Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR763168
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR763168/1
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen
Geldend van 24-06-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente KampenHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen;
Gelezen het voorstel van 26-05-2026 met kenmerk 84714-2025,
Gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 4:81 en verder van de Algemene wet bestuursrecht,
Gelet op de Verordening sociaal domein gemeente Kampen,
besluit vast te stellen de volgende
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen
Handreiking voor inwoners en professionals
Inhoud
Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning
Hoofdstuk 2 De procedure van ondersteuningsvraag tot beschikking
Hoofdstuk 3 Beoordelen van de aanvraag
Hoofdstuk 4 Meedoen aan de samenleving
Hoofdstuk 5 Wonen
Hoofdstuk 6 Rolstoelen
Hoofdstuk 7 Het huishouden kunnen doen
Hoofdstuk 8 Begeleiding
Hoofdstuk 9 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Hoofdstuk 10 Vorm van de ondersteuning
Hoofdstuk 11 Persoonsgebonden budget
Hoofdstuk 12 Bijdrage in de kosten
Hoofdstuk 13 Verplichtingen
Hoofdstuk 14 Beëindigen, herzien, terugvorderen en opschorten van de voorziening
Hoofdstuk 15 Inwerkingtreding en citeertitel
Bijlage 1 Afwegingskader gebruikelijke hulp
Bijlage 2 Beoordelingskader Beschermd Wonen
Inleiding
Deze beleidsregels zijn een uitleg van hoe de maatschappelijke ondersteuning is geregeld op basis van de geldende regels in de gemeente Kampen. Die regels zijn in de gemeente Kampen neergelegd in de Verordening sociaal domein gemeente Kampen en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. De Verordening sociaal domein en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen zijn op hun beurt weer gebaseerd op de Wmo 2015. Met de Wmo 2015 (hierna Wmo) worden inwoners ondersteund om zo lang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie.
De Wmo is een kaderwet. Dat houdt in dat er veel beleidsvrijheid aan de gemeente is gelaten. Aan de hand van de individuele situatie van de inwoner en de regelgeving van de gemeente Kampen wordt vastgesteld of maatschappelijke ondersteuning noodzakelijk is. De beoordeling van de ondersteuningsvraag kan daarom per inwoner verschillen. Toch moet een beoordeling wel objectief zijn en moeten gelijke gevallen op een gelijke manier worden behandeld. In deze beleidsregels is de geldende gedragslijn van de gemeente Kampen neergelegd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over wetsinterpreterend beleid, de interpretatie ten aanzien van de vaststelling van feiten of de toepassing van de regels uit de Verordening sociaal domein of uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen.
Strategie Sociaal Domein
De meerjarenstrategie Sociaal Domein 2040 van de gemeente Kampen vormt het richtinggevende kader voor het lokale beleid, waaronder de beleidsregels van de Wmo. De strategie benadrukt het belang van passende ondersteuning op het juiste moment, waarbij inwoners snel, eenvoudig en dichtbij huis ondersteuning kunnen krijgen die aansluit op hun persoonlijke situatie. Dit sluit direct aan bij de Wmo-doelstellingen: het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. De strategie zet in op het versterken van de sociale basis en het normaliseren van alledaagse problemen, zodat niet alles direct medisch wordt benaderd. Hierdoor ontstaat een verschuiving van individuele ondersteuning naar collectieve, laagdrempelige ondersteuning.
Bijlagen en begrippen
De bijlagen bij deze beleidsregels maken integraal onderdeel uit van deze beleidsregels. In de Verordening sociaal domein en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp worden een aantal begrippen uitgelegd. Deze begrippen zijn eveneens van toepassing op deze beleidsregels.
Terminologie
In deze beleidsregels wordt vaak gesproken over de inwoner waarbij vervolgens wordt verwezen naar de inwoner met de woorden ‘hij’ en ‘hem’. Hiermee wordt niet alleen de mannelijke inwoner bedoeld, maar elke inwoner.
Ontwikkeling beleidsregels
Deze beleidsregels zijn met de grootste zorgvuldigheid opgesteld waarbij maximaal rekening is gehouden met de huidige kennis. De ontwikkelingen rondom de Wmo door bijvoorbeeld jurisprudentie maar ook door voortschrijdend inzicht kunnen aanleiding tot aanpassing zijn. Daarom zijn deze regels nadrukkelijk aan verandering onderhevig. Dit document is daardoor niet statisch en zal in de tijd aangevuld of aangepast worden indien hier aanleiding toe is. Het spreekt voor zich dat de gemeente in voorkomende gevallen handelt conform de hiervoor bedoelde ontwikkelingen.
Afwijken van deze beleidsregels (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze beleidsregels als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is.
Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning
De meeste mensen hebben de wens om zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en zichzelf te kunnen redden in en om het huis. Om de deur uit te gaan om dingen te ondernemen en andere mensen te ontmoeten. Soms is daar ondersteuning bij nodig. Bijvoorbeeld vanwege een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem. Gelukkig zijn er vaak familieleden, buren of vrienden die een handje willen helpen. In Kampen zijn er ook veel initiatieven in de buurt om de inwoner te helpen of activiteiten waaraan de inwoner deel kan nemen. Als deze hulp niet voldoende is, dan kan de gemeente maatschappelijke ondersteuning bieden. Met de gemeente wordt in deze beleidsregels het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen bedoeld.
1.1 Maatschappelijke ondersteuning in de Wmo
Er bestaan 3 varianten maatschappelijke ondersteuning die de gemeente kan bieden. Onder maatschappelijke ondersteuning wordt in de Wmo 2015 verstaan:
- 1.
Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsook het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;
- 2.
Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;
- 3.
Het bieden van beschermd wonen en opvang.
1.2 Beperkingen in de zin van de Wmo
Een inwoner kan in aanmerking komen voor maatschappelijke ondersteuning als deze inwoner beperkingen heeft in de zin van de Wmo 2015 en deze beperkingen niet voldoende kan verminderen of wegnemen door eigen kracht, algemeen gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen of door hulp uit zijn sociale netwerk. Een inwoner met beperkingen in de zin van de Wmo is:
- -
een inwoner die een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen heeft en daardoor problemen heeft op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie;
- -
een inwoner die in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is mee te doen in de samenleving;
- -
een inwoner van de gemeente die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.
In hoofdstuk 3 is nader uitgewerkt hoe de gemeente beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. Daar worden ook de begrippen eigen kracht, algemeen gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en hulp uit het sociale netwerk van de inwoner uitgelegd.
1.3 maatschappelijke ondersteuning
In deze beleidsregels zijn regels neergelegd over een aantal vormen van maatschappelijke ondersteuning. In deze beleidsregels worden echter niet uitputtend alle soorten maatschappelijke ondersteuning beschreven. De gemeente kan er ook voor kiezen een vorm van ondersteuning te verstrekken die niet beschreven is in deze beleidsregels. Deze vorm van ondersteuning moet dan wel voldoen aan de definitie van maatschappelijke ondersteuning.
Hoofdstuk 2 De procedure van ondersteuningsvraag tot beschikking
De procedure van de melding van de ondersteuningsvraag tot aan de beslissing van de gemeente waarin mogelijk maatschappelijke ondersteuning wordt toegekend is beschreven in hoofdstuk 2 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen.
2.1 Van melding tot beschikking
Hieronder is de procedure die begint bij de melding van de ondersteuningsvraag en eindigt bij de beslissing van de gemeente schematisch weergegeven.
|
1 |
Melding |
De inwoner meldt zich met zijn ondersteuningsvraag |
|
|
2 |
Ontvangstbevestiging door de gemeente (per brief, per e-mail of telefonisch) |
Met daarin in elk geval: Dat er contact wordt opgenomen voor het maken van een afspraak voor een gesprek, tenzij dit niet nodig is; Informatie over de mogelijkheid om: - een persoonlijk plan in te dienen – gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning |
|
|
3 |
Eventueel indienen van een persoonlijk plan |
Binnen 7 dagen na de melding mag de inwoner een persoonlijk plan indienen. |
|
|
6 weken |
4 |
De gemeente voert het onderzoek uit waarbij wordt gekeken welke ondersteuning de inwoner nodig heeft (gegevens worden vastgelegd in het gespreksverslag/ rapportage). Bij een spoedprocedure kan direct tijdelijke ondersteuning worden verstrekt. |
Tijdens het onderzoek onderzoekt de gemeente: De situatie van de inwoner; De persoonskenmerken en behoeften van de inwoner; Indien aangevraagd: de resultaten van een medisch advies; Welke ondersteuning in het kader van de Wmo de inwoner nodig heeft. De eigen kracht, eventuele andere regelingen waarop de inwoner een beroep kan doen, gebruikelijke hulp en hulp van het sociale netwerk van de inwoner; Of een bijdrage in de kosten moet worden opgelegd. |
|
Keuzemoment |
Keuze 1: De inwoner kiest ervoor geen aanvraag in te dienen. De procedure stopt hier. |
||
|
De inwoner kan altijd een aanvraag indienen |
Keuze 2: De inwoner kiest ervoor een aanvraag in te dienen. Dit kan door een getekend gespreksverslag terug te sturen. |
||
|
5 |
Aanvraag |
Vanaf de ontvangstdatum van de aanvraag beslist de gemeente binnen 2 weken op de aanvraag. |
|
|
2 weken |
6 |
Besluit |
De gemeente beslist op de aanvraag met een toewijzing of afwijzing van maatschappelijke ondersteuning. Zo’n beslissing wordt een beschikking genoemd. De aanvraag is daarmee afgerond. Is de gemeente van plan de aanvraag af te wijzen, dan stuurt de gemeente eerst een voornemen tot afwijzing aan de inwoner. De inwoner kan hierop zijn reactie geven. |
|
6 weken |
Eventueel vervolg |
Bezwaar/Beroep |
Als een inwoner het niet eens is met de beslissing van de gemeente op de aanvraag kan hij hiertegen bezwaar/beroep aantekenen. |
2.1.1 Wettelijke termijnen
Het gedeelte van de procedure waarin de melding wordt gedaan, het persoonlijk plan kan worden ingediend en het onderzoek wordt uitgevoerd, duurt maximaal 6 weken. Na deze 6 weken kan de inwoner een aanvraag indienen. Hierbij maakt het niet uit of het onderzoek is afgerond of wat de uitkomst van het onderzoek is. De gemeente neemt uiterlijk 2 weken na de aanvraag een beslissing op de aanvraag. Deze termijnen zijn in overeenstemming met de wettelijke termijnen om de procedure te doorlopen.
De procedure van melding tot beslissing op de aanvraag duurt in totaal 8 weken. Bij complexe ondersteuningsvragen kunnen de inwoner en de gemeente samen afspreken de duur van de procedure te verlengen. Dit wordt verder beschreven in 2.9. Hierna worden de stappen van melding tot beschikking nader toegelicht.
2.2 De melding
De onderzoeksfase begint met de melding. Een inwoner die beperkingen heeft in de zin van de Wmo kan zich bij de gemeente melden met een ondersteuningsvraag. De melding van de inwoner kan ook door iemand anders worden gedaan.
De melding van de onderteuningsvraag kan mondeling worden gedaan bij de balie Inkomen en zorg in het stadhuis, Burgemeester Berghuisplein 1 in Kampen. De melding kan ook schriftelijk, digitaal of telefonisch worden ingediend bij de gemeente. De gemeente bevestigt de melding per brief, e-mail of telefonisch aan de inwoner of aan zijn gemachtigde.
Is de inwoner 67 jaar of ouder en heeft hij ondersteuning nodig op het gebied van begeleiding, dagbesteding of huishoudelijke hulp? Dan kan de inwoner een melding maken bij Kampen Zorgt Samen (KZS) via de mail of telefonisch. De contactgegevens van Kampen Zorgt Samen zijn te vinden op www.kampen.nl
2.3 Persoonlijk plan
Na de melding kan de inwoner binnen 7 dagen zelf een persoonlijk plan indienen bij de gemeente. In dit plan legt de inwoner uit hoe zijn persoonlijke situatie is, wat hij wil bereiken met zijn ondersteuningsvraag en hoe hij zelf denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vormgegeven kan worden. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. De gemeente neemt het persoonlijk plan mee in de beoordeling over een uiteindelijke aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning.
2.4 Onafhankelijke cliëntondersteuner
Als de inwoner hieraan behoefte heeft, kan hij gebruik maken van een onafhankelijke cliëntondersteuning. De gemeente informeert de inwoner bij het doen van de melding of bij het plannen van een gesprek over de mogelijkheid om een onafhankelijk cliëntondersteuner in te schakelen. Een onafhankelijke cliëntondersteuner denkt met de inwoner mee over zorg en ondersteuning. De cliëntondersteuner beantwoordt samen met de inwoner vragen als: Wat past bij de inwoner, welke keuzes kan de inwoner maken? De cliëntondersteuner kan ook meegaan met een gesprek tussen de gemeente en de inwoner.
2.5 Het onderzoek inclusief een (keukentafel)gesprek
Nadat de melding is gedaan en eventueel het persoonlijk plan is ingediend, onderzoekt de gemeente of er maatschappelijke ondersteuning nodig is. Het onderzoek duurt 6 weken, tenzij anders is afgesproken met de inwoner.
2.5.1 Zorgvuldig onderzoek
De gemeente verzekert zich ervan dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan naar alle relevante feiten en omstandigheden. Bij het onderzoek zal de gemeente nagaan wie de inwoner is en welke vorm van ondersteuning hij nodig heeft. Het onderzoek begint daarom met een onderzoek naar de beperkingen, persoonskenmerken, de behoeften en de voorkeuren van de inwoner. De gemeente beperkt zich tijdens het onderzoek dan ook niet alleen tot de door de inwoner eventueel gevraagde ondersteuning. Het onderzoek is gericht op het vaststellen van de ondersteuning die nodig is voor de inwoner om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015, te verminderen of weg te nemen. Daarnaast is het onderzoek gericht op de vraag welke oplossingen de inwoner met eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen en hulp uit het sociale netwerk van de inwoner (waaronder ook mantelzorg) kan bieden. Zie hierover verder ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Aan de hand van het onderzoek stelt de gemeente een rapportage op.
2.5.2 (Keukentafel)gesprek
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het (keukentafel)gesprek. De gemeente nodigt de inwoner daarbij in principe uit voor een gesprek met een medewerker van de gemeente, tenzij dit niet nodig is. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn (een huisbezoek) als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de ondersteuningsvraag. De inwoner mag iemand bij dit gesprek uitnodigen. Het gesprek kan ook plaatsvinden op het stadhuis. Tijdens het gesprek verzamelt de gemeente de informatie die nodig is om te bepalen of een inwoner maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. De gemeente onderzoekt dus de ondersteuningsvraag, de beperkingen, de persoonskenmerken, voorkeuren en behoeften van de inwoner. Daarnaast onderzoekt de gemeente de mogelijkheden van de inwoner om zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen met eigen kracht/mogelijkheden uit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere regelingen. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft ingediend zal de gemeente dit persoonlijke plan met de inwoner bespreken in het gesprek.
2.6 Legitimatieplicht
Tijdens het onderzoek legitimeert de inwoner zich met een geldig legitimatiebewijs. De inwoner kan dit bijvoorbeeld doen tijdens het gesprek. Een inwoner hoeft zich niet te legitimeren als de medewerker van de gemeente die het gesprek voert, de inwoner al kent en de inwoner zich al eerder bij die medewerker heeft gelegitimeerd.
2.7 Gespreksverslag
Na het (keukentafel)gesprek stuurt de medewerker van de gemeente een verslag van het gesprek naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dit niet te willen. Dit is onderdeel van het onderzoek en dient binnen 6 weken te worden opgestuurd. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente of geeft een digitaal akkoord. Als de inwoner zich niet kan vinden in de inhoud van het gespreksverslag kan de inwoner dit aangeven op het verslag. Indien gewenst wordt het verslag nog aangepast.
2.8 Advies
Als de gemeente zelf niet voldoende deskundig is om een beslissing te nemen, kan de gemeente gebruik maken van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige. Het advies van een de deskundige wordt dan meegewogen bij de uiteindelijke beslissing van de gemeente om tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning over te gaan.
2.9 Aanvraag
Pas na de onderzoeksfase die begon bij de melding, kan de inwoner een aanvraag tot maatschappelijke ondersteuning indienen. Een aanvraag is dus niet hetzelfde als een melding. Een melding kan ook door iemand anders dan de inwoner worden gedaan, een aanvraag moet door de inwoner of door zijn gemachtigde worden gedaan. De inwoner kan iemand machtigen door een bewijs van de machtiging in te leveren die door de inwoner en de gemachtigde is ondertekend. Het ondertekenende gespreksverslag dienst als basis voor de aanvraag. De gemeente beslist binnen 2 weken op een ingediende aanvraag door een inwoner. De gemeente kan deze termijn verlengen in samenspraak met de inwoner of als de gemeente de termijn opschort. De gemeente kan in een beperkt aantal gevallen de termijn opschorten. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de gemeente nog wacht op een onafhankelijk advies dat is aangevraagd. Ook kan de termijn opgeschort en daardoor verlengd worden als de inwoner niet de benodigde gegevens heeft verstrekt aan de gemeente of niet meewerkt aan het gesprek.
Op het moment dat de inwoner een aanvraag heeft ingediend, zal de gemeente beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. De gemeente zal dan beoordelen hoeveel ondersteuning aan de inwoner kan worden geboden vanuit eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en hulp uit het sociale netwerk en hoeveel ondersteuning de inwoner dan nog nodig heeft van de gemeente om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo voldoende te verminderen of weg te nemen. Zie hierover ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
2.10 Beschikking
In principe neemt de gemeente uiterlijk 2 weken na de aanvraag een beslissing op de aanvraag. Dit besluit stelt de gemeente per brief (de beschikking) vast en stuurt deze naar de inwoner of zijn gemachtigde. Het doel van de beschikking is dat de inwoner te weten komt of, welke en hoeveel ondersteuning aan hem zal worden verstrekt. Als de gemeente van plan is de aanvraag af te wijzen, dan stuurt de gemeente voorafgaande aan de beschikking de inwoner eerst een voornemen tot afwijzing. De inwoner krijgt vervolgens de kans zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. De gemeente neemt deze zienswijze mee in de uiteindelijke beslissing.
In de beschikking staat vermeld of de inwoner maatschappelijke ondersteuning krijgt, welke vorm van ondersteuning de inwoner krijgt, in welke vorm en indien van toepassing hoeveel tijd de ondersteuning betreft. Bij een toewijzing van maatschappelijke ondersteuning staat in de beschikking ook per wanneer de ondersteuning wordt verstrekt en per wanneer de ondersteuning eindigt. In de beschikking staan ook eventuele verplichtingen beschreven waaraan de inwoner zich moet houden. In paragraaf 2.4.1 van de verordening sociaal domein gemeente Kampen staat nader uitgelegd wat er precies in de beschikking staat.
Geen beschikking
De gemeente kan de inwoner ook op een andere manier informeren, als de inwoner van de gemeente krijgt wat hij wenste en het voor de inwoner duidelijk is wat de gemeente heeft besloten.
Bijdrage in de kosten
In de beschikking informeert de gemeente de inwoner ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Zie hiervoor ook hoofdstuk 12 van deze beleidsregels.
2.11 Spoedeisende gevallen
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de maatschappelijke ondersteuning krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is.
2.12 Bezwaar, beroep en klachten
Als een inwoner het niet eens is met een beslissing van de gemeente op een aanvraag kan de inwoner binnen 6 weken schriftelijk bezwaar indienen bij de gemeente. Als een bezwaar wordt ingediend zal de aanvraag van de inwoner opnieuw beoordeeld worden door andere medewerkers dan de medewerkers die aanvankelijk de aanvraag beoordeelden. In de bezwaarprocedure zal ook gekeken worden of de onderzoeksfase zorgvuldig is doorlopen.
Als de inwoner bezwaar indient tegen de beslissing van de gemeente op de aanvraag zal de onafhankelijke bezwarencommissie van de gemeente een advies geven aan de gemeente over hoe om te gaan met het bezwaar en de aanvraag van de inwoner. Voordat de commissie een advies geeft wordt meestal een hoorzitting georganiseerd. De inwoner wordt uitgenodigd voor deze hoorzitting om zijn bezwaar toe te lichten. De inwoner ontvangt na enkele weken een beslissing op bezwaar. Is de inwoner het niet eens met deze beslissing op bezwaar dan kan de inwoner binnen 6 weken in beroep gaan bij de rechtbank.
Het is alleen mogelijk bezwaar te maken tegen de beslissing van de gemeente op een aanvraag. Het is niet mogelijk in bezwaar te gaan tegen de uitkomsten van een onderzoek na de melding. Hiervoor moet eerst een aanvraag worden ingediend en de beschikking worden afgewacht. Tegen deze beschikking kan een inwoner dan in bezwaar gaan. In de bezwaarprocedure kan vervolgens wel aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is gedaan.
2.12.1 Klachten
Een inwoner die gebruik maakt van maatschappelijke ondersteuning, kan met verschillende organisaties te maken hebben. Wanneer dat niet volgens verwachting verloopt, kan een inwoner bij de betrokken organisatie in gesprek gaan of een tip of een opmerking achterlaten. De gemeente is tenslotte eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo.
Het kan ook zijn dat een inwoner een klacht heeft over het handelen van een ambtenaar of een bestuurder van de gemeentelijke organisatie. Dan geldt de reguliere klachtenprocedure van de gemeente Kampen. Deze procedure is terug te vinden in hoofdstuk 10 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen.
Wanneer een inwoner ontevreden is over de dienstverlening van de afdeling sociaal domein, kan de inwoner ook contact opnemen met de sociaal ombudsfunctionaris. De ombudsfunctionaris biedt een luisterend oor, onderzoekt de situatie, bemiddelt, geeft onafhankelijk advies en gaat samen met de inwoner op zoek naar een oplossing. De contactgegevens staan op de website van de gemeente Kampen.
Hoofdstuk 3 Beoordelen van de aanvraag
In paragraaf 2.3.2 en paragraaf 5.1 van de verordening sociaal domein gemeente Kampen staat aan welke algemene criteria een inwoner moet voldoen om in aanmerking te komen voor ondersteuning. In dit hoofdstuk zijn deze regels verder uitgewerkt.
3.1 Inleiding
Op het moment dat de inwoner een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning indient, zal de gemeente beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor ondersteuning op grond van de Wmo om zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving te blijven. Met andere woorden, de gemeente bekijkt of de inwoner gecompenseerd moet worden voor zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo. Voor de beoordeling van deze vraag gebruikt de gemeente het afwegingskader uit de Wmo.
3.2 Wettelijk kader voor een ondersteuning
In de Wmo staat dat een inwoner van de gemeente in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning als hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen zijn beperkingen op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie naar de mening van de gemeente niet kan verminderen of wegnemen:
- a.
Op eigen kracht; en/of
- b.
Met gebruikelijke hulp; en/of
- c.
Met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of
- d.
Door gebruik te maken van algemene voorzieningen.
- e.
door gebruik te maken van aanbod in de (gesubsidieerde) sociale basis
3.2.1 Beschermd wonen
Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van ondersteuning in de vorm van beschermd wonen, moet hij aan de voorwaarden voor beschermd wonen voldoen. In de Wmo staat dat een persoon in aanmerking komt voor beschermd wonen als hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich te handhaven in de samenleving:
- a.
Op eigen kracht; en/of
- b.
Met gebruikelijke hulp; en/of
- c.
Met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of
- d.
Met voorliggende voorzieningen; en/of
- e.
door gebruik te maken van aanbod in de (gesubsidieerde) sociale basis.
Voor meer informatie over beschermd wonen zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels.
3.2.2 Maatschappelijke opvang
Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van ondersteuning in de vorm van maatschappelijke opvang, moet hij aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang voldoen. In de Wmo 2015 staat dat een persoon in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang als hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld niet in staat is zich te handhaven in de samenleving:
- a.
Op eigen kracht; en/of
- b.
Met gebruikelijke hulp; en/of
- c.
Met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of
- d.
Met voorliggende voorzieningen; en/of
- e.
Door gebruik te maken van aanbod in de (gesubsidieerde) sociale basis.
Voor meer informatie over maatschappelijke opvang zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels.
Een voorziening in het kader van maatschappelijke ondersteuning hoeft er niet voor te zorgen dat de inwoner in dezelfde of wellicht betere positie terecht komt dan voordat hij de ondersteuning nodig had. Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet redelijk zijn. Wat in een bepaald geval redelijk is, kan niet worden vertaald in beleidsregels. De gemeente levert maatwerk in de individuele situatie van de inwoner.
3.3 Inwoner van de gemeente
De gemeente Kampen verstrekt alleen maatschappelijke ondersteuning aan een inwoner van de gemeente Kampen. Het gaat hierbij om een inwoner die zijn hoofdverblijf in de gemeente Kampen heeft. Om het hoofdverblijf van een inwoner te bepalen wordt de feitelijke woonsituatie van de inwoner bekeken.
3.4 Beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid of participatie
Onder beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid worden de beperkingen van de inwoner op het vlak van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) verstaan en de beperkingen van de inwoner om een gestructureerd huishouden te voeren. Onder ADL vallen de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten. Ook de persoonlijke verzorging valt hieronder. Voorbeelden van ADL-taken in het kader van de zelfredzaamheid van een inwoner zijn:
- -
bewegen;
- -
lopen;
- -
gaan zitten en weer opstaan;
- -
eten/drinken;
- -
ontspanning;
- -
sociaal contact;
- -
het schoonmaken van zijn woning.
Bij bovenstaande activiteiten wordt opgemerkt dat de inwoner in bepaalde gevallen ook aanspraak maken op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
3.4.1 Een gestructureerd huishouden
Naast de ADL-verrichtingen valt ook het voeren van een gestructureerd huishouden onder de noemer zelfredzaamheid. Hieronder wordt verstaan:
- -
het schoon en op orde houden van het huishouden; en
- -
het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding.
Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden kan daarnaast bijvoorbeeld bestaan uit:
- -
ondersteuning bij contacten met officiële instanties;
- -
ondersteuning bij het aanbrengen van structuur in het huishouden;
- -
ondersteuning bij het leren om zelfstandig te wonen;
- -
ondersteuning bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken.
3.4.2 Beperkingen op het gebied van participatie
Beperkingen op het gebied van participatie zijn beperkingen waardoor mensen niet kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate:
- -
mensen kan ontmoeten;
- -
contacten kan onderhouden / aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen;
- -
zich kan verplaatsen;
- -
een sport kan beoefenen.
Wanneer blijvend permanent toezicht noodzakelijk is of 24-uurs zorg in de nabijheid dan is de grens van de Wmo bereikt en zal een beroep op de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten worden gedaan. In deze beleidsregels wordt hier per wmo voorziening toelichting over gegeven.
3.5 Eigen kracht
Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatwerk ondersteuning, zal de gemeente onderzoeken of de inwoner eigen kracht heeft. Eigen kracht is het vermogen van de inwoner om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen door zelf een bijdrage te leveren aan het verbeteren van zijn situatie.
Het is belangrijk uit te gaan van de eigen kracht van het individu. Zelfbepaling en zelfsturing zijn belangrijk in het leven voor mensen met een ondersteuningsvraag om zich competent te voelen en deel te nemen aan de samenleving. Mensen kunnen zelf vaak meer dan de omgeving denkt en dan ze wellicht zelf denken. Inwoners vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten.
3.5.1 Beoordelen eigen kracht
De gemeente zal samen met de inwoner bekijken of de inwoner een beroep kan doen op de eigen kracht. De gemeente doet dit bijvoorbeeld door hier in het een (keukentafel)gesprek met de inwoner over te praten. De gemeente kan ook ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving van de inwoner. Van de inwoner kan hierbij worden verlangd dat hij de gemeente met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen vervolgens ook worden uitgenodigd bij het gesprek.
Voor het vaststellen van de eigen kracht van een inwoner zijn in de eerste plaats de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner van belang. De gemeente bekijkt wat de inwoner zelf kan. Als het kan, wordt uitgegaan van de ideeën van de inwoner zelf of wellicht van zijn sociale omgeving of cliëntondersteuner. Bij het beoordelen van de eigen kracht bekijkt de gemeente alleen de mogelijkheden die daadwerkelijk aanwezig zijn. Als de mogelijkheden niet aanwezig zijn, houdt de gemeente hier ook geen rekening mee. De gemeente zal altijd kijken naar de individuele situatie van een inwoner.
3.5.2 Voorbeelden van eigen kracht
De gemeente mag ervanuit gaan dat de inwoner probeert zijn beperkingen op te lossen of te verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren. Wat maakt dat een inwoner alles doet wat in zijn vermogen licht om herstel te bevorderen. Een aantal voorbeelden hiervan zijn;
- -
Het spreiden van de huishoudelijke taken over de dag en over de week in plaats van alle huishoudelijke taken op één dag te doen.
- -
Het opsparen van de boodschappen zodat gebruik gemaakt kan worden van de dienst van een supermarkt om de boodschappen te bezorgen.
- -
Het herinrichten van zijn woning of het verplaatsen van voorwerpen in huis als dit bijdraagt aan het compenseren van zijn beperkingen. Ook de wasmachine kan bijvoorbeeld op een verhoging geplaatst worden zodat wel gebruik kan worden gemaakt van de wasmachine;
- -
Het ophangen van een douchegordijn tegen het nat worden van de badkamer;
- -
Het gebruiken van huishoudelijke apparaten zoals bijvoorbeeld een droger en/of een vaatwasser.
3.6 Gebruikelijke hulp
Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor ondersteuning, zal de gemeente onderzoeken of de inwoner met behulp van gebruikelijke hulp zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo, kan verminderen of oplossen. Gebruikelijke hulp is de hulp die, naar algemene aanvaarde opvattingen, in redelijkheid mag worden verwacht van mensen die in huis wonen bij de inwoner, die hulp nodig heeft. Het gaat dan om de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten daar waar nodig en mogelijk is, hun rol pakken in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp komt voort uit een sociale relatie, omdat het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassenen als van jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij houdt de gemeente wel rekening met de ontwikkelingsfase van kinderen. Zo kunnen kinderen tot 5 jaar geen bijdrage aan het huishouden leveren, terwijl kinderen van 5 tot en met 12 jaar over het algemeen kleine huishoudelijke taken kunnen verrichten zoals tafeldekken, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, hun eigen kamer op orde houden, kleding in de wasmand doen. Kinderen van 12 tot en met 17 jaar kunnen over het algemeen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Kinderen van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoons huishouden voeren. Vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overgenomen worden van een huisgenoot die zelf geen huishoudelijke taken kan uitvoeren. Bij het beoordelen van de hoeveelheid gebruikelijke hulp die een inwoner zou moeten kunnen krijgen, kijkt de gemeente naar de individuele situatie van een inwoner.
Bij het bepalen van de hoeveelheid gebruikelijke hulp wordt er geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden van een huisgenoot, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening gehouden worden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij internationale vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de off-shore of mariniers. Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid moet wel voldoen aan de volgende kenmerken:’
- -
Het is inherent aan het werk;
- -
Het heeft een verplichtend karakter;
- -
Het gaat om een aaneengesloten periode van tenminste 7 etmalen.
Bij het bepalen van de hoeveelheid gebruikelijke hulp wordt ook geen rekening gehouden met traditionele rolpatronen waarbij bijvoorbeeld de man niets in het huishouden doet en alles voor rekening van de partner komt.
3.6.1 Uitzonderingen
Gebruikelijke hulp speelt geen rol bij huisgenoten die niet tot de leefeenheid van de inwoner met beperkingen behoren. Zo verwacht de gemeente geen gebruikelijke hulp van iemand die een kamer huurt bij een inwoner met beperkingen.
Gebruikelijke hulp wordt ook niet zonder meer verwacht van huisgenoten die zelf ook beperkingen zoals bedoeld in de Wmo hebben en hierdoor de hulp niet kunnen bieden. Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren kan, indien nodig, ondersteuning voor huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zou worden gerekend.
3.6.2 Nadere informatie
Zie voor nadere informatie over gebruikelijke hulp ook bijlage 1, ‘Afwegingskader gebruikelijke hulp’. Aan de hand van deze bijlage beoordeelt de gemeente of en in hoeverre er sprake is van gebruikelijke hulp in de situatie van de inwoner.
3.7 Hulp uit het sociale netwerk/mantelzorg
Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatwerk ondersteuning, zal de gemeente de individuele situatie van een inwoner onderzoeken en beoordelen of de inwoner met behulp van hulp uit het sociale netwerk/mantelzorg zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo, kan verminderen of wegnemen.
3.7.1 Sociaal netwerk
Het sociaal netwerk van een inwoner bestaat uit personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Tot personen uit de huiselijke kring worden gerekend familieleden van de inwoner, (voormalig) echtgenoot (of partner) of mantelzorgers. Andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zijn mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging.
3.7.2 Mantelzorg
Bij mantelzorg wordt de hulp verleend door personen uit de directe omgeving van de inwoner die hulp nodig heeft. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep, maar is vrijwillige, onbetaalde zorg en kan niet verplicht worden. Doorgaans zijn mantelzorgers personen met wie de inwoner regelmatig contact heeft. De mantelzorger en de inwoner hoeven niet per se in één huis te wonen.
In het onderzoek bekijkt de gemeente of de inwoner mantelzorg ontvangt. In het (keukentafel)gesprek kan de gemeente de inwoner vragen om in zijn netwerk te vragen of iemand mantelzorg wil bieden. Ontvangt een inwoner mantelzorg, dan bekijkt de gemeente in het gesprek hoe de (fysieke) gesteldheid van de mantelzorger is, hoeveel tijd de mantelzorger beschikbaar heeft en de reistijd die de mantelzorger heeft. Wat een mantelzorger kan doen verschilt van persoon tot persoon en is mede afhankelijk van de aard van de relatie, en de situatie waarin de inwoner en de mantelzorger zich op dat moment bevinden.
Mantelzorgers kunnen overbelast raken door het verstrekken van mantelzorg. In dat geval kan mogelijk hulp aan de mantelzorger worden geboden. Is er geen hulp voor een mantelzorger door een van deze of een andere regeling, dan kan de gemeente ondersteuning inzetten zodat de taken van de mantelzorger tijdelijk overgenomen worden. Zie hiervoor ook hoofdstuk 8 over begeleiding en respijtzorg.
3.8 Algemene voorziening
Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning, zal de gemeente onderzoeken of de inwoner een beroep kan doen op een algemene voorziening om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen. Een algemene voorziening is een voorziening die de gemeente verstrekt aan een inwoner zonder dat de gemeente de individuele situatie van de inwoner uitgebreid onderzoekt.
3.9 Een andere regeling of organisatie
Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatwerk ondersteuning, zal de gemeente bekijken of de inwoner een beroep kan doen op een andere regeling of bij een andere organisatie terecht kan om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen. Een voorbeeld van een andere regeling is de Wet langdurige zorg (Wlz). De gemeente mag een voorziening weigeren als er reden is om aan te nemen dat iemand aanspraak kan maken op verblijf en daarmee samenhangende Wlz-zorg, maar niet mee wil werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
3.10 Beoordelen van het recht op maatwerk ondersteuning
De gemeente verstrekt alleen maatwerk ondersteuning als een inwoner beperkingen heeft zoals bedoeld in de Wmo en de inwoner deze beperkingen niet zelf door eigen kracht, met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen of met behulp van hulp uit zijn sociale netwerk kan verminderen of wegnemen. De verstrekking van een ondersteuning is dus aanvullend op datgene dat een inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen of met behulp van hulp uit zijn sociale netwerk kan doen. Daarmee is de rol van de gemeente altijd aanvullend op wat iemand zelf (nog) kan doen, al dan niet met behulp van zijn omgeving en is de eigen verantwoordelijkheid een belangrijk thema in de Wmo. Maatschappelijke ondersteuning kan dan ook een op de individu van de inwoner afgestemd geheel van ondersteuningsvormen zijn. Het gaat daarbij dan dus om een aantal op elkaar afgestemde ondersteuningsvormen, die samen zorgen voor het resultaat dat de ondersteuning op moet leveren.
3.11 Advies
De gemeente beoordeelt of het zelf over voldoende deskundigheid beschikt om de aanspraak voor maatwerk ondersteuning te kunnen beoordelen. Is de gemeente van mening dat zij zelf niet voldoende deskundig is, dan kan de gemeente advies vragen aan een deskundige. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een medisch advies.
3.12 Specifieke criteria voor ondersteuning in de vorm van maatwerk ondersteuning
De maatwerk ondersteuning die de gemeente verstrekt, voldoet aan een aantal criteria. Deze criteria zijn hieronder nader toegelicht.
3.12.1 Goedkoopst compenserend
De gemeente verstrekt alleen de goedkoopst compenserende vorm van ondersteuning. Het woord ‘compenserende’ wil zeggen dat het moet gaan om ondersteuning die volgens objectieve maatstaven verantwoord, toereikend en nodig is. Dit houdt in dat de ondersteuning van voldoende kwaliteit moet zijn en dat de ondersteuning passend moet zijn voor de inwoner. De ondersteuning moet de beperkingen van de inwoner voldoende oplossen. Ook moet de ondersteuning nodig zijn. Alleen het wenselijk zijn van ondersteuning of het veel baat hebben bij ondersteuning is niet voldoende. De gemeente bepaalt (eventueel met behulp van een medisch advies) welke vorm van ondersteuning er in een bepaalde situatie compenserend (en dus ook nodig) is.
De gemeente gaat bij de verstrekking van maatwerk ondersteuning uit van de goedkoopste vorm van ondersteuning die compenserend is. Hierbij kan ook gekeken worden naar de kosten van de ondersteuning op de langere termijn.
3.12.2 Langdurig noodzakelijk
De gemeente verstrekt in principe alleen maatschappelijke ondersteuning als deze langdurig noodzakelijk is. Langdurig noodzakelijk betekent dat de ondersteuning niet voor een korte periode, maar een langere periode nodig is. De gemeente gaat ervan uit dat de ondersteuning ongeveer 6 maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel kan lenen op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op basis van de Zvw kan een inwoner maximaal 6 maanden een hulpmiddel lenen uit het hulpmiddelendepot.
Soms kan de gemeente besluiten niet vast te houden aan het criterium dat een voorziening 6 maanden nodig moet zijn. Bij een inwoner die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan 6 maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan 6 maanden zijn. Ook bij hulp bij het huishouden kan voor een kortere periode hulp worden ingezet. Zie meer hierover in hoofdstuk 7.
3.12.3 Niet algemeen gebruikelijk
De gemeente verstrekt alleen maatwerk ondersteuning in de vorm van een voorziening als de voorziening voor de inwoner niet algemeen gebruikelijk is. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die iedereen in principe zelf moet betalen. Het verstrekken van deze voorzieningen aan mensen met een beperking op grond van de Wmo is dan niet redelijk en komt niet overeen met het doel van de wet.
De gemeente hanteert geen standaardlijst met algemeen gebruikelijke voorzieningen. Om te beoordelen of de voorziening voor een inwoner algemeen gebruikelijk is, onderzoekt de gemeente altijd de persoonlijke situatie van de inwoner. Er zijn voorzieningen die, na een onderzoek, vaak als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn: een hendel mengkraan, een tandem of een douchestoel.
Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is of niet, dient de voorziening te voldoen aan de volgende criteria:
- -
De voorziening is niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking;
- -
De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar;
- -
De voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is;
- -
De voorziening kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau.
Het toepassen van het criterium ‘algemeen gebruikelijk’ kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging/renovering van zaken. Immers, algemeen gebruikelijke voorzieningen worden door mensen met en zonder beperkingen vervangen als zij zijn afgeschreven. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Kampen staan de afschrijvingstermijnen van voorzieningen.
3.12.4 De voorziening is nog niet eerder verstrekt of nog niet afgeschreven
De gemeente verstrekt geen ondersteuning in de vorm van een voorziening als de voorziening al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling en de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening niet meer passend is (en dus niet meer compenserend). Of als de voorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner toe te rekenen zijn, of als de inwoner de gemeente (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan bijvoorbeeld worden verstaan dat de inwoner een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de inwoner, als iemand anders de schade heeft veroorzaakt, de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt.
Als een inwoner door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig heeft voor bijvoorbeeld een scootmobiel, dan schendt de gebruiker de verplichtingen die verbonden zijn aan de verstrekte voorziening. Het spreekt voor zich dat de schade of kosten voor reparatie die rechtstreeks de schuld zijn van de inwoner niet wordt vergoed door de Wmo 2015. De inwoner zal deze kosten in principe zelf moeten betalen. De gemeente kan de leverancier van een voorziening vragen of de schade is veroorzaakt door onzorgvuldig gebruik.
De gemeente verstrekt geen nieuwe voorziening als de gemeente al eerder een voorziening heeft verstrekt die al wel afgeschreven is, maar nog steeds passend is en in goede staat is. De voorziening is dan nog steeds compenserend.
3.12.5 De voorziening is nog niet door de inwoner gerealiseerd
In de Verordening sociaal domein staat dat de gemeente in principe alleen ondersteuning in de vorm van een voorziening verstrekt als de voorziening nog niet gerealiseerd of aangeschaft is voordat de gemeente een besluit genomen heeft. Is de voorziening al wel voor dit moment gerealiseerd, dan ervaart de inwoner geen beperkingen meer op het moment van besluiten en hoeft er daarom geen voorziening verstrekt te worden. Ook kan de gemeente dan niet meer vaststellen of er überhaupt een noodzaak tot verstrekking van de voorziening was en wat de goedkoopst compenserende oplossing was geweest. Dat de inwoner de regels niet goed kende en daarom de voorziening alvast gerealiseerd heeft, kan niet als excuus gebruikt worden.
Een uitzondering op deze regel geldt als de voorziening is gerealiseerd voor de melding en/of de aanvraag, maar de gemeente nog wel de noodzaak kan vaststellen. De gemeente kan dan alsnog overgaan tot het verstrekken van de goedkoopst compenserende voorziening.
3.12.6 De voorziening is grotendeels op de inwoner gericht die ondersteuning nodig heeft
De gemeente verstrekt een voorziening aan de inwoner om zijn beperkingen te compenseren. De voorziening moet dus bedoeld zijn voor één inwoner. Bij de beoordeling of een voorziening compenserend is, houdt de gemeente wel rekening met de gezinssituatie van de inwoner. De gezinssituatie van de inwoner behoort namelijk tot de individuele omstandigheden van de inwoner die meegewogen worden bij de beoordeling van de aanvraag.
3.12.7 De voorziening heeft niet alleen een therapeutisch doel
De gemeente verstrekt alleen een voorziening als deze niet alleen een therapeutisch doel heeft. De gemeente verstrekt dus geen voorziening als de voorziening alleen bedoeld is om de inwoner meer te laten bewegen vanwege gezondheidsredenen.
3.12.8 Ondersteuning/voorziening in voorzienbare situaties
De gemeente verstrekt alleen ondersteuning om de beperkingen van een inwoner te verminderen of weg te nemen als het niet al te voorzien was dat de ondersteuning verstrekt moest gaan worden. Deze voorzienbaarheid heeft vooral betrekking op de beperkingen van een inwoner. Als iemand met een beperking waardoor hij geen trappen kan lopen bijvoorbeeld verhuist naar een huis met veel trappen, dan verstrekt de gemeente geen voorziening om deze beperking te verminderen. De inwoner heeft in dat geval namelijk een eigen verantwoordelijkheid om in een voor hem toegankelijke woning te gaan wonen. De inwoner moet rekening houden met zijn beperkingen of met de ontwikkeling van zijn al aanwezige beperkingen.
Deze voorzienbaarheid strekt niet zover dat een inwoner alvast rekening moet houden met het ouder worden en mogelijk nog te ontwikkelen daarbij behorende beperkingen.
Hoofdstuk 4 Meedoen aan de samenleving
In paragraaf 3.7 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen zijn bepalingen opgenomen over ondersteuning aan inwoners die moeite hebben met het zich verplaatsen in en om de woning en dichtbij huis.
4.1 Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners met een beperking kunnen participeren in de samenleving. Dit heeft als doel dat een inwoner, ondanks zijn beperkingen, in redelijke mate zelfstandig kan wonen, zich kan verplaatsen, sociale contacten kan onderhouden en kan deelnemen aan maatschappelijke activiteiten, waarbij hij niet volledig afhankelijk is van anderen en een leefniveau bereikt dat vergelijkbaar is met wat in de samenleving als normaal wordt beschouwd.
4.2 Vervoersbehoefte
Om te bepalen welke vorm van maatschappelijke ondersteuning nodig is, stelt de gemeente de vervoersbehoefte van de inwoner vast. Hierbij bekijkt de gemeente de individuele situatie van de inwoner en zijn behoeften, voorkeuren en persoonskenmerken. De gemeente kijkt hierbij naar de beperkingen van de inwoner, maar bijvoorbeeld ook naar waar de inwoner naar toe wil gaan en waarom de inwoner hier naartoe wil gaan. Daarnaast wordt ook gekeken naar zaken als de leeftijd van de inwoner en de daarbij passende behoeften, de gezinssamenstelling van de inwoner en bijvoorbeeld de aanwezigheid van jonge kinderen.
Om de vervoersbehoefte van een inwoner te bepalen gaat het er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken. Het gaat hierbij om hoe vaak de inwoner dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
4.3 Een vervoersvoorziening
De gemeente kan ondersteuning verstrekken in de vorm van een vervoersvoorziening. De inwoner komt hiervoor in aanmerking als de inwoner:
- -
een beperking heeft zoals bedoeld in de Wmo
- -
niet voldoende kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
- -
door de beperking niet op eigen kracht, of met behulp van anderen (sociaal netwerk) en (algemeen gebruikelijke) voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
Zie hiervoor ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels over de beoordeling van een aanvraag voor ondersteuning.
4.3.1 Beroep op een andere regeling
De gemeente hoeft geen ondersteuning te verstrekken als de inwoner zijn beperkingen voldoende kan verminderen of wegnemen door een beroep op een andere regeling te doen. Voorbeelden van andere regelingen zijn:
- -
de Zorgverzekeringswet (Zvw);
- -
voor zittend ziekenvervoer bij nierdialyses, chemotherapie / radiotherapie;
- -
permanente rolstoelafhankelijkheid; en
- -
een zodanig beperkt gezichtsvermogen dat zonder begeleiding verplaatsen niet mogelijk is.
- -
het leerlingenvervoer;
- -
de Jeugdwet, voor ondersteuning en zorg die valt onder jeugdhulp;
- -
het openbaar vervoer;
- -
voorliggende voorziening.
4.4 Collectief vervoer
Een vorm van maatschappelijke ondersteuning voor vervoer is de mogelijkheid van de inwoner om gebruik te maken van het collectief vervoer. Uitgangspunt is dat het vraagafhankelijk vervoer geschikt is voor lokale/regionale verplaatsingen. Het collectief vervoer wordt vaak ingezet voor verplaatsingen naar bestemmingen waar afspraken over gemaakt kunnen worden met anderen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan sociale contacten, maar ook aan een ziekenhuisbezoek. In de meeste gevallen zal het collectief vervoer de goedkoopst compenserende voorziening zijn. Hierdoor wordt vaak, als het collectief vervoer passend is voor de inwoner, voorrang gegeven aan het gebruik van deze voorziening boven andere voorzieningen. Een eventuele wachttijd voor het brengen en ophalen met het collectief vervoer is niet een reden om het collectief vervoer als niet passend te zien voor een inwoner. Ook het niet samen kunnen reizen met het gezin hoeft niet te betekenen dat het collectief vervoer niet passend is als een gezamenlijke bestemming nog wel bereikt kan worden.
De gemeente stelt de inwoner in staat zich binnen een straal van 25 km van het woonadres te verplaatsen tot 1500 km per jaar. Voor bovenregionale verplaatsingen kan een inwoner een beroep doen op Valys.
Een inwoner betaalt, per rit, aan de aanbieder een reizigersbijdrage. De tarieven voor de reizigersbijdrage staan vermeld op de gemeentelijke website.
4.5 Een auto-aanpassing
De gemeente is van mening dat de goedkoopst compenserende vervoersvoorziening in vrijwel alle gevallen het vraagafhankelijk collectieve vervoer is. Echter, omdat de gemeente het belangrijk vindt dat kinderen tot 18 jaar mee kunnen reizen met hun gezin, kan de gemeente, als dit nodig is voor het kind, aan gezinnen met een kind dat nog geen 18 jaar is en een beperking heeft waardoor het zich niet kan verplaatsen in de eigen leefomgeving, een auto-aanpassing verstrekken.
Een auto-aanpassing wordt aangebracht op een door de inwoner zelf aangeschafte auto. Hierbij wordt wel ook gekeken naar de technische staat van de auto is en hoe oud de auto is. Is een auto ouder dan 7 jaar, dan verstrekt de gemeente geen auto-aanpassing meer. De auto-aanpassing kan bestaan uit:
- -
Oprijgoten of een oprijplateau voor de rolstoel van het kind;
- -
Een rolstoelvergrendeling;
- -
Een vloeraanpassing in verband met de vergrendeling van de rolstoel;
- -
Een RDW-keuring;
- -
Een plateaulift. Deze wordt pas verstrekt nadat uit een extern advies is gebleken dat de specifieke aanpassing aan de personenbus noodzakelijk is om het kind te vervoeren.
Een auto-aanpassing wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Zie voor de hoogte van deze tegemoetkoming het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen.
4.6 Vergoeding voor gebruikskosten eigen auto of individuele (rolstoel)taxi
De gemeente kan, als dat nodig is voor de inwoner, een vergoeding verstrekken voor de gebruikskosten van een eigen auto of individuele (rolstoel)taxi. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Zie voor de hoogte van deze tegemoetkoming het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen.
4.7 Scootmobiel
De gemeente kan de inwoner ondersteuning (een vervoersvoorziening) in de vorm van een scootmobiel verstrekken als dit de goedkoopst compenserende oplossing is voor de beperkingen van de inwoner en als er een stalling aanwezig is of kan worden gemaakt. Een scootmobiel kan worden geïndiceerd als een inwoner een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving heeft. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een inwoner met een scootmobiel zelf kan winkelen, familie kan bezoeken en andere vormen van vrijetijdsbesteding heeft. Om te bepalen of een scootmobiel passend is voor een inwoner kunnen een aantal rijvaardigheidslessen worden geïndiceerd. Hierna kan eventueel nog eerstelijnszorg worden ingezet om rijvaardigheid aan te leren. Als na een aantal lessen en eventuele eerstelijnszorg de rijvaardigheid onvoldoende is om de scootmobiel te bedienen of ermee in het verkeer te begeven, dan maakt de gemeente de afweging of een scootmobiel wel een verantwoorde passende voorziening is voor de inwoner.
Hoofdstuk 5 Wonen
In paragraaf 5.1 en 5.2 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen zijn bepalingen opgenomen over wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor een woningaanpassing. Deze regels worden in dit hoofdstuk nader toegelicht.
5.1 Inleiding
Een inwoner met een beperking en/of psychische en/of psychosociale problemen heeft soms ondersteuning nodig om zo lang en zo zelfstandig mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Ook minderjarigen en mensen met een Wlz indicatie die thuis wonen, kunnen deze problemen hebben. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen als zij niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning. Onder het normale gebruik van de woning wordt verstaan dat de inwoner gebruik kan maken van elementaire woonfuncties van zijn woning.
Voorbeelden van elementaire woonfuncties zijn:
- -
Wonen, douchen en slapen;
- -
De veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning;
- -
Het gebruik maken van de keuken;
- -
Het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby die helemaal van de verzorging van de inwoner afhankelijk is;
- -
Het doen van de huishoudelijke werkzaamheden, zoals wassen en strijken van kleding;
- -
Slapen en eten;
- -
De kinderen moeten zonder gevaar in de woonruimte kunnen spelen.
5.2 Een woningaanpassing
Als een inwoner niet met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen, kan de gemeente maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing verstrekken. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de in redelijkheid te verwachten ontwikkelingen. Het maakt geen verschil of het gaat om een huurwoning of om een koopwoning.
5.3 Criteria om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing
Om in aanmerking te komen voor maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing moet de inwoner behalve aan de algemene criteria voor ondersteuning (zie hoofdstuk 3) ook aan een aantal specifieke criteria voldoen. Het gaat hierbij om de volgende criteria:
- a.
de woningaanpassing moet een gevolg zijn van de beperking van de inwoner.
Er moet een causaal verband zijn tussen de beperkingen van een inwoner en het niet normaal kunnen gebruiken van zijn woning;
- b.
de inwoner moet zijn hoofdverblijf in de aan te passen woning hebben.
De inwoner moet wonen in de woning die hij wil laten aanpassen en hij moet hier zijn hoofdverblijf hebben;
5.4 Weigeringsgronden voor een woningaanpassing
De gemeente verstrekt geen maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing in een aantal situaties. Deze weigeringsgronden worden hierna beschreven:
- a.
De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt;
De gemeente hoeft de kosten van een woningaanpassing niet te betalen als de beperkingen van de inwoner worden veroorzaakt door de aard van het materiaal in de woning.
- b.
De woningaanpassing is nodig vanwege achterstallig onderhoud;
De gemeente hoeft geen woningaanpassing te verstrekken als de problemen van de inwoner worden veroorzaakt door achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen, tenzij:
- -
De inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en
- -
Er vanwege de gezondheidstoestand van de inwoner er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht is op het wegnemen van de beperkingen.
- -
Als uit medisch onderzoekt blijkt dat er sprake is van onverwacht optredende meerkosten waarvoor een inwoner niet heeft kunnen sparen kan de gemeente wel een woningaanpassing verstrekken.
- -
- c.
De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een woonwagen, een klooster, een vakantiewoning of een onzelfstandige woning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;
De gemeente verstrekt geen woningaanpassing voor dit soort woningen.
- d.
De inwoner vraagt om een woningaanpassing terwijl hij in een nieuwbouwwoning of gerenoveerde woning woont en de woningaanpassing zonder veel meerkosten aangebracht had kunnen worden;
- e.
De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte die niet bestemd is om het hele jaar te bewonen;
- f.
De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning;
Als een inwoner verhuist vanuit een woning die geschikt was naar een woning die niet geschikt is, hoeft de gemeente geen woningaanpassing te verstrekken. Dit is anders als er een belangrijke reden was voor de verhuizing, zoals bijvoorbeeld het aanvaarden van een nieuwe baan in een andere gemeente, een echtscheiding of een huwelijk. Om te bepalen of de vorige woning geschikt was doet de gemeente onderzoek naar de geschiktheid van de vorige woning. Als een inwoner verhuist vanwege een ‘normale wooncarrière’, bijvoorbeeld vanwege gezinsuitbreiding of omdat het huis juist te groot wordt zoals bij oudere mensen, kan mogelijk wel een woningaanpassing worden verstrekt. Wel moet dan verhuisd worden naar de meest geschikte woning. Er kan natuurlijk wel een andere weigeringsgrond van toepassing zijn. Ook als een inwoner verhuist naar een niet-adequate woning, maar als de gemeente toestemming heeft gegeven voor de verhuizing, dan verstrekt de gemeente ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing. Voordat een inwoner gaat verhuizen, mag van hem verwacht worden dat hij eerst contact opneemt met de gemeente.
- g.
De inwoner verhuist naar een Wlz -instelling;
De inwoner kan in dit geval geen woningaanpassing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding ontvangen. De Wlz is immers een andere regeling waar de inwoner een beroep op kan doen waardoor de inwoner de gemeente geen ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015 meer verstrekt.
- h.
De woningaanpassing is algemeen gebruikelijk;
De gemeente verstrekt in principe geen woningaanpassing als deze naar zijn aard algemeen gebruikelijk is. Zaken die vaak als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt zijn bijvoorbeeld een aanrechtblad, hendel mengkranen, keukenapparatuur en een stofzuiger met een HEPA-filter. De gemeente bekijkt altijd of deze zaken in het individuele geval van de inwoner ook algemeen gebruikelijk zijn.
- i.
De woningaanpassing is bedoeld voor een woning in een gebouw dat specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte.
Deze weigeringsgrond kan bijvoorbeeld van toepassing zijn op een gebouw dat bedoeld is voor ouderen. Voorzieningen die speciaal bedoeld zijn voor ouderen worden dan geacht aanwezig te zijn in zo’n gebouw. Die voorziening wordt dan als algemeen gebruikelijk beschouwd. Het gaat hier om gebouwen die specifiek bedoeld zijn voor een bepaalde groep mensen. Als er toevallig veel mensen in een gebouw wonen die tot een bepaalde groep behoren, hoeft dit niet te betekenen dat het een gebouw is dat speciaal gericht is op die bepaalde groep mensen.
5.5 Het primaat van verhuizen
De gemeente verstrekt bij maatschappelijke ondersteuning die nodig is in het kader van de Wmo altijd de goedkoopst compenserende voorziening. In het geval van een woningaanpassing kan dit ook een verhuiskostenvergoeding in het kader van het primaat van verhuizen zijn. Het primaat van verhuizen houdt in dat de gemeente een inwoner vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen. Als de gemeente het primaat van verhuizen toepast, ontvangt de inwoner eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de inwoner wordt dan niet aangepast.
5.5.1 Criterium primaat van verhuizen
Het primaat van verhuizen kan pas worden toegepast als de totale kosten van de benodigde woningaanpassing(en) meer bedragen dan € 10.000, -. Dit bedrag staat in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen.
5.5.2 Belangenafweging
Het toepassen van het primaat van verhuizen is geen automatisme. Voordat de gemeente het primaat van verhuizen oplegt en overgaat tot het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding, maakt de gemeente een belangenafweging. Dat de belangenafweging complex is, is niet vreemd gelet op het feit dat de toepassing van het primaat van verhuizen een behoorlijk ingrijpende gebeurtenis in het leven van een inwoner is. Er moeten soms veel belangen worden afgewogen, afhankelijk van de individuele situatie van de inwoner. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om:
- -
De aanwezigheid van een passende woning;
- -
De kostenvergelijking tussen de huidige woning aanpassen en verhuizen;
- -
De gezondheidssituatie van de inwoner en zijn huisgenoten;
- -
De afstand tot voorzieningen waar de inwoner gebruik van maakt;
- -
De wil van de inwoner om te gaan verhuizen;
- -
De leeftijd van de inwoner en zijn huisgenoten;
- -
In hoeverre is de huidige woning al is aangepast;
- -
De medisch aanvaardbare termijn;
- -
De sociale omstandigheden;
- -
De afstemming met andere voorzieningen;
- -
De werksituatie van de inwoner;
- -
De eventuele stijging in de woonlasten;
- -
Of de huidige woning eigendom is van de inwoner;
- -
De aanwezigheid van familie, vrienden en mantelzorg.
Indien de gemeente na afweging van de belangen tot de conclusie komt dat er een passende woning voorhanden is, dan kan de gemeente de inwoner compenseren door een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding staat in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. Als er geen passende woning aanwezig is, wil dat echter niet zeggen dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. De gemeente heeft de mogelijkheid om, naast een verhuiskostenvergoeding, ook noodzakelijke woningaanpassingen te verstrekken, waardoor het primaat van verhuizen in geval van een woning die niet passend is, toch kan worden toegepast omdat de niet-passende woning passend wordt gemaakt.
5.5.3 Beschikbare woning
In het geval de gemeente het primaat van verhuizen oplegt, moet er wel een woning beschikbaar zijn. De gemeente heeft de taak om te bekijken of er een woning beschikbaar is binnen de medisch aanvaardbare termijn. Voor de vraag of er een passende woning beschikbaar is of komt, overlegt de gemeente met de woningcorporaties. Voor de vraag wat de medisch aanvaardbare termijn is, vraagt de gemeente een medisch advies op. De gemeente hoeft niet te bemiddelen bij het verkrijgen van een andere woning.
5.5.4 Inwoner wil niet verhuizen
De gemeente past het primaat van verhuizen niet dwingend toe. Als een inwoner niet wil verhuizen terwijl het primaat van verhuizen wel kan worden toegepast, kent de gemeente de inwoner een verhuiskostenvergoeding toe. De inwoner kan die verhuiskostenvergoeding besteden aan het aanpassen van de huidige woning. Als de gemeente een verhuiskostenvergoeding toekent terwijl de inwoner niet verhuist, worden afspraken gemaakt met de inwoner. De gemeente compenseert in dat geval geen nieuwe beperkingen in het normale gebruik van de woning meer, tenzij het gaat om beperkingen in het normale gebruik van de woning die ook zouden zijn opgetreden als de inwoner wel zou zijn verhuisd naar de passende woning.
5.6 Een bouwkundige woningaanpassing
Als de gemeente van mening is dat de inwoner in het kader van het verminderen of wegnemen van zijn beperkingen een woningaanpassing nodig heeft, dan stelt de medewerker van de gemeente of een extern adviseur een programma van eisen op voor de goedkoopst compenserende voorziening. De woningeigenaar wordt per brief geïnformeerd over de woningaanpassing.
5.6.1 PGB-plan
De gemeente verstrekt de woningaanpassing voor de goedkoopst compenserende voorziening in de vorm van een PGB. De inwoner moet bij de aanvraag van de woningaanpassing een PGB-plan indienen als de waarde van de woningaanpassing lager is dan € 10.000,-. Is de waarde hoger dan € 10.000,- , dan hoeft de inwoner geen PGB-plan in te dienen. Zie over het PGB hoofdstuk 11.
Wanneer de woningaanpassing een waarde heeft die hoger is dan € 10.000,- zal de gemeente een programma van eisen aanleveren aan de inwoner. In dit programma van eisen staat aan welke eisen de woningaanpassing moet voldoen. De inwoner verstrekt de gemeente vervolgens offertes waarbij is voldaan aan het programma van eisen.
5.6.2 Aantal offertes
De inwoner verstrekt de gemeente een aantal offertes afhankelijk van de waarde van de woningaanpassing. Hoeveel offertes een inwoner moet aanleveren bij de gemeente staat in hoofdstuk 11.7.3.
5.6.3Toestemming gemeente
Als de gemeente één van de aangeleverde offertes goedkeurt, geeft de gemeente vervolgens toestemming voor het realiseren van de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet al - zonder toestemming - een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop het persoonsgebonden budget betrekking heeft.
5.6.4 De eigenaar voert uit
De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen.
5.6.5 De gemeente controleert
De gemeente verleent, indien van toepassing, slechts een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing als de gemeente (of afgevaardigden) toegang hebben gekregen tot de woning. Controle vindt achteraf plaats. De aangewezen personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren.
5.6.6 Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding
Het persoonsgebonden budget wordt meestal uitbetaald aan de aannemer na overlegging van facturen. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, uiterlijk 15 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie het PGB wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan de gemeente dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding) volgens het programma van eisen. De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de laatste factuur van de aannemer. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder het PGB is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. Na gereedmelding, en indien van toepassing controle van de woningaanpassing, wordt bekeken of de hoogte van het toegekende PGB juist is. Wijkt de hoogte van de kosten van de woningaanpassing af van de hoogte van het toegekende PGB, dan past de gemeente de hoogte van het toegekende PGB aan zodat het toegekende PGB toereikend is. De woningaanpassing moet nog wel altijd de goedkoopst compenserende woningaanpassing zijn.
5.6.7 Opstalverzekering
Bij het vergroten van de woning wordt ervan uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast.
5.7 Uitraasruimte
Een uitraasruimte is ondersteuning in de vorm van een verblijfsruimte waarin een inwoner die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Vanwege de beperking, de gedragsstoornis van de inwoner, zal de ruimte beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. De ruimte zal dus prikkelarm en veilig moeten zijn, en zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is, kan dat onder de voorziening vallen.
Op basis van een deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld of een uitraaskamer noodzakelijk is en aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimtes worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraasruimte nodig is.
Een uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking.
Hoofdstuk 6 Rolstoelen
In paragraaf 3.7.1 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen is het volgende opgenomen:
- 1.
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, ondersteuning kunnen krijgen.
- 2.
De ondersteuning houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen.
6.1 Rolstoelvoorziening
De gemeente kan een inwoner een (aanpassing op een) rolstoel verstrekken als de inwoner zich niet goed kan verplaatsen in en om zijn woning en daardoor beperkingen heeft bij:
- -
De algemene dagelijkse levensverrichtingen (zie hierover ook hoofdstuk 3); of
- -
Het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
De gemeente verstrekt een inwoner een (aanpassing aan een) rolstoel als de rolstoel bedoeld is voor dagelijks zittend gebruik en de inwoner zich daarmee in en om zijn woning kan verplaatsen. Dat betekent dat het vooral gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning van de inwoner worden gedaan. Het gaat om inwoners die een rolstoel nodig hebben omdat ze geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig – al dan niet met een loophulpmiddel – af te leggen.
Het hoeft niet zo te zijn dat de inwoner de gehele dag is aangewezen op zittend verplaatsen. Als de inwoner bijvoorbeeld wel een bepaalde afstand lopend (bijvoorbeeld 100 meter) kan afleggen, maar daarna is aangewezen op zittend verplaatsen, dan kan een rolstoelvoorziening nodig zijn. Het moet dan wel duidelijk zijn dat andere loophulpmiddelen (zoals een loopwagen of trippelstoel) geen oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Deze loophulpmiddelen kunnen op grond van de Zorgverzekeringswet worden verstrekt.
6.1.1 Kortdurende noodzakelijkheid
In principe komen alleen inwoners die door de aard van hun beperking of probleem langdurig op een rolstoel zijn aangewezen hiervoor in aanmerking op grond van de Wmo. Als een inwoner maximaal 6 maanden een rolstoel nodig heeft, dan kan deze verstrekt worden op grond van de Zorgverzekeringswet.
6.1.2 (Medisch) onderzoek
De gemeente kan door een (medisch) onderzoek bepalen of er een rolstoel nodig is. De gemeente onderzoekt welke soort rolstoel het beste past bij de inwoner. Bij het selecteren van een soort rolstoel wordt ook gekeken hoe de rolstoel wordt bewogen. Bij het selecteren van een duwrolstoel bijvoorbeeld kijkt de gemeente of de begeleider over voldoende kracht en uithoudingsvermogen beschikt om de inwoner in een rolstoel voort te duwen.
6.1.3 Onderhoud en keuring
De gemeente zorgt ervoor dat de rolstoel van een inwoner periodiek wordt gekeurd en wordt onderhouden.
6.1.4 Geen bijdrage in de kosten
De gemeente vraagt geen bijdrage in de kosten aan de inwoner voor de verstrekking van een (sport)rolstoel.
6.2 Inwoners met een Wlz-indicatie
De gemeente verstrekt geen maatwerk ondersteuning als een inwoner recht heeft op verblijf en behandeling vanuit de Wlz. De gemeente verstrekt in dit geval dus geen rolstoel aan de inwoner. Als er reden is om aan te nemen dat een inwoner wel aanspraak kan maken op verblijf en behandeling, maar de inwoner niet mee wil werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit van het CIZ, dan verstrekt de gemeente ook geen ondersteuning.
Inwoners die een Wlz-indicatie hebben, maar thuis wonen en dus geen verblijfsindicatie hebben, kunnen wel in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening.
6.3 Sportrolstoel
De gemeente verstrekt een sportrolstoel aan inwoners die:
- -
aantoonbaar een sport beoefenen; en
- -
zonder sportrolstoel niet in staat zijn tot uitoefening van die sport; en
- -
de sport recreatief uitoefenen. Sportrolstoelen voor topsport moeten worden verstrekt uit sponsoring of uit eigen middelen;
- -
recht hebben op ondersteuning. Zie hoofdstuk 3 voor de algemene criteria.
Een sportrolstoel wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. Het bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van maximaal één sportrolstoel voor een periode van minimaal 3 jaar. Na de periode van 3 jaar kunnen onderhoudskosten worden vergoed als de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd.
NB: De gemeente kan in bijzondere gevallen een andere sportvoorziening verstrekken, die aan deze voorwaarden moet voldoen en is bedoeld voor het beoefenen van een sport.
Hoofdstuk 7 Het huishouden kunnen doen
In paragraaf 5.2.2 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen is opgenomen dat de gemeente ervoor zorgt dat een inwoner ondersteuning kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. De inwoner moet hierbij wel aan de criteria voor ondersteuning voldoen zoals beschreven in Wmo 2015.
Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan bestaat de maatwerk ondersteuning ook uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze maatwerk ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is, te overbruggen.
7.1 Huishoudelijke hulp
Een inwoner met een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem die geen gestructureerd huishouden kan voeren en dit probleem niet voldoende met eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met hulp uit zijn sociale netwerk kan verminderen of kan oplossen, kan voor ondersteuning in de vorm van hulp bij het huishouden in aanmerking komen.
Onder een gestructureerd huishouden wordt verstaan:
- -
het schoon en op orde houden van het huishouden;
- -
het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding.
Voordat de gemeente de ondersteuningsvorm hulp bij het huishouden toekent, onderzoekt de consulent welke taken de inwoner zelf kan uitvoeren in zijn huishouden en bij welke taken de inwoner ondersteuning nodig heeft. De consulent onderzoekt ook welke taken kunnen worden verricht middels hulp uit het sociale netwerk van de inwoner, of door algemeen gebruikelijke voorzieningen of gebruikelijke hulp of een algemene voorziening. Blijven er dan nog taken over die niet gedaan worden, maar wel nodig zijn om een gestructureerd huishouden te voeren, dan wordt voor die taken ondersteuning in de vorm van hulp bij het huishouden aan de inwoner verstrekt. Zie hierover ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
Voor de onderbouwing van de ondersteuning in het huishouden, maken we vanaf 1 januari 2026 gebruik van het HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning voor ondersteuning bij een gestructureerd huishouden.
7.2. Kortdurende ondersteuning
In de Verordening sociaal domein gemeente Kampen is als voorwaarde om in aanmerking te komen voor maatschappelijke ondersteuning opgenomen dat de ondersteuning langdurig noodzakelijk moet zijn. Bij ondersteuning in de vorm van hulp bij het huishouden bestaat een uitzondering op die voorwaarde. Kortdurende hulp bij het huishouden kan onder de Wmo 2015 vallen, bijvoorbeeld als er sprake is van een situatie waarbij jonge kinderen zijn betrokken of bij het aanleren van vaardigheden waardoor een inwoner meer zelfredzaam wordt.
7.3 Indiceren Huishoudelijke ondersteuning
De gemeente Kampen baseert de inzet van ondersteuning op het ‘Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019’ (bureau HHM) voor een schoon en leefbaar huis (zie afbeelding 1). Dit houdt in dat het huis normaal bewoond en gebruikt kan worden. Schoon betekent dat de basis hygiëne in orde is en dat vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s voor bewoners worden voorkomen. Leefbaar houdt in dat het huis opgeruimd en functioneel is, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Samen met de consulent wordt er gekeken welke onderdelen van het normenkader in de situatie van toepassing zijn. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt wat een hulp oppakt en wat de inwoner en zijn netwerk kan doen.
afbeelding 1 Normenkader
7.3.1 Schoon en leefbaar huis
Het normenkader bestaat uit verschillende onderdelen, zie afbeelding 1. De basis van huishoudelijke ondersteuning bevat alle schoonmaakwerkzaamheden die in het huis worden gedaan. Dit is het resultaat schoon en leefbaar huis. Er wordt samen met de consulent gekeken naar welke onderdelen van de basis schoon en leefbaar van toepassing zijn in de situatie van de inwoner. Het besluit of en wat voor huishoudelijke ondersteuning iemand nodig heeft, kan voor elke inwoner anders zijn.
De werkzaamheden en bijbehorende tijd zijn gebaseerd op een gemiddeld huishouden. Een gemiddeld huishouden houdt het volgende in:
- -
een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;
- -
wonend in een eigen huis (dus geen zorginstelling), gelijkvloers of met een trap;
- -
de inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, post opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;
- -
de inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
- -
er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
- -
er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;
- -
er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;
- -
de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra groot.
In het normenkader is, naast de directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, het koffiemomentje en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen. Een uitgebreide uitwerking van het HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning is te vinden op de website van HHM.
In het normenkader zijn tijden opgenomen die bij elkaar een totaaltijd opleveren. Een totaaltijd is voldoende om de noodzakelijke activiteiten door een professional uit te laten voeren. Dit zijn geen instructietijden voor de uitvoering van specifieke activiteiten. Iedere situatie heeft een eigen verdeling van de totaaltijd over verschillende activiteiten. De inwoner maakt zelf met de hulp afspraken over hoe de werkzaamheden worden gedaan. Daarbij staat de totaaltijd vast. Persoonlijke voorkeuren van de inwoner leiden niet tot het extra inzetten van tijd.
7.3.2 Extra inzet
De consulent bepaalt samen met de inwoner aan de hand van een onderzoek welke hulp nodig is. In het onderzoek wordt gekeken of met de eigen kracht, hulp van sociaal netwerk of algemene voorziening, een schoon en leefbaar huis kan worden bereikt.
Wanneer er sprake is van (medische) beperkingen waardoor de basisondersteuning niet passend is, kan er extra inzet worden toegewezen. De consulent kan hierbij een medisch advies aanvragen om de impact van de beperking goed te kunnen beoordelen.
Er kan 30 of 60 minuten extra tijd worden toegekend. Er wordt per situatie bekeken hoeveel extra tijd er nodig is. Een richtlijn is dat er 30 minuten extra wordt ingezet als er extra goed moet worden schoongemaakt. 60 minuten kan worden toegekend als er extra goed moet worden schoongemaakt, waardoor de hulp een extra keer in de week moet langskomen.
De standaard situatie gaat uit van een huishouden van 1 à 2 personen. Wanneer er extra personen in het huishouden zijn, hoeft dit niet automatisch te betekenen dat er extra inzet van hulp nodig is. Deze extra personen kunnen wellicht zelf een deel van het huishouden doen, zie de beschrijving van gebruikelijke hulp in hoofdstuk 3. Alleen wanneer deze extra personen in het huishouden niet zelf de zorg kunnen leveren, dan kan er extra inzet worden toegewezen.
In het normenkader wordt er een onderscheid gemaakt tussen een extra kamer ‘in gebruik’ en ‘niet in gebruik’. Met in gebruik bedoelen wij een kamer die dagelijks gebruikt wordt en essentieel (belangrijk) is voor het dagelijks leven. Dit gaat bijna altijd over een extra slaapkamer. Bijvoorbeeld: een echtpaar slaapt vanwege medische of persoonlijke redenen in twee slaapkamers.
Als er kinderen thuis wonen met een eigen slaapkamer, wordt er eerst gekeken of zij zelf hun kamer kunnen schoonmaken. Hierbij gebruiken wij het protocol gebruikelijke hulp zoals beschreven in hoofdstuk 3. Wanneer de kinderen niet zelf kunnen meehelpen (bijvoorbeeld vanwege een eigen beperking of leeftijd), wordt er extra tijd toegewezen.
Met kamers die niet in gebruik zijn, bedoelen wij de hobbykamer, bijkeuken, computerkamer enz. Dit zijn niet essentiële ruimten die de inwoner wel gebruikt, maar die niet wekelijks schoongemaakt hoeven te worden. Bijvoorbeeld eens in de twee weken of maandelijks is voldoende. Er wordt tijdens het onderzoek gekeken wat de inwoner en zijn netwerk kan doen om deze ruimte schoon te houden. Alleen als blijkt dat het huis zodanig extra wordt vervuild als deze ruimte niet worden schoongemaakt, kan hier extra tijd voor worden toegewezen. De zolder en garage vallen hierbuiten en worden niet meegenomen.
De inrichting, staat en omvang van het huis worden meegenomen in de beslissing van de consulent. Dit betekent niet dat, wanneer deze afwijkt van het gemiddelde huishouden, er automatisch meer inzet wordt toegewezen. Er wordt altijd gekeken naar de eigen mogelijkheden. Een voorbeeld is een woning met een zeer volle inrichting van beeldjes en/of fotolijstjes. In dit geval kan de inwoner gevraagd worden om rekening te houden met de inrichting van het huis of dat de inwoner en zijn netwerk deze extra taak zelf oppakt.
Er wordt in het algemeen geen extra tijd toegekend wanneer er huisdieren aanwezig zijn. Dit valt onder basisactiviteiten. Er kan een uitzondering worden gemaakt wanneer er sprake is van bijzondere hoeveelheid extra vervuiling. Werkzaamheden buiten het huis zoals de tuin en de buitenkant van de ramen, zijn uitgesloten van huishoudelijke ondersteuning.
7.3.3 Wasverzorging
De inwoner kan ondersteuning krijgen bij wasverzorging wanneer de inwoner zelf niet meer de was kan doen. Concrete taken bij deze ondersteuning zijn het sorteren, wassen, drogen, opvouwen en opbergen van het wasgoed. Bedden- en linnengoed valt ook onder wasgoed.
Een consulent bekijkt tijdens het onderzoek eerst of de inwoner of iemand vanuit het netwerk van de inwoner de was kan doen. Wanneer dit niet mogelijk is, dan kan er extra tijd worden toegekend voor de wasverzorging, zie afbeelding 1.
Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar.
7.3.4 Boodschappen
Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing.
7.3.5 Bereiden van maaltijden
Wanneer u zelf geen maaltijden kunt klaarmaken, kunt u ondersteuning krijgen om u daarbij te helpen. U kunt gebruik maken van bijvoorbeeld uw eigen netwerk, kant- en-klaar maaltijden of hulp via de thuiszorg. Wanneer dit geen passende oplossing is, kan er extra tijd worden toegekend voor het bereiden van de maaltijd.
De taken bij deze ondersteuning zijn broodmaaltijd bereiden, warme maaltijd opwarmen, maaltijd en benodigdheden klaarzetten, afruimen en afwassen of in- en uitpakken van de vaatwasser. Het doen van boodschappen en het koken van de warme maaltijd valt niet onder werkzaamheden van de hulp.
7.3.6 Regie
Regie/organisatie
De hulp heeft een signaleringsfunctie met betrekking tot de gezondheid en welzijn van de inwoner. Dit houdt in dat de hulp in de gaten houdt of er veranderingen optreden en indien nodig actie onderneemt. Deze functie is standaard onderdeel van het werk van de hulp. Wanneer de hulp een grotere rol heeft in de regie/organisatie rondom het huishouden, dan kan daar extra tijd voor worden toegewezen. Een voorbeeld is als de hulp wekelijks met u en/of uw netwerk om tafel gaat om zaken te regelen, zoals maken van een planning of zorgen dat afspraken worden nagekomen
Advies, voorlichting en instructie (AVI)
Er kan specifiek aandacht worden besteed aan het aanleren en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, de was-verzorging, boodschappen doen en bereiden van maaltijden. Dit heeft als doel om u zelfstandiger te maken in het huishouden. Dit traject kan maximaal voor 6 weken worden ingezet.
Kinderen verzorgen
Onderdeel van een leefbaar huishouden is ook de verzorging van minderjarige kinderen. Wanneer een inwoner door een beperking tijdelijk of structureel niet (meer) zelf de kinderen kan verzorgen en nog geen eigen oplossing heeft zoals een andere ouder of mantelzorg, dan kan de hulp hierbij tijdelijk ondersteunen. Activiteiten die hieronder kunnen vallen zijn: tasjes/lunchtrommel voor school klaarmaken, aankleden, wassen, eten geven, naar school/crèche brengen en naar bed brengen. Samen met de consulent wordt er een lijst met activiteiten bepaald en gekeken naar hoeveel tijd daarvoor nodig is. Dit is in elke situatie maatwerk.
Hoofdstuk 8 Begeleiding
In paragraaf 3.6 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen staat dat de gemeente ervoor zorgt dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, ondersteuning kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden uit deze verordening. (zie de artikelen 2.3.2 en 5.1 van de verordening). De ondersteuning houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor een of meer dagdelen per week.
De gemeente zorgt er ook voor dat inwoners die ondersteuning nodig hebben om veilig de dag door te komen, ondersteuning kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden uit de verordening (zie de artikelen 2.3.2 en 5.1 van de verordening). De ondersteuning houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Het betekent dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over.
8.1 Inleiding
De gemeente kan een inwoner met beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015 ondersteuning verstrekken in de vorm van begeleiding. Begeleiding bestaat uit ondersteuning in het dagelijks leven om zelfstandig te kunnen leven. Begeleiding kan zowel individueel als in een groep worden geboden. Daarnaast kan een inwoner ook worden doorverwezen naar de Centrale Toegang van GGD IJsselland voor ondersteuning in de vorm van maatschappelijke opvang (zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels).
8.2 Maatwerk ondersteuning
Voordat de gemeente de maatwerk ondersteuning in de vorm van begeleiding toekent, onderzoekt de gemeente of de inwoner zijn problemen kan verminderen of wegnemen door hulp uit het sociale netwerk van de inwoner, of door algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp of door een beroep te doen op een andere regeling of organisatie. Voorbeelden van andere regelingen of organisaties zijn een reguliere sportvereniging, het algemeen maatschappelijk werk, welzijnsorganisaties of de praktijkondersteuner van de huisarts, of een beroep op een andere wet zoals de Jeugdwet, de Wlz, of de Zvw. Als het gaat om de begeleiding van jeugdigen, is de Jeugdwet aan zet. Heeft een inwoner een Wlz-indicatie, dan valt de begeleiding ook onder de Wlz. Heeft de inwoner begeleiding nodig in het kader van een medische behandeling, dan valt die begeleiding onder de Zvw. Als het gaat om dagbesteding kent de gemeente geen ondersteuning in de vorm van dagbesteding toe als een inwoner zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie ook voldoende kan verminderen met bijvoorbeeld (vrijwilligers)werk of een participatietraject. Zie verder over de beoordeling van het recht op ondersteuning ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
8.3 Individuele begeleiding
Bij individuele begeleiding gaat het niet om het overnemen van taken, maar om de ondersteuning ervan. Daarbij zal het vaak gaan om het ondersteunen bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL-verrichtingen) door de inwoner zelf. De resultaten op het gebied van individuele begeleiding zijn op te delen in 5 categorieën.
- 1.
Zelfstandig leven en zelfredzaamheid:
- -
Zichzelf kunnen verzorgen;
- -
Gezond leven/gezonde keuzes maken;
- -
Inzicht in somatische en/of psychosomatische beperkingen en hiermee kunnen omgaan;
- -
Activeren van hulpbronnen in eigen netwerk en/of informele zorg.
- -
- 2.
Deelnemen aan het maatschappelijk leven:
- -
Er is een netwerk passend bij de behoefte van de inwoner;
- -
Aangaan en onderhouden van contacten;
- -
Zichzelf verplaatsen/vervoeren;
- -
Deelnemen aan (georganiseerde) activiteiten.
- -
- 3.
Dagstructuur:
- -
Regelmatige dagstructuur;
- -
Dag/weekplanning maken;
- -
Zinvolle daginvulling;
- -
Toe leiden naar (vrijwilligers)werk.
- -
- 4.
Voeren van regie:
- -
Herkenning van eigen problemen;
- -
Vaardigheden toepassen;
- -
Initiatieven nemen;
- -
Besluiten nemen en gevolgen kunnen overzien;
- -
Zich aan afspraken en regels houden.
- -
- 5.
Ontlasten van mantelzorger:
- -
Voorkomen van klachten als gevolg van overbelasting mantelzorg;
- -
Mantelzorger(s) zijn in staat om de mantelzorg vol te houden;
- -
Mantelzorg beter verdelen over mogelijke mantelzorgers.
- -
8.3.1 begeleiding in groepsvorm
Zorgaanbieders kunnen vergelijkbare ondersteuningsvragen clusteren om begeleiding in groepsverband efficiënt en doelgericht te organiseren.
8.4 dagbesteding
Inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, kunnen dagbesteding krijgen. Hiervoor zal eerst onderzocht worden of een inwoner zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie ook voldoende kan verminderen met bijvoorbeeld (vrijwilligers)werk of een participatietraject. De dagbesteding houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige of andere begeleide groepsactiviteiten voor één of meer dagdelen per week. Bij dagbesteding krijgt de inwoner activiteiten aangeboden met als doel dag-structurering en het bevorderen van zelfstandigheid en het in stand houden van bestaande vaardigheden. Dagbesteding kan ook ingezet worden ter ontlasting van een mantelzorger/familielid. Indien (lichamelijke) beperkingen een inwoner belemmeren om zelfstandig naar de dagbestedingslocatie te komen, kan vervoer onderdeel uitmaken van de dagbestedingsindicatie.
8.5 Respijtzorg
Een bijzondere vorm van begeleiding kan respijtzorg zijn. Bij respijtzorg wordt een mantelzorger tijdelijk ontlast van zijn taak, zodat de mantelzorger tijd heeft om iets voor zichzelf te doen en nieuwe energie op te doen. De taken van de mantelzorger kunnen door een vrijwilliger of door professionele ondersteuning worden overgenomen. Er bestaan veel soorten ondersteuning voor respijtzorgvoorzieningen, zoals begeleiding thuis, informele zorg, dagopvang, een logeerhuis of kortdurend verblijf. Voordat ondersteuning wordt geboden wordt eerst gekeken of de met andere voorzieningen hulp kan worden geboden. Denk hierbij aan een beroep op de Zvw, hulp via patiëntenverenigingen of organisaties zoals bijvoorbeeld de Zonnebloem.
8.6 Bijdrage in de kosten
Als een inwoner gebruikt maakt van maatschappelijke ondersteuning in de vorm van begeleiding, vraagt de gemeente hiervoor een bijdrage in de kosten. Zie hoofdstuk 12 voor meer informatie over de eigen bijdrage die de gemeente kan vragen.
8.7 Omvang van de ondersteuning
De gemeente beoordeelt welke vorm van ondersteuning en hoeveel ondersteuning een inwoner nodig heeft. De gemeente kent toe aan de hand van trajecten met een tijdsindicatie. De verschillende vormen van ondersteuning zijn uitgewerkt in bouwwerken zoals beschreven in hoofdstuk 8.8
8.8 Vormen van ondersteuning
De gemeente gaat uit van 3 verschillende segmenten;
- -
Ouderen; inwoners vanaf de pensioengerechtigde leeftijd
- -
Tijdelijk; de inwoner heeft de ondersteuning niet langer dan 2 jaar nodig
- -
Structureel; de inwoner heeft de ondersteuning langer dan 2 jaar nodig.
Onderstaande schema heeft betrekking op inwoners vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Voor het segment ouderen wordt de zorg uitgevoerd door Kampen Zorgt Samen.
8.8.1 uitwerking van de producten uit segment structureel
Bij ondersteuning vanuit het segment Structureel gaat het om ondersteuning welke is gericht op stabilisatie en/of het voorkomen van achteruitgang.
8.8.1.1 dagbesteding
|
Dagbesteding |
|
|
Eenheid |
Aantal dagdelen, een dagdeel is 4 uur, exclusief reistijd van de cliënt |
|
Inwoner |
|
|
Daarnaast |
|
|
Overig |
|
8.8.1.2 dagbesteding vervoer regulier
|
Dagbesteding vervoer regulier |
|
|
Eenheid |
Aantal ritten waarbij de inwoner naar en van dagbesteding vervoerd wordt |
|
Inwoner |
Inwoner kan in verband met een (medische) beperking niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de locatie bereiken |
|
Vervoerder |
|
8.8.1.3 dagbesteding vervoer plus
|
Dagbesteding vervoer plus |
|
|
Eenheid |
Aantal ritten waarbij de inwoner naar en van dagbesteding vervoerd wordt |
|
Inwoner |
Inwoner kan in verband met een (medische) beperking niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de locatie bereiken en is afhankelijk van een rolstoel. |
|
Vervoerder |
|
8.8.1.4 begeleiding basis
|
Begeleiding basis |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
En/Of
|
|
Overig |
|
8.8.1.5 begeleiding specialistisch
|
Begeleiding specialistisch |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Daarnaast |
En/Of
En/Of
|
|
Overig |
|
8.8.1.6 kortdurend verblijf
|
Kortdurend verblijf (KDV) |
|
|
Eenheid |
Etmalen |
|
Componenten |
Bestaat uit 3 componenten (bovenop eventuele toegekende begeleiding en dagbesteding):
|
|
Wmo Begeleiding tijdens KDV |
|
|
Wmo Dagbesteding tijdens KDV |
|
|
Inwoner |
|
8.8.1.7 hulp bij huishouden
|
Hulp bij het huishouden |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Schoon en leefbaar huis |
Huishoudelijke hulp waarbij het resultaat een schoon en leefbaar huis is waarbij het huis normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning. |
|
Overig |
Indien op basis van de Wmo het klaarzetten van maaltijden is geïndiceerd dan valt dit onder hulp bij huishouden. |
8.8.1.8 hulp bij huishouden regie
|
Hulp bij het huishouden regie |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Regietaken en organisatie |
|
8.1.1.9 hulp bij huishouden wasverzorging
|
Hulp bij het huishouden wasverzorging |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoners |
De inwoner heeft ondersteuning nodig voor het beschikken over schone kleding en beddengoed door wassen en drogen van kleding en beddengoed. Kleding hoeft niet gestreken te worden. Er wordt van uitgegaan dat inwoners kleding kopen en dragen die niet gestreken hoeft te worden. |
8.8.2 uitwerking van de producten uit segment tijdelijk
Bij de ondersteuning vanuit het segment Tijdelijk gaat het om ontwikkelingsgerichte ondersteuning.
8.8.2.1 dagbesteding
|
Dagbesteding basis |
|
|
Eenheid |
Aantal dagdelen, een dagdeel is 4 uur, exclusief reistijd van de cliënt. |
|
Inwoner |
|
|
Daarnaast |
|
|
Overig |
|
8.8.2.2 dagbesteding plus
|
Dagbesteding plus |
|
|
Eenheid |
Aantal dagdelen, een dagdeel is 4 uur, exclusief reistijd van de cliënt. |
|
Inwoner |
Of
|
|
Daarnaast |
|
|
Overig |
|
8.8.2.3 dagbesteding vervoer regulier
|
Dagbesteding vervoer regulier |
|
|
Eenheid |
Aantal ritten waarbij de inwoner naar en van dagbesteding vervoerd wordt |
|
Inwoner |
Inwoner kan in verband met een (medische) beperking niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de locatie bereiken
|
8.8.2.4 dagbesteding vervoer plus
|
Dagbesteding vervoer plus |
|
|
Eenheid |
Aantal ritten waarbij de inwoner naar en van dagbesteding vervoerd wordt |
|
Inwoner |
Inwoner kan in verband met een (medische) beperking niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de locatie bereiken en is afhankelijk van een rolstoel |
8.8.2.5 begeleiding basis
|
Begeleiding basis |
|
|
Eenheid |
Minuten |
En/Of
|
|
|
Overig |
|
8.8.2.6 begeleiding specialistisch
|
Begeleiding specialistisch |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Daarnaast |
En/Of
En/Of
|
|
Overig |
|
8.8.2.7 begeleiding intensief
|
Begeleiding intensief |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Daarnaast |
En/Of
|
8.8.2.8 begeleiding intensief plus
|
Begeleiding intensief plus |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
En/Of
|
|
Daarnaast |
En/Of
|
8.8.2.9 begeleiding zorgmijding
|
Begeleiding zorgmijding |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
8.8.2.10 kortdurend verblijf
|
Kortdurend verblijf (KDV) |
|
|
Eenheid |
Etmalen |
|
Componenten |
Bestaat uit 3 componenten (bovenop eventuele toegekende begeleiding en dagbesteding):
|
|
Wmo Begeleiding tijdens KDV |
|
|
Wmo Dagbesteding tijdens KDV |
|
|
Inwoner |
|
8.8.2.11 hulp bij huishouden
|
Hulp bij het huishouden |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Schoon en leefbaar huis |
Huishoudelijke hulp waarbij het resultaat een schoon en leefbaar huis is waarbij het huis normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning. |
|
Overig |
Indien op basis van de Wmo het klaarzetten van maaltijden is geïndiceerd dan valt dit onder hulp bij huishouden. |
8.8.2.12 hulp bij huishouden regie
|
Hulp bij het huishouden regie |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoner |
|
|
Regietaken en organisatie |
|
8.8.2.13 hulp bij huishouden wasverzorging
|
Hulp bij het huishouden wasverzorging |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inwoners |
De inwoner heeft ondersteuning nodig voor het beschikken over schone kleding en beddengoed door wassen en drogen van kleding en beddengoed. Kleding hoeft niet gestreken te worden. Er wordt van uitgegaan dat inwoners kleding kopen en dragen die niet gestreken hoeft te worden. |
Hoofdstuk 9 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
In paragraaf 5.2.3 en paragraaf 5.2.4 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023 zijn regels opgenomen over beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Ook zijn over beschermd wonen regels opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen.
9.1 Beschermd wonen
9.1.1 Inleiding
De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving.
9.1.2 Doelgroep op grond van de wet
Indien er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een aanvraag hulp-op-maat zoals beschreven in de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023, kan een inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de wet als:
- 1.
Hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en;
- 2.
Hij de situatie van psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en;
- 3.
Beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de Inwoner of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de Inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
9.1.3 Afbakening met andere domeinen
Naast de Wmo zijn andere financieringsvormen op het gebied van GGZ. Het gaat dan om verblijf gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet forensische zorg. Dat betekent dat de gemeente altijd onderzoekt of één van deze wetten mogelijk voorliggend is.
9.1.4 Toegang tot beschermd wonen
Sinds januari 2025 is de Centrumregeling beschermd wonen en maatschappelijke opvang regio IJssel-Vecht van kracht. Over de maatwerkvoorziening beschermd wonen zijn regionale afspraken gemaakt. De gemeente Kampen onderzoekt of de hulpvrager in aanmerking komt voor beschermd wonen. De gemeente Kampen beslist over de aanvraag, en kan ook beslissen over het herzien of intrekken van een beslissing op de aanvraag en het nemen en verrichten van alle noodzakelijke voorbereidingshandelingen en – beslissingen.
9.1.4.1 Beoordelingskader beschermd wonen
Uitgangspunt voor de aanmeldingsprocedure voor een inwoner tot een maatwerkvoorziening vormt artikel 2.3.2. eerste lid van de Wmo 2015.
De gemeente Kampen maakt deel uit van de regio IJssel-Vecht. In de acht gemeenten van de regio IJssel-Vecht wordt het Beoordelingskader beschermd wonen toegepast tijdens het vaststellen van de problematiek en de meest passende en noodzakelijke ondersteuningsvorm. Het beoordelingskader Beschermd wonen is opgenomen als bijlage 2.
9.2 Maatschappelijke opvang
9.2.1 Inleiding
Maatschappelijke opvang is hulp-op-maat (een maatwerkvoorziening) die bestaat uit het aanbieden van onderdak en begeleiding voor mensen die de thuissituatie hebben verlaten en niet staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving of (met spoed) een veilige woonomgeving nodig hebben.
9.2.2 Toegang tot maatschappelijke opvang
Over de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang zijn regionale afspraken gemaakt met de andere gemeenten uit de Regio IJssel-Vecht. De uitvoering van de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang is uitbesteed aan de ‘Centrale Toegang’ (GGD IJsselland). Dit betekent dat als een inwoner van Nederland zich meldt bij de gemeente met een hulpvraag en maatschappelijke opvang een passende oplossing voor zijn beperking zou kunnen zijn, hij wordt doorverwezen naar de Centrale Toegang. De Centrale Toegang bepaalt vervolgens of hij in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang beslist over de aanvraag, en kan ook beslissen over het herzien of intrekken van een beslissing op de aanvraag en het nemen en verrichten van alle noodzakelijke voorbereidingshandelingen en – beslissingen
9.2.3 Opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld
De opvang voor slachtoffers van (de dreiging van) huiselijk geweld is apart geregeld. Zij kunnen terecht bij de opvang van Kadera als ze vanwege onveiligheid niet meer thuis kunnen blijven. Hiervoor hoeven inwoners/slachtoffers van huiselijk geweld niet eerst langs de gemeente te gaan, omdat deze opvang een algemeen toegankelijke voorziening is. De contactgegevens en het adres van Kadera zijn op de website van Kadera te vinden.
Veilig Thuis adviseert en doet onderzoek. Maar zoekt ook passende hulp in situaties van (de dreiging van) huiselijk geweld. Er wordt dan contact gezocht met het lokale team van de gemeente en de inhoud van de melding wordt overgedragen. De medewerker van de gemeente kijkt vervolgens samen met de betrokkenen welke hulp er ingezet kan worden om de veiligheid te herstellen.
Hoofdstuk 10 Vorm van de ondersteuning
In hoofdstuk 6 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen wordt uitgelegd in welke vormen de gemeente ondersteuning kan verstrekken.
Ondersteuning kan verstrekt worden in verschillende vormen. De vormen waarin een ondersteuning verstrekt kan worden zijn:
- -
In de vorm van zorg in natura (ZIN)
- -
In de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB)
- -
In de vorm van een financiële tegemoetkoming.
10.1 Zorg in natura
De gemeente verstrekt ondersteuning in principe als zorg in natura (ZIN). Dat betekent dat de inwoner de voorziening geleverd krijgt waarvoor de noodzaak is vastgesteld. De gemeente heeft in dat geval een contract afgesloten met een leverancier/aanbieder die de voorziening levert. Een voorziening die verstrekt wordt in ZIN wordt meestal verstrekt:
- -
in eigendom; of
- -
in bruikleen; of
- -
bij wijze van persoonlijke dienstverlening.
10.1.1 In eigendom of in bruikleen
De gemeente kan een voorziening in eigendom verstrekken, bijvoorbeeld bij kleine hulpmiddelen. Verstrekt de gemeente de voorziening in bruikleen, dan blijft de voorziening eigendom van de leverancier of van de gemeente en mag de inwoner de voorziening gebruiken. De inwoner tekent hiervoor een bruikleenovereenkomst. Heeft de inwoner de voorziening niet meer nodig, dan kan de gemeente besluiten de voorziening in te nemen en opnieuw te verstrekken aan een andere inwoner die de voorziening nodig heeft.
10.1.2 Onderhoud en reparatie
Bij de verstrekking van ondersteuning in natura wordt er tussen de inwoner en de leverancier vaak een overeenkomst gesloten met betrekking tot onderhoud en reparatie van het hulpmiddel.
10.1.3 Dienstverlening
Bij het verstrekken van ondersteuning in de vorm van dienstverlening in ZIN kan de inwoner gebruik maken van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die de gevraagde dienstverlening verstrekt.
10.2 Ondersteuning in de vorm van een PGB
Een inwoner die liever de ondersteuning zelf wil regelen en geen gebruik wil maken van zorg in natura, kan een PGB aanvragen. Hiervoor moet de inwoner wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zie hoofdstuk 11 van deze beleidsregels voor informatie over een PGB.
10.3 Ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming
De gemeente kan ondersteuning ook in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekken. In dat geval ontvangt de inwoner ondersteuning in de vorm van een geldbedrag. Dit geldbedrag is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden door de inwoner om de geïndiceerde voorziening aan te schaffen of ondersteuning te organiseren. De inwoner mag zelf een aanbieder of leverancier kiezen en afspraken maken over de invulling van de te leveren ondersteuning dan wel de voorziening. Een financiële tegemoetkoming is een vooraf bepaald geldbedrag die de noodzakelijke kosten ongeveer dekt. Een financiële tegemoetkoming hoeft dus niet volledig kostendekkend te zijn.
10.3.1 Kenmerken financiële tegemoetkoming
Samenvattend wil dit zeggen dat een financiële tegemoetkoming de volgende kenmerken heeft:
- -
een financiële tegemoetkoming is een vast geldbedrag; én
- -
een financiële tegemoetkoming hoeft niet volledig kostendekkend te zijn; én
- -
een financiële tegemoetkoming wordt niet verstrekt via de SVB; én
- -
bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming hoeft de inwoner in de gemeente Kampen geen bijdrage in de kosten te betalen; én
- -
de inwoner kiest zelf een aanbieder of leverancier en maakt zelf afspraken over den invulling van de te leveren ondersteuning dan wel voorziening.
10.3.2 Specifieke voorzieningen
De gemeente verstrekt de volgende voorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming:
- -
de verhuiskostenvergoeding. Zie hoofdstuk 5.
- -
de tegemoetkoming in de vervoersvoorzieningen. Zie hoofdstuk 4.
- -
de tegemoetkoming voor een sportrolstoel, zie hoofdstuk 6.
Hoofdstuk 11 Persoonsgebonden budget
In paragraaf 6.3 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen zijn regels opgenomen over het persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk worden deze regels nader uitgelegd.
11.1 Inleiding
Een inwoner die volgens de gemeente maatschappelijke ondersteuning nodig heeft, krijgt in principe de ondersteuning aangeboden in Zorg in natura (ZIN). De inwoner kan echter bij de gemeente aangeven de hulp in plaats van in ZIN liever in een persoonsgebonden budget (pgb) te ontvangen. Hiervoor moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Afhankelijk van de soort hulp ontvangt de inwoner het pgb als een bepaald geldbedrag zelf of wordt het pgb beschikbaar gesteld aan de inwoner via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Met het pgb kan de inwoner de hulp naar keuze zelf inkopen en regelen. Een inwoner kan met het pgb hulp-op-maat inkopen bij een professionele hulpverlener / aanbieder of bij een hulpverlener / aanbieder uit het informele of sociale netwerk van de inwoner. Een pgb is een volwaardig alternatief voor ZIN.
De regels die gelden met betrekking tot het pgb zijn opgenomen in de Verordening sociaal domein van de gemeente Kampen en in deze beleidsregels.
11.2 Gesprek
Als een inwoner graag de hulp in de vorm van een pgb wil ontvangen in plaats van in de vorm van ZIN, dan kan de inwoner dit aangegeven, bijvoorbeeld tijdens het (keukentafel)gesprek. De medewerker van de gemeente zal dan mogelijk een vervolgafspraak inplannen voor een ‘bewust keuze gesprek’. In dit gesprek wordt ingegaan op de voorwaarden waaraan een inwoner moet voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb.
11.3 Voorwaarden
Een pgb wordt alleen toegekend als er naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het ontvangen van een pgb zoals genoemd in artikel 2.3.6 Wmo 2015, in de verordening en in deze beleidsregels.
Om in aanmerking te komen voor een pgb moet ten minste aan de hieronder beschreven drie voorwaarden zoals genoemd in de verordening in artikel 6.3.1 zijn voldaan. Ook mag er geen sprake zijn van een van de weigeringsgronden zoals genoemd in dat artikel.
- 1.
Een inwoner moet gemotiveerd aangeven waarom hij een pgb wil ontvangen in plaats van een voorziening in de vorm van ZIN.
Een pgb wordt alleen verstrekt op verzoek van de inwoner of zijn vertegenwoordiger. De inwoner kan zijn motivatie voor een pgb verwoorden in het pgb-plan.
- 2.
Een inwoner moet voldoende in staat zijn om de taken die verbonden zijn aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren. De inwoners moet, met andere woorden, pgb-vaardig zijn. Een inwoner kan hiervoor ook ondersteuning krijgen uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger die zijn belangen behartigt.
Een pgb wordt alleen verstrekt als de gemeente van mening is dat de inwoner, eventueel met hulp van iemand anders, pgb vaardig is. Dit betekent dat de inwoner, eventueel met hulp van iemand anders, de vaardigheden bezit om het pgb zelfstandig en verantwoord te beheren. De gemeente sluit aan bij de landelijke afspraken met betrekking tot pgb-vaardigheden die zijn gemaakt met het ministerie van VWS. Een inwoner is pgb-vaardig als een inwoner, eventueel met hulp, voldoet aan de 10 punten van pgb vaardigheid die het ministerie heeft opgesteld. Voor een overzicht van de 10 punten van pgb-vaardigheid, zie bijlage 3 van deze beleidsregels.
pgb-budgethouder en pgb beheerder
Een inwoner die een pgb toegekend krijgt, is de pgb budgethouder. Degene die het pgb beheert, is de pgb-beheerder. Dit kan de inwoner zelf zijn, maar ook een vertegenwoordiger, degene die de inwoner helpt bij het beheren van het pgb. De pgb-beheerder moet voldoen aan alle 10 punten van pgb-vaardigheid. Er kunnen meerdere pgb-beheerders zijn.
Voorbeelden
Voorbeelden van een aantal van de 10 punten van pgb-vaardigheid zoals opgesteld door het ministerie:
- -
Het hebben van een duidelijk beeld van de hulpvraag en beoordelen of de hulp die ingezet wordt doelmatig en van goede kwaliteit is;
- -
Het hebben van goede communicatievaardigheden zodat er gecommuniceerd kan worden met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
- -
Het voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de pgb-budgethouder;
- -
Het kunnen coördineren van de inzet van alle zorgverleners;
- -
Het op de hoogte zijn van de regels en de verplichtingen die horen bij een pgb.
Belangenverstrengeling
Uit de 10 punten van pgb-vaardigheid blijkt dat de pgb beheerder niet de hulpverlener kan zijn van de inwoner. Dan zou er belangenverstrengeling op kunnen treden en dat is niet toegestaan. De pgb beheerder van het pgb is namelijk niet alleen verantwoordelijk voor de besteding van het budget, maar voor alle taken en verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan een pgb. Daarmee is de pgb beheerder ook verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geboden ondersteuning. De pgb beheerder mag ook niet op een andere manier betrokken zijn bij de uitvoerende organisatie, als bijvoorbeeld directeur of bestuurder. Dit in verband met de onafhankelijke positie die de pgb-beheerder moet kunnen innemen ten opzichte van de zorgverlener.
Sterke aanwijzingen voor belangenverstrengeling zijn er als:
- -
De pgb beheerder financieel afhankelijk is of financieel voordeel heeft door de zorgverlener;
- -
De pgb beheerder en de zorgverlener samen een huishouden voeren;
- -
Er onvoldoende waarborgen zijn voor onafhankelijk beheer en controle.
Als uitzondering mag een pgb wel worden beheerd door iemand uit het sociale netwerk als diegene in die situatie het beste het pgb kan beheren voor een inwoner. Het is dan ook wel belangrijk dat de persoon uit het sociale netwerk op geen enkele wijze druk op de inwoner heeft uitgeoefend bij de besluitvorming. De gemeente beoordeelt of dit het geval is en of er geen sprake is van belangenverstrengeling. De pgb beheerder uit het sociale netwerk moet ook pgb-vaardig zijn en de hulp moet van goede kwaliteit zijn.
Beoordeling door de gemeente
De gemeente beoordeelt of de inwoner – eventueel met hulp van anderen – pgb-vaardig is. De gemeente beoordeelt dit aan de hand van het keukentafelgesprek en gebruikt hiervoor ook het door de inwoner ingediende pgb-budgetplan. Iemand moet gedurende de hele looptijd van het pgb pgb-vaardig zijn. De gemeente kan ook tijdens de looptijd van het pgb beoordelen of iemand pgb-vaardig is. Dit doet de gemeente bijvoorbeeld door een heronderzoek of bij een herindicatie.
- 3.
De kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn en het pgb moet worden gebruikt voor het doel waarvoor het verstrekt is.
In artikel 2.3.6 lid 2 en lid 3 van de Wmo 2015 staat dat een maatwerkvoorziening in elk geval:
- a.
veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt;
- b.
in redelijkheid geschikt moet zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.
De gemeente verstrekt alleen een pgb als de gemeente van mening is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp voldoende is en als het pgb wordt gebruikt voor het doel waarvoor het verstrekt is. Periodiek of steekproefsgewijs onderzoekt de gemeente uit het oogpunt van kwaliteit of het pgb juist is besteed. De gemeente kan hiervoor ook de toezichthouder inschakelen. De kwaliteit van de hulp wordt onder meer getoetst aan de hand van het toetsingskader dat door de GGD wordt gehanteerd.
In hoofdstuk 11 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen is beschreven dat hulp op maat een goede kwaliteit moet hebben. Hierna is beschreven wat de gemeente bedoelt met een goede kwaliteit. In het beoordelingskader beschermd wonen is opgenomen hoe de gemeente beoordeelt of er sprake is van een goede kwaliteit van de hulp-op-maat.
Hulpmiddelen en woningaanpassingen
Om de kwaliteit van hulpmiddelen en woningaanpassingen te beoordelen, kijkt de gemeente onder meer naar de volgende factoren:
- -
De aanwezigheid van een programma van eisen dat voldoet aan de professionele standaard;
- -
Of de originele factuur aanwezig is;
- -
Of er een onderhoudscontract met een erkend bedrijf is afgesloten;
- -
Of er een keuringsrapport is of dat een keuring heeft plaatsgevonden;
- -
Of er een particuliere aansprakelijkheidsverzekering wordt afgesloten voor schade die voor het gebruik van de maatwerkvoorziening aan derden kan ontstaan.
- -
De leeftijd van het hulpmiddel is gerelateerd aan de afschrijvingstermijn van het hulpmiddel. Het hulpmiddel moet namelijk gedurende de afschrijvingstermijn van het middel mee kunnen gaan. De afschrijvingstermijnen van hulpmiddelen zijn opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Kampen;
- -
De aanwezigheid van een erkend keurmerk dat voldoet aan de professionele standaard dat gangbaar is voor dat product. Een voorbeeld hiervan is het nationaal keurmerk hulpmiddelen.
Professionele dienstverlening / hulpverlening
Professionele dienstverlening / hulpverlening is kwalitatief goed als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
Er is een KVK inschrijving met de juiste SSBI code aanwezig. Bijvoorbeeld 8810 (maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting), 88103 (ondersteuning en begeleiding van gehandicatpen) of 872 (verblijfszorg voor mensen met psychische aandoeningen en voor mensen met middelenverslaving.
- b.
De zorgaanbieder heeft een AGB code of kan gebruik maken van de AGB code van de hoofdaannemer.
- c.
Alle medewerkers hebben een relevante en voor de geboden hulp passende VOG die niet ouder is dan 3 maanden bij indiensttreding en die elke 5 jaar of bij een functiewijziging vernieuwd wordt. Deze moet digitaal beschikbaar zijn, een foto van de VOG is niet toereikend;
- d.
Er is voldaan aan de in de sector geldende kwaliteitseisen, zoals een SKJ registratie of bijvoorbeeld een BIG-registratie;
- e.
De medewerker die de ondersteuning uitvoert beschikt over de relevante opleidingseisen. Deze sluiten aan bij de eisen zoals beschreven in 8.8 van deze beleidsregels.
- f.
De hulpverlener werkt doeltreffend (effectief): de zorgverlener is aantoonbaar gericht op het behalen van resultaten, werkt waar nodig samen met andere hulpverleners en derden, zo nodig, in overleg met de inwoner;
- g.
De aanwezigheid van transparant en meetbaar beleid bij de organisatie die de hulp verstrekt.
- h.
De organisatie / hulpverlener heeft een meldingsplicht bij calamiteiten en moet een calamiteit melden bij de toezichthouders van GGD IJsselland.
- i.
De aanwezigheid van een adequaat zorgplan / hulpverleningsplan waarin staat hoe er aan de doelen wordt gewerkt;
- j.
De organisatie / hulpverlener is bekend met een vertrouwenspersoon en werkt daar ook actief mee.
- k.
Er zijn afspraken over vervanging bij ziekte of verlof van de hulpverlener, zodat de zorg niet wordt onderbroken.
- l.
Er is naast bovenstaande eisen ook voldaan aan het landelijk model toetsingskader opgesteld door de VNG en GGD GHOR Nederland van april 2024.
Informele hulp / informele dienstverlening
In het geval van de beoordeling van dienstverlening door een informele hulp bekijkt de gemeente onder meer de volgende factoren:
- a.
De informele hulp is een passende oplossing voor de hulpvraag. Professionele hulp is niet vereist voor de hulpvraag van de budgethouder.
- b.
De hulpverlener heeft een relevante en voor de geboden hulp passende VOG die niet ouder is dan 3 maanden en die elke 5 jaar of bij hulp vanuit een andere rol vernieuwd wordt. Deze moet digitaal beschikbaar zijn, een foto van de VOG is niet toereikend;
- c.
Er geen sprake is van overbelasting bij de hulpverlener.
- d.
Er geen druk is uitgeoefend op de inwoner om de informele hulp in te schakelen.
- e.
Er is afstemming tussen informele en formele hulp om dubbeling of conflicten te voorkomen.
- f.
Er is een duidelijke omschrijving van wat van de informele hulpverlener verwacht wordt, inclusief tijdsbesteding en taken.
- g.
Bij informele hulp toetst de gemeente of uit de zorgovereenkomst blijkt dat de hulp kwalitatief goed is. Daarbij wordt onder andere gekeken naar:
- -
De hoogte van het tarief ten opzichte van de aard van de hulp;
- -
De verhouding tussen het aantal uren en de zorgbehoefte;
- -
De mate van professionaliteit en ervaring van de informele hulpverlener.
- -
Beschermd wonen
Om de kwaliteit van beschermd wonen te beoordelen, kijkt de gemeente naar de kwaliteitseisen die binnen de gemeente gelden met betrekking tot beschermd wonen. Hiervoor geldt het Beoordelingskader beschermd wonen Regio IJssel-Vecht.
11.4 Wanneer wordt een pgb niet verstrekt?
De gemeente verstrekt geen pgb als niet aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan. Daarnaast wordt een pgb niet verstrekt aan de inwoner als het pgb eerder is herzien of ingetrokken vanwege:
- a.
het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, bijvoorbeeld vanwege verkeerd gebruik of fraude;
- b.
het niet voldoen aan de gestelde voorwaarden;
- c.
het niet of voor een ander doel gebruiken van de maatwerkvoorziening of het pgb.
11.5 Inlichtingen- en medewerkingsplicht
De budgethouder is verplicht om alle informatie te verstrekken die van invloed kan zijn op het recht op ondersteuning via een pgb. Dit betreft zowel informatie die uit eigen beweging moet worden gemeld als informatie die op verzoek van de gemeente wordt opgevraagd.
Daarnaast is de budgethouder verplicht om medewerking te verlenen aan onderzoek, controle en evaluatie van de ondersteuning. Dit kan onder meer bestaan uit het aanleveren van documenten, het toelichten van keuzes in het pgb-plan of het deelnemen aan gesprekken.
De inwoner is verplicht een administratie bij te houden en deze gegevens 5 jaar te bewaren.
Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan de gemeente besluiten het pgb op te schorten, te beëindigen of terug te vorderen.
11.6 Gevolgen van niet voldoen aan de eisen voor een pgb
Het college kan besluiten de verzilvering van een persoonsgebonden budget bij een zorgaanbieder te weigeren of te beëindigen indien blijkt dat deze zorgaanbieder betrokken is bij ernstige integriteitsproblemen, waaronder een negatieve uitkomst van een Bibob-toets, ongeacht of deze toets is uitgevoerd in het kader van een gemeentelijke contractering, vergunningverlening of subsidie. Een dergelijke uitkomst kan aanleiding geven tot het oordeel dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de eisen van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3.6 lid 2 sub b Wmo 2015.
Handhavingsmaatregelen
De gemeente borgt de rechtmatige en doelmatige inzet van pgb’s onder andere via de inzet van een toezichthouder Wmo en/of Jeugdwet. Deze functionaris voert signaalgestuurd onderzoek uit bij vermoedens van onrechtmatigheid, analyseert patronen in declaraties en draagt bij aan beleidsmatige verbeteringen. De toezichthouder kan ook pro-actieve onderzoeken uitvoeren. De toezichthouder werkt samen met consulenten, backoffice en beleid om signalen tijdig te duiden en op te volgen.
Als uit onderzoek van de toezichthouder of inspectie blijkt dat een pgb-aanbieder niet voldoet aan de eisen van kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid zoals bedoeld in de Wmo 2015, kan het college besluiten tot het treffen van handhavingsmaatregelen. Afhankelijk van de aard en ernst van de geconstateerde tekortkomingen, kan de gemeente verschillende maatregelen treffen, zoals een cliëntenstop, waarschuwing, verbetertraject of het intrekken van het pgb en terugvorderen van onterecht betaalde bedragen. Daarnaast kan de gemeente een melding doen bij het informatie Knooppunt Zorgfraude. Deze maatregelen worden afgestemd op de situatie en zijn gericht op verbetering van kwaliteit van zorg, bescherming van onze inwoners en rechtmatige bestedingen van zorggelden.
Onafhankelijk deskundige
De gemeente schakelt eventueel een onafhankelijk deskundige in die een advies geeft over de kwaliteit van de hulp die verstrekt wordt uit het pgb. Hierbij wordt de vraag gesteld of de hulp die wordt ingezet ook datgene biedt wat de inwoner nodig heeft om aan de gestelde doelen te werken.
11.7 Aanvangsdatum en budgetperiode
Een pgb wordt verleend voor een periode die begint op de dag waarop het recht op een pgb is ontstaan. Het pgb wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode die overeenkomt met de normale afschrijvingstermijn (zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen) die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het pgb te verwerven hulp-op-maat ofwel een maatwerk)voorziening. Is er een pgb voor een hulpmiddel verstrekt dan wordt de budgethouder geacht gedurende deze periode gebruik te kunnen maken van de voorziening. Is een hulpmiddel afgeschreven dan ontstaat er niet automatisch het recht op een nieuw of gebruikt hulpmiddel. Zolang het verstrekte hulpmiddel of het via een pgb aangeschafte hulpmiddel technisch nog voldoet, bestaat geen recht op vervanging van het hulpmiddel, tenzij het middel niet meer een compenserende voorziening is. Een eventuele aanvraag voor een betreffende maatwerkvoorziening en dus ook het pgb wordt dan ook afgewezen.
11.8 Regels over melding en verantwoording
Na aanschaf van de maatwerkvoorziening dient de budgethouder verantwoording af te leggen door de nota/factuur en andere relevante bescheiden in kopie aan de gemeente te overleggen. De budgethouder bewaart de originelen in zijn eigen administratie. Op basis van deze overgelegde bewijsstukken onderzoekt de gemeente vervolgens de besteding van het verleende pgb en/of vindt vaststelling van de hoogte van het pgb plaats.
Nieuwe feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een herziening of het intrekken van een pgb, moeten door de inwoner worden gemeld. Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het pgb moet de inwoner rekening houden met controle door de gemeente van de besteding van het pgb en moet de inwoner hiervoor van belang zijnde stukken beschikbaar houden. Voor begeleiding en beschermd wonen moet de administratie op basis van uren zijn bijgehouden. Het pgb voor een eenmalige voorziening wordt door de inwoner, na aanschaf van of besteding aan de voorziening, maar uiterlijk binnen 3 maanden na toekenning van het pgb aan de gemeente verantwoord.
De gemeente kan tijdens de looptijd van een pgb, maar ook achteraf, na afloop van pgb verstrekking of na afloop van een kalenderjaar, het verstrekte pgb door middel van een steekproef controleren. De gemeente moet de verantwoording volledig en voorzien van de benodigde bewijsstukken binnen 6 weken nadat de gemeente hierom schriftelijk heeft verzocht, van inwoner hebben ontvangen. De inwoner mag tot 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover verantwoording moet worden afgelegd, betalingen vanuit het pgb doen die betrekking hebben op het te verantwoorden jaar.
Terugvordering
Na de controle op de verantwoording, wordt door de gemeente beoordeeld of er aanleiding bestaat het pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen. Bedragen tot € 113,- worden niet teruggevorderd of verrekend.
11.9 pgb-plan
Om een pgb te kunnen ontvangen moet de inwoner uiterlijk 14 dagen na het keukentafelgesprek een pgb-plan aan de gemeente overhandigen. Daarbij geldt dat het pgb-plan niet meer kan worden ingediend op het moment dat de aanvraag is ingediend. Een pgb-plan moet schriftelijk bij de gemeente worden ingeleverd. Dit kan via het door de gemeente beschikbaar gestelde formulier. Dit kan ook door een ander document, bijvoorbeeld een e-mail met eventuele bijlagen zijn. Het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting, de zorgovereenkomsten en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener.
Indien de inwoner binnen de gestelde termijn van twee weken na het keukentafelgesprek en voordat de aanvraag is ingediend, de gevraagde informatie (bijvoorbeeld het pgb‑plan) niet of onvoldoende aanlevert, kan de gemeente concluderen dat onvoldoende is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een pgb. In dat geval kan de inwoner geen gebruikmaken van een pgb op basis van deze aanvraag.
Plan van aanpak
- -
Indien van toepassing: Wie de inwoner vertegenwoordigt om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren (Wie is de pgb beheerder);
- -
Op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd. De inwoner moet bewijsstukken aanleveren zodat de kwaliteit van de ondersteuning getoetst kan worden door de gemeente zoals hierboven genoemd.
Begroting
Een onderbouwde begroting of tariefstelling. Uit deze begroting of tariefstelling blijkt op welke wijze de inwoner verwacht het pgb te besteden aan de verschillende formele / informele hulpen in bijvoorbeeld een jaar.
Zorgovereenkomsten
Zorgovereenkomsten per hulpverlener. De SVB stelt hiervoor modelovereenkomsten ter beschikking, die de gemeente verplicht stelt.
Zorgbeschrijvingen per hulpverlener
Hierin staat wat de hulpverlener komt doen, hoe vaak en hoe lang per dag/week. En of dit een vast of flexibel aantal uren per week betreft. Daarnaast staat hierin vermeld waarom de cliënt deze zorg nodig heeft. Een hulpverlener kan ook een ouder of verzorger van een kind zijn.
11.9.1 Concrete inhoud pgb-plan voor hulpmiddelen / producten /kleine woningaanpassingen
Als een inwoner een pgb vraagt voor hulp in de vorm van een hulpmiddel / product of kleine woningaanpassing geeft de inwoner in het pgb-plan of schriftelijk op een andere manier concreet aan:
- 1.
Wat de hulpvraag van de inwoner is;
- 2.
Welke ondersteuning de inwoner in wil kopen en waaruit deze bestaat;
- 3.
Welke effecten de inwoner verwacht van het product of de woningaanpassing;
- 4.
Waarom de inwoner de hulp in de vorm van een pgb in wil kopen.
- 5.
Wie het pgb beheert of wie de inwoner heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren;
- 6.
Hoe de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitgevoerd gaan worden;
- 7.
Op welke wijze de kwaliteit van het hulpmiddel / product of woningaanpassing is gewaarborgd. De gemeente kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de hiermee verantwoorde ondersteuning kan worden geleverd;
- 8.
Een onderbouwde begroting met daarin een offerte(s) van de leverancier(s) die het hulpmiddel aanbied(en)(t) of van degene die de woningaanpassing gaat uitvoeren. De offerte omschrijft tenminste het product of de woningaanpassing en bevat het tarief hiervan. Het tarief dat in de offerte staat mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of product;
- 9.
De naam, adres en locatie van bijvoorbeeld de leverancier van het product of aannemer die de aanpassing gaat uitvoeren;
- 10.
Indien van er een pgb beheerder is: De relatie tussen de inwoner en de winkel of bijvoorbeeld aannemer;
- 11.
Het pgb-plan moet ondertekend worden door de inwoner en door degene die het pgb beheert (als dit iemand anders is dan de inwoner).
Woningaanpassing ter waarde van meer dan € 10.000,-
Voor woningaanpassingen met een waarde hoger dan € 10.000.- hoeft de inwoner geen pgb-plan aan te leveren. De gemeente levert dan een programma van eisen aan de inwoner. In dit programma van eisen staat aan welke eisen de woningaanpassing moet voldoen. De inwoner verstrekt de gemeente vervolgens 3 offertes waarbij is voldaan aan het programma van eisen.
Zie voor berekening van de hoogte van het pgb de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023.
11.9.2 Concrete inhoud pgb-plan voor hulpverlening / diensten
In een pgb-plan waarin hulp wordt gevraagd voor hulpverlening / diensten geeft de inwoner concreet aan:
- 1.
Wat de hulpvragen zijn waaraan de inwoner wil gaan werken;
- 2.
Welke ondersteuning de inwoner in wil kopen en wat de activiteiten zijn waarbij de hulpverlener ondersteunt;
- 3.
Welke effecten de inwoner verwacht van de hulp;
- 4.
Wat de frequentie (aantal uren / dagdelen) van de hulp is;
- 5.
Waarom de inwoner de hulp in de vorm van een pgb in wil kopen.
- 6.
Wie het pgb beheert voor de inwoner om zijn belangen ten aanzien van het beheer van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren;
- 7.
Hoe de aan het beheer van het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitgevoerd gaan worden;
- 8.
Op welke wijze de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd.
- 9.
Een onderbouwde begroting met daarin een tariefstelling of offerte(s) van (een) hulpverlener(s) voor dienstverlening. De tariefstelling of offerte(s) bevat(ten) tenminste de volgende onderdelen: de activiteiten, het tarief, de tijd en indien van toepassing de frequentie van de hulp. Het tarief dat in de offerte staat mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of product;
- 10.
De administratieve gegevens van de zorgverlener en de budgethouder. Hierbij kan gedacht worden aan het KvK-nummer van de zorgverlener, een agb-code;
- 11.
Welke relatie de inwoner tot de hulpverlener heeft. Is de zorgverlener bijvoorbeeld iemand uit het (sociale) netwerk van de inwoner;
- 12.
Het pgb-plan moet ondertekend worden door de inwoner en door degene die het pgb beheert (als dit iemand anders is dan de inwoner).
- 13.
Bij beschermd wonen: (concept) huurovereenkomst tussen de inwoner en de zorgaanbieder
Huur en eventueel kosten voor eten betaalt u aan de aanbieder. Hiervoor mag u niet uw pgb gebruiken.
11.9.3 Offertes
Afhankelijk van de soort hulp en het tarief van de dienst of product moeten er door de inwoner of zijn vertegenwoordiger een tariefstelling of een aantal offertes worden opgevraagd.
|
Soort hulp |
Aantal offertes |
|
Hulpverlening / diensten |
1 tariefstelling |
|
Woonvoorzieningen en hulpmiddelen tot € 2.500,- |
1 offerte |
|
Woonvoorzieningen en hulpmiddelen, bedrag tussen € 2.500,- en € 10.000,- |
2 offertes |
|
Woonvoorzieningen en hulpmiddelen, bedrag hoger dan € 10.000,- |
3 offertes |
Toekenning PGB Wmo op basis van PGB-plan
Hoofdstuk 12 Bijdrage in de kosten
In paragraaf 6.4 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen heeft de gemeente geregeld voor welke soorten van ondersteuning een bijdrage in de kosten aan de inwoner wordt gevraagd en hoe de hoogte van de bijdrage in de kosten wordt vastgesteld.
12.1 Inleiding
Wanneer de gemeente een inwoner ondersteuning biedt op grond Wmo, wordt in de meeste gevallen een eigen bijdrage gevraagd. De eigen bijdrage is een financiële bijdrage die de inwoner betaalt voor het gebruik van de verstrekte ondersteuning. De vaststelling en inning van de eigen bijdrage worden uitgevoerd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK berekent de hoogte van de eigen bijdrage op basis van landelijke regelgeving. De eigen bijdrage wordt doorgaans periodiek, elke vier weken, in rekening gebracht. Het CAK stuurt de inwoner een brief waarin staat hoe hoog de eigen bijdrage is.
12.2 Voor welke voorzieningen
De gemeente vraagt een bijdrage in de kosten bij verstrekking van alle vormen van ondersteuning die als ZIN of PGB zijn verstrekt. Een uitzondering wordt gemaakt voor een (sport)rolstoel en voor de voorziening vraagafhankelijk collectief vervoer. Voor deze voorzieningen hoeft een inwoner geen eigen bijdrage te betalen. Bij collectief vervoer kan er wel sprake zijn van een reizigersbijdrage. Voor ondersteuning die is verstrekt als financiële tegemoetkomingen, zoals voor een verhuiskostenvergoeding of een tegemoetkoming in vervoerskosten hoeft de inwoner ook geen eigen bijdrage te betalen.
Een inwoner die van zowel maatschappelijke opvang als beschermd wonen gebruik maakt hoeft geen eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang te betalen als hij, of de met hem samenwonende partner 2 of meer nachten aaneengesloten in de bijdrageperiode in een instelling voor beschermd wonen verblijft.
12.3 Hoogte bijdrage in de kosten
Het CAK stelt de hoogte van de eigen bijdrage vast. Voor de hoogte van de eigen bijdrage voor ondersteuning, uitgezonderd voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang, geldt het abonnementstarief. Dit betekent dat voor alle vormen van ondersteuning (behalve voor beschermd wonen en opvang) dezelfde maximale eigen bijdrage geldt. Hierbij maakt het niet uit of een inwoner van 1 of van meer vormen van ondersteuning tegelijkertijd gebruik maakt. Hoe hoog het abonnementstarief is, kan de inwoner navragen bij het CAK of bij een medewerker van de gemeente. Op het moment dat een inwoner ondersteuning wordt toegewezen waarop een bijdrage in de kosten van toepassing is, zal de gemeente de inwoner informeren over de voorwaarden, waaronder de hoogte, van de eigen bijdrage.
12.3.1 Periode eigen bijdrage
Een inwoner betaalt een eigen bijdrage zolang hij gebruikt maakt van de ondersteuning. Voor hulpmiddelen en voor woningaanpassingen geldt dat de inwoner nooit meer betaalt dan de kostprijs van de voorziening. Ontvangt de inwoner de voorziening in bruikleen, dan hoeft de inwoner nooit meer te betalen dan de kosten die de gemeente betaalt voor de voorziening. De voorziening wordt in dat geval geen eigendom van de inwoner.
Hoofdstuk 13 Verplichtingen
In hoofdstuk 8 in paragraaf 8.1 staat in de Verordening sociaal domein beschreven welke rollen de gemeente en de inwoner ten opzichte van elkaar hebben. Hierin staan ook de rechten en verplichtingen van beiden beschreven. In dit hoofdstuk zal hierop nader ingegaan worden.
Daar waar gemeente staat kan ook gelezen worden een door de gemeente gemandateerde organisatie.
13.1 De rol van de gemeente
De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor de beperkingen van de inwoner. De gemeente en de inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. Hieronder wordt bijvoorbeeld verstaan dat:
- -
De gemeente ervoor zorgt dat het voor de inwoner duidelijk is wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk;
- -
De inwoner altijd recht heeft op een gesprek. Dit kan bij de inwoner thuis. Op verzoek kan dit op het stadhuis of bij een door de gemeente gemandateerde organisatie plaatsvinden. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken als het bieden van ondersteuning bij dit probleem een taak is voor die organisatie;
- -
De gemeente de inwoner informeert op een passende manier over procedures die worden gevolgd en ervoor zorgt dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn;
- -
De gemeente de privacy van de inwoner respecteert;
- -
De gemeente de inwoner informeert over zijn rechten en plichten;
- -
De gemeente de inwoner de kans geeft om zijn mening te geven voordat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren.
13.2 De rol van de inwoner
De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen of verminderen van zijn beperkingen. De inwoner gaat daarom eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen (eigen kracht). Als de inwoner ondersteuning van de gemeente krijgt, zorgt de inwoner er vervolgens voor dat de ondersteuning van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. Hierna worden 3 specifieke verplichtingen omschreven waaraan de inwoner zich moet houden als de ondersteuning is of wordt verstrekt.
13.2.1 De inlichtingenplicht
Als de gemeente het vraagt, maar ook ongevraagd, moet de inwoner alle gegevens en papieren zo snel mogelijk aan de gemeente verstrekken die voor het vaststellen of heroverwegen van het recht op een voorziening nodig zijn en waarover de inwoner redelijkerwijs kan beschikken. Deze verplichting geldt dus niet alleen tijdens de aanvraag, maar ook tijdens het gebruiken van de voorziening/ondersteuning. De gemeente vraagt geen gegevens die niet nodig zijn voor het behandelen van de aanvraag van de inwoner. Voorbeelden van informatie die een inwoner moet verstrekken zijn:
- -
Het wijzigen van de gezinssituatie of woonsituatie van de inwoner, bijvoorbeeld het gaan samenwonen met iemand of juist gaan scheiden, of de situatie dat iemand bij de inwoner in huis komt wonen;
- -
Als een inwoner een dubbel PGB ontvangt voor hetzelfde doel, moet de inwoner dit melden aan de gemeente;
- -
Het wijzigen van een zorgverlener die op basis van een PGB ondersteuning biedt.
Gevolgen van niet voldoen aan de inlichtingenplicht
Als een inwoner zich niet (voldoende) houdt aan de inlichtingenplicht, dan kan de gemeente de ondersteuning beëindigingen of intrekken. Hiervoor moet de gemeente de inwoner dan wel eerst de kans hebben gegeven om alsnog de juiste gegevens aan te leveren of aan te vullen zodat de gemeente een besluit kan nemen over het recht op de ondersteuning.
13.2.2 De medewerkingsplicht
De inwoner moet meewerken aan het onderzoek van de gemeente dat nodig is om het recht op een voorziening te kunnen vaststellen. Ook moet de inwoner zijn medewerking verlenen in de periode daarna, als hij van de voorziening gebruik maakt. Bij het verlenen van medewerking gaat het bijvoorbeeld om:
- -
Het verschijnen bij een gesprek op het stadhuis na een oproep van de gemeente;
- -
Het meewerken aan een onderzoek van een deskundige die door de gemeente is ingeschakeld.
De medewerkingsplicht geldt ook voor huisgenoten van de inwoner als het gaat om het bepalen van het recht van de inwoner op een ondersteuning. Hierbij gaat het dan bijvoorbeeld over het meewerken aan een onderzoek naar gebruikelijke hulp door een huisgenoot van de inwoner.
Gevolgen van niet meewerken
Werken de inwoner of zijn huisgenoten niet mee aan een onderzoek van de gemeente, dan kan de gemeente mogelijk niet vaststellen of de inwoner recht heeft op maatschappelijke ondersteuning. Dit kan ertoe leiden dat de gemeente besluit de aanvraag van de inwoner voor maatwerk ondersteuning af te wijzen. De gemeente kan ook besluiten een al verstrekte voorziening te beëindigen, in te trekken of op te schorten.
Het niet verlenen van medewerking kan er ook toe leiden dat er niet voldoende rekening gehouden kan worden met de behoeften en voorkeuren van de inwoner. Als de gemeente niet op de hoogte is van de voorkeuren van de inwoner bijvoorbeeld, kan de gemeente hiermee ook geen rekening houden in het toekennen van een ondersteuning.
13.2.3 Identificatieplicht
Als een inwoner in aanmerking wil komen voor maatwerk ondersteuning, dan is hij verplicht zich te legitimeren met een geldig legitimatiebewijs zoals bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht. Om zich te legitimeren moet een inwoner een geldig legitimatiebewijs aan de gemeente laten zien. Dit kan een inwoner bijvoorbeeld doen tijdens het (keukentafel)gesprek met een medewerker van de gemeente.
13.2.4.Gevolgen van niet legitimeren
Als een inwoner zich niet kan legitimeren als de gemeente hierom vraagt, dan kan dit ertoe leiden dat de gemeente de inwoner geen maatwerk ondersteuning kan verstrekken.
Hoofdstuk 14 Beëindigen, herzien, terugvorderen en opschorten van de ondersteuning
In paragraaf 8.4 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen zijn regels opgenomen over wanneer de gemeente een besluit tot ondersteuning kan beëindigen, herzien of opschorten en de ondersteuning kan terugvorderen. In dit hoofdstuk worden deze regels nader toegelicht.
14.1 Het beëindigen van de aanspraak op een ondersteuning
De gemeente kan de aanspraak op ondersteuning beëindigen. De gemeente beëindigt de ondersteuning als de inwoner per direct of in de toekomst geen recht meer heeft op de ondersteuning. Is de voorziening in bruikleen verstrekt, dan kan de gemeente de opdracht geven om de voorziening op te halen bij de inwoner of zijn familie.
De gemeente kan de aanspraak op ondersteuning bijvoorbeeld in de volgende gevallen beëindigen:
- -
De inwoner verhuist naar een andere gemeente en krijgt recht op een ondersteuning in de andere gemeente;
- -
De inwoner is voldoende hersteld van zijn beperkingen en behoort niet meer tot de doelgroep van de Wmo 2015;
- -
De inwoner krijgt een WLZ-indicatie met behandeling;
- -
De inwoner komt te overlijden;
14.2 Het intrekken of herzien van een besluit tot ondersteuning
Het gedeeltelijk of helemaal ongedaan maken van een recht op een ondersteuning over een periode in het verleden wordt herzien of intrekken van het besluit genoemd. Bij het herzien van een besluit beslist de gemeente met terugwerkende kracht opnieuw over het recht op ondersteuning waarbij de aanspraak op ondersteuning over een periode in het verleden afwijkend wordt vastgesteld. Bij het intrekken van een besluit beslist de gemeente met terugwerkende kracht opnieuw over het recht op maatschappelijke ondersteuning over een periode in het verleden waarbij de gemeente vaststelt dat er geen recht op ondersteuning heeft bestaan.
De gemeente bepaalt per wanneer een herziening of intrekking in gaat. De gemeente houdt hierbij rekening met de situatie van de inwoner en treedt zorgvuldig op. Zo geeft de gemeente de inwoner enige tijd om zich voor te bereiden op de gewijzigde situatie. Hoe lang de termijn is die de gemeente hanteert, is afhankelijk van de situatie. Vindt de intrekking of herziening plaats omdat de inwoner niet de juiste informatie heeft verstrekt dan is deze termijn korter dan wanneer een inwoner bijvoorbeeld gaat verhuizen naar een Wlz-instelling. De gemeente kiest dan vaak een termijn die nodig is om de Wlz-zorg zorgvuldig in de plaats te laten komen van de Wlz-zorg.
De gemeente kan een besluit waarin ondersteuning wordt toegekend intrekken of herzien in de hierna genoemde gevallen.
14.2.1 Onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt
De gemeente kan een besluit waarin wordt besloten ondersteuning te verstrekken, intrekken of herzien als een inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en als het verstrekken van juiste of volledige gegevens tot het niet of anders verstrekken van de ondersteuning had geleid. Het gaat hier om informatie waarvan de inwoner redelijkerwijs had kunnen weten dat hij deze informatie had moeten verstrekken.
Als een inwoner bijvoorbeeld ondersteuning in de vorm van hulp bij het huishouden van de gemeente heeft gekregen terwijl hij niet heeft doorgegeven dat hij met een gezonde partner samenwoonde die het huishouden ook alleen kon doen, dan kan de gemeente het besluit waarin hulp bij het huishouden werd toegekend, weer intrekken. Als de gemeente namelijk had geweten dat de inwoner samenwoonde met een gezonde partner die het huishouden ook alleen kon doen, dan had de gemeente niet de voorziening hulp bij het huishouden toegekend. Door het besluit waarin de voorziening hulp bij het huishouden is toegekend in te trekken, heeft de inwoner nooit recht gehad op de voorziening hulp bij het huishouden van de gemeente.
14.2.2 Ondersteuning (dit kan ook een PGB zijn) is langer nodig.
De gemeente onderzoekt van tijd tot tijd of er aanleiding is om een beslissing tot de verstrekking van ondersteuning of daaraan gekoppeld PGB te heroverwegen. Als een inwoner niet langer ondersteuning nodig heeft, kan de gemeente de toegekende ondersteuning intrekken. De gemeente kan ook buiten de standaard onderzoeksmomenten bekijken of een inwoner de ondersteuning nog nodig heeft.
14.2.3 Ondersteuning (dit kan ook een PGB zijn) is niet meer passend
Als de ondersteuning (met een eventueel daaraan gekoppeld PGB) niet meer passend is voor de inwoner, dan kan de gemeente de ondersteuning intrekken of aanpassen (herzien).
14.2.4 De inwoner voldoet niet aan de voorwaarden (hieronder valt ook het PGB)
Als een inwoner niet meer aan de voorwaarden voldoet die de gemeente aan de verstrekking van de ondersteuning heeft verbonden, dan kan de gemeente de beslissing, waarin werd besloten ondersteuning te verstrekken, herzien of intrekken. Als een inwoner bijvoorbeeld de besteding van een PGB niet kan verantwoorden met nota’s, terwijl dit wel een voorwaarde was bij de verstrekking, dan kan de gemeente met terugwerkende kracht dit PGB intrekken.
14.2.5 Ondersteuning hieronder valt ook het PGB) niet gebruiken of voor ander doel
Als blijkt dat een inwoner de ondersteuning niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor de gemeente de ondersteuning heeft verstrekt, dan kan de gemeente het besluit waarin de ondersteuning werd verstrekt intrekken of herzien. Dit betekent dat de inwoner dan geen of recht op andere ondersteuning heeft gehad. De gemeente kijkt wel altijd naar de individuele omstandigheden van de inwoner. Als een inwoner tijdelijk geen gebruik maakt van een voorziening, bijvoorbeeld vanwege een ziekenhuisopname, zal de gemeente de voorziening mogelijk tijdelijk opschorten. Wanneer echter duidelijk is dat de voorziening door de inwoner niet wordt gebruikt of wanneer hij ook zonder of met minder ondersteuning af kan, kan de gemeente de beslissing waarin de ondersteuning werd toegewezen herzien of intrekken.
14.2.6 PGB niet binnen 6 maanden na uitbetaling gebruikt
Gebruikt een inwoner een toegekend PGB (ondersteuning in de vorm van een PGB) niet binnen 6 maanden voor datgene waarvoor het PGB is toegekend, dan kan de gemeente het recht op het PGB intrekken. De gemeente gaat er dan vanuit dat de inwoner het PGB niet nodig heeft.
14.2.7 Niet voldoende meewerken aan (her)onderzoek
Als een inwoner niet voldoende meewerkt aan een (her)onderzoek naar het recht op ondersteuning en als hierdoor de gemeente niet voldoende informatie kan verzamelen, kan de gemeente mogelijk de toegekende ondersteuning intrekken of herzien. De gemeente kan dan namelijk mogelijk het recht op ondersteuning niet meer vaststellen.
14.2.8 Langer dan 13 weken in een Wlz-instelling of in een Zvw-instelling
Als een inwoner langer dan 13 weken onafgebroken verblijft in een Wlz-instelling of instelling in het kader van de Zvw, vervalt de aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo. De gemeente is in dat geval bevoegd om de afgegeven beschikking geheel of gedeeltelijk in te trekken.
14.3 Terugvordering van de voorziening
Nadat de gemeente een besluit tot het verstrekken van ondersteuning heeft ingetrokken of heeft herzien, kan de gemeente mogelijk de geldswaarde van de ondersteuning of het PGB terugvorderen van de inwoner. Na het intrekken of herzien van de ondersteuning bestond er immers geen recht of minder recht op de ondersteuning.
De gemeente kan de geldswaarde van de verstrekte ondersteuning of het PGB terugvorderen van de inwoner als:
- -
de gemeente het besluit waarin de ondersteuning is toegekend, intrekt of herziet omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt; èn
- -
de gemeente een andere beslissing had genomen als de inwoner geen onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt aan de gemeente.
14.4 Opschorten van het PGB
De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het PGB (ondersteuning in de vorm van een PGB) helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat de gemeente een besluit heeft genomen om het PGB in te trekken of toch voort te zetten. Dit kan de gemeente doen als:
- -
de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; of
- -
de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij de verstrekking van de ondersteuning in de vorm van een PGB; of
- -
de inwoner het PGB niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
Hoofdstuk 15 Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.
- 2.
De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen worden ingetrokken.
- 3.
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen.
Ondertekening
Aldus besloten in de collegevergadering van 26 mei 2026.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen,
N.J. Middelbos,
secretaris
S. de Rouwe,
burgemeester
BIJLAGE 1 Afwegingskader gebruikelijke hulp
Inleiding
De verstrekking van ondersteuning (Wmo) of individuele voorziening (Jeugdwet) vindt plaats aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen, en vormt samen met de inzet van de eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Daarmee is de rol van de gemeente altijd aanvullend op wat iemand zelf (nog) kan doen, al dan niet met behulp van zijn omgeving en is de eigen verantwoordelijkheid een belangrijk thema in de Wmo en de Jeugdwet1.
Onder het begrip eigen verantwoordelijkheid valt de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp van andere personen uit het sociale netwerk2.
Gebruikelijke hulp is “de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten”. Hiervoor is geen voorziening krachtens Wmo of Jeugdwet mogelijk.
Wat vinden we redelijk als het gaat om gebruikelijke hulp?
Als de zorg de gebruikelijke hulp overstijgt, moet er dan een voorziening worden geleverd? In welke verhouding staat gebruikelijke hulp tot mantelzorg? Wanneer vinden we het reëel en redelijk om een pgb te verstrekken voor zorg die wordt verricht door een huisgenoot?
Over deze vraagstellingen gaat dit afwegingskader. Het kader heeft tot doel om ten behoeve van de uitvoeringspraktijk – zowel in relatie tot de eventuele verstrekking van ondersteuning in de vorm van zorg in natura als in de vorm van een pgb - het begrip gebruikelijke hulp nader te concretiseren.
Algemene uitgangspunten gebruikelijke hulp
- •
De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid.3
- •
Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een klant en zijn huisgenoten4. Iedere situatie is anders: maatwerk.
- •
Het gaat om een evenwicht tussen draagkracht en draaglast. Kan de last (naar algemeen aanvaarde opvattingen) in redelijkheid gedragen worden door de huisgenoot? Het antwoord op deze (feitelijke) vraag is voor iedereen anders. Relevante toets-elementen zijn in dat kader:
- ∘
Persoonskenmerken van degene die ondersteuning nodig heeft;
- ∘
De benodigde ondersteuningsintensiteit (aard en frequentie zorghandelingen, mate van planbaarheid, mate van uitstelbaarheid, mate van toezicht, omvang in tijd, korte of langdurige (chronische) situatie …);
- ∘
Woonsituatie / samenstelling gezin (één- of tweeoudergezin, aantal kinderen, leeftijd kinderen …);
- ∘
(Verplichte) activiteiten van huisgenoot (werk, school, hoeveel uur …). Hierbij geldt overigens als uitgangspunt dat het hebben van een baan of het volgen van een opleiding het leveren van gebruikelijke hulp niet per definitie in de weg staat. Dit geldt ook andere activiteiten in het kader van participatie van een huisgenoot (hobby, vrijwilligerswerk …);
- ∘
Kennis en vaardigheden (waaronder begrepen de leerbaarheid) van huisgenoot om de benodigde ondersteuning te leveren;
- ∘
Gezondheidssituatie van huisgenoot waaronder mede begrepen de draagkracht / belastbaarheid van de huisgenoot. Hierbij speelt ook de eigen verantwoordelijkheid van de huisgenoot een rol. Van een huisgenoot mag, binnen de grenzen van redelijkheid, worden verwacht dat inspanningen worden geleverd om zijn draagkracht/belastbaarheid te vergroten;
- ∘
Leeftijd van huisgenoot;
- ∘
Sociaal netwerk (inzet / ondersteuning van anderen uit netwerk);
- ∘
- •
De Wmo en Jeugdwet dienen geplaatst te worden in een breder kader van sociale wetgeving. Ondersteuningstaken die verricht moeten worden, kunnen onder een andere wet vallen. Denk bijvoorbeeld aan persoonlijke verzorging (Zvw) in relatie tot Wmo of de Wet Kinderopvang in relatie tot de Jeugdwet. Zie in dat kader ook artikel 1.2 Jeugdwet en artikel 2.3.5, vijfde lid, Wmo 2015.
- •
De Wmo en Jeugdwet maken o.a. via artikel 2.3.5, vijfde lid Wmo en de artikelen 2.3 en 2.4 Jeugdwet expliciet dat het college bij de vervulling van haar taken rekening houdt met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. Deze eis betekent niet dat met een beroep op gezindheid/levensovertuiging en/of culturele achtergrond iedere specifieke zienswijze van een aanvrager moeten worden gehonoreerd. Indien een Islamitische vrouw met beperkingen huishoudelijke hulp aanvraagt, zal deze sowieso worden afgewezen op het moment dat haar man de taken kan overnemen. Het argument dat het in haar cultuur niet gebruik is dat de man huishoudelijke taken verricht, wordt terzijde geschoven. Het wordt anders indien het gaat om situaties die onverenigbaar zijn met gezindheid, overtuiging of achtergrond. Denk hierbij aan het verplicht ruimte geven door de gemeente aan huisgenoot om op gezette tijden geloof te belijden in kerk, synagoge of moskee, het respecteren van godsdienstige feestdagen, reinheidsrituelen.
- •
Wmo: Bij volwassenen onderling kan van partners ten opzichte van elkaar verondersteld worden dat een groot deel van het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt, en begeleiding onderling dus gebruikelijk is.
- •
Wmo: In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken.
- •
De geleverde zorg door de huisgenoot die de gebruikelijke hulp in omvang en intensiteit overstijgt, is primair mantelzorg. De inzet van (vrijwillige) mantelzorg (in het verlengde van gebruikelijke hulp) maakt dat een maatwerk- c.q. individuele voorziening niet aan de orde is. Een mogelijk gevaar voor overbelasting van de mantelzorger dient uiteraard in ogenschouw te worden genomen. Overbelasting van de mantelzorger of dreiging daarvan kan ertoe leiden dat (alsnog) een voorziening geïndiceerd dient te worden. De verstrekking van ondersteuning in de vorm van een pgb is overigens geen passende voorziening indien het de bedoeling is dat de benodigde zorg met pgb-gelden ingezet blijft worden door dezelfde overbelaste huisgenoot/mantelzorger. Overbelasting van een mantelzorger, of de dreiging daarvan, kun je niet compenseren met een geldelijke vergoeding voor de taken. In geval van overbelasting dienen zorgtaken juist weggenomen worden en dient de zorg dus door (andere) zorgverlener(s) uitgevoerd te worden (via pgb dan wel zin).
Los van overbelasting, moet bij de aanvraag van een voorziening in de vorm van een pgb waarbij de intentie is dat de zorginzet (die gebruikelijke hulp én mantelzorg overstijgt!) wordt geleverd door de huisgenoot altijd worden getoetst of dit voor de cliënt een passende voorziening is, bijvoorbeeld als het gaat om aanleren van vaardigheden waarvoor specifieke kennis/kunde is vereist5.
____________________________________
1 Zie artikel 1.2.1 Wmo 2015. Zie v.w.b. Jeugdwet: artikel 2.3, eerste lid. Zie voor jeugd ook in het algemeen bepalingen in het Burgerlijk Wetboek inzake verplichtingen van ouders tot verzorging en opvoeding (art. 1: 82 en 247).
2 Zie artikel 2.3.5., derde lid Wmo 2015. De termen mantelzorg en gebruikelijke hulp komen niet expliciet / tekstueel voor in de Jeugdwet. De opvattingen inzake de eigen inzet van ouders / het gezin en het sociale netwerk zijn evenwel dezelfde (met de term “eigen kracht” als basis). Zie bijvoorbeeld artikel 2.3, eerste lid, en artikel 2.1 eerste lid , onder d, Jeugdwet maar zie ook nadrukkelijk de Memorie van Toelichting: de positionering van de individuele voorziening aanvullend op de eigen kracht. In relatie tot de term eigen kracht worden in de MvT van de Jeugdwet de termen gebruikelijke hup en mantelzorg expliciet benoemd.
3 Zie de term “redelijkheid” expliciet in de definitie van ‘gebruikelijke hulp’ in de Wmo 2015. Voor wat betreft Jeugd wordt de redelijkheid als toets element in deze beleidslijn expliciet gemaakt. Zie reeds hetgeen gesteld in voetnoot 2 maar zie bijvoorbeeld ook de zinsnede ”naar het oordeel van het college” in artikel 2.3, eerste lid, Jeugdwet.
4 Onder het begrip “huisgenoot” scharen we alle bewoners op één adres met uitzondering van een huurder van een kamer in de woning van de zorgvrager.
5 Zie v.w.b Jeugdwet: artikel 8.1.1., tweede lid
Maar wanneer overstijgt de inzet van de huisgenoot gebruikelijke hulp en daarna eventueel de (vrijwillige en niet afdwingbare) mantelzorg en kun je in redelijkheid de zorginzet door de huisgenoot met pgb geldelijk belonen?
Mede beredeneerd vanuit de wettelijke definitie van mantelzorg6 en de Memorie van Toelichting7 kan de huisgenoot als pgb-dienstverlener zorg leveren indien de geboden hulp in de totale context van de inzet door de huisgenoot het karakter krijgt van intensieve en professionele hulpverlening zoals een professional die zou leveren. Dit impliceert dat de huisgenoot niet louter een pgb-dienstverlener kan zijn. Een eventuele rol als dienstverlener is altijd aanvullend op de rol die de huisgenoot reeds heeft in het kader van gebruikelijke hulp en mantelzorg.
Dit betekent dat het ook mogelijk moet zijn dat een huisgenoot zijn/haar baan (deels) opzegt om via pgb-gelden als dienstverlener (tarief: particuliere inzet) zorginzet te plegen (naast de zorginzet via gebruikelijke hulp en mantelzorg).
Hierbij dient wel, zoals reeds verwoord, nadrukkelijk vanuit inhoud / kwaliteit, getoetst te worden of het in het belang van de cliënt is dat de huisgenoot de hulpverlening biedt. Indien dat niet het geval is, zal een pgb-aanvraag worden afgewezen c.q. zal de gemeente de voorwaarde stellen dat met een pgb alleen professionele ondersteuning mag worden ingekocht.
- •
De term “bovengebruikelijke zorg” (zoals gehanteerd onder AWBZ) hanteren we beleidsmatig niet meer. De term herbergt namelijk het risico in zich dat in het indicatieproces voor wat betreft het bepalen van gemeentelijke inzet (verstrekken voorziening, ook qua omvang) sec een vergelijk wordt gemaakt tussen de zorgbehoevende persoon en een vergelijkbaar persoon zonder zorgbehoefte terwijl dat niet de toets is die moet worden gemaakt. De toets zoals we die maken in het kader van de Wmo en Jeugdwet betreft een redelijkheidstoets en dat gaat verder dan sec de vraag of geboden ondersteuning als “normaal” of “gangbaar” betiteld kan worden.
- •
In het kader van het onderzoek inzake de inzet van gebruikelijke hulp door huisgenoten kan het horen/spreken van de betreffende huisgenoten door de consulent aan de orde zijn. Huisgenoten hebben hiertoe een medewerkingsverplichting.8 Beperkingen in de belastbaarheid (fysiek en / of emotioneel) van een huisgenoot kunnen, indien nodig, worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een door de gemeente in te schakelen arts/onafhankelijk deskundige.
_______________________________________
6 Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
7 P. 31/32 MvT Wmo 2015: “… Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht zij het wenselijk dat beloning daarvan met een persoonsgebonden budget beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de cliënt…”
8 De Centrale Raad van Beroep (zie o.a. CRvB 25-07-2011, nr. 11/3714 WMO-VV, CRvB 17-10-2012, nrs. 10/5275 WMO e.a., CRvB 24-10-2014, nr. 12/3059 WMO) hanteert de lijn dat huisgenoten dienen mee te werken aan het onderzoek tot het bepalen van noodzaak en omvang van de inzet van een maatschappelijke voorziening. Niet meewerken kan in redelijkheid betekenen dat een aanvraag wordt afgewezen vanwege het niet kunnen vaststellen van een recht. Niet valt in te zien waarom deze zienswijze alleen van toepassing is op Wmo en niet van toepassing zou zijn op de Jeugdwet. Vandaar dat de uitgangspunten zoals geformuleerd door de CRvB inzake Wmo analoog van toepassing worden geacht op de Jeugdwet.
Voorbeelden
- •
a. Gezin bestaat uit vader en moeder en twee kinderen van 14 en 12. De zoon van 14 heeft een vorm van autisme. Hij gaat naar speciaal onderwijs. De ouders oefenen regelmatig met hun zoon thuis het gebruik van pictogrammen.
Vraag: Kunnen de ouders een pgb -budget krijgen voor wat betreft de tijd die nodig is om de zoon het gebruik van pictogrammen te leren?
Antwoord: Nee. Je mag in redelijkheid van ouders verwachten dat zij dit soort oefeningen doen met hun kind. Deze inzet valt onder gebruikelijke hulp. Je kunt hier ook een vergelijk maken met ouders met schoolgaande kinderen die kinderen helpen bij huiswerk, overhoren in geval een proefwerk
- •
b. Zie casus onder a. De betreffende zoon heeft ook fysieke beperkingen en is niet in staat om zichzelf te wassen en aan te kleden. De moeder van de jongen staat iedere ochtend een half uur eerder op om haar zoon te verzorgen / aan te kleden. Vader doet dit ’s avonds.
Vraag: Kunnen de ouders een pgb-budget krijgen voor wat betreft de tijd die nodig is om de zoon te wassen en aan te kleden?
Antwoord: Het feit dat het niet gewoon is om een zoon van 14 te moeten wassen en aankleden maakt nog niet dat de zorginzet niet van ouders verwacht kan worden in het kader van gebruikelijke hulp. Voor zorginzet die niet door ouders geleverd kan worden is meer nodig. Denk bijvoorbeeld aan het ontbreken van eventueel benodigde specifieke vaardigheden bij ouders tot bewassing / aankleding en deze vaardigheden kunnen ook niet aangeleerd worden. De benodigde zorgintensiteit in relatie tot het hebben van een baan, de zorg voor andere aanwezige kinderen …: de context van de casus bepaalt of in alle redelijkheid van de ouders verlangd kan worden dat zij bepaalde zorgtaken in het kader van gebruikelijke hulp of eventueel in het verlengde daarvan via mantelzorg ter hand nemen. Wat ook nog een aspect kan zijn in dit soort kwesties is de vraag of de zoon van 14 dergelijke intieme verzorging wil ontvangen van zijn ouders (en omgekeerd). Indien de zoon de betreffende verzorging niet wil ontvangen of de ouder wil de zorg niet leveren, dan kan in redelijkheid zorgverlening door een ander (via pgb of zin) aan de orde zijn.
- •
c. Zie casus onder a. en b. De ouders dreigen overbelast te raken. Door alle inzet die zij jegens hun zoon plegen komen zij onvoldoende toe aan het reguliere huishouden. De ouders vragen Wmo-huishoudelijke ondersteuning aan.
Vraag: Dient de gemeente huishoudelijke ondersteuning toe te kennen ?
Antwoord: Ook hier hangt het antwoord weer af van de specifieke context van de casus. Primair kun je stellen dat mensen, gezond van lijf en leden, zelf geacht worden het huishouden te doen. In deze casus is veel (extra) zorg nodig voor een kind met lichamelijke en geestelijke beperking waardoor je wellicht in redelijkheid huishoudelijke ondersteuning kunt toekennen. Puur beschouwd vanuit budgettaire overwegingen zou het zelfs de voorkeur kunnen hebben om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen in plaats van een duurdere voorziening in het kader van de specifieke zorginzet voor de zoon. De huishoudelijke ondersteuning die wordt toegekend kan, - indien het een pgb betreft – overigens niet door de ouders zelf worden ingezet. Dit laatste vanuit het principe dat (dreigende) overbelasting niet kan worden gecompenseerd met een budget.
Let wel: in een casus als deze kan aan de ouders in redelijkheid ook (in aanvulling op de zorginzet over de boeg van gebruikelijke hulp en evt. mantelzorg) ondersteuning in de vorm van begeleiding of /en persoonlijke verzorging worden verstrekt in plaats van ondersteuning in de vorm van huishoudelijke ondersteuning. Dat h.o. goedkoper is voor de gemeente dan begeleiding en/of pv doet daar niet aan af. In een casus als deze mogen ouders in alle redelijkheid een keuze maken v.w.b. hun type inzet.
- •
d. Zie casus onder a., b. en c. De ouders dreigen overbelast te geraken. Een belangrijk aspect daarin betreft het feit dat beide ouders fulltime werken in loondienst. In de praktijk werkt de vader echter geen 40-urige werkweek maar wel 60 tot 70 uur. De ouders vragen ondersteuning aan.
Vraag: Dient de gemeente ondersteuning toe te kennen ?
Antwoord: Dat de ouders overbelast dreigen te raken, kan verband houden met andere factoren dan de zorginzet voor een kind. In deze casus lijkt het reëel te veronderstellen dat de overbelasting (deels) het gevolg is van stelselmatig teveel uren werken in plaats van de zorg voor het kind. De oplossing zit dan ook primair in een genormaliseerde ureninzet op het werk. Het is aan de ouder om daarover het gesprek aan te gaan met zijn werkgever. In alle redelijkheid kan het een optie zijn om tijdelijk ondersteuning te bieden teneinde de ouders de ruimte te geven om tot genormaliseerde werktijden te komen.
- •
e. Zie casus onder a, b, c en d. De vader is druk om zijn uren te normaliseren. Hij heeft in goed overleg daarvoor duidelijke afspraken gemaakt met zijn werkgever. Dat gaat evenwel niet van de een op de andere dag en zal zeker nog 2 maanden duren. Ondertussen moet de zorg wel geleverd worden aan hun kind. Moeder heeft met haar werkgever kunnen afspreken dat zij voor de duur van deze 2 maanden 10 uur minder kan werken (onbetaald zorgverlof). Voor deze 10 uur wordt nu een pgb aangevraagd met moeder als dienstverlener.
Vraag: Moet de gemeente deze 10 uur begeleiding in de vorm van een pgb toekennen?
Antwoord: Dat de man niet in staat is (na een patroon van 10 à 15 jaar) om zijn werkweek per direct terug te brengen naar 40 uur, is begrijpelijk. Hij heeft in ieder geval zijn verantwoordelijkheid genomen en de veranderingen zijn in gang gezet. Ondertussen kan de vrouw vanwege haar afspraak met haar werkgever de begeleiding bieden. Ervan uitgaande dat de zorg (aanvullend op hetgeen de ouders al leveren in het kader van gebruikelijke hulp en mantelzorg) prima kan worden geleverd door de vrouw kan voor de duur van 2 maanden in alle redelijkheid een pgb worden toegekend.
Bijlage 2 Beoordelingskader beschermd wonen
Inleiding
Deze bijlage beschrijft het beoordelingskader beschermd wonen voor de regio IJssel-Vecht[1]. Het beoordelingskader wordt toegepast door de acht gemeenten in de regio IJssel-Vecht tijdens het vaststellen van de problematiek en de meest passende en noodzakelijke ondersteuningsvorm.
_______________________________________
[1] Gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Kampen, Ommen, Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland en Zwolle
Procedure van aanmelding voor een maatwerkvoorziening
De aanmeldingsprocedure voor een Inwoner tot een maatwerkvoorziening staat beschreven in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen. Uitgangspunt vormt hierbij artikel 2.3.2. eerste lid van de Wmo 2015.
De Inwoner kan met zijn hulpvraag terecht bij de gemeente.
Tijdens deze aanmeldingsprocedure wordt voor beschermd wonen het volgende beoordelingskader toegepast.
Toepassen beoordelingskader algemeen
De gemeente gaat onderzoeken of op basis van de hulpvraag een Wmo-voorziening de meest passende oplossing is voor de Inwoner. Mogelijk is een voorziening op grond van een andere wetgeving voorliggend.
Beschermd wonen volgens de Wmo 2015
Beschermd wonen is het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de Inwoner of anderen.
Doelgroep op grond van de wet
Indien er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een aanvraag hulp op maat zoals beschreven in de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023, kan een Inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de wet als:
- 1.
Hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en;
- 2.
Hij de situatie van psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en;
- 3.
Beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de Inwoner of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de Inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Afbakening met andere domeinen
Naast de Wmo zijn andere financieringsvormen op het gebied van GGZ. Het gaat dan om verblijf gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet forensische zorg. Dat betekent dat de gemeente altijd onderzoekt of één van deze wetten mogelijk voorliggend is.
Zorgverzekeringswet
Er is sprake van zorg uit de Zorgverzekeringswet wanneer de aanwezigheid van een psychiater of arts in de directe nabijheid van de Inwoner noodzakelijk is. Het wonen maakt integraal onderdeel uit van de behandeling.
Wet forensische zorg
De Wet forensische zorg regelt en financiert de zorg voor Inwoners met een justitiële forensische zorgtitel.
Wet langdurige zorg
De Wet langdurige zorg (Wlz) regelt en financiert onder andere de intramurale zorg voor Inwoners die blijvend zijn aangewezen op 24 uur per dag zorg in nabijheid of permanent toezicht vanwege hun psychische stoornis (al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking). Er is vastgesteld dat de Inwoner levenslange en levensbrede noodzaak heeft tot 24-uurs zorg in nabijheid. Er is geen uitzicht op verbetering of herstel.
Toepassing Woonplaatsbeginsel
Tot de invoering van het woonplaatsbeginsel is de Centrumgemeente financieel verantwoordelijk voor het verstrekken van beschermd wonen. De lokale gemeenten zijn inhoudelijk verantwoordelijk. De gemeente waar de Inwoner zich meldt gaat middels het toepassen van het woonplaatsbeginsel onderzoeken welke gemeente inhoudelijk en financieel verantwoordelijk is voor de Inwoner. Doorgaans is dit de gemeente waar de Inwoner het meest recente woonadres op basis van het BRP heeft. Het woonplaatsbeginsel beschermd wonen is alleen van toepassing op nieuwe instroom en op “klassiek” beschermd wonen. Het is niet van toepassing op tussenvormen, waarbij Inwoners ambulant geholpen worden en/of huur betalen. Nadere uitwerking van het woonplaatsbeginsel Beschermd wonen vindt landelijk plaats.
Het onderzoek
Vaststelling aard van de problematiek
De grondslag (ofwel de reden voor de aanvraag en een toekenning) voor een voorziening beschermd wonen is gebaseerd op de constatering dat het gaat om psychiatrische en/of ernstige psychosociale problematiek. Daarbij kan sprake zijn van verstandelijke -, lichamelijke - of zintuiglijke problematiek, echter de psychiatrische en/of ernstige psychosociale problemen staan op de voorgrond. Dit betekent dat beschermd wonen niet toegekend wordt, als andere problemen op de voorgrond staan.
Vaststelling psychiatrische en/of ernstige psychosociale problematiek
Het vaststellen van psychiatrische en/of ernstige psychosociale problematiek (op basis van diagnostiek of relevant onderzoek) gebeurt door of onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig behandelaar. Verslaglegging hiervan wordt door de Inwoner overgelegd op verzoek van de Wmo consulent. De doelgroep kenmerkt zich door het ontbreken van een bewuste ondersteuningsbehoefte en heeft onvoldoende maatschappelijke- en zelfredzaamheidsvaardigheden. Vaak is er sprake is van ernstige ontregeling op meerdere of alle leefgebieden in combinatie en de behoefte aan toezicht. Er moet dus sprake van psychiatrische en/of ernstige psychosociale problematiek, veelal komt dit voor in combinatie met tenminste twee en vaak meerdere van onderstaande problemen (meervoudige problematiek):
- •
Verslavingsproblematiek
- •
(Sterk vermoeden) van een verstandelijke beperking
- •
Trauma als gevolg van (langdurig) geweld
- •
Ernstige gedragsproblematiek
Vaststelling behoefte aan en de mate van toezicht
De toelating tot beschermd wonen kan alleen verstrekt worden indien 24/7 ondersteuning in de nabijheid noodzakelijk is. De mate waarin een Inwoner in staat is zich te handhaven op onderstaande gebieden is een leidraad voor het vaststellen het benodigde toezicht.
- •
Zelfverzorging; kan zichzelf verzorgen (persoonlijke verzorging, hygiëne, lichamelijke en geestelijke gezondheid (inclusief medicatie innemen).
- •
Financieel redzaam; kan weekbudget (laten) beheren, geld wordt besteed aan voeding of andere noodzakelijke kosten van bestaan.
- •
Kan een hulpvraag stellen indien hij/zij ondersteuning wenst. Staat open voor begeleiding en laat de begeleider toe in haar of zijn woning.
- •
Kan een hulpvraag (op eigen kracht of met hulp van zijn/haar omgeving) uitstellen; bijvoorbeeld naar de volgende dag of naar de volgende afspraak (zonder verergering van problemen).
- •
Heeft iemand in de omgeving die hem/haar duurzaam wil ondersteunen bij het (uit)stellen van de hulpvraag.
- •
Sociaal redzaam; is in staat sociale contacten aan te gaan en te begrenzen (niet vereenzamen en geen grensoverschrijdend gedrag en overlast, ook niet van personen uit het netwerk die in de woning komen)
- •
Veiligheid; staat in voor zijn/haar veiligheid en vormt geen risico voor de maatschappij (agressie, gevaar, verwaarlozing, overlast).
- •
Regievoering: is in staat om regie over het eigen leven te voeren (al of niet in samenspel met het eigen sociaal netwerk).
Het gaat om Inwoners die (nog) niet in staat zijn of nog onvoldoende regie hebben om alle organisatorische en financiële aspecten rondom het beheren van een eigen woning te verzorgen. Dit vanuit de persoonlijke problematiek en niet vanuit externe zaken zoals (belasting)schulden of zwarte lijst woningcorporatie en dergelijke. Voorgaande betekent dat geen toelating tot beschermd wonen wordt afgegeven indien de Inwoner in staat is om zelfstandig te blijven wonen, dan wel een uitdrukkelijke wens hiervoor heeft uitgesproken.
Afwijzen aanvraag beschermd wonen
De gemeente kan op basis van het onderzoek tot de conclusie komen dat beschermd wonen niet de meest passende of noodzakelijke ondersteuning is voor de Inwoner. De keuze voor een ondersteuningsvorm wordt door de gemeente gemotiveerd in het gespreksverslag. Hierbij wordt gebruik gemaakt van dit beoordelingskader.
Redenen voor afwijzing van een aanvraag beschermd wonen kunnen o.a. zijn:
- •
Deskundige heeft vastgesteld dat psychiatrische problematiek en-/of ernstige psychosociale problematiek niet op de voorgrond staan.
- •
Er is geen 24/7 toezicht en begeleiding noodzakelijk.
- •
De Inwoner is niet gemotiveerd (ondersteuning is vrijwillig en vrijblijvend).
- •
De problematiek van de Inwoner kan voorliggend, door inzet van ambulante of andere (lokale) Wmo voorziening(en) of andere wetgeving aangepakt worden.
Aard en omvang van de ondersteuning beschermd wonen
Indien het onderzoek zoals beschreven in paragraaf 1.4 uitwijst dat beschermd wonen noodzakelijk is, dan dienen vervolgens de aard en omvang van de ondersteuning bepaald te worden. Hiervoor worden eerst de te behalen doelen en resultaten omschreven.
Resultaten en doelen
Het gaat bij beschermd wonen om het bieden van onderdak en begeleiding. Een beschermende woonvorm biedt géén behandeling[2]. Als een Inwoner behandeling nodig heeft, moet deze dat zelf regelen, eventueel met behulp van de begeleider.
_______________________________________
[2] Behandeling: Er is sprake van behandeling wanneer de Inwoner vanwege een aandoening, beperking, stoornis of handicap geneeskundige zorg van specifieke medische, specifieke gedragswetenschappelijke of specifieke paramedische aard nodig heeft. De behandeling is gericht is op herstel, of voorkomen van verergering. Bron: www.zorginstituutnederland.nl
Doelen van beschermd wonen:
- •
Het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie.
- •
Het bevorderen van het psychisch en psychosociaal functioneren.
- •
Stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld.
- •
Het bieden van een veilige woonomgeving.
- •
Het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast en het afwenden van gevaar voor de Inwoner of voor anderen.
De gemeente en Inwoner bepalen gezamenlijk met behulp van de onderstaande leefgebieden de doelen waarvoor de ondersteuning wordt ingezet.
Leefgebieden
We onderscheiden de volgende leefgebieden:
- •
Huisvesting
- •
Gezondheid (Lichamelijk en geestelijk)
- •
Dag invulling en vrije tijd
- •
Financiën
- •
Sociale relaties/sociaal netwerk
- •
Maatschappelijk leven
- •
Justitie
- •
Verslaving
- •
ADL
Producten beschermd wonen Regio IJssel-Vecht
|
We onderscheiden de volgende beschermd wonen producten*: |
||
|
1. |
2. |
3. |
|
Beschermd wonen – Basis Intensieve begeleiding, 24/7 toezicht |
Beschermd wonen – Plus Intensieve begeleiding, 24/7 toezicht en gedragsregulering |
Begeleid wonen Reguliere begeleiding 24/7 bereikbaarheid |
|
Deze Beschermd wonen producten kunnen worden uitgebreid met: |
||
|
Module: Dagbesteding |
||
|
Module: Verblijf kind bij ouder |
||
|
Module: Nazorg |
||
Product en looptijd van de beschikking
De gemeente bepaald op basis van het Inwonersprofiel (zie bijlage 1) en te halen doelen de meeste passende ondersteuning. Hierbij kan de consulent kiezen uit beschermd wonen basis, beschermd wonen plus of begeleid wonen. Het product kan worden aangevuld met de modules dagbesteding, verblijf kind bij ouder en nazorg.
De gemeente bepaalt op basis van de te behalen doelen de looptijd van de beschikking. De maximale looptijd van een beschikking is drie (3) jaar. De gemeente omschrijft in het gespreksverslag de resultaten van het onderzoek en de afgesproken doelen. Het gespreksverslag dient te worden getekend door zowel de Inwoner als de consulent van de gemeente.
Wachtlijst
Na beschikking wordt Inwoner op de wachtlijst beschermd wonen geplaatst. De Inwoner wordt geïnformeerd over de acceptatieplicht binnen beschermd wonen.
De wachtlijstbeheerders van GGD IJsselland zoeken een passende plek bij een gecontracteerde zorgaanbieder. Hierin worden huidige woonplaats, netwerk, eventueel geloofsovertuiging en andere maatschappelijke aspecten betrokken. De Inwoner heeft, eventueel samen met een consulent van de gemeente, een gesprek met de beoogde zorgaanbieder.” Indien zorgaanbieder en Inwoner tot overeenstemming komen stelt de zorgaanbieder op basis van het gespreksverslag en de gemaakte afspraken een ondersteuningsplan op. In het ondersteuningsplan wordt beschreven hoe de doelen uit het gespreksverslag bereikt moeten worden en welke ondersteuning wordt ingezet.
Wanneer Inwoner de voorgestelde plek niet passend vindt, dient de Inwoner de afwijzing gemotiveerd (schriftelijk of mondeling) kenbaar te maken bij de wachtlijstbeheerders. De wachtlijstbeheerders bepalen of het een geldige reden is om de voorgestelde plek te weigeren. Indien de reden geldig, dan blijven wachtlijstbeheerders actief op zoek naar een andere passende plek. Indien de reden niet voldoende is, dan worden de wachtdagen van de Inwoner op on-hold gezet. De Inwoner kan dit moment gebruiken om gezamenlijk met de Toegang een gesprek te voeren over welke ondersteuning als passend wordt geacht. Als beschermd wonen nog steeds passend is, wordt dit doorgegeven aan de wachtlijstbeheerders. Zij gaan dan weer actief zoeken naar een passende plek. Als Inwoner voor een tweede keer weigert zonder goede reden, dan is de consequentie dat de wachtdagen van de Inwoner naar nul worden gezet. Er volgt een gesprek met Toegang en Inwoner om naar alternatieven te gaan kijken, buiten het beschermd wonen aanbod om.
Als Inwoner nog wachtende is op een plek binnen beschermd wonen, wordt passende ambulante begeleiding ter overbrugging ingezet vanuit de gemeente.
Verstrekking vorm: Zorg in Natura of Persoonsgebonden Budget
Beschermd wonen kan worden verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. De regio IJssel-Vecht gaat uit van voldoende passend aanbod in de vorm van zorg in natura bij de gecontracteerde beschermd wonen zorgaanbieders. Indien voor een Inwoner geen passend aanbod is in de vorm van zorg in natura is het onder voorwaarden mogelijk de ondersteuning bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder af te nemen. De gemeente kan hiervoor een persoonsgebonden budget afgeven. De Inwoner dient zelf te motiveren waarom geen passend aanbod is in de vorm van zorg in natura. Tevens vindt een pgb-vaardigheidstoets plaats en moet een pgb-plan inclusief bewijsdocumenten worden aangeleverd. De voorwaarden voor het toekennen van een persoonsgebonden budget en de pgb-aanvraag procedure staan beschreven in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen.
Afgeven van de beschikking
De Inwoner ontvangt een beschikking van de lokale gemeente. Hierin is gemotiveerd opgenomen welke ondersteuning is toegekend, de duur van de beschikking en indien mogelijk door welke zorgaanbieder de ondersteuning wordt geleverd. Hierop is bezwaar mogelijk.
Indien de Inwoner kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt de informatie met betrekking tot de ondersteuningsvorm en intensiteit vastgelegd in een gespreksverslag. Op het gespreksverslag is geen bezwaar mogelijk. De Inwoner kan deze informatie gebruiken bij het opstellen van het pgb-plan. In het beoordelingskader pgb wordt beschreven hoe een pgb-aanvraag wordt beoordeeld. Bij toekenning van het persoonsgebonden budget ontvangt de Inwoner een beschikking van de lokale gemeente. Hierop is bezwaar mogelijk.
Producten beschermd wonen
Product beschermd wonen basis en plus
|
Doel |
|
|
Beschrijving begeleiding |
|
Product Begeleid wonen
|
Doel |
|
|
Beschrijving begeleiding |
|
|
Product |
Gemiddeld aantal uren begeleiding per week:
|
|
Begeleiding kwalificatie |
|
|
Accommodatie eisen |
|
|
Invulling toezicht |
Er is 24/7 telefonische oproepbaar geborgd en waar nodig begeleiding binnen dertig (30) minuten ter plaatse. |
Module Dagbesteding
|
Doel |
Het bieden van een zinvolle dag invulling voor Inwoners die door omstandigheden (tijdelijk) niet kunnen participeren in reguliere vormen van werk, scholing en/of andere vormen van sociale participatie. Inwoners kunnen door middel van dagbesteding op een gestructureerde manier zinvolle activiteiten verrichten. De activiteiten ondersteunen de Inwoner in het bereiken van de gestelde doelen. Randvoorwaarden
|
|
Werkwijze |
Voordat de module dagbesteding wordt ingezet wordt eerst onderzocht of er sprake is van werk, beschut werk, vrijwilligerswerk, school en of de doelen behaald kunnen worden met de inzet van deze activiteiten. Indien gewenst kan dagbesteding naast werk, beschut werk, vrijwilligerswerk en/of school worden ingezet ter bevordering van het behalen van de doelen in het Gespreksverslag en Ondersteuningsplan. Participatie en maatwerk vormen het uitgangspunt voor de keuze van inzet van dagbesteding en de omvang hiervan. Uitgangspunt bij dagbesteding is dat de Toegang eerst gaan kijken naar het inzetten van een passend lokale voorziening in het voorveld (bijvoorbeeld een algemene voorziening) of een lokale maatwerkvoorziening dagbesteding. Indien voorliggende mogelijkheden zijn, als bijvoorbeeld door de Gemeente georganiseerde algemene voorzieningen, kan de Inwoner daarvan gebruik maken en wordt geen module dagbesteding afgegeven. Indien de lokale mogelijkheden niet passend zijn, is het mogelijk om de module dagbesteding als individuele maatwerkvoorziening toe te kennen aan de indicatie Beschermd- of Begeleid wonen. De betreffende zorgaanbieder dient de dagbesteding te organiseren. Als de aanbieder de geschikte dagbesteding niet zelf levert dan wordt met onderaannemerschap gewerkt. Indien betreffende onderaannemer ook een lokaal contract heeft, is het lokale contract voorliggend. Er wordt dan geen module dagbesteding afgegeven bij de Beschermd- of Begeleid wonen beschikking. De Inwoner krijgt dan een aparte lokale beschikking voor dagbesteding. Als de module nazorg is ingezet, kan de Inwoner alleen een lokale beschikking krijgen voor dagbesteding. Doelstelling en resultaten voor de dagbesteding worden beschreven in het Gespreksverslag en Ondersteuningsplan. Tijdens evaluatiemomenten worden de resultaten besproken door Inwoner, aanbieder en Gemeente. Indien de Inwoner een aparte beschikking heeft ontvangen voor dagbesteding blijft de Beschermd- of Begeleid wonen aanbieder verantwoordelijk voor het integraal bereiken van de gestelde doelen in het Gespreksverslag en Ondersteuningsplan. |
|
Doelgroep |
Inwoners met een indicatie voor Beschermd- of Begeleid wonen, die onvoldoende mogelijkheden hebben om zelfstandig maatschappelijk te participeren of door hun problematiek een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, en (nog) niet de competenties bezitten om arbeidsmatige activiteiten te verrichten, onderwijs te volgen of vrijwilligerswerk te doen. Dagbesteding kan ook worden ingezet naast een van bovengenoemde voorliggende activiteiten om meer structuur te bieden, bijvoorbeeld als voorbereiding op Wlz. |
|
Begeleiding aantal uren |
|
|
Begeleiding kwalificatie |
|
|
Accommodatie eisen |
De aanbieder geeft uitvoering aan relevante wet- en regelgeving en richtlijnen. Bijvoorbeeld met betrekking tot Arbowet en het Bouwbesluit. |
|
Looptijd beschikking |
De duur van de module Dagbesteding wordt op zichzelf geïndiceerd en kan een kortere looptijd hebben dan de duur van het product Beschermd wonen of Begeleid wonen |
Module Verblijf kind bij ouder
|
Verblijf kind bij ouder in Intramuraal Beschermd- of Begeleid wonen |
Het verblijf van (een) kind(eren) bij de ouder in Beschermd- of Begeleid wonen brengt voor de aanbieder meerkosten met zich mee. Deze kosten zijn niet meegenomen in de tarieven die voor de BW-producten zijn vastgesteld. Het gaat hierbij om meerkosten voor huisvesting, facilitaire verzorging en soms nog enige basale Ondersteuning (ADL) voor het kind. In deze gevallen kan de module Verblijf kind bij ouder in Beschermd- of Begeleid wonen ingezet worden. Voorwaarde is dat de accommodatie en fysieke en sociale omgeving veilig en kindvriendelijk is. Het uitgangspunt is om verblijf van kinderen bij een ouder in een Beschermd- of Begeleid wonen situatie zoveel mogelijk te vermijden en te voorkomen. Met deze module kan de aanbieder een tegemoetkoming krijgen in de meerkosten. Het tarief wordt gerekend per inwonend kind. Deze module kan alleen ingezet worden naast het product Intramuraal Beschermd- of Begeleid wonen. |
Module Nazorg
|
Doel |
Nazorg Om de kans van slagen vanuit Beschermd wonen en Begeleid wonen naar volledig zelfstandig wonen zo groot mogelijk en duurzaam te laten zijn, is goede nazorg belangrijk. Nazorg is achtervang om het vertrouwen te bieden aan de Inwoner om sneller de stap naar zelfredzaamheid weer te gaan zetten. Als een Inwoner nazorg in zijn nieuwe thuissituatie nodig heeft, wordt in eerste instantie door een lokale Wmo-aanbieder ambulante begeleiding geboden. Lokale ambulante begeleiding kan een zachte landing realiseren. De Inwoner wordt voldoende begeleid in de nieuwe situatie. Tussen de lokale Wmo-aanbieder en de aanbieder beschermd- of Begeleid wonen dient een goede overdracht plaats te vinden. Het kan zijn dat een Inwoner meer gebaat is bij het ontvangen van nazorg vanuit zijn huidige aanbieder Beschermd- of Begeleid wonen. Dit om bijvoorbeeld de stap naar zelfstandig wonen te versnellen of om een indicatie niet te verlengen of om terugval meer te voorkomen. Als dit ter sprake is, kan de module nazorg worden ingezet. Het product nazorg bestaat uit ambulante Ondersteuning in de thuissituatie. Indien nazorg nodig is, neemt de aanbieder contact op met de Toegang voor een indicatie ‘module nazorg’. De module nazorg kan voor maximaal 13 uur worden ingezet binnen een termijn van drie (3) maanden. De module nazorg is aansluitend op de afloop van een indicatie Beschermd- of Begeleid wonen. |
|
Doelgroep |
|
|
Begeleiding aantal uren |
|
|
Begeleiding kwalificatie |
|
|
Accommodatie eisen |
De Inwoner woont volledig zelfstandig in een eigen woonruimte. |
|
Looptijd beschikking |
Maximaal drie (3) maand, aansluitend op afloop indicatie Beschermd- of Begeleid wonen. Tijdens deze module is de lage eigen bijdrage (het abonnementstarief) van toepassing. |
Noot
1Zie artikel 1.2.1 Wmo 2015. Zie v.w.b. Jeugdwet: artikel 2.3, eerste lid. Zie voor jeugd ook in het algemeen bepalingen in het Burgerlijk Wetboek inzake verplichtingen van ouders tot verzorging en opvoeding (art. 1: 82 en 247).
Noot
2Zie artikel 2.3.5., derde lid Wmo 2015. De termen mantelzorg en gebruikelijke hulp komen niet expliciet / tekstueel voor in de Jeugdwet. De opvattingen inzake de eigen inzet van ouders / het gezin en het sociale netwerk zijn evenwel dezelfde (met de term “eigen kracht” als basis). Zie bijvoorbeeld artikel 2.3, eerste lid, en artikel 2.1 eerste lid , onder d, Jeugdwet maar zie ook nadrukkelijk de Memorie van Toelichting: de positionering van de individuele voorziening aanvullend op de eigen kracht. In relatie tot de term eigen kracht worden in de MvT van de Jeugdwet de termen gebruikelijke hup en mantelzorg expliciet benoemd.
Noot
3Zie de term “redelijkheid” expliciet in de definitie van ‘gebruikelijke hulp’ in de Wmo 2015. Voor wat betreft Jeugd wordt de redelijkheid als toets element in deze beleidslijn expliciet gemaakt. Zie reeds hetgeen gesteld in voetnoot 2 maar zie bijvoorbeeld ook de zinsnede ”naar het oordeel van het college” in artikel 2.3, eerste lid, Jeugdwet.
Noot
4Onder het begrip “huisgenoot” scharen we alle bewoners op één adres met uitzondering van een huurder van een kamer in de woning van de zorgvrager.
Noot
6Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Noot
7P. 31/32 MvT Wmo 2015: “… Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht zij het wenselijk dat beloning daarvan met een persoonsgebonden budget beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de cliënt…”
Noot
8De Centrale Raad van Beroep (zie o.a. CRvB 25-07-2011, nr. 11/3714 WMO-VV, CRvB 17-10-2012, nrs. 10/5275 WMO e.a., CRvB 24-10-2014, nr. 12/3059 WMO) hanteert de lijn dat huisgenoten dienen mee te werken aan het onderzoek tot het bepalen van noodzaak en omvang van de inzet van een maatschappelijke voorziening. Niet meewerken kan in redelijkheid betekenen dat een aanvraag wordt afgewezen vanwege het niet kunnen vaststellen van een recht. Niet valt in te zien waarom deze zienswijze alleen van toepassing is op Wmo en niet van toepassing zou zijn op de Jeugdwet. Vandaar dat de uitgangspunten zoals geformuleerd door de CRvB inzake Wmo analoog van toepassing worden geacht op de Jeugdwet.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl