Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR763733
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR763733/1
Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2026
Geldend van 01-09-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2026De raad van de gemeente Zoeterwoude;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 april 2026;
gelet op de artikelen 2.2, 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, lid 3, artikel 12.4 lid 2 van de Jeugdwet;
overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
overwegende dat;
besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2026.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt, aanvullend op artikel 1.1 van de Jeugdwet, verstaan onder:
- 1.
Algemene voorziening: Een door het college vrij toegankelijke vorm van ondersteuning op basis van de Jeugdwet waarvoor geen individuele beoordeling en geen beschikking is vereist.
- 2.
BIG-registratie: Een taak die voortkomt uit de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Het BIG-register geeft duidelijkheid over de bevoegdheid van een zorgverlener zoals een arts of psycholoog.
- 3.
Bovengebruikelijke hulp: Hulp die qua aard, frequentie, tijdsinvestering of benodigde deskundigheid uitstijgt boven de gebruikelijke hulp die van ouders of verzorgers mag worden verwacht, gelet op de leeftijd, ontwikkeling en omstandigheden van de jeugdige en het gezin.
- 4.
Formele hulp (pgb): Door een professioneel gekwalificeerde en ingeschreven jeugdhulpaanbieder geleverde hulp.
- 5.
Gemeentelijke toegang: Het door het college ingestelde team dat als toegang fungeert tot jeugdhulp en belast is met triage, onderzoek, verwijzing, inzet van ambulante ondersteuning en regie.
- 6.
Individuele voorziening: Een voorziening die uitsluitend wordt verstrekt na onderzoek als bedoeld in deze verordening en die bij beschikking wordt toegekend.
- 7.
Informele hulp (pgb): Hulp door personen uit het sociaal netwerk die niet beroepsmatig jeugdhulp verlenen.
- 8.
Leefeenheid: De personen die een huishouden vormen met de jeugdige.
- 9.
Maatwerkvoorziening: Een individuele voorziening die is toegesneden op de specifieke situatie van de jeugdige of ouder.
- 10.
Medisch domein: Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten die op grond van de Jeugdwet bevoegd zijn tot verwijzing.
- 11.
Misbruik of oneigenlijk gebruik: Al het handelen of nalaten waardoor jeugdhulp of een pgb onterecht wordt verkregen of gebruikt.
- 12.
Niet-vergoedbare kosten: Kosten die niet uit een pgb mogen worden betaald.
- 13.
Onafhankelijke cliëntondersteuner: Een onafhankelijke deskundige die de jeugdige en ouders ondersteunt bij het verkrijgen van jeugdhulp en het voeren van regie over de ondersteuning.
- 14.
Ondersteuningsplan: Het plan waarin de hulpvraag en de benodigde hulp en ondersteuning in aard en omvang is opgenomen.
- 15.
pgb: Persoonsgebonden budget op grond van de Jeugdwet.
- 16.
pgb-plan: Het plan als bedoeld in artikel 7.2.
- 17.
pgb-vaardigheid: De mate waarin de (beoogd) budgethouder in staat is het pgb verantwoord te beheren.
- 18.
Perspectiefplan: Plan zoals bedoeld in artikel 8.1.
- 19.
SKJ-registratie: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, waarin jeugdprofessionals geregistreerd staan die op hbo-niveau of hoger werkzaamheden verrichten binnen het jeugddomein.
- 20.
Sociaal netwerk: een verzamelnaam voor een netwerk van betekenisvolle mensen (familie, vrienden en kennissen) dat functioneert als ondersteuningsbron voor het eigen welzijn en welbehagen en dat van de personen in het netwerk. Er is altijd sprake van een bestaande relatie en bekend gezicht;
- 21.
Toezichthouder: Door het college aangewezen toezichthouder als bedoeld in artikel 9.5.
- 22.
Voorliggende voorziening: Voorziening die voorgaat op jeugdhulp, zoals Wmo, Zvw, Wlz of Passend Onderwijs.
- 23.
Zorg in natura: Jeugdhulp die door het college wordt ingekocht en direct door een jeugdhulpaanbieder aan de jeugdige wordt geleverd.
Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Algemene voorzieningen
-
1. Een algemene voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling.
-
2. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
Jeugdgezondheidszorg;
- b.
Informatie, training en advies op het gebied van opvoeden en opgroeien;
- c.
Kortdurende pedagogische ondersteuning;
- d.
Onafhankelijke clientondersteuning;
- e.
Aanbod van jeugdhulp geboden door de gemeentelijke toegang;
- f.
Oudercontact- en ontmoetingsmomenten;
- g.
Jeugd- en Jongerenwerk;
- h.
Jeugdhulp op school in het gespecialiseerd onderwijs;
- i.
Reguliere sport- en vrijetijdsvoorzieningen;
- j.
Jeugd- en gezinsondersteuning vanuit de gemeentelijke toegang;
- k.
Weerbaarheidstraining en faalangsttraining;
- l.
Bondgenoten/lotgenoten contact;
- m.
Kinderopvang;
- n.
Mantelzorgondersteuning;
- o.
Respijtzorg;
- p.
Eerstelijnszorg, zoals huisartsenzorg;
- q.
Praktijkondersteuner Huisartsen Jeugd (POH Jeugd).
- a.
-
3. Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.
Artikel 2.2 Gemeentelijke toegang
-
1. Het college draagt zorg voor een goed ingerichte gemeentelijke toegang.
-
2. De gemeentelijke toegang is verantwoordelijk voor:
- a.
melding & signalering;
- b.
triage;
- c.
onderzoek;
- d.
regievoering;
- e.
toeleiding naar algemene voorzieningen;
- f.
inzet van ambulante jeugdhulp;
- g.
consultatie & advies;
- h.
veiligheidscasuïstiek.
- a.
-
3. De gemeentelijke toegang is gemandateerd om individuele voorzieningen toe te kennen.
-
4. De gemeentelijke toegang werkt outreachend: in de wijk, op scholen, bij kinderopvang en bij huisartsen.
Artikel 2.3 Individuele voorzieningen
-
1. Onder de individuele voorzieningen vallen specialistische jeugdhulpvoorzieningen:
- a.
Behandeling met verblijf;
- i)
Jeugdhulp Behandeling met verblijf
- ii)
Intensieve ambulante behandeling ter vervanging van verblijf
- iii)
Jeugdzorgplus
- i)
- b.
Wonen;
- i)
Gezinshuis
- ii)
Jeugdhulp met verblijf
- iii)
Pleegzorg
- i)
- c.
Dagbehandeling en dagbesteding;
- i)
Dagbehandeling A
- ii)
Dagbehandeling B
- iii)
Dagbehandeling KDC
- iv)
Dagbesteding (inclusief respijtzorg)
- v)
Onderwijs-zorg arrangement (OZA)
- vi)
Zorg-onderwijs arrangement (ZOA)
- i)
- d.
Ambulante jeugdhulp;
- i)
Jeugd ggz diagnostiek
- ii)
Jeugd ggz behandeling
- iii)
Begeleiding individueel (op school)
- iv)
Behandeling individueel (op school)
- v)
Begeleiding en behandeling groep
- vi)
Diagnostiek Ernstige Dyslexie
- vii)
Behandeling Ernstige Dyslexie
- viii)
(Hoog) specialistische ggz
- i)
- e.
Jeugdhulp op school;
- f.
Crisis;
- i)
Jeugdhulp ambulant crisis
- ii)
Jeugd ggz crisis behandeling
- iii)
Crisis verblijf
- iv)
Pleegzorg crisis
- i)
- g.
Veiligheid;
- i)
Jeugdbescherming
- ii)
Jeugdreclassering
- iii)
Veiligheid gesloten plaatsing
- iv)
Veiligheid toegang en eerstelijnsvoorziening
- i)
- a.
-
2. De verwijzer adviseert (en besluit) op de duur en intensiteit van de individuele voorziening waarbij uit wordt gegaan van zo licht en zo kort mogelijk. De verwijzer kan aanwezig zijn bij evaluatiegesprekken.
-
3. Indien passende groepsbegeleiding of behandeling beschikbaar is, is dit voorliggend aan individuele begeleiding of behandeling.
-
4. De inzet van dieren bij jeugdhulp is uitsluitend toegestaan als onderdeel van een goedgekeurd behandelplan, uitgevoerd door gekwalificeerd professional.
-
5. Individuele begeleiding bij sport wordt niet vergoed door de gemeente.
Artikel 2.4 Dyslexiezorg
-
1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg bij Ernstige Enkelvoudige Dyslexie, bestaande uit:
- a.
diagnostiek bij een onderbouwd vermoeden van ernstige dyslexie;
- b.
behandeling van ernstige dyslexie.
- a.
-
2. Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van ernstige dyslexie, indien aan de criteria van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling vastgesteld door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie wordt voldaan, en:
- a.
de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) is ingeschreven; en
- b.
de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het in het tweede lid genoemde protocol en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige dyslexie.
- a.
Artikel 2.5 Vaktherapie
-
1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:
- a.
beeldende therapie;
- b.
danstherapie;
- c.
dramatherapie;
- d.
muziektherapie;
- e.
psychomotorische therapie;
- f.
psychomotorische kindertherapie; en
- g.
speltherapie
- a.
-
2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.
-
3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.
-
4. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van de gemeentelijke toegang moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.
-
5. Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Afhankelijk van de zorginstelling en de aard van de behandeling kan een regiebehandelaar een psychiater, klinisch psycholoog, GZ-psycholoog, psychotherapeut of een andere BIG-geregistreerde zorgverlener zijn, die de voortgang en samenhang van de ingezette hulpverlening bewaakt, waar nodig de ingezette hulpverlening bijstelt en de eindverantwoordelijkheid draagt.
Hoofdstuk 3 Toegang jeugdhulp anders dan via de gemeente
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
-
1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.
-
2. De huisarts, medisch specialist en jeugdarts verwijzen in beginsel naar jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft.
-
3. Jeugdhulp die na een verwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door een jeugdhulpaanbieder die geen contract- of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt – behoudens verstrekking van een persoonsgebonden budget – niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking, indien het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieder.
-
4. Indien er geen passend gecontracteerd aanbod beschikbaar is, volgt het college de verwijzing naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder.
-
5. Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
-
6. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan met toestemming van de ouder de hulpvraag voorleggen aan de gemeentelijke toegang ter consultatie en advies.
Artikel 3.2 Verwijzing door de familierechter
-
1. Wanneer een familierechter bepaalt dat jeugdhulp noodzakelijk is in een echtscheidingssituatie, betekent dit niet dat er direct toegang tot jeugdhulp bestaat. De ondersteuningsvraag dient eerst door het college beoordeeld te worden. Zij beoordeelt of een individuele voorziening noodzakelijk is.
-
2. Het college stemt bij echtscheidingsproblematiek af met relevante betrokkenen (bijv. advocaat, GI, school) indien dat noodzakelijk is voor een juist oordeel.
Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instellingen
-
1. Jeugdhulp die na verwijzing door een gecertificeerde instelling wordt ingezet, voldoet aan dezelfde kwaliteitseisen als jeugdhulp die via de reguliere gemeentelijke toegang wordt verstrekt.
-
2. De gecertificeerde instelling kan niet zelfstandig een persoonsgebonden budget toekennen; dit is voorbehouden aan het college.
Hoofdstuk 4 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Artikel 4.1 Aanvraag
-
1. Een aanvraag voor jeugdhulp kan door of namens een jeugdige of ouder schriftelijk worden ingediend bij het college.
-
2. Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, schriftelijk.
-
3. Het college wijst de jeugdige of ouder in de ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op:
- a.
de vervolgprocedure en de rechten en plichten van de inwoner daarin;
- b.
de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet;
- c.
de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- d.
de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen binnen twee weken na de aanvraag.
- a.
-
4. Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp stemt het college af met andere beschikbare of al verleende voorzieningen.
-
5. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s), of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dit geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na start van de hulp, vast in een beschikking.
Artikel 4.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
-
1. Het college onderzoekt, na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 van deze verordening, in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk na ontvangst:
- a.
wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is;
- b.
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
- c.
of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen.
- a.
-
2. Als sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
- d.
welke problemen of stoornissen dat zijn;
- e.
welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
- f.
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociaal netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;
- g.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
- h.
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); en
- i.
indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
- d.
-
3. Wanneer de jeugdige of zijn ouder(s) reeds een familiegroepsplan opgesteld hebben, betrekt het college dat bij het onderzoek.
-
4. Na afronding van het onderzoek als bedoeld in dit artikel zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekken, in de vorm van een ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.
-
5. Indien tijdens het onderzoek sprake is van acute onveiligheid van de jeugdige, treft het college onverwijld passende maatregelen. In dat geval kan het onderzoek worden afgerond nadat de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen zijn getroffen.
Artikel 4.3 Identificatie
-
1. Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger.
-
2. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:
- a.
gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp;
- b.
ter voorkoming van fraude; of
- c.
ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige.
- a.
-
3. Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit:
- a.
vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
- b.
verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
- c.
buitenlands paspoort; of
- d.
vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
- a.
Artikel 4.4 Het ondersteuningsplan
-
1. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening vast in een ondersteuningsplan.
-
2. In het ondersteuningsplan wordt tevens opgenomen:
- a.
de te behalen doelen en resultaten en de verwachte duur van de hulp of ondersteuning;
- b.
het moment en de wijze waarop de resultaten van de ingezette hulp of ondersteuning worden besproken met de jeugdige en of zijn ouders en, indien van toepassing, de betrokken jeugdhulpprofessional(s);
- c.
indien van toepassing, de contactgegevens van de persoon die de casusregie over de hulp en ondersteuning heeft;
- d.
indien van toepassing de ‘buddy’ die de jeugdige tijdens het gehele traject ondersteunt.
- a.
-
3. De jeugdige en/of zijn ouders ontvangen het ondersteuningsplan binnen 6 weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional.
-
4. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden in het ondersteuningsplan opgenomen.
-
5. Als de jeugdige en/of zijn ouders niet akkoord zijn met de uitkomsten van het onderzoek, wordt dit vermeld in het ondersteuningsplan met de reden waarom zij niet akkoord zijn.
