Beleidsregels rechtmatigheid 2026

Geldend van 23-06-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels rechtmatigheid 2026

Het dagelijks bestuur van Baanbrekers, gevestigd te Waalwijk,

gelet op:

artikel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;

artikel 160 lid 1 onder a Gemeentewet;

De participatiewet in balans, spoor 1, fase 1

overwegende dat:

het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een bijstands-, IOAW of IOAZ uitkering.

besluit:

de Beleidsregels rechtmatigheid 2026 vast te stellen.

1. Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ 2023.

  • 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a. Commerciële kamerbewoner: een persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet een bloedverwant is in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner. Van huren op commerciële basis is sprake als de woonsituatie voldoet aan het volgende:

    • i.

      er is sprake van een schriftelijke huurovereenkomst;

    • ii.

      er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een schriftelijke overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs;

    • iii.

      het te huren deel van de woning is al dan niet samen met gemeenschappelijke ruimtes geschikt voor zelfstandige bewoning; en

    • iv.

      de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.

  • b. Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet een bloedverwant is in de eerste en tweede graad en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende:

    • i.

      er is sprake van vergoeding op contractbasis;

    • ii.

      er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs;

    • iii.

      de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en

    • iv.

      de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.

  • c. Commerciële prijs: hiervan is sprake als de huur (exclusief onder andere servicekosten) of vergoeding hoger is dan de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag Co-ouderschap: de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig kind/kinderen. Beide ouders nemen met een minimum van twee etmalen de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening.

  • d. Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder b, van de Participatiewet;

  • e. Gift: Een onverplichte betaling van geld of goederen uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling, waar geen tegenprestatie van de ontvanger aan verbonden is.

  • f. Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van een woning en die in dezelfde woning hoofdverblijf heeft;

  • g. Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als onbetaalde ondersteuning wordt verleend aan een hulpbehoevende met een aantoonbare zorgbehoefte, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • h. Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Participatiewet;

  • i. Woonkosten:

    • i.

      als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag;

    • ii.

      als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en- aflossing met inbegrip van eventueel ter zake van de hypotheek verplichte verzekeringen, inleggen of premies en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

  • j. Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte waarin de belanghebbende woont zoals energiekosten en water.

  • k. Intensieve zorgbehoefte: van een intensieve zorgbehoefte is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:

    • i.

      in aanmerking komt voor opname in een WLZ-instelling; of

    • ii.

      Duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of

    • iii.

      Duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

2. De aanvraag

Artikel 2: Verkorte aanvraag

  • 1. Wanneer iemand na het eindigen van de algemene bijstand binnen 12 maanden een nieuwe aanvraag doet, gebruikt het dagelijks bestuur de gegevens die reeds bekend zijn in verband met de eerdere bijstandsverlening, tenzij wijzigingen in de situatie van de inwoner, of onduidelijkheden daarover, nader onderzoek vragen;

  • 2. Het dagelijks bestuur onderzoekt bij een dergelijke nieuwe aanvraag in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      Reden aanvraag;

    • b.

      Andere relevante informatie die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen i.v.m. gewijzigde omstandigheden.

Artikel 3: Terugwerkende kracht

  • 1. Voor wat betreft de ingangsdatum van zowel de algemene bijstand, als de uitkering op grond van de IOAW, IOAZ of Bbz, hanteert het dagelijks bestuur de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 44, eerste lid, PW, respectievelijk artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ of artikel 27a voor Bbz.

  • 2. Bij het toekennen van algemene bijstand, dan wel een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ is afwijking van het bepaalde in het eerste lid slechts mogelijk als de belanghebbende de te late melding vanwege de bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten of als de individuele omstandigheden dusdanig van aard zijn dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om bestaanszekerheid te borgen.

  • 3. Bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, is het moment dat het recht op uitkering ontstond, maar kan tot maximaal drie maanden terug voor datum aanvraag.

  • 4. Er is sprake van bijzondere omstandigheden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht als de te late aanvraag de aanvrager niet kan worden verweten.

  • 5. Er is sprake van individuele omstandigheden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht als:

    • a.

      Er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld; of

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend met terugwerkende kracht.

  • 6. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat er over de periode van de terugwerkende kracht al recht op bijstand bestond en dat zich bijzondere dan wel individuele omstandigheden voordeden die de te late melding verklaren.

  • 7. Het dagelijks bestuur bepaalt of de bijzondere dan wel individuele omstandigheden van dusdanige aard zijn dat het noodzakelijk is om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.

  • 8. Als de ingang van terugwerkende kracht in het voorgaande kalenderjaar plaatsvindt, zijn er mogelijk gevolgen voor de belastingdienst en het CAK. De inwoner wordt hierover geïnformeerd.

3. Toepasselijkheid

Artikel 4: Overleggen gegevens

  • 1. Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van zijn of haar gegevens.

  • 2. Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren.

  • 3. Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het dagelijks bestuur of dat verwijtbaar is.

  • 4. Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het dagelijks bestuur de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens.

  • 5. In het kader van de Wet eenmalige uitvraag werk en inkomen vraagt het dagelijks bestuur geen gegevens bij belanghebbende op, die ook vanuit de eigen systemen actueel inzichtelijk zijn.

Artikel 5: Bankafschriften

  • 1. Bij onderzoeken naar het recht op uitkering vraagt het dagelijks bestuur in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden.

  • 2. Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe aanleiding bestaat.

  • 3. Het dagelijks bestuur accepteert bankafschriften waarop de uitgaven deels onleesbaar zijn gemaakt, tenzij de onleesbaar gemaakte gegevens noodzakelijk zijn ter beoordeling van het recht op bijstand.

Artikel 6: Vermogen

  • 1. Het dagelijks bestuur beoordeelt het recht op bijstand op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt het dagelijks bestuur alleen rekening met reëel opeisbare schulden.

  • 2. Alleen het vermogen boven de vermogensgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 van de participatiewet wordt in aanmerking genomen.

  • 3. Bij twijfel of onduidelijkheid over het vermogen of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vermogensgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld.

  • 4. Het dagelijks bestuur maakt waar mogelijk gebruik van gegevensuitwisseling met andere instanties.

Artikel 7: Vaststelling van het vermogen

  • 1. Bij de bepaling van het vermogen zoals bepaald in artikel 34 van de Participatiewet laat het dagelijks bestuur auto’s en motoren die ouder zijn dan 10 jaar buiten beschouwing, tenzij het een auto betreft met een bijzondere dagwaarde;

  • 2. Bij het bepalen van de waarde van auto’s jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde, hanteren we de dagwaarde (laagste richtprijs in de kolom “situatie bij aankoop auto”) van de Koerslijst ANWB.

  • 3. Bij de auto’s en motoren die tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van € 3.000 in totaal.

  • 4. Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling; van het bij de aanvraag om bijstand aanwezige saldo op alle rekeningen (ook van de ten laste komende kinderen) wordt een bedrag niet tot de middelen gerekend. Het bedrag dat wordt vrijgelaten is 1,5 maal de van toepassing zijnde norm (inclusief vakantietoeslag).

  • 5. Volledige waarde van een uitvaartverzekering wordt niet meegenomen, ook niet als deze afkoopbaar is.

  • 6. Bij co-ouderschap geldt de vermogensgrens alleenstaande ouder (artikel 34, derde lid, van de Participatiewet).

  • 7. De waarde van een levensverzekering vastgelegd voor een uitvaart, wordt niet meegenomen tenzij deze een waarde heeft die hoger is dan de in de bijzondere bijstand vastgelegde kosten voor een crematie/begrafenis.

Artikel 8: Informatieverstrekking tijdens de uitkering

De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering in principe te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan, doch uiterlijk op de eerste werkdag van de volgende maand.

Artikel 9: Giften/leningen

  • 1. Alle eenmalige en periodieke giften zowel in geld als in natura worden niet tot de middelen gerekend, voor zover deze:

    • a.

      De vrijlatingsgrens, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m, van de participatiewet, niet overschrijden;

    • b.

      de vrijlatingsgrens overschrijden en naar het oordeel van het dagelijks bestuur, in het licht van bijstandsverlening, verantwoord zijn.

  • 2. Het ontvangen van giften tot een bedrag zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 onder m van de participatiewet per kalenderjaar valt niet onder de inlichtingenplicht.

  • 3. De wettelijke vrijlating geldt per uitkering, niet per uitkeringsgerechtigde.

  • 4. De vrijlatingsgrens wordt per kalenderjaar vastgesteld en geldt voor het gehele kalenderjaar, ongeacht de ingangsdatum van de bijstandsverlening. Het restant vrijlatingsbedrag kan na afloop van het kalenderjaar niet meegenomen worden naar het volgende jaar.

  • 5. De waarde van giften in natura wordt bepaald aan de hand van Prijzengids zoals opgesteld door het NIBUD. Indien niet opgenomen in de prijzengids van het NIBUD, wordt een gift in natura tegen de waarde in het economisch verkeer in aanmerking genomen.

  • 6. Alle niet-herleidbare ontvangsten of ontvangsten waarvoor geen afdoende verklaring is, worden als middelen aangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld kasstortingen, betaalverzoeken, cryptovaluta en/of bijschrijvingen op de bankrekening van de klant of zijn in de bijstand inbegrepen gezinsleden.

  • 7. Giften met een periodiek karakter worden boven de giftenvrijlating in aanmerking genomen als inkomen. Giften hoger dan de wettelijke grens met een eenmalig karakter worden voor het meerdere in aanmerking genomen als vermogen.

  • 8. Giften in natura verstrekt door een charitatieve instelling worden niet tot de middelen gerekend.

  • 9. Als een bonus wordt ontvangen van de werkgever dan telt deze mee als gift wanneer de bonus eenmalig als beloning voor een bijzondere prestatie is toegekend en niet valt onder de CAO afspraken, afspraken in de individuele arbeidsovereenkomst of wettelijke aanspraken.

4. Inkomstenvrijlating

Artikel 10: Inkomstenvrijlating

  • 1. Er bestaan vier vrijlatingen van inkomsten uit arbeid; de algemene inkomstenvrijlating, de tijdelijke inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor een tot hun last komende kind tot 12 jaar, de inkomstenvrijlating voor mensen die medisch urenbeperkt zijn en de inkomstenvrijlating voor mensen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 31, tweede lid, onderdelen j,n,r,y,z en aa, van de Participatiewet en artikelen 8, tweede lid, 2, 5 en 7 van de IOAZ en IOAW)

  • 2. Voor de algemene inkomstenvrijlating en de tijdelijke inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders gelden dat deze moeten bijdragen aan de arbeidsinschakeling;

  • 3. De inkomstenvrijlatingen, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Participatiewet, zijn ook van toepassing op jongeren tot 27 jaar.

  • 4. Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat één keer per uitkeringsperiode. Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt:

    • a.

      de periode waarin de uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet;

    • b.

      de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking;

    • c.

      de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld de woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere uitkeringsnorm wordt voortgezet.

5. Schadevergoeding

Artikel 11: Schadevergoeding

  • 1. De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt.

  • 2. Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding toeziet.

  • 3. Een schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor immateriële schade wordt in beginsel niet tot het vermogen gerekend, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet;

  • 4. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding het bedrag van € 16.523,84. (prijspeil 2026, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd), dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen voor zover hierdoor de vermogensgrens wordt overschreden. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.

Criteria normverlaging

Artikel 12: Criteria voor het verlagen van de norm

  • 1. De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt:

    • a.

      10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is;

    • b.

      20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd is;

    • c.

      20% van de gehuwdennorm indien belanghebbende dakloos is en geen woning aanhoudt.

  • 2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is.

  • 3. Het dagelijks bestuur verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger.

Artikel 13: Inkomsten uit commerciële verhuur en kostgangers

  • 1. De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het dagelijks bestuur het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering op de uitkering.

  • 2. Belanghebbende toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door de volgende gegevens in te leveren:

    • a.

      een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst;

    • b.

      bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt; en

    • c.

      een beschikking huurtoeslag.

Artikel 14a: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming van dakloosheid

  • 1. Wanneer een hoofdbewoner met een bijstandsuitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting wordt de kostendelersnorm voor de inwonende partij buiten toepassing gelaten.

  • 2. De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om andere woonruimte te vinden. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het dagelijks bestuur besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.

  • 3. Het is aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat voldoende inspanning is geleverd om het inwonen niet langer te laten duren dan noodzakelijk door het overleggen van bewijsstukken.

  • 4. In afwijking van lid 1 is de kostendelersnorm wel van toepassing als iemand, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze persoon hiervoor woonachtig was.

  • 5. Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.

Artikel 14b: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/gehuwdennorm bij mantelzorg

  • 1. Wanneer het leveren van mantelzorg vanwege een intensieve zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder j van deze beleidsregels de aanleiding vormt om tijdelijk samen te wonen in hetzelfde huis dan telt de inwonende partij niet mee als kostendeler of als gehuwde van de hoofdbewoner(s).

  • 2. De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de individuele situatie. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het dagelijks bestuur besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.

  • 3. Het is aan de belanghebbende om het bestaan van de zorgbehoefte, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder j aannemelijk te maken door het overleggen van bewijsstukken.

  • 4. Van tijdelijk samenwonen is in beginsel alleen sprake wanneer de inwonende partij daarnaast een eigen woning aanhoudt.

  • 5. Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.

Artikel 15: Verhoging van de jongerennorm

  • 1. Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze:

    • a.

      Aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s) en

    • b.

      geen beroep kan doen op diens onderhoudsrecht jegens de ouders omdat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of het beroep hierop wegens veiligheid niet mogelijk is; of

    • c.

      als de ouders overleden zijn of niet bereikbaar in het buitenland zijn;

  • 2. De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 van de participatiewet (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen op grond van artikel 20 van de participatiewet voorzien.

  • 3. De totale uitkering voor de jongere kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder in een vergelijkbare situatie.

Artikel 16: Hardheidsclausule

Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 17: Intrekking oude beleidsregel

De ‘Beleidsregels rechtmatigheid 2025’ worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregel in werking treedt.

Artikel 18: Citeertitel en inwerkingtreding

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels rechtmatigheid 2026’ .

Deze beleidsregels treden in werking met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 10 april 2026

Het dagelijks bestuur van uitvoeringsorganisatie Baanbrekers,

de voorzitter,

Mevr. Mandemakers

de secretaris

Dhr. Van Oudheusden