Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam voor het toepassen en uitvoeren van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Beleidslijn Wet bibob Edam-Volendam 2026)

Geldend van 23-06-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam voor het toepassen en uitvoeren van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Beleidslijn Wet bibob Edam-Volendam 2026)

Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;

gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur en het Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

overwegende dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming over het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

B E S L U I T E N :

vast te stellen de navolgende Beleidslijn Wet bibob Edam-Volendam 2026.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Definities

  • 1. De definities in artikel 1, eerste lid van de Wet bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in het tweede lid anders is bepaald.

  • 2. In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      Apv: de Algemene plaatselijke verordening Edam-Volendam;

    • b.

      bestuursorgaan: de burgemeester van Edam-Volendam onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam;

    • c.

      Bibob-vragenformulier: formulier vastgesteld op grond van artikel 7a, vijfde lid van de Wet bibob;

    • d.

      Bureau: het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoeld in artikel 8 van de Wet bibob;

    • e.

      eigen onderzoek: de wijze waarop de gemeente Edam-Volendam in beginsel toepassing geeft aan artikel 7a van de Wet bibob, waarbij onderzoek wordt gedaan naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, eerste tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid van de Wet bibob;

    • f.

      gemeente: de gemeente Edam-Volendam;

    • g.

      OM: het Openbaar Ministerie;

    • h.

      RIEC: het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum;

    • i.

      wet: de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob).

Artikel 1.2 Afbakening

Uitvoering van het eigen onderzoek vindt plaats als hiertoe een aanleiding bestaat op grond van:

  • a.

    Een tip verkregen vanuit het OM zoals omschreven in artikel 26 Wet Bibob en/of ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob (artikel 26 Wet Bibob);

  • b.

    informatie verkregen van het landelijk Bureau Bibob (artikel 11 en/of 11a wet Bibob);

  • c.

    informatie verkregen van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

  • d.

    informatie verkregen van andere rechtspersonen met een overheidstaak of andere bestuursorganen;

  • e.

    informatie verkregen uit de eigen ambtelijke organisatie;

  • f.

    informatie verkregen uit het Bibob-register;

  • g.

    andere relevante signalen over:

    • I.

      de (integriteit van de) betrokkene of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet bibob; of

    • II.

      de organisatiestructuur, zeggenschapsverhouding, wijze van financiering; of onderaannemers in geval van een overheidsopdracht.

Artikel 1.3 Geen Bibob-onderzoek

Onverminderd artikel 1.2 blijft uitvoering van het eigen onderzoek achterwege, indien de betrokkene:

  • a.

    een (semi)overheidsinstantie is;

  • b.

    een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet exploiteert;

  • c.

    een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet is.

Hoofdstuk 2 Beschikkingen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik bij vergunningaanvragen

  • 1. Uitvoering van het eigen onderzoek vindt in beginsel plaats bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet (Alcoholwetvergunning) met uitzondering van de vergunning voor het slijtersbedrijf;

    • b.

      artikel 30b, eerste lid van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning);

    • c.

      artikel 2:25, eerste lid van de Apv, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportwedstrijd of -gala (evenementenvergunning voor een vechtsportwedstrijd of -gala);

    • d.

      artikel 2:28, eerste lid van de Apv (exploitatievergunning openbare inrichting);

    • e.

      artikel 2:28a, derde lid van de Apv (vergunning tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat);

    • f.

      artikel 2:39, eerste lid van de Apv (vergunning speelgelegenheid);

    • g.

      artikel 2:72, eerste lid van de Apv (vergunning vuurwerkverkooppunt);

    • h.

      artikel 3:3, eerste lid van de Apv (vergunning seksbedrijf).

  • 2. Bij aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.2 of artikel 3.2 van de Huisvestingsverordening Edam-Volendam 2025 (op grond van artikel 7, eerste lid respectievelijk artikel 21, eerste lid van de Huisvestingswet 2014), vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 3. Bij aanvragen om overige vergunningen of ontheffingen als bedoeld in artikel 7 van de Wet bibob, voor zover deze niet zijn genoemd in deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 4. Onverminderd artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a. van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit) en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a. van de Omgevingswet (bouwactiviteit) plaats, indien:

    • a.

      de bouwkosten € 500.000,- of meer bedragen; of

    • b.

      de bouwactiviteit of omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op, dan wel wordt uitgevoerd door of ten behoeve van een onderneming die actief is in een van de volgende risico branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

      • i.

        horecabedrijven (uitgezonderd ondersteunende horeca);

      • ii.

        seksbedrijven;

      • iii.

        coffeeshops;

      • iv.

        speelautomatenhallen;

      • v.

        smart-, head- en growshops;

      • vi.

        sportscholen en fitnesscentra;

      • vii.

        wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s, sauna’s);

      • viii.

        autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);

      • ix.

        opkopers en handelaren in gebruikte of ongeregelde goederen;

      • x.

        belwinkels;

      • xi.

        woonwagenterreinen;

      • xii.

        terreinen voor kermisexploitanten;

      • xiii.

        kapsalons;

      • xiv.

        zorgaanbieders;

      • xv.

        geldwisselkantoren;

      • xvi.

        wijzigen gebruik van vastgoedobjecten;

      • xvii.

        huisvesting van arbeidsmigranten; of

      • xviii.

        een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

    • c.

      Bij bouwactiviteiten, en bij omgevingsplanactiviteiten voor zover daar bouwkosten mee gemoeid zijn, vindt onderzoek bij de hierboven genoemde risicocategorieën slechts plaats indien de bouwkosten € 25.000,- of meer bedragen.

    • d.

      de bouwactiviteit of omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een van de volgende risicogebieden:

      • i.

        het waterfront, althans, het gebied lopende vanaf Noordeinde 1 tot Zuideinde 2 in Volendam (zie bijlage 1 met kaart);

      • ii.

        een ander risicogebied dat door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

    • e.

      Bij bouwactiviteiten, en bij omgevingsplanactiviteiten voor zover daar bouwkosten mee gemoeid zijn, vindt onderzoek bij de hierboven genoemde risicogebieden slechts plaats indien de bouwkosten € 25.000,- of meer bedragen.

  • 5. Onverminderd artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b. van de Omgevingswet (milieubelastende activiteit) plaats, indien:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op een de volgende risico branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

      • i.

        vuurwerkhandel;

      • ii.

        afvalbedrijven;

      • iii.

        autodemontage;

      • iv.

        transportsector;

      • v.

        herstelinrichtingen voor motorvoertuigen;

      • vi.

        op- en overslagbedrijven;

      • vii.

        inrichtingen voor gebruik of opslag voor wapens en munitie; of

      • viii.

        een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

    • b.

      de aanvraag betrekking heeft op het in artikel 2.1, vierde lid onder c. van deze beleidslijn genoemde risicogebied of een ander risicogebied dat door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

Artikel 2.2 Toepassingsbereik bij subsidieaanvragen

Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht vindt alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Artikel 2.3 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot verleende beschikkingen vindt alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties

Paragraaf 1 Vastgoedtransacties

Artikel 3.1 Toepassingsbereik voorafgaand aan vastgoedtransacties

Onverminderd artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek plaats voordat een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft:

  • a.

    een waarde heeft van € 1.000.000,- of meer;

  • b.

    naar het oordeel van het bestuursorgaan beeldbepalend is, dan wel symbolische waarde heeft;

  • c.

    zal worden gebruikt in een van de in artikel 2.1, vierde lid onder b. of 2.1, vijfde lid onder a. van deze beleidslijn genoemde risicocategorieën of een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt; of

  • d.

    zich bevindt in het in artikel 2.1, vierde lid onder c. van deze beleidslijn genoemde risicogebied of een ander risicogebied dat door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

Artikel 3.2 Geen overeenkomst vastgoed

Indien is besloten tot het starten van een Bibob-onderzoek, komt in ieder geval geen overeenkomst tot stand totdat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond en het onderzoek naar het oordeel van het bestuursorgaan geen aanleiding geeft tot het afbreken van de onderhandelingen, tenzij partijen dat nadrukkelijk anders overeenkomen.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik na totstandkoming vastgoedtransacties

Het bestuursorgaan zal, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een clausule als bedoeld in artikel 5a, onder b. van de Wet bibob is opgenomen en:

  • a.

    partijen, in afwijking van artikel 3.2 van deze beleidslijn, overeengekomen zijn dat het Bibob-onderzoek plaats zal vinden na het sluiten van de overeenkomst; of

  • b.

    zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Paragraaf 2 Overheidsopdrachten

Artikel 3.4 Toepassingsbereik overheidsopdrachten (voorafgaand aan overeenkomst)

  • 1. Voorafgaand aan de gunning van een overheidsopdracht of het sluiten van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 2. Indien het college van burgemeester en wethouders [MK: in plaats van bestuursorgaan kan hier college staan omdat de burgemeester hier niet over gaat] in het bestek als voorwaarde heeft gesteld dat onderaannemers niet zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders worden gecontracteerd en zich in dat kader het recht heeft voorbehouden advies te vragen aan het bureau, vindt uitvoering van het eigen onderzoek naar een onderaannemer alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Artikel 3.5 Toepassingsbereik overheidsopdrachten (na totstandkoming overeenkomst)

Het bestuursorgaan zal, nadat een overeenkomst inzake een overheidsopdracht is gesloten, uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een ontbindende Bibob-clausule als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b. van de Wet bibob is opgenomen en zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Hoofdstuk 4 Uitvoering eigen onderzoek

Artikel 4.1 Eigen onderzoek

  • 1. In het kader van het eigen onderzoek vult de betrokkene het Bibob-vragenformulier in en verstrekt daarbij de daarin verzochte gegevens en bescheiden.

  • 2. Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan het bestuursorgaan zich laten ondersteunen door het RIEC.

  • 3. Het eigen onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

    • a.

      de door de betrokkene verstrekte informatie op en bij het Bibob-vragenformulier;

    • b.

      open bronnen, zoals het internet, het Handelsregister en het Kadaster;

    • c.

      gemeentelijke systemen, zoals de Basisregistratie Personen;

    • d.

      politie-, justitiële, strafvorderlijke en fiscale gegevens over de betrokkene en zijn Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid onder c. van de Wet bibob, voor zover het bestuursorgaan daartoe bevoegd is; en

    • e.

      overige informatie verkregen van een van de partners van het RIEC, het bureau of andere rechtspersonen met een overheidstaak of bestuursorganen.

  • 4. Het bestuursorgaan kan naar aanleiding van de door de betrokkene verstrekte informatie nadere vragen stellen en stukken opvragen, indien het bestuursorgaan van mening is dat de reeds verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om het Bibob-onderzoek volledig te kunnen verrichten.

Artikel 4.2 Adviesaanvraag Bureau

In aanvulling op het eigen onderzoek kan het bestuursorgaan het

Bureau verzoeken onderzoek te verrichten en advies uit te brengen, indien bijvoorbeeld:

  • a.

    de officier van justitie, een rechtspersoon met een overheidstaak, een bestuursorgaan of het Bureau het bestuursorgaan op grond van respectievelijk de artikelen 26 en 11 van de Wet bibob hebben bericht;

  • b.

    het bestuursorgaan een zogeheten ‘11a-bericht’ heeft ontvangen van het Bureau en dit bericht aanleiding geeft tot het aanvragen van een advies;

  • c.

    naar het oordeel van het bestuursorgaan de expertise of informatiepositie van het Bureau noodzakelijk is;

  • d.

    na het uitvoeren van het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over:

  • I.

    omstandigheden in de persoon van de betrokkene of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet bibob;

  • II.

    de organisatiestructuur of zeggenschapsverhouding van de betrokkene; of

  • III.

    de wijze van financiering.

