Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026

Geldend van 16-06-2026 t/m heden

Intitulé

Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst;

gelezen het voorstel van 26 mei 2026, nummer 921937;

gelet op de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, het Boetebesluit socialezekerheidswetten en de door de raad vastgestelde Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2024;

B E S L U I T:

vast te stellen: de verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze verzamelbeleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ, het Bbz 2004, de Wgs, Awb, Gemeentewet en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2024, tenzij daar uitdrukkelijk van wordt afgeweken.

  • 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a. Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • b. Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • c. bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c, van de PW;

  • d. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst;

  • e. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Voorst;

  • f. inkomen: het inkomen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW. De uitkering die op grond van de PW voor de kosten van levensonderhoud wordt verstrekt, wordt ook tot het inkomen gerekend;

  • g. inwoner: de persoon die staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen in de gemeente Voorst en feitelijk op dit adres woonachtig is;

  • h. inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW en IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI);

  • i. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • j. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • k. onverwijld: binnen zeven dagen nadat het feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel het kenbaar werd of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn voor de belanghebbende;

  • l. reisafstand: de kortste afstand in kilometers tussen het woonadres en de bestemmingslocatie, vastgesteld op basis van de kortste route volgens Google Maps;

  • m. uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW, waaronder de bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 en de verleende inkomensvoorziening op grond van de IOAW en IOAZ;

  • n. verordening: Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2024;

  • o. Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • p. Wet SUWI: Wet Structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen.

  • 3. Begripsbepalingen die slechts voor een bepaald hoofdstuk of paragraaf relevant zijn of daar een andere betekenis hebben, zijn voor de leesbaarheid alleen bij dat onderdeel vermeld.

Artikel 1.2 Aanvraagformulier

Aanvragen en verzoeken zoals in deze beleidsregels vermeld moeten schriftelijk worden ingediend, tenzij anders aangegeven.

Hoofdstuk 2 Re-integratie en uitstroombevordering

Paragraaf 1 Voorzieningen

Artikel 2.1 Aanbieden van voorzieningen

Het college bepaalt individueel welke voorziening aan de belanghebbende wordt aangeboden. De keuze voor de aan te bieden voorziening past in ieder geval binnen de wettelijke kaders en daarbij zijn de uitgangspunten en bepalingen uit de verordening leidend.

Artikel 2.1.1 Subsidie voor interne werkbegeleiding

  • 1. Het college kan een subsidie verlenen aan de werkgever voor het bieden van interne werkbegeleiding als bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, van de verordening.

  • 2. De subsidie is bedoeld als tegemoetkoming in het urenverlies van de interne werkbegeleider.

  • 3. De subsidie kan op aanvraag of ambtshalve worden verleend.

  • 4. De subsidie wordt verleend indien:

  • a. de interne werkbegeleider aantoonbaar:

  • voorafgaand aan de start van de werkbegeleiding hiervoor een passende training heeft afgerond of deze training binnen een redelijke termijn zal afronden;

  • ervaring heeft met het geven van werkinstructies;

  • kennis heeft van de werkzaamheden die de belanghebbende uit de doelgroep moet uitvoeren;

  • voor een deel van zijn werkuren is vrijgesteld om de begeleiding op zich te nemen;

  • meer dan de gebruikelijke werkbegeleiding op de werkplek biedt, en

  • b. de interne werkbegeleiding ook voldoet aan de overige criteria voor persoonlijke ondersteuning naar werk zoals genoemd in hoofdstuk 2, paragraaf B en C, van de verordening.

  • 5. De maximale duur voor interne werkbegeleiding bedraagt zes maanden.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid kan interne werkbegeleiding langer worden ingezet indien dit naar het oordeel van het college op grond van de individuele omstandigheden van de belanghebbende noodzakelijk is.

  • 7. Het college hanteert voor interne werkbegeleiding een maximumbedrag (vast bedrag zonder BTW en bedraagt 50% van de subsidie voor de interne jobcoach) voor de periode van zes maanden. Periodiek wordt beoordeeld of dit bedrag moet worden aangepast.

  • 8. Het subsidiebedrag als bedoeld in het zevende lid wordt naar rato verleend indien de interne werkbegeleiding over een langere of kortere periode wordt ingezet.

  • 9. Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van maximumbedrag als bedoeld in het zevende lid.

  • 10. Subsidie voor interne werkbegeleiding wordt niet verleend indien een toegekende loonkostensubsidie al in de kosten van extra begeleiding voorziet.

Artikel 2.1.2 Subsidie voor training interne werkbegeleiding

  • 1. Het college kan een subsidie verlenen aan de werkgever voor de kosten van een Harrie Helpt-training of een vergelijkbare variant, waardoor een of meerdere medewerkers interne werkbegeleiding kunnen bieden zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de verordening.

  • 2. De subsidie kan op aanvraag of ambtshalve worden verleend.

  • 3. De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien:

  • a. sprake is van een dienstverband met een belanghebbende uit de doelgroep of een concreet voornemen hiertoe; en

  • b. ook wordt voldaan aan de overige criteria voor persoonlijke ondersteuning naar werk zoals genoemd in hoofdstuk 3, paragraaf B en C, van de verordening.

  • 4. De subsidie wordt in beginsel maximaal eenmaal per werkgever verleend. In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken. Dit wordt door het college individueel beoordeeld.

Artikel 2.1.3 Beëindiging persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen bij verhuizing

  • 1. Een toegekende voorziening voor persoonlijke ondersteuning bij werk of een overige voorziening als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf B en C, van de verordening, wordt beëindigd met ingang van dag dat de belanghebbende uit de doelgroep niet meer woonachtig is in de gemeente.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de voorziening met ingang van een later tijdstip worden beëindigd indien dat noodzakelijk is vanwege de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende uit de doelgroep of gelet op de aard van de toegekende voorziening. Dit wordt door het college individueel beoordeeld.

Artikel 2.1.4 Reiskosten

  • 1. Rechthebbenden:

  • a. Inwoners met een uitkering PW, IOAW, IOAZ die een re-integratietraject volgen.

  • b. Statushouders met een inburgeringsplicht.

  • 2. De inwoner heeft geen recht op een reiskostenvergoeding als er een voorliggende voorziening is, die passend en toereikend is.

  • 3. Reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking indien de enkele reisafstand van woonadres naar de bestemmingslocatie tien kilometer of meer bedraagt. Bij een reisafstand van minder dan tien kilometer worden reiskosten niet vergoed.

  • 4. De vergoeding voor reiskosten bij een reisafstand van tien kilometer of meer wordt per kilometer vastgesteld overeenkomstig het door de Belastingdienst gehanteerde bedrag voor de maximale onbelaste reiskostenvergoeding. Het totaal aantal kilometers dat voor vergoeding in aanmerking komt wordt vastgesteld door het aantal kilometers van de reisafstand te vermenigvuldigen met twee en de uitkomst naar boven af te ronden op gehele kilometers.

  • 5. De reisafstand van het woonadres naar de bestemmingslocatie wordt vastgesteld aan de hand van de kortste route berekend door Google Maps.

  • 6. In bijzondere situaties kan van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden afgeweken. Dit is ter beoordeling van het college.

  • 7. De toegekende reiskosten wordt maandelijks betaald.

Paragraaf 2 Zelfstandigen op bescheiden schaal

Artikel 2.2 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • 1. zelfstandige: de zelfstandige op bescheiden schaal die behoort tot de hierna omschreven doelgroep;

  • 2. zelfstandigenaftrek: de belastingaftrek zoals genoemd in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • 3. belastbaar inkomen: als belastbaar inkomen wordt aangemerkt de omzet minus de inkoop- en bedrijfskosten.

