór 1 februari van het jaar voorafgaand aan dat waarin met de activiteiten waarvoor subsidie wordt verlangd, een start wordt gemaakt.

2. De subsidieaanvraag gaat voor zover van toepassing vergezeld van:

a. een omschrijving van de noodzaak van de investering;

b. een activiteitenplan waaruit de meerwaarde van de accommodatie blijkt;

c. een meerjarig bedrijfsplan inzake het beheer en de exploitatie van de accommodatie;

d. een bestek met tekeningen, een opgave van de aankoopkosten alsmede een taxatierapport van een beëdigd makelaar/taxateur bij de aankoop van een bestaande accommodatie;

e. een gespecificeerde kostenraming;

f. een meerjarig financieringsplan vergezeld van een exploitatiebegroting waarin de lasten van de investering zijn verwerkt;

g. andere naar het oordeel van het college noodzakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 38 Subsidieverlening

1. De beschikking tot subsidieverlening wordt verleend binnen acht weken nadat de aanvraag daartoe is ingediend.

2. De in het eerste lid genoemde termijn kan eenmaal verlengd worden met vier weken.

3. Indien voor de investering ook subsidie is aangevraagd bij een andere overheid en/of fondsen en/of bij bedrijven kan het college het gevraagde besluit aanhouden totdat zekerheid is verkregen over die andere aanvragen.

Artikel 39 Aanmerkelijke verschillen begrote uitgaven

Indien aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en de begrote uitgaven doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het college onder vermelding van de oorzaken van de verschillen.

Artikel 40 Vaststelling investeringssubsidie

1. Binnen twaalf weken nadat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn afgerond dient de subsidieontvanger bij het college een aanvraag in tot subsidievaststelling.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend hebben plaatsgevonden.

3. Binnen drie maanden na de indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling stelt het college de subsidie vast.

Artikel 41 Vermogensvorming

1. Indien het verstrekken van een investeringssubsidie heeft geleid tot vermogensvorming, is de subsidieontvanger daarvoor een vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen:

a. de subsidieontvanger vervreemdt of wijzigt de bestemming voor het verrichten van de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

b. de subsidieontvanger ontvangt een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van gebruikte of bestemde goederen tijdens de gesubsidieerde activiteiten;

c. tijdens het verrichten van de gesubsidieerde activiteiten de gesubsidieerde activiteiten worden geheel of gedeeltelijk beëindigd;

d. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

e. de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

3. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijk deskundige.

Artikel 42 Wijziging bestemming

1. Een wijziging van de bestemming van een accommodatie waarvoor een investeringssubsidie is verleend vindt slechts plaats na voorafgaande toestemming van het college.

2. Indien een subsidieontvanger in strijd handelt met het eerste lid kan het college de investeringssubsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

Hoofdstuk 7 Overgangsbepalingen en slotbepalingen

Artikel 43 Overgangsbepalingen

Op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze verordening verleend zijn, maar nog niet zijn vastgesteld, blijven de bepalingen zoals opgenomen in de “Algemene Subsidieverordening Bergeijk 1998” van toepassing.

Artikel 44 Hardheidsclausule

Het college kan in individuele gevallen van een of meer bepalingen van deze verordening afwijken dan wel deze buiten toepassing laten, voor zover toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 45 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking 3 dagen na haar bekendmaking.

Artikel 46 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als de “Algemene Subsidieverordening Bergeijk 2005”.