Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 19-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 12-05-2026

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026

De raad van de gemeente Beuningen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 maart 2026;

gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

overwegende dat;

  • de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft neergelegd;

  • het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

  • het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

  • de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen;

  • de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

  • de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • de voorwaarden waaronder de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk,

  • de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

  • de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

B E S L U I T om de volgende verordening vast te stellen:

Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. In deze verordening komen de volgende begrippen voor:

  • a.

    algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouders.

  • b.

    andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet. Deze kan voorliggend zijn op een individuele voorziening.

  • c.

    bovengebruikelijke hulp: de extra zorg en hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt.

  • d.

    budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet.

  • e.

    budgetplan: plan waarin de budgethouder of zijn wettelijk vertegenwoordiger beschrijft hoe hij1 de ondersteuning gaat inkopen en op welke wijze de kwaliteit gewaarborgd wordt.

  • f.

    cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouders ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

  • g.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen.

  • h.

    draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouders en of andere huisgenoten vanuit eigen kracht kunnen bieden aan de jeugdige. Dit betreft zowel gebruikelijke als bovengebruikelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.

  • i.

    draaglast: de belasting die op de draagkracht gedaan wordt.

  • j.

    eigen kracht: de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de inwoner of jeugdige en zijn ouders en de personen die tot hun sociale netwerk behoren, om de benodigde hulp en ondersteuning te bieden bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.

  • k.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders.

  • l.

    hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

  • m.

    informele hulp: niet-professionele hulp, verleend vanuit het sociale netwerk of iemand die door de jeugdigen en/of ouders zelf is gezocht en gevonden. Er hoeft tussen de jeugdige en/of ouders en de hulpverlener geen bestaande relatie te zijn en de ondersteuning wordt niet verleend vanuit een hulpverlenend beroep. Deze inzet vindt alleen plaats op basis van een persoonsgebonden budget.

  • n.

    individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouders die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • o.

    onderzoeksverslag: een verslag waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouders en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren.

  • p.

    Ouder: de ouder als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

  • q.

    persoonsgebonden budget (PGB): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet is een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder waarmee zij de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort bij derden kunnen (in)kopen.

  • r.

    Regionaal ondersteuningsbureau (ROB): het samenwerkingsverband van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen voor de contractering en het contractbeheer namens deze gemeenten op het gebied van Wmo en jeugdhulp.

  • s.

    sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouders een sociale relatie heeft, zoals buren, vrienden en kennissen.

  • t.

    zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die een contract hebben met de gemeente.

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE VOORZIENINGEN

Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen

  • 1. Een algemene voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling. 

  • 2. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: 

  • a.

    Opvoedondersteuning 

  • b.

    Ondersteuner Jeugd en Gezin

  • c.

    Welzijnswerk

  • d.

    Kinder- en jongerenwerk

  • e.

    Kortdurende ondersteuning

  • f.

    Schoolmaatschappelijk werk

  • g.

    Consultatiebureau

  • h.

    Buurtsportcoach

  • 3. Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.  

HOOFDSTUK 3. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

Paragraaf 1. Voorzieningen

Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen

  • De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: 

  • 1. Ambulante jeugdhulp

  • a.

    Reguliere en specialistische begeleiding (al dan niet in een groep)

  • b.

    Persoonlijke verzorging

  • c.

    Vaktherapie (al dan niet in een groep)

  • d.

    Logeeropvang

  • e.

    Voorschoolse/naschoolse dagbehandeling

  • f.

    BSO+

  • g.

    Onderwijstoeleidende dagbesteding

  • 2. Specialistische jeugdhulp

  • a.

    Behandeling

  • b.

    Gezinsvormen (pleegzorg, deeltijdpleegzorg, gezinshuiszorg)

  • c.

    Woongroepen (kamertraining, fasehuis, beschermd wonen)

  • d.

    Residentieel verblijf (met/zonder terrein, moeder-kind huis)

  • 3. Jeugdbescherming en jeugdreclassering

  • a.

    (voorlopige) Ondertoezichtstelling

  • b.

    Voogdij

  • c.

    Intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak

  • d.

    Reclassering regulier

  • e.

    Individuele trajectbegeleiding

  • 4. Geestelijke gezondheidszorg Jeugd (J-GGZ)

  • a.

    Behandeling basis (al dan niet in een groep)

  • b.

    Behandeling specialistisch (al dan niet in een groep)

  • 5. Overig

  • a.

    Crisiszorg

  • b.

    Essentiële functies (complexe zorg bovenregionaal ingekocht)

  • c.

    Landelijk ingekochte zorg

  • d.

    Respijtzorg

  • e.

    Dyslexiezorg

  • f.

    Vervoersvoorziening

  • 6. De hiervoor in lid 1 t/m 4, 5a t/m c genoemde voorzieningen zijn nader beschreven in de bouwstenen en tarieven op https://www.robregionijmegen.nl/producten-tarieven

  • 7. Het college kan in nadere regels vaststellen welke individuele voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden. 

Artikel 4. Respijtzorg

  • 1. Ter ontlasting van ouders in de bovengebruikelijke hulp voor hun kind kan respijtzorg worden ingezet als na onderzoek als bedoeld in artikel 13 blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.3 lid 3 Jeugdwet en:

  • a.

    De jeugdige geen aanspraak heeft noch kan maken op zorg uit de Wet langdurige zorg;

  • b.

    In het onderzoek is uitgesloten dat verpleegkundige handelingen nodig zijn en zorg onder de Zorgverzekeringswet valt of zou moeten vallen, hierbij wordt een aanvullende zorgverzekering niet als eis gesteld voor een eventuele individuele voorziening respijtzorg; 

  • c.

    Respijtzorg in beginsel een tijdelijk karakter met een maximum van 1 jaar heeft. Langdurige inzet is mogelijk als overduidelijk is dat de problematiek en ondersteuningsbehoefte langdurig zijn; 

  • d.

    Bij de inzet van respijtzorg altijd heldere doelen worden geformuleerd over tijdigheid en vergroten van draagkracht, en evaluatie afspraken worden gemaakt.  

  • e.

    Respijtzorg wordt niet ingezet:

  • I.

    tijdens school- of werktijd,

  • II.

    als oplossingen uit het normale leven passend zijn (eigen netwerk, hobby’s, sport, etc.),

  • III.

    om de ontwikkeling van het kind te stimuleren,

  • IV.

    om activiteiten tussen ouder en kind te begeleiden: respijtzorg is om ouders een rustmoment te bieden.

Artikel 5. Vervoer

  • 1. Uitgangspunt is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 

  • 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, conform lid 2 van artikel 2.3 van de Jeugdwet.

  • 4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 19, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 

  • 5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

Artikel 6. Dyslexiezorg

  • 1. De zorg voor kinderen vanaf 7 tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED) die het basisonderwijs volgen, valt onder de Jeugdwet.

  • 2. De toegang voor dyslexiezorg in gemeente Beuningen loopt via de basisschool van de jeugdige.

Artikel 7. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische indicatie

  • 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vormen van jeugdhulp.

  • 2. In uitzonderlijke situaties kan als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.

  • 3. Het college stelt beleidsregels op over de uitvoering van de sociaal medische indicatie.

Artikel 8. Overgang 18- naar 18+

  • 1. Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is.  

  • 2. De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een ‘perspectiefplan’ op waarin staat:  

  • a.

    Welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag;  

  • b.

    Hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, Zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet.   

  • 3. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het college bij (het opstellen van) het perspectiefplan.

Artikel 9. Jaarlijkse waardering jonge mantelzorgers en pleegouders

  • 1. Het college stelt jaarlijks een blijk van waardering beschikbaar voor jonge mantelzorgers die aangemeld zijn bij het Steunpunt Mantelzorg van Stichting Perspectief. 

  • 2. Het college kan de in lid 1 bedoelde blijk van waardering jaarlijks laten variëren. Niet limitatief kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon of verwenpakket. 

  • 3. Per jonge mantelzorger is één jaarlijkse blijk van waardering zoals bedoeld in lid 1 beschikbaar. 

  • 4. Naast de in lid 1 bedoelde blijk van waardering biedt het Steunpunt Mantelzorg gedurende het gehele jaar individuele en collectieve mogelijkheden ter ondersteuning van jonge mantelzorgers. 

  • 5. Pleegouders kunnen per pleegkind een Klavervierpas aanvragen bij het Sociaal Team.

  • 6. Het college kan bij nadere regeling een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders in het leven roepen.

Paragraaf 2. Toegang tot een individuele voorziening

  • Toegang tot jeugdhulp is mogelijk door een verwijzing via de gemeente (met een beschikking van het college), via verwijzing vanuit het medisch domein (huisarts, medisch specialist of jeugdarts), via een bepaling van de Gecertificeerde Instelling (GI), via de rechter, het openbaar ministerie of via de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht.   

Artikel 10. Aanvraag jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Een jeugdige of zijn ouder kunnen een hulpvraag stellen bij het college.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 3. In spoedeisende gevallen zet het college na een melding voor maximaal 3 maanden een individuele voorziening in. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

  • 4. Een jeugdige of zijn ouders kunnen bij het college mondeling, maar bij voorkeur schriftelijk of digitaal een aanvraag voor een individuele voorziening voor jeugdhulp indienen.

  • 5. Het college kan het onderzoeksverslag als bedoeld in artikel 13 als aanvraag aanmerken als de jeugdige of zijn ouders dat in het verslag hebben aangegeven.

  • 6. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een andere of algemene voorziening zoals genoemd in artikel 1 en 2.

Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het medisch domein

  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.   

  • 2. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mogen alleen naar gecontracteerde aanbieders verwijzen.  

  • 3. Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de contractafspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt.  

  • 4. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking, tenzij de jeugdige en/of ouders dit wensen of wanneer het college afwijkt van de beoordeling door de jeugdhulpaanbieder.   

Artikel 12. Toegang jeugdhulp via de Gecertificeerde Instelling, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de Gecertificeerde Instelling (GI) nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.  

  • 2. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking.   

Paragraaf 3. Beoordeling aanvraag en nemen van een besluit

Artikel 13. Onderzoek

  • 1. Het college onderzoekt, zo snel mogelijk, in een gesprek met de jeugdige en/of ouders:  

  • a.

    wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of ouders; 

  • b.

    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders;  

  • c.

    of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat;    

  • d.

    het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;  

  • e.

    welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;  

  • f.

    de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouders om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Daarbij onderzoekt het college de volgende vragen:

  • I.

    Is de ouder in staat de noodzakelijke gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp te bieden?

  • II.

    Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

  • III.

    Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

  • IV.

    Ontstaan er (financiële) problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden?

  • g.

    de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen met inzet van algemene en andere voorzieningen;  

  • h.

    of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening;   

  • i.

    de manier waarop een individuele voorziening wordt ingezet, wordt zo nodig afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.  

  • 3. Het college informeert de jeugdige en/of ouders over de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget aan te vragen en geeft zo nodig uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een persoonsgebonden budget, als bedoeld in hoofdstuk 5 persoonsgebonden budget.

  • 4. Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouders alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouders beschikken.  

  • 5. Het college kan, met instemming van jeugdige en/of ouders informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp.  

  • 6. Als het nodig is vraagt de gemeente voor het onderzoek van de hulpvraag van de jeugdige advies van een deskundige.  

  • 7. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouders afzien van een gesprek. 

  • 8. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het onderzoeksverslag. De jeugdige en/of ouders kunnen binnen een termijn van zeven dagen schriftelijk hierop reageren. Ook legt het college in afstemming met jeugdige en/of ouders hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten. 

  • 9. De gemeente hoeft alleen een voorziening voor jeugdhulp te treffen als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is.

  • 10. Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 14. Toekenningsvoorwaarden individuele voorzieningen

  • 1. Jeugdigen en/of ouders komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: 

  • a.

    sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige  

  • b.

    inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:  

  • c.

    Gezond en veilig op te groeien  

  • d.

    Te groeien naar zelfstandigheid  

  • e.

    Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en  

  • f.

    de jeugdige en/of ouders zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht als bedoeld in artikel 19), en  

  • g.

    een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en  

  • h.

    de jeugdige en/of ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.  

  • 2. Als de aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouders voorafgaand aan de aanvraag hebben gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:  

  • a.

    als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen,  

  • b.

    voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen en  

  • c.

    voor zover de kosten zijn gemaakt tot drie maanden vóór de aanvraag.

Artikel 15. Algemene Weigeringsgronden

  • 1. Een jeugdige en/ of ouders komen niet in aanmerking voor een individuele voorziening als:

  • a.

    De jeugdige en/ of ouders aanspraak maken op een algemene of andere voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak kunnen maken op een andere voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de algemene of andere voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan zo nodig aanvullend alsnog een individuele voorziening worden afgegeven;

  • b.

    Na onderzoek blijkt dat met gebruikelijke hulp voldoende ondersteuning wordt geboden.

  • c.

    De jeugdige en/of ouders onvoldoende meewerken aan het onderzoek waardoor de gemeente onvoldoende onderzoek kan uitvoeren en hierdoor de noodzaak van jeugdhulp niet kan worden vastgesteld.

  • d.

    Er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat;

  • e.

    De individuele voorziening niet voldoet aan de eisen met betrekking tot kwaliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet;

Artikel 16. Het besluit

  • 1. Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening vast in een beschikking: binnen 8 weken na ontvangst van de melding van een hulpvraag.

  • 2. In spoedeisende gevallen legt het college de beslissing over de inzet van hulp als bedoeld in artikel 10 lid 3 zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 3. Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag.

Artikel 17. Inhoud en geldigheidsduur beschikking

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval:

  • a.

    of de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

  • b.

    hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    welke jeugdhulp toegekend is;

  • b.

    wie de jeugdhulp biedt;

  • c.

    de aard, de omvang en de duur van de in te zetten jeugdhulp en vanaf wanneer de beschikking geldig is.

  • 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval naast de in lid 1 en 2 genoemde zaken vastgelegd:

  • a.

    de hoogte van het persoonsgebonden budget en hoe deze is berekend;

  • b.

    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

  • c.

    Het onderzoeksverslag maakt deel uit van de beschikking en bevat in ieder geval de gestelde doelen en wat het beoogde resultaat van die doelen moet zijn.

  • 4. De jeugdige en/of ouders moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de jeugdhulpaanbieder dan wel zijn gestart met de inzet van het persoonsgebonden budget.

  • 5. Het college kan periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit te heroverwegen.

Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

  • 1. De jeugdige en/of ouders aan wie het college een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in zijn of haar situatie die tot een heroverweging van het besluit kunnen leiden.

  • 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als:

  • a.

    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen;

  • c.

    de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer passend is;

  • d.

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget; of

  • e.

    de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bedoeld.

  • 3. Het college kan de kosten voor de verstrekte individuele voorziening waar de jeugdige en/of ouders geen recht op hadden voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op de grond genoemd in lid 2 sub a of e.

HOOFDSTUK 4 BEOORDELING EIGEN MOGELIJKHEDEN EN PROBLEEMOPLOSSEND VERMOGEN

Artikel 19. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1. Jeugdigen en/of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:   

  • a.

    gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;  

  • b.

    bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; 

  • c.

    de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;  

  • d.

    het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.   

  • 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, gelet op de wettelijke plicht (artikel 1:247, Burgerlijk wetboek) en het recht van de gezaghebbende ouder om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder valt hen te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 

  • 3.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:  

  • a.

    de leeftijd van de jeugdige  

  • b.

    de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft   

  • c.

    de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige  

  • d.

    de mate van planbaarheid van de hulp  

  • e.

    de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige  

  • 4. Het college maakt als kader voor de ontwikkelingstaken van een jeugdige en opvoeduitdagingen gebruik van de publicatie ‘Opgroeien en opvoeden; normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders’, van het Nederlands Jeugd Instituut (2020).

  • 5. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.  

  • 6. Als het gaat om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp: ouders hebben een ouderlijke verzorgings- en opvoedplicht.

  • a.

    Het college beoordeelt of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven en de balans tussen draagkracht en draaglast:

  • I.

    Een gezonde balans tussen draagkracht en draaglast betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe.

  • b.

    Het college maakt onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:  

  • I.

    Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.  

  • II.

    Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.  

  • 7. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 8. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:  

  • a.

    de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige  

  • b.

    de mate van planbaarheid van de hulp  

  • c.

    het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders  

  • d.

    de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige  

  • e.

    vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)  

  • f.

    of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden   

  • g.

    welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen  

  • h.

    het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen  

  • i.

    de woonsituatie  

  • j.

    de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)  

  • k.

    is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen    

  • l.

    overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht  

  • 9. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.  

  • 10. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:  

  • a.

    Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.  

  • b.

    Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.   

  • c.

    Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat door de ouder wordt gedaan om die spanningen te verminderen.   

  • d.

    Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.   

  • e.

    Het verlenen van hulp aan je kind gaat in beginsel voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.   

  • f.

    Een persoonsgebonden budget voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.    

  • 11. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.   

  • 12. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.    

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Een individuele voorziening kan in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke regels gelden voor een persoonsgebonden budget en hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald. De jeugdige is de budgethouder, de ouders zijn de budgetbeheerder (zie ook artikel 23).

Artikel 20. Toekenningscriteria persoonsgebonden budget

  • 1. Pas als een jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening en de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college aan de hand van het in lid 2 genoemde budgetplan en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6 van de Jeugdwet of voldaan wordt aan de in artikel 8.1.1. lid 2 van de Jeugdwet opgenomen voorwaarden.  

  • 2. In het budgetplan staat in elk geval:   

  • a.

    de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een persoonsgebonden budget gewenst is;   

  • b.

    bij welke aanbieder jeugdige en/of ouders de jeugdhulp willen inkopen, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;  

  • c.

    hoe de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;   

  • d.

    wat de kosten voor de jeugdhulp zijn uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;  

  • e.

    wie het persoonsgebonden budget beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd.   

  • 3. Het college toetst of de budgetbeheerder voldoende vaardig is om het persoonsgebonden budget te beheren als bedoeld in lid 2 sub e aan de hand van het overzicht van 10 pgb-vaardigheden dat de Rijksoverheid heeft opgesteld.  

  • 4. Het persoonsgebonden budget bevat geen vrij besteedbaar bedrag.   

  • 5. Het persoonsgebonden budget mag niet gebruikt worden voor:   

  • a.

    kosten voor bemiddeling;   

  • b.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;   

  • c.

    kosten voor het voeren van een persoonsgebonden budget-administratie;   

  • d.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget;   

  • e.

    kosten voor feestdagenuitkering en/of een eenmalige uitkering;   

  • f.

    reiskosten.   

  • 6. De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt kan iemand die behoort tot het sociale netwerk inzetten voor het bieden van jeugdhulp, met uitzondering van ggz-behandeling. Deze behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk van de jeugdige behoort.

  • 7. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de jeugdige en/of ouders het persoonsgebonden budget in die periode anders ten onrechte kan inzetten.  

Artikel 21. Weigeringsgronden persoonsgebonden budget

  • 1. Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als:  

  • a.

    op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek (artikel 13 lid 3) duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;  

  • b.

    er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;  

  • c.

    er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking;  

  • d.

    wanneer de beoogde persoonsgebonden budget-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, tenzij het college daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.  

  • 2. Het college weigert een persoonsgebonden budget als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is.  

Artikel 22. Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1. De hoogte van een persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de kostprijs van de goedkoopst passende individuele voorziening in natura. 

  • 2. Het tarief voor een persoonsgebonden budget:  

  • a.

    is gebaseerd op het door de jeugdige en/of ouders opgestelde budgetplan;  

  • b.

    is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; en   

  • c.

    is een all-in tarief.  

  • 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor formele ondersteuning is gebaseerd op het opgestelde budgetplan. Hierbij geldt dat: 

  • a.

    Het professionele tarief voor begeleiding en verzorging, en trainingshuis gelijk is aan 85% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;  

  • b.

    Het professionele tarief voor locatie gebonden ondersteuning, zoals dagbesteding en logeeropvang gelijk is aan 90% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;  

  • c.

    Het professionele tarief voor vervoer gelijk is aan het tarief zoals door het college afgesproken is met gecontracteerde aanbieders;  

  • 4. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele ondersteuning is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het wettelijk minimumloon vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget verhoogd met het hoogste percentage werkgeverslasten. 

  • 5. Als het op basis van lid 1 vastgestelde persoonsgebonden budget in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.  

  • 6. De zorg in natura tarieven worden gepubliceerd op de website van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB). 

  • 7. Het college past de tarieven jaarlijks per 1 januari aan:

  • a.

    de tarieven bedoeld in lid 3 volgen de indexaties op de tarieven gepubliceerd op de in lid 6 genoemde website;

  • b.

    de tarieven bedoeld in lid 4 volgt het wettelijke minimumloon zoals dat jaarlijks per 1 januari wordt vastgesteld.

Artikel 23. Regels voor persoonsgebonden budget-beheer

  • 1. Het beheer van het persoonsgebonden budget vraagt regievoeren over de ingekochte ondersteuning. De jeugdige is budgethouder. Van een jeugdige jonger dan achttien jaar verwacht het college niet dat hij de taken die verbonden zijn aan het persoonsgebonden budget beheer op een verantwoorde wijze uit kan voeren.

  • 2. Het persoonsgebonden budget-beheer kan worden uitgevoerd door ouders, door iemand uit het sociaal netwerk, of door een professional.

  • a.

    Een professionele budgetbeheerder levert zijn diensten tegen marktconform tarief.

  • b.

    Het college kan vragen om een bewijs van betaling.

  • 3. De persoonsgebonden budgetbeheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de jeugdige. Van belangenverstrengeling mag geen sprake zijn. Hier is in ieder geval sprake van in de volgende situaties:

  • a.

    Als de persoonsgebonden budget- beheerder ook de aanbieder is, diens vast/flexibel personeel of op andere wijze aan de aanbieder verbonden is.

  • b.

    Als de jeugdhulp ook is gericht op de ouder, die persoonsgebonden budget-beheerder is.

  • 4. De persoonsgebonden budgetbeheerder ondersteunt de jeugdige en/of ouders van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de jeugdige en is integraal aanspreekpunt voor zowel de gemeente als de zorgaanbieder.

  • 5. De persoonsgebonden budgetbeheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de jeugdige en/of ouders en zorgverlener.

  • 6. De persoonsgebonden budgetbeheerder dient aan te geven dat het beheren van het persoonsgebonden budget voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.

  • 7. De budgethouder dient de administratie over het persoonsgebonden budget 7 jaar te bewaren.

Artikel 24. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door:  

  • a.

    personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouders het persoonsgebonden budget krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren, of 

  • b.

    personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouders het persoonsgebonden budget krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of  

  • c.

    personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).   

  • 2. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.   

  • 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.   

Artikel 25. Regels voor persoonsgebonden budget professionals/formele hulp

  • 1. Dit artikel heeft betrekking op de zorgaanbieder die met een persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. Onder de in dit lid genoemde zorgaanbieder en onderaannemer worden ook verstaan:    

  • a.

    Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), die beschikken over de relevante diploma’s en een SKJ-registratie die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, een SKJ-registratie en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6. van de Jeugdwet, of   

  • b.

    Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, een SKJ-registratie en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6. van de Jeugdwet. 

  • 2. In het budgetplan spreken budgethouder en college af binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het budgetplan is aangegeven.    

  • 3. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het budgetplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het persoonsgebonden budget en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals beschreven in bijlage 1. Ook bij maandbedragen moet de persoonsgebonden budgethouder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen.    

  • 4. De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders.    

  • 5. De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in bijlage 1 en het programma van eisen ten aanzien van het betreffende product. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college, bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject, en het college van oordeel is dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitscriteria, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen persoonsgebonden budgetten toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.  

  • 6. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een persoonsgebonden budget. 

Artikel 26. Regels voor persoonsgebonden budget sociaal netwerk/informele hulp

  • 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. 

  • 2. De jeugdige die in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget kan alleen diensten, en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.  

  • 3. Als vanuit een persoonsgebonden budget ondersteuning wordt gefinancierd van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionals.  

  • 4. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om hulp vanuit sociaal netwerk te financieren middels een persoonsgebonden budget, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:  

  • a.

    Het type hulp dat wordt geleverd;  

  • b.

    De frequentie van deze hulp;  

  • c.

    Of het een tijdelijke hulpvraag betreft, of hulp nodig is over een lange periode;  

  • d.

    De mate van verplichting;  

  • e.

    Kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner;  

  • f.

    Als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;  

  • g.

    De persoon uit het netwerk moet aangegeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt;  

  • h.

    De jeugdige en/of ouders dienen een persoonsgebonden budgetplan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het persoonsgebonden budgetplan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens in uren per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder.  

  • 5. In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden, wordt een persoonsgebonden budget voor hulp uit het sociale netwerk alleen verstrekt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:  

  • a.

    De persoon uit het sociale netwerk beschikt over een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6 Jeugdwet, tenzij die persoon een familielid is van de jeugdige in de eerste of tweede graad, en 

  • b.

    De persoon uit het sociaal netwerk ondersteuning bieden kan die doeltreffender en doelmatiger is dan formele hulp doordat die persoon bijvoorbeeld een grotere flexibiliteit kan bieden of omdat de jeugdige vanwege de beperking of problematiek moeite heeft om vreemden toe te laten en professionele distantie of reflectie niet nodig is voor het bereiken van doelen. 

  • 6. In aanvulling op lid 5 wordt een persoonsgebonden budget voor het leveren van bovengebruikelijke zorg door ouders alleen verstrekt als:

  • a.

    zij die zorg moeten bieden tijdens hun reguliere werktijden; en

  • b.

    zij inkomstenderving lijden in verband met het uitvoeren van de zorg.

  • 7. Indien de hulp geboden wordt door een persoon die voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 24 lid 1 en die persoon eveneens tot het sociale netwerk behoort, zoals bedoeld in lid 1, krijgt die persoon een lager tarief betaald, zoals bedoeld in lid 3. 

  • 8. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden en verplichtingen.   

HOOFDSTUK 6 VERHOUDING PRIJS - KWALITEIT, KLACHTEN

Artikel 27. Kwaliteitseisen

  • 1. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders.

  • 2. De zorgaanbieder dient zelfregie en samenredzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie, sociale netwerkstrategieën en inzet van deskundig personeel.

  • 3. De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving.

  • 4. Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid en cultuursensitief werken.

  • 5. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundige beroepskrachten door voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouders en andere vormen van zorg af te stemmen en toe te zien dat het personeel tijdens het leveren van voorzieningen handelen volgens de professionele standaard.

  • 6. Het college kan verdere kwaliteitseisen aan voorzieningen bepalen.

  • 7. Het college controleert naleving van de kwaliteitseisen door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Indien nodig controleert het college met de jeugdige en/of ouders ter plaatse de geleverde voorzieningen.

  • 8. Voor het inschakelen van een onderaannemer dient een aanbieder het college om toestemming te vragen. De oorspronkelijke aanbieder is verantwoordelijk voor de (gedeeltelijke) uitvoering door de onderaannemer. Het college kan hierover nadere regels opstellen.

Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4. Aanbieders melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij de contactpersoon van de gemeente Beuningen.

  • 5. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door: 

  • a.

    een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of 

  • b.

    een reële prijs vast te stellen.  

  • 2. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: 

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken; 

  • b.

    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; 

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten; 

  • d.

    kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg; 

  • e.

    kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; 

  • f.

    cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten; 

  • g.

    kosten van indexering. 

  • 3. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren vrij toegankelijke hulp in het kader van jeugdhulp, in ieder geval rekening met: 

  • a.

    de marktprijs van de voorziening, en  

  • b.

    de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden.  

  • 4. Lid 1, 2 en 3 gelden ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of ouders en de subsidie bedoeld is om de te verrichten diensten volledig te betalen.  

Artikel 30. Klachtregeling

  • 1. Het college draagt zorg dat er een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van jeugdige en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 

  • 2. Aanbieders van individuele voorzieningen stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en/of ouders ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen. 

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor jeugdhulp door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 

Artikel 31. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

  • 1. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 

  • 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid. 

HOOFDSTUK 7 CONTROLE, TOEZICHT EN HANDHAVING

Dit hoofdstuk gaat over controle, toezicht en handhaving op de ondersteuning die op grond van de Jeugdwet, nadere regelgeving, afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. Deze ondersteuning kan een individuele voorziening zijn of een persoonsgebonden budget. 

Paragraaf 7.1 Reikwijdte

Artikel 32. Controle en onderzoek

  • 1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet (rechtmatigheid).  

  • 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 

  • 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoek naar de besteding. 

Artikel 33. Reikwijdte

  • 1. Toezicht en handhaving in het kader van deze verordening heeft betrekking op de ondersteuning die op grond van de Jeugdwet plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden.  

  • 2. Deze verordening heeft betrekking op zowel de hulp en ondersteuning die als individuele voorziening door de gemeente Beuningen wordt verstrekt als op ondersteuning die op basis van een persoonsgebonden budget door de gemeente Beuningen wordt bekostigd. 

  • 3. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken “bij of krachtens de wet”, wordt bedoeld de Jeugdwet, nadere regelgeving en ter uitvoering van de wettelijke taken afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten. 

Paragraaf 7.2 Onderzoeksfase

Artikel 34. Toezicht

  • 1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels en op basis daarvan opgestelde overeenkomsten. 

  • 2. Het college wijst daartoe toezichthouders aan die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde bij of krachtens de Jeugdwet. 

  • 3. De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels. 

  • 4. Een onderzoek kan bestaan uit onderzoek naar de werkwijze, kwaliteit alsmede rechtmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning. 

  • 5. Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden. 

  • 6. Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten. 

  • 7. De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: 

  • a.

    Kwaliteitscontrole, een onderzoek of de geleverde hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is conform contractuele eisen; 

  • b.

    Materiële controle, een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze valt binnen een afgegeven indicatie of aanwijzing; 

  • c.

    Formele controle, een onderzoek of het gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overeenkomst of subsidieafspraken; 

  • d.

    Detailcontrole, onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten die hun woonplaats hebben in de gemeente Beuningen, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek; 

  • e.

    Fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.  

Artikel 35. Bevel

  • 1. De toezichthouder kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een persoonsgebonden budget, dan wordt de budgethouder onverwijld door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel.  

  • 2. Indien de toezichthouder van oordeel is dat een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan het bevel mondeling worden gegeven. De toezichthouder draagt onverwijld zorg voor een schriftelijke weergave van het bevel. Een afschrift zal tevens worden verzonden naar het college.  

  • 3. Het bevel, bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft een geldigheidsduur van maximaal zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd. 

  • 4. De aanbieder dient de maatregelen binnen de bij het bevel gestelde termijn te nemen en schriftelijk te melden aan de toezichthouder dat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd. Betreft het een persoonsgebonden budget-aanbieder, dan liggen deze verantwoordelijkheden bij de budgethouder.  

Artikel 36. Inspectierapport

  • 1. De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 32 vast in een inspectierapport. 

  • 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 

  • 3. Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan.  

  • 4. De toezichthouder zendt het definitieve rapport zoals bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de aanbieder en het college. Het college draagt zorg voor verzending naar eventuele budgethouders.  

  • 5. Na vaststelling van het inspectierapport wordt deze openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.   

Paragraaf 7.3 Herstelfase

Artikel 37. Aanwijzing

  • 1. Indien gebleken is dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 

  • 2. Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot het opleggen van sancties of het ontbinden van de overeenkomst of intrekken van het subsidiebesluit.  

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college met redenen omkleed aan: 

  • a.

    op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd,  

  • b.

    de in verband daarmee te nemen maatregelen; 

  • c.

    de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 

  • 4. Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en/of verscherpt toezicht instellen. Dit zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen. 

  • 5. Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen. 

Artikel 38. Hersteltermijn

  • 1. Bij het opleggen van een hersteltermijn geldt als uitgangspunt een hersteltermijn van maximaal 12 weken. 

  • 2. Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de overtreding binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is. 

Artikel 39. Cliëntenstop en verscherpt toezicht

  • 1. Gedurende het hersteltraject, dan wel bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat:  

  • a.

    Geen nieuwe cliënten aan de aanbieder worden toegewezen, geen nieuwe persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de persoonsgebonden budget-aanbieder of dat een overeenkomst waarin de persoonsgebonden budget-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden; 

  • b.

    Geen herindicaties aan de aanbieder worden toegewezen, geen persoonsgebonden budgetten worden toegekend of dat een overeenkomst waarin de persoonsgebonden budget-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden; 

  • c.

    De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder.  

  • 2. De aanbieder (en in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 

  • 3. De aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) dient gedurende de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering.  

Artikel 40. Vervolgonderzoeksrapport

  • 1. Na de in artikel 38 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw.   

  • 2. De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 36 is van overeenkomstige toepassing op het vervolgonderzoeksrapport.  

Paragraaf 7.4 Handhavingsfase

Artikel 41. Handhavingsmaatregelen

  • 1. Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder de volgende herstelsancties opleggen: 

  • 2. (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; 

  • a.

    een last onder bestuursdwang opleggen; 

  • b.

    een last onder dwangsom opleggen. 

  • 3. Het college kan: 

  • a.

    de aanbieder verbieden de levering van jeugdhulp voort te zetten, zolang hij een bevel of

  • b.

    aanwijzing niet opvolgt.  

    het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 8.1.4 lid 3 van de Jeugdwet intrekken, waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een persoonsgebonden budget waarbij een andere persoonsgebonden budget-aanbieder wordt gekozen onverlet laat. 

Artikel 42. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling

  • 1. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder zijn gemaakt.  

  • 2. Indien een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 

  • 3. Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden.  

  • 4. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8b, lid 6 sub g van de Regeling Jeugdwet.

  • 5. De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding. 

Paragraaf 7.5 Overige bepalingen

Artikel 43. Register

  • 1. Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen. 

  • 2. Indien op een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld.  

Artikel 44. Meldingsplicht

  • 1. Een aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de Jeugdwet, kan worden voldaan.  

  • 2. Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de Jeugdwet gestelde eisen kan worden voldaan. 

HOOFDSTUK 8. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 45. Andere voorzieningen

  • 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: 

    • a.

      met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; 

    • b.

      naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of

    • c.

      gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 

  • 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. 

  • 3. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 

Artikel 46. Afstemming met algemene en andere voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, zo nodig af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: 

  • a.

    de Leerplichtwet; 

  • b.

    de Participatiewet; 

  • c.

    de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; 

  • d.

    de Wet Inburgering 2021; 

  • e.

    de Wet kinderopvang; 

  • f.

    de Wet langdurige zorg; 

  • g.

    de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; 

  • h.

    de Wet passend onderwijs; 

  • i.

    de Wet publieke gezondheid; 

  • j.

    de Wet tijdelijk huisverbod; 

  • k.

    de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; 

  • l.

    de Zorgverzekeringswet; 

  • zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouders actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 

  • 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: 

  • a.

    het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; 

  • b.

    stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; 

  • c.

    een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 

  • 3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: 

  • a.

    de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; 

  • b.

    de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in hoofdstuk 4 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; 

  • c.

    welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; 

  • d.

    welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 

  • 4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan afstemming als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 

  • 5. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijk kader als genoemd in het eerste lid, is het college gehouden om: 

  • a.

    voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

  • b.

    de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 

  • 6. Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (zoals Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. 

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Artikel 47. Evaluatie

  • 1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd.

Artikel 48. Hardheidsclausule

  • Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 

Artikel 49. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 wordt ingetrokken.  

  • 2. Een jeugdige en/of ouders houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

  • 4. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit genomen op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, wordt beslist volgens deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

Artikel 50. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 12 mei 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

  • 3. Bij deze verordening horen de volgende bijlagen: 

  • Toelichting 

  • Bijlage 1. Protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet

  • Bijlage 2: Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 12 mei 2026

De griffier,

De voorzitter.

Bijlage 1 Protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet

  • In deze bijlage wordt nader gedefinieerd wat het college verstaat onder het benutten van de eigen kracht en gebruikelijke hulp zoals bedoeld in hoofdstuk 4, artikel 13: beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. In elk individueel geval past een deskundige de richtlijnen zoals opgenomen in dit document toe afgestemd op de individuele situatie.

  • Benutten eigen kracht

    Van jeugdigen en ouders wordt, voor zover binnen hun mogelijkheden, verwacht dat zij hun eigen kracht benutten om te voorzien in de behoefte aan hulp en ondersteuning door:

  • Gebruikelijke hulp te bieden;

  • Bovengebruikelijke hulp te bieden;

  • Oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen of te verminderen. Dit kan zowel het vergroten van de draagkracht als verminderen van de draaglast betekenen;

  • Het belang van het kind voorop te stellen, ook vóór de (werk)carrière en woonruimte;

  • Zorgverlof en andere soorten verlof in te zetten;

  • Werktijden waar mogelijk aan te passen;

  • Opvoedings- en verzorgingstaken van de andere ouder tijdelijk over te nemen als deze hier tijdelijk niet toe in staat is;

  • Het sociaal netwerk in te zetten en, waar het sociaal netwerk tekortschiet, te werken aan het vergroten van het sociaal netwerk. Dit kan ook gaan om het sociale netwerk voor de jeugdige;

  • De aanvullende verzekering Zorgverzekeringswet (in het bijzonder voor vaktherapie) aan te spreken;

  • Gebruik te maken van informele en professionele- voorzieningen die mogelijkheden bieden tot opvang (zoals de Wet kinderopvang), vrijetijdsbesteding (zoals sporten) of ontlasting (zoals buurtgezinnen of de logeervoorziening (het Respijt) van Ixta Noa), voor de jeugdige met een hulpvraag, voor andere kinderen en de ouder(s);

  • De jeugdige voltijds onderwijs te laten volgen, te ondersteunen in de ontwikkeling van de daartoe noodzakelijke vaardigheden en zo nodig vervoer van en naar school te organiseren

  • De eigen problematiek te verminderen en eigen vaardigheden te vergroten, bijvoorbeeld door informatie of steun te zoeken, het deelnemen aan oudergroepen of coaching trajecten vanuit het voorliggende aanbod, hulp te accepteren bij financiële problemen of door een beroep te doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling.

  • Zaken die op ouderniveau tot conflicten leiden zo goed als mogelijk buiten de interactie met de jeugdige te houden, zich in te spannen voor het maken van afspraken over de omgang met de jeugdige en zich in te zetten voor het staken van eventuele inter-ouderstrijd, ook buiten de aanwezigheid van het kind om. Ook van gescheiden ouders wordt verwacht dat zij, in het belang van het kind, communiceren of ondersteuning zoeken via bijvoorbeeld mediation.

  • Gebruikelijke hulp

    Gebruikelijke hulp is de hulp waarvan wij verwachten dat ouders deze aan hun kinderen geven en die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Ouders zijn verplicht deze hulp te bieden vanuit hun verzorgings- en opvoedingsplicht. Ouders zijn eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Dit betekent niet per definitie dat de ouder alle gebruikelijke hulp zelf moet bieden. De ouder kan ook organiseren dat een andere persoon deze hulp gedeeltelijk biedt.

  • Voor de definitie van wat gebruikelijk is, maken wij gebruik van het rapport 'Opgroeien en opvoeden: normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders' van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). In dit rapport (pagina 26 t/m 29) weergeeft het NJI vanuit het levensloopmodel per leeftijdsgroep een overzicht van belangrijke gebruikelijke ontwikkelingstaken, gebruikelijke opvoedingsopgaven en uitdagingen. De hulp van de ouder die hiervoor nodig is, begrijpen wij als gebruikelijke hulp.

    Gebruikelijke hulp kan daarbij zowel bestaan uit handelingen gericht op 'ondersteunen en stimuleren' als op 'structureren en begrenzen'. Dit in lijn met de twee pijlers voor opvoeding die het NJI schetst in het eerdergenoemde rapport (pagina 11):

  • 'De eerste pijler betreft de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn bij hun kind, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij hun kind geven om eigen initiatieven te ontplooien. Bij de eerste pijler hoort ook het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van het kind: samen praten, uitleg geven, spelen, voorlezen. De tweede pijler betreft het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Het evenwicht tussen ondersteunen en structureren wordt als belangrijk kenmerk genoemd voor het beoordelen van een opvoedingssituatie'

  • Voor de beoordeling van de omvang van de gebruikelijke hulp wordt verder rekening gehouden met:

  • De leeftijd van de jeugdige

    Er bestaan verschillen in de hulp die jeugdigen van dezelfde leeftijdscategorie nodig hebben. Ieder kind is uniek in het tempo en de manier waarop het bepaalde ontwikkelingstaken voltooit.

  • De aard van de (zorg)handelingen

    Gebruikelijke hulp kan ook bestaan uit handelingen die niet standaard zijn bij alle jeugdigen, maar wel andere gebruikelijke handelingen vervangen. Voorbeelden hiervan zijn het geven van medicijnen of het geven van sondevoeding in plaats van eten, het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen of het oefenen met pictogrammen in plaats van topografie.

  • De samenloop, ofwel de frequentie en het patroon, van (zorg)handelingen

    Handelingen die plaatsvinden binnen de normale dagelijkse hulp aan een kind kunnen gebruikelijke hulp zijn. Voorbeeld hiervan is het aanreiken van spullen of speelgoed na een maaltijd of drinkmoment bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.

  • De met de (zorg)handelingen gemoeide tijd

    De tijd die zorghandelingen kosten, kan betekenen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is. Dit is bijvoorbeeld zo bij het wassen en kleden bij een jeugdige met spasticiteit.

  • Definitie gebruikelijke hulp per ontwikkelingsfase

    Hieronder zijn per ontwikkelingsfase richtlijnen opgenomen die aangeven wat gebruikelijke hulp is.

  • Gebruikelijke hulp (afhankelijk van de omvang) ongeacht de ontwikkelingsfase van het kind:

    Alle kinderen hebben nodig:

    • Een beschermende woonomgeving waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd;

    • Beschikbaarheid van de ouders;

    • Betrokkenheid, emotionele- en praktische ondersteuning;

    • Informatie en uitleg om de wereld te leren begrijpen en zich voor te bereiden op wat er komen gaat;

    • Hulp bij de ontwikkeling van de zelfstandigheid en autonomie, en ruimte om zelf te doen en ontdekken. Uitgangspunt is dat kinderen moeten loskomen van de afhankelijkheid van ouders en een niveau van autonomie moeten ontwikkelen dat past bij hun ontwikkeling.

    • Structuur, houvast, regels, grenzen aan het gedrag en tijdige correctie van ongewenst gedrag nodig, en toezicht op wat ze doen. Het stellen van grenzen en omgaan met boosheid of weerstand van de jeugdige hoort bij het ouderschap.

    • Hulp bij het vergroten van vaardigheden en kennis (bijvoorbeeld ten behoeve van de cognitieve ontwikkeling, taalontwikkeling, motorische ontwikkeling en sociaal emotionele ontwikkeling)

    • Hulp bij de omgang met beeldschermen (tv, tablet, telefoon, tablet) en gaming, (social) media en internet

    • Hulp bij het verplaatsen van/naar voorzieningen, zoals school of jeugdhulp.

    • Hulp bij voor de ontwikkelingsfase van het kind normale uitdagingen;

  • De handelingen behorend bij bovengenoemde hulp veranderen wanneer een kind ouder wordt en zich ontwikkelt.

  • Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 0 t/m 2 jaar

    Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:

    • Beschikbaarheid en hulp bij alle activiteiten;

    • Zeer nabij toezicht;

    • Hulp bij exploratie, spelen en praten, bewegen en verplaatsen;

    • Hulp bij hun lichaamsbeheersing en fysiologische zelfregulatie (zindelijkheid, zien, horen, eten, drinken, objecten vastpakken, zitten, kruipen, lopen en klauteren);

    • Hulp bij gebruik van medicatie;

    • Hulp bij normale uitdagingen: voedingsproblemen; slaapproblemen; scheidingsangst; angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; incidenteel huilen.

  • Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 2 t/m 4 jaar

    Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:

    • Beschikbaarheid en hulp bij alle activiteiten;

    • Zeer nabij toezicht. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

    • Hulp bij zelfsturing/zelfregulatie (impulscontrole, emoties, gedrag, omgang leeftijdsgenootjes), waaronder ook zindelijkheidstraining en controle bij de toiletgang;

    • Hulp bij wassen, aan- en uitkleden, eten, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

    • Hulp bij exploratie, spelen/vrijetijdsbesteding en praten, bewegen en verplaatsen;

    • Hulp bij het zich in het verkeer begeven;

    • Hulp bij gebruik van medicatie;

    • Hulp bij normale uitdagingen (2-4 jaar): angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; koppigheid; driftbuien; agressie; ongehoorzaamheid; druk gedrag; niet zindelijk zijn; zeuren/driftbuiten om beeldschermgebruik of kopen geadverteerde producten.

  • Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 4 t/m 6 jaar

    Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:

    • Beschikbaarheid en hulp bij veel activiteiten;

    • Zeer nabij toezicht. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

    • Hulp bij zelfsturing/zelfregulatie (impulscontrole, emoties, gedrag, omgang leeftijdsgenootjes), waaronder ook zindelijkheidstraining en controle bij de toiletgang;

    • Hulp bij persoonlijke verzorging, aan- en uitkleden, eten, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

    • Hulp bij exploratie, spelen/vrijetijdsbesteding en praten, bewegen en verplaatsen;

    • Hulp bij het zich in het verkeer begeven;

    • Hulp bij gebruik van medicatie;

    • Hulp bij normale uitdagingen (4-6 jaar): niet gegronde angsten; ruzies met leeftijdsgenoten; zindelijkheid; concentratieproblemen, schoolweigering; gebrek zelfsturing;

  • Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 6 t/m 12 jaar

    Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:

    • Nabij toezicht. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning);

    • Geleidelijk minder hulp bij persoonlijke verzorging (bijv. wassen, tandenpoetsen), mogelijk nog wel toezicht nodig;

    • Hulp bij spelen/ontplooien activiteiten ten behoeve van invulling vrije tijd (bijv. hobby, sport, sociale contacten);

    • Hulp bij schoolgang of schoolvervangende activiteit. Uitgangspunt is dat deze kinderen en reguliere dagbesteding op school hebben oplopend van 22 tot 25 uur per week.

    • Hulp bij bewust leren omgaan met internet en (social) mediavaardigheden;

    • Hulp bij weinig voorkomende zindelijkheidsproblemen in de nacht;

    • Hulp bij gebruik van medicatie;

    • Hulp bij het zich in het verkeer begeven wanneer zij van en naar school, schoolvervangende activiteit of vrijetijdsbesteding gaan. Vanaf circa 8-10 jaar kan een kind dit ook zelf (afhankelijk van de route e.d.).

    • Hulp bij normale uitdagingen: ruzies, pesten, concentratieproblemen, laag prestatieniveau; niet naar school willen; incidenteel stelen of vandalisme; overmatig gamen/televisie/mediagebruik, (vanaf ca. 8 jaar) cyberpesten

  • Gebruikelijke hulp voor jeugdigen vanaf 12 jaar

    Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:

    • Geen voortdurend toezicht;

    • Toezicht op gebruik medicatie;

    • Weinig toezicht op persoonlijke verzorging;

    • Alleen gelaten worden. Jeugdigen kunnen vanaf ca. 10 jaar kort (max. enkele uren) alleen gelaten worden, vanaf ca. 16 jaar een dag en/of een nacht en kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

    • Vanaf ca. 16 jaar: toenemend meer symmetrie in de relatie, eigen keuzes en beslissingen laten maken;

    • Hulp bij ontplooien activiteiten ten behoeve van invulling vrije tijd (bijv. hobby, sport, sociale contacten)

    • Hulp bij schoolgang, schoolvervangende activiteit of opleiding. Uitgangspunt is dat deze kinderen en reguliere dagbesteding op school hebben oplopend van 22 tot 25 uur per week.

    • Hulp bij leren vaardigheden zelfstandig wonen;

    • Hulp bij normale uitdagingen: onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; onderschatting of soms overschatting van zichzelf; wisselend humeur; incidenteel spijbelen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten; overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).

Bijlage 2: Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget

  • Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van jeugdhulp, ook als deze wordt geboden via een persoonsgebonden budget. Daarom stelt het college ook kwaliteitseisen aan deze zorgaanbieders. Deze eisen sluiten aan op wet- en regelgeving en kwaliteitseisen gesteld aan gecontracteerde aanbieders.

  • Er wordt, voor zover relevant, onderscheid gemaakt tussen kwaliteitseisen die voor alle vormen of specifieke vormen van jeugdhulp gelden.

  • De eisen 20 t/m 24, gelden niet voor vervoersvoorzieningen.

    Eisen

  • 1.

    De zorgaanbieder staat ingeschreven bij het Handelsregister (conform artikel 5 Handelregisterwet 2007).

  • 2.

    De zorgaanbieder informeert de budgetbeheerder actief als deze (tijdelijk) niet voldoet aan een of meerdere gestelde eisen uit deze bijlage of afspraken gemaakt met de budgetbeheerder.

  • 3.

    De zorgaanbieder beschikt over een transparante, ordelijke en controleerbare administratie waarin facturen zijn te herleiden naar de feitelijk geleverde hulp en die voldoet aan de minimumeisen die de belastingdienst stelt aan de zorgaanbieder. De administratie is volledig, juist en actueel.

  • 4.

    De zorgaanbieder voldoet aan de op hem van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder ook de wettelijke deponeringsplichten voor de jaarrekening en de AVG.

  • 5.

    De zorgaanbieder voldoet ook aan de arbeidstijdenwet en Arbowet. Dit betekent bijvoorbeeld dat een beroepskracht niet langer dan 12 uur aaneengesloten mag werken en niet meer dan 60 uur per week mag worden ingezet. Naleving hiervan is belangrijk om de overbelasting van beroepskrachten te voorkomen.

  • 6.

    De zorgaanbieder kan een Verklaring Omtrent Gedrag van de rechtspersoon overleggen.

  • 7.

    De zorgaanbieder is integer. Er is in de afgelopen drie jaar geen sprake geweest van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep ofwel gedragingen en omstandigheden met een kwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst. Er is geen gevaar dat het persoonsgebonden budget zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.

  • 8.

    De zorgaanbieder past de geldende arbeidsvoorwaarden toe die passen bij de branche (cao of gelijkwaardig).

  • 9.

    De zorgaanbieder draagt zorg voor de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit door aantoonbaar met een kwaliteitsmanagementsysteem te werken. De zorgaanbieder kan dit aantonen door te overleggen

    • a.

      een voor de individuele voorziening relevant keurmerk/certificaat. Onder een relevant/keurmerk wordt in ieder geval verstaan een voor de individuele voorziening relevant HKZ (voor zzp’ers), ISO 9001, Prezo, ISO 9001 voor de zorg (NEN-EN 15224) certificaat of een ter zake relevant keurmerk zoals het Keurmerk Kwaliteitskompas Gehandicaptenzorg 2023-2028; of

    • b.

      bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er een traject is gestart dat binnen zes maanden in toekenning van dit relevant keurmerk/certificaat resulteert; of

    • c.

      een gelijkwaardig bewijsmiddel dat past bij de aard en omvang van de aanbieder. Indien de zorgaanbieder van oordeel is te beschikken over een gelijkwaardig bewijsmiddel, is het aan de zorgaanbieder de gelijkwaardigheid aan te tonen.

  • 10.

    De zorgaanbieder zet continu in op de ontwikkeling van het vakmanschap van zijn beroepskrachten. De zorgaanbieder maakt ten behoeve van de doorontwikkeling van beroepskrachten gebruik van de kennis/richtlijnen/instrumenten die door diverse beroepsverenigingen, brancheverenigingen en kennisinstituten worden ontwikkeld en maakt gebruik van methoden (denk aan casusbesprekingen), zorgaanbieder draagt in ieder geval zorg voor een professionele en werkbare kennisbank voor beroepskrachten.

  • 11.

    De zorgaanbieder beschikt over een klachtenregeling die ook voorziet in de toegang tot een onafhankelijke klachtencommissie om de onafhankelijke afhandeling van klachten in tweede aanleg mogelijk te maken. Hiertoe kan de zorgaanbieder zich aansluiten bij een geschillencommissie. De leden van de geschillencommissie zijn in de afgelopen drie jaar op geen enkele manier betrokken geweest bij de zorgaanbieder of personen die invloed of financieel belang hebben in/bij de zorgaanbieder. De waarborgen die de onafhankelijke afhandeling borgen liggen vast (bijv. in klachtenregeling of reglement).

  • 12.

    De zorgaanbieder doet periodiek, minstens 1 keer per drie jaar, onderzoek naar de tevredenheid en ervaringen van cliënten en beroepskrachten. De zorgaanbieder richt dit onderzoek zodanig in dat de afhankelijkheidsrelatie tussen de jeugdige en de zorgaanbieder de uitkomsten van het onderzoek niet beïnvloed. De zorgaanbieder gebruikt de resultaten van dit onderzoek aantoonbaar om de hulp/dienstverlening aan cliënten te verbeteren.

  • 13.

    De zorgaanbieder beschikt over voor de hulp/dienstverlening relevante ervaring. Bijvoorbeeld als (voormalig) werknemer of opdrachtnemer van een andere aanbieder. De zorgaanbieder heeft in het afgelopen jaar naar tevredenheid van de werkgever c.q. opdrachtgever vergelijkbare hulp/diensten geboden aan ten minste drie cliënten.

  • 14.

    De zorgaanbieder werkt conform de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.

  • 15.

    De zorgaanbieder werkt conform het “Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Jeugdhulp Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar'' (zie actuele versie website). Naast de verplichte melding aan de gemeente informeert de zorgaanbieder ook de betrokken verwijzer over de calamiteit en de eventuele effecten hiervan op de zorgvraag van de betreffende jeugdige.

  • 16.

    De zorgaanbieder biedt locatiegebonden hulp alleen in locaties die geschikt zijn voor de uit te voeren hulp (denk aan aanwezigheid faciliteiten en materialen) en voldoen aan het bouwbesluit en de brandveiligheidsvereisten.

  • 17.

    De zorgaanbieder zet alleen beroepskrachten in die 18 jaar of ouder zijn;

  • 18.

    De zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ OF ‘screeningsprofiel 75’ OF ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’ van alle personen die beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. Deze VOG is bij de start van de hulp (zzp'er) dan wel het dienstverband (medewerker organisatie) nooit ouder dan 3 maanden. Als de zorgaanbieder een zzp’er is (al dan niet onderdeel van een samenwerkingsverband van meerdere zzp’ers), mag de VOG tijdens de hulp nooit ouder zijn dan drie (3) jaar. Indien een persoon over een registratie bij een beroepsregister (o.a. BIG/SKJ) beschikt waarvoor een VOG een registratie-vereiste is, geldt deze eis niet.

  • 19.

    De zorgaanbieder doet geen intake met de jeugdige of inzet van hulp voordat een individuele voorziening is toegekend. Ook is de zorgaanbieder niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het college of de andere organisatie daarom verzoekt. Het onderzoek moet onafhankelijk, zonder invloed van de zorgaanbieder, kunnen worden uitgevoerd.

  • 20.

    Het college kent een specifieke individuele voorziening toe, omdat deze specifieke voorziening het beste past bij het te bereiken resultaat. De hulp geboden middels het persoonsgebonden budget dient te voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in de productbeschrijving van deze individuele werkvoorziening. Alle productbeschrijvingen zijn te vinden via de website. In de productbeschrijvingen kan ook zijn opgenomen dat de hulp gelijktijdig aan een bepaald aantal cliënten moet worden geboden en/of dat er gelijktijdig meerdere hulpverleners de hulp moeten bieden. In geval van beschermd wonen voor jeugdigen, dient de zorgaanbieder ook nadrukkelijk te voldoen aan de beschikbaarheids- en bereikbaarheidseisen zoals opgenomen in de productbeschrijvingen.

  • 21.

    Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek wat het te bereiken resultaat is van de inzet van de individuele voorziening. De zorgaanbieder en budgetbeheerder stellen binnen drie maanden na de start van de hulp het hulpverleningsplan in lijn met deze afspraken op. De zorgaanbieder vraagt het onderzoeksverslag op bij de jeugdige en/of ouders. Er worden alleen doelen geformuleerd die zijn opgenomen in het verslag van het onderzoek of anderszins zijn afgesproken met het college of de andere organisatie.

  • 22.

    Het hulpverleningsplan zoals genoemd in eis 17 is perspectiefgericht ver de mening van de jeugdige daarover en de mate waarin de doelen zijn gerealiseerd. Er wordt gezamenlijk met de budgetbeheerder en jeugdige beoordeeld of de gekozen aanpak nog steeds de best passende is. Hierbij wordt expliciet gekeken of de hulp goed verankerd is in de directe leefomgeving. De uitkomsten van de evaluatie resulteren in een bijgesteld hulpverleningsplan, waarin de doelen en activiteiten zijn aangepast aan de uitkomsten van de evaluatie, of afsluiting van de hulp. De zorgaanbieder en budgetbeheerder plannen de evaluatie van het hulpverleningsplan tijdig, zodat uiterlijk 8 weken voor einddatum van de indicatie de laatste evaluatie en het bijgestelde hulpverleningsplan beschikbaar zijn voor het college of de andere organisatie.

  • 23.

    De zorgaanbieder biedt verantwoorde hulp van goede kwaliteit. Dit betekent in ieder geval dat (in) de hulp:

    • a.

      veilig, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend;

    • b.

      indien nodig het vierogen principe wordt toegepast om de veiligheid en doeltreffendheid van de hulp te borgen. Dit wordt in ieder geval nodig geacht bij risicovolle hulp (bijv. risico zorgmijding) en langdurige hulp (>2 jaar);

    • c.

      is afgestemd op de reële behoefte en persoonlijke situatie van de jeugdige en andere vormen van hulp die de jeugdige ontvangt;

    • d.

      qua inzet in verhouding staat tot het te behalen resultaat, resultaatgericht is en varieert in de tijd naar behoefte en noodzaak;

    • e.

      normaliserend is en gericht op het versterken van de veerkracht, mogelijkheden en het  probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn sociale netwerk, zodat de zelfregie, zelf- en samenredzaamheid groter wordt. De jeugdige is eigenaar van de hulpvraag en wordt geholpen zichzelf te helpen en de eigen krachtbronnen in te zetten om de eigen doelen in stapjes te bereiken;

    • f.

      systeemgericht ofwel gezinsgericht is;

    • g.

      de jeugdige stimuleert om belangrijke anderen te betrekken en dat het netwerk van de jeugdige en/of ouders waar mogelijk een actieve rol heeft binnen de hulp;

    • h.

      ontwikkellijnen in onderwijs niet onnodig worden onderbroken. Verzuim, thuiszitten en schooluitval worden zoveel mogelijk teruggedrongen en voorkomen. Een ononderbroken schoolgang (of terugkeer naar school) heeft bij jeugdhulp, indien relevant, altijd een plek in het hulpverleningsplan.

    • i.

      wordt verleend in overeenstemming met de eisen die volgens de algemeen aanvaarde professionele standaard redelijkerwijs aan de te leveren hulp en beroepskrachten zijn te stellen;

    • j.

      bestaat uit evidence-based en practice-based methodieken. Als de zorgaanbieder kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan maakt de zorgaanbieder gebruik van historisch en in de branche gangbare methodieken. Als de zorgaanbieder eveneens kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan dient de zorgaanbieder aan te tonen dat de gebruikte methodieken gelijkwaardig zijn aan evidence-based, practice-based of historisch en in de branche gangbare methodieken.

  • 24.

    De hulp wordt geboden door beroepskrachten die voldoen aan de deskundigheidsvereisten. Deze vereisten zijn afhankelijk van de te leveren hulp als volgt:

    • a.

      Alle beroepskrachten beschikken over een relevant zorg gerelateerde MBO(+), HBO(+) of WO(+)-diploma of vakbekwaamheidsbewijs geregistreerd in het Ervaringscertificaat Register van het Nationaal Kenniscentrum EVC passend bij de functie waarop zij worden ingezet.

    • b.

      Beroepskrachten worden ingezet conform het Kwaliteitskader Jeugd ofwel de norm van verantwoorde werktoedeling. De zorgaanbieder vertaalt de norm naar de rol, taak en verantwoordelijkheidsverdeling tussen personen werkzaam voor de aanbieder. De zorgaanbieder, zijnde een zzp'er, is geregistreerd bij het SKJ of een register dat naar het oordeel va het SKJ gelijkwaardig is.

    • c.

      Behandeling wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde behandelaar. Een behandelaar beschikt over een registratie bij het SKJ/BIG/NVRG of indien er sprake is van ggz registratie bij het NVO/NIP/KNMG. De behandelaar bewaakt de continuïteit en samenhang van de zorgverlening en zorgt dat waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet. Hij/zij zorgt voor voldoende overleg en afstemming tussen betrokken zorgverleners en ziet erop toe dat er één vast aanspreekpunt is voor de jeugdige.

Toelichting

  • Algemene toelichting  

  • Met de verordening voert de gemeente Beuningen de Jeugdwet uit. De gemeente heeft een jeugdhulpplicht. Dat betekent dat als jeugdige of ouders een jeugdhulpvoorziening nodig hebben, zij die geven. Daarvoor doet zij eerst onderzoek. De jeugdhulpvoorziening moet helpen bij problemen met veilig opgroeien, groeien naar zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. Welke en hoeveel jeugdhulp nodig is, bepaalt het Sociaal team van de gemeente Beuningen (tenzij er sprake is van externe verwijzing, zie verder onder het kopje “Toeleiding naar jeugdhulp”). Dat noemen we maatwerk. De consulenten en procesregisseurs van het Sociaal team besluiten namens het college.

  • Vanuit de Jeugdwet is het verplicht dat de gemeenteraad in de verordening regels opstelt. Dat staat in artikel 2.9,2.10 en 2.12. De regels gaan over: 

  • de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; 

  • de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • hoe de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;   

  • hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; 

  • de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget en van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;  

  • hoe inwoners worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;

  • hoe een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering gewaarborgd wordt en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.  

  • De gemeenteraad mag ook andere regels opstellen hoe zij de Jeugdwet uit wil voeren (artikel 2.9).  

  • Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan inkopen bij een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.   

  • Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan Vitaal Beuningen dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet heeft vastgesteld en het Regioprogramma Jeugd. In deze plannen wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. 

  • Algemene opmerking

  • In de verordening gebruiken we consequent ‘hij’ als verwijzing. Hier bedoelen we ook ‘zij’ of 'hen’ mee wanneer dat van toepassing is. Op verschillende plekken spreken we "jeugdige en/of ouders". Het is afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige (als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet) wie wordt bedoeld:

  • zijn ouders als de jeugdige jonger is dan 12 jaar;

  • de jeugdige en zijn ouders als de jeugdige 12 jaar of ouder maar jonger dan 16 jaar is;

  • de jeugdige als hij 16 jaar of ouder is.

  • Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen  

  • Een voorziening voor jeugdhulp kan verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg zijn.  De verordening maakt verschil tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen. Voor sommige hulpvragen is een algemene voorziening genoeg. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor een algemene voorziening rechtstreeks bij de aanbieder melden.  

  • Een individuele voorziening is vaak meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet-vrij toegankelijke vormen van hulp beoordeelt het college eerst of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 2 en artikel 3.  

  • Toeleiding naar jeugdhulp  

  • De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:  

  • via de gemeente; 

  • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;

  • via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting.   

  • Toegang jeugdhulp via de gemeente  

  • Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het Sociaal Team van de gemeente. Dit team onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig? Dan geeft het college daartoe een besluit af.  

  • Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist  

  • In de Jeugdwet staat dat de jeugdhulp ook bereikbaar is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet zelf welke hulp nodig is. Zij verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. Dit noemen we externe verwijzing. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt dan op basis van zijn professionele kennis welke begeleiding of behandeling nodig is, hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De jeugdhulpaanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in contracten en subsidies, en de regels gemaakt in deze verordening. De contractering van jeugdhulp en het contractbeheer wordt voor gemeente Beuningen en andere gemeenten uit het Rijk van Nijmegen uitgevoerd door het Regionaal ondersteuningsbureau (ROB).  

  • Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting  

  • De gecertificeerde instelling kan zelf bepalen of jeugdhulp nodig is als zij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert. De rechter, officier van justitie, en de justitiële jeugdinrichting kunnen bij een strafrechtelijke beslissing ook beslissen dat jeugdhulp nodig is. Ook dit noemen we externe verwijzing. 

  •   

  • De gemeente is dan verantwoordelijk dat de jeugdhulp wordt ingezet die zij nodig vinden om de kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of strafrechtelijke beslissing uit te voeren.  

  • De gemeente moet deze hulp dan bieden, dat noem je een leveringsplicht. Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.  

  • Veilig Thuis en toegang tot jeugdhulp

  • Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis, als dat nodig is of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Als uit dit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, begeleidt Veilig Thuis ouders om jeugdhulp te accepteren en legt contacten met het Sociaal Team van de gemeente. 

  • ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING  

  • HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN  

  • Artikel 1. Begripsbepalingen  

  • Lid 1  

  • Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).   

  • Lid 2 onderdeel a: algemene voorziening  

  • Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor jeugdigen en/of ouders voor ondersteuning of hulp. Een toegangsbeoordeling is niet nodig. Dit betekent dat het college voorafgaand geen onderzoek doet naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouders. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). Het is wel mogelijk dat de voorziening geld kost voor de jeugdige en/of ouders. Een algemene voorziening kan ook een collectieve voorziening zijn, waar jeugdigen in een groep, laagdrempelig ondersteuning ontvangen waar geen toegangsbeoordeling voor nodig is. Let op: niet alle collectieve jeugdhulp is vrij toegankelijk. Denk bijvoorbeeld aan groepsbehandeling; daarvoor is een individuele voorziening nodig.

  • Lid 2 onderdeel b: andere voorziening  

  • Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, Wet Kinderopvang, Wet Passend onderwijs (Wpo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Of op basis van een subsidieregeling van de gemeente, zoals voor peuteropvang en voorschoolse educatie.  

  • Lid 2 onderdeel d: budgethouder  

    De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Zowel jeugdigen en ouders kunnen jeugdhulp krijgen. Als jeugdhulp aan een jeugdige wordt toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget, voeren zijn ouders daarover het beheer, in ieder geval zolang de jeugdige nog minderjarig is. Dat staat in artikel 1:253i BW. 

  • Lid 2 onderdeel e: budgetplan

  • In het budgetplan staat welke hulp wordt ingekocht en hoe de budgethouder ervoor zorgt dat de hulp van kwaliteit is. De eisen aan dit plan staan beschreven in artikel 14 lid 2.

  • Lid 2 onderdeel f: cliëntondersteuner  

  • Onafhankelijke cliëntondersteuning binnen de Jeugdwet is een gratis voorziening die bedoeld is om jeugdige en ouders die te maken hebben met jeugdhulp te ondersteunen. De cliëntondersteuner kan helpen bij het vinden van de juiste informatie, het aanvragen van zorg of het voorbereiden op gesprekken met de gemeente. Contactgegevens zijn te vinden via de website van de gemeente Beuningen: www.beuningen.nl/ondersteuning-voor-clienten.

  • Lid 2 onderdeel g: college 

    Onder het college wordt het dagelijks bestuur van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen bedoeld.  

    Lid 2 onderdelen h (draagkracht), i (draaglast) en j (eigen kracht)

    Deze begrippen zijn toegevoegd naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024 (ECLI:NL: CRVB:2024:1095, ECLI:NL: CRVB:2024:1096 en ECLI:NL: CRVB:2024:1097).

    Lid 2 onderdeel k: gebruikelijke hulp  

    Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Gezaghebbende ouders hebben de wettelijke verplichting en het recht (artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek) om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt in deze verordening ook verstaan: hen te begeleiden en toezicht op hen te houden. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. In hoofdstuk 4 van deze verordening is bepaald in welke situaties sprake is van (boven) gebruikelijke hulp.  

  • Lid 2 onderdeel l: hulpvraag  

    De hulpvraag is de behoefte aan jeugdhulp. Als een inwoner van de gemeente Beuningen die behoefte heeft aan jeugdhulp zich tot het college of een andere verwijzer wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet van tevoren duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk. 

  • Lid 2 onderdeel n: individuele voorziening  

  • Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders op maat gemaakte vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele beoordeling en ook een beschikking nodig, voor zover het college over de inzet ervan beslist.    

  • Lid 2 onderdeel o: onderzoeksverslag  

    Het onderzoeksverslag is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het verslag beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.  

  • Lid 2 onderdeel p: ouder 

  • In deze verordening bedoelen we met ouder alleen de gezaghebbende ouders of de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de jeugdige. Alleen zij kunnen bijvoorbeeld een aanvraag voor jeugdhulp doen, of inzage in een jeugdwetdossier vragen. 

  • Lid 2 onderdeel q: persoonsgebonden budget

    Een jeugdige of ouder kan de individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Zie ook de toelichting op artikel 23 over het beheer van het persoonsgebonden budget. Het gaat om een persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.     

  • Lid 2 onderdeel s: sociaal netwerk  

    Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie heeft. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving.  

  • De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag.  

  • Lid 2 onderdeel t: zorg in natura  

    Als het college aan de jeugdige en/of ouders een individuele voorziening toekent, gaat het meestal om zorg in natura. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft en door de gemeente rechtstreeks aan de zorgaanbieder betaald.  

  • HOOFDSTUK 2. ALGEMENE VOORZIENINGEN  

  • Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen  

  • Lid 1 

  • Een algemene voorziening is een dienst of activiteit die zonder voorafgaand onderzoek en zonder beschikking beschikbaar is voor alle jeugdigen en hun ouders om opgroei- en opvoedvragen te ondersteunen. Deze activiteit of dienst kan tegen betaling zijn. De gemeente vergoedt deze kosten niet.

  • Lid 2 

  • Een aantal voorbeelden zijn genoemd van algemene voorzieningen in gemeente Beuningen.  Onder opvoedondersteuning wordt bijvoorbeeld verstaan: workshops, lezingen of cursussen over opvoeden, opgroeien of ouderschap. Er is bijvoorbeeld ook het ondersteuningsteam 0-6 jaar voor ontwikkel- en opvoedvragen op de kinderopvang en basisschool.

  • Het is mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat een algemene of andere voorziening beschikbaar en passend is. Het college verwijst dan naar die voorziening en wijst de aanvraag voor een individuele voorziening dan af. Zie hiervoor ook artikel 13 lid 1 onder g van deze verordening.  

  • HOOFDSTUK 3. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN  

  • Paragraaf 1. Voorzieningen  

  • Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen  

  • Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan een jeugdige en/of ouders misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in artikelen 10 t/m 12 van deze verordening.   

  • Er zijn verschillende soorten en vormen van jeugdhulp in de gemeente Beuningen. De omschrijving is te vinden in de bouwstenen van de jeugdhulp te vinden op www.robregionijmegen.nl/bouwstenen-tarieven/

  • Artikel 4.  Respijtzorg   

  • In dit artikel worden voorwaarden genoemd wanneer en waarvoor respijtzorg wordt ingezet als individuele voorziening. Respijtzorg is bedoeld voor de ontspanning en ontlasting van ouders met een kind dat een bovengebruikelijke zorgvraag heeft. Wanneer sprake is van overbelasting van ouders, heeft het de voorkeur hen daarnaast te begeleiden om de overbelasting in de toekomst te verminderen.

  • Artikel 5. Vervoer  

  • In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.   

  • Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vijfde lid. 

  • Artikel 6. Dyslexie  

  • Gemeente Beuningen werkt al jaren samen met het Beuningse onderwijs, dat een poortwachtersfunctie heeft. Het onderwijs heeft hierin een kritische (poortwachters)rol. De aanvragen lopen dan ook via het onderwijs (Interne begeleiders (IB-ers), taaldeskundigen en via aanmelding bij de coördinator van het IB-netwerk Onderwijs Beuningen). Er wordt met het programma BOUW gewerkt voor taal-en leesbevordering en het signaleren van dyslexie. Er is een maandelijkse monitoring van dyslexieaanmeldingen.  

  • Verwijzing: Bij een vermoeden van dyslexie stelt school een leerlingdossier op, dat voldoet aan de eisen van het protocol. Dit leerlingdossier wordt aan de ouders verstrekt, zodat zij een onderzoek naar ernstige dyslexie (ED) kunnen aanvragen bij één van de gecontracteerde zorgaanbieders. De zorgaanbieder maakt een melding bij de gemeente vóórdat het onderzoek naar ED wordt uitgevoerd. Een beschikking wordt afgegeven. De zorgaanbieder doorloopt het dyslexieprotocol. Het leerlingdossier wordt inhoudelijk beoordeeld door de dyslexiespecialist en geeft in de dossierbeoordeling aan of verder onderzoek geïndiceerd kan worden. Bij een positieve indicatie wordt de cliënt aangemeld bij de gemeente. De gemeente geeft vervolgens een beschikking af. Als onderzoek is geïndiceerd, wordt gestart met het diagnostisch onderzoek. Indien de diagnose ernstige dyslexie (ED) is gesteld, kan worden gestart met de dyslexiebehandeling. 

  •  

  • Artikel 7. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische Indicatie 

  • In deze bepaling wordt nadrukkelijk aangegeven dat reguliere kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische indicatie geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.   

  • Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouders en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.  

  • Recht op kinderopvangtoeslag en gebruik kunnen maken van reguliere kinderopvang is voorliggend op bijvoorbeeld een individuele voorziening BSO+.  

  • Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.   

  • Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+. 

  • Wanneer er sprake is van een sociale, of medische situatie bij jeugdige en/of ouders waardoor kinderopvang tijdelijk noodzakelijk is, danwel voor de ontwikkeling van het kind, danwel voor de ontlasting van ouders, kan een Sociaal medische indicatie worden afgegeven. In beleidsregels is weergegeven via welke werkwijze en voorwaarden een sociaal medische indicatie wordt afgegeven door het college.  

  • Artikel 8. Overgang 18- naar 18+  

  • Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat tijdig passende jeugdhulp wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt al vóór het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.

  •  

  • Artikel 9. Jaarlijkse waardering jonge mantelzorgers en pleegouders

  • In dit artikel staat vermeld hoe het college jaarlijks aan jonge mantelzorgers en pleegouders waardering laat zien voor hun inzet.

  • Paragraaf 2. Toegang tot een individuele voorziening 

  • Artikel 10. Aanvraag jeugdhulp via de gemeente  

  • Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het Sociaal team van de gemeente. Zij onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is.  

  • Lid 1   

  • Een jeugdige en/of ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. In dit geval gaat het om het Sociaal team van de gemeente Beuningen.  

  • Lid 2  

  • Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van o.a. jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (dit volgt uit artikel 1.1.1 Wmo 2015).Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.  

  • De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige of ouders bij het leveren van hulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling. Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van hulp.   

  • De bedoeling van het familiegroepsplan is dat ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Het familiegroepsplan is erop gericht om ouders en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd.  

  • Lid 4 

  • Een jeugdige en/of ouders kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan regels over de aanvraag(procedure). Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk of digitaal moet worden ingediend bij het college. Daarnaast is het in deze gemeente ook mogelijk een mondelinge aanvraag in te dienen, maar dat heeft niet de voorkeur.

  • Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het medisch domein  

  • Zie de algemene toelichting onder ‘Toeleiding naar jeugdhulp’.   

  • Lid 1 

  • De verwijzende kracht in het medisch domein is beperkt tot de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. De definitie van een jeugdarts en medisch specialist staat vermeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Of een verwijzer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is, kan zonodig worden nagegaan in het specialistenregister dat ook in het BIG-register vermeld wordt. Zie de specialistenregisters op https://www.bigregister.nl/registratie/nederlands-diploma-registreren/specialisatie

  • Artikel 12. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht   

  • Zie de algemene toelichting onder ‘Toeleiding naar jeugdhulp’.  

  • Paragraaf 3. Beoordeling aanvraag en het nemen van het besluit 

  • Artikel 13. Onderzoek  

  • Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het belangrijk dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouders plaatsvindt.  

  • Lid 1  

  • De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen waar het college in ieder geval onderzoek naar moet doen. Zijn de jeugdige en/of ouders al bekend bij de gemeente? Dan hoeven een aantal zaken niet meer uitgediept te worden en kan het college bijvoorbeeld alleen vragen of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Ook kan besloten worden om helemaal van het gesprek af te zien als een gesprek gelet op de beschikbare informatie niet meer nodig is (lid 6). Komen een jeugdige en/of ouders voor het eerst bij de gemeente? Dan is het gesprek nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en/of ouders en hun situatie te krijgen.  

  • Lid 2   

  • Het college informeert de jeugdige en/of de ouders over de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget) aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze (waaronder de risico's) voor een persoonsgebonden budget in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 Jeugdwet). Met deze informatie kunnen de jeugdige en/of ouders een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een persoonsgebonden budget.  

  • Lid 3 en 4  

  • Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan het Sociaal team ervoor kiezen informatie op te vragen namens de jeugdige en/of ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s). Of de jeugdige en/of ouder kan zelf voor de nodige informatie uit andere domeinen zorgen. De jeugdige en/of ouders hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Als de jeugdige en/of ouders dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen.   

  • Dat de gemeente de informatie mag opvragen betekent niet gelijk dat de andere partij dat zonder instemming van jeugdige en/of ouder mag verstrekken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de huisarts. Bij jeugdigen tot 12 jaar stemmen ouders in, van 12- 16 jaar stemmen zowel jeugdige als ouders in, vanaf 16 jaar is alleen instemming van de jeugdige nodig. 

  • Lid 7 

  • De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in het onderzoeksverslag. Uit het verslag moet blijken welke doelen zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten terugkomen in het onderzoeksverslag.  

  •   

  • Artikel 14. Toekenningsvoorwaarden individuele voorzieningen  

  • In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.  

  • Lid 1  

  • Het Sociaal team stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (artikel 2.3 Jeugdwet). Als daar sprake van is, moet het Sociaal team concreet maken om welke problemen en/of stoornissen het gaat.

  • Daarna onderzoekt het Sociaal team welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (artikel 2.3 Jeugdwet). Vervolgens onderzoekt het Sociaal team wat jeugdige en/of ouders zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht (zie meer hierover onder artikel 19).

  • Tot slot kijkt het Sociaal team of er een algemene voorziening of een andere voorliggende voorziening is die een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat daarbij voor op een individuele voorziening. Dus als er een algemene voorziening passend is voor de hulpvraag van de jeugdige hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als jeugdige en/of ouders gebruik kunnen maken van een andere voorliggende voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet (artikel 1.2 Jeugdwet).    

  • Lid 2 onderdeel c 

  • Wanneer er kosten zijn gemaakt vóór de aanvraag verstrekt het college alleen een voorziening voor de periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Dit is de maximale tijd waarin de gemeente het acceptabel vindt om kosten te vergoeden voordat zij onderzoek had kunnen doen. 

  • Artikel 15. Algemene weigeringsgronden

  • In dit artikel beschrijven we wanneer we het verzoek om een individuele voorziening kunnen weigeren. Bijvoorbeeld als er andere voorzieningen zijn waar de jeugdige en/of ouders gebruik van kunnen maken, of wanneer blijkt uit het onderzoek van het Sociaal team dat de gevraagde ondersteuning past bij wat je gebruikelijk verwacht van het gezin.

  • Artikel 16. Het besluit  

  • Lid 1 en lid 3   

  • Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt door het college altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag.  

  • Lid 2  

  • In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.  

  • Artikel 17. Inhoud en geldigheidsduur beschikking  

  • Het college geeft een schriftelijke beschikking als het jeugdhulp toekent of als in de tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen. Hiertegen kan de jeugdige en/of zijn ouders bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en geldt in beginsel voor alle beschikkingen.  

  • De jeugdige en/of ouders moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouders goed en volledig informeert.  

  • Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering    

  • Het is belangrijk dat jeugdige en/of ouders het college alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de verlening van jeugdhulp. Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, die geldt met name voor het gebruik van een persoonsgebonden budget. In deze verordening verbreden we de informatieplicht naar de voorzieningen in natura. Want ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura verlangen we dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen om te beoordelen of (nog steeds) terecht een beroep op de voorziening wordt gedaan.   

  • Voorbeelden wanneer verwacht wordt dat jeugdige en/of ouders het college tijdig informeren zijn:  

  • Verandering in de gezinssituatie: bijvoorbeeld bij scheiding, (het voornemen tot)verhuizing, geboorte van een broertje/zusje, of als er iemand anders in het huishouden komt wonen. 

  • Wijziging in de zorgvraag of problematiek: bijvoorbeeld als de behoefte aan jeugdhulp toeneemt of juist afneemt, of als er nieuwe diagnoses of problemen zijn vastgesteld. 

  • Verandering in school- of dagbesteding: bijvoorbeeld wanneer de jeugdige van school verandert, stopt met school, of een andere dagbesteding krijgt. 

  • Verandering in de beschikbaarheid of inzet van hulpverleners: bijvoorbeeld als de huidige hulpverlener stopt, of als er behoefte is aan meer of juist minder uren hulp. 

  • Verandering in de woonsituatie van de jeugdige: bijvoorbeeld als de jeugdige uit huis gaat, bij een pleeggezin gaat wonen, of juist weer thuis komt wonen. 

  • Wijzigingen in de medische situatie: bijvoorbeeld bij ziekenhuisopnames, nieuwe medicatie, of veranderingen in behandelingen die invloed hebben op de jeugdhulp. 

  • Verandering in samenwerking met andere instanties: bijvoorbeeld als er andere hulpverleners betrokken raken, of als er een coördinator verandert. 

  • Lid 2  

  • Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van het besluit naar de toekomst toe.  

  • Lid 3  

  • In de Jeugdwet is geregeld dat het college een persoonsgebonden budget kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door de jeugdige en/of ouders (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet).   

  • HOOFDSTUK 4. BEOORDELING EIGEN MOGELIJKHEDEN EN PROBLEEMOPLOSSEND VERMOGEN 

  • Artikel 19. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht  

  • Dit artikel geeft weer hoe het college kijkt naar eigen kracht, wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader. In dit artikel geeft het college aan wat zij verstaat onder gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, alsook hoe zij de situatie beoordeelt in kortdurende en langdurende situaties.  

  • Het college ziet ouders als eerste verantwoordelijke om gebruikelijke hulp te bieden in alle redelijkheid. Dat is ook het uitgangspunt van de Jeugdwet. Het college verwacht daarbij ook dat wanneer opvoeden of zorgen zwaarder wordt ouders binnen hun eigen mogelijkheden kijken waar ze het zelf kunnen opvangen. Bijvoorbeeld door hun werktijden te veranderen, zorg af te wisselen onder elkaar (ook bij scheiding), of het eigen netwerk in te zetten. 

  • Lid 3

    De publicatie Opgroeien en opvoeden; normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders (2020) is te vinden op https://www.nji.nl/publicaties/opgroeien-en-opvoeden

  • HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET 

  • Artikel 20. Toekenningscriteria persoonsgebonden budget  

  • Als een jeugdige en/of ouders in aanmerking willen komen voor een persoonsgebonden budget, moeten zij een budgetplan opstellen. In lid 2 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Het college toetst ook met behulp van het overzicht van het Rijk of de jeugdige en/of ouders voldoende vaardig zijn om een persoonsgebonden budget te beheren.

  • Lid 3

  • Het in artikel 20 lid 3 genoemde overzicht is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb/vraag-en-antwoord/pgb-vaardigheid en de aldaar te downloaden infographic "10 punten pgb-vaardigheid"

  • Lid 5  

  • In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het persoonsgebonden budget gefinancierd mogen worden. Het persoonsgebonden budget is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.

  • Lid 6 

  • Voordat het college een persoonsgebonden budget toekent, toetst het college aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden.  

  • Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het persoonsgebonden budget te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.  

  • Artikel 21. Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 

  • Dit artikel geeft weer in welke gevallen het college geen persoonsgebonden budget verstrekt. 

  • Artikel 22. Hoogte van het persoonsgebonden budget.    

  • In deze verordening wordt bepaald hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen bij tenminste één aanbieder. Ook moet de informele hulp bekostigd kunnen worden met het beschikbaar gestelde tarief.  De tarieven zijn afgeleid van Zorg-in-Natura tarieven. Deze staan gepubliceerd op: https://robregionijmegen.nl/producten-tarieven/,

  • Het tarief voor informele zorg is in deze verordening gelijkgesteld aan het minimumloon plus werkgeverslasten. De landelijke indexatie voor het minimumloon wordt gevolgd. In sommige gevallen hebben inwoners arbeidscontracten met een hoger informeel tarief. Deze is volgens de tarieven van de vorige verordening vastgesteld. Het college verlaagt deze tarieven niet; deze tarieven worden echter ook niet geïndexeerd tótdat zij door de tijd heen weer gelijklopen met het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten.

  • Artikel 23. Regels voor persoonsgebonden budget-beheer

  • In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de jeugdige en/of zijn ouders kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de hen treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 8.1.1 lid 2 sub a van de Jeugdwet. Als de jeugdige en/of zijn ouders in het geheel geen regie kunnen voeren, is een persoonsgebonden budget niet de aangewezen verstrekkingsvorm. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan. Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering. Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de jeugdige en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van de jeugdige en/of zijn ouders ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare inwoners.

  • Artikel 24. Onderscheid formele en informele hulp  

  • In dit artikel geeft het college weer welke hulp zij als formeel en informeel beschouwt.  

  • Formele hulp  

  • Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ-registratie heeft.   

  • Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de budgethouder komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende persoonsgebonden budget-tarief.     

  • Informele hulp  

  • Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.  

  •   

  • Artikel 25. Regels voor persoonsgebonden budget professionals/ formele hulp 

  • Als de budgethouder met het persoonsgebonden budget een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via deze constructie dient de jeugdige en /of ouders kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden wordt er in deze verordening verwezen naar de kwaliteitseisen in de bijlage.

  • Professioneel staat niet gelijk aan beroeps- of bedrijfsmatige dienstverlening. Het hebben van een bepaalde expertise (of professionaliteit) maakt op zichzelf niet dat sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige dienstverlening. Uit de rechtspraak volgt dat iemand uit het sociaal netwerk geen professioneel of bedrijfsmatig tarief hoeft te ontvangen, ook niet als deze beschikt over relevante diploma’s of werkervaring.

  • De term professioneel gaat over de deskundigheid (professionaliteit). De deskundigheid speelt alleen een rol bij de beoordeling of voor de benodigde ondersteuning een specifieke deskundigheid vereist is. Bijvoorbeeld als sprake is van een bepaalde soort problematiek. Beschikt een zorgverlener niet over de benodigde deskundigheid dan kan vanuit het persoonsgebonden budget de betreffende zorgverlener niet worden ingehuurd. Dus ook niet vanuit het informele tarief.

  • Ook kan een zorgverlener vanuit de 1e of 2e graad bijvoorbeeld geweigerd worden als deze teveel een afhankelijkheidsrelatie in stand houdt of onvoldoende objectieve afstand bewaard tot de budgethouder. Ook dan spreek je van onvoldoende deskundigheid of professionaliteit."

  • Artikel 26. Regels voor persoonsgebonden budget sociaal netwerk / informele hulp 

  • Dit artikel beschrijft in welke situaties en tegen welke voorwaarden hulp of ondersteuning kan worden ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De jeugdige en/of ouders leggen dat vast in het budgetplan.

  • De diensten die worden geleverd moeten veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening. Als dat het geval is, hebben de jeugdige en/of ouders de keuze tussen zorg in natura of een persoonsgebonden budget.

  • In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het persoonsgebonden budget gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de jeugdige en/of ouders. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. Het blijft altijd maatwerk.

  • Voor de tarieven is aansluiting gezocht bij de Zorg in natura tarieven. Deze worden jaarlijks geïndexeerd.

  • Het college kijkt ook naar de verhouding van de jeugdige en/of ouders tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als jeugdige en/of ouders en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare inwoners.

  • HOOFDSTUK 6. VERHOUDING PRIJS - KWALITEIT, KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP 

  • Artikel 27. Kwaliteitseisen

  • Dit artikel sluit aan bij de kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zoals opgenomen in paragraaf 4.1. van de Jeugdwet.

  • Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • In aanvulling op de landelijke regels voor het melden van calamiteiten is in de verordening een bevoegdheid voor het college opgenomen om een toezichthouder Jeugdwet aan te wijzen.

  • Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen 

  • De wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten over de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit van een voorzieningen. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs, bevat dit artikel een aantal andere aspecten waar het college rekening mee dient te houden.  

  • Lid 1    

  • In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs.

  •    

  • Artikel 30. Klachtregeling   

  • Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de Verordening interne en externe klachtenbehandeling 2022. 

  • Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet.   

  • Artikel 31. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid  

  • Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.  

  • HOOFDSTUK 7 CONTROLE, TOEZICHT EN HANDHAVING 

  • Artikel 32. Controle 

  • Op grond van artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van een individuele voorzieningen (natura of persoonsgebonden budget), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de Jeugdwet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ. 

  • Artikel 33. Reikwijdte 

  • De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de rechtmatigheid van de ingezette jeugdhulp. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook een met persoonsgebonden budget-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties. 

  • Artikel 34. Toezicht 

  • In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen. 

  • Artikel 35. Bevel 

  • Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren. 

  • Artikel 36. Inspectierapport 

  • De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie. 

  • In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit. 

  • In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen. 

  •  

  • Artikel 37. Aanwijzing 

  • De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen. 

  • Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft. 

  • Artikel 38. Hersteltermijn 

  • De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten. 

  • Artikel 39. Cliëntenstop en verscherpt toezicht 

  • Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen. 

  • In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd. 

  • Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren. 

  • Artikel 40. Vervolgonderzoeksrapport 

  • Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken. 

  • Artikel 41. Handhavingsmaatregelen 

  • Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening. 

  • Artikel 42. Inzet privaatrechtelijke middelen en opschorten betaling

  • De maatregelen van artikel 37 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. 

  • De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid. 

  • Artikel 43. Register 

  • Jeugdigen en/of ouders die zorg of ondersteuning krijgen mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het Regionaal ondersteuningsbureau (ROB) zal het genoemde overzicht worden bijgehouden. 

  • Artikel 44. Meldingsplicht 

  • Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken. 

  • HOOFDSTUK 8.  AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN 

  • In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.  

  • Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de wet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015. 

  • Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.  

  • Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de Jeugdwet.

  • Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, kunnen wel onder jeugdhulp vallen. Dat is bijvoorbeeld het geval als intelligentieonderzoek nodig is om onduidelijkheid op te lossen die is ontstaan door een opvoedingsprobleem van de ouders over de onderwijsbehoefte van een jeugdige. Of als intelligentieonderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp.

  •  

  • Artikel 45. Andere voorzieningen 

  • Eerste en tweede lid  

  • Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de Jeugd wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing.  

  • Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet.  

  • Derde lid 

  • Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen. 

  • Artikel 46. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 

  • Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de Jeugdwet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere Jeugdwet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten.  

  • Eerste lid 

  • Het eerste lid bevat een opsomming van wetten en beleidsregels op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. 

  • Tweede en derde lid 

  • Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. 

  • Vierde lid 

  • Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. 

  • Vijfde en zesde lid 

  • Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. 

  • HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN  

  • Artikel 47. Evaluatie    

  • Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal (rijks)niveau (zie artikel 12.2 van de Jeugdwet) plaatsvindt, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens gebruiken.   

  • Artikel 48. Hardheidsclausule  

  • Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit geldt dus niet van de in de Jeugdwet zelf genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen bij een expert. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of ouders.   

  • Verder staat uitdrukkelijk opgenomen: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen kan het bijvoorbeeld spelen bij de regels rondom het verstrekken van een persoonsgebonden budget.  

  • Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.  

  •   

  • Artikel 49. Intrekking oude verordening en overgangsrecht  

  • Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt.   

  • In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten (op basis van de oude verordening) doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.   

  • Tot slot is in lid 3 vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van de nieuwe verordening beoordeeld worden.   

  •   

  • Artikel 50. Inwerkingtreding en citeertitel  

  • Dit artikel spreekt voor zich.  


Noot
1

Daar waar in deze verordening ‘hij’ staat, kan ook ‘zij’ of ‘hen’ worden gelezen.