Artikel 2.3 Doelgroep

Tot de doelgroep behoort de zelfstandige die:

  • a. voor eigen rekening en risico productieve activiteiten uitvoert die een bescheiden inkomen opleveren, maar geen recht geven op de zelfstandigenaftrek; en

  • b. voldoet aan de wettelijke vereisten die verband houden met zijn zelfstandige activiteiten.

Artikel 2.4 Voorwaarden

  • 1. De zelfstandige kan telkens voor de duur van twaalf maanden toestemming krijgen om met behoud van uitkering de zelfstandige activiteiten uit te voeren.

  • 2. Als de zelfstandige niet meer behoort tot de doelgroep of vanwege een andere reden niet meer voldoet aan de voorwaarden van deze verzamelbeleidsregels, kan de toestemming als bedoeld in het vorige lid worden ingetrokken of niet meer worden verlengd;

  • 3. De zelfstandige informeert het college over de omvang van de activiteiten, waaronder in ieder geval begrepen het maandelijks inleveren van een urenadministratie met inkomensoverzicht en het voor 1 juli na afloop van het boekjaar inleveren van de bedrijfsadministratie die aan de eisen van de Belastingdienst voldoet en de kopie van de belastingaangifte en -aanslag;

  • 4. Het college legt in een plan van aanpak alle afspraken rond de bedrijfsvoering en overige verplichtingen vast.

Artikel 2.5 Kosten en inkomsten

  • 1. De zelfstandige hanteert marktconforme tarieven voor zijn product of dienst, zodanig dat concurrentievervalsing wordt voorkomen.

  • 2. Kosten die verband houden met schulden, investeringen of kosten die niet passen bij het op bescheiden schaal als zelfstandige werken, kunnen in beginsel niet op de omzet in mindering worden gebracht.

  • 3. Het belastbaar inkomen wordt zoveel als mogelijk maandelijks verrekend met de uitkering op basis van de inkomstenopgave, waarbij de inkomstenbelasting eerst in mindering wordt gebracht op het belastbaar inkomen en de wettelijke inkomstenvrijlating voor parttime inkomsten waar mogelijk wordt toegepast.

  • 4. Aan de hand van de ingeleverde bedrijfsadministratie, aangifte en aanslag inkomstenbelasting, wordt het inkomen definitief vastgesteld.

  • 5. Aan de hand van de definitieve verrekening wordt het te veel verrekende inkomen nabetaald of het te weinig verrekende inkomen alsnog verrekend of teruggevorderd op grond van artikel 58 van de PW.

Hoofdstuk 3 Bijstandsverlening

Artikel 3.1 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • a. basishuur: het deel van de (reken)huur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat voor rekening van de huurder blijft, zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag;

  • b. gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder b, van de PW;

  • c. jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de PW

  • d. kostganger: degene tegen een financiële vergoeding op basis van een schriftelijke overeenkomst kost en inwoning heeft bij een ander. Het verschil tussen de huurder en de kostganger is dat de kostganger naast het woongenot in ieder geval ook de maaltijden op kosten van de verhuurder nuttigt;

  • e. lage woonlasten: woonlasten zoals omschreven in dit artikel, maar lager dan de basishuur;

  • f. probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • g. schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • h. Wmo 2015: wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • i. woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, van de Wet op de huurtoeslag alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de PW

  • j. woonlasten:

  • o 1º. bij een huurwoning: de maandelijks verschuldigde huur, inclusief de servicekosten die op grond van de Wet op de huurtoeslag voor huurtoeslag in aanmerking komen;

  • o 2º. bij een eigen woning: de maandelijks verschuldigde hypotheekrente, verhoogd met de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;

  • o 3º. bij kamerhuur: de maandelijks verschuldigde huur exclusief de bijdrage voor gas, water en elektra;

  • o 4º. bij anti-kraakbewoning of tijdelijke huur ingeval van leegstand: de maandelijks verschuldigde vergoeding voor bruikleen of tijdelijke huur, exclusief de bijkomende kosten.

  • k. Zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

Paragraaf 1 Aanvraag

Artikel 3.2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

  • a. de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

  • b. de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

  • o 1º. in een inrichting verbleven;

  • o 2º. opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

  • o 3º. bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

  • c. voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

  • d. de jongere een zorgbehoefte heeft;

  • e. de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • f. de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;

  • g. de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

Artikel 3.3 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de PW, te gebruiken, wanneer:

  • a. dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

  • b. de nieuwe aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

  • c. de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

  • o 1º. werkaanvaarding;

  • o 2º. een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de PW; of

  • o 3º. een verblijf buiten de gemeente.

  • 2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

  • a. het hoofdverblijf;

  • b. de gezinssituatie; en

  • c. het inkomen en het vermogen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.

Artikel 3.4 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1. Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

  • a. er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

  • o 1º. de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

  • o 2º. de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

  • o 3º. een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

  • o 4º. de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

  • o 5º. de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

  • b. er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

  • o 1º. de belanghebbende heeft probleemschulden;

  • o 2º. na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;

  • o 3º. na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.

  • 2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

Paragraaf 2 Commerciële kostendeling

Artikel 3.5 Commerciële prijs

  • 1. Van een commerciële prijs is sprake indien de woonlasten ten minste gelijk zijn aan de basishuur. Woonlasten die lager zijn dan de basishuur kunnen als een commerciële prijs worden aangemerkt wanneer uit de beoordeling in ieder geval blijkt dat de woonlasten gebruikelijk zijn voor de ruimte die gehuurd wordt en de aanwezigheid van een zakelijke relatie tussen huurder en verhuurder door de belanghebbende aangetoond is.

  • 2. Voor een kostganger geldt als uitgangspunt dat een commerciële prijs aanwezig wordt geacht indien de verschuldigde bijdrage voor kost en inwoning ten minste 40% van de gehuwdennorm bedraagt.

Paragraaf 3 Verlaging bijstand

Artikel 3.6 Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten

Wanneer de belanghebbende lagere algemene bestaanskosten heeft doordat hij geen of lage woonlasten heeft, kan de bijstandsnorm worden verlaagd. Bij die beoordeling is het verschil tussen de basishuur en de feitelijke woonlasten een belangrijke factor om de hoogte van de verlaging te bepalen. De verlaging bedraagt in ieder geval niet meer dan 15% van de gehuwdennorm.

Artikel 3.7 Verlaging bijstandsnorm schoolverlaters

  • 1. Voor de beoordeling of de bijstandsnorm voor een schoolverlater op grond van artikel 28 van de PW wordt verlaagd en tot welk bedrag, is onder andere van belang dat:

  • a. de verlaging wordt afgestemd op de noodzakelijke kosten van het bestaan van de schoolverlater;

  • b. de verlaging niet tot gevolg heeft dat daardoor financiële problemen ontstaan; en

  • c. de schoolverlater gezien de hoogte van de bijstandsnorm een prikkel behoudt om betaalde arbeid te verkrijgen.

  • 2. De verlaging bedraagt 10% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm en duurt niet langer dan zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op de studiefinanciering of de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 3. Het toepassen van een verlaging blijft achterwege indien de kostendelersnorm van toepassing is.

Artikel 3.8 Herziening verlaging bij maatregel (inkeerregeling)

  • 1. Indien aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd wegens het niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, kan deze maatregel op verzoek van de belanghebbende in ieder geval worden herzien indien:

  • a. uit de houding van de belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat zijn gedrag gedurende die periode positief is gewijzigd; en

  • b. het aannemelijk is dat het continueren van de maatregel zal leiden tot huisuitzetting van de belanghebbende en diens gezin of onaanvaardbare consequenties heeft voor de minderjarige kinderen.

  • 2. De maatregel wordt niet herzien:

  • a. binnen een maand na de ingangsdatum van de maatregel; en

  • b. met ingang van een eerdere datum dan het schriftelijke verzoek van de belanghebbende is ontvangen.

  • 3. Indien de maatregel is opgelegd wegens het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid vindt geen herziening van de maatregel plaats.

Paragraaf 4 Vrijlatingen bij vermogen

Artikel 3.9 Vrijlating bezit voertuig

Voor de vaststelling van de waarde van auto’s, motoren en caravans wordt in beginsel uitgegaan van de ANWB-koerslijst (verkoopprijzen).

Bij het vaststellen van het vermogen wordt de waarde van één voertuig dat op naam van de belanghebbende is geregistreerd in ieder geval vrijgelaten indien:

  • a. de waarde van het voertuig niet hoger is dan € 2.500; of

  • b. het voertuig aantoonbaar wegens medische redenen is aangepast.

Artikel 3.10 Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de PW, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • a. giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b. giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • c. giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • d. giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, met een waarde tot maximaal het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de PW.

Paragraaf 5 Krediethypotheek

Artikel 3.11 Aanvullende begripsbepalingen

  • 1. In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze beleidsregels wordt deze paragraaf verstaan onder:

  • a. bijstand: algemene bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onder b, van de PW;

  • b. BW: Burgerlijk Wetboek;

  • c. geldlening: een geldlening als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de PW;

  • d. krediethypotheek: een te vestigen zekerheidsrecht in de vorm van een hypotheek indien bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend;

  • e. pandrecht: het recht van pand op roerende zaken, bedoeld in artikel 3:227 BW;

  • f. registergoed: een goed als bedoeld in artikel 3:10 BW;

  • g. woning: het woonhuis, woonschip of de woonwagen welke door belanghebbende en zijn gezin wordt bewoond en waarvan hij eigenaar is.

  • 2. De regels die in deze paragraaf zijn opgenomen over het vestigen van een hypotheek worden op vergelijkbare wijze toegepast ten aanzien van het vestigen van een pandrecht.

Artikel 3.12 Vestiging krediethypotheek

  • 1. Indien de eigenaar van een woning een aanvraag om bijstand doet, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van artikel 50 van de PW.

  • 2. Het college verbindt aan de verlening van bijstand de verplichting dat de belanghebbende meewerkt aan de vestiging van de krediethypotheek.

Artikel 3.13 Hoogte hypotheek, taxatie woning en vestigingskosten

  • 1. De geldlening, bedoeld in artikel 3.9 van deze paragraaf is ten hoogste de waarde van de woning in het economische verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de PW.

  • 2. Voor de waarde vaststelling, als bedoeld in het eerste lid, kan worden uitgegaan van de meest recente beschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) jaarlijks aan de belanghebbende wordt uitgereikt.

  • 3. Op verzoek van de belanghebbende kan van de WOZ-waarde worden afgeweken met een taxatie, indien de vastgestelde waarde geen recht doet aan de huidige waarde en belanghebbende aantoonbaar in verzet is gekomen tegen de WOZ-waardebeschikking;

  • 4. Voor de waarde vaststelling in een situatie als bedoeld in het derde lid, kan een taxatierapport gebruikt worden dat niet ouder is dan twaalf maanden.

  • 5. Bij het ontbreken van een recent taxatierapport vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een gemeentelijke taxateur.

  • 6. De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verleend.

Artikel 3.14 Opname voorwaarden hypotheekakte

  • 1. Aan de geldlening worden in ieder geval de voorwaarden verbonden zoals genoemd in de artikelen 3.15, 3.16 en 3.17.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.

Artikel 3.15 Aflossingsvoorwaarden hypotheek

  • 1. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar.

  • 2. Aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.

  • 3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van twee jaar vastgesteld, tenzij de aflossing voldoende is om de geldlening binnen de periode van tien jaar af te lossen. De aflossing wordt als regel bepaald op 60% van het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

  • 4. Bij een inkomen dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen aflossing gevergd.

  • 5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager of hoger bedrag vastgesteld.

  • 6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.

  • 7. Indien de belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar verwijtbaar nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 3.16 Rentevordering

  • 1. Indien door toepassing van artikel 3.15, vierde tot en met het zesde lid, van deze verzamelbeleidsregels na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is de belanghebbende vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is drie-vierde deel van de wettelijke rente.

  • 3. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 4. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 5. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

  • 6. De totale betalingsverplichting aan rente en aflossing wordt als regel bepaald op 60% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 3.17 Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning

  • 1. Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de op grond van artikel 3.16, derde en vierde lid, van deze verzamelbeleidsregels bijgeschreven rente, direct afgelost.

  • 2. Bij verkoop van de woning wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende kan het college, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening, eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning binnen de gemeente, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de PW volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.

  • 3. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 3.18 Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking bijstandsverlening

Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.

Artikel 3.19 Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen

Aan de belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

Hoofdstuk 4 Schuldhulpverlening

Artikel 4.1 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:

  • a. schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;

  • b. traject integrale schuldhulpverlening: het totaal van dienstverlening vanaf aanvraag schuldhulpverlening tot en met de afronding van de minnelijke schuldregeling, inclusief het opstellen van een aanvraag voor de wet schuldsanering natuurlijke personen en de nazorg;

  • c. verzoeker: persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening.

Artikel 4.2 Doelgroep en toegang

  • 1. Iedere inwoner van 18 jaar en ouder kan bij het college een verzoek indienen om toegelaten te worden tot de schuldhulpverlening.

  • 2. Onder personen als bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan de vreemdelingen die als ingezetenen rechtmatig verblijf houden in Nederland.

  • 3. Het college verleent aan de inwoner schuldhulpverlening indien de noodzaak hiervoor door het college aanwezig wordt geacht.

  • 4. De toegang tot schuldhulpverlening wordt aan de ex-zelfstandigen verleend zodra het bedrijf volledig beëindigd is, de schuldenpositie duidelijk is en de administratie op orde is.

Artikel 4.3 Vorm van ondersteuning

  • 1. Het college verleent aan verzoeker schuldhulpverlening, gebaseerd op de uitgangspunten zoals neergelegd in de kadernota schuldhulpverlening.

  • 2. Of en in welke vorm het college schuldhulpverlening aanbiedt, is van meerdere factoren afhankelijk en kan dus per situatie verschillen. De factoren die een rol kunnen spelen zijn:

  • a. de aard en omvang van de schulden;

  • b. de financiële situatie van de verzoeker, waaronder verstaan de inkomsten, uitgaven en het recht op inkomensondersteunende voorzieningen;

  • c. de achterliggende problematiek in relatie tot de oorzaak van de financiële problemen;

  • d. de afstemming met en benutting van dienstverlening buiten de werking van de Wgs;

  • e. een eventueel eerder gebruik van (een deel van de) integrale schuldhulpverlening;

  • f. de behoeften en vaardigheden van de verzoeker in relatie tot de kosten van de schuldhulpverlening en de hoogst mogelijke opbrengst voor de schuldeisers.