-
6. De jeugdige en/of ouders ondertekenen het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord.
-
7. Het ondersteuningsplan maakt in zijn geheel onderdeel uit van de beschikking.
Artikel 4.5 Termijnen behandeling aanvraag
-
1. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht (8) weken na ontvangst van de aanvraag.
-
2. Indien het college niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan beslissen, stelt het de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarvan vóór het verstrijken van deze termijn schriftelijk in kennis, onder vermelding van de reden van de vertraging en de termijn waarbinnen de beslissing alsnog wordt genomen.
-
3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening.
-
4. Het college kan nadere regels stellen over de termijnen voor specifieke typen aanvragen.
Artikel 4.6 Deskundigheid en vergewisplicht
-
1. Het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugdhulpprofessional.
-
2. Uit hoofde van de deskundigheid van de SKJ-geregistreerde jeugdhulpprofessional wordt bepaald of er een noodzaak is een (andere) deskundige of deskundigen in te schakelen om te adviseren over de benodigde jeugdhulp. Dit met inachtneming van de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld in artikel 4.1.1, tweede lid van de wet in samenhang bezien met de benodigde deskundigheid genoemd in artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet.
-
3. In het ondersteuningsplan wordt opgenomen welke deskundigheid is ingeschakeld bij het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening.
-
4. Het college vergewist zich ervan dat het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening op zorgvuldige wijze is uitgevoerd, door een daartoe gekwalificeerde deskundige en dat de uitkomst daarvan logischerwijs uit het onderzoek volgt alvorens een besluit op de aanvraag voor een individuele voorziening wordt genomen.
Hoofdstuk 5 Voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp
Artikel 5.1 Criteria voor het verstrekken van een individuele voorziening
-
1. Het college verstrekt een individuele voorziening indien:
- a.
gebruikelijke hulp, eigen kracht, sociaal netwerk of algemene voorzieningen ontoereikend zijn;
- b.
geen voorliggende voorziening passend of beschikbaar is;
- c.
de voorziening noodzakelijk, toereikend en proportioneel is;
- d.
de voorziening bijdraagt aan de gestelde resultaatgebieden;
- e.
sprake is van een redelijk perspectief op effectiviteit.
- a.
-
2. De voorziening moet gericht zijn op:
- a.
veilige ontwikkeling;
- b.
participatie;
- c.
herstel van normaal ontwikkelingsperspectief;
- d.
voorkoming van escalatie;
- e.
tijdige overgang naar 18+.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening of interventie wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Het college kan hiervoor gebruik maken van de NJI Databank Effectieve jeugdinterventies, Richtlijnen Jeugdhulp en GGZ standaarden.
- a.
Artikel 5.2 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht
-
1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- a.
gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders
- b.
bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan
- c.
de ondersteuning vanuit het sociale netwerk
- d.
het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten
- a.
-
2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
-
3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
- a.
de leeftijd van de jeugdige;
- b.
de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;
- c.
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
- d.
de mate van planbaarheid van de hulp;
- e.
de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
- a.
-
4. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 1 van deze verordening. Indien dit het geval is worden voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in beginsel geacht aanwezig te zijn, tenzij uit het onderzoek blijkt dat gelet op de individuele omstandigheden ondersteuning noodzakelijk is.
-
5. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
-
6. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- a.
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.
- b.
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.
- a.
-
6. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
-
7. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:
- a.
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
- b.
de mate van planbaarheid van de hulp;
- c.
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;
- d.
de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;
- e.
vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);
- f.
of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;
- g.
welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;
- h.
het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;
- i.
de woonsituatie;
- j.
de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);
- k.
is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;
- l.
overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.
- a.
-
8. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
-
9. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:
- a.
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.
- b.
Als de overbelasting zit op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- c.
Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- d.
Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.
- e.
Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.
- f.
Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
- a.
-
10. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
-
11. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Artikel 5.3 Voorliggende voorzieningen
-
1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
- a.
met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;
- b.
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
- c.
gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.
- a.
-
2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
-
3. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.
Artikel 5.4 Duur, herbeoordeling en beëindiging
-
1. De duur van de voorziening past bij de problematiek en het resultaat.
-
2. Bij het bepalen van de duur en intensiteit van de voorziening betrekt het college in ieder geval de aard en ernst van de problematiek, de ontwikkelbehoefte van het kind of gezin, het beoogde resultaat, de benodigde frequentie om dat resultaat te behalen en de actuele veiligheidssituatie.
-
3. Herbeoordeling vindt plaats wanneer:
- a.
omstandigheden wijzigen;
- b.
resultaten uitblijven;
- c.
veiligheid daartoe noodzaakt;
- d.
signalen hiertoe aanleiding geven.
- a.
-
4. De voorziening wordt beëindigd indien:
- a.
deze niet langer noodzakelijk is;
- b.
een voorliggende voorziening beschikbaar is;
- c.
verplichtingen niet worden nageleefd;
- d.
sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik.
- a.
Artikel 5.5 Vervoer
-
1. Uitgangspunt is dat ouder(s) in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het college beoordeelt de reikwijdte van de eigen mogelijkheden conform de afwegingsfactoren genoemd in artikel 5.2 van deze verordening.
-
2. Indien de eigen mogelijkheden onvoldoende zijn wordt een vervoersvoorziening alleen verstrekt aan de jeugdige voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed.
-
3. Van een medische noodzaak is sprake wanneer de jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om gebruik te maken van alternatieve wijzen van vervoer. Ook niet met begeleiding.
-
4. Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer:
- a.
de leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen. Hierbij wordt aangenomen dat jeugdigen tot en met acht jaar in ieder geval niet zelfstandig kunnen reizen;
- b.
er genoegzaam is aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer;
- c.
er sprake is van ernstige gedragsproblematiek die het reizen onmogelijk maakt of andere redenen van niet-medische aard die het zelfstandig of onder begeleiding reizen onmogelijk maken.
- a.
-
5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een individuele voorziening waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
Hoofdstuk 6 Beschikking
Artikel 6.1 Beschikking
-
1. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.
-
2. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
-
3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
- b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en
- c.
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
- a.
-
4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
- d.
welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
- e.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en
- f.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- a.
-
5. Bij afwijzing bevat de beschikking een duidelijke motivering en verwijzing naar het ondersteuningsplan.
-
6. De beslissing wordt nooit genomen door de behandelend of betrokken hulpverlener; het college neemt zelfstandig de beslissing.
-
7. Het college kan aanvullende voorwaarden aan de beschikking verbinden ter bevordering van veiligheid, kwaliteit of doelmatigheid.
Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget
Artikel 7.1 Algemene bepalingen en voorwaarden voor een pgb
-
1. Het college kan een pgb verstrekken waarmee jeugdhulp wordt ingekocht, voor zover dit passend, veilig, toereikend en doelmatig is. Het pgb wordt beheerd en uitbetaald conform landelijke SVB-regels.
-
2. Een pgb wordt uitsluitend verstrekt indien de jeugdige of ouder(s) aannemelijk maken dat:
- a.
zorg in natura niet passend of toereikend is;
- b.
het pgb-plan voldoet aan de vereisten van artikel 7.2;
- c.
de jeugdige of ouder(s) beschikken over voldoende pgb-vaardigheid;
- d.
kwaliteit en veiligheid van de ingekochte hulp zijn gewaarborgd;
- e.
het budget doelmatig wordt besteed;
- f.
de hulpverlener voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 7.5.
- a.
-
3. De omvang van het pgb wordt vastgesteld op basis van:
- a.
de vastgestelde noodzakelijke hulp;
- b.
de geldende tarieven voor formele en informele hulp;
- c.
een doelmatige besteding van middelen.
- a.
-
4. Het college kan een pgb weigeren indien:
- a.
passende hulp in natura beschikbaar is;
- b.
de ingekochte hulp onvoldoende veilig of deskundig is;
- c.
er risico bestaat op belangenconflict of afhankelijkheid;
- d.
sprake is van misbruik of fraude;
- e.
de pgb-vaardigheid onvoldoende is.
- a.
-
5. Bij inzet van een pgb vanuit het sociaal netwerk beoordeelt het college of:
- a.
geen overbelasting, afhankelijkheid of onveiligheid ontstaat;
- b.
de hulp niet valt onder gebruikelijke hulp;
- c.
kwaliteit en continuïteit van de hulp voldoende zijn geborgd.
- a.
Artikel 7.2 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in. Het pgb-plan dient ter onderbouwing van de aanvraag. Het college beoordeelt de pgb-vaardigheid en ondersteunt de jeugdige/ouders zo nodig bij het opstellen van het plan.
- 1.
In het pgb-plan is opgenomen:
- a.
Een gemotiveerde toelichting waaruit blijkt waarom het aanbod in natura niet passend is;
- b.
welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, inclusief het beoogde resultaat is, de duur en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
- c.
gegevens over de uitvoerder van de individuele voorziening in de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
- d.
op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
- e.
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
- f.
bij informele hulp: welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
- g.
een motivering aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 7.3 (pgb-vaardigheid) waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
- a.
- 2.
Het college verstrekt uitsluitend een pgb als:
- a.
de individuele voorziening in natura, die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, gemotiveerd niet passend is;
- b.
uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 7.3 (pgb-vaardigheid) blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt;
- c.
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 7.5 (Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb) is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
- a.
- 3.
Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag:
- a.
fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
- b.
onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten of overtredingen of waarvoor een strafbeschikking is opgelegd die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
- c.
veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
- d.
op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.
- a.
- 4.
Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.
- 5.
Voor informele hulp als bedoeld in artikel 7.4 (onderscheid formele en informele hulp) wordt alleen een pgb verstrekt voor zover de individuele voorziening betrekking heeft op:
- a.
dagbesteding (inclusief respijtzorg) als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder c, sub iv;
- b.
begeleiding individueel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder d, sub iii;
- c.
begeleiding groep als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder d, sub v.
- a.
-
Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen. Tenzij het college anders besluit in belang van het kind.
Artikel 7.3 pgb-vaardigheid
-
1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
- a.
inzicht te hebben van de hulpvraag en doelstellingen;
- b.
op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
- c.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
- d.
in staat te zijn om (desnoods met ondersteuning) te communiceren en de aan het pgb verbonden verplichtingen te begrijpen en na te komen;
- e.
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen;
- f.
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
- g.
in staat te zijn te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
- h.
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
- i.
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
- j.
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
- a.
-
2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
- a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend of de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige;
- b.
er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
- 1.
schuldenproblematiek;
- 2.
ernstige verslavingsproblematiek;
- 3.
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- 4.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
- 5.
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
- 6.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
- 7.
het onvoldoende in staat zijn om – al dan niet met ondersteuning – de aan het pgb verbonden rechten en verplichtingen te begrijpen en na te komen, waarbij niet is geborgd dat met ondersteuning, vertegenwoordiging of budgetbeheer een verantwoord beheer van het pgb mogelijk is.
- 8.
het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
- 1.
- a.
Artikel 7.4 Formele en informele hulp
-
1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
- b.
zzp-ers die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- c.
personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
- a.
-
2. Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp geboden wordt door:
- a.
een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk;
- b.
een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het eerste lid onder c.
- a.
Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
-
1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
- a.
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan twaalf maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;
- b.
aantoonbaar beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
- c.
houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;
- d.
is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;
- e.
werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgesteld;
- f.
voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
- g.
stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);
- h.
stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;
- i.
respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
- j.
neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
- k.
meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;
- l.
werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
- m.
is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
- a.
-
2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
- a.
hetgeen is bepaald in artikel 7.4 eerste lid (onderscheid formele en informele jeugdhulp);
- b.
handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
- c.
werkt op basis van een hulpverleningsplan;
- d.
werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
- e.
hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
- f.
stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.
- a.
-
3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.
Artikel 7.6 Hoogte pgb
-
1. De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp wordt vastgesteld op basis van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura, waarbij maximaal 90% van het tarief in natura geldt voor een professional in dienst van een jeugdhulpaanbieder en maximaal 80% voor een zelfstandige zonder personeel (zzp).
-
2. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijk minimumloon.
-
3. Indien uit het ingediende pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief dan het maximumtarief kan worden ingekocht, stelt het college dit lagere tarief vast. Daarbij houdt het college zo nodig rekening met de aard van de aanbieder en diens kostenstructuur, waaronder die van zelfstandige zorgverleners met beperkte overhead.
-
4. Voor logeeropvang door een persoon uit het sociaal netwerk geldt een Pgb overeenkomstig artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet.
-
5. Voor de genoemde tarieven in het tweede, derde en vierde lid geldt dat deze in die zin toereikend zijn dat de budgethouder binnen dit budget de bij wet verplichte werkgeverslasten kan afdragen.
Artikel 7.7 Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van pgb
-
1. Het pgb tarief is all-in: alle overhead- en bijkomende kosten (zoals scholing, maaltijden, entreegelden, administratie- en vervoersmiddelen) zijn in het tarief inbegrepen; hiervoor wordt geen aanvullend budget verstrekt.
-
2. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit pgb:
- a.
kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, tenzij artikel 7.8 van toepassing is;
- b.
kosten voor crisishulp of anders direct in te zetten hulp;
- c.
kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers;
- d.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie of budget-beheer;
- e.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen of beheren van een pgb;
- f.
kosten voor ondersteuning buiten Nederland, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend;
- g.
kosten voor vervoer en administratie van een zorgverlener;
- h.
kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG);
- i.
een feestdagen-uitkering boven € 100,- per kalenderjaar in totaal;
- j.
diergeleide interventies, tenzij deze onderdeel zijn van een behandelplan.
- a.
Artikel 7.8 Kosten voorafgaand aan de aanvraag
-
1. Als de pgb-aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:
- a.
als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en
- b.
voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
- c.
Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 1 als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal drie (3) maanden vóór de aanvraag.
- a.
Hoofdstuk 8 Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 8.1 Overgang 18- naar 18+
-
1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken, en ook na hun 18e jaar een hulpvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn.
-
2. De afstemming genoemd in lid 1 vindt in principe plaats vanaf 16,5 jaar, doch uiterlijk 6 maanden voor hun 18e verjaardag.
-
3. Ter uitvoering van de afstemming als bedoeld in lid 1 en 2 van artikel 8.1, stelt de jeugdhulpaanbieder voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar, met betrokkenheid van de jeugdige, het gezin en het college, een perspectiefplan op, waarin in ieder geval wordt opgenomen;
- a.
welke hulp of ondersteuning vanaf de 18e verjaardag nodig is;
- b.
hoe deze hulp wordt ingezet en vanuit welke wet deze wordt ingezet.
- a.
-
4. Het perspectiefplan genoemd in lid 3 wordt beoordeeld door het college.
-
5. Voor verlengde jeugdhulp geldt dat:
- a.
dit alleen van toepassing is als er geen vergelijkbare voorziening beschikbaar is onder een andere wet;
- b.
de hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden na het uitgevoerde onderzoek, als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp als er binnen een half jaar na de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn;
- c.
(individuele) begeleiding na het 18e levensjaar behoort tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), behalve:
- i.
als het gaat om hulp die voor 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, bijvoorbeeld pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen.
- ii.
bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de wet.
- i.
- a.
-
6. Het college zorgt ervoor dat jeugdige en zijn ouder(s) zoals bedoeld in lid 1 gewezen worden op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.
-
7. Voor pleegzorg en verblijf in een gezinshuis geldt dat dit verblijf, zolang de jeugdige dit wenst, kan worden voortgezet tot in ieder geval het 21e levensjaar. Hierna wordt een aanvraag beoordeeld via de criteria uit lid 5.
Artikel 8.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
-
1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
- a.
de Leerplichtwet;
- b.
de Participatiewet;
- c.
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
- d.
de Wet Inburgering 2021;
- e.
de Wet kinderopvang;
- f.
de Wet langdurige zorg;
- g.
de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- h.
de Wet passend onderwijs;
- i.
de Wet publieke gezondheid;
- j.
de Wet tijdelijk huisverbod;
- k.
de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
- l.
de Zorgverzekeringswet,
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
- a.
-
2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:
- a.
het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
- b.
stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
- c.
een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
- a.
-
3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:
- a.
de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;
- b.
de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 5.2 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;
- c.
welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
- d.
welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.
- a.
-
4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.
Artikel 8.3 Gezondheidszorg en langdurige zorg
Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 3.1 van de verordening plaatsvindt.
- 1.
Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken. Er moet dan sprake zijn van de reële verwachting dat deze zorg na de 18e verjaardag door zal lopen en daarmee onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) komen te vallen. Ook worden er afspraken gemaakt hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
- 2.
Het college draagt er zorg voor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouder(s) worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zvw valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.
- 3.
Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz.
- 4.
Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het CIZ, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.
- 5.
Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor ouder(s) en/of jeugdigen op grond van de Wlz of Zvw waar dit raakvlak heeft met de gestelde jeugdhulpvraag.
Artikel 8.4 Gecertificeerde instellingen
-
1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen en de gecertificeerde instellingen.
-
2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:
- a.
de wijze waarop verwijzingen naar jeugdhulp plaatsvinden;
- b.
de monitoring van ingezette jeugdhulp en de resultaten daarvan;
- c.
het overleg over de jeugdhulp die nodig is als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering aan de jeugdige is opgelegd, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet;
- d.
het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
- e.
de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling, de informatie-uitwisseling die nodig is voor een doelmatige uitvoering en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt;
- f.
wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en/of ouder(s);
- g.
hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden.
- a.
-
3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het lid 2 vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 van de wet.
Artikel 8.5 Onderwijs
-
1. Er is een wettelijke afstemmingsverplichting voor onderwijs en jeugdhulp om de plannen op elkaar af te stemmen.
-
2. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en ondersteuning tijdens onderwijs worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouder(s).
-
3. Voor ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, kan geen individuele voorziening worden verstrekt.
-
4. Als er voor de betreffende problematiek zowel zorg als uit de Wet passend onderwijs als de Jeugdwet kan worden verkregen, dan past het college de methode ‘integraal arrangeren’ toe.
-
5. Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in een wettelijk verplicht op overeenstemming gericht overleg (OOGO).
Artikel 8.6 Maatschappelijke ondersteuning
-
1. Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de Wmo.
-
2. Het college zorgt dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het 18e jaar voortgezet moet worden onder de Wmo de continuïteit gewaarborgd wordt.
Artikel 8.7 Werk en inkomen
-
1. Het college draagt zorg dat de gemeentelijke toegang, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Waar nodig helpen zij de jeugdige en/of zijn ouder(s) de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen te krijgen - zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket - om deze belemmeringen weg te nemen.
Artikel 8.7 Specifieke samenwerkingsafspraken
-
1. Het college maakt met samenwerkingsverbanden passend onderwijs afspraken over:
- a.
de inzet van jeugdhulp op school;
- b.
de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp, als bedoeld in artikel 8.5;
- c.
gezamenlijke onderwijs-zorgarrangementen;
- d.
informatie-uitwisseling met inachtneming van privacywetgeving;
- e.
integrale arrangeringsprocessen.
- a.
-
2. Het college maakt met huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten afspraken over:
- a.
verwijzingen naar jeugdhulp, als bedoeld in artikel 3.1;
- b.
triage en consultatie;
- c.
gezamenlijke zorgplannen;
- d.
afstemming over crisis- en spoedsituaties.
- a.
-
3. Het college stemt af met het Veiligheidshuis en andere relevante veiligheidspartners in casuïstiek waarbij zowel jeugdhulp als veiligheid in het geding zijn.
-
4. De in dit artikel bedoelde afspraken worden vastgelegd in protocollen of samenwerkingsovereenkomsten.
Hoofdstuk 9 Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering, bestrijding misbruik en toezicht
Artikel 9.1 Handhavingsinstrumenten
-
1. Het college kan maatregelen treffen wanneer:
- a.
bepalingen van deze verordening worden overtreden;
- b.
sprake is van misbruik of fraude;
- c.
kwaliteit tekortschoot;
- d.
hulp onveilig is.
- a.
-
2. Maatregelen kunnen omvatten:
- a.
waarschuwing;
- b.
opschorting;
- c.
intrekking beschikking;
- d.
terugvordering pgb;
- e.
beëindiging contract met jeugdhulpaanbieder;
- f.
melding bij toezichthouders (IGJ, AP).
- a.
Artikel 9.2 Herziening, intrekking en terugvordering
-
1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
-
2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat:
- a.
de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
- c.
de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
- d.
de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of
- e.
de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd;
- f.
de jeugdige of zijn ouders met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 10.1 van deze verordening.
- a.
-
3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, sub a, heeft herzien, ingetrokken of beëindigd kan het college de geldswaarde vorderen van het teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.
-
4. Een besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen drie maanden na het afgeven van het besluit is gestart met de zorg of als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
-
5. Het college houdt rekening met persoonlijke omstandigheden bij het bepalen van een betalingsregeling.
Artikel 9.3 Melding misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude
-
1. Het college heeft een meldpunt waar professionals, ouders en derden signalen kunnen melden.
-
2. Het college onderzoekt meldingen onafhankelijk.
-
3. Indien fraude is vastgesteld, kan het college:
- a.
aangifte doen;
- b.
samenwerking beëindigen;
- c.
bedragen terugvorderen.
- a.
Artikel 9.4 Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik
-
1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
-
2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.
-
3. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over mogelijk misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld. Meldingen worden verwerkt en opgevolgd met inachtneming van geldende wet- en regelgeving, waaronder de AVG.
Artikel 9.5 Toezicht op recht- en doelmatigheid bij individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
-
1. Het college wijst één of meer toezichthouders aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels en – voor zover van toepassing – contractuele afspraken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige inzet en besteding van individuele voorzieningen en pgb’s, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.
-
2. Het college onderzoekt met inachtneming van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde regelgeving, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen en de naleving van de door de gemeente gestelde kwaliteitseisen. Onder ‘kwaliteitseisen’ wordt in dit artikel verstaan: eisen die door of namens de gemeente zijn gesteld in of krachtens deze verordening, beleidsregels, de toekenningsbeschikking en/of contractuele afspraken, voor zover deze zien op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid (zoals administratie- en verantwoordingsverplichtingen, VOG-eisen, meldplichten en planmatige vastlegging/evaluatie), en niet op de professionele standaard of zorginhoudelijke kwaliteit.
-
3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
-
4. De aangewezen toezichthouder beschikt over de bevoegdheden als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (AwB) en maakt daarvan uitsluitend gebruik voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van het toezicht (evenredigheid). Daaronder vallen in ieder geval:
- a.
het vorderen van inlichtingen;
- b.
het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden (waaronder – indien relevant – administratie- en verantwoordingsgegevens, declaratie- en betaalgegevens, zorgovereenkomsten en pgb-administratie);
- c.
het vorderen dat betrokkene zich identificeert (d.m.v. inzage van een identiteitsbewijs) en het betreden van plaatsen voor zover de Awb dat toestaat.
- a.
-
5. Eenieder is verplicht aan de toezichthouder de medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
-
6. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van het toezicht, waaronder werkwijze, informatie-uitwisseling, proportionaliteit, verslaglegging en gegevensbescherming.
-
7. Het toezicht door het college en de toezichthouder ziet uitsluitend op de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels, contractuele afspraken en de rechtmatige en doelmatige inzet van voorzieningen en persoonsgebonden budgetten en omvat geen toezicht op de professionele of zorginhoudelijke kwaliteit (professionele standaard).
Hoofdstuk 10 Kwaliteit en meldplichten jeugdhulpaanbieders
Artikel 10.1 Voorwaarden aan jeugdhulpaanbieders
-
1. Er wordt geen individuele voorziening ingezet bij jeugdhulpaanbieders indien:
- a.
de jeugdhulp hoofdzakelijk buiten Nederland wordt verleend, tenzij het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. Toestemming kan slechts worden verleend indien is voldaan aan voorwaarden inzake:
- i.
aantoonbare noodzaak in het individuele geval,
- ii.
borging van kwaliteit, toezicht en controleerbaarheid,
- iii.
een begrensde duur en afspraken over evaluatie en beëindiging.
- i.
- b.
misbruik of oneigenlijk gebruik is vastgesteld;
- c.
er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de integriteit van de jeugdhulpaanbieder. Hiervan is in ieder geval sprake indien de jeugdhulpaanbieder in de vier jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling door het college:
- i.
onherroepelijk is veroordeeld wegens, of een strafbeschikking is opgelegd voor, strafbare feiten die de veiligheid of kwaliteit van jeugdhulp in gevaar kunnen brengen;
- ii.
een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen of een handhavingsmaatregel opgelegd heeft gekregen (zoals een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom), voor zover deze maatregel(en) verband houden met kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid van jeugdhulp;
- iii.
aantoonbaar niet voldoet aan wettelijke kwaliteitseisen of toezichtvereisten die voor de verleende jeugdhulp gelden.
- iv.
de jeugdhulpaanbieder zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de jeugdhulpaanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie. Een jeugdhulpaanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan de financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de jeugdige voldoende gewaarborgd is. De jeugdhulpaanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen. In het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans of resultatenrekening gevraagd
- v.
worden, waaruit in ieder geval de gerealiseerde omzet en kosten gesplitst naar personele kosten en materiële kosten zijn opgenomen.
- i.
- a.
-
2. Het college kan afzien van inzet van een individuele voorziening bij een jeugdhulpaanbieder indien ten aanzien van die aanbieder, een actieve aanwijzing of herstelopdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd loopt, voor zover dit relevant is voor de veiligheid, kwaliteit of continuïteit van de in te zetten jeugdhulp.
-
3. Er wordt geen pgb verstrekt ten behoeve van inzet van een jeugdhulpaanbieder van wie in de vijf jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling het contract met de jeugdhulpregio is ontbonden wegens het niet voldoen aan contractuele voorwaarden, voor zover dit relevant is voor kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid.
-
4. Voordat het college toepassing geeft aan dit artikel, baseert het college zich op verifieerbare feiten en omstandigheden, stelt het de jeugdhulpaanbieder in de gelegenheid te reageren (hoor en wederhoor) en motiveert het college waarom inzet van jeugdhulp via deze aanbieder niet verantwoord is gelet op de belangen van de jeugdige en de vereiste proportionaliteit.
-
5. Een jeugdhulpaanbieder neemt, voor zover van toepassing, de regels in acht van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp.
Artikel 10.2 Kwaliteitseisen aan jeugdhulpaanbieders
-
1. Jeugdhulpaanbieders leveren jeugdhulp volgens:
- a.
wettelijke kwaliteitseisen Jeugdwet;
- b.
contractuele afspraken;
- c.
professionele standaarden;
- d.
veiligheidseisen;
- e.
verplichtingen voor dossiervorming;
- f.
verplichtingen voor rapportage aan het college.
- a.
-
2. Jeugdhulpaanbieders handelen volgens het principe: "eerst algemeen, dan individueel; eerst licht, dan zwaar; eerst kort, dan langdurig."
-
3. Jeugdhulpaanbieders werken samen met andere professionals en domeinen waar nodig.
-
4. Het college stelt nadere regels over kwaliteitscriteria, rapportage-eisen en toezicht.
Artikel 10.3 Afbakening toezicht kwaliteit
-
1. Het toezicht op de professionele en inhoudelijke kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp berust bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
-
2. Het toezicht door het college is beperkt tot de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels, contractuele afspraken en de rechtmatige en doelmatige besteding van gemeentelijke middelen.
Artikel 10.4 Klachten en medezeggenschap
-
1. Jeugdhulpaanbieders hebben een toegankelijke klachtenregeling volgens de Jeugdwet.
-
2. Jeugdhulpaanbieders zorgen voor medezeggenschap van jeugdigen en ouders.
-
3. Het college kan jeugdhulpaanbieders aanspreken indien klachtenstelsels onvoldoende functioneren.
Artikel 10.5 Kwaliteitsregistraties
-
1. Jeugdhulpaanbieders registreren de geleverde hulp in een daartoe bestemd kwaliteitsregistratiesysteem.
-
2. Het college stelt nadere regels over de inhoud en wijze van registratie.
-
3. Jeugdhulpaanbieders werken mee aan landelijke kwaliteitsmetingen en leveren daartoe de gevraagde gegevens aan.
Artikel 10.6 Deskundigheidseisen
-
1. Jeugdhulpaanbieders zorgen voor voldoende deskundig personeel dat beschikt over de voor de functie vereiste opleiding, ervaring en competenties.
-
2. Jeugdhulpverleners beschikken over een voor de functie passend opleidingsniveau en onderhouden hun deskundigheid door bij- en nascholing.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over specifieke deskundigheidseisen per type jeugdhulp.
-
4. Jeugdhulpaanbieders tonen desgevraagd aan dat zij voldoen aan de gestelde deskundigheidseisen.
Artikel 10.7 Meldplicht calamiteiten en geweld
-
1. Jeugdhulpaanbieders melden calamiteiten conform artikel 4.1.8 Jeugdwet direct aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
-
2. Jeugdhulpaanbieders melden geweld in afhankelijkheidsrelaties aan IGJ én het college.
-
3. Jeugdhulpaanbieders informeren het college over maatregelen die worden getroffen naar aanleiding van calamiteiten of geweld.
Artikel 10.8 Meldplicht onveiligheid bij jeugdigen
-
1. Jeugdhulpaanbieders en professionals melden signalen van duurzame onveiligheid bij Veilig Thuis.
-
2. Een melding laat – indien noodzakelijk – hulpverlening of ondersteuning niet wachten.
-
3. Het college kan nadere regels stellen voor samenwerking bij veiligheidsproblematiek.
Artikel 10.9 Verplichte rapportage aan het college
-
1. Jeugdhulpaanbieders rapporteren tijdig over:
- a.
voortgang;
- b.
effectmeting;
- c.
veiligheidsrisico's;
- d.
niet behaalde resultaten;
- e.
stagnatie;
- f.
beëindiging hulp.
- a.
-
2. Jeugdhulpaanbieders gebruiken rapportagemiddelen die door het college worden vastgesteld.
Artikel 10.10 Administratie en dossiervorming
-
1. Jeugdhulpaanbieders houden een dossier bij dat voldoet aan wettelijke en contractuele eisen.
-
2. Dossiers moeten inzicht geven in:
- a.
doelen en resultaten;
- b.
uitgevoerde handelingen
- c.
evaluaties;
- d.
veiligheidssignalen;
- e.
voortgangsrapportages.
- a.
-
3. Het college mag inzage vragen voor zover wettelijk toegestaan.
Hoofdstuk 11 Cliëntondersteuning, vertrouwenspersoon, klachten, privacy, inspraak en medezeggenschap
Artikel 11.1 Onafhankelijke cliëntondersteuning
-
1. Het college zorgt voor toegankelijke, laagdrempelige en kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning voor jeugdigen en ouders.
-
2. De onafhankelijke cliëntondersteuner ondersteunt bij:
- a.
het formuleren van de hulpvraag en ondersteuningsbehoefte;
- b.
het navigeren in het jeugdhulpstelsel;
- c.
het voeren van regie over de ondersteuning;
- d.
het indienen van een aanvraag voor jeugdhulp;
- e.
het beoordelen en begrijpen van beschikkingen;
- f.
het voorbereiden van gesprekken met het college of jeugdhulpaanbieders.
- a.
-
3. De ondersteuning is kosteloos, onafhankelijk van het college en vrij toegankelijk voor alle jeugdigen en ouders.
-
4. Het college wijst jeugdigen en ouders bij het eerste contact op het recht op onafhankelijke cliëntondersteuning.
Artikel 11.2 Vertrouwenspersoon
-
1. Jeugdigen en ouders hebben recht op ondersteuning door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
-
2. De vertrouwenspersoon biedt ondersteuning bij:
- a.
het indienen van klachten over jeugdhulp;
- b.
het voeren van gesprekken met het college of jeugdhulpaanbieders;
- c.
het begeleiden in formele procedures;
- d.
het zoeken naar oplossingen voor problemen in de zorgrelatie;
- e.
het ondersteunen bij geschillen.
- a.
-
3. Het college zorgt voor een deugdelijke bekendmaking van de beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.
Artikel 11.3 Klachtregeling
-
1. Het college behandelt klachten van jeugdigen en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling door of namens het college van jeugdhulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de vastgestelde regeling van klachtenbehandeling.
-
2. Jeugdhulpaanbieders beschikken over een toegankelijke klachtenregeling die voldoet aan de eisen van de Jeugdwet.
-
3. Het college ziet toe op de kwaliteit en toegankelijkheid van de klachtenregelingen van jeugdhulpaanbieders.
Artikel 11.4 Informatie-uitwisseling en privacy
-
1. Het college verwerkt persoonsgegevens volgens AVG en Jeugdwet.
-
2. Informatie-uitwisseling tussen onder meer college, jeugdhulpaanbieders, onderwijs, medisch domein en GI vindt alleen plaats indien:
- a.
noodzakelijk;
- b.
proportioneel;
- c.
rechtmatig;
- d.
met toestemming, tenzij de wetgeving anders bepaalt.
- a.
-
3. Samenwerking in casuïstiek moet altijd privacy-proof en veiligheid-secuur zijn.
Artikel 11.5 Inspraak en medezeggenschap
-
1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
-
2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
-
3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aandragen, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
-
4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 12 Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 12.1 Evaluatie
-
1. Het college evalueert deze verordening binnen drie jaar na inwerkingtreding.
-
2. De evaluatie richt zich in ieder geval op de doeltreffendheid en uitvoerbaarheid van de verordening.
-
3. Het college betrekt jeugdigen, ouders, jeugdhulpaanbieders en andere betrokkenen bij de evaluatie.
Artikel 12.2 Hardheidsclausule
-
1. Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van deze verordening als strikte toepassing leidt tot onbillijke of onbedoelde gevolgen.
-
2. Afwijking geschiedt slechts na zorgvuldige afweging en wordt schriftelijk gemotiveerd.
Artikel 12.3 Nadere regels
-
1. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.
-
2. Nadere regels mogen niet in strijd zijn met:
- a.
de Jeugdwet;
- b.
het Besluit Jeugdwet;
- c.
de Regeling Jeugdwet;
- d.
de bedoeling van deze verordening.
- a.
-
3. Nadere regels worden bekendgemaakt op een daartoe geschikte wijze.
Artikel 12.4 Overgangsrecht
-
1. Voor jeugdigen en/of hun ouders die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening al een indicatiebesluit in de zin van de Jeugdwet hebben, blijft dit besluit gelden gedurende de looptijd van deze indicatie, doch ten hoogste tot een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
-
2. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het eerste lid indien dit noodzakelijk is voor een goede continuïteit van zorg.
-
3. Deze verordening is van toepassing op beslissingen op bezwaarschriften die na de inwerkingtreding hiervan worden genomen.
Artikel 12.5 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 1 september 2026, onder gelijktijdige intrekking van de voorgaande Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2022.
Artikel 12.6 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2026."
Ondertekening
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 25 juni 2026.
de griffier,
G.J. Buijs
de voorzitter,
F.Q.A. van Trigt
Bijlage 1 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken,opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen
Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
0-2 jaar |
Gezin Opvang |
Veilige hechting; Lichaamsbeheersing; Exploratie & spelen; Autonomie en individuatie. |
Soepele verzorging; Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; Letterlijk beschikbaar zijn; Structuur bieden; Ruimte geven voor exploratie; Spelen en praten; Ontwikkeling stimuleren. |
Voedingsproblemen; Slaapproblemen; Scheidingsangst; Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; Incidenteel huilen. |
|
2-4 jaar |
Gezin Buurt Opvang Media |
Representationele vaardigheid; Taalvaardigheid en denkontwikkeling; Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; Socialisatie; Zelfredzaamheid; Sekserol-identificatie |
Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); Respect voor autonomie én grenzen stellen; Bevorderen zelfsturing (impulscontrole). |
Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; Koppigheid; Driftbuien; Agressie; Ongehoorzaamheid; Druk gedrag; Niet zindelijk zijn; Zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik. |
|
4-6 jaar |
Gezin Basisschool Opvang
|
Schoolse vaardigheden; Taal- en denkontwikkeling; Executieve vaardigheden (zelfsturing); Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; Vriendschappen sluiten; Ontwikkeling gewetensontwikkeling/ schaamtegevoelens; Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen). |
Aanmoedigen sociaal gedrag; Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; Mediaopvoeding; Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); Loslaten en vertrouwen geven. |
Niet gegronde angsten; Ruzies met leeftijdgenoten; Zindelijkheid; Schoolweigering; Gebrek zelfsturing. |
|
6-12 jaar |
Gezin Opvang School Verenigingen Peergroep Mediaomge-ving |
Vergroten zelfstandigheid; Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen, sociale media) Schoolsevaardigheden; Internet en sociale media vaardigheden; Acceptatie door leeftijdgenoten; Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen. |
Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; Ondersteunen bij onderwijs: waardering voor schoolprestaties. |
Ruzies en pesten; Concentratieproblemen; Laag prestatieniveau; Niet naar school willen; Incidenteel stelen of vandalisme; Overmatig gamen/ televisie/netflix; Cyberpesten. |
|
12-16 jaar |
Gezin School Verenigingen Peergroep Media omgeving Werkkring |
Emotionele en praktische zelfstandigheid; Ontwikkeling waardensysteem; Afstand nemen van ouders – peergroep wordt referentiekader; Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; Seksualiteit; Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; Onderwijs en beroepsvoorbereiding. |
Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; Toezicht houden; Emotionele beschikbaarheid; Tolerantie voor experimenten; Leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag. |
Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; Wisselend humeur; Incidenteel spijbelen; Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; Twijfels over identiteit of toekomst; Problemen met autoriteiten; Overmatig gamen/ mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer). |
|
16-23 jaar |
Gezin School Verenigingen Peergroep Internetgroep Werkkring |
Overgang van jeugd naar volwassenheid; Loskomen van ouderlijk gezag; Ontwikkeling eigen waarden en normen; Onafhankelijkheid; Duurzame relaties aangaan. |
Meer symmetrische relatie aangaan met de jongere; Emotionele, financiële en praktische steun; Eigen keuzes en beslissingen laten maken; Accepteren seksuele keuzes. |
Stemmingswisselingen; Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; Twijfels over identiteit of toekomst; Problemen met autoriteiten. |
Bron: NJI Uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders’
Toelichting op de Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2026
Algemeen
De Verordening Jeugdhulp Zoeterwoude 2026 geeft uitvoering aan de Jeugdwet en bevat de gemeentelijke regels over onder meer de toegang tot jeugdhulp, de beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen, het persoonsgebonden budget, afstemming met andere voorzieningen, toezicht en handhaving en de kwaliteit van jeugdhulp.
De verordening is integraal herzien naar aanleiding van ontwikkelingen binnen de jeugdhulp en de behoefte aan een duidelijker en juridisch steviger kader voor de uitvoering. In Holland Rijnland is, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de bestuurlijke Taskforce jeugdhulp, gewerkt aan een meer eenduidige afbakening van de jeugdhulpplicht. De hieruit voortgekomen regionale uitgangspunten zijn in deze verordening verwerkt, aangevuld met lokale keuzes en verduidelijkingen.
Met de verordening wordt beoogd de rechtszekerheid voor jeugdigen en ouder(s) te versterken, de uitvoeringspraktijk meer duidelijkheid te bieden en de toepassing van de Jeugdwet binnen de regio waar mogelijk te uniformeren. De verordening sluit daarnaast aan bij de regionale visie op jeugdhulp Samen rondom de jeugd.
Deze toelichting bevat geen zelfstandige normen. De artikelsgewijze toelichting geeft waar nodig nadere uitleg over de achtergrond, bedoeling en toepassing van de bepalingen uit de verordening.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving.
Hoofdstuk 2 – vormen van jeugdhulp
Dit hoofdstuk vormt een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, in onze verordening de individuele en algemene voorzieningen genoemd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.9 van de Jeugdwet komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders, en noemt dat het college later voor uitvoering nadere regels kan opstellen.
Artikel 2.1 algemene voorzieningen
Artikel 2.1 regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit betekent dat een jeugdige/ ouder(s) uit de jeugdhulpregio Holland Rijnland hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een arts zoals genoemd in artikel 3.1 noodzakelijk is. De in deze verordening genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen worden in de Jeugdwet `overige voorzieningen` genoemd.
Voorbeelden van voorliggende voorzieningen zijn: `
- 1.
buitenschoolse of naschoolse opvang of activiteiten, anders dan respijtzorg of opvang waaraan doelen zijn verbonden zoals bedoeld in artikel 2.3. van de Jeugdwet;
- 2.
reguliere sport- en vrijetijdsvoorzieningen die toegankelijk zijn voor jeugdigen met een ondersteuningsvraag;
- 3.
hulp bij plannen, overzicht houden en structureren en het verder ontwikkelen van executieve functies zoals het opstarten van taken en het uitvoeren van een planning zoals bijv. huiswerkbegeleiding in de markt georganiseerd;
- 4.
Respijtzorg biedt de ouder(s) de mogelijkheid hun zorgtaken voor hun kind tijdelijk aan een ander over te dragen. Hierdoor kunnen zij af en toe vrijaf nemen van de zorg voor hun kind, waardoor zij de zorg voor hun kind beter kunnen volhouden. Respijtzorg kan eens of meermaals per kalenderjaar worden ingezet en is niet bedoeld om met regelmaat, bijvoorbeeld op een vaste dag op wekelijkse basis, de zorgtaken over te dragen. Respijtzorg is een belangrijk middel om overbelasting van de ouder(s) te voorkomen. Respijtzorg kan bij langdurige zorg ook worden ingezet voor zorgverleners uit het sociaal netwerk. Respijtzorg kan aangevraagd worden door middel van een jeugdhulpvoorziening of in het kader van de Wlz of Zvw.
Artikel 2.2 gemeentelijke toegang
Artikel 2.2, derde lid
Met ‘gemandateerd’ wordt in dit lid tot uitdrukking gebracht dat de gemeentelijke toegang vanuit haar professionele verantwoordelijkheid beoordeelt welke individuele voorziening nodig is. Dit lid verleent geen juridisch mandaat om namens het college een formeel besluit te nemen. Een dergelijk mandaat wordt, indien aan de orde, afzonderlijk geregeld in de geldende bevoegdhedenregeling.
Artikel 2.2, vierde lid
Outreachend werken betekent dat professionals van de gemeentelijke toegang niet afwachten tot hulpvragen worden gesteld, maar actief aanwezig zijn in de wijk en contact zoeken met gezinnen en samenwerkingspartners zoals scholen, kinderopvang en huisartsen. Hierdoor worden problemen eerder gesignaleerd en kan sneller passende ondersteuning worden geboden.
Artikel 2.3 individuele voorzieningen
Individuele voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk. Voor deze voorzieningen wordt beoordeeld of de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de betreffende jeugdhulp is aangewezen. De gemeente bepaalt welke voorzieningen algemeen toegankelijk zijn en welke als individuele voorziening worden aangemerkt.
Lid 3
Waar jeugdhulp in een groep passend is gaat deze vorm van zorg voor op individuele vormen van jeugdhulp. De kracht van groepsbegeleiding is dat jeugdigen kunnen leren van en met elkaar. Het delen van kennis en ervaring draagt bij aan het vergroten van het zelfvertrouwen, zelfredzaamheid en het opbouwen van een steunnetwerk.
Lid 5
Sport en reguliere vrijetijdsbesteding zijn op zichzelf geen jeugdhulp. Individuele begeleiding bij sport wordt daarom in beginsel niet vanuit de Jeugdwet vergoed. Bepalend is echter of begeleiding vanwege opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen noodzakelijk is.
Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat geen recht bestaat op een specifieke activiteit, maar op passende en noodzakelijke ondersteuning. Begeleiding tijdens een sportactiviteit kan daarom alleen als jeugdhulp worden aangemerkt als deze begeleiding aantoonbaar noodzakelijk is vanwege de problematiek van de jeugdige en niet op een andere passende wijze kan worden geboden.
Artikel 2.4 dyslexiezorg
Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). [Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling/).]
Artikel 2.5 vaktherapie
De wet sluit niet uit dat vaktherapie, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. De wet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, dient de gemeente zich te baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren. In lid 3 wordt aangegeven dat een voorwaarde voor de inzet van vaktherapie is dat er "geen alternatief beschikbaar" is, dit betekent echter niet dat eerst alle andere behandelvormen moeten zijn doorlopen. Het gaat erom dat voor de betreffende hulpvraag geen passend en gelijkwaardig alternatief voorhanden is.
In het eerste lid zijn er een aantal vak therapieën opgesomd waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. De therapieën worden meestal ook niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de wet wordt verstrekt tenzij er geen passend alternatief beschikbaar is. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines.
Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie of een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker van de toegang met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd is) geregistreerd moet zijn in het Register Vaktherapie of dat de vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.
Hoofdstuk 3 – toegang jeugdhulp anders dan via de gemeente
Artikel 3.1 toegang jeugdhulp via het medisch domein
Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de algemene voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouder(s) na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouder(s) kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 7).
Een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft rechtstreeks toegang tot jeugdhulp.
Artikel 3.2 verwijzing door de familierechter
Een oordeel van de familierechter dat jeugdhulp noodzakelijk is, geeft niet rechtstreeks toegang tot een individuele voorziening. Anders dan bij een verwijzing door een gecertificeerde instelling, beoordeelt het college zelf of een individuele voorziening noodzakelijk is. Daarbij wordt de ondersteuningsvraag getoetst aan de voorwaarden uit de verordening. Voor zover dit voor een zorgvuldig oordeel noodzakelijk is, stemt het college af met relevante betrokkenen.
Artikel 3.3 toegang jeugdhulp via gecertificeerde instellingen
Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 4 – Toegang jeugdhulp via de gemeente
Artikel 4.1 aanvraag
Dit artikel regelt de start van de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente kan worden onderverdeeld in verschillende stappen (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Deze stappen zijn in dit artikel en de daaropvolgende artikelen uitgewerkt om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
Eerste lid
Jeugdigen en de ouder(s) kunnen schriftelijk een aanvraag voor jeugdhulp indienen bij het college. De aanvraag vormt het startpunt voor het onderzoek naar de hulpvraag en de beoordeling of jeugdhulp noodzakelijk is.
Tweede en derde lid
Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk. Daarbij worden de jeugdige en de ouder(s) geïnformeerd over de vervolgprocedure en hun rechten en plichten. Ook worden zij gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon, kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning en de mogelijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan op te stellen.
Vierde lid
Bij de beoordeling van de aanvraag stemt het college af met andere beschikbare of reeds verleende voorzieningen. Hiermee wordt beoordeeld welke ondersteuning passend is en kunnen voorzieningen waar nodig in samenhang worden ingezet.
Vijfde lid
Deze bepaling regelt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende situaties. Als onmiddellijke inzet van hulp nodig is en het besluit niet kan worden afgewacht, kan een tijdelijke individuele voorziening worden getroffen voordat het onderzoek is afgerond. Het besluit over de inzet van de hulp wordt vervolgens zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vastgelegd in een beschikking.
Landelijke Aanmelding en Registratie Route (LARR)
Voor de aanmelding van jeugdigen bij jeugdhulp wordt aangesloten bij de Landelijke Aanmelding en Registratie Route (LARR). Binnen LARR is het Landelijk Aanmeldformulier Jeugdhulp ontwikkeld als landelijke standaard voor verwijzers vanuit onder meer de lokale toegang en gecertificeerde instellingen en voor jeugdhulpaanbieders. Het formulier ondersteunt een zorgvuldige en eenduidige overdracht van informatie tussen verwijzer en jeugdhulpaanbieder en heeft mede tot doel de administratieve lasten in het aanmeldproces te verminderen.
Het Landelijk Aanmeldformulier Jeugdhulp maakt onderdeel uit van de werkwijze van de gemeentelijke toegang. De wijze waarop hieraan in de uitvoeringspraktijk invulling wordt gegeven, wordt nader uitgewerkt in de afspraken met de gemeentelijke toegang.
Artikel 4.2 onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren
Eerste en tweede lid
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht.
De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouder(s) er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:
Stap 1 - inventariseer de vraag.
Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder(s) zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouder(s) nu een beroep doen op de gemeente.
Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast.
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.
De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s), met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.
Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.
Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.
Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.
Ten aanzien van de afstemming met andere voorzieningen valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.
Derde lid
Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouder(s) al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.
Vierde lid
De uitkomsten van het onderzoek worden schriftelijk vastgelegd in een ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Zie hiervoor artikel 4.4. Het ondersteuningsplan.
Vijfde lid
Als tijdens het onderzoek sprake is van acute onveiligheid van de jeugdige, treft het college onverwijld passende maatregelen. De noodzakelijke veiligheidsmaatregelen hoeven de afronding van het onderzoek niet af te wachten. Het onderzoek kan worden afgerond nadat deze maatregelen zijn getroffen.
Artikel 4.3 identificatie
Het college maakt op grond van de wet gebruik van het burgerservicenummer bij de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van jeugdhulp (artikel 7.4.0, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet). Op grond van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer is het college verplicht zich hierbij te vergewissen van het feit dat het burgerservicenummer betrekking heeft op de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. De wet kent in dit verband ook een verplichting tot het vaststellen van het burgerservicenummer van de jeugdige bij het eerste contact door raadpleging van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, tenzij de gegevens zijn verkregen uit een betrouwbare bron waarbij mag worden aangenomen dat die deze controle al heeft uitgevoerd (artikelen 7.2.2 en 7.2.3 van de wet; en Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 210).
De wet en de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer kennen geen identificatieplicht. Het is voor de vergewisplicht niet verplicht om een identiteitsbewijs op te vragen. Er moet een afweging worden gemaakt in hoeverre het noodzakelijk en evenredig is om een identiteitsbewijs te vragen of dat kan worden volstaan met een minder verstrekkende methode, zoals het stellen van een aantal controlevragen die middels het systeem gecontroleerd kunnen worden. Het is aan het college om deze afweging te maken. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest, omdat een groot deel van de doelgroep jonger dan 14 jaar is en dus niet wettelijk verplicht is om over een identificatiemiddel te beschikken, en de risico’s klein worden geacht. Wel laat de wetgever in elk geval de optie open dat er een identiteitsbewijs wordt gevraagd als het college dit nodig acht, gelet op de aard en de zwaarte van de zorg. Ook kunnen jeugdigen via hun ouder(s) geïdentificeerd worden, doordat deze ouder(s) wel over een identiteitsbewijs beschikken (Kamerstukken II 2012/13, 33 674, nr. 3, p. 7-8; en Kamerstukken II 2013/14, 33 674, nr. 6, p. 6-7). Van het college wordt verwacht dat het hier in de evenredigheidsbeoordeling rekening mee houdt. Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bevat de verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling voorziet hier mede in.
Het tweede lid benoemt een aantal concrete zaken waarmee het college bij de afweging in elk geval rekening houdt, onverminderd de wettelijke vergewisplicht. Het gaat om de zwaarte van de voorziening, het belang van het voorkomen van fraude (misbruik of oneigenlijk gebruik) en de noodzaak van het vaststellen van het gezag over de jeugdige. Deze laatste categorie is van belang op het moment dat de voorziening bedoeld is ten behoeve van de jeugdige zelf en degene(n) met gezag hiervan op de hoogte moeten zijn en hiermee in moeten stemmen. Voor een voorziening ten behoeve van de ouder(s), zoals opvoedondersteuning, geldt dit onderdeel c niet.
Artikel 4.4 het ondersteuningsplan
Het ondersteuningsplan vormt de schriftelijke uitwerking van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2. In het ondersteuningsplan wordt vastgelegd welke hulpvraag is vastgesteld, welke doelen worden nagestreefd en welke ondersteuning nodig wordt geacht om deze doelen te bereiken. Het ondersteuningsplan geeft daarmee richting aan de uitvoering van de hulpverlening en biedt duidelijkheid voor de jeugdige, de ouder(s), de gemeente en betrokken professionals.
Eerste lid
De resultaten van het onderzoek worden opgenomen in een ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan vormt een overzichtelijke weergave van de situatie van de jeugdige en het gezin, de ondersteuningsbehoefte en de voorgestelde inzet van hulp en ondersteuning. Hiermee wordt geborgd dat de uitkomsten van het onderzoek zorgvuldig worden vastgelegd en navolgbaar zijn voor alle betrokkenen.
Tweede lid
In het ondersteuningsplan worden niet alleen de uitkomsten van het onderzoek opgenomen, maar ook de afspraken die nodig zijn voor een doelgerichte uitvoering van de ondersteuning. Daarom worden in ieder geval de beoogde doelen, resultaten en de verwachte duur van de ondersteuning opgenomen. Daarnaast wordt vastgelegd op welke momenten en op welke wijze de voortgang wordt besproken.
Indien sprake is van casusregie wordt opgenomen wie deze rol vervult en hoe deze persoon bereikbaar is. Hiermee wordt voor jeugdige, de ouder(s) en betrokken professionals duidelijk wie verantwoordelijk is voor de coördinatie van de ondersteuning.
Wanneer een buddy betrokken is bij het traject, wordt deze eveneens opgenomen in het ondersteuningsplan. De buddy kan gedurende het traject een ondersteunende en verbindende rol vervullen voor de jeugdige en bijdragen aan continuïteit en overzicht binnen het hulpverleningstraject.
Derde lid
Het ondersteuningsplan wordt binnen zes weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s). Hiermee wordt gewaarborgd dat de resultaten van het onderzoek tijdig worden vastgelegd en dat betrokkenen snel beschikken over duidelijkheid over de voorgestelde ondersteuning.
Vierde en vijfde lid
Het ondersteuningsplan wordt opgesteld in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s). Zij krijgen de gelegenheid om opmerkingen, aanvullingen of correcties aan te dragen. Indien zij zich niet kunnen vinden in de uitkomsten van het onderzoek, wordt dit in het ondersteuningsplan vermeld, inclusief de redenen daarvoor. Hiermee wordt zichtbaar dat het ondersteuningsplan een zorgvuldige weergave vormt van zowel de bevindingen van de gemeente als het standpunt van de jeugdige en zijn ouder(s).
Deze werkwijze sluit aan bij het uitgangspunt dat jeugdigen en de ouder(s) actief worden betrokken bij de besluitvorming over de ondersteuning die zij ontvangen.
Zesde lid
Door ondertekening van het ondersteuningsplan kunnen jeugdige en/of ouder(s) aangeven dat zij kennis hebben genomen van de inhoud van het plan of dat zij met de inhoud instemmen. Ondertekening voor gezien betekent niet automatisch dat zij akkoord zijn met de inhoud. Indien geen overeenstemming bestaat over (onderdelen van) het plan, wordt dit overeenkomstig het vijfde lid in het ondersteuningsplan vastgelegd.
Zevende lid
Het ondersteuningsplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking. Hierdoor vormen de in het ondersteuningsplan vastgelegde onderzoeksresultaten, doelen, resultaten en afspraken gezamenlijk de motivering en onderbouwing van het besluit. Dit draagt bij aan een zorgvuldig, transparant en navolgbaar besluitvormingsproces.
Artikel 4.5 termijnen behandeling aanvraag
Eerste en tweede lid
De termijn van acht weken sluit aan bij de algemene regeling voor beslistermijnen in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college neemt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit. Indien het niet mogelijk is binnen deze termijn te beslissen, worden de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarover vóór het verstrijken van de termijn schriftelijk geïnformeerd. Daarbij wordt aangegeven waarom het besluit is vertraagd en binnen welke termijn alsnog een besluit wordt genomen.
Derde lid
In spoedeisende gevallen kan de uitkomst van de reguliere aanvraagprocedure niet altijd worden afgewacht. In dat geval treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Artikel 4.1, vijfde lid, regelt nader dat het besluit over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, wordt vastgelegd in een beschikking.
Artikel 4.6 deskundigheid en vergewisplicht
Eerste lid
Het onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde jeugdhulpprofessional. Hiermee wordt geborgd dat het onderzoek plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een professional die beschikt over aantoonbare vakkennis en die onderworpen is aan professionele kwaliteitsnormen en tuchtrecht.
Tweede lid
Niet iedere hulpvraag vereist dezelfde deskundigheid. De SKJ-geregistreerde jeugdhulpprofessional beoordeelt daarom of aanvullende expertise noodzakelijk is om tot een zorgvuldig oordeel te komen over de benodigde jeugdhulp.
Afhankelijk van de aard van de problematiek kan het nodig zijn om een andere deskundige te betrekken bij het onderzoek. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld.
Het inzetten van aanvullende deskundigheid draagt eraan bij dat de ondersteuningsbehoefte zorgvuldig wordt vastgesteld en dat de gekozen ondersteuning aansluit bij de aard en ernst van de problematiek.
Derde lid
Om inzichtelijk en controleerbaar te maken hoe het onderzoek tot stand is gekomen, wordt in het ondersteuningsplan opgenomen welke deskundigheid bij het onderzoek is betrokken. Hierdoor ontstaat voor de jeugdige, de ouder(s) en eventuele andere betrokken professionals duidelijkheid over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd en welke deskundigen hebben bijgedragen aan de beoordeling van de hulpvraag.
Vierde lid
Het college blijft verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorbereiding van het besluit. Daarom dient het college zich ervan te vergewissen dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de betrokken deskundige beschikt over de benodigde kwalificaties en dat de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Daarbij beoordeelt het college onder meer of het onderzoek volledig is geweest, of de gebruikte gegevens actueel en betrouwbaar zijn en of de uit het onderzoek getrokken conclusies navolgbaar zijn.
Hoofdstuk 5 – voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp
Artikel 5.1 Criteria voor het verstrekken van een individuele voorziening
In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.
Eerste lid
Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet.
Het college onderzoekt wat de jeugdige en/of ouder(s) zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht. Vervolgens kijkt het college of een algemene voorziening of een andere voorliggende voorziening een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat voor op een individuele voorziening. Als een algemene voorziening passend en toereikend is voor de hulpvraag van de jeugdige, hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als de jeugdige en/of ouder(s) gebruik kunnen maken van een passende voorliggende voorziening.
Inzet van een individuele voorziening vormt daarmee een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met andere mogelijkheden of voorzieningen. Voorwaarde is wel dat een dergelijke voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan kan de voorziening wel aan deze criteria voldoen.
Als de eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en beschikbare algemene of voorliggende voorzieningen ontoereikend zijn, beoordeelt het college of een individuele voorziening noodzakelijk, toereikend en proportioneel is, bijdraagt aan de gestelde resultaatgebieden en of sprake is van een redelijk perspectief op effectiviteit.
Tweede lid
Het tweede lid benoemt de doelen waarop de individuele voorziening gericht moet zijn. Het gaat om een veilige ontwikkeling, participatie, herstel van een normaal ontwikkelingsperspectief, het voorkomen van escalatie en een tijdige overgang naar 18+.
Doeltreffendheid
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en, waar beschikbaar, wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet-effectieve interventie.
Dit sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is.
Bij de beoordeling van de doeltreffendheid kan het college, zoals in het artikel is bepaald, gebruikmaken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, de Richtlijnen Jeugdhulp en de GGZ-standaarden.
Artikel 5.2 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht
In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat de ouder(s) op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen.
Artikel 5.2 geeft hieraan invulling en bevat het afwegingskader aan de hand waarvan het college beoordeelt of sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
Vierde lid
Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt tevens betrokken of de hulpvraag samenhangt met opvoedingsopgaven of normale uitdagingen die passen bij de ontwikkeling van een jeugdige. Hiervoor wordt aangesloten bij de in bijlage 1 opgenomen opvoedingsopgaven en normale uitdagingen uit de uitgave Opgroeien en opvoeden van het Nederlands Jeugdinstituut. Als daarvan sprake is, wordt in beginsel uitgegaan van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. De individuele omstandigheden blijven daarbij bepalend; uit het onderzoek kan blijken dat ondersteuning desondanks noodzakelijk is.
Artikel 5.3 Voorliggende voorzieningen
Dit artikel regelt de afbakening tussen de Jeugdwet en andere wettelijke regelingen die voorzien in zorg en ondersteuning. Uitgangspunt is dat geen voorziening op grond van de Jeugdwet wordt verstrekt wanneer voor dezelfde problematiek een passende aanspraak bestaat op grond van een andere wet. Hiermee wordt dubbele bekostiging voorkomen en wordt aangesloten bij het wettelijk uitgangspunt dat de meest passende wettelijke regeling wordt toegepast.
Artikel 5.4 Duur, herbeoordeling en beëindiging
Dit artikel bevat regels over de duur en intensiteit van een individuele voorziening en over de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot herbeoordeling of beëindiging daarvan. Uitgangspunt is dat jeugdhulp niet langer of intensiever wordt ingezet dan noodzakelijk, maar ook niet korter of minder intensief dan nodig is om passende en toereikende hulp te bieden. De aard, omvang en duur van de voorziening zijn daarom steeds afhankelijk van de individuele situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag.
Eerste en tweede lid
De duur en intensiteit van een individuele voorziening worden afgestemd op wat nodig is om het beoogde resultaat te bereiken. Daarbij wordt niet uitsluitend gekeken naar de aard van de problematiek, maar naar de omstandigheden in hun onderlinge samenhang. Onder meer de ernst van de problematiek, de ontwikkelbehoefte van de jeugdige of het gezin, het beoogde resultaat, de frequentie die nodig is om dat resultaat te bereiken en de veiligheidssituatie zijn daarbij relevant. De genoemde factoren zijn niet limitatief; ook andere omstandigheden kunnen bij de individuele beoordeling worden betrokken.
De duur en intensiteit worden daarmee op basis van maatwerk bepaald. Algemene uitgangspunten over bijvoorbeeld de gebruikelijke duur of intensiteit van een bepaalde vorm van jeugdhulp kunnen bij de beoordeling worden betrokken, maar kunnen een individuele beoordeling van wat noodzakelijk is niet vervangen. Bij toegang via een huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt de concrete invulling van de jeugdhulp door de jeugdhulpaanbieder vanuit diens professionele verantwoordelijkheid bepaald, met inachtneming van de regels uit deze verordening en de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt.
Derde lid
Een eenmaal toegekende voorziening hoeft niet gedurende de gehele looptijd ongewijzigd passend te blijven. Een herbeoordeling vindt daarom plaats wanneer gewijzigde omstandigheden, het uitblijven van resultaten, de veiligheidssituatie of andere relevante signalen daartoe aanleiding geven. Een herbeoordeling is gericht op de vraag of de toegekende voorziening nog steeds noodzakelijk, passend en toereikend is en of de aard, omvang, intensiteit of duur daarvan moet worden aangepast.
Een herbeoordeling betekent niet dat de voorziening automatisch wordt gewijzigd of beëindigd. Wanneer uit de herbeoordeling blijkt dat wijziging of beëindiging aan de orde is, wordt beoordeeld welke gevolgen dit heeft voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en welk besluit gelet op alle omstandigheden van het individuele geval passend is.
Vierde lid
Een voorziening wordt beëindigd wanneer deze niet langer noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat het beoogde resultaat is bereikt of de jeugdige en/of zijn ouder(s) de benodigde ondersteuning inmiddels op een andere passende wijze kunnen ontvangen. Ook het beschikbaar komen van een voorliggende voorziening kan aanleiding zijn voor beëindiging, voor zover deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar, passend en toereikend is voor de betreffende hulpvraag.
Het niet nakomen van aan de voorziening verbonden verplichtingen of misbruik of oneigenlijk gebruik kan eveneens aanleiding geven tot beëindiging. Beëindiging op deze gronden vindt niet zonder individuele beoordeling plaats. Het college betrekt daarbij de aard en ernst van de gedraging, de oorzaak daarvan, de gevolgen van beëindiging voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en de overige relevante omstandigheden. Een besluit tot beëindiging moet zorgvuldig worden voorbereid en evenredig zijn.
Voor zover beëindiging samenhangt met herziening of intrekking van een eerder genomen besluit, zijn tevens de bepalingen van hoofdstuk 9 over herziening, intrekking en terugvordering van toepassing.
Artikel 5.5 Vervoer
In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.
Als uitgangspunt geldt dat de ouder(s) in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s) als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s)) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouder(s) in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat. Lid 5 bepaalt dat een passende voorziening waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, voorrang heeft boven een vergelijkbare individuele voorziening waarvoor wel vervoer noodzakelijk is. Het college beoordeelt hierbij of de betreffende voorziening passend is voor de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Alleen wanneer de voorliggende voorziening niet passend of toereikend is, kan een voorziening waarvoor vervoer nodig is in aanmerking komen.
Hoofdstuk 6 – Beschikking
Artikel 6.1 Beschikking
Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb.
De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouder(s) en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het tweede lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb. Nu het verslag van het onderzoek wat is samen komt in het ondersteuningsplan een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit vormt, wordt dit ondersteuningsplan ook aan de beschikking toegevoegd.
Hoofdstuk 7 – persoonsgebonden budget
Artikel 7.1 Algemene bepalingen en voorwaarden voor een pgb
Een persoonsgebonden budget (pgb) is een budget waarmee een jeugdige of zijn ouder(s) zelf jeugdhulp kan inkopen. Het pgb is geregeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
Eerste lid
Het college kan een pgb verstrekken voor het inkopen van jeugdhulp die passend, veilig, toereikend en doelmatig is. Het pgb wordt via het trekkingsrecht beheerd en uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Het budget wordt niet op de rekening van de budgethouder gestort; de SVB voert de betalingen aan de zorgverleners uit.
Tweede lid
Een pgb wordt uitsluitend verstrekt als aan de voorwaarden uit de Jeugdwet en deze verordening wordt voldaan. De voorwaarden ten aanzien van het pgb-plan, de pgb-vaardigheid en de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp worden in de volgende artikelen nader uitgewerkt.
Derde lid
De omvang van het pgb wordt gebaseerd op de vastgestelde noodzakelijke hulp, de geldende tarieven voor formele en informele hulp en een doelmatige besteding van middelen. De regels over de hoogte van het pgb zijn nader uitgewerkt in artikel 7.6.
Vierde lid
Het vierde lid benoemt de gronden waarop het college een pgb kan weigeren. Bij de beoordeling of passende hulp in natura beschikbaar is, gaat het om de vraag of de beschikbare individuele voorziening in natura voor de jeugdige of zijn ouder(s) passend is. De voorwaarden voor het verkrijgen van een pgb zijn nader uitgewerkt in artikel 7.2.
Vijfde lid
Bij hulp vanuit het sociaal netwerk beoordeelt het college aanvullend of geen overbelasting, afhankelijkheid of onveiligheid ontstaat, of de hulp niet onder gebruikelijke hulp valt en of kwaliteit en continuïteit voldoende zijn gewaarborgd. De beoordeling van gebruikelijke hulp en eigen kracht is nader uitgewerkt in artikel 5.2.
Artikel 7.2 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt.
Eerste lid
Wanneer een jeugdige of zijn ouder(s) naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen.
Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn voorzien van een motivering aan de hand van de tien punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 7.3. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.
Tweede lid
De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:
- 1.
de jeugdige of zijn ouder(s) zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
- 2.
de jeugdige of zijn ouder(s) stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en
- 3.
de individuele voorziening die men wil inkopen is van goede kwaliteit.
Derde lid
In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg voldoende is.
Vierde lid
Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb op een verantwoorde manier wordt verleend.
Vijfde lid
Voor informele hulp wordt alleen een pgb verstrekt voor de in dit lid genoemde vormen van jeugdhulp. Deze afbakening houdt verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexiteit van de problematiek bij de andere vormen van jeugdhulp. Het college kan hiervan afwijken als het belang van het kind daartoe aanleiding geeft.
Artikel 7.3 Pgb-vaardigheid
Eerste lid
Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet).
Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De pgb-vaardigheid wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst; het oordeel van het college is hierin leidend.
Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt om verschillende vaardigheden. Deze zijn door het Ministerie van VWS uitgewerkt in de ‘10 punten pgb-vaardigheid’. In dit artikel wordt daarbij aangesloten. Het gaat onder meer om het hebben van inzicht in de hulpvraag en doelstellingen, het kennen en begrijpen van de regels en verplichtingen die bij een pgb horen, het voeren van een administratie, het maken en vastleggen van afspraken met zorgverleners, het beoordelen van de kwaliteit van de geleverde hulp, het coördineren van de inzet van zorgverleners en het kunnen optreden als werk- of opdrachtgever.
Als de budgethouder niet zelf over alle benodigde vaardigheden beschikt, kan hierbij ondersteuning worden geboden of kunnen, indien van toepassing, de aan het pgb verbonden taken worden uitgevoerd door een budgetbeheerder. Ook de budgetbeheerder moet voldoen aan de gestelde eisen en wordt getoetst op de pgb-vaardigheid.
Tweede lid
In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of budgetbeheerder in beginsel niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden zijn een signaal bij de beoordeling van de pgb-vaardigheid. In een afwijzende beschikking moet de beoordeling per individueel geval goed worden onderbouwd en gemotiveerd. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
Het beheer van het pgb door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert, kan een onafhankelijke uitvoering van de aan het pgb verbonden taken in de weg staan. Daarom wordt de budgethouder of budgetbeheerder in deze situatie in beginsel niet in staat geacht het pgb verantwoord te beheren, tenzij het college hiervoor toestemming heeft verleend of de persoon eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige.
Schuldenproblematiek kan een aanwijzing zijn dat de voor het beheren van een pgb benodigde financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden onvoldoende aanwezig zijn. Signalen hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat iemand in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit of onder bewind staat.
Ernstige verslavingsproblematiek kan van invloed zijn op het vermogen om regie te voeren over een pgb en de daaraan verbonden taken op een stabiele en verantwoorde wijze uit te voeren.
Bij aangetoonde fraude in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag kan het eerdere frauduleuze handelen aanleiding geven om te beoordelen of de budgethouder of budgetbeheerder in staat is het pgb verantwoord te beheren.
Een aanmerkelijke verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een vastgestelde blijvende cognitieve stoornis kan eveneens van invloed zijn op het vermogen om de aan een pgb verbonden taken verantwoord uit te voeren. Bij een blijvende cognitieve stoornis kan bijvoorbeeld worden gedacht aan dementie of de gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel.
Ook wanneer iemand onvoldoende in staat is om, al dan niet met ondersteuning, de aan het pgb verbonden rechten en verplichtingen te begrijpen en na te komen, kan sprake zijn van onvoldoende pgb-vaardigheid. Daarbij wordt overeenkomstig het artikel betrokken of met ondersteuning, vertegenwoordiging of budgetbeheer alsnog een verantwoord beheer van het pgb kan worden geborgd.
Tot slot wordt het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) betrokken bij de beoordeling van de pgb-vaardigheid.
Artikel 7.4 Formele en informele hulp
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Eerste lid
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan. De hulp wordt dan verleend door een persoon die werkzaam is bij een instelling, door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp'er) of door een persoon die is ingeschreven in het BIG-register of het register als bedoeld in artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet.
Bij een instelling of zzp'er geldt dat deze voor de uit te voeren taken of werkzaamheden moet zijn ingeschreven in het Handelsregister en dat de hulpverlener beschikt over de relevante diploma's die nodig zijn voor de desbetreffende taken.
Een voorwaarde voor het toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die wordt ingekocht van goede kwaliteit is. De kwaliteitseisen voor jeugdhulp die met een pgb wordt ingekocht, zijn nader uitgewerkt in artikel 7.5.
Tweede lid
Informele hulp is hulp die wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de budgethouder of door personen die niet voldoen aan de criteria voor formele hulp uit het eerste lid. In de praktijk gaat het hierbij veelal om personen uit het sociale netwerk.
Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is altijd sprake van informele hulp. Ook als deze persoon beroepsmatig in de zorg werkzaam is, over relevante diploma's beschikt of BIG- of SKJ-geregistreerd is, wordt de hulp in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook bloed- en aanverwanten met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een persoonlijke of affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Bloed- en aanverwanten
Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorouder(s), erkenning, gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn (adoptie)ouder(s) en (adoptie)kinderen. Bloedverwanten in de tweede graad zijn grootouder(s), kleinkinderen, broers en zussen.
Aanverwantschap ontstaat door huwelijk of geregistreerd partnerschap met een bloedverwant. De graad van aanverwantschap is gelijk aan de graad van bloedverwantschap tussen de echtgenoot of geregistreerd partner en diens bloedverwant. Onder aanverwanten in de eerste of tweede graad kunnen bijvoorbeeld schoonouder(s), schoonkinderen, zwagers en schoonzussen vallen.
Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder(s).
Eerste en tweede lid
In het eerste lid zijn de kwaliteitseisen opgenomen die gelden voor de uitvoerder van jeugdhulp die met een pgb wordt ingekocht. Het tweede lid bevat aanvullende kwaliteitseisen voor de uitvoerder van formele jeugdhulp. Voor het onderscheid tussen formele en informele hulp wordt verwezen naar artikel 7.4.
Derde lid
Voor de beoordeling of informele jeugdhulp verantwoord kan worden ingezet, wordt aangesloten bij het afwegingskader voor verantwoorde werktoedeling uit het Kwaliteitskader Jeugd. Als uit dit afwegingskader volgt dat voor de betreffende hulp formele jeugdhulp noodzakelijk is, wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt.
Artikel 7.6 Hoogte pgb
In de verordening moet worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn om de benodigde jeugdhulp in te kunnen kopen. Dit geldt ook als de hulp wordt betrokken van iemand uit het sociaal netwerk.
De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar is ook van toepassing op de Jeugdwet (Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092).
Eerste lid
Voor formele hulp zijn de pgb-tarieven afgeleid van de tarieven voor zorg in natura. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een professional in dienst van een jeugdhulpaanbieder en een zelfstandige zonder personeel (zzp'er). Voor een professional in dienst van een jeugdhulpaanbieder geldt maximaal 90% en voor een zzp'er maximaal 80% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.
Er wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd omdat bij met een pgb ingekochte jeugdhulp niet alle kosten hoeven te worden gemaakt die verbonden zijn aan gecontracteerde zorg in natura. Voor zzp'ers wordt een lager tarief gehanteerd vanwege de doorgaans lagere overheadkosten.
De maximale formele pgb-tarieven worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de jaarlijkse indexering van de tarieven voor zorg in natura voor jeugdhulp in Holland Rijnland. Dit is nader uitgewerkt in de nadere regels.
Tweede lid
Voor informele hulp geldt een tarief van minimaal 100% van het wettelijk minimumloon. Omdat het bij informele hulp veelal gaat om hulp uit het sociaal netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de persoonlijke of affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht.
Het informele pgb-tarief wordt overeenkomstig de nadere regels per 1 januari en 1 juli aangepast aan het op die datum geldende wettelijk minimumuurloon.
Derde lid
Als uit het pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht dan het maximumtarief, kan worden uitgegaan van dit lagere tarief. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard en kostenstructuur van de aanbieder. Zo kunnen zelfstandige zorgverleners minder overheadkosten hebben dan grotere zorgaanbieders.
Het uitgangspunt blijft dat het vastgestelde pgb toereikend moet zijn om de noodzakelijke jeugdhulp daadwerkelijk te kunnen inkopen.
Vierde lid
Voor logeeropvang door een persoon uit het sociaal netwerk wordt aangesloten bij artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het pgb voor deze vorm van informele hulp wordt overeenkomstig die regeling bepaald.
Vijfde lid
Bij de vaststelling van de tarieven als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid geldt dat deze toereikend moeten zijn om binnen het budget ook de bij wet verplichte werkgeverslasten te kunnen voldoen.
Artikel 7.7 Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van pgb
Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. In dit artikel is bepaald welke kosten niet afzonderlijk worden vergoed of van vergoeding vanuit het pgb zijn uitgesloten.
Eerste lid
Het pgb-tarief is een all-in tarief. Dit betekent dat overhead- en bijkomende kosten die samenhangen met het verlenen van de jeugdhulp in het tarief zijn inbegrepen. Hiervoor wordt geen aanvullend budget verstrekt. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor scholing, maaltijden, entreegelden, administratie- en vervoersmiddelen.
Tweede lid
Een pgb is niet bedoeld voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een budgetbeheerder of andere persoon die ondersteuning biedt bij het aanvragen of beheren van het pgb wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten zoals administratie-, bemiddelings- en coördinatiekosten worden niet vanuit het pgb betaald.
Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het indienen van de aanvraag komen niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij artikel 7.8 van toepassing is.
Als sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, is er nog geen sprake van jeugdhulp die op basis van het reguliere onderzoek en de daaropvolgende besluitvorming in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. De direct noodzakelijke hulp wordt daarom niet vanuit een pgb bekostigd. Nadat het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening noodzakelijk blijkt, kan een pgb worden aangevraagd.
De jeugdige of zijn ouder(s) moet het college vooraf informeren als het pgb voor ondersteuning buiten Nederland wordt ingezet. Besteding van het pgb voor ondersteuning buiten Nederland is alleen mogelijk als het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend.
Kosten voor vervoer en administratie van een zorgverlener en kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) worden niet afzonderlijk vanuit het pgb vergoed. Ook een feestdagenuitkering boven € 100,- per kalenderjaar komt niet voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking.
Diergeleide interventies worden niet vanuit het pgb vergoed, tenzij deze onderdeel zijn van een behandelplan.
Artikel 7.8 Kosten voorafgaand aan de aanvraag
Dit artikel regelt hoe wordt omgegaan met een pgb-aanvraag voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder(s) al heeft ingezet en waarvoor kosten zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. Hiermee ligt een duidelijke toetsingsmaatstaf vast voor zowel de uitvoering als uiteindelijk de rechter.
Het college verstrekt alleen een voorziening als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
De mogelijkheid om kosten van vóór de aanvraag te vergoeden is beperkt tot kosten die betrekking hebben op een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag.
Hoofdstuk 8 – Afstemming met andere voorzieningen
In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.
Artikel 8.1 Overgang 18- naar 18+
Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, wordt tijdig gekeken hoe de continuïteit van de hulp en ondersteuning zoveel mogelijk kan worden gewaarborgd. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college wordt begeleid of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet.
Om voor een jeugdige een goede overgang van de ingezette hulp te realiseren, wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het 18e jaar, heeft dit de voorkeur. Dit vraagt extra bewustwording bij jeugdige, ouder(s) en hulpverleners.
In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.
Artikel 8.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder(s) op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 28 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.
Eerste lid
Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.
Tweede en derde lid
Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.
Vierde lid
Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.
Artikel 8.3 Gezondheidszorg en langdurige zorg
De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente is niet verantwoordelijk voor onder meer huisartsenzorg, paramedische zorg en de meeste medisch specialistische zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Langdurige zorg kan onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen.
Op grond van artikel 1.2 van de Jeugdwet is het college niet gehouden een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen voor zover met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van onder meer de Wlz of Zvw. Als meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en daardoor zowel aanspraak op zorg op grond van de Wlz of Zvw als op jeugdhulp bestaat, kan het college wel gehouden zijn een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. Een goede afstemming tussen de verschillende wettelijke kaders is daarom van belang.
Het college maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verwijzing naar jeugdhulp plaatsvindt. De Jeugdwet schrijft voor dat hierover afspraken worden gemaakt. Deze bepaling sluit aan bij de medische verwijsroute zoals geregeld in artikel 3.1 van deze verordening.
Eerste en tweede lid
Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert in veel gevallen het wettelijk kader van waaruit zorg wordt geleverd. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar in beginsel voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met zorgverzekeraars en het CIZ.
Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet langer van toepassing is, moet de overgang naar hulp vanuit een ander wettelijk kader goed worden afgestemd. Voorkomen moet worden dat jeugdigen tussen de verschillende wettelijke kaders terechtkomen doordat aanspraken niet naadloos op elkaar aansluiten. De jeugdige en zijn ouder(s) worden daarom gewezen op de gevolgen van het bereiken van de leeftijd van 18 jaar voor het toepasselijke wettelijke kader. Waar dat noodzakelijk is, spant het college zich in voor de continuïteit van de zorg.
Derde en vierde lid
Uit artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, van de Jeugdwet volgt dat het college niet gehouden is een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige aanspraak kan maken op zorg op grond van de Wlz en de jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daarover.
Als dergelijke gegronde redenen bestaan, draagt het college zorg voor ondersteuning van de jeugdige en zijn ouder(s) richting het CIZ. Pas als de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het CIZ, is het college niet gehouden een individuele voorziening op grond van deze verordening toe te kennen.
Vijfde lid
Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen op grond van de Wlz of Zvw, voor zover deze samenhangen met de jeugdhulpvraag. Afstemming is erop gericht dat de benodigde ondersteuning vanuit de verschillende wettelijke kaders op elkaar aansluit en dat wordt voorkomen dat de jeugdige tussen de wal en het schip valt.
Artikel 8.4 Gecertificeerde instellingen
Gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen.
Eerste en tweede lid
Deze leden benoemen de onderwerpen waarover het college en de gecertificeerde instellingen afspraken maken. Het gaat onder meer om de aansluiting op algemene voorzieningen, de wijze van verwijzen naar jeugdhulp, de monitoring van de ingezette jeugdhulp en de resultaten daarvan en het overleg over de benodigde jeugdhulp tijdens en na een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.
Daarnaast worden afspraken gemaakt over de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp door de gecertificeerde instelling, de daarvoor noodzakelijke informatie-uitwisseling, de inzet van een pgb en de situatie waarin de gecertificeerde instelling niet-gecontracteerde jeugdhulp noodzakelijk acht.
Derde lid
De afspraken worden vastgelegd in een protocol met de gecertificeerde instellingen. In artikel 3.5, derde lid, van de Jeugdwet is bepaald dat het college en de gecertificeerde instelling afspraken vastleggen in een protocol over de wijze van overleg over de aangewezen jeugdhulp en de uitvoering daarvan.
Artikel 8.5 Onderwijs
De Jeugdwet gaat uit van afstemming tussen jeugdhulp en onderwijs wanneer beide domeinen betrokken zijn bij de ondersteuning van een jeugdige. De jeugdige en zijn ouder(s) worden bij deze afstemming betrokken.
Vierde lid
Met integraal arrangeren wordt beoogd de benodigde ondersteuning vanuit onderwijs en jeugdhulp in samenhang te bezien, zodat de inzet vanuit beide domeinen op elkaar aansluit.
Vijfde lid
Naast afstemming op individueel niveau vindt afstemming met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs plaats via het op overeenstemming gericht overleg (OOGO).
Artikel 8.6 Maatschappelijke ondersteuning
Bepaalde vormen van ondersteuning kunnen na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar niet langer onder de Jeugdwet vallen, maar onder de Wmo 2015. Het is daarom van belang tijdig te bezien wat na het 18e jaar verandert, zodat de continuïteit van ondersteuning kan worden gewaarborgd.
Ook kan sprake zijn van situaties waarin naast de jeugdige één of beide ouder(s) ondersteuning op grond van de Wmo 2015 ontvangen. In die gevallen is een goede afstemming tussen de voorzieningen voor de jeugdige en de ondersteuning van de ouder(s) van belang.
Artikel 8.7 Werk en inkomen
Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang deze problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar passende ondersteuning en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.
Artikel 8.8 Specifieke samenwerkingsafspraken
Dit artikel vormt een aanvulling op de voorgaande bepalingen over afstemming en benoemt de onderwerpen waarover het college met onderwijs-, medische en veiligheidspartners samenwerkingsafspraken maakt. Hiermee wordt beoogd de samenwerking en afstemming tussen de betrokken partijen te borgen. De concrete afspraken worden vastgelegd in protocollen of samenwerkingsovereenkomsten.
Hoofdstuk 9 – Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering, bestrijding misbruik en toezicht
Artikel 9.1 Handhavingsinstrumenten
Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college om in te grijpen wanneer bepalingen uit deze verordening niet worden nageleefd, sprake is van misbruik of fraude, de kwaliteit van de geboden hulp tekortschiet of de veiligheid van jeugdigen in het geding is. Afhankelijk van de aard en ernst van de situatie kan het college verschillende maatregelen treffen. Deze lopen uiteen van een waarschuwing of tijdelijke opschorting tot het intrekken van een beschikking, het terugvorderen van een pgb, het beëindigen van een contract met een jeugdhulpaanbieder of het doen van een melding bij de daarvoor aangewezen toezichthouders. Bij de keuze voor een maatregel weegt het college de omstandigheden van het geval en de ernst van de overtreding mee.
Artikel 9.2 Herziening, intrekking en terugvordering
Volgens de Jeugdwet is een jeugdige en/of de ouder(s) verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op het persoonsgebonden budget kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. Met deze Verordening wordt geregeld dat deze informatieplicht ook geldt voor zorg in natura.
In lid 2 is bepaald in welke gevallen het college een besluit over een individuele voorziening kan herzien, intrekken of beëindigen. Het gaat om een bevoegdheid van het college, waarbij de omstandigheden van het individuele geval worden betrokken.
Lid 3 regelt in welke situatie het college de geldswaarde van een te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of pgb kan terugvorderen. Lid 4 bevat daarnaast een intrekkingsgrond wanneer niet tijdig met de zorg is gestart of het pgb niet tijdig is aangewend. Bij het bepalen van een betalingsregeling houdt het college op grond van lid 5 rekening met de persoonlijke omstandigheden.
Artikel 9.3 Melding misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude
Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. Meldingen van professionals, ouder(s) of andere betrokkenen worden zorgvuldig en onafhankelijk onderzocht.
Wanneer uit onderzoek blijkt dat sprake is van fraude, kan het college passende maatregelen treffen. Afhankelijk van de ernst van de situatie kan het college aangifte doen, de samenwerking beëindigen of ten onrechte ontvangen bedragen terugvorderen. Hiermee wordt de rechtmatige inzet van jeugdhulpvoorzieningen en publieke middelen bevorderd.
Artikel 9.4 Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik
Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen.
In het eerste en tweede lid is opgenomen dat met gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken worden gemaakt over een correcte facturatie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp en over het monitoren van de gemiddelde trajectduur. Hiermee wordt aandacht besteed aan de rechtmatige en doelmatige inzet van individuele voorzieningen.
Artikel 9.5 Toezicht op recht- en doelmatigheid bij individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Eerste lid
In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet op dezelfde wijze geregeld. In het eerste lid is daarom opgenomen dat het college toezichthouders aanwijst die toezien op de rechtmatige en doelmatige inzet en besteding van individuele voorzieningen en pgb's.
Tweede en derde lid
Op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het tweede en derde lid bevatten aanvullende bepalingen over onderzoek naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen en pgb's. Daarbij kan tevens worden onderzocht of wordt voldaan aan de door de gemeente gestelde eisen die zien op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid. Het toezicht ziet niet op de professionele standaard of zorginhoudelijke kwaliteit; het toezicht daarop berust bij de landelijke inspectie.
Het periodieke onderzoek naar pgb's kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder als op de uitvoering door de aanbieder.
Vierde lid
De aangewezen toezichthouder beschikt bij de uitvoering van het toezicht over de in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde toezichtsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden alleen gebruikt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichtstaak nodig is.
Hoofdstuk 10 – Kwaliteit en meldplichten jeugdhulpaanbieders
Artikel 10.1 Voorwaarden aan jeugdhulpaanbieders
Dit artikel omvat insluitingscriteria voor jeugdhulpaanbieders in verband met locatie in het buitenland of (vermoeden van) misbruik, oneigenlijk gebruik, fraude en integriteitsproblemen.
Artikel 10.2 Kwaliteitseisen aan jeugdhulpaanbieders
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder(s). Het college stelt inhoudelijke kaders vast conform de actuele versie van de dienstomschrijvingen.
Artikel 10.3 Afbakening toezicht kwaliteit
Dit artikel verduidelijkt de verdeling van verantwoordelijkheden ten aanzien van het toezicht op jeugdhulp. Het toezicht op de professionele kwaliteit, de inhoud van de hulpverlening en de veiligheid van de jeugdhulp berust op grond van de Jeugdwet bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De gemeente treedt daarbij niet in de rol van inhoudelijk kwaliteits- of veiligheidstoezichthouder.
Het toezicht door het college richt zich op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet binnen de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Daarbij kan het college toezicht houden op de naleving van de verordening, beleidsregels, beschikkingen en contractuele afspraken met aanbieders, evenals op de rechtmatige besteding van gemeentelijke middelen. Deze afbakening voorkomt overlap tussen het gemeentelijke toezicht en het toezicht van de IGJ.
Artikel 10.4 Klachten en medezeggenschap
Dit artikel waarborgt dat jeugdigen en ouder(s) hun ervaringen, klachten en belangen kenbaar kunnen maken bij de aanbieder van jeugdhulp. Jeugdhulpaanbieders zijn op grond van de Jeugdwet verplicht te beschikken over een toegankelijke klachtenregeling en zorg te dragen voor medezeggenschap van jeugdigen en ouder(s).
Wanneer signalen bestaan dat een klachtenregeling of de medezeggenschap onvoldoende functioneert, kan het college hierover in gesprek gaan met de aanbieder en deze aanspreken op zijn verantwoordelijkheden. Hiermee wordt bevorderd dat jeugdigen en de ouder(s) invloed kunnen uitoefenen op de kwaliteit van de dienstverlening en dat klachten zorgvuldig worden behandeld.
Artikel 10.5 Kwaliteitsregistraties
Dit artikel regelt de verplichting voor jeugdhulpaanbieders om gegevens over de geleverde jeugdhulp op een zorgvuldige en uniforme wijze vast te leggen in een daarvoor bestemd kwaliteitsregistratiesysteem.
Het college kan nadere regels stellen over de gegevens die geregistreerd moeten worden en de wijze waarop deze registratie plaatsvindt. Hierdoor kan worden geborgd dat informatie op een consistente manier wordt vastgelegd en beschikbaar is voor kwaliteitsbewaking, monitoring, evaluatie en toezicht.
Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht medewerking te verlenen aan landelijke kwaliteitsmetingen en onderzoeken. Door het aanleveren van de benodigde gegevens wordt inzicht verkregen in de resultaten van de jeugdhulp en kunnen kwaliteit en dienstverlening op lokaal, regionaal en landelijk niveau verder worden verbeterd. Hierbij dienen aanbieders steeds te handelen binnen de kaders van de geldende privacywetgeving en de regels voor gegevensbescherming.
Artikel 10.6 Deskundigheidseisen
Dit artikel waarborgt dat jeugdhulp wordt uitgevoerd door voldoende gekwalificeerde en deskundige professionals. Jeugdhulpaanbieders zijn verantwoordelijk voor het inzetten van medewerkers die beschikken over de opleiding, kennis, vaardigheden en ervaring die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun werkzaamheden. Hiermee wordt beoogd de kwaliteit, veiligheid en effectiviteit van de geboden jeugdhulp te waarborgen.
Van jeugdhulpverleners wordt verwacht dat zij hun deskundigheid onderhouden en blijven ontwikkelen door middel van bij- en nascholing. Hierdoor blijven zij op de hoogte van actuele wet- en regelgeving, professionele richtlijnen en nieuwe inzichten binnen het jeugddomein.
Het college kan voor specifieke vormen van jeugdhulp aanvullende eisen stellen aan de deskundigheid van professionals. Jeugdhulpaanbieders moeten desgevraagd kunnen aantonen dat zij voldoen aan de gestelde eisen en beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel voor de uitvoering van de ondersteuning.
Artikel 10.7 Meldplicht calamiteiten en geweld
Dit artikel geeft invulling aan de verantwoordelijkheid van jeugdhulpaanbieders om calamiteiten en geweld tijdig te melden en passende maatregelen te treffen. Op grond van de Jeugdwet zijn aanbieders verplicht calamiteiten die zich voordoen tijdens de uitvoering van jeugdhulp onverwijld te melden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Wanneer sprake is van geweld in afhankelijkheidsrelaties, informeren jeugdhulpaanbieders zowel de IGJ als het college. Door deze meldplicht kunnen risico's worden onderzocht, passende maatregelen worden getroffen en herhaling zoveel mogelijk worden voorkomen.
Daarnaast informeren aanbieders het college over de maatregelen die naar aanleiding van een calamiteit of geweldsincident worden genomen. Hiermee kan het college vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Jeugdwet en de relatie met de aanbieder beoordelen of aanvullende acties noodzakelijk zijn.
Artikel 10.8 Meldplicht onveiligheid bij jeugdigen
Dit artikel benadrukt het belang van tijdige signalering en aanpak van onveilige situaties voor jeugdigen. Wanneer sprake is van signalen van duurzame of structurele onveiligheid, melden jeugdhulpaanbieders en professionals deze overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving bij Veilig Thuis.
Een melding bij Veilig Thuis ontslaat betrokken professionals niet van hun verantwoordelijkheid om noodzakelijke hulp of ondersteuning te bieden. Indien de situatie daarom vraagt, lopen melding en hulpverlening parallel aan elkaar zodat de veiligheid van de jeugdige zo snel mogelijk kan worden bevorderd.
Het college kan nadere regels stellen over de samenwerking tussen betrokken organisaties en professionals bij veiligheidsvraagstukken. Hiermee wordt een samenhangende en effectieve aanpak van veiligheidsproblematiek bevorderd.
Artikel 10.9 Verplichte rapportage aan het college
Dit artikel regelt de informatieverstrekking door jeugdhulpaanbieders aan het college over de uitvoering en resultaten van de verleende jeugdhulp. Door middel van tijdige rapportages krijgt het college inzicht in de voortgang van de ondersteuning, de behaalde resultaten, eventuele veiligheidsrisico's en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het behalen van de afgesproken doelen.
Van aanbieders wordt verwacht dat zij bijzonderheden, zoals stagnatie in de hulpverlening, het uitblijven van resultaten of de beëindiging van een traject, tijdig rapporteren. Hierdoor kan het college beoordelen of de ingezette ondersteuning nog passend en doelmatig is.
Om een eenduidige en vergelijkbare wijze van verantwoorden te waarborgen, maken aanbieders gebruik van de rapportagemiddelen en formats die door het college worden vastgesteld.
Artikel 10.10 Administratie en dossiervorming
Dit artikel verplicht jeugdhulpaanbieders tot het bijhouden van een administratie en een zorgvuldig opgebouwd dossier. Een volledig en actueel dossier is van belang voor de continuïteit, kwaliteit en verantwoording van de geboden hulpverlening.
Het dossier bevat informatie over de doelen van de ondersteuning, de uitgevoerde activiteiten, de behaalde resultaten, evaluaties, relevante veiligheidssignalen en voortgangsrapportages. Hierdoor is inzichtelijk welke ondersteuning is geboden, welke afwegingen zijn gemaakt en welke resultaten zijn bereikt.
Voor zover wet- en regelgeving dit toestaan, kan het college inzage vragen in dossiers. Bij de verwerking en uitwisseling van gegevens worden de geldende privacyregels en voorschriften rondom gegevensbescherming in acht genomen.
Hoofdstuk 11 – Cliëntondersteuning, vertrouwenspersoon, klachten, privacy, inspraak en medezeggenschap
Artikel 11.1 Onafhankelijke cliëntondersteuning
Dit artikel waarborgt dat jeugdigen en de ouder(s) gebruik kunnen maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het college draagt er zorg voor dat deze ondersteuning laagdrempelig, kosteloos en voor iedereen toegankelijk is. De cliëntondersteuner ondersteunt jeugdigen en de ouder(s) onder meer bij het verhelderen van de hulpvraag, het verkrijgen van toegang tot passende ondersteuning, het voeren van regie over de ondersteuning en het begrijpen van procedures en besluiten van de gemeente.
Onafhankelijke cliëntondersteuning heeft als doel jeugdigen en de ouder(s) te versterken in hun positie en hen te helpen bij het maken van weloverwogen keuzes. De ondersteuning wordt geboden vanuit een onafhankelijke positie en staat los van de besluitvorming door het college. Hierdoor kunnen jeugdigen en de ouder(s) zich laten adviseren en ondersteunen zonder dat sprake is van belangenverstrengeling.
Het college wijst jeugdigen en de ouder(s) bij het eerste contact actief op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Hiermee wordt bevorderd dat zij tijdig passende ondersteuning kunnen inschakelen gedurende het onderzoek, de aanvraagprocedure en de verdere uitvoering van de jeugdhulp
Artikel 11.2 Vertrouwenspersoon
De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert.
Artikel 11.3 Klachtregeling
Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouder(s) over de behandeling. Het Programmaplan zegt daarover ‘Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen’.
Artikel 11.4. Informatie-uitwisseling en privacy
In dit artikel zijn kaders gesteld voor de behandeling van persoonsgegevens die in lijn zijn met de AVG-richtlijnen.
Artikel 11.5 Inspraak en medezeggenschap
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.
In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Lid 3 regelt dat inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen deelnemen aan een regulier overleg. Inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen onderwerpen aandragen voor dit overleg en ondersteuning krijgen. In lid 4 wordt het aan het college de mogelijkheid geboden om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven
Hoofdstuk 12 – Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 12.1 Evaluatie
Dit artikel regelt dat het college de verordening binnen drie jaar na inwerkingtreding evalueert.
Artikel 12.2 Hardheidsclausule
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen.
Artikel 12.3 Nadere regels
In lid 1 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 2 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld.
Artikel 12.4 Overgangsrecht
Dit artikel regelt dat jeugdigen die al aanspraak maken op jeugdhulp, deze jeugdhulp kunnen blijven houden tot uiterlijk 1 september 2027. De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze Verordening.
Voor pleegzorg en perspectief biedende kleinschalige woonvormen is een uitzondering gemaakt en is er geen einddatum indien voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze Verordening een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg en bovengenoemde kleinschalige woonvormen.
Artikel 12.5 Inwerkingtreding
Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
Artikel 12.6 Citeertitel
Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl