Beleidsregels Gebruikelijke Hulp gemeente Westerveld

Geldend van 13-06-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Gebruikelijke Hulp gemeente Westerveld

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld (college);

gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026;

gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door raad vastgestelde Maatschappelijke Visie;

besluit vast te stellen: Beleidsregels Gebruikelijke Hulp gemeente Westerveld

Inleiding

Wanneer een inwoner van de gemeente Westerveld een hulpvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid of participatie, beoordeelt de inwoner eerst of deze vraag kan worden opgelost met Gebruikelijke Hulp. Onder Gebruikelijke Hulp wordt verstaan: de hulp en ondersteuning die redelijkerwijs van huisgenoten in de eigen leefeenheid mag worden verwacht. Is deze hulp beschikbaar, dan kan de hulpvraag in beginsel zelfstandig worden opgelost en is een melding bij de gemeente op grond van de Wmo niet noodzakelijk.

Pas wanneer de hulpvraag de mogelijkheden van de Gebruikelijke Hulp overstijgt, dient de inwoner een Wmo-melding bij de gemeente te doen. Naar aanleiding van deze melding onderzoekt een consulent, aangewezen door het college, de hulpvraag en beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

Met deze beleidsregels wordt beoogd een objectief afwegingskader te bieden voor Gebruikelijke Hulp, waarin het begrip nader wordt uitgewerkt en verduidelijkt in welke situaties een melding op grond van de Wmo aan de orde is.

1. Wettelijke kaders

In de Wmo is vastgelegd dat onder Gebruikelijke Hulp wordt verstaan: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot (of partner), inwonende ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor zover sprake is van Gebruikelijke Hulp, wordt geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo verstrekt.

In de Memorie van Toelichting bij de Wmo is daarnaast opgenomen dat het wenselijk wordt geacht dat gemeenten beleid ontwikkelen ten aanzien van Gebruikelijke Hulp. Het opstellen van een objectief afwegingskader voor de afbakening en inzet van Gebruikelijke Hulp kan voorkomen dat sprake is van toeval of willekeur. Dit laat onverlet dat gemeenten in individuele situaties steeds een zorgvuldige afweging dienen te maken, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak tot ondersteuning en met de specifieke omstandigheden van de aanvrager, waaronder diens persoonskenmerken en gezins- en leefsituatie.

2. Uitgangspunten

Van volwassen huisgenoten, ouders en verzorgers wordt verwacht dat zij onderling de noodzakelijke hulp en ondersteuning bieden. Van inwonende kinderen wordt verwacht dat zij, passend bij hun leeftijd en mogelijkheden, een bijdrage leveren. Bij de beoordeling of sprake is van Gebruikelijke Hulp wordt, voor zover relevant, rekening gehouden met de volgende aspecten:

- de leeftijd van huisgenoten;

- de woonsituatie;

- de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoten;

- de beschikbaarheid om hulp te bieden;

- de kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden;

- de lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot;

- of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot, zoals relationele problematiek of schulden;

- welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld werk en sociale verplichtingen;

- het belang van de huisgenoot om inkomen uit arbeid te verkrijgen of behouden;

- de vraag of financiële problemen kunnen ontstaan door het bieden van de hulp;

- de inhoud, omvang en complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;

- overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die van invloed kunnen zijn op hun mogelijkheid om de inwoner te ondersteunen.

In beginsel wordt geen maatwerkvoorziening toegekend wanneer de benodigde ondersteuning kan worden aangemerkt als Gebruikelijke Hulp, tenzij:

- de inwoner en de leden van de leefeenheid de hulp niet zelf kunnen bieden, omdat de mogelijkheden of vaardigheden hiervoor ontbreken en deze niet aan te leren zijn. Inzet kan ook gericht zijn op het aanleren van vaardigheden aan huisgenoten om vervolgens zelf de Gebruikelijke Hulp te kunnen bieden;

- Gebruikelijke Hulp niet de beste of meest effectieve inzet is om de gewenste doelen en resultaten te bereiken;

- het bieden van Gebruikelijke Hulp leidt tot (dreigende en/of tijdelijke) overbelasting binnen de leefeenheid;

- een maatwerkvoorziening, al dan niet tijdelijk, noodzakelijk is om te waarborgen dat degene van wie Gebruikelijke Hulp wordt verwacht binnen redelijke grenzen kan blijven werken en/of participeren.

Indien zich één of meer van deze situaties voordoen, kan naast de Gebruikelijke Hulp een maatwerkvoorziening worden toegekend. Dit wordt per casus beoordeeld en is maatwerk. De ondersteuning vanuit deze maatwerkvoorziening wordt geleverd door een derde, zijnde een zorgaanbieder of een persoon buiten de leefeenheid van de inwoner.

3. Kortdurende en langdurige situaties

Bij de beoordeling of sprake is van Gebruikelijke Hulp of van een mogelijke aanspraak op een maatwerkvoorziening, wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige situaties:

Kortdurend

Er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner. Het gaat hierbij om een periode van maximaal drie maanden in één jaar. In deze periode wordt van huisgenoten verwacht dat zij tijdelijk de noodzakelijke ondersteuning bieden, ook als dit verder gaat dan de dagelijkse gebruikelijke taken, zolang dit redelijkerwijs kan worden gevraagd en geen onevenredige overbelasting veroorzaakt. Doorgaans is een maatwerkvoorziening in deze situaties niet noodzakelijk.

Langdurend

Het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid of participatie langer dan drie maanden in één jaar nodig is. In langdurige situaties wordt per casus beoordeeld wat van huisgenoten redelijkerwijs kan worden verwacht. Alleen hulp die volgens algemeen aanvaarde maatstaven binnen het huishouden kan worden geleverd, wordt aangemerkt als Gebruikelijke Hulp. Hulp die daarboven uitstijgt, kan aanleiding zijn voor toekenning van een maatwerkvoorziening.

4. Belastbaarheid

Bij de beoordeling van Gebruikelijke Hulp wordt rekening gehouden met de belastbaarheid van huisgenoten, inclusief de mogelijkheid van (dreigende) overbelasting. Daarbij geldt het volgende:

- er moet een verband zijn tussen de (over)belasting en de hulp aan de inwoner;

- als de overbelasting verband houdt met werk of andere factoren buiten de hulp aan de inwoner om, dient de huisgenoot eerst de oorzaak van deze spanningen te adresseren;

- bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;

- indien de (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale of maatschappelijke activiteiten, wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.

Mogelijke signalen van overbelasting kunnen zijn:

- gespannen spieren, gewrichtspijn, spierkrampen, spiertrekkingen in het gezicht;

- hoge bloeddruk;

- slapeloosheid, rusteloosheid;

- concentratieproblemen, dwangmatig denken, geen beslissingen kunnen nemen, denkblokkades;

- migraine, duizeligheid;

- verminderde weerstand;

- ademnood en gevoelens van beklemming op de borst;

- plotseling hevig zweten;

- gevoelens van beklemming in de hals;

- verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen, neerslachtigheid, vaak huilen, verbittering.

Bij overbelasting wordt geen persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp door een huisgenoot; de benodigde ondersteuning wordt in dat geval door een andere zorgverlener geleverd.

5. Verantwoordelijkheden

Gebruikelijke Hulp kan worden verwacht van alle personen die deel uitmaken van de leefeenheid van de inwoner. Hieronder worden verstaan:

- echtgenoten en partners die een gezamenlijke huishouding voeren;

- ouders;

- inwonende kinderen, dan wel inwonende ouders bij kinderen;

- inwonende andere familieleden;

- andere huisgenoten, met uitzondering van personen waarmee de inwoner uitsluitend een commerciële woonrelatie heeft.

De bijdrage die van kinderen kan worden verwacht, is afhankelijk van hun leeftijd en individuele situatie; zij mogen door de te verrichten taken niet worden belemmerd in hun ontwikkeling. Bij de beoordeling van Gebruikelijke Hulp wordt daarom altijd rekening gehouden met de context waarin het kind opgroeit, zodat maatwerk kan worden toegepast.

Globaal gelden de volgende uitgangspunten:

- kinderen tot 5 jaar:

geen bijdrage verwacht;

- kinderen van 5 – 12 jaar:

lichte huishoudelijke taken, zoals opruimen, tafeldekken, afwassen en meehelpen in het huishouden;

- jongeren van 12 – 18 jaar:

lichte en zwaardere huishoudelijke taken, zoals stofzuigen en het verschonen van bedden;

- jongvolwassenen van 18 – 23 jaar:

in staat een eenpersoonshuishouden met de bijbehorende taken te voeren;

- vanaf 23 jaar:

in staat een meerpersoonshuishouden met de bijbehorende taken te voeren.

6. Gebruikelijke Hulp en pgb

Wanneer de ondersteuningsbehoefte niet volledig kan worden ingevuld door middel van Gebruikelijke Hulp, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. De inwoner kan er dan voor kiezen om deze maatwerkvoorziening te ontvangen in de vorm van zorg in natura (ZIN) of een pgb.

Met een toegekend pgb kan geen ondersteuning worden ingekocht bij een persoon die deel uitmaakt van de leefeenheid. Indien een huisgenoot in staat is de benodigde ondersteuning te bieden, wordt deze immers aangemerkt als Gebruikelijke Hulp, en is er geen aanleiding voor het toekennen van een maatwerkvoorziening. Een pgb kan daarom uitsluitend worden ingezet voor de inkoop van ondersteuning bij een derde, zijnde een zorgaanbieder of persoon buiten de leefeenheid van de inwoner.

De Wmo is niet bedoeld als inkomensvoorziening. De keuze van een partner of ouder om minder te gaan werken ten behoeve van de zorg voor een gezinslid leidt niet tot compensatie van inkomensverlies op grond van de Wmo. Bij (dreigende) overbelasting van een partner of ouder kan wel ondersteuning in de vorm van respijtzorg worden aangevraagd. Hiervoor kan de betreffende mantelzorger een afzonderlijke Wmo-melding doen. Een pgb is in dit geval geen passend instrument, aangezien dit de overbelasting niet wegneemt.

7. Uitzonderingen

Afwijking van deze beleidsregels is mogelijk indien de toepassing ervan in een individueel geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiervan is sprake wanneer de gevolgen van toepassing evident onredelijk zijn. In dergelijke situaties kan gemotiveerd worden afgeweken van hetgeen in deze beleidsregels is bepaald.

8. Overgangssituaties

Bij een verlenging van een eerder toegekende voorziening is sprake van een nieuwe beoordeling, die plaatsvindt op basis van deze beleidsregels. In bepaalde situaties kan het echter onredelijk zijn om ondersteuning abrupt te beëindigen. In dat geval kan een gewennings- of afbouwperiode worden gehanteerd. De duur hiervan is maatwerk en afhankelijk van de gevolgen voor het gezin, met als richtlijn dat afbouw plaatsvindt binnen een periode van maximaal zes maanden.

9. Inwerkingtreding

- de beleidsregels treden in werking de eerstvolgende dag na bekendmaking van deze beleidsregels en van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026;

- de beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Gebruikelijke Hulp gemeente Westerveld.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 24 maart 2026.

D.B. Bruijn J. Spoelstra

secretaris burgemeester