Artikel 4.4 Weigeren en beëindigen

  • 1. De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan worden geweigerd of beëindigd, indien de verzoeker of belanghebbende:

  • a. niet of niet langer behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 4.1 van dit hoofdstuk;

  • b. de verplichtingen van de Wgs niet of niet voldoende nakomt;

  • c. het traject integrale schuldhulpverlening (succesvol) is afgerond;

  • d. zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;

  • e. op grond van, zo later is gebleken, onjuiste gegevens heeft verstrekt, terwijl als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;

  • f. zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het traject integrale schuldhulpverlening, ernstig misdraagt;

  • g. zelf uitdrukkelijk verzoekt om de toegang tot de integrale schuldhulpverlening te beëindigen;

  • h. zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schulden te willen oplossen;

  • i. is komen te overlijden;

  • j. schulden heeft die zijn ontstaan door fraude, als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wgs;

  • 2. De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan tevens worden geweigerd of beëindigd indien de integrale schuldhulpverlening door het college niet (langer) noodzakelijk of passend wordt geacht, dan wel één van de factoren van artikel 4.3, tweede lid een belemmerende rol voor de schudhulpverlening spelen.

  • 3. Alvorens te besluiten tot weigering of beëindiging, wordt verzoeker of belanghebbende een hersteltermijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen of informatie te verstrekken.

Artikel 4.5 Herhaalde aanvraag

  • 1. Indien in twee jaar tijd driemaal de toegang tot de integrale schuldhulpverlening is beëindigd, kan tot 24 maanden na de datum van de laatste beëindiging de toegang tot integrale schuldhulpverlening geweigerd worden.

  • 2. In afwijking van het vorige lid kan een gezin met inwonende, minderjarige kinderen opnieuw toegang krijgen tot de integrale schuldhulpverlening als naar het oordeel van het college de oorzaak van de tussentijdse beëindiging vanwege de benodigde hulpverlening is weggenomen.

Hoofdstuk 5 Herziening, terugvordering, invordering en verhaal

Paragraaf 1 Herziening en terugvordering

Artikel 5.1 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:

  • a. bedrijfskapitaal: bijstand die op grond het Bbz 2004 in de vorm van een geldlening is verleend ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal;

  • b. beslagvrije voet: het deel van het inkomen waarop geen beslag gelegd mag worden, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • c. bruteren: het verhogen van de vordering met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten als bedoeld in artikel 58, vijfde lid, van de PW en artikel 25, vijfde lid, van de IOAW en IOAZ;

  • d. draagkracht: dat deel van het inkomen dat de belanghebbende geacht wordt te kunnen aflossen aan een vordering waarbij rekening is gehouden met de wettelijke bepalingen omtrent de beslagvrije voet;

  • e. inlichtingenplicht: de verplichting als genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet SUWI;

  • f. niet-verwijtbare vordering: vordering die is ontstaan doordat in een bepaalde periode te veel of ten onrechte uitkering is verleend, zonder dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalatigheid van de belanghebbende zelf;

  • g. signaal: relevante informatie van de belanghebbende die een uitkering ontvangt waaruit het college concreet kan afleiden dat sprake is van een dusdanige fout dat op grond daarvan direct actie moet worden ondernomen om de uitkering aan te passen;

  • h. verwijtbare vordering: vordering die ontstaan doordat in een bepaalde periode te veel of ten onrechte uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht of anderszins het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalatigheid van de belanghebbende.

Artikel 5.2 Gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a. herziening of intrekking als bedoeld in artikel 54, derde lid en vierde lid, van de PW en artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW en IOAZ;

  • b. terugvordering als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 6.4, van de PW, waaronder artikel 12, tweede lid, onder c, en hoofdstuk 5 van het Bbz 2004 en hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de IOAW en IOAZ.

Artikel 5.3 Uitgangspunten terugvordering

Algemeen uitgangspunt is dat teveel of ten onrechte verstrekte uitkering wordt teruggevorderd en de belanghebbende de vordering volledig dient terug te betalen. Dit geldt ook voor bijstand die verleend is als bedrijfskapitaal. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat hierbij voorop.

Artikel 5.4 Afzien van terugvordering (kruimelbedragen)

Terugvordering blijft achterwege indien de hoogte van de te veel of ten onrechte verleende uitkering niet meer bedraagt dan € 100, tenzij:

  • a. sprake is verwijtbaar gedrag van de belanghebbende; of

  • b. de te veel of ten onrechte verleende uitkering kan worden verrekend met het tegoed aan vakantiegeld.

Artikel 5.5 Brutering vordering

De te veel of ten onrechte verleende uitkering wordt bruto teruggevorderd, tenzij:

  • a. de vordering is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de aflossing van de vordering niet is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft;

  • b. de vordering nog kan worden terugbetaald of verrekend voor het einde van het kalenderjaar (boekjaar) waarin de vordering is ontstaan.

Paragraaf 2 Invordering

Artikel 5.6 Wijze van invordering

  • 1. Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering en verleend bedrijfskapitaal ineens binnen de gestelde termijn moet voldoen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van de PW en artikel 28, tweede lid, van de IOAW/IOAZ en met voorbijgaan aan de in het eerste lid genoemde betalingstermijn, gaat het college indien mogelijk over tot onmiddellijke verrekening met de uitkering als bedoeld in artikel 60, derde lid van de PW en artikel 28, derde lid, van de IOAW en IOAZ;

  • 3. Indien volledige aflossing binnen de in het eerste lid genoemde betalingstermijn niet mogelijk is, stelt het college de maandelijkse aflossing in beginsel vast op:

  • a. het bedrag boven de beslagvrije voet indien de belanghebbende een inkomen heeft ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm;

  • b. 60% van de draagkracht met een minimumbedrag zoals vastgesteld onder a, indien het inkomen van de belanghebbende hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

  • 4. In afwijking van het derde lid, onder a, wordt de maandelijkse aflossing voor de als geldlening verstrekte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen op grond van artikel 51, van de PW vastgesteld op 5% van de van toepassing zijnde uitkeringsnorm.

  • 5. In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, kan het aflossingsbedrag op verzoek van de belanghebbende lager worden vastgesteld indien:

  • a. de vordering met het door de belanghebbende voorgestelde bedrag binnen een termijn van 36 maanden is afgelost; en

  • b. het aflossingsbedrag minimaal € 20 per maand bedraagt.

  • 6. Het onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden wordt periodiek en signaal gestuurd uitgevoerd door middel van gegevensuitwisseling met BIDN (Bureau InformatieDiensten Nederland).

  • 7. Bij het niet (meer) nakomen van een opgelegde betalingsverplichting en bij het ontbreken van mogelijkheden tot verrekening met de uitkering, kan het college overgaan tot:

  • a. een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • b. andere beslagen in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij ook tot executoriaal beslag op (on)roerende zaken of tot executoriaal beslag onder derden kan worden overgegaan door middel van het inschakelen van een deurwaarder;

  • c. een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of

  • d. een executoriaal beslag op onroerende zaken of onder derden overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door middel van het inschakelen van een deurwaarder.

  • 8. In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder zoals vermeld in het zevende lid, kan de vordering worden verhoogd met de invorderingskosten met een minimum van € 40 en tot maximaal € 450 en met de wettelijke rente.

Artikel 5.7 Ambtshalve afzien van (verdere) invordering na het voldoen van de betalingsverplichting

Het college besluit ambtshalve om geheel of gedeeltelijk van (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende:

  • a. gedurende 36 maanden zijn aflossingsverplichting voor de als geldlening verstrekte bijstand voor duurzame gebruiksgoederen als bedoeld in artikel 51, van de PW onafgebroken en naar draagkracht is nagekomen;

  • b. gedurende een periode van twee jaar niet of zeer onregelmatig heeft afgelost op een vordering en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 100;

  • c. gedurende vijf jaar geen aflossingen aan een niet-verwijtbare vordering heeft gedaan en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog gaat verrichten;

  • d. de in onderdeel c genoemde termijn bedraagt tien jaar indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.

Artikel 5.8 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding

  • 1. Het college kan op mondeling of schriftelijk verzoek van de belanghebbende besluiten om een vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien de belanghebbende:

  • a. zorgdraagt voor een gemotiveerd verzoek; en

  • b. zijn aflossingsverplichting naar het oordeel van het college naar behoren is nagekomen; of

  • c. zijn aflossingsverplichting naar het oordeel van het college niet naar behoren is nagekomen, maar een bedrag in één keer aflost.

  • 2. De aanvragen zoals in het eerste lid vermeld, worden individueel beoordeeld. Deze beoordeling is afhankelijk van diverse factoren, maar in de afweging kan onder meer worden betrokken:

  • a. de reden en de motivering van de aanvraag;

  • b. de omvang en de ontstaansgrond van de vordering in relatie tot het huidig inkomen en aflossingsgedrag;

  • c. de eventuele aanwezigheid van andere schulden;

  • d. welke initiatieven de belanghebbende ter vermindering van de schuld heeft ondernomen of nog kan ondernemen;

  • e. de vraag of deze vordering de belanghebbende in zijn uitstroom naar arbeid belemmert en op basis waarvan dit aannemelijk kan worden geacht;

  • f. het huidige inkomen en de aanwezigheid of het ontbreken van perspectief, waaronder de kansen op betaald werk met verbetering van inkomen;

  • g. de vraag of deze vordering tot problematische gezinsomstandigheden leidt, al dan niet in samenhang met eventuele medische en/of psychosociale problematiek.

  • 3. Indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden.

  • 4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid is kwijtschelding van een vordering wegens verleend bedrijfskapitaal alleen mogelijk indien sprake is van een situatie als omschreven in artikel 42 en 43 van het Bbz 2004.

Artikel 5.9 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek

  • 1. Het college kan op aanvraag van of namens de belanghebbende besluiten om een vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien:

  • a. sprake is van een schuldregeling of redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling zonder een zodanig besluit niet tot stand kan komen;

  • b. de belanghebbende naar het oordeel van het college zijn aflossingsverplichting naar behoren is nagekomen, waarbij de beoordelingscriteria van artikel 6.8, tweede lid, mede van toepassing zijn; en

  • c. de vordering bij het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 2. Het besluit tot kwijtschelding treedt niet eerder in werking dan het moment dat de schuldregeling tot stand is gekomen.

  • 3. Het besluit tot kwijtschelding wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:

  • a. de schuldregeling niet binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit tot stand is gekomen;

  • b. de belanghebbende zijn/haar schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;

  • c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en het college een ander besluit zou hebben genomen indien de verstrekte gegevens wel juist en volledig waren geweest.

  • 4. Indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het schenden van de inlichtingenplicht kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden.

Artikel 5.10 Geen mogelijkheden tot buiten invordering stelling en kwijtschelding

Het buiten invordering stellen of kwijtschelden van een vordering zoals bedoeld in de artikelen 5.7 tot en met 5.9 is in beginsel niet mogelijk indien:

  • a. niet is voldaan aan de gestelde voorwaarden;

  • b. de terugvordering van de uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende, tenzij voldaan is aan een van de criteria genoemd in artikel 58, zevende lid, van de PW of artikel 25, zevende lid, van de IOAW en IOAZ in samenhang met artikel 5.7 tot en met 5.8 van deze verzamelbeleidsregels;

  • c. de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden;

  • d. de vordering een bestuurlijke boete betreft, tenzij voldaan wordt aan de criteria zoals bedoeld in artikel 6.3 van deze verzamelbeleidsregels.

Paragraaf 3 Verhaal

Artikel 5.11 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • a. onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van het levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak;

  • b. verhaalsbijdrage: kosten van bijstand die op grond van artikel 62 van de PW worden verhaald vanwege onderhoudsplicht, schenking of nalatenschap, zoals bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW;

  • c. verzoek: een schriftelijk of mondeling verzoek van de belanghebbende.

Artikel 5.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand als bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW.

Artikel 5.13 Ambtshalve afzien van verhaal

  • 1. Het college ziet af van het nemen van een besluit tot verhaal indien:

  • a. het op te leggen verhaalsbedrag lager of gelijk is aan het in de Trema-normen vastgestelde minimale alimentatiebedrag voor twee kinderen;

  • b. daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn;

  • c. de kosten van bijstand zijn gemaakt meer dan vijf jaar voor de datum van het besluit tot verhaal, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62f, onder b, ten tweede, van de PW en dus sprake is van verhaal op de nalatenschap van de persoon aan wie bijstand is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht.

  • 2. Het college kan besluiten om van het toepassen van verhaal of van verhaal af te zien, indien de onderhoudsplichtige:

  • a. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of;

  • b. gedurende twee jaar al dan niet betalingen heeft verricht en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 100.

  • 3. Het college ziet af van verhaal in rechte als bedoeld in artikel 62g van de PW, indien:

  • a. het totaal te verhalen bedrag naar verwachting niet hoger is dan € 600;

  • b. het te verhalen bedrag naar verwachting lager is dan de door de rechtbank te maken kosten inzake de procedure voor personen "verdwenen onbekend waarheen".

Artikel 5.14 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

  • 1. Het college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten om geheel of gedeeltelijk kwijtschelding te verlenen voor zover het verschuldigde verhaalsbedragen betreft die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, en indien:

  • a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

  • b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

  • c. de vordering van het college wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 2. Bij de toepassing van dit artikel is artikel 5.9 van deze verzamelbeleidsregels onverkort van toepassing.

Artikel 5.15 Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel (her)onderzoek

  • 1. De verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 van de PW wordt opgelegd met ingang van de eerste maand volgend op de datum van aanschrijving van de debiteur.

  • 2. Het college verricht ten minste eenmaal per 36 maanden een onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage.

  • 3. Gewijzigde omstandigheden leiden in beginsel tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbijdrage, tenzij de eerdere verhaalsbijdrage voldoet aan de wettelijke maatstaven en de onderhoudsplichtige deze periodieke verplichting nakomt.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing indien de onderhoudsplichtige vanwege de aflossing van schulden een hogere verhaalsbijdrage kan worden opgelegd.

Artikel 5.16 Verhaal volgens rechterlijke uitspraak

  • 1. Indien de belanghebbende de rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 62b, eerste lid, van de PW niet nakomt, wordt het besluit tot verhaal per brief aan de belanghebbende meegedeeld waarbij een betalingstermijn van 30 dagen van toepassing is.

  • 2. Bij het uitblijven van betaling wordt de rechterlijke uitspraak bij dwangbevel ingevorderd, waarbij de bekendmaking van het dwangbevel plaatsvindt door middel van toezending per post.

  • 3. In geval van beslaglegging als bedoeld in voorgaande lid, kan de vordering overeenkomstig het Besluit buitengerechtelijke kosten worden verhoogd met incassokosten en wettelijke rente.

Artikel 5.17 Beslaglegging

Indien degene aan wie de verhaalsbijdrage is opgelegd zijn betalingsverplichting na verzending van een laatste betalingsverzoek niet of onvoldoende nakomt, volgt invordering door middel van vereenvoudigd derdenbeslag of executoriaal beslag door middel van inschakeling van een deurwaarder.

Hoofdstuk 6 Bestuurlijke boete

Artikel 6.1 Beoordeling bestuurlijke boete

Bij de beoordeling van een bestuurlijke boete zijn de bepalingen van de PW, IOAW en IOAZ en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten leidend.

Artikel 6.2 Afronding

In afwijking van de wettelijke bepalingen wordt de op te leggen bestuurlijke boete naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10.

Artikel 6.3 Kwijtscheldingsmogelijkheden bij schuldenproblematiek

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Daarbij geldt als uitgangspunt dat aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Onvoorziene omstandigheden

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien het toepassen van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Daarnaast beslist het college in situaties waarin deze beleidsregels niet voorzien.

Artikel 7.2 Intrekking oude beleidsregels en overgangsbepalingen

  • 1. De verzamelbeleidsregels PW, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen 2025 gemeente Voorst worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze verzamelbeleidsregels.

  • 2. Bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de vorige verzamelbeleidsregels worden beoordeeld op grond van de beleidsregels die golden op het moment van dat besluit.

Artikel 7.3 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verzamelbeleidsregels treden in werking op de dag na de datum van bekendmaking.

  • 2. Deze verzamelbeleidsregels worden aangehaald als: Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst op 26 mei 2026.

Lisette Wolbers-Cents, secretaris

Paula Jorritsma-Verkade, burgemeester

Toelichting verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026

Algemene toelichting

Deze verzamelbeleidsregels bevatten in hoofdzaak een uitwerking van de van toepassing zijnde wetgeving en de daaraan ten grondslag liggende verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorst 2024.

Omschreven is op welke wijze het college uitvoering geeft aan de wettelijke beoordelingsruimte.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begripsbepalingen die gelden voor de gehele verzamelbeleidsregels. Begrippen die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de van toepassing zijnde wetgeving en de verordening. Begripsbepalingen die alleen relevant zijn voor een specifiek hoofdstuk of paragraaf zijn uitsluitend daar opgenomen.

Artikel 1.2 Aanvraagformulier

Voor aanvragen en verzoeken geldt als eis dat deze schriftelijk worden ingediend, tenzij anders is aangegeven. Dit kan ook digitaal.

Hoofdstuk 2 Re-integratie en uitstroombevordering

Paragraaf 1 Voorzieningen

Artikel 2.1 Aanbieden van voorzieningen

Het college bepaalt per geval welke voorziening wordt aangeboden, binnen de wettelijke kaders en de uitgangspunten van de verordening.

Artikel 2.1.1 Subsidie voor interne werkbegeleiding

Dit artikel regelt de subsidie aan werkgevers voor interne werkbegeleiding. De subsidie compenseert het urenverlies van de werkbegeleider en kan op aanvraag of ambtshalve worden verleend. Voorwaarden zijn onder meer een passende training, werkervaring en voldoende vrijstelling van reguliere taken. De maximale duur is zes maanden, met mogelijkheid tot verlenging op individuele gronden. Het maximumbedrag bedraagt 50% van de subsidie voor een interne jobcoach en wordt periodiek herijkt. De subsidie wordt niet verleend als loonkostensubsidie al in de begeleidingskosten voorziet.

Artikel 2.1.2 Subsidie voor training interne werkbegeleiding

Het college kan een subsidie verlenen voor de kosten van een Harrie Helpt-training of vergelijkbare opleiding, zodat medewerkers interne werkbegeleiding kunnen bieden. Voorwaarde is een bestaand of concreet voorgenomen dienstverband met iemand uit de doelgroep. De subsidie wordt in beginsel eenmaal per werkgever verleend.

Artikel 2.1.3 Beëindiging bij verhuizing

Een voorziening voor persoonlijke ondersteuning eindigt op de dag dat de belanghebbende niet meer woonachtig is in de gemeente. In bijzondere gevallen kan het college een later beëindigingstijdstip vaststellen.

Artikel 2.1.4. Reiskosten

Inwoners met een PW-, IOAW- of IOAZ-uitkering die een re-integratietraject volgen en statushouders met inburgeringsplicht kunnen reiskosten vergoed krijgen. Vergoeding geldt bij een enkele reisafstand van tien kilometer of meer, vastgesteld via Google Maps. De vergoeding per kilometer sluit aan bij het door de Belastingdienst gehanteerde maximale onbelaste bedrag. Bij aanwezigheid van een passende voorliggende voorziening bestaat geen recht op vergoeding. Uitbetaling vindt maandelijks plaats.

Paragraaf 2 Zelfstandigen op bescheiden schaal

Artikel 2.2 Aanvullende begripsbepalingen

Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor de paragraaf over zelfstandigen op bescheiden schaal.

Artikel 2.3 Doelgroep

Tot de doelgroep behoren zelfstandigen die voor eigen rekening en risico productieve activiteiten uitvoeren die een bescheiden inkomen opleveren, maar geen recht geven op de zelfstandigenaftrek, en die voldoen aan de wettelijke vereisten voor hun activiteiten.

Artikel 2.4 Voorwaarden

Toestemming om met behoud van uitkering als zelfstandige op bescheiden schaal te werken wordt per twaalf maanden verleend en kan worden ingetrokken of niet verlengd als niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. De zelfstandige is verplicht maandelijks een urenadministratie met inkomensoverzicht in te leveren en jaarlijks de volledige bedrijfsadministratie inclusief belastingaangifte. Alle afspraken worden vastgelegd in een plan van aanpak.

Artikel 2.5 Kosten en inkomsten

De zelfstandige hanteert marktconforme tarieven. Kosten die verband houden met schulden, investeringen of die niet passen bij het bescheiden karakter van de activiteiten worden niet in mindering gebracht op de omzet. Het belastbaar inkomen wordt maandelijks voorlopig verrekend met de uitkering, waarbij inkomstenbelasting en de wettelijke inkomstenvrijlating worden toegepast. Na afloop van het boekjaar vindt definitieve vaststelling en verrekening plaats op basis van de bedrijfsadministratie en belastingaangifte.

Hoofdstuk 3 Bijstandsverlening

Artikel 3.1 Aanvullende begripsbepalingen

Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor hoofdstuk 3. Begrippen die alleen relevant zijn voor een bepaalde paragraaf zijn uitsluitend daar opgenomen.

Paragraaf 1 Aanvraag

Artikel 3.2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Voor jongeren van 18 tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken voordat zij een bijstandsaanvraag kunnen indienen. Het college heeft de bevoegdheid een aanvraag eerder in behandeling te nemen wanneer de individuele situatie daartoe aanleiding geeft. Dit artikel bepaalt in welke gevallen het college daar in ieder geval gebruik van maakt, zoals bij verblijf in een inrichting, een jeugdzorgverleden, een kinderbeschermingsmaatregel, een zorgbehoefte, een afwijkende BRP-inschrijving, eerder ontvangen bijstand of (dreigende) probleemschulden.

Artikel 3.3 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

Bij een nieuwe aanvraag binnen zes maanden na beëindiging van de vorige bijstand kan het college eerder verstrekte gegevens hergebruiken, mits dit de aanvraag verlicht en de bijstand is beëindigd wegens werkaanvaarding, een uitsluitingsgrond of verblijf buiten de gemeente. Het college controleert vooraf altijd wijzigingen in hoofdverblijf, gezinssituatie en inkomen en vermogen. De regeling geldt ook voor de IOAW.

Artikel 3.4 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Bijstand wordt in beginsel toegekend vanaf de meldingsdatum. In dit artikel is vastgelegd in welke gevallen het college van oordeel is dat toekenning met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is: enerzijds als de belanghebbende zich redelijkerwijs niet eerder kon of hoefde te melden, anderzijds als het uitblijven van bijstand vóór de melddatum ernstige gevolgen heeft. De maximale terugwerkende kracht bedraagt drie maanden. De regeling geldt ook voor de IOAW.

Paragraaf 2 Commerciële kostendeling

Artikel 3.5 Commerciële prijs

Van een commerciële prijs is sprake als de woonlasten minimaal gelijk zijn aan de basishuur. Bij lagere woonlasten kan toch sprake zijn van een commerciële prijs als de huur gebruikelijk is voor de gehuurde ruimte en een zakelijke relatie is aangetoond. Voor kostgangers geldt een drempel van 40% van de gehuwdennorm.

Paragraaf 3 Verlaging bijstand

Artikel 3.6 Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten

Als een belanghebbende geen of lage woonlasten heeft, kan de bijstandsnorm worden verlaagd. Het verschil tussen de basishuur en de feitelijke woonlasten is daarbij bepalend. De verlaging bedraagt maximaal 15% van de gehuwdennorm.

Artikel 3.7 Verlaging bijstandsnorm schoolverlaters

Een schoolverlater die bijstand aanvraagt kort na het beëindigen van de studie heeft doorgaans lagere bestaanskosten dan iemand die al langer zelfstandig woont. De norm kan daarom worden verlaagd met 10% van de gehuwdennorm, voor maximaal zes maanden. De verlaging mag niet leiden tot financiële problemen en blijft achterwege als de kostendelersnorm van toepassing is.

Artikel 3.8 Herziening verlaging bij maatregel (inkeerregeling)

Een opgelegde maatregel wegens het niet nakomen van arbeidsverplichtingen kan op verzoek worden herzien als de belanghebbende aantoonbaar gedragsverandering laat zien én voortzetting van de maatregel leidt tot huisuitzetting of onaanvaardbare gevolgen voor minderjarige kinderen. Herziening is niet mogelijk binnen een maand na de ingangsdatum en niet eerder dan de ontvangstdatum van het verzoek. Bij het niet aanvaarden of behouden van arbeid vindt geen herziening plaats.

Paragraaf 4 Vrijlatingen bij vermogen

Artikel 3.9 Vrijlating bezit voertuig

Bij de vermogensvaststelling wordt de waarde van één voertuig vrijgelaten tot € 2.500, vastgesteld op basis van de ANWB-koerslijst. Voertuigen die aantoonbaar om medische redenen zijn aangepast worden volledig vrijgelaten.

Artikel 3.10 Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Giften zijn in beginsel inkomen. Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de PW kan het college giften vrijlaten als dat in het individuele geval verantwoord is. Dit artikel bepaalt welke categorieën giften het college in ieder geval als verantwoord beschouwt: giften voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand was verleend, giften voor medisch noodzakelijke kosten, giften waarmee probleemschulden van vóór de bijstandsperiode zijn afgelost, en giften in natura met een beperkte waarde.

Paragraaf 5 Krediethypotheek

Artikel 3.11 Aanvullende begripsbepalingen

Dit artikel bevat definities die specifiek gelden voor de paragraaf over de krediethypotheek. De regels over hypotheekvestiging worden op vergelijkbare wijze toegepast bij een pandrecht op niet-registergoederen zoals woonwagens en woonschepen.

Artikel 3.12 Vestiging krediethypotheek

Als een eigenaar-bewoner bijstand aanvraagt en het vermogen gebonden aan de woning de vrijlatingsgrens overschrijdt, wordt bijstand verleend in de vorm van een geldlening. De belanghebbende is verplicht mee te werken aan de vestiging van een krediethypotheek.

Artikel 3.13 Hoogte hypotheek, taxatie woning en vestigingskosten

De hoogte van de geldlening is gelijk aan de waarde van de woning in het economisch verkeer, verminderd met de op de woning drukkende schulden en het vrij te laten vermogen. Als uitgangspunt geldt de WOZ-waarde. Op verzoek van de belanghebbende kan een recente taxatie worden gebruikt als de WOZ-waarde de werkelijke waarde niet goed weergeeft en bezwaar is aangetekend. De kosten voor taxatie en hypotheekvestiging komen ten laste van de belanghebbende; hiervoor kan bijzondere bijstand worden verleend.

Artikel 3.14 Opname voorwaarden hypotheekakte

De aan de geldlening verbonden voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.

Artikel 3.15 Aflossingsvoorwaarden hypotheek

De aflossing vindt plaats over maximaal tien jaar, te beginnen bij beëindiging van de bijstandsverlening. Het maandbedrag wordt telkens voor twee jaar vastgesteld op 60% van het verschil tussen inkomen en bijstandsnorm. Bij een inkomen op bijstandsniveau wordt geen aflossing gevergd. Verwijtbare nalatigheid maakt het nog niet afgeloste deel direct opeisbaar, vermeerderd met wettelijke rente.

Artikel 3.16 Rentevordering

Na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar is rente verschuldigd over het resterende deel van de geldlening, vastgesteld op driekwart van de wettelijke rente. Als de belanghebbende de rente niet of niet volledig kan betalen, wordt deze bijgeschreven bij de hoofdsom. Over bijgeschreven rente is geen rente verschuldigd.

Artikel 3.17 Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning

Bij verkoop of vererving wordt de geldlening inclusief bijgeschreven rente direct afgelost. Bij verkoop wegens medische of sociale omstandigheden kan het college een nieuwe geldlening verstrekken voor een vervangende woning binnen de gemeente, mits de volledige verkoopopbrengst wordt ingezet. Als de verkoopopbrengst ontoereikend is, wordt het restant kwijtgescholden.

Artikel 3.18 Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking

Als binnen twee jaar na beëindiging van bijstand opnieuw recht op bijstand ontstaat, wordt de eerder gevestigde hypotheek toegepast zonder nieuwe vestigingsprocedure.

Artikel 3.19 Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen

Na afloop van elk kalenderjaar ontvangt de belanghebbende een overzicht van de stand van de geldlening en de rentevorderingen.

Hoofdstuk 4 Schuldhulpverlening

Artikel 4.1 Aanvullende begripsbepalingen

Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor het hoofdstuk schuldhulpverlening.

Artikel 4.2 Doelgroep en toegang

Schuldhulpverlening staat open voor alle inwoners van 18 jaar en ouder, inclusief vreemdelingen met rechtmatig verblijf. Het college beoordeelt per geval of schuldhulpverlening noodzakelijk is. Ex-zelfstandigen krijgen toegang zodra het bedrijf volledig is beëindigd, de schuldenpositie helder is en de administratie op orde.

Artikel 4.3 Vorm van ondersteuning

De schuldhulpverlening is maatwerk. Of en in welke vorm ondersteuning wordt geboden hangt af van factoren als de aard en omvang van de schulden, de financiële situatie, de achterliggende problematiek, eerder gebruik van schuldhulpverlening en de behoeften en vaardigheden van de verzoeker.

Artikel 4.4 Weigeren en beëindigen

De toegang tot integrale schuldhulpverlening kan worden geweigerd of beëindigd als de verzoeker niet tot de doelgroep behoort, zijn verplichtingen niet nakomt, onjuiste gegevens heeft verstrekt, zich misdraagt, zelf verzoekt om beëindiging, of als het traject is afgerond. Ook fraude als weigeringsgrond is expliciet opgenomen. Alvorens te besluiten tot weigering of beëindiging krijgt de verzoeker een hersteltermijn.

Artikel 4.5 Herhaalde aanvraag

Bij driemaal beëindiging binnen twee jaar kan de toegang tot schuldhulpverlening voor maximaal 24 maanden worden geweigerd. Voor gezinnen met minderjarige kinderen geldt een uitzondering als de oorzaak van de eerdere beëindiging is weggenomen.

Hoofdstuk 5 Herziening, terugvordering, invordering en verhaal

Paragraaf 1 Herziening en terugvordering

Artikel 5.1 Aanvullende begripsbepalingen

Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor hoofdstuk 5.

Artikel 5.2 Gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt gebruik van zijn wettelijke bevoegdheden tot herziening, intrekking en terugvordering van uitkeringen op grond van de PW, IOAW, IOAZ en het Bbz 2004.

Artikel 5.3 Uitgangspunten terugvordering

Te veel of ten onrechte verstrekte uitkering wordt volledig teruggevorderd. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat voorop. Dit geldt ook voor bijstand verleend als bedrijfskapitaal.

Artikel 5.4 Afzien van terugvordering (kruimelbedragen)

Bij vorderingen tot € 100 wordt in beginsel afgezien van terugvordering, tenzij sprake is van verwijtbaar gedrag of de vordering verrekend kan worden met vakantiegeld.

Artikel 5.5 Brutering vordering

Vorderingen worden bruto teruggevorderd. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en nog in hetzelfde kalenderjaar kan worden afgelost of verrekend.

Paragraaf 6 Invordering

Artikel 5.6 Wijze van invordering

Uitgangspunt is betaling ineens. Als dat niet mogelijk is, wordt een maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld: het bedrag boven de beslagvrije voet bij een inkomen op bijstandsniveau, of 60% van de draagkracht bij een hoger inkomen. Op verzoek kan een lager bedrag worden vastgesteld als de vordering binnen 36 maanden is afgelost en het bedrag minimaal € 20 per maand bedraagt. Financiële omstandigheden worden periodiek getoetst via gegevensuitwisseling met BIDN. Bij niet-nakoming kan het college overgaan tot beslag of inschakeling van een deurwaarder, waarbij invorderingskosten (€ 40 tot € 450) en wettelijke rente in rekening kunnen worden gebracht.

Artikel 5.7 Ambtshalve afzien van verdere invordering

Het college ziet ambtshalve af van verdere invordering in vier situaties: na 36 maanden nakoming voor leenbijstand duurzame gebruiksgoederen, bij een restvordering onder € 100 na twee jaar nauwelijks aflossen, na vijf jaar zonder betaling op een niet-verwijtbare vordering, en na tien jaar bij een verwijtbare vordering wegens schending van de inlichtingenplicht.

Artikel 5.8 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding

Op verzoek kan het college een vordering geheel of gedeeltelijk kwijtschelden als de belanghebbende zijn aflossingsverplichtingen naar behoren heeft nagekomen of in één keer aflost. De beoordeling is individueel maatwerk, waarbij onder meer de ontstaansgrond, het aflossingsgedrag, de schuldenpositie en arbeidsperspectieven worden meegewogen. Bij verwijtbare vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht geldt een termijn van tien jaar.

Artikel 5.9 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek

Kwijtschelding in het kader van een schuldregeling is mogelijk als een schuldregeling anders niet tot stand komt, de belanghebbende zijn verplichtingen is nagekomen en het college naar evenredigheid wordt voldaan. Het kwijtscheldingsbesluit treedt pas in werking als de schuldregeling daadwerkelijk tot stand is gekomen en kan worden ingetrokken als de regeling mislukt of onjuiste gegevens zijn verstrekt. Bij verwijtbare vorderingen geldt ook hier een termijn van tien jaar.

Artikel 5.10 Geen mogelijkheden tot buiten invordering stelling en kwijtschelding

Buiten invordering stellen of kwijtschelding is in beginsel niet mogelijk als niet aan de voorwaarden is voldaan, de vordering het gevolg is van verwijtbaar gedrag, de vordering gedekt wordt door pand of hypotheek, of het een bestuurlijke boete betreft.

Paragraaf 3 Verhaal

Artikel 5.11 Aanvullende begripsbepalingen

Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor de paragraaf over verhaal.

Artikel 5.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot verhaal van bijstandskosten op grond van paragraaf 6.5 van de PW.

Artikel 5.13 Ambtshalve afzien van verhaal

Het college ziet af van verhaal als het verhaalsbedrag lager is dan het minimale alimentatiebedrag voor twee kinderen volgens de Trema-normen, als dringende redenen daartoe aanleiding geven, of als de kosten meer dan vijf jaar geleden zijn gemaakt. Verhaal in rechte blijft achterwege bij vorderingen onder € 600 of als de proceskosten de verwachte opbrengst overtreffen.

Artikel 5.14 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Het college kan verhaalsvorderingen kwijtschelden in het kader van een schuldregeling, mits de schuldenaar niet kan voortgaan met betalen, de schuldregeling anders niet tot stand komt en het college evenredig wordt voldaan. Artikel 5.9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.15 Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel heronderzoek

De verhaalsbijdrage gaat in per de eerste maand na aanschrijving. Het college verricht minimaal eenmaal per 36 maanden een heronderzoek naar de draagkracht. Gewijzigde omstandigheden leiden in beginsel tot aanpassing van de bijdrage.

Artikel 5.16 Verhaal volgens rechterlijke uitspraak

Bij niet-nakoming van een rechterlijke uitspraak wordt de onderhoudsplichtige schriftelijk aangemaand met een betalingstermijn van 30 dagen. Bij uitblijven van betaling volgt invordering bij dwangbevel, waarbij incassokosten en wettelijke rente in rekening kunnen worden gebracht.

Artikel 5.17 Beslaglegging

Als na een laatste betalingsverzoek niet of onvoldoende wordt betaald, volgt invordering via vereenvoudigd derdenbeslag of executoriaal beslag door een deurwaarder.

Hoofdstuk 6 Bestuurlijke boete

Artikel 6.1 Beoordeling bestuurlijke boete

Bij de beoordeling van een bestuurlijke boete zijn de PW, IOAW, IOAZ en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten leidend. Het college stelt geen nadere regels vast, aangezien de wet- en regelgeving de beoordelingswijze volledig beschrijft.

Artikel 6.2 Afronding

De op te leggen boete wordt ten gunste van de belanghebbende naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10.

Artikel 6.3 Kwijtscheldingsmogelijkheden bij schuldenproblematiek

Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid om een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden als de belanghebbende meewerkt aan een schuldregeling, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Onvoorziene omstandigheden

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van deze beleidsregels als strikte toepassing leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. In situaties waarin de beleidsregels niet voorzien beslist het college naar eigen inzicht.

Artikel 7.2 Intrekking oude beleidsregels en overgangsbepalingen

De Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2025 worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels. Bezwaarschriften tegen besluiten genomen onder de oude beleidsregels worden beoordeeld op basis van het recht dat gold op het moment van dat besluit.

Artikel 7.3 Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verzamelbeleidsregels treden in werking de dag na de bekendmaking en worden aangehaald als: Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026.