Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Albrandswaard 2026

Geldend van 27-06-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Albrandswaard 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard;

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdelen m en s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

besluit vast te stellen de volgende:

Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Albrandswaard 2026

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard;

  • gift: geldbedragen, goederen of diensten die om niet zijn verstrekt en waar geen rechtens afdwingbare verplichting of tegenprestatie tegenover staat;

  • Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • Jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Participatiewet;

  • Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet meer kunnen worden afgelost;

  • Schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • Wet: de Participatiewet;

  • Wmo 2015: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • Zoektermijn: de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

  • Onveilige thuissituatie: een situatie waarin de fysieke of psychische integriteit van de jongere in gevaar is, of dreigt te raken, door factoren binnen de woonomgeving.

HOOFDSTUK 2 BELEIDSKEUZES

Artikel 2 Vrijlaten van giften in individuele gevallen

  • 1. Bij de beoordeling of giften in een individueel geval vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn (art. 31 lid 2 onder s van de Wet), beschouwt het college in ieder geval als verantwoord:

    • a.

      giften in natura, voor zover de gezamenlijke waarde per kalenderjaar niet hoger is dan € 1.200;

    • b.

      giften die specifiek zijn bestemd voor noodzakelijke medische kosten of de aflossing van probleemschulden van belanghebbende.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde giften gezamenlijk hoger zijn dan € 1.200 per kalenderjaar, kan het college besluiten het meerdere buiten beschouwing te laten indien deze zijn aangewend voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand had kunnen worden verstrekt.

  • 3. Giften in natura van charitatieve instellingen, zoals voedselbanken, kledingbanken en speelgoedbanken, worden in beginsel niet tot de middelen gerekend.

  • 4. Belanghebbende meldt ontvangen giften aan het college zodra het drempelbedrag als bedoeld in lid 1 onder a is bereikt of dreigt te worden overschreden."

  • 5. De melding kan plaatsvinden:

    • a.

      via het wijzigingsformulier (digitaal of op papier);

    • b.

      via het klantportaal of e-diensten;

    • c.

      per e-mail aan de behandelend consulent;

    • d.

      per brief gericht aan het college;

    • e.

      tijdens een gesprek met de klantmanager, mits dit schriftelijk wordt vastgelegd;

    • f.

      via het inkomstenformulier.

  • 6. Voor zover giften niet worden aangemerkt als middel in de zin van artikel 31 van de Wet, kunnen zij worden aangemerkt als vermogen indien zij worden gespaard of niet direct worden aangewend voor noodzakelijke kosten van bestaan.

  • 7. Voor de toepassing van deze beleidsregels worden giften toegerekend aan het kalenderjaar waarin belanghebbende feitelijk de beschikking over de gift heeft gekregen. Daarbij geldt als datum van ontvangst:

    • a.

      bij geldgiften: de datum waarop het bedrag op de bankrekening is bijgeschreven of contant is ontvangen;

    • b.

      bij giften in natura: de datum waarop het goed feitelijk is geleverd of de dienst is verricht.

  • 8. Structurele of periodieke geldgiften kunnen worden aangemerkt als inkomen voor zover deze, samen met andere giften, het drempelbedrag in lid 1 onder a overschrijden.

  • 9. De waarde van giften in natura wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer.

Artikel 3 Giften en herziening bijstand en terugvordering

  • 1. Indien achteraf blijkt dat ontvangen giften ten onrechte niet of niet volledig zijn betrokken bij de vaststelling van het recht op of de hoogte van de bijstand vanwege onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking herziet of trekt het college het besluit tot toekenning van bijstand in overeenkomstig artikel 54 van de Wet.

  • 2. Voor zover als gevolg daarvan te veel bijstand is verleend, vordert het college deze bijstand terug overeenkomstig artikel 58 van de Wet.

  • 3. Indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht doordat ontvangen giften niet of niet tijdig zijn gemeld, wordt bij de vaststelling van het benadelingsbedrag rekening gehouden met het bedrag aan giften dat op grond van deze beleidsregel buiten beschouwing mag worden gelaten.

  • 4. Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van herziening of terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 4 Behandeling van bijstandsaanvragen van jongeren vóór afloop van de zoektermijn

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen wanneer sprake is van ten minste één van de volgende omstandigheden:

  • a.

    de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;

  • b.

    de jongere heeft in het jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of opvang ontvangen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;

  • c.

    voor de jongere gold in het jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel als bedoeld in artikel 2.4 van de Jeugdwet;

  • d.

    de jongere heeft een zorgbehoefte;

  • e.

    de jongere heeft probleemschulden of schulden die naar het oordeel van het college problematisch kunnen worden indien de zoektermijn wordt toegepast;

  • f.

    de jongere is dak- of thuisloos of er is een dreigende uitsluiting van de huidige woonvoorziening;

  • g.

    er is sprake van een onveilige thuissituatie;

  • h.

    de jongere beschikt niet over de nodige middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien gedurende de zoektermijn.

Artikel 5 Vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1. Het college kan gegevens die bij hem berusten uit een eerdere bijstandsverlening hergebruiken indien:

    • a.

      dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na beëindiging van de algemene bijstand;

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege werkaanvaarding, verblijf buiten de gemeente of een tijdelijke uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet.

  • 2. Het college verifieert voorafgaand aan het hergebruik van gegevens in ieder geval:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie;

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor een uitkering op grond van de Ioaw.

Artikel 6 Bijstand met terugwerkende kracht

  • 1. Het college kan bijstand toekennen met terugwerkende kracht, dus eerder dan de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld zoals bedoeld in artikel 44, vijfde lid van de Wet, indien individuele omstandigheden daartoe noodzaken en:

    • a.

      belanghebbende zich redelijkerwijs niet eerder heeft kunnen melden;

    • b.

      het uitblijven van bijstand leidt tot ernstige gevolgen voor belanghebbende.

  • 2. Van omstandigheden als bedoeld in het eerste lid kan onder meer sprake zijn indien:

    • a.

      belanghebbende niet in staat was een aanvraag te doen;

    • b.

      belanghebbende niet op de hoogte was van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

    • c.

      een aanvraag voor een voorliggende voorziening is afgewezen;

    • d.

      een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld;

    • e.

      belanghebbende onvoldoende zicht had op inkomen of vermogen;

    • f.

      een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is verleend.

  • 3. De bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan, tot maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum.

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 7 Evaluatie

Het college onderzoekt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.

Artikel 8 Inwerkingtreding en overgangsrecht

Deze Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Albrandswaard 2026 treedt in werking de dag na publicatie en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Ondertekening

Aldus besloten door het college van Burgemeester en wethouders d.d. 2 juni 2026,

de secretaris,

mr. drs. F.P. van der Linden

de burgemeester,

drs. C. Pille