Hoofdstuk 5 Gevolgen van het Bibob-onderzoek

Artikel 5.1 Gevolgen van ontoereikende informatievoorziening door betrokkene bij beschikkingen

  • 1. Het bestuursorgaan laat een aanvraag om een beschikking in beginsel buiten behandeling, als het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, of het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 2. Het bestuursorgaan trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 3. Het bestuursorgaan weigert een aanvraag in beginsel, of trekt een verleende beschikking in beginsel in, als van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau op grond van artikel 12 van de Wet bibob gestelde vragen, of het niet of niet volledig verstrekken van de door het Bureau op basis van datzelfde artikel verzochte gegevens.

Artikel 5.2 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij beschikkingen

  • 1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot het afwijzen van een aanvraag om een beschikking of tot intrekking van een reeds verleende beschikking, als uit het eigen onderzoek of uit het advies van het Bureau blijkt dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet bibob, of als zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de Wet bibob, tenzij is gebleken dat met een minder vergaand middel kan worden volstaan. Als het een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wet bibob betreft, gaat het bestuursorgaan slechts over tot weigering of intrekking voor zover de ernst van de feiten dit rechtvaardigt. Weigering en intrekking op grond van artikel 3, zesde lid van de Wet bibob vindt slechts plaats voor zover dit tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

  • 2. Het bestuursorgaan zal bij een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid van de Wet bibob in beginsel voorschriften aan de beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van een dergelijk gevaar.

Artikel 5.3 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties

  • 1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, als uit het eigen onderzoek of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat ten minste een van de onderstaande situaties zich voordoet:

    • a.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

    • b.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

    • c.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot ernstige strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente van dusdanige ernst zijn dat zij het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigen (ongeacht de mate van gevaar);

    • d.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

    • e.

      de betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a van de Wet bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het bestuursorgaan zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het bestuursorgaan gestelde termijn volledig te beantwoorden;

    • f.

      de betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 van de Wet bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig te beantwoorden.

  • 2. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart na de totstandkoming van een vastgoedtransactie, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.4 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij overheidsopdrachten

  • 1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012, dan wel als onderbouwing van de conclusie dat de betrokkene niet voldoet aan de gestelde geschiktheidseisen.

  • 2. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek naar een inschrijving op een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b. van de Wet bibob, wordt in de inkoopdocumenten voorzien.

  • 3. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat een overeenkomst inzake een overheidsopdracht is gesloten, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.5 Gevolgen van het (vermoedelijk) plegen van een strafbaar feit

In geval het bestuursorgaan vermoedt dat op enig moment een strafbaar feit is gepleegd ter verkrijging of behoud van een beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht, kan zij los van eventuele bestuursrechtelijke of civielrechtelijke consequenties, tevens strafrechtelijk aangifte doen.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking oude beleidslijn

De Bibob-beleidslijn horeca Edam-Volendam, vastgesteld op 16 mei 2006, herzien op 4 maart 2008 en op 19 oktober 2010 en herbevestigd op 20 december 2017, wordt ingetrokken.

Artikel 6.2 Citeertitel

Deze beleidslijn wordt aangehaald als: Beleidsregel Wet bibob Edam-Volendam 2026.

Artikel 6.3 Datum inwerkingtreding

Deze beleidslijn treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 9 juni 2026,

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam,

de secretaris,

N.A. Hellingman-Kuiper.

de burgemeester,

R.J. Beukers.

Aldus besloten op 9 juni 2026,

de burgemeester van Edam-Volendam,

R.J. Beukers.

Bijlage 1 als bedoeld in artikel 2.1, onderdeel i – Waterfront

afbeelding binnen de regeling

Toelichting

Algemeen – Waarom een wijziging van de Bibob-beleidslijn?

De aanleiding voor de wijziging van de beleidslijn is gelegen in een drietal redenen. Ten eerste worden in de nieuwe Bibob-beleidslijn de meest recente wijzigingen van de Wet bibob (eerste en tweede tranche) in aanmerking genomen. Met deze wetswijziging heeft de wetgever onder meer een verruiming van het toepassingsbereik van de Wet bibob, een verruiming van bevoegdheden voor bestuursorganen en een verruiming van informatiedeling gerealiseerd. De wetgever heeft hiermee beoogd bestuursorganen beter in staat te stellen een effectief Bibob-onderzoek te verrichten. Het beleid is dan ook zo aangepast dat deze wijzigingen hierin zijn meegenomen. Ten tweede is per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking getreden. Met deze geactualiseerde beleidslijn wordt aangesloten bij het toepassingsbereik van de wet, zoals geregeld in de Omgevingswet. Ten derde zijn de beleidskeuzes uit de voorgaande beleidslijn (voor het laatst herzien in 2017) tegen het licht gehouden en afgezet tegen de huidige inzichten. Dit heeft geleid tot een herijkt Bibob-beleid.

Artikelsgewijze toelichting op de beleidslijn

Hoofdstuk 1 Algemeen

In paragraaf 1 van deze beleidslijn is een aantal algemene artikelen opgenomen dat ziet op de toepassing van de Wet bibob door de gemeente en haar bestuursorganen.

Artikel 1.2

De Wet bibob is van toepassing op in de wet aangewezen vergunningen, subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten. Aangezien de gemeente geen zaken wenst te doen met malafide partijen, zal op al deze gebieden in alle gevallen waarin er signalen zijn dat de betrokkene of zijn Bibob-relaties niet integer zijn, een Bibob-onderzoek worden gestart. Deze signalen kunnen voortvloeien uit de bronnen zoals genoemd in deze bepaling, waarbij uitdrukkelijk wordt vermeld dat de opsomming in dit artikel niet uitputtend is. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat eventuele nieuwe toepassingsgebieden van de Wet bibob automatisch onder deze bepaling vallen.

Artikel 1.3

Deze bepaling regelt in welke gevallen in beginsel geen Bibob-onderzoek zal worden verricht. Dat is onder meer het geval indien de betrokkene een overheids- of een semioverheidsinstantie is. Semioverheid is een algemene aanduiding voor allerlei soorten organisaties die 'dicht tegen de overheid aan zitten'. Kenmerkend voor een semioverheid is dat sprake is van:

a. wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang; en

b. een (flinke) publieke financiering.

Hoofdstuk 2 Beschikkingen

In hoofdstuk 2 van de beleidslijn zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de wijze van toepassing van de wet bij (aanvragen voor) beschikkingen.

Artikel 2.1

Het eerste lid van dit artikel geeft een opsomming van de vergunningen waarbij bij iedere aanvraag een Bibob-onderzoek zal worden gestart.

In het vierde en vijfde lid is de wijze van uitvoering van eigen onderzoek met betrekking tot de Omgevingswet geregeld. Het gaat hier om de bouwactiviteit, de omgevingsplanactiviteit en de milieubelastende activiteit. Het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (hierna: het college) heeft enkele risicocategorieën opgenomen gelet op de omstandigheid dat deze gevoelig worden geacht voor criminele invloeden. Hierbij is aangesloten bij in Bibob-beleidsregels van grote gemeenten opgenomen risicocategorieën. Het college behoudt bovendien de mogelijkheid om bij aanwijzingsbesluit nieuwe risicocategorieën aan te wijzen, indien het signalen ontvangt dat bepaalde branches in trek zijn bij criminelen. Verder merkt het college het waterfront, lopende vanaf Noordeinde 1 tot Zuideinde 2 in Volendam, aan als risicogebied. Tevens heeft het college de mogelijkheid om bij aanwijzingsbesluit extra risicogebieden aan te wijzen, indien het signalen ontvangt dat een bepaald gebied in trek is bij criminelen. Daarmee blijft het college flexibel en voorkomt het dat criminelen op de beleidskeuzes inspelen.

Bij een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en een omgevingsplanactiviteit, voor zover daar bouwkosten mee gemoeid zijn, hanteert het college een (drempel)bedrag, voordat eigen onderzoek wordt verricht. De bouwkosten worden door het college zelf berekend. Indien een aanvrager binnen één jaar meerdere aanvragen indient voor hetzelfde project met een lagere bouwsom dan het drempelbedrag, zullen de bedragen bij elkaar worden opgeteld. Als het college vermoedt dat de betrokkene een Bibob-onderzoek tracht te voorkomen, door bewust (meerdere) aanvragen met lagere bouwkosten in te dienen, zal het bovendien ook een onderzoek starten.

Artikel 2.3

Uitvoering van het eigen onderzoek na verlening van de beschikking vindt slechts plaats indien signalen (als bedoeld in artikel 1.2 van de beleidslijn) hier aanleiding toe geven. Indien het onderzoek gedurende de aanvraag(fase) wordt opgestart, maar om wat voor reden dan ook niet tijdig kan worden afgerond, kan het voorkomen dat het onderzoek na verlening van de beschikking wordt voortgezet. Het bestuursorgaan zal dit in dit geval communiceren aan de betrokkene.

Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties

In hoofdstuk 3 van de beleidslijn wordt uiteengezet in welke gevallen het gemeentebestuur toepassing geeft aan de wet bij (het aangaan van) privaatrechtelijke transacties.

Paragraaf 1 Vastgoedtransacties

Artikel 3.2

Om te voorkomen dat de wederpartij erop vertrouwt dat een overeenkomst tot stand komt, maakt dit artikel duidelijk dat de gemeente in de regel het resultaat van het Bibob-onderzoek afwacht, voordat het een beslissing neemt over het al dan niet aangaan van de overeenkomst. Van dat uitgangspunt kan door partijen worden afgeweken door de overeenkomst gedurende het Bibob-onderzoek aan te gaan, indien beide daar om welke redenen dan ook belang aan hechten. In die overeenkomst zal in dat geval wel een Bibob-beëindigingsclausule zijn opgenomen en dient de wederpartij er nadrukkelijk rekening mee te houden dat het Bibob-onderzoek na afronding alsnog kan leiden tot beëindiging van de overeenkomst.

Artikel 3.3

Het onderzoek naar de wederpartij bij een vastgoedtransactie kan niet alleen vooraf worden uitgevoerd, maar ook nadat die transactie tot stand is gekomen. Voorwaarde is wel dat in de betreffende overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule is opgenomen. Mede afhankelijk van het soort vastgoedtransactie, is het uitgangspunt dat die bepaling in beginsel in iedere overeenkomst wordt opgenomen.

Paragraaf 2 Overheidsopdrachten

Artikel 3.5

Net als bij vastgoedtransacties geldt ook bij overheidsopdrachten dat eigen onderzoek niet alleen vooraf kan worden uitgevoerd, maar ook nadat de overeenkomst tot stand is gekomen. Voorwaarde is dat in de betreffende overeenkomst een ontbindende Bibob-clausule is opgenomen. De gemeente zal als uitgangspunt hanteren dat deze clausule in iedere overeenkomst wordt opgenomen.

Hoofdstuk 4 Uitvoering eigen onderzoek

Artikel 4.1

In deze bepalingen wordt globaal weergegeven hoe het Bibob-onderzoek verloopt en welke bronnen worden geraadpleegd. Deze opsomming van bronnen is niet limitatief en kan in de loop van de tijd veranderen, afhankelijk van de gewijzigde bevoegdheden van de gemeente en het bestuursorgaan. De bronnen kunnen in willekeurige volgorde geraadpleegd worden: het onderzoek hoeft niet altijd te starten met het uitreiken van het Bibob-vragenformulier. Het kan voorkomen dat de gemeente of het bestuursorgaan naar aanleiding van de ingediende bescheiden vragen heeft over bijvoorbeeld de wijze van financiering, de personen die tot de betrokkene in relatie staan of andere voor het onderzoek relevante aspecten. De gemeente of het bestuursorgaan kan in dat geval (herhaaldelijk) nadere vragen stellen en stukken opvragen, totdat zij van mening is dat de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zijn om het Bibob-onderzoek volledig te kunnen verrichten.

Artikel 4.2

Indien na het eigen onderzoek naar het oordeel van de gemeente of het bestuursorgaan noodzaak tot vervolgonderzoek bestaat, zal het Bureau worden verzocht advies uit te brengen. Dat zal in beginsel altijd gebeuren bij een tip van de officier van justitie als bedoeld in artikel 26 van de Wet bibob of een tip van het Bureau als bedoeld in artikel 11 van de Wet bibob. Het is eveneens mogelijk dat bestuursorganen, dan wel rechtspersonen met een overheidstaak, onderling elkaar een Bibob-tip sturen. Ook deze tip zal in beginsel aanleiding voor een adviesaanvraag bij het Bureau zijn. De gemeente of het bestuursorgaan zal ook advies aanvragen, indien zij bijvoorbeeld de expertise van het Bureau nodig acht om de mate van gevaar te beoordelen of indien zij over bepaalde voor het Bibob-onderzoek relevante personen zelf niet alle informatiebronnen kan raadplegen.

Hoofdstuk 5 Gevolgen van het Bibob-onderzoek

Artikel 5.1

Om het Bibob-onderzoek te kunnen uitvoeren, is het van belang dat de betrokkene volledig inzicht biedt in de herkomst van de financiering, de identiteit van de vermogensverschaffers en de identiteit van de (rechts)personen met zeggenschap. Bovendien zal duidelijk moeten worden wie feitelijke invloed heeft binnen de onderneming. Deze partijen zijn op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c. van de Wet bibob immers relevant voor het onderzoek. Indien de betrokkene hierover onvoldoende gegevens verstrekt, dan zal het bestuursorgaan niet tot vergunning- of subsidieverlening overgaan, dan wel de gegeven beschikking intrekken. Indien een betrokkene op enigerlei wijze (direct dan wel indirect) wordt gefinancierd middels crowdfunding, zal de betrokkene (dan wel het crowdfundingsplatform) inzicht moeten geven in de identiteit van de investeerders. Doet zij dit niet, dan zal het bestuursorgaan hier in beginsel de hiervoor genoemde gevolgen aan verbinden.

Artikel 5.2

In het eerste lid is bepaald dat het bestuursorgaan bij de conclusie ernstig gevaar in beginsel overgaat tot het weigeren of intrekken van de beschikking. Een dergelijke weigering of intrekking is echter geen automatisme. Het bestuursorgaan zal steeds de individuele belangen van de betrokkene afwegen tegen het belang van het niet faciliteren van strafbare feiten. Bovendien zal het bestuursorgaan op grond van artikel 3, vijfde lid van de Wet bibob overwegen of de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking rechtvaardigt, voor zover het gaat om een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wet bibob.

Per 1 augustus 2020 biedt de Wet bibob de bevoegdheid om ook bij een ernstig gevaarconclusie voorschriften aan de beschikking te verbinden, voor zover de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan zal telkens onderzoeken of van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Dit zal mede afhangen van de aard en de ernst van de geconstateerde strafbare feiten. Berust de gevaarconclusie op (zeer) ernstige strafbare feiten of is door of namens de betrokkene (eerder) gebruikgemaakt van een schijnconstructie, dan zal het bestuursorgaan in de regel niet snel overgaan tot het verbinden van voorschriften. Ook het plegen van strafbare feiten ter verkrijging of behoud van de beschikking of anderzijds vermoedens van strafbare feiten met een verhullend karakter, kunnen ertoe leiden dat het bestuursorgaan er onvoldoende vertrouwen in heeft dat voorschriften zullen worden nageleefd.

Op grond van het tweede lid zal het bestuursorgaan in beginsel voorschriften aan de beschikking verbinden wanneer sprake is van een conclusie van een mindere mate van gevaar. Deze voorschriften zien op het wegnemen dan wel beperken van het geconstateerde gevaar. Gedacht kan worden aan de verplichting voor de betrokkene om periodiek financiële gegevens te verstrekken. Een andere mogelijkheid is de verplichting voor de betrokkene om de banden met de personen met antecedenten volledig te verbreken en verbroken te houden.

Artikel 5.3

Waar bij beschikkingen het uitgangspunt is dat deze verleend moeten worden, tenzij sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, gelden bij vastgoedtransacties de beginselen van partijautonomie en contractsvrijheid. Vanwege die contractsvrijheid hoeft de uitkomst van het Bibob-onderzoek in beginsel niet bepalend te zijn voor de vraag of de vastgoedtransactie al dan niet wordt aangegaan. Onderhandelingen kunnen ook worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar. De gemeente past het Bibob-instrument dus in een bredere integriteitscontext toe en kan ook om andere redenen bepalen geen overeenkomst aan te gaan. Te denken valt aan de volgende situaties:

  • Tijdens de fase van het eigen onderzoek blijkt reeds dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Afhankelijk van de ernst van die feiten kan de gemeente bepalen de onderhandelingen af te breken zonder advies van het Bureau of conclusie over de mate van gevaar.

  • De betrokkene weigert om een Bibob-vragenformulier (volledig) in te vullen, weigert inzicht te geven in de identiteit van de financier of weigert aanvullende vragen van het Bureau te beantwoorden.

  • De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten die niet meewegen bij de conclusie over het gevaar, maar die naar het oordeel van de gemeente wel aanleiding vormen om geen overeenkomst aan te gaan. Bijvoorbeeld omdat het de reputatie van de gemeente kan schaden wanneer de transactie wordt aangegaan.

Doet een van de situaties uit dit artikel zich voor, dan is de gemeente niet verplicht tot het afbreken van de onderhandelingen. De gemeente zal in het concrete geval altijd afwegen of zij het afbreken van de onderhandelingen proportioneel acht.

Artikel 5.4

Het eerste lid heeft betrekking op overheidsopdrachten als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012. De gunning van een dergelijke overheidsopdracht geschiedt niet aan de hand van de criteria in de Wet bibob, maar op grond van (de uitsluitingsgronden in) de Aanbestedingswet 2012. Het Bibob-onderzoek kan in de gunningsfase slechts dienen ter onderbouwing van die uitsluitingsgronden en geschiktheidscriteria.

Het tweede lid heeft betrekking op overheidsopdrachten als bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b. van de Wet bibob. De inkoop van jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning door middel van een (semi) open house-procedure of toelatingsprocedure kwalificeert niet als overheidsopdracht in de zin van de Aanbestedingswet 2012. De Aanbestedingswet 2012 is daarom niet van toepassing op dergelijke overheidsopdrachten en is er meer ruimte voor contractsvrijheid. Desondanks gelden de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht wel, met name de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling van ondernemers, en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting. De gemeente maakt in de inkoopdocumenten op voorhand kenbaar in welke situaties een gegadigde kan worden uitgesloten van (verdere) deelname aan de inkoopprocedure.

In het derde lid is bepaald dat in de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat een overeenkomst inzake een overheidsopdracht is gesloten, zowel voor overheidsopdrachten als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012 als overheidsopdrachten als bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b. van de Wet bibob, bij overeenkomst wordt voorzien. De gemeente zal in dat geval een ontbindende voorwaarde hebben bedongen, waarin is opgenomen in welke gevallen zij de overeenkomst kan ontbinden. Zij is hierbij niet uitsluitend gehouden aan de uitsluitingsgronden in de Aanbestedingswet 2012.

Artikel 5.5

Als het vermoeden bestaat dat in het kader van de Bibob-procedure een strafbaar feit (bijvoorbeeld valsheid in geschrifte) is gepleegd, dan kan de gemeente of het bestuursorgaan – naast dat zij hier gevolgen aan verbindt in de bestuursrechtelijke of een civielrechtelijke procedure – ook besluiten strafrechtelijk aangifte te